CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - PlanMER Duurzame Polder

Commissie BEDRIJVIGHEID 18 maart 2024, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Discussienotitie Concept Voorkeursalternatief Duurzame Polder32.297 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

4 REFERENTIESITUATIE Dit hoofdstuk beschrijft de referentiesituatie in het plan- en studiegebied. Paragraaf 4.1 definieert het planen studiegebied. Paragraaf 4.2 beschrijft de huidige situatie per thema en paragraaf 4.3 beschrijft de autonome ontwikkelingen in het plangebied. De referentiesituatie is de situatie die in de toekomst ontstaat als het plan niet wordt uitgevoerd en er dus geen windturbines worden geplaatst in de Duurzame Polder. Die situatie bestaat uit de optelsom van de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen. De autonome ontwikkelingen zijn de relevante ontwikkelingen waarover bestuurlijke overeenstemming is (vastgesteld besluit) en die van invloed zijn op de referentiesituatie. Dit planMER vergelijkt de effecten van de varianten met de toestand in de referentiesituatie.

4.1

Plan- en studiegebied

Plangebied In dit planMER wordt gesproken over het plangebied en het studiegebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen wordt gezocht naar de mogelijkheden voor de ontwikkeling van windenergie binnen de Duurzame Polder. Dit komt overeen met het ‘verkenningsgebied’, de term die in het eerdere proces werd gebruikt. Het plangebied bestaat uit de Geffense, Lithse, Nulandse en Rosmalense polder tussen beide gemeentes: de Duurzame Polder. Het plangebied Duurzame Polder1 wordt globaal begrensd door de kernen Rosmalen (zuidwestzijde), Kruisstraat en Geffen (zuidzijde), Oss (zuidoostzijde), de N625 (oostzijde) en de Maas (noord- en noordoostzijde). Afbeelding 4.1 toont de afbakening van het plangebied voor dit planMER. Dit plangebied wijkt af van het gebied dat door de gemeenteraden is vastgelegd. De gemeenteraad van Oss heeft bepaald dat windturbines op 2 km van bestaand bebouwd gebied moeten liggen en voor ’sHertogenbosch geldt een afstand van 1 km. Echter, in het kader van de milieueffectrapportage is het van belang om ook buiten deze grenzen te kijken. Voor de volledigheid van het milieuonderzoek worden in het planMER alternatieven onderzocht met plaatsingszones buiten de 1- en 2 km begrenzing. Dit om een compleet beeld te krijgen van de verschillen in effecten tussen de varianten met en zonder 1- en 2 km begrenzing.

De Duurzame Polder wordt gekenmerkt door de grootschaligheid en openheid. Er is veel landbouw en relatief weinig bebouwing en begroeiing. Langs de randen van de polder bevinden zich de dorpen en kernen Rosmalen, Kruisstraat, Heeseind, Nuland, Geffen, Oss, Lith, Lithoijen, Maren-Kessel en het Wild. Omwonenden waarderen de polder vanwege de rust en de ruimte die er te vinden is. Het gebied is rijk aan ecologisch en landschappelijk waardevolle weidevogel- en akkergebieden.

1

In dit planMER worden de termen 'plangebied’ en ‘Duurzame Polder’ door elkaar gebruikt. Met ‘Duurzame Polder’ wordt eveneens het plangebied bedoeld, tenzij anders vermeld.

51 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

Afbeelding 4.1 Plangebied Duurzame Polder

Studiegebied Milieueffecten kunnen verder reiken dan het plangebied. Bewoners buiten het plangebied kunnen bijvoorbeeld last hebben van geluidhinder of slagschaduw van windturbines. In de milieueffectrapportage worden daarom de effecten onderzocht en beoordeeld voor het gebied waarbinnen mogelijk effecten optreden (het studiegebied). Het studiegebied reikt dus verder dan het plangebied, maar hier is geen vooraf afgebakende begrenzing van te geven.

4.2

Huidige situatie

4.2.1

Natuur

In en om de Duurzame Polder zijn verschillende (wettelijk beschermde en niet wettelijk beschermde) natuurwaarden aanwezig. In dit planMER wordt voor het thema onderscheid gemaakt tussen de bescherming van gebieden en soorten. Beschermde gebieden De wettelijk en planologisch beschermde natuurgebieden zijn Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Brabant (NNB), groenblauwe waarden, de ecologische verbindingszone en rust- en foerageergebied ganzen en smienten. Deze zijn weergegeven op afbeelding 4.2.

52 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

Afbeelding 4.2 Overzicht natuurgebieden

Natura 2000 Natura 2000-gebieden maken deel uit van een Europees netwerk van natuurgebieden. Natura 2000gebieden zijn gebieden die beschermd zijn onder Europese richtlijnen, met als doel de Europese biodiversiteit te waarborgen. Binnen het plangebied bevinden zich geen Natura 2000-gebieden. Wel bevinden zich enkele Natura 2000-gebieden op relatief korte afstand van het plangebied. Het betreft Vogelen Habitatrichtlijngebied ‘Rijntakken’, op circa 700 m afstand ten noorden en het Habitatrichtlijngebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ (op circa 6,5 km), ten zuidwesten. Binnen de Natura 2000gebieden ‘Rijntakken’, ‘Vlijmens Ven-Moerputten & Bossche Broek’, is sprake van stikstofgevoelige habitattypen die in de huidige situatie te kampen hebben met een (sterke) overbelasting door stikstof. Kenschets Natura 2000-gebieden Rijntakken Het Natura 2000-gebied Rijntakken omvat 4 deelgebieden: Uiterwaarden Ijssel, Uiterwaarden Neder-Rijn, Gelderse Poort en Uiterwaarden Waal. Alleen van het deelgebied Uiterwaarden Waal wordt een korte kenschets gegeven, omdat dit gebied zich nabij het plangebied bevindt. Het deelgebied Uiterwaarden Waal omvat het winterbed van de Waal en daarmee alle uiterwaardgebieden aan de noord- en de zuidoever van de Waal van Nijmegen tot aan Zaltbommel. De rivier vormt een dynamisch systeem, een samenspel tussen natuurlijke processen en menselijk ingrijpen.

De Waal moet in perioden met hoge rivierafvoer twee derde van de Rijnafvoer voor haar rekening nemen en is daarmee de grootste vrij-afstromende Rijntak. Het is ook de meest dynamische riviertak van het Rijnsysteem. In perioden met hoog water vindt erosie en sedimentatie plaats en ‘vormt’ de rivier het landschap. Het rivierenlandschap bestaat uit een breed, voornamelijk laaggelegen, hoog dynamisch winterbed. De reliëfrijke uiterwaarden bestaan voornamelijk uit graslanden, afgewisseld met enkele akkers, bosjes, bomenrijen, moerasgebiedjes en geïsoleerde oude riviertakken (strangen en geulen). Veel uiterwaarden zijn vergraven voor zand en/of kleiwinning. In het westelijk deel van het gebied liggen de Rijswaard en de Kil van Hurwenen met oude

