Bijlage 2 - Quick scan Duurzame Polder
Tekst van het document
Duurzame Polder Quickscan
Gemeente Oss en gemeente 's-Hertogenbosch 15 maart 2023
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Duurzame Polder Gemeente Oss en gemeente 's-Hertogenbosch
Quickscan Concept 03 15 maart 2023 134741/23-004.540
134741 M.M.K. Vanderschuren MSc K.A. Haans MSc
S.A. de Graaff MSc, J.L.G. Eggenkamp MSc M.M.K. Vanderschuren MSc M.M.K. Vanderschuren MSc
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
DEEL 1 - INTRODUCTIE
6
1
INLEIDING
7
2
UITGANGSPUNTEN EN METHODE
9
2.1
Verkenningsgebied
9
2.2
Energiedoelstelling Duurzame Polder
10
2.3
Referentieturbines
10
2.4
Methodiek
11
2.4.1 2.4.2
11 13
Methode zoekruimte op basis van milieueffecten Methode variantenstudie
DEEL 2 - GEBIEDSANALYSE
14
3
MILIEUEFFECTEN PER THEMA
15
3.1
Wonen en geluid
15
3.1.1 3.1.2 3.1.3
15 17 20
3.2
Natuur 3.2.1 3.2.2 3.2.3
3.3
3.4
3.5
Aanpak Analyse Conclusie
20 Beschermde gebieden Beschermde soorten Conclusie
21 23 25
Veiligheid
26
3.3.1 3.3.2 3.3.3 3.3.4
26 26 28 30
Begripsbepaling Belemmeringen vanuit veiligheid Aandachtspunten vanuit veiligheid Conclusie
Landschap
31
3.4.1 3.4.2 3.4.3
31 32 33
Landschap in de Duurzame Polder Windturbines in het landschap van de Duurzame Polder Conclusie
Water 3.5.1
33 Waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied
33
3.5.2 3.6
3.7
Conclusie
34
Archeologie
34
3.6.1 3.6.2 3.6.3
34 35 35
Bekende archeologische waarden Archeologische verwachtingswaarden Conclusie
Slagschaduw
36
3.7.1 3.7.2
36 37
Slagschaduwcontour van een windturbine Conclusie
DEEL 3 - VERGELIJKING VARIANTEN OP MILIEUEFFECTEN
38
4
BESCHRIJVING VARIANTEN
39
4.1
Denkrichting 1: ‘een grootschalig hart’
39
4.2
Denkrichting 2: ‘het wijde westen’
40
4.3
Denkrichting 3: ‘een veelkleurig mozaïek’
40
4.4
Denkrichting 4: ‘lange lijnen van oost naar west’
41
5
VERGELIJKING VARIANTEN
42
5.1
Vergelijking varianten - wonen en geluid
42
5.1.1 5.1.2
42 45
5.2
5.3
5.4
5.5
5.6
5.7
6
Belemmeringen voor varianten Aandachtspunten voor varianten
Vergelijking varianten - natuur
47
5.2.1 5.2.2
49 50
Aandachtspunten voor varianten - beschermde gebieden Aandachtspunten voor varianten - beschermde soorten
Vergelijking varianten - veiligheid
50
5.3.1 5.3.2
50 51
Belemmeringen voor varianten Aandachtspunten voor varianten
Vergelijking varianten - landschap
51
5.4.1
51
Aandachtspunten voor varianten
Vergelijking varianten - water
53
5.5.1 5.5.2
54 54
Belemmeringen voor varianten Aandachtspunten voor varianten
Vergelijking varianten - archeologie
54
5.6.1 5.6.2
55 56
Belemmeringen voor varianten Aandachtspunten voor varianten
Vergelijking varianten - slagschaduw
56
5.7.1
57
Vergelijking aandachtspunten
CONCLUSIE: OVERZICHT VERGELIJKING VARIANTEN
58
6.1
Vergelijking varianten op belemmeringen vanuit milieu
58
6.2
Vergelijking varianten op aandachtspunten
59
6.2.1 6.2.2
59 61
Onderscheidende aandachtspunten Algemene aandachtspunten voor alle varianten
Laatste pagina
Bijlage(n) I
Ecologische risico-analyse
61 Aantal pagina's 26
DEEL 1 - INTRODUCTIE
6 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
1 INLEIDING De gemeente Oss en de gemeente ’s-Hertogenbosch hebben een verkenning1 en een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD)2 laten uitvoeren naar de mogelijkheden om duurzame energie op te wekken in de Duurzame Polder. De gemeenten Oss en ’s-Hertogenbosch hebben het voornemen om een belangrijk deel van de duurzame energieopgave van beide gemeenten te realiseren in de Duurzame Polder. Het betreft primair de ontwikkeling van windenergie, maar beide gemeenten willen nadrukkelijk ook ontwikkelkansen benutten voor onder andere wonen, gezondheid, landbouw, natuur, water, bodem, klimaatadaptatie, cultuurhistorie en recreatie. De bestuurlijke opdrachtformulering voor de Duurzame Polder luidt: ’Bij de uitwerking van de voor Duurzame Polder gestelde energieopgave (namelijk: het tijdig (uiterlijk 1 januari 2025) verlenen van vergunningen voor de beoogde opwek), wordt de samenhang met andere waarden en belangen in ogenschouw genomen, waardoor een integrale gebiedsontwikkeling plaatsvindt’. Voorliggende quickscan heeft betrekking op windenergie in de Duurzame Polder, en is dus nog geen beoordeling van een integrale gebiedsontwikkeling. Een beoordeling van integrale gebiedsalternatieven volgt in het MER. In een ontwerpend onderzoek zijn door H+N+S Landschapsarchitecten en Open Kaart 16 opstellingsvarianten gedefinieerd. Deze zijn tot stand gekomen vanuit verschillende perspectieven.
Samen laten de 16 varianten de bandbreedte zien van mogelijke windturbineopstellingen binnen de Duurzame Polder. Voorliggende quickscan beoordeelt de varianten op milieueffecten. Het doel van deze quickscan is tweeledig: 1 het in beeld brengen van de mogelijke zoekruimte voor windenergie binnen de Duurzame Polder op basis van milieu-informatie; 2 het beoordelen van de varianten uit het ontwerpend onderzoek op haalbaarheid en het inzichtelijk maken van aandachtspunten, zodat ambtelijk een goed en zorgvuldig tot stand gekomen voorstel gemaakt kan worden, waarna bestuurders op basis daarvan een afweging kunnen maken van alternatieven die nader in het MER onderzocht zullen worden. Op basis van bovenstaande doelen, biedt deze quickscan de benodigde beslisinformatie vanuit milieu om de totstandkoming van de alternatieven in het planMER te onderbouwen. De quickscan is een eerste, hoog over toetsing van de milieueffecten. Niet alle milieueffecten spelen in deze fase een rol bij de besluitvorming. In paragraaf 2.4 is toegelicht welke milieuaspecten wel en niet zijn meegenomen in deze quickscan. In het MER worden milieueffecten nader onderzocht, conform het beoordelingskader dat is opgenomen in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau2. Met de informatie in dit document kunnen de gemeenten de 16 varianten reduceren tot circa vijf onderscheidende en uitvoerbare alternatieven.
Hiervoor brengt de quickscan twee zaken in beeld: 1 wat zijn vanuit milieu de ‘no-go’s’ voor windenergie in de Duurzame Polder? Ofwel: waar spelen (wettelijke) belemmeringen waardoor windenergie niet haalbaar is; 2 wat zijn de onderscheidende milieueffecten tussen de varianten? Ofwel: waar spelen aandachtspunten die input vormen voor de afweging om te trechteren van 16 varianten naar circa vijf alternatieven.
1
Eindrapport Verkenning Duurzame Polder, https://www.duurzamepolder.nl/storage/files/24/eindrapport-verkenningduurzame-polder.pdf.
2
https://www.duurzamepolder.nl/storage/files/57/notitie-reikwijdte-en-detailniveau-mer-duurzame-polder.pdf.