53 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

riviermeanders, aangrenzende oeverlanden en stroomruggen. Daarnaast liggen er enkele grote plassen, die ontstaan zijn door zand- en kleiwinning. Deze uiterwaarden bevatten soortenrijke glanshaverhooilanden, stroomdalgraslanden en open water, waar deels verlanding (het proces waarbij open water geleidelijk dichtgroeit met planten) plaatsvindt. Rijntakken is aangeduid als Vogel- en Habitatrichtlijngebied en is aangewezen voor 12 broedvogels, 30 nietbroedvogels, 14 habitattypen en 12 habitatrichtlijnsoorten. Vlijmens Ven-Moerputten & Bossche Broek Het Vlijmens Ven, de Moerputten en het Bossche Broek vormen samen één gebied ten zuidwesten van ‘s-Hertogenbosch. Hier gaat het beekdal van de Dommel over in het laagveengebied van de ‘Naad van Brabant’. Door de ligging in deze overgangszone zijn in het gebied basenminnende water- moeras- en graslandvegetaties aanwezig. Het Vlijmens Ven is een kwelgebied waar kranswiervegetaties wordt aangetroffen in sloten. De Moerputten is een natuurreservaat met een groot areaal aan blauwgrasland en elzenbroekbos. Het Bossche Broek is een moerassig gebied in de benedenloop van de Dommel, waar blauwgraslanden aanwezig zijn. Vlijmens Ven, Moerputten en het Bossche Broek is aangeduid als Habitatrichtlijngebied en is aangewezen voor zeven habitattypen en zeven habitatrichtlijnsoorten.

Natuurnetwerk Brabant, ecologische verbindingszones en groenblauwe waarden Het Natuurnetwerk Brabant (NNB) is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Langs de Maas en Hertogswetering en verspreid in het de Duurzame Polder liggen enkele percelen van het NNB. De Hertogswetering en de Hoefgraaf zijn aangeduid als ecologische verbindingszone (EVZ). Ecologische verbindingszones zijn onderdeel van het NNB. De NNB-gebieden in de Duurzame Polder bestaan uit verschillende natuurtypen. Langs de Maas liggen uiterwaarden die als grootschalige, dynamische natuur onder rivier- en moeraslandschap vallen. De afwateringsweteringen door de polder vallen onder beheertype ‘beek en bron’. Tussen de weilanden in de polder liggen beheertypen als rijke graslanden en akkers en vogelgraslanden. Ook zijn cultuurhistorische bossen aanwezig, zoals eendenkooien en wilgengrienden. Kernkwaliteiten van deze beheertypen zijn vaak de vegetatiestructuren met specifieke doelsoorten die kenmerkend zijn voor het beheertype en diverse broedvogels. Naast het NNB zijn in de Omgevingsverordening van Noord-Brabant gebieden opgenomen als verbinding tussen het NNB en landelijk gebied. Dit is de groenblauwe waarden.

De groenblauwe waarden richt zich niet alleen op het beschermen van ecologische en landschappelijke waarden, maar juist ook op de ontwikkeling van waarden. Rust- en foerageergebied ganzen en smienten Een deel van de Duurzame Polder is in de Omgevingsverordening van Noord-Brabant aangewezen als rusten foerageergebied voor ganzen en smienten. In dit rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten waarborgt de provincie in de periode 1 november tot 1 april de noodzakelijke rust voor ganzen en smienten. Dit gebied ligt centraal in de Duurzame Polder. Ten noordoosten van het plangebied ligt ook een dergelijk gebied. Beschermde soorten Vogels Binnen het plangebied komen verspreid verschillende vogelsoorten voor. Om een beter beeld te krijgen van de aanwezigheid van vogels en de verdeling hiervan binnen het plangebied, zijn waarnemingsdata van de afgelopen 3 jaar opgevraagd (NDFF). Op basis van de waarnemingsdata van de afgelopen 3 jaar (NDFF) deze gegevens is een heatmap gemaakt (zie afbeelding 4.3). Hieruit blijkt dat de meeste waarnemingen van vogels worden gedaan in het centrale gedeelte van het plangebied. De plekken waar de vogelwaarnemingen

54 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

sterk geconcentreerd zijn lijken een natuurlijkere inrichting te hebben (bijvoorbeeld natte gebieden, natuurvriendelijke akkerranden en eendenkooien met kwelders. Daarnaast worden ook langs de noordelijke rand van het plangebied relatief veel vogels waargenomen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat deze kaart enkel indicatief is, omdat sprake is van een waarnemerseffect. Vogels kunnen ook in de omgeving van de waarneming voorkomen. Op locaties waar meer mensen komen worden ook meer waarnemingen gedaan, waardoor de hoeveelheid waarnemingen (mogelijk) niet representatief is voor de daadwerkelijke dichtheid van vogels. Het is dan ook niet mogelijk om op voorhand harde uitspraken te doen over het verwachte aantal en soortensamenstelling van vogels in de omgeving en de verschillen hierin tussen verschillende gedeelten van het plangebied te kwantificeren.

Afbeelding 4.3 Waarnemingen van vogels in het plangebied in de periode 2020 - 2023

Ook zijn verspreid over het plangebied nest-indicerende waarnemingen1 gedaan van vogelsoorten waarvan het nest jaarrond beschermd is onder de Omgevingswet. Het gaat daarbij voornamelijk om buizerd, maar ook boomvalk en roek. Andere soorten als huismus, ooievaar en steenuil zijn voornamelijk nabij de randen van het plangebied waargenomen, in de nabijheid van menselijke bebouwing. Ook in gedeelten van het plangebied waar geen bekende (recente) waarnemingen zijn van jaarrond beschermde nesten, kunnen deze soorten wel voorkomen. Dit geldt met name in grotere bomen (bijvoorbeeld buizerd, sperwer, ransuil) en in woonhuizen en (agrarische) bedrijven (bijvoorbeeld huismus, gierzwaluw, steenuil). Weidevogels en wintergasten De Duurzame Polder is een uniek gebied voor weidevogels en wintergasten binnen provincie NoordBrabant. Dit blijkt ook uit verspreidingskaarten van SOVON, waarbij het plangebied op provinciale schaal een hotspot voor weidevogels is. Ondanks dat de Duurzame Polder op landelijk niveau slechts een klein gebied betreft is het belang van de polder op provinciaal en regionaal niveau groot. De polder is met name voor Zuid-Nederland en de provincie Noord-Brabant een belangrijk gebied.

1

Dit zijn waarnemingen van ofwel een nest, ofwel een vogel die gedrag vertoont dat wijst op de aanwezigheid van een nest.

55 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

Hoge aantallen vogels in grote diversiteit vinden in de polder een plaats om te broeden, te rusten of te foerageren. In de winter verblijven er verschillende ganzen en smienten. In het voorjaar zijn er hotspots van broedvogels als de grutto en kievit. Agrariërs en natuurbeheerders werken samen om deze unieke locatie te behouden en te optimaliseren door plas-drasgebieden en landschapselementen aan te leggen. Dit is succesvol: uit de monitoring van legsels wijst Brabants Landschap (Coördinatiepunt Landschapsbeheer) twee kerngebieden aan voor weidevogels in de Duurzame Polder (zie afbeelding 4.4). Ook buiten deze kerngebieden zijn belangrijke natuurwaarden en landschapselementen van vogelsoorten aanwezig. Om het belang van deze gebieden inzichtelijk te maken is een aanvullend onderzoek uitgevoerd, welke is opgenomen bijlage VII.

Afbeelding 4.4 Kerngebieden voor weidevogels in de Duurzame Polder (bron: Brabants Landschap)

Vleermuizen In de Duurzame Polder zijn ook vleermuizen waargenomen. Het gaat hierbij voornamelijk om overvliegende of foeragerende individuen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis (NDFF). Afbeelding 4.5 toont de waarnemingen op een heatmap. Hierop is te zien dat de waarnemingen voornamelijk in het centrale gedeelte van het plangebied gedaan zijn. Hierbij geldt, evenals voor de waarnemingen van vogels, dat sprake is van een waarnemerseffect.

56 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

Afbeelding 4.5 Waarnemingen van vleermuizen in het plangebied in de periode 2013 - 2023

Overige soorten Naast vogels en vleermuizen zijn er nog een heel aantal overige beschermde soorten waargenomen in de Duurzame Polder. Een overzicht van waarnemingen in de afgelopen 10 jaar is opgenomen in onderstaande tabel 4.1.

Tabel 4.1 Overzicht waargenomen overige soorten in het plangebied en de directe omgeving in de periode januari 2013 - januari 2023 volgens de NDFF. Ook soorten die niet zijn waargenomen, maar waarvan het voorkomen binnen het plangebied te verwachten is op basis van recente verspreidingsgegevens zijn opgenomen Soortgroep

Soorten

flora

(geen)

grondgebonden zoogdieren

bever bunzing damhert das eekhoorn hermelijn steenmarter wezel wolf

amfibieën

heikikker kamsalamander

57 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

Soortgroep

Soorten poelkikker rugstreeppad

reptielen

(geen)

vissen

grote modderkruiper noordzeehouting

ongewervelden

veldparelmoervlinder rivierrombout teunisbloempijlstaart

4.2.2

Landschap, cultuurhistorie en archeologie

Landschap De Duurzame Polder kent een verscheidenheid aan landschapstypen die ieder hun eigen kernkarakteristieken hebben. Het betreft het ‘Maas- en oeverwallenlandschap’, het ‘kommenlandschap’ en het ‘overgangslandschap klei-zand’. Dit is weergegeven op afbeelding 4.6.

Afbeelding 4.6 De verschillende landschapstypen in het plangebied

Maas- en oeverwallenlandschap Het Maas- en oeverwallenlandschap bevindt zich in het noorden en het noordwesten van het plangebied. De ruimtelijke afbakening van dit landschapstype omvat het waterlichaam van de Maas en haar oeverwallen. Oeverwallen zijn zandige ruggen die direct langs de rivier zijn afgezet doordat de rivier in perioden van grote waterafvoer buiten haar oevers trad. Aan de oever verloor het water zijn snelheid, waardoor de

58 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

grootste en zwaarste korrels het eerste werden neergelegd. Voortdurende herhaling van dit proces heeft geleid tot de hoge oeverwallen. Doordat nederzettingen vroeger op de hogere delen van de oeverwal ontstonden, is er een onregelmatig slingerend kavel-, wegen- en slotenpatroon ontstaan en liggen de dorpen als een kralensnoer op de oeverwallen. Het landschap is kleinschalig en kent een rijke afwisseling van dorpen, boomgaarden, singels en gras- en bouwlanden. Ruimtelijk-visueel wisselt het landschap op de oeverwallen tussen halfopen en besloten. Ook heeft dit landschapstype, relatief tot het aangrenzende vlakke kommenlandschap, een microreliëf met een hoogteverschil van enkele meters. Kommenlandschap Grenzend aan de oeverwallen bevindt zich het kommenlandschap. In de komgebieden, iets verder van de Maas dan de oeverwallen, kwam het water dat buiten de oevers vloeide tot rust en konden de fijnere slibdeeltjes bezinken. In de loop der eeuwen heeft dit geleid tot een dikke zware komkleilaag. Het landschap bestaat uit grootschalige, rationele, maar onregelmatige kavels die strak omgrensd worden door lange rechte wegen en weteringen. De kavels oriënteren zich op de Hertogswetering, welke het landschap van oost naar west doorkruist. Ruimtelijk-visueel is het kommenlandschap vlak en open met kilometerslange vergezichten.

Af en toe worden deze doorbroken door de schaarse bebouwing, weg- en erfbeplanting of beplanting behorende tot de verschillende eendenkooien in het gebied. Overgangslandschap zand-klei In het zuiden van de Duurzame Polder gaat het kommenlandschap over in een zandlandschap. Met zijn houtwallen, lanen en kleine bosjes is het zandlandschap als kleinschalig te karakteriseren. Kenmerkend voor de overgang tussen deze landschappen is dan ook het grote verschil tussen de open komgebieden en de meer halfopen tot besloten landschappen op de flanken van het zandlandschap in het zuiden. Langs een deel van de zuidgrens van de Duurzame Polder ligt het dorp Heeseind langgerekt over een dekzandrug heen. De doorzichten vanuit het kleinschalige landschap van deze lintbebouwing naar het grotere polderlandschap zijn een belangrijke kwaliteit. Aardkunde In de Omgevingsverordening van de provincie zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen, zie afbeelding 4.7. In het plangebied ligt een deel van het Peelrandbreukenstelsel, welke nog steeds actief is. Het Peelrandbreukenstelsel vormt de scheiding tussen de grote landschappelijke eenheden van Midden-Brabant, de Roerdalslenk en de Peelhorst.1 De breuk heeft unieke geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische waarden. Zo vormt de breuk een harde scheidingslijn tussen verschillende geologische bodemsoorten.

Aan het oppervlak van de breuk liggen op sommige plaatsen wijstgronden, waarbij de hoger gelegen kant van de breuk natter is dan het lagergelegen land. Op de meeste plekken in Noord-Brabant zijn de oorspronkelijke hoogteverschillen van de breuken geëgaliseerd door toedoen van menselijk handelen en natuurlijke winderosie, zo ook in de Duurzame Polder. Hierdoor is het natuurlijke reliëf tegenwoordig minder goed zichtbaar. Ondergronds kan nog wel reliëf aanwezig zijn. Het voorkomen van wijstgronden in het plangebied is niet bekend.

1

https://atlas.brabant.nl/documenten/milieu/bodem/aardkundige_waarden/gebiedsbeschrijving/43%20Peelrandbreukenstelsel.pdf

59 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

Afbeelding 4.7 Aardkundige waarden in het plangebied

Cultuurhistorie Afbeelding 4.8 toont de verschillende cultuurhistorische eenheden die zich in het plangebied bevinden. Zo zijn er een viertal eendenkooien te vinden. Eendenkooien zijn vanginrichtingen voor wilde eenden en andere eend-achtigen en bestaan uit een plas water met bos eromheen, aangelegd op een rustige plek. Rond de drie oostelijke eendenkooien is een kooicirkel aangewezen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’. Binnen deze zone zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud en het herstel van de cultuurhistorische waarde van de eendenkooicirkel. Verder beslaat de Beerse Overlaat een groot deel van het plangebied. De Beerse Overlaat is een voormalige verlaging in de dijk van de linkeroever van de Maas tussen de dorpen Gassel en Linden in de voormalige gemeente Beers. Ooit maakte dit gebied deel uit van de Zuidwaterlinie en diende het in de middeleeuwen als inundatiegebied. De Beerse Overlaat werd in 1942 afgesloten, en is later tot agrarisch gebied ingericht. De Beerse Overlaat blijft een belangrijke leefomgeving voor vogels die in open agrarische gebieden leven en is in de provinciale Omgevingsverordening opgenomen als cultuurhistorisch waardevol gebied.