7 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Leeswijzer Deze quickscan bestaat uit drie delen: - deel 1 bestaat uit dit inleidende hoofdstuk (hoofdstuk 1) en een toelichting op de uitgangspunten en onderzoeksmethode (hoofdstuk 2); - deel 2: betreft een gebiedsanalyse waarin belemmeringen en aandachtspunten vanuit het gebied in beeld zijn gebracht (hoofdstuk 3); - deel 3: betreft een analyse en beoordeling van de milieueffecten van de verschillende opstellingsvarianten. De opstellingsvarianten worden geïntroduceerd in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden de varianten beoordeeld en in hoofdstuk 6 wordt een concluderend overzicht gegeven. Deel 4 - beoordeling van aanvullende varianten In het ontwerpend onderzoek zijn eind februari 2023 8 aanvullende opstellingsvarianten opgesteld naar aanleiding van input uit omgevingssessies en de aandachtspunten uit deze quickscan. De aanvullende varianten zijn in deze tussentijdse versie van de quickscan nog niet beschreven en beoordeeld. De uitwerking hiervan volgt in een volgende versie van de quickscan, die naar verwachting eind maart 2023 gereed is. De aanvullende varianten zullen in Deel 4 van deze quickscan beoordeeld worden.
8 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
2 UITGANGSPUNTEN EN METHODE Dit hoofdstuk beschrijft de uitgangspunten en methode van voorliggende quickscan. Eerst wordt in paragraaf 2.1 het verkenningsgebied van de Duurzame Polder toegelicht. Paragraaf 2.2 geeft een toelichting op de energiedoelstellingen voor Duurzame Polder, waarna paragraaf 2.3 inzicht biedt in de referentieturbines die zijn gehanteerd voor deze studie. Tot slot beschrijft paragraaf 2.4 de methodiek die aansluit bij het doel van deze studie.
2.1
Verkenningsgebied
De gemeente Oss en de gemeente ’s-Hertogenbosch hebben het voornemen om een groot deel van beider duurzame energie-opgaven te realiseren in de Geffense, Lithse en Rosmalense polder tussen beide gemeentes: de Duurzame Polder. Het verkenningsgebied Duurzame Polder wordt globaal begrensd door de kernen Rosmalen (zuidwestzijde), Kruisstraat en Geffen (zuidzijde), Oss (zuidoostzijde), de N625 (oostzijde) en de Maas (noord- en noordoostzijde). De Duurzame Polder is een grootschalig verkaveld komgebied en kent in de huidige situatie vooral een agrarisch gebruik. Afbeelding 2.1 toont de afbakening van het verkenningsgebied de Duurzame Polder.
Afbeelding 2.1 Verkenningsgebied
9 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
2.2
Energiedoelstelling Duurzame Polder
Beide gemeenten hebben in hun raadsbesluiten de opgave en kaders aangegeven voor de verdere uitwerking en plan- en besluitvorming. De energiedoelstelling voor de Duurzame Polder volgt uit de doelstellingen van de gemeenten Oss en ’s-Hertogenbosch samen. De opwekdoelstellingen voor de gemeenten Oss en ’s-Hertogenbosch zijn echter verschillend van aard. Energiedoelstelling Oss In de RES 1.0 is de energiedoelstelling van de gehele gemeente Oss vastgesteld op 0,28 terrawattuur (TWh), waarvan 0,24 TWh nog te realiseren1. Een groot deel van deze opgave wordt gerealiseerd met windmolens in de Duurzame Polder. Het gaat om een resterende RES-opgave van 0,514 PJ2 in de gemeente Oss. Energiedoelstelling ’s-Hertogenbosch In RES 1.0 is de energiedoelstelling van de gehele gemeente ’s-Hertogenbosch vastgesteld op 0,35 TWh (1,3 PJ), waarvan 0,24 TWh nog te realiseren (0,86 PJ). Dit is ook de opgave voor het Bossche deel van de Duurzame Polder tot 2030, minus het resultaat van de uitvraag van 100 hectare zonnevelden buiten de Duurzame Polder. Met het Bestuursakkoord 2022 - 20263 is dit gewijzigd naar 50 hectare zon elders. Daarnaast is vastgelegd dat de gemeente ’s-Hertogenbosch voor 2030 16 windturbines in de Duurzame Polder (DP) wil realiseren. De exacte opwekdoelstelling die hieruit volgt, is niet vastgelegd.
2.3
Referentieturbines
Windturbines verschillen in ashoogte en rotordiameter, welke samen de omvang en (mede) het vermogen van de windturbine bepalen. De eigenschappen van een windturbine zijn bepalend voor de aard en omvang van milieueffecten. Een milieuonderzoek werkt met referentieturbines die met een onder- en bovengrens de bandbreedte aan milieueffecten representeren. De referentieturbines die een onder- en bovengrens representeren, kunnen verschillen per milieuthema. Zo zijn de afmetingen bepalend voor milieuthema’s als slagschaduw en landschap, maar bepaalt een combinatie van de bronsterkte en afmetingen de geluidseffecten. Ten behoeve van deze quickscan en het MER, is daarom onderzocht wat representatieve windturbinetypen zijn voor enerzijds een onder- en bovengrens qua afmetingen, en anderzijds voor geluidemissie. Uit de analyse blijkt dat voor zowel afmetingen als voor geluidemissie dezelfde referentieturbines gehanteerd kunnen worden. De referentieturbines die de onder- en bovengrens voor afmetingen voor windturbines op land vertegenwoordigen, markeren tevens de realistische onder- en bovengrens voor geluid. De ‘kleine’ windturbine is ook een ‘stille’ windturbine (een realistische ondergrens), en de ‘grote’ windturbine is ook een relatief ‘luide’ windturbine (een realistische bovengrens).
Voor voorliggende quickscan worden de milieuonderzoeken uitgevoerd met de volgende twee referentieturbines: 1 een Nordex N117, een windturbine met een ashoogte van 134 m, een rotordiameter van 117 m en een vermogen van circa 3,6 MW. Deze windturbine markeert de ondergrens van de bandbreedte aan mogelijke winturbines op land in 2030 voor zowel afmetingen als voor geluidemissie; 2 een Vestas V172, een windturbine met een ashoogte van 175 m, een rotordiameter van 172 m en een vermogen van circa 7,2 MW. Deze windturbine markeert de bovengrens van de bandbreedte aan mogelijke windturbines op land in 2030 voor zowel afmetingen als voor geluidemissie.
1
Regionale Energiestrategie 1.0 - Energiewerkplaats Brabant.
2
https://www.duurzamepolder.nl/nieuws/resterende-energieopgave-gemeente-oss-gedaald.
3
https://www.s-hertogenbosch.nl/stad-en-bestuur/bestuur/bestuursakkoord.
10 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Toelichting referentieturbines quickscan en turbinetypen varianten De gehanteerde referentieturbines in voorliggende quickscan verschillen van de turbinetypen op basis waarvan de varianten zijn ontwikkeld. Dit gaat met name om de ondergrens uit de quickscan (tiphoogte 192 m) en turbinetype 1 (tiphoogte 210 m) uit de variantenontwikkeling. De bovengrens uit de quickscan (tiphoogte 261 m) en turbinetype 2 (tiphoogte 260 m) uit de variantenontwikkeling zijn nagenoeg gelijk. Beide turbinetypen uit de variantenontwikkeling vallen binnen de bandbreedte van de referentieturbines in de quickscan. Het verschil in afmetingen is te verklaren door het feit dat de quickscan uitgaat van een bestaande windturbine (de Nordex117) en de variantenontwikkeling enkel van afmetingen van een fictieve windturbine. Dit sluit aan bij het proces wat doorlopen wordt: de variantenontwikkeling brengt zo breed mogelijk varianten in beeld, terwijl de quickscan de opmaat is naar het plan-MER. In het plan-MER is het van belang dat wordt uitgegaan van een realistische bandbreedte aan mogelijke windturbines. Daarmee is het belangrijk dat wordt gerekend met een werkelijk te bouwen turbine die momenteel op de markt is, en tegelijkertijd de ondergrens van mogelijkheden representeert anno 2030.
Omdat turbinetype 1 uit de variantenontwikkeling (het ontwerpspoor) binnen de bandbreedte van de referentieturbines uit de quickscan valt, is het verschil niet van invloed op de resultaten van deze quickscan of de haalbaarheid van de varianten. De referentieturbines geven samen een realistische bandbreedte aan mogelijke windturbines weer. Anno 2022 is enerzijds een windturbine op land kleiner dan 134 m ashoogte en een turbinevermogen van minder dan circa 3,6 MW onder de huidige financiële aannames niet realistisch. Dit komt onder andere vanwege het vervallen van de SDE-subsidie. Anderzijds is een windturbine op land met een ashoogte hoger dan 175 m en een tiphoogte van meer dan 261 m momenteel niet op de markt. Daarom vormen deze afmetingen een realistische bovengrens. Grotere windturbines (in omvang en vermogen) worden momenteel enkel gerealiseerd op zee, mede vanuit toenemende omgevingseffecten (geluid, slagschaduw, visuele verstoring) naarmate de windturbine in hoogte toeneemt. In de RES’en wordt gerekend met een windturbine van circa 5,6 MW. Deze turbine valt binnen de bandbreedte van referentieturbines in voorliggende quickscan, maar representeert niet de onder- of bovengrens van de bandbreedte. Daarom is deze turbine niet als referentieturbine opgenomen in voorliggende studie.
De referentieturbines worden in voorliggende studie gehanteerd om de bandbreedte van effecten op hoofdlijnen te bepalen, niet om (maximale) specificatie van turbines in concrete projecten voor te schrijven.
2.4
Methodiek
De methodiek voor de voorliggende quickscan is onder te verdelen in twee fases, namelijk: 1 het in beeld brengen van de mogelijke zoekruimte voor windenergie binnen de Duurzame Polder op basis van milieueffecten. Daarbij is het ‘omgekeerde werking’ principe toegepast, waarbij vanuit bestaande (gevoelige) objecten is beschouwd welke ruimte in de polder bestaat om windturbines te plaatsen; 2 het beoordelen van de varianten op haalbaarheid en het inzichtelijk maken van de aandachtspunten.
2.4.1
Methode zoekruimte op basis van milieueffecten
Milieuthema’s Voor het in beeld brengen van de mogelijke zoekruimte voor windenergie, maakt de quickscan inzichtelijk waar windenergie niet haalbaar is, waar aandachtspunten gelden en waar windenergie -op voorhandmogelijk lijkt. Hiervoor wordt gekeken naar de effecten van windturbines op een aantal milieuthema’s die over het algemeen bepalend zijn voor de locatiekeuze voor windturbines. Dit zijn thema’s die naar verwachting inzicht geven in onderscheidende effecten tussen locaties, en die daarmee bijdragen aan de besluitvorming over locaties voor windenergie. De quickscan Duurzame Polder brengt in dit kader de milieueffecten van de thema’s Wonen en geluid, Natuur, Externe veiligheid, Landschap, Water, Archeologie en Slagschaduw in beeld.
11 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Naast de bovenstaande milieuthema’s, zijn er ook andere milieuthema’s die op quickscan-niveau minder bepalend zijn omdat ze niet direct leiden tot een risico voor de uitvoerbaarheid of omdat effecten naar verwachting beperkt onderscheidend zijn tussen de varianten . Dit zijn milieuthema’s die voornamelijk inzicht geven in locatie-specifieke aandachtspunten die relevant zijn voor de nadere uitwerking van het project. Dit gaat bijvoorbeeld om thema’s als landbouw en bodem. Deze milieuthema’s en aspecten zijn in deze fase minder sterk van invloed op de keuze voor een bepaalde of locatie op planniveau. Dergelijke milieuthema’s en aspecten worden daarom niet nader beschouwd in voorliggende quickscan, maar komen aan bod in het MER. Belemmeringen en aandachtspunten Om te komen tot zoekruimte zijn belemmeringen (gebieden die zijn uitgesloten op basis van uitsluitende criteria) en gebieden met aandachtspunten (op basis van sturende criteria) in beeld gebracht. Deze criteria volgen uit de fysieke ruimte in het gebied en uit (milieu-)wetgeving en beleid. De wettelijke- en regelgevende kaders en beleidskaders geven een beeld van de (on)mogelijkheden voor de ontwikkeling van windenergie in het gebied.
Op basis van deze kaders is het volgende onderscheid te maken: - belemmeringen: dit zijn fysieke beperkingen, of beperkingen vanuit wet- en regelgeving, die de ontwikkeling van windenergie en bijbehorende infrastructuur op een bepaalde locatie onmogelijk maakt; en - aandachtspunten: gebieden waarvoor vanuit beleid en/of de aard en omvang van effecten beperkingen of aandachtspunten gelden. Het beleid maakt afwijking van de regels echter mogelijk, bijvoorbeeld met ‘nee-tenzij’ of ‘ja-mits’-voorwaarden. Belemmeringen De zoekruimte voor windenergie wordt beperkt door belemmeringen, namelijk fysieke beperkingen en of beperkingen vanuit wet- en regelgeving. Fysieke beperkingen aan zoekgebieden voor windenergie zijn bijvoorbeeld gebouwen en infrastructuur (wegen, spoorwegen, buisleidingen of bestaande windturbines). Het is hier fysiek niet mogelijk om windturbines te realiseren zonder aanvullende afspraken of voorzieningen/maatregelen.
Wettelijke beperkingen aan zoekgebieden gelden onder andere voor: - geluid: een windturbine mag een maximale hoeveelheid geluid veroorzaken op de gevel van gevoelige bestemmingen zoals een woning of ziekenhuis; - slagschaduw: een maximale slagschaduwduur op de gevel van gevoelige bestemmingen; - veiligheid: een minimale afstand tot kwetsbare gebouwen (zoals woningen), beperkt kwetsbare gebouwen (zoals bedrijven en woningen in het buitengebied), en inrichtingen met gevaarlijke stoffen; - infrastructuur: een minimale afstand tot hoofdwaterwegen; - natuur: vanuit de Wet natuurbescherming gelden regels voor gebieds- en soortenbescherming. In hoofdstuk 3 wordt per thema beschreven welke belemmeringen binnen het verkenningsgebied aan de orde zijn en wat dit betekent voor de zoekruimte voor windenergie binnen de Duurzame Polder. Aandachtspunten Naast de wettelijke belemmeringen vanuit natuur, geluid, slagschuw en veiligheid, volgen aandachtspunten vanuit beleid. Onder deze aandachtspunten vallen richtafstanden, adviesafstanden die voortkomen uit beleid en regelgeving die afwijkingen mogelijk maken. Een voorbeeld van een aandachtspunt is de veiligheidscontour rond snelwegen. De veiligheidscontour is opgenomen in de Handreiking Risicozonering Windturbines1, maar in de praktijk zijn er mogelijkheden om hiervan af te wijken.
De milieuonderzoeken in het MER gaan uitwijzen of de aandachtspunten belemmeringen zijn, of dat de ontwikkeling van windenergie (onder voorwaarden) mogelijk is. De gebieden met aandachtspunten behoren daarmee tot de zoekruimte.
1
Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW2020), versie 1.1, 20 mei 2020.
12 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Aandachtspunten vanuit gemeentelijke eisen met betrekking tot geluid Een gemeentelijk bepaalde afstand tot de bebouwde kom In de gemeenteraden is vastgesteld dat het zoekgebied voor windturbines een minimale afstand aan moet houden van de bebouwde kom, zie afbeelding 2.2: - Oss: tenminste 2 kilometer van de huidige bebouwde komgrens; - ’s-Hertogenbosch: tenminste 1 kilometer van tot bebouwde kom van de kernen (en gerekend vanaf de grens van het bestemmingsplangebied ‘De Groote Wielen Noordoosthoek’. Gemeenten hebben de vrijheid een strengere afstand tot gevoelige bestemmingen aan de houden dan wettelijk voorgeschreven. De strengere afstandseisen zijn bepaald op gemeentelijk niveau, met als doel de hinder op omwonenden zoveel mogelijk te beperken. De afstanden komen daarmee niet voort uit nationale wet- en regelgeving. Het zijn afstanden die voortkomen uit een bestuurlijk proces, en niet vanuit een milieuafweging. Daarom zijn de bovenstaande afstanden in de quickscan niet bij voorbaat beschouwd als belemmering, maar als algemeen aandachtspunt. In de variantenstudie wordt per variant in beeld gebracht of deze aansluit of afwijkt van de afstanden tot de bebouwde kom zoals geformuleerd door de gemeenten.