Daarnaast toont de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie cultuurhistorisch waardevolle gebieden en objecten.1 Hierbij zijn verschillende waarden en kenmerken opgenomen, waaronder (relevant voor plangebied): - de Hertogswetering; - de Roode Wetering; - de eendenkooien. De samenhang tussen dijken, dwarskaden, weteringen, terpen en sluizen is waardevol. Het gebied wordt omschreven als een van de meest uitgestrekte open landschappen in Nederland. Ondanks de bouw van nieuwe (agrarische) bedrijven heeft het gebied zijn weidse en open karakter behouden.

1

Zie: https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=1dab0b45b3234fffa8090a4bc8ae06f8

60 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

In het plangebied, en met name in de dorpskernen, bevinden zich verschillende rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en karakteristieke objecten met cultuurhistorische waarden. De rijksmonumenten betreffen boerderijen, kerken en een kerkelijke dienstwoning, begraafplaatsen, een schutsluis en woonhuizen. Ten slotte zijn belangrijke cultuurhistorische lijnen in het gebied de historische Maasdijk en de Hertogswetering en daarbij behorende dijk. De Maasdijk loopt langs de zuidoever van de Maas. In de 13e eeuw werd al een begin gemaakt met het aanleggen van deze dijk, maar dit gebeurde nog heel lokaal door de aanleg van langs- en dwarsdijken. Aan het begin van de 14e eeuw is de doorgaande Maasdijk ontstaan. In dezelfde periode is de Hertogswetering gegraven, zodat het gebied beter ontwaterd kon worden. Aan de zuidzijde van de wetering bevindt zich een historische dijk.

Afbeelding 4.8 Cultuurhistorische elementen in het plangebied

Archeologie Afbeelding 4.9 geeft een beeld van de bekende archeologische waarden en de archeologische verwachtingswaarden in het plangebied. De bekende waarden betreft een aantal archeologische monumenten. Dit zijn vroegere nederzettingen met bewoningssporen uit de ijzertijd, de romeinse tijd en de middeleeuwen. Met betrekking tot de verwachtingswaarden is te zien dat de trefkans van het vinden van archeologische sporen sterk is gebonden aan de karakteristieken van het natuurlijke landschap. Zo kennen gebieden die vanouds aantrekkelijk waren voor bewoning, de relatief hoge en droge gebieden, een hoge archeologische trefkans. Het gaat dan om de oeverwallen nabij de Maas en de terrasvlakte en de flanken van het dekzand in het zuiden van het plangebied. Deze zijn al vanaf de ijzertijd intensief bewoond geraakt. Het kommengebied tussen de oeverwallen en de flanken van het dekzand was vanouds nat en drassig en daarmee ongeschikt voor bewoning. Hier is de archeologische verwachtingswaarde dan ook laag.

61 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

Afbeelding 4.9 Overzicht archeologische verwachtingswaarden

4.2.3

Bodem

De bodem in de Duurzame Polder wordt voornamelijk gebruikt voor agrarische doeleinden. De bodemfunctie en bodemkwaliteit is door beide gemeenten vastgelegd. Oss In het Osse deel van de Duurzame Polder valt het grootste gedeelte van de polder in het deelgebied Buitengebied Klei.1 Dit deelgebied heeft de kwaliteitsklasse <AW. Daarmee wordt bedoeld dat de grond voldoet aan de ‘achtergrondwaarde’. De grond is dan ‘schoon’ en vrij toepasbaar. De noordelijke rand van het gebied, langs de Maas, valt in het deelgebied Woongebieden en bedrijventerreinen. Hier kent de bovengrond2 (0-0,5 m -mv) de kwaliteitsklasse Wonen, en de ondergrond3 (0,5-2 m -mv) de kwaliteitsklasse <AW. Naast bodemkwaliteit heeft de gemeente Oss ook functieklassen toegekend aan de bodem. Het grootste gedeelte van de polder valt binnen de bodemfunctieklasse ‘Agrarisch en Natuur’. De woonkernen MarenKessel, Kessel, Lith en Lithoijen kennen de bodemfunctieklasse ‘Wonen’. Rondom bedrijventerrein Het Wargaren (Lith) geldt de bodemfunctieklasse ‘Industrie’. In het Osse deel van het Duurzame Polder bevinden zich een aantal voormalige stortplaatsen. Een stortplaats zorgt voor een instabiele bodemopbouw en de bodem is hier mogelijk vervuild. Op afbeelding 4.10 zijn de voormalige stortplaatsen in het plangebied weergegeven.

1 2 3

https://api.sduconnect.nl/media/1588072200PDMS__4043686_v1_Def_Nota_bodembeheer.pdf. https://api.sduconnect.nl/media/1588072200Ontgravingskaart_BG_07_11.pdf. https://api.sduconnect.nl/media/1588072200Ontgravingskaart_OG_07_11.pdf.

62 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

Afbeelding 4.10 Voormalig stortplaatsen in het plangebied

’s-Hertogenbosch In het Bossche deel van de Duurzame Polder heeft de bodem de ontgravings- en toepassingsklasse ‘Landbouw/natuur’. Dit geldt voor zowel de bovengrond (0-0,5m -mv) en de ondergrond (0,5-2m -mv). De bodemfunctieklasse voor de Duurzame Polder is ‘Overig (Landbouw/natuur)’.1

4.2.4

Water

Afbeelding 4.11 toont de waterlopen, de waterkering en de drinkwaterbeschermingsgebieden binnen de Duurzame Polder.

1

https://geoproxy.s-hertogenbosch.nl/apps2/geoportalbodem.html.

63 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

Afbeelding 4.11 Overzicht waterlopen, grondwaterbeschermingsgebieden en waterkeringen

Drinkwaterwinning De Duurzame Polder speelt een belangrijke rol in de drinkwatervoorziening, omdat er een waterwingebied en een grondwaterbeschermingsgebied aanwezig zijn. Het waterwingebied in Oss is het meest kwetsbare deel van de waterwinning, omdat hier daadwerkelijk drinkwater wordt gewonnen. De Omgevingsverordening stelt regels ter bescherming van het waterwingebied. Dit om te voorkomen dat de bodem en het grondwater daarin verontreinigd raakt. In de Omgevingsverordening is bepaald dat binnen het waterwingebied alle werkzaamheden in of op de bodem verboden zijn.1 Het grondwaterbeschermingsgebied is een ‘schil’ rondom het waterwingebied met als doel de kwaliteit van het grondwater binnen het waterwingebied te beschermen. In de Omgevingsverordening zijn ook voor deze gebieden beschermingsregels bepaald, maar deze zijn minder strikt dan voor het waterwingebied zelf. Zo is het verrichten van activiteiten in de bodem op een diepte van meer dan 3 m toegestaan, maar wel onder voorwaarden. Deze voorwaarden gelden voor onder andere grond- en funderingswerken. Een voorbeeld van een voorwaarde is de verplichting van het aanvullen van het bodemprofiel tot tenminste 3 m onder het oude maaiveld volgen het oorspronkelijke bodemprofiel.2 Waterlopen en grondwater In de Duurzame Polder liggen verschillende waterlopen.

Een van deze waterlopen is de Hertogswetering, die dwars door het gebied stroomt en is aangewezen als ecologische verbindingszone. Het Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het beheren van de grondwaterstand in het gebied, waarbij het omgaan met kwel uit de Maas en de Waal een uitdaging vormt.

1

Artikel 3.24 in samenhang met artikel 3.25 Omgevingsverordening.

2

Artikel 3.29 t/m artikel 3.31 Omgevingsverordening.

64 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

Waterveiligheid Waterberging Aan beide zijden van de Hertogswetering liggen reserveringen voor waterberging, waar water kan worden opgeslagen voor droge tijden of kan worden verzameld en gereguleerd in natte tijden. Stroomvoerend regime De uiterwaarden zijn onderdeel van het Stroomvoerend regime van de Maas. Dit is een gebied dat onderdeel is van het rivierbed. Dit gebied is beschermd als onderdeel van het watersysteem. In dit gebied mag de doorstroming van water niet belemmerd worden. In de Beleidsregels Grote Rivieren is opgenomen dat geen toestemming wordt gegeven voor niet-riviergebonden activiteiten in het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is.1 Dit geldt ook voor opwekking van windenergie, als de activiteit ook redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd. Hier kan worden afgeweken als (1) het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft, (2) er geen sprake is van een belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit, en (3) dat de activiteit zo uitgevoerd wordt dat de afname in bergend vermogen zo gering mogelijk is. Waterkeringen Aan de noordzijde van de Duurzame Polder bevindt zich de primaire waterkering Maasdijk. Tussen Ravenstein en Lith speelt voor deze dijk een waterveiligheidsopgave.

Binnen het project ‘Meanderende Maas’ wordt gekeken naar de het versterken van de dijk en het verruimen van de rivier. De kades aan beide zijden van de Hertogswetering dienen als secundaire waterkeringen.

4.2.5

Gezonde leefomgeving

Geluid In de Duurzame Polder is het relatief stil. De wegen die door de polder heen lopen en de spoorlijn tussen Oss en ’s-Hertogenbosch zijn de belangrijkste geluidsbronnen. Dit is weergegeven op afbeelding 4.12. Daarnaast kunnen de verschillende agrarische bedrijven zorgen voor geluidhinder. Deze zijn op afbeelding 4.12 niet geïdentificeerd als belangrijke geluidsbron. Hierbij geldt volgens de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG (2009) voor geluid een hindercontour van 50 m. De geluidhinder van agrarische activiteiten buiten het erf van het agrarische bedrijf is niet meegenomen.

1

Artikel 6 Beleidsregels grote rivieren

65 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

Afbeelding 4.12 Overzicht geluidniveaus (Bron: Geluid in Nederland, RIVM, 2020)

Licht ’s Nachts is het donker in de polder, omdat er weinig lichtbronnen zijn. Dit blijkt ook uit een kaart1 van het RIVM uit 2021. Waarbij met name het centrale deel van het plangebied weinig lichtemissie kent. Rond de kernen is meer licht aanwezig. Luchtkwaliteit De luchtkwaliteit in de Duurzame Polder is matig, gebaseerd op gegevens van RIVM. De in 2020 gemeten concentratie van fijnstof en stikstofdioxide ligt boven de advieswaarde van de World Health Organization (WHO), maar onder de wettelijke grenswaarden van de Europese unie.2 Wettelijk gezien voldoet de luchtkwaliteit in de Duurzame Polder, maar desondanks kunnen er gezondheidseffecten optreden.

Tabel 4.2 Luchtkwaliteit Duurzame Polder. Bron: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 2020 Stof

WHO advieswaarde

EU grenswaarde

Concentratie Duurzame Polder

fijnstof (PM10)

15 µg/m3

40 µg/m3

16 -18 µg/m3

fijnstof (PM2,5)

5 µg/m3

25 µg/m3

9 - 10 µg/m3

stikstofdioxide (NO2)

10 µg/m3

40 µg/m3

12 - 14 µg/m3

Geur Het houden van vee kan geuroverlast geven bij de omgeving. Binnen de polder bevinden zich een aantal veehouderijen die in de directe omgeving geurhinder veroorzaken. Op afbeelding 4.13 is de kans op

1

Kaart geraadpleegd via atlasleefomgeving.nl, kaarten thema Licht, lichtemissie 2021.

2

De concentraties van PM en NO2 in 2020 kunnen mogelijk beïnvloed zijn door de toen geldende coronamaatregelen.

66 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

geurhinder door veehouderijen gevisualiseerd. Deze kaart is gemaakt door de provincie Noord-Brabant in 2019. De kans op geurhinder is gebaseerd op het aantal dieren, het type stal en voer, de opvang van mest en de hoeveelheid stallen. Deze is vervolgens omgerekend naar een Gezondheidseffect Screening-score (GES score). De rode gebieden op de kaart zijn gebieden met veel dieren en grote stallen. Hier is de kans op geurhinder het grootst en de GES score het hoogst.

Afbeelding 4.13 Kans op geurhinder afkomstig van veehouderijen (Bron: Gezondheidskaart GES Geur veehouderij op basis van hinderpercentages 2019)

4.2.6

Veiligheid

Externe veiligheid De discipline externe veiligheid houdt zich bezig met het beheersen van risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van risicobronnen bevinden. Externe veiligheid maakt onderscheid tussen risicobronnen en risicoontvangers. De risicobronnen zijn veroorzakers van een risico. Hieronder vallen zogenaamde transportassen zoals buisleidingen, en inrichtingen waarin productie, gebruik, verstrekking en/of opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten. Binnen het plangebied bevinden zich meerdere kwetsbare gebouwen en locaties (zoals woningen en kantoren) en zeer kwetsbare gebouwen en locaties (bijvoorbeeld kinderopvanglocaties). Ook loopt er een buisleiding en een hoogspanningslijn door het plangebied. Ten slotte kunnen gevaarlijke stoffen worden vervoerd over het spoor of de Maas. Afbeelding 4.14 toont een overzicht van de elementen die van belang zijn voor de externe veiligheid.

67 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

Afbeelding 4.14 Overzicht elementen van belang voor externe veiligheid

Defensie Het laagvlieggebied Maas-Waal1 van het ministerie van Defensie ligt deels binnen het plangebied. Het laagvlieggebied wordt gebruikt voor oefeningen met militaire helikopters. Binnen dit gebied mogen militaire helikopters vliegen op een minimale hoogte van 30 m boven hindernissen of zoveel lager als voor het doel van de vlucht noodzakelijk is. Dit is opgenomen in de Regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters. In de praktijk worden deze gebieden gebruikt voor laagvliegoefeningen (tot op maaiveldhoogte) door Defensie. Afbeelding 4.15 toont de kaart met de vliegbewegingen van helikopters van Defensie in het laagvlieggebied Maas en Waal in de periode januari tot en met april 2023. Omdat dit een momentopname is, is dit slechts een indicatie van het gebruik van Defensie van het gebied. Te zien is dat de vliegbewegingen in de Duurzame Polder zich met name concentreren in oost-west richting tussen de Maasdorpen en de Hertogswetering.

1

Laagvlieggebied GLV IX (Maas/Waal), zie Bijlage B. lid 9 van de Regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFRvluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters.

68 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

Afbeelding 4.15 Vliegbewegingen van het DHC in januari tot en met april 2023 (bron: Defensie).

Daarnaast ligt in het plangebied een laagvliegroute voor helikopters en propellervliegtuigen (route VO)1. De route VO is bedoeld voor het vliegen met militaire propellervliegtuigen, bestemd voor opleidingsdoeleinden. Voor deze route geldt een minimum vlieghoogte van 75 m boven hindernissen. Uit de bijlagen van de vergunningsaanvraag voor route VO2 blijkt dat het huidige en toekomstige verwachte gebruik van de route VO zeer gering is. Afbeelding 4.16 toont zowel de ligging van het laagvlieggebied als de laagvliegroute (route VO).