Afbeelding 2.2 Bufferafstand tot woonkernen zoals vastgesteld door gemeenten ’s-Hertogenbosch en Oss. Het transparante gebied binnen de roze contouren is het zoekgebied voor windturbines
Een gemeentelijke beleidsnorm van 42 dB L den De gemeente Oss heeft in een het bestemmingsplan voor het Windmolenpark Elzenburg - De Geer vastgesteld dat de gemeente streeft naar een maximale geluidbelasting op woningen als gevolg van windturbines van maximaal 42 dB Lden. Omdat dit bestemmingsplan binnen de gemeente Oss valt, geldt deze bovenwettelijke streefwaarde van 42 dB Lden voor voorliggend project als aandachtspunt. In hoofdstuk 3 wordt per thema beschreven welke aandachtspunten binnen het verkenningsgebied aan de orde zijn en wat dit betekent voor de zoekruimte voor windenergie binnen de Duurzame Polder.
2.4.2
Methode variantenstudie
In deel 2 van deze quickscan worden de varianten vergeleken op milieueffecten. De varianten, zoals beschreven in hoofdstuk 4, worden hierbij geprojecteerd op de milieu-informatie zoals gepresenteerd in hoofdstuk 3. Voor elk van de milieuthema’s is onderscheid te maken in belemmeringen (uitsluitingscriteria) en aandachtspunten. Mede op basis van deze belemmeringen en aandachtspunten vanuit milieu, kunnen bestuurders een trechtering maken van 16 varianten naar circa vijf alternatieven. Voor een verdere toelichting op de methode van de variantenstudie wordt verwezen naar hoofdstuk 6.
13 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
DEEL 2 - GEBIEDSANALYSE
14 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
3 MILIEUEFFECTEN PER THEMA
3.1
Wonen en geluid
Het thema Wonen en geluid beschouwt de effecten van windenergie op woningen. Hierbij wordt in beeld gebracht op welke afstand eventuele windturbines in de Duurzame Polder tot woningen gerealiseerd kunnen worden. De geluidsbelasting van een windturbine is afhankelijk van het aantal windturbines, de geluidemissie van de windturbines en de specifieke positie van de windturbines in relatie tot gevoelige bestemmingen.
3.1.1
Aanpak
In het Activiteitenbesluit artikel 3.14, lid a is vastgesteld dat het geluid door windturbines ten hoogste 47dB Lden1 op de gevel van gevoelige gebouwen en op de grens van gevoelige terreinen mag bedragen. Dit toetsingskader geldt voor één windturbine (solitaire windturbine) maar ook voor een combinatie van windturbines. In deze norm is ook rekening gehouden met laagfrequent geluid. Het Activiteitenbesluit is echter buiten gebruik (zie kader) en ook artikel 3.15d uit de overbruggingsregeling is niet van toepassing op dit project. De normen uit het Activiteitenbesluit dienen daarom niet meer als wettelijk kader. Daarom worden voor voorliggende quickscan meerdere geluidssituaties inzichtelijk gemaakt. Hierbij worden zowel de norm vanuit het Activiteitenbesluit (47 dB Lden) als de richtlijn van de Wereldgezondheidsorganisatie (45 dB Lden) beschouwd, waarbij voor beide geluidsniveaus zowel de situatie met als zonder mitigatie2 in beeld wordt gebracht. Dit geeft inzicht in waar binnen het verkenningsgebied welke geluidsbelasting kan worden verwacht. Daarnaast worden de geluidcontouren in beeld gebracht die volgen uit het hanteren van een maximale geluidbelasting van 42 dB Lden op de gevel van gevoelige bestemmingen, zoals woningen. Dit volgt uit het bestemmingsplan voor Windmolenpark Elzenburg - De Geer3 in de gemeente Oss.
De gemeente Oss heeft in dit bestemmingsplan vastgesteld dat de gemeente streeft naar een maximale geluidbelasting op woningen als gevolg van windturbines van maximaal 42 dB Lden. Omdat dit bestemmingsplan binnen de gemeente Oss valt, brengt voorliggende quickscan de geluidcontouren die volgen uit deze bovenwettelijke streefwaarde van 42 dB Lden in beeld.
1
‘Level day-evening-night’, een maat voor het meten van de geluidsbelasting over een geheel etmaal, namelijk de dagperiode, de avondperiode en de nachtperiode.
2
Mitigatie is één of meerdere maatregelen waarmee het beschreven effect beperkt of voorkomen kan worden.
3
Zie: https://www.oss.nl/inwoners/actueel/plannen-enprojecten/windpark_elzenburg_de_geer/bestemmingsplan_windpark_elzenburg_de_geer.htm
15 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Activiteitenbesluit Vanwege de uitspraak van de Raad van State (202003882/1) gelden de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit tot afronding van het nader onderzoek naar de normstelling niet als officiële wettelijke belemmering. Toch is de geluidsnorm vanuit het Activiteitenbesluit bij de alternatievenontwikkeling in beeld gebracht. De verwachting is dat de normen na herziening enkel strenger kunnen worden, en niet milder. Daarmee laat de norm uit het Activiteitenbesluit de maximale geluidsnorm zien waar aan voldoen moet worden. Deze minimale geluidsnorm resulteert in een minimaal aan te houden afstand tot woningen. Met toepassing van een strengere norm, wordt de afstand tot woningen groter, en worden zoekgebieden (verder) ingeperkt. In voorliggende quickscan wordt zowel de 47 dB Lden geluidcontour uit het Activiteitenbesluit als de 45 dB Lden geluidcontour vanuit de WHO in beeld gebracht. Daarnaast wordt de geluidcontour van de bovenwettelijke streefwaarde van 42 dB Lden in beeld gebracht, die is vastgesteld in het bestemmingsplan voor windmolenpark Elzenburg - De Geer binnen de gemeente Oss. Het effect van geluid is op een semi-kwantitatieve manier in kaart gebracht. In verband met het nog ontbreken van specifieke windturbineposities en windturbinetypen is in deze fase de 42, 45 en 47 dB Lden contour van de windturbines bepaald op basis van de twee referentieturbines.
Daarbij is als uitgangspunt gehanteerd dat de cumulatie van geluid tussen de turbines onderling een rol speelt, waardoor de 47 dB Lden contourafstand groter wordt dan wanneer enkel een solitaire turbine wordt gerealiseerd. In GeoMilieu is een scenario doorgerekend met vier turbines met een tussenafstand van 3 keer de rotordiameter (3D). Dit is de minimale afstand die de turbines uit elkaar moeten staan, en levert voor geluid een maximale contourafstand op. Het geluid van de turbines onderling beïnvloeden elkaar dan het sterkst, waardoor het cumulatieve effect het grootst is. Voor de windverdeling van de turbines is uitgegaan van de KNMI windgegevens voor het zoekgebied. Tabel 3.1 laat de gegevens van de referentieturbines zien die ten grondslag liggen aan de geluidsberekeningen.
Tabel 3.1 Referentieturbines: specificaties onder- en bovengrens geluid Ondergrens
Bovengrens
Nordex N117
Vestas V172
vermogen (MW)
3,6
7,2
ashoogte (m)
134*
175**
rotordiameter (m)
116,8
172
***
106,9
naam
maximale geluidemissie (dB)
103,5
*
deze turbine is leverbaar met een ashoogte tussen de 76 en 141 meter, gekozen is voor een ashoogte van 134 meter.
**
deze turbine is leverbaar in diverse ashoogtes, gekozen is voor de maximale ashoogte van 175 meter. Dan draagt het geluid het verst waardoor de contourafstand maximaal is en het dus een worst case situatie betreft.