1

Bijlage B. lid 16 van de Regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire

2

https://www.rvo.nl/onderwerpen/vergunning-laagvliegroutes-10-en-vo : specifiek bijlage 2: Deelrapport 4C Lv VO Eindconcept.

vliegtuigen en helikopters.

69 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

Afbeelding 4.16 Overzicht laagvlieggebied en laagvliegroute Defensie

Radarverstoring De Duurzame Polder bevindt zich tussen twee defensieradars in, namelijk de radar in Herwijnen1 en de radar in Volkel. Het plangebied valt binnen een radarverstoringsgebied waar een maximale hoogte van 90 m van de tippen van de wieken van windturbines ten opzichte van NAP geldt.2 Wanneer windturbines deze hoogte overschrijden, moet door middel van een radarverstoringstoets worden aangetoond dat de windturbines geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor het radarbeeld.

4.2.7

Gebruiksfuncties

Recreatie De Duurzame Polder biedt ook plek voor recreatie, met name aan de randen van de polder. De oeverwal langs de Maas kent aantrekkelijke routes met historische woonkernen, horeca, zwemwater en verblijfsrecreatie. Ook de dekzandrand in het zuiden van het gebied kent een hoger recreatief gebruik, vanwege het aantrekkelijke landschap en de bezienswaardigheden in de omgeving. De polder zelf heeft een beperkte recreatieve functie. Het is met name een uitloopgebied, gericht op wandelen, fietsen, sporten en vissen. Recreatieve functies, zoals horeca, zwemmen en recreatief uitloopgebied (wandelen) zijn vooral op de oeverwal te vinden. In de Lithse Ham en de dode Maasarm bij Lithoijen zijn jachthavens gevestigd. Bij de Lithse Ham zijn diverse stranden aanwezig. Wonen Langs de randen van de polder bevinden zich woonwijken in de dorpen en kernen Rosmalen, Kruisstraat, Heeseind, Nuland, Geffen, Oss, Lith, Lithoijen, Maren-Kessel en het Wild. Woningen bevinden zich vooral langs de randen. Binnen de Duurzame Polder zijn er verspreid over het gebied ook enkele woningen te

1

https://www.defensie.nl/onderwerpen/radarstations/radarstation-herwijnen/keuze-voor-herwijnen.

2

https://www.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=8eaadfac232049849ad9841d35cd7451

70 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

vinden, waarvan de meesten dienstdoen als bedrijfswoning bij veehouderijen. Ook zijn er een tweetal woningen aanwezig met enkel een woonfunctie hebben. Landbouw De agrarische sector is momenteel de belangrijkste gebruiker van de Duurzame Polder. In het gebied liggen verschillende agrarische bedrijven. Dit zijn melkveehouderijen, maar ook varken- en geitenhouderijen. Daarnaast is er een tak ontstaan van kleinschalige, gemengde, bedrijven. Deze kleine bedrijven zijn onder andere gericht op biologische landbouw en/of streekproducten De vruchtbare kleigronden en de grootschaligheid van het landschap maken het een geschikt gebied voor landbouw. In Oss is de polder aangewezen als primair agrarisch gebied. Sinds de sluiting van de Beerse Overlaat in 1942 heeft de landbouwsector zich sterk ontwikkeld in de polder, waarbij kleine familiebedrijven plaats hebben gemaakt voor grotere en efficiëntere bedrijven. De agrarische bedrijven in de polder richten zich ook op agrarisch natuurbeheer, waardoor het landbouwgebied grote betekenis heeft voor met name weidevogels. Verkeer In de huidige situatie heeft de Duurzame Polder verschillende verkeersfuncties. In het noorden van de polder bevindt zich de N625, een provinciale niet-autosnelweg. Deze weg vormt een verbinding tussen ’s-Hertogenbosch en Oss via Lith.

In het zuiden van de Duurzame Polder loopt de spoorlijn tussen ’s-Hertogenbosch en Oss. Door de gehele polder bevinden zich verschillende gemeentelijke wegen.

4.3

Autonome ontwikkelingen

Autonome ontwikkelingen zijn die ontwikkelingen en activiteiten die met enige zekerheid zullen plaatsvinden, ook als de voorgenomen activiteiten in de Duurzame Polder geen doorgang vinden. Voor het project Duurzame Polder zijn twee ontwikkelingen van belang, die worden beschouwd als harde belemmering: - woningbouw De Groote Wielen: de gemeenteraad van de gemeente ’s-Hertogenbosch heeft het bestemmingsplan De Groote Wielen Noordoosthoek vastgesteld. In het gebied ten oosten van ’s-Hertogenbosch wil de gemeente 2.300 tot 3.000 woningen ontwikkelen; - woningbouw Oss-West: er zijn plannen om ten westen van Oss zo’n 3.000 woningen te bouwen, in de nieuwe wijk Amsteleind. In de Structuurvisie Oss-West van de gemeente Oss is de opgave als volgt vastgelegd: ‘Oss-West moet een duurzame en groene wijk worden met een eigen identiteit en een differentiatie aan woonmilieus. Het is daarbij van belang dat de bewoners gebruik kunnen maken van voorzieningen in de buurt, waarbij de groene omgeving op korte afstand bereikbaar is ter ontspanning en recreatie.’ In het raadsbesluit van 6 juli 2023 is besloten de gronden ten noorden van de Brandstraat niet meer mee te nemen in de ontwikkeling van Amsteleind1.

Naast de twee ontwikkelingen die worden gezien als harde belemmering zijn er nog een aantal ontwikkelingen die van belang kunnen zijn in de uitwerking van het voornemen, maar in dit planMER nog minder invloed hebben op de keuze voor hetgeen vastgelegd wordt in het programma: - dijkversterking Meanderende Maas: binnen het project ‘Meanderende Maas’ wordt gekeken naar het versterken van de dijken en het verruimen van de rivier de Maas tussen Ravenstein en Lith. Het projectgebied van de dijkversterking grenst aan Lithoijen; - dijkversterking Lith - Bokhoven: ook tussen Lith en Bokhoven voldoet de Maasdijk niet aan de waterveiligheidsnormen en moet deze worden versterkt. Dit traject loopt langs een groot deel van de Duurzame Polder. Het project bevindt zich nog in de voorverkenning, het projectgebied is daarom nog niet bekend; - compensatiegebieden Natuurzone de Groote Wielen Noordoosthoek: op 9 mei 2023 is het bestemmingsplan ‘Natuurzone De Groote Wielen Noordoosthoek’ vastgesteld. Het plan voorziet in een gedeeltelijke verlegging van de waterloop van de Hoefgraaf en de aanleg van natte natuur op een aantal

1

https://oss.bestuurlijkeinformatie.nl/Agenda/Document/4cb0899e-be8f-41a7-aca5-0145047c0d2f?documentId=103c8c91-5a6d4adf-86ed-b7a24bf94fee&agendaItemId=e4075a67-d499-4a85-9764-663d1d3075ef.

71 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

percelen stroomopwaarts langs de Hoefgraaf. Deze gebieden grenzen aan de ecologische verbindingszone van het NNB. Afbeelding 4.17 toont de locatie van de autonome ontwikkelingen in en om het plangebied. Het gebied van de Structuurvisie Oss-West is naar aanleiding van het raadsbesluit van 6 juli 2023 ingeperkt, met een noordelijke begrenzing ter hoogte van de Brandstraat. Hier zijn nog geen concrete locaties voor woningbouw aangewezen.

Afbeelding 4.17 Locaties autonome ontwikkelingen

72 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

DEEL B - ONDERZOEK MILIEUEFFECTEN WINDENERGIE

73 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

5 ONDERZOEKSAANPAK Dit hoofdstuk presenteert de algemene onderzoeksaanpak voor het planMER. Paragraaf 5.1 beschrijft de onderzoeksaanpak op hoofdlijnen. De gehanteerde uitgangspunten zijn beschreven in paragraaf 5.2, en paragraaf 5.3 beschrijft de ingreep-effectrelaties. In paragraaf 5.4 is het beoordelingskader opgenomen en paragraaf 5.5 bevat de algemene beoordelingsschaal. De thema-specifieke onderzoeksaanpak is per thema toegelicht in hoofdstuk 7.

5.1

Onderzoeksaanpak op hoofdlijnen

Het planMER omvat een studie naar de milieueffecten van verschillende varianten voor windenergie in de Duurzame Polder. Daarnaast worden ook de belangrijkste effecten van de ruimtelijke principes voor de integrale gebiedsontwikkeling op hoofdlijnen beschouwd. Dit proces wordt toegelicht in deel C. Het onderzoek naar de milieueffecten van windenergie bestaat uit verschillende stappen. Deze stappen zijn gevisualiseerd op afbeelding 5.1. Onder de afbeelding worden de stappen toegelicht.

Afbeelding 5.1 Stappen planMER

Selectie varianten windenergie

Ontwerpend onderzoek en quickscan milieu

Effectonderzoeken varianten

Bepalen principes integrale gebiedsontwikkeling

Vergelijking varianten

Beschouwen effecten principes

Keuze voorkeurs alternatief

Nadere beschouwing voorkeurs alternatief en verwerking in programma

Opstellen programma

Het planMER bestaat op hoofdlijnen uit de volgende stappen: 1 selectie varianten: in het ontwerpend onderzoek zijn de opgaven, waarden, kansen en aandachtspunten in het plangebied verkend. Deze zijn samen met de duurzame energieopgave uitgewerkt in vier verschillende ‘denkrichtingen’ met elk vier varianten. Vervolgens zijn er nog acht varianten toegevoegd. In de Quickscan zijn alle varianten op hoofdlijnen beoordeeld met behulp van milieu-informatie. Met behulp van de Quickscan en input uit de omgeving zijn vijf varianten gekozen die onderscheidend zijn. Deze zijn onderscheidend, omdat ze het gehele speelveld voor windenergie vanuit een bepaald perspectief binnen de Duurzame Polder in beeld brengen. De varianten zijn in hoofdstuk 6 toegelicht; 2 effectonderzoeken varianten: in dit planMER worden de milieueffecten van de vijf varianten onderzocht en met elkaar vergeleken. De varianten worden beoordeeld op de milieuthema’s en onderzoeksaspecten uit het beoordelingskader in paragraaf 5.4.3. Het beoordelingskader hangt nauw samen met de relatie tussen de ingreep (het plaatsen van windturbines) en het effect hiervan. Dit wordt ook wel de ingreepeffectrelatie genoemd. Deze worden toegelicht in paragraaf 5.3. Voor de beoordeling van de varianten wordt gebruik gemaakt van een algemene beoordelingsschaal, zoals toegelicht in paragraaf 5.4.

Deze schaal geeft inzicht in hoeverre een effect positief of negatief is. Elk thema kent een thematische

74 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

3

4

5

beoordelingsschaal, die aansluit op de algemene beoordelingsschaal. Deze worden toegelicht in de thematische paragrafen in hoofdstuk 7; vergelijking varianten: de beoordeling van de varianten wordt met elkaar vergeleken. Dit geeft inzicht in de te maken belangenafweging en eventuele concessies op andere (milieu)belangen als een bepaald (milieu)belang centraal wordt gesteld. Doel van deze vergelijking is het bieden van inzicht en beslisinformatie, niet het kiezen of uitsluiten van bepaalde delen van varianten of gebieden. Dat is namelijk een bestuurlijke afweging van de gemeenten; keuze voorkeursalternatief: met behulp van de beslisinformatie uit het planMER, het participatieproces en eventuele overige informatie wordt toegewerkt naar een voorkeursalternatief. Dit voorkeursalternatief kan bestaan uit een combinatie van plaatsingszones uit verschillende varianten. Ook zijn de ruimtelijke principes voor de integrale gebiedsontwikkeling onderdeel van dit voorkeursalternatief; nadere beschouwing voorkeursalternatief: de milieueffecten van het voorkeursalternatief worden nader beschouwd in dit planMER. Indien een beschouwing niet toereikend is, zal nader onderzoek op dat aspect plaatsvinden. Dit omdat het voorkeursalternatief kan bestaan uit één of meerdere varianten, aangevuld met de ruimtelijke principes voor de integrale gebiedsontwikkeling.

5.2

Uitgangspunten

Referentieturbines Windenergie wordt opgewekt met windturbines. Windturbines kennen verschillende afmetingen en een windturbine kan solitair, in een lijnopstelling of in een cluster gerealiseerd worden. Dit planMER gaat uit van twee turbinetypen. Hiermee wordt de bandbreedte aan milieueffecten door windturbines in beeld gebracht. De turbinetypes verschillen van elkaar in grootte en vermogen. Het planMER legt geen concrete turbinetypes of aantallen windturbines vast. Tabel 5.1 geeft de referentieturbines weer, met daarbij de conservatieve inschatting van de energieopbrengst in MWh/jaar. Deze zijn gebaseerd op de energieopbrengstberekeningen die zijn uitgevoerd voor de Quickscan (bijlage IV).

Tabel 5.1 Referentieturbines Nordex N117 (turbinetype 1)

Vestas V172 (turbinetype 2)

ashoogte

134

175

rotordiameter

117

172

192,5

261

3,6

7,2

circa 12.000

circa 24.000

tiphoogte vermogen windturbine (MW) energieopbrengst (MWh per jaar)

De referentieturbines geven samen een realistische bandbreedte aan mogelijke windturbines weer. Anno 20223 is enerzijds een windturbine op land kleiner dan 134 m ashoogte en een turbinevermogen van minder dan circa 3,6 MW onder de huidige financiële aannames niet realistisch. Dit komt onder andere vanwege het vervallen van de SDE-subsidie. Anderzijds geeft een windturbine op land met een ashoogte hoger dan 175 m en een tiphoogte van meer dan 261 m richting 2030 een realistische bovengrens aan. Grotere windturbines (in omvang en vermogen) worden momenteel enkel gerealiseerd op zee. De referentieturbines worden in het planMER gehanteerd om de bandbreedte van effecten op hoofdlijnen te bepalen, niet om (maximale) specificatie van turbines in concrete projecten voor te schrijven. De hoogte van de referentieturbines zijn bijvoorbeeld dus ook geen maximale hoogte. Bij de uitwerking van concrete projecten dienen effecten in meer detail onderzocht te worden aan de hand van concrete turbinetypen.

75 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

Zichtjaar In dit planMER wordt voor de effectbeoordeling een zichtjaar als uitgangspunt genomen. De effectbeoordeling gaat uit van de effecten ten tijde van het zichtjaar. Het zichtjaar voor de effectbeoordeling is 2030, gezien de ambitie van de gemeenten om de windturbines te hebben gerealiseerd in 2030.