***
inclusief trailing edge serrations, toevoeging aan het blad van een turbine waardoor minder geluid produceren.
Van deze turbines zijn de afstanden bepaald die volgen uit toepassing van de geluidnorm (47 dB Lden), WHO-richtlijn (45 dB Lden) en bovenwettelijke streefwaarde van de gemeente Oss (42 dB Lden). De geluidcontouren bepalen de afstand die tussen een windturbine en een woning moet zitten om aan de geluidnorm, -richtlijn of streefwaarde te voldoen. Wordt een turbine dichterbij geplaatst, dan is de geluidbelasting te hoog en voldoet deze niet aan de gestelde norm, richtlijn of streefwaarde. Daarnaast is het mogelijk om maatregelen te treffen aan de windturbine door het instellen van een ‘sound mode’ (mitigatie). De turbine draait dan op een verlaagd toerental, waardoor de geluidemissie afneemt. Dit heeft echter ook consequenties voor de energieproductie. Te veel mitigatie heeft dus gevolgen voor de business case. Om de absoluut minimale afstand te bepalen die aangehouden moet worden tot geluidgevoelige bestemmingen zijn beide turbines doorgerekend met mitigatie, namelijk een geluidreductie van 3 dB. Dit is in de regel een maximale reductie om de realisatie van een turbine financieel rendabel te houden.
16 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
3.1.2
Analyse
Tabel 3.2 laat de geluidscontouren van de twee referentieturbines zien die volgen uit de geluidsberekeningen die zijn uitgevoerd op basis van de bovenstaande aanpak.
Tabel 3.2 Geluidscontouren referentieturbines Geluidscontouren
Ondergrens
Bovengrens
Nordex117
Vestas V172
42 dB Lden (zonder mit.)
820 meter
1150 meter
42 dB Lden (met mit.)
575 meter
810 meter
45 dB Lden (zonder mit.)
575 meter
810 meter
45 dB Lden (met mit.)
380 meter
545 meter
47 dB Lden (zonder mit.)
435 meter
630 meter
47 dB Lden (met mit.)
275 meter
400 meter
Het Activiteitenbesluit is niet in werking, daarom moeten gemeenten op dit moment zelf een passende norm onderbouwen. Daar moet vervolgens aan getoetst worden. Daarmee is het niet zo dat er door het buitenwerking zijn van het Activiteitenbesluit geen normen gelden waaraan getoetst moeten worden. Vooralsnog is het aannemelijk dat de herziening van het Activiteitenbesluit niet leidt tot een norm die minder streng is dan de 47 dB Lden norm. Het is denkbaar dat deze norm (onderbouwd) wordt herbevestigd in het Activiteitenbesluit, of dat een strengere norm wordt overgenomen. In dat geval is het waarschijnlijk dat de overheid het advies van WHO (45 dB) volgt. Daarnaast kunnen gemeenten zelf een (strengere) norm vaststellen. Dit is het geval in de gemeente Oss, waar voor een eerder windpark een maximale geluidbelasting van 42 dB Lden is bepaald. In de quickscan zijn de 47 dB Lden, 45 dB Lden en 42 dB Lden contouren rondom geluidsgevoelige bestemmingen in beeld gebracht. Daarbij geeft de 47 dB Lden norm, met toepassing van mitigatie, inzicht in de minimale afstand die tussen de geluidsgevoelige bestemmingen en windturbines moet worden aangehouden. Afbeelding 3.1 laat deze situatie voor beide referentieturbines zien, waarbij de geluidscontouren zijn geprojecteerd op de geluidgevoelige bestemmingen.
De gebieden binnen de oranje vlakken gelden als belemmering en zijn daarmee niet haalbaar voor de ontwikkeling van windenergie.
Afbeelding 3.1 De 47 dB Lden geluidscontour met mitigatie (links: Nordex 117, rechts: Vestas V172)
17 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Om inzicht te bieden in de gevolgen van toetsing aan een bovenwettelijke streefwaarde (42 dB Lden) en WHO-richtlijn (45 dB Lden) en de gevolgen van het wel of niet toepassen van mitigatie, zijn ook deze situaties in beeld gebracht. Hiervoor zijn geluidscontouren geprojecteerd op de geluidgevoelige bestemmingen. De afbeeldingen laten achtereenvolgend de volgende situaties zien: - afbeelding 3.2: de 42 dB Lden geluidscontour zonder mitigatie; - afbeelding 3.3: de 42 dB Lden geluidscontour met mitigatie; - afbeelding 3.4: de 45 dB Lden geluidscontour zonder mitigatie; - afbeelding 3.5: de 45 dB Lden geluidscontour met mitigatie; - afbeelding 3.6: de 47 dB Lden geluidscontour zonder mitigatie.
Afbeelding 3.2 De 42 dB Lden geluidscontour zonder mitigatie (links: Nordex 117, rechts: Vestas V172)
Afbeelding 3.2 laat zien dat voor de grote windturbines (Vestas V172) zonder mitigerende maatregelen geen zoekruimte overblijft bij het hanteren van de 42 dB Lden bovenwettelijke streefwaarde van de gemeente Oss. Voor de kleinere windturbines (Nordex 117), zijn er in deze situatie enkele kleine locaties die ruimte bieden voor windturbines. Afbeelding 3.3 laat zien dat de zoekruimte voor deze kleinere windturbines door toepassing van mitigatie groter wordt. Voor de grotere windturbines blijft de zoekruimte bij het hanteren van de 42 dB Lden streefwaarde zeer beperkt, ondanks toepassing van mitigatie.
Afbeelding 3.3 De 42 dB Lden geluidscontour met mitigatie (links: Nordex 117, rechts: Vestas V172)
Afbeelding 3.4 laat zien dat voor de grote windturbines (Vestas V172) zonder mitigerende maatregelen nauwelijks zoekruimte overblijft bij het hanteren van de 45 dB Lden richtlijn van de WHO.
18 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Afbeelding 3.4 De 45 dB Lden geluidscontour zonder mitigatie (links: Nordex 117, rechts: Vestas V172)
Afbeelding 3.5 laat zien dat deze zoekruimte door toepassing van mitigatie groter wordt. Voor de kleinere windturbines (Nordex117) is in beide gevallen zoekruimte, hoewel toepassing van mitigatie ook hier de zoekruimte aanzienlijk vergroot.
Afbeelding 3.5 De 45 dB Lden geluidscontour met mitigatie (links: Nordex 117, rechts: Vestas V172)
Afbeelding 3.6 laat zien dat voor de grote windturbines (Vestas V172) zonder mitigerende maatregelen nauwelijks zoekruimte overblijft bij het hanteren van de 47 dB Lden norm van het Activiteitenbesluit, maar meer dan bij toepassing van de 45 dB Lden richtlijn van de WHO (afbeelding 3.4). De hiervoor opgenomen afbeelding 3.1 geeft het beeld weer van de 47 dB Lden norm met mitigatie.
19 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Afbeelding 3.6 De 47 dB Lden geluidscontour zonder mitigatie (links: Nordex 117, rechts: Vestas V172)
3.1.3
Conclusie
Gebieden die met toepassing van mitigerende maatregelen binnen de geluidscontouren van de 47 dB Lden liggen, zijn niet haalbaar voor windenergie. Hiermee wordt op voorhand niet teveel zoekruimte uitgesloten, maar vallen enkel gebieden af die met mitigatie niet voldoen aan de (naar verwachting) ‘meest coulante’ norm van 47 dB Lden. Daarnaast laten bovenstaande afbeeldingen zien dat bij toepassing van de 42 dB Lden bovenwettelijke streefwaarde niet of nauwelijks zoekruimte overblijft voor de bouw van windturbines, zelfs met mitigatie. De zoekruimte bij toepassing van de 45 dB Lden WHO-richtlijn is groter dan bij de bovenwettelijke streefwaarde, maar kleiner dan bij de 47 dB Lden-norm. Een mogelijkheid om meer zoekruimte te creëren is het benoemen van woningen tot bedrijfswoningen als ze een functionele binding hebben met het windpark. Dit is het zogenaamde molenaarsconcept. Voor een ‘molenaarswoning’ gelden minder strenge (geluids)eisen, waardoor een windturbine dichter bij een woning geplaatst kan worden en meer zoekruimte wordt gecreëerd. Aan het toewijzen van een ‘molenaarswoning’ zijn vanuit wetgeving strenge regels gebonden. Zo moet er een aantoonbare technische, organisatorische binding zijn met het windpark. Of het wel of niet noodzakelijk is om deze maatregel toe te passen, moet blijken uit de beoordeling van de varianten vanuit het ontwerpend onderzoek.
Daarnaast is het definitief aanwijzen van een molenaarswoning een publieks- en privaatrechtelijke zaak, waar het MER in geen geval op vooruit mag lopen. Een andere mogelijkheid is het verplaatsen c.q. amoveren van woningen of andere gevoelige bestemmingen, maar uiteraard kan dit alleen indien de betreffende bewoner/eigenaar hier mee instemt. Dit is uitdrukkelijk alleen een optie indien deze wens blijkt uit het ontwerpend onderzoek en hier voldoende financiering voor is.
3.2
Natuur
Het thema Natuur beschouwt de effecten van windenergie op beschermde gebieden en beschermde soorten. Hierbij wordt aan de hand van een ecologische risicoanalyse (zie bijlage I) in beeld gebracht wat de te verwachten ecologische effecten zijn door realisatie van windenergie in de Duurzame Polder. Hierbij wordt inzicht gegeven in de haalbaarheid van windenergie en mogelijke knelpunten en aandachtspunten vanuit ecologie, met name voor wat betreft beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) en beschermde soorten van de Wet natuurbescherming (Wnb). Op voorhand is niet te spreken van belemmeringen of aandachtspunten, omdat dit volgt uit de risicoanalyse en aanvullend ecologisch onderzoek.
20 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
3.2.1
Beschermde gebieden
Voor de realisatie van het windpark dient rekening te worden gehouden met beschermde natuurgebieden binnen en nabij het verkenningsgebied. Dit betreft Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Brabant en rust- en foerageergebied ganzen en smienten. Afbeelding 3.7 laat deze gebieden op kaart zien. In de ecologische risicoanalyse zijn meer specifieke afbeeldingen opgenomen.
Afbeelding 3.7 Overzicht natuurgebieden Duurzame Polder
Natura 2000 Natura 2000-gebieden maken deel uit van een Europees netwerk van natuurgebieden. Natura 2000gebieden zijn daarmee gebieden die beschermd zijn onder Europese richtlijnen, met als doel de Europese biodiversiteit te waarborgen. Binnen het verkenningsgebied bevinden zich geen Natura 2000-gebieden. Wel bevinden zich enkele Natura 2000-gebieden op relatief korte afstand van het verkenningsgebied. Het betreft Vogel- en Habitatrichtlijngebied ‘Rijntakken’, op circa 700 meter afstand ten noorden en het Habitatrichtlijngebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ (op circa 6,5 km), ten zuidwesten. Bij ingrepen in het gebied kan sprake zijn van (indirecte) effecten op één of meerdere van deze Natura 2000gebieden. Effecten op Natura-2000 gebieden zijn onder te verdelen in fysieke effecten en effecten door stikstofdepositie. Fysieke effecten op Natura 2000 Fysieke effecten zoals oppervlakteverlies, versnippering of verstoring (door geluid, licht, trillingen) zijn enkel relevant als er werkzaamheden in of direct nabij een Natura 2000-gebied worden uitgevoerd. Een maatstaf die vaak gebruikt wordt als afstand voor fysieke effecten is ≤1,5 km. Dit geldt voor locaties aan de noordkant van de Duurzame Polder.
Hiervoor dient te worden bepaald in welke mate de werkzaamheden zorgen voor een aantasting/verstoring van de aangewezen habitattypen of (leefgebieden van) aangewezen soorten. Wanneer effecten op de aangewezen habitattypen of soorten kunnen leiden tot het potentieel niet behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het betreffend Natura 2000-gebied, is voor het voornemen op deze locaties nader onderzoek in de vorm van een Passende Beoordeling en een vergunning Wet natuurbescherming nodig. In het geval de Passende Beoordeling niet de zekerheid biedt dat er geen sprake
21 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, moet de vergunning worden geweigerd (tenzij aan de ‘ADC-criteria’1 voldaan wordt). Stikstofeffecten op Natura 2000 Naast fysieke effecten kunnen werkzaamheden een effect veroorzaken op de kwaliteit van habitattypen/leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden als gevolg van een (tijdelijke) stikstofdepositietoename in de uitvoeringsfase (gebruik van stikstof emitterend materieel). Dit kan ook het geval zijn tijdens de gebruiksfase (bijvoorbeeld door veranderde verkeerssituatie, intensiever gebruik, et cetera). Zo is er binnen de Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’, ‘Vlijmens Ven-Moerputten & Bossche Broek’ , sprake van stikstofgevoelige habitattypen die in de huidige situatie reeds te kampen hebben met een (sterke) overbelasting door stikstof. Bij een (tijdelijke) toename in stikstofdepositie kan al snel sprake zijn van significante negatieve effecten op de kwaliteit van de habitattypen. Gezien stikstofeffecten ver kunnen reiken, is dit effect relevant voor alle locaties binnen de Duurzame Polder. Voor alle turbinelocaties geldt daarom dat onderzocht dient te worden of er sprake is van een juridisch relevante stikstofbijdrage en wat de consequenties hiervan zijn.
Natuurnetwerk Brabant (NNB) Het Natuurnetwerk Brabant is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Langs de Maas en Hertogswetering en verspreid in het de Duurzame Polder liggen enkele percelen van het NNB. De Hertogswetering is aangeduid als ecologische verbindingszone (EVZ). Bij werkzaamheden in/aan onderdelen van dit NNB (inclusief de EVZ), is nader onderzoek in de vorm van een ‘nee, tenzij’-toets noodzakelijk (artikel 3.19 van de Interim Omgevingsverordening), waarin wordt nagegaan of en in welke mate het voornemen een mogelijk significant negatief effect heeft op de wezenlijk kenmerken en waarden van het NNB. Wanneer negatieve effecten niet zijn uit te sluiten kunnen de werkzaamheden geen doorgang vinden, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Tevens is in de provincie Noord-Brabant externe werking ten aanzien van het NNB een toetscriterium. Dit houdt in dat voor projecten binnen de invloedssfeer van het NNB moet worden nagegaan in welke mate deze de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB beïnvloeden.
De ecologische waarden van het NNB kunnen indirect worden aangetast als gevolg van geluid, licht, betreding, schaduwwerking, windturbulentie, etc. Hoe groot de verstoringscontour is waarbinnen dergelijke effecten kunnen optreden is van verschillende factoren afhankelijk (beheertype, tussenliggende landschapselementen en barrières, etc.) en kan niet op voorhand worden gekwantificeerd. In het algemeen geldt dat hoe verder van het NNB windturbines worden gerealiseerd, hoe kleiner de kans dat sprake is negatieve effecten als gevolg van externe werking. Naast het NNB zijn er in de interim omgevingsverordening van Noord-Brabant gebieden opgenomen als verbinding tussen het NNB en landelijk gebied: de Groenblauwe mantel. De groenblauwe mantel richt zich niet alleen op het beschermen van die waarden maar juist ook op de ontwikkeling daarvan. De ecologische risicoanalyse (zie bijlage I) gaat hier verder op in en laat de groenblauwe mantel op kaart zien. Rust- en foerageergebied ganzen en smienten Een deel van de Duurzame Polder is in de Interim Omgevingsverordening van Noord-Brabant aangewezen als rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten. In deze rust- en foerageergebieden voor ganzen en smienten waarborgt de provincie de noodzakelijke rust voor ganzen en smienten. Deze gebieden liggen in het midden en ten noordoosten van de Duurzame Polder (zie afbeelding 3.5).
In ganzenrustgebieden geldt een 'nee, tenzij'-beleid. Windparken zijn hier niet toegestaan (artikel 2.60) tenzij in de periode 1 november tot 1 april, de volgende soorten niet opzettelijk worden verontrust: - Brandganzen; - grauwe ganzen; 1
Dit betekent dat er geen alternatieven zijn (A), er sprake is van bij de wet genoemd dwingende redenen van groot openbaar belang (D) en dat de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 gewaarborgd blijft (C).
22 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
-
kolganzen; rotganzen; taigarietganzen; toendrarietganzen; smienten.
Bij concrete plannen voor een windpark binnen het rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten moeten deze effecten nader worden onderzocht. Weidevogelgebieden De Duurzame Polder is onderdeel van de Beerse Overlaat1, een belangrijk gebied voor weidevogels. Eerder is door SOVON onderzoek gedaan naar vogels van de Beerse Overlaat en verstoring van vogels door windturbines in het gebied (SOVON, 2019). Uit het onderzoek lijken broedende weidevogels en overwinterende zwanen met name gevoelig voor de plaatsing van windturbines in het gebied. Vanuit de gemeente Oss zijn in het bestemmingsplan de komgebieden aangewezen als weidevogelgebieden. Echter worden vanuit de provincie Noord-Brabant in de Interim Omgevingsverordening geen beschermde weidevogelgebieden aangewezen. Daarom wordt de bescherming van weidevogels niet meegenomen onder gebiedsbescherming, maar onder soortenbescherming.
3.2.2
Beschermde soorten
Diersoorten kunnen beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming. Dit gaat onder andere om vogels en vleermuizen, waar voor beide sprake is van een verhoogd risico op sterfte door windturbines. In afbeeldingen 3.8 (voor vogels) en 3.9 (voor vleermuizen) is een overzicht gegeven van concentratiegebieden (‘hotspots’) waar beschermde soorten aanwezig zijn of worden verwacht. Vogels Eén van de soortgroepen die het meeste aandacht vereist bij windturbineprojecten is de groep vogels. Alle in Nederland voorkomende vogelsoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (Wnb) onder het beschermingsregime ‘Vogelrichtlijn’. Er geldt een algemeen verbod op het opzettelijk verstoren/doden van individuen of het vernielen van nestplaatsen. Bij het plaatsen van windturbines bestaat de kans op een overtreding van één of meer van deze verbodsbepalingen, zowel in de aanlegfase (verstoren broedende vogels, aantasten/vernietigen nesten, etc.) als in de gebruiksfase (doden individuen door aanvaring, verstoren). Om een beter beeld te krijgen van de aanwezigheid van vogels en de verdeling hiervan binnen het verkenningsgebied zelf, zijn waarnemingsdata van de afgelopen 3 jaar opgevraagd (Nationale Databank Flora en Fauna2). Op basis van deze gegevens is een kaart met concentratiegebieden gemaakt, zie afbeelding 3.8 en bijlage I.
Hieruit blijkt dat de meeste waarnemingen van vogels worden gedaan in het centrale gedeelte van het verkenningsgebied. De plekken waar de vogelwaarnemingen sterk concentreren lijken een natuurlijkere inrichting te hebben (bijvoorbeeld natte gebieden, natuurvriendelijke akkerranden en eendenkooien met kwelders). Daarnaast worden ook langs de noordelijke rand van het verkenningsgebied relatief veel vogels waargenomen. Hierbij kan sprake zijn van een waarnemerseffect3, waaruit volgt dat op basis van deze kaart niet op voorhand een eenduidige en betrouwbare uitspraak kan worden gedaan over verschillen in effecten per locatie. Uiteraard geeft onderstaande afbeelding wel een beeld van de leefgebieden van vogels in het verkenningsgebied.
1
De Beerse Overlaat is een vroegere verlaging in de dijk van de linkeroever van de maas tussen de dorpen Gassel en Lienden, in de voormalige gemeente Beers. In de middeleeuwen mocht de Beerse Overlaat overstromen. In 1942 werd de overlaat gesloten. Het gebied is een belangrijk gebied voor vogels van open agrarisch gebied.
2
Nationale databank die natuurgegevens bundelt, uniformeert en valideert.
3
Op locaties waar meer mensen komen worden ook meer waarnemingen gedaan, waardoor de hoeveelheid waarnemingen niet representatief is voor de daadwerkelijke dichtheid van vogels.
23 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Afbeelding 3.8 Waarnemingen van vogels in het verkenningsgebied in de periode 2020 - 2023
Concluderend zijn voor alle mogelijke windturbinelocaties negatieve effecten op vogels te verwachten. Dit geldt met name in de gebruiksfase, wanneer er de kans bestaat op aanvaringsslachtoffers als gevolg van de windturbines. Ongeacht de uiteindelijke locatiekeuze is aanvullend onderzoek naar deze soortgroep noodzakelijk. Verspreid over het verkenningsgebied zijn verder nest-indicerende waarnemingen bekend van vogelsoorten waarvan het nest jaarrond beschermd is onder de Wnb. Indien uit het onderzoek blijkt dat jaarrond beschermde nesten vernietigd of verstoord worden, is een ontheffing nodig en zijn maatregelen nodig om verstoring en/of vernietiging te voorkomen. Vleermuizen Ook vleermuizen vormen één van de soortgroepen waar windturbines naar verwachting de grootste negatieve effecten op hebben. Naast het verbod op het vernietigen van essentiële onderdelen van het leefgebied, geldt voor deze soorten (vallend onder Wnb beschermingsregime ‘Habitatrichtlijnsoorten’) ook een verbod op het verstoren (bijvoorbeeld door geluid, licht trillingen) en het doden (bijvoorbeeld door aanvaring met turbinebladen). Uit de data in de NDFF volgt dat vleermuizen voornamelijk in het centrale deel van de Duurzame Polder waargenomen worden. Afbeelding 3.9 laat dit zien. Ook hierbij kan sprake zijn van een waarnemerseffect.
Verspreid door het verkenningsgebied liggen potentieel belangrijke landschapselementen voor vleermuizen, die mogelijk van belang zijn als foerageergebieden en vliegroutes. Het betreft aaneengesloten, lijnvormige bomenrijen en geschikte watergangen. Bij windturbinelocaties in de directe omgeving van deze elementen bestaat een hogere kans op het voorkomen van grote aantallen overvliegende vleermuizen.
24 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Afbeelding 3.9 Waarnemingen van vleermuizen in het verkenningsgebied in de periode 2013 - 2023
Gebieden die sterk verstoord zijn (bijv. industriegebieden, snelwegen) en gebieden met een zeer open karakter (bijv. intensief agrarisch gebruikt gebied) hebben relatief weinig potenties voor vleermuizen, omdat hier weinig voedsel, beschutting en verblijfplaatsen te vinden zijn en/of de verstoring door licht en geluid relatief hoog. Windturbines nabij deze locatie leiden daarmee potentieel tot minder effecten op vleermuizen, al zijn negatieve effecten ook hier niet uitgesloten. Ongeacht de uiteindelijke locatiekeuze is aanvullend onderzoek naar deze soortgroep noodzakelijk. Overige soorten Naast vogels en vleermuizen zijn ook andere soorten beschermd onder de Wnb. Een overzicht van deze soorten waargenomen in het verkenningsgebied in de afgelopen 10 jaar is opgenomen in de ecologische risicoanalyse in bijlage I. Per soort kunnen de verbodsbepalingen verschillen. Ongeacht de uiteindelijke locatiekeuze is aanvullend onderzoek naar deze de aanwezige soorten noodzakelijk.
3.2.3
Conclusie
Conclusie beschermde gebieden Binnen de Duurzame Polder liggen NNB-gebieden, en rust- en foerageergebieden voor ganzen en smienten. Wat betreft windturbines in deze gebieden geldt vanuit de provinciale regelgeving een ‘nee, tenzij’ beleid. Natura 2000-gebieden liggen niet in, maar wel rondom het gebied. Op basis van de quickscan gelden daarmee niet direct belemmeringen voor windenergie in het gebied. Wel geldt voor realisatie van windturbines nabij Natura 2000, in en nabij NNB en in en nabij de rust- en foerageergebieden een noodzaak voor nader onderzoek om mogelijk negatieve effecten in beeld te brengen. Nader onderzoek in volgende projectfases gaat daarmee uitwijzen of realisatie in of nabij deze gebieden tot een belemmering (een ‘nee’ ) leidt, of dat er voorwaarden gelden voor realisatie van de windturbines.
25 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Conclusie beschermde soorten In en rondom de Duurzame Polder zijn beschermde vogels, vleermuizen en overige beschermde soorten waargenomen (weidevogels vallen onder deze groep). Ongeacht de uiteindelijke locatiekeuze is aanvullend onderzoek naar deze soortgroepen noodzakelijk. Indien uit het onderzoek blijkt dat soorten of nesten vernietigd of verstoord worden, is een ontheffing nodig en zijn maatregelen nodig om verstoring en/of vernietiging te voorkomen.
3.3
Veiligheid
Het thema Externe veiligheid beschouwt de mogelijke effecten van windturbines op de veiligheidssituatie in de omgeving. Hierbij wordt in beeld gebracht welke veiligheidsafstanden een belemmering vormen en welke afstanden een aandachtspunt vormen. Deze afstanden volgen uit wetgeving en beleid. Vanuit veiligheid worden ‘externe veiligheid’ en ‘defensie’ beschouwd.
3.3.1
Begripsbepaling
Externe veiligheid Het plaatsen van windturbines kan effecten hebben de veiligheidssituatie in de omgeving. De discipline externe veiligheid houdt zich bezig met het beheersen van risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van risicobronnen (zoals windturbines) bevinden. Externe veiligheid maakt onderscheid tussen risicobronnen en risico-ontvangers. De risicobronnen zijn veroorzakers van een risico. Hieronder vallen zogenaamde transportassen zoals buisleidingen, en inrichtingen waarin productie, gebruik, verstrekking en/of opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten. Deze twee typen objecten worden ook wel de risico-ontvangers genoemd. Onder kwetsbare objecten vallen bijvoorbeeld woningen, scholen en grote kantoorpanden. Onder beperkt kwetsbare objecten vallen winkels, restaurants, sporthallen, bedrijfswoningen en verspreid liggende woningen. Verspreid liggende woningen met een dichtheid van maximaal 2 woningen per hectare worden aangemerkt als een ‘beperkt kwetsbaar object’. In het kader van het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen moet worden getoetst of het realiseren van het plan een onacceptabel externe veiligheidsrisico oplevert.
Defensie Vanuit defensie zijn gebieden in Nederland aangemerkt die gebruikt worden door militaire doeleinden. Dit omvat onder andere oefengebieden voor militaire operaties voor de lucht- en landmacht en radargebieden rondom radarstations. Binnen deze gebieden gelden beperkingen voor andere gebruiksfuncties en bebouwing, geredeneerd vanuit veiligheid. Hiermee wordt bijvoorbeeld voorkomen dat laagvliegende militaire helikopters in aanraking komen met bebouwing.
3.3.2
Belemmeringen vanuit veiligheid
De belemmeringen voor veiligheid komen voort uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het Bevi heeft als doel om een minimum beschermingsniveau te garanderen per object. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Effecten op (beperkt) kwetsbare objecten, zogenaamde risico-ontvangers, worden kwalitatief beoordeeld aan de hand van het indicatief bereik van de plaatsgebonden risicocontour (PR). Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien deze persoon zich permanent en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. Hoe dichter bij de bron, hoe groter het plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico wordt doorgaans weergegeven met een PR 10-6 risicocontour voor kwetsbare objecten en met een PR 10-5 risicocontour voor beperkt kwetsbare objecten. De PR 10-6 risicocontour en de PR 10-5 risicocontour zijn gebieden waar de kans gelijk is of groter is dan respectievelijk één op 1.000.000 (PR 10-6 ) en één op 100.000 (PR 10-5).
26 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Het indicatief bereik van de PR 10-6 en PR 10-5 contouren volgt uit de Handreiking Risicozonering Windturbines, namelijk: - het indicatieve bereik van de PR10-6 contour is gelijk aan de tiphoogte van een windturbine; - het indicatieve bereik van de PR10-5 contour is gelijk aan een halve rotordiameter van een windturbine. De belemmeringen vanuit veiligheid volgen uit wet- en regelgeving waarin externe veiligheidsafstanden zijn bepaald. Tabel 3.3 laat de belemmeringen met bijbehorende status en veiligheidsafstanden zien van windturbines tot aan objecten in de omgeving.
Tabel 3.3 Belemmeringen veiligheid Aspect
Afstand
Afstand Nordex 117
Afstand Vestas V172
Status
kwetsbare objecten
PR10-6 (tiphoogte)
192,4 meter
261 meter
artikel 3.15a, lid 1, van het Activiteitenbesluit
beperkt kwetsbare objecten (PR10-5)
PR10-5 (½ rotordiameter)
58,4 meter
86 meter
artikel 3.15a, lid 2, van het Activiteitenbesluit
hoofdwaterwegen
½ rotordiameter
58,4 meter
86 meter
Waterwet
rijkswegen en provinciale wegen
object + 15 meter, fysieke belemmering voor fundering
object + 15 meter
object + 15 meter
fysieke belemmering voor fundering
spoorwegen
object + 15 meter, fysieke belemmering voor fundering
object + 15 meter
object + 15 meter
fysieke belemmering voor fundering
bovengrondse hoogspanningslijn
½ rotordiameter
58,4 meter
86 meter
fysieke belemmering voor windturbinebladen
ondergrondse hoogspanningskabel
object + 15 m
object + 15 meter
object + 15 meter
fysieke belemmering voor fundering
buisleidingen
object + 15 m
object + 15 meter
object + 15 meter
fysieke belemmering voor fundering
Afbeelding 3.10 laat bovenstaande belemmeringen op kaart zien.
27 | 61
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Afbeelding 3.10 Belemmeringen externe veiligheid (links: Nordex 117, rechts: Vestas V172, onder: vergrote legenda Nordex117)
Definitie kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) wordt onderscheid gemaakt tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. De definitie is gegeven in artikel 1 van het Bevi: - kwetsbare objecten zijn woningen, woonschepen en woonwagens, niet zijnde woningen, woonschepen of woonwagens die aangemerkt worden als beperkt kwetsbare objecten. Dit zijn: verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare, en dienst- en bedrijfswoningen van derden; - beperkt kwetsbare objecten zijn gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals: · ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen; · scholen; · gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen.
3.3.3
Aandachtspunten vanuit veiligheid
Externe veiligheid De aandachtspunten vanuit veiligheid volgen uit beleid en de Handreiking Risicozonering Windturbines. Tabel 3.4 laat de aandachtspunten met bijbehorende adviesafstanden en status zien vanuit externe veiligheid. Dit gaat om bestaande bronnen die een externe veiligheidscontour hebben.
Tabel 3.4 Aandachtspunten veiligheid - externe veiligheid Aspect
Afstand
rijkswegen en provinciale wegen hoofdwaterwegen
28 | 61
Afstand Nordex 117
Afstand Vestas V172
½ rotordiameter
58,4 meter
86 meter
Wet beheer Rijkswaterstaatwerken (Wbr)
½ rotordiameter
58,4 meter
86 meter
Waterwet
Witteveen+Bos | 134741/23-004.540 | Concept 03
Status
Aspect
Afstand
Afstand Nordex 117
Afstand Vestas V172
spoorwegen
Status
1/2 rotordiameter + 7,85 meter van hart buitenste spoor
66,35 meter
93,85 meter
artikel 19 Spoorwegwet
bovengrondse hoogspanningslijn
maximale werpafstand bij nominaal toerental of ashoogte of tiphoogte*
192,4 meter
261 meter
Beleid TenneT
buisleidingen
maximale werpafstand bij nominaal toerental of ashoogte of tiphoogte*
192,4 meter
261 meter
Beleid Gasunie
inrichting gevaarlijke stoffen
PR10-6
192,4 meter
261 meter
* gezien de beperkte diepgang van voorliggende quickscan is uitgegaan van de tiphoogte en zijn geen berekeningen uitgevoerd voor werpafstanden.