5.3

Ingreep-effectrelaties

De realisatie van windturbines heeft effecten op verschillende milieuthema’s. Een ingreep-effectrelatie beschrijft welke effecten op hoofdlijnen te verwachten zijn door de realisatie van windturbines. De realisatie van windturbines bestaat uit verschillende ingrepen. Deze zijn te onderscheiden in tijdelijke ingrepen in de aanlegfase en langdurige ingrepen in de gebruiksfase. Tijdens de gebruiksfase zijn de volgende (langdurige) ingrepen te verwachten: - één of meerdere windturbines, variërend in omvang en vermogen; - parkbekabeling om de opgewekte elektriciteit van de windturbine(s) te verzamelen; - een inkoopstation waar vanuit de opgewekte elektriciteit op het openbare elektriciteitsnet van de netbeheerder wordt gebracht; - toegangswegen en om de bereikbaarheid van de winturbines tijdens de gebruiksfase te borgen. Tijdens de aanlegfase zijn de volgende (tijdelijke) ingrepen te verwachten: - graafwerkzaamheden voor de fundering van windturbines. Voor de fundering van windturbines worden graafwerkzaamheden uitgevoerd tot circa 5 m-mv. Heipalen voor de fundering komen tot circa 30 m mv. De oppervlakte van de fundering van turbinetype 1 is geschat op 625 m2. Voor turbinetype 2 is deze ingeschat op 900 m2; - opstelplaatsen voor kranen voor de bouw van de windturbines; - bouwwegen voor de aanvoer van de windturbines, parkbekabeling en het inkoopstation.

In tabel 5.2 zijn een aantal voorbeelden van ingreep-effectrelaties opgenomen. In de uitwerking van de onderzoeksmethodiek per aspect worden de ingreep-effectrelaties nader toegelicht.

Tabel 5.2 Voorbeeld ingreep-effectrelaties windenergie

Ingreep

Thema

Effect

Aspect

gebruiksfase windenergie geluidproductie draaien windturbinebladen

geluid

geluidhinder in omgeving

geluidbelasting op omgeving

aanlegfase windenergie ingraven of inheien van fundering aanleg kabels bemaling aanleggen verharding

effecten op laagfrequent geluid slagschaduw

slagschaduw op omliggende woningen

slagschaduw op omgeving (windturbines)

archeologie

verstoring of vernietiging van archeologische waarden door graafwerkzaamheden

effecten op archeologische monumenten archeologische verwachtingswaarde

bodem

verslechtering van de bodemkwaliteit en veroorzaken zettingen door graafwerkzaamheden

grondverzet effecten op bodemkwaliteit effecten op ontplofbare oorlogsresten

76 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

5.4

Beoordelingskader

5.4.1

Uitgangspunten beoordelingskader

Kwantitatief en kwalitatief Het beoordelingskader verwijst naar de toe te passen methode om de effecten van de thema’s te onderzoeken. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in kwantitatief en kwalitatief onderzoek: - kwantitatief onderzoek: de onderdelen die meetbaar zijn op basis van numerieke data. Er wordt gebruik gemaakt van modellen en/of rekenprogramma’s om een uitspraak te doen over de effecten van een variant; - kwalitatief onderzoek: de onderdelen die worden gebaseerd op woorden en betekenissen (nietnumeriek), hier bestaat een wisselwerking met expert judgement en kwantitatief onderzoek. Expert judgement is een wetenschappelijk onderbouwde argumentatie ten aanzien van een onderwerp, vraag, of discussie, die is verwoord door een specialist op dat vakgebied. Maatgevende en niet-maatgevende aspecten Het doel van dit planMER is dat de effectanalyses en -beoordelingen bijdragen aan besluitvorming over de plaatsingszones voor windenergie. Niet alle aspecten die volgen uit de ingreep-effectrelaties sluiten aan bij dit doel. Daarom maakt het beoordelingskader een onderscheid tussen maatgevende en niet-maatgevende aspecten: - maatgevende aspecten geven inzicht in onderscheidende effecten die bijdragen aan de locatiekeuze voor windenergie.

Deze aspecten worden beschreven, onderzocht en beoordeeld; - niet-maatgevende aspecten geven voornamelijk inzicht in locatiespecifieke aandachtspunten, die relevant zijn voor de nadere uitwerking van het project in een latere fase. Deze aspecten zijn in deze fase minder sterk van invloed op de keuze voor een bepaalde locatie. Hiermee passen ze niet direct bij het detail- en schaalniveau van het planMER. Deze aspecten worden beschreven en beschouwd, maar hiervoor wordt geen beoordelingsschaal opgesteld. Hierbij wordt niet beoordeeld, maar worden de effecten wel beschreven. Dat betekent niet dat deze aspecten niet belangrijk zijn voor de ontwikkeling van windturbines. Ook deze aspecten kunnen worden meegewogen in de besluitvorming over de Duurzame Polder.

5.4.2

Wijzigingen ten opzichte van de NRD

In de NRD is een eerste voorstel voor het beoordelingskader gepresenteerd. Ten opzichte van deze versie zijn een aantal wijzigingen doorgevoerd in het beoordelingskader. Deze wijzigingen zijn opgesomd en toegelicht in onderstaande tabel.

Tabel 5.3 Wijzigingen ten opzichte van de NRD Thema

Wijziging

Toelichting

ruimtelijke kwaliteit en landschap

de aspecten ‘esthetiek inrichting’, ‘passendheid in landschap’, en ‘ruimtelijk-visuele kwaliteit’ zijn samengevoegd in één aspect: ‘effect op ruimtelijk-visuele kenmerken’

deze aspecten zijn dubbel, daarom zijn deze samengevoegd tot één aspect

hinder in aanlegfase

het thema ‘hinder in aanlegfase’ is verwijderd uit het beoordelingskader

de hinder in de aanlegfase wordt onderzocht bij de voor dit aspect relevante thema’s, bijvoorbeeld bij geluid, natuur, verkeer, stikstof etc.

wonen

het thema ‘wonen’ is verwijderd uit het beoordelingskader

de effecten op woningen en het woon- en leefklimaat bestaan uit effecten van geluid, slagschaduw, lichthinder en gezondheidseffecten. Deze thema’s worden al beschreven in het planMER. Om te voorkomen dat deze thema’s dubbel

77 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

Thema

Wijziging

Toelichting beschreven worden, is het thema ‘wonen’ verwijderd uit het beoordelingskader

duurzaamheid en circulariteit

het aspect ‘energieopbrengst’ is verwijderd uit het beoordelingskader

de verwachte energieopbrengsten worden in het planMER niet separaat beoordeeld. In hoofdstuk 6 wordt voor iedere variant de energieopbrengst globaal weergegeven. Hiermee kan een vergelijking gemaakt worden tussen de varianten.

Naast bovenstaande wijzigingen, zijn meerdere aspecten samengevoegd onder één thema. Dit ten behoeve van de omvang en de leesbaarheid van het planMER en omdat meerdere aspecten raken aan hetzelfde thema. Denk hierbij aan het overkoepelend thema ‘gezonde leefomgeving’, waaronder onder andere de aspecten geur en lichthinder worden onderzocht.

5.4.3

Beoordelingskader

Tabel 5.4 presenteert het beoordelingskader dat is gehanteerd voor het beoordelen van de milieueffecten van windturbines. Het beoordelingskader bevat de verschillende milieuthema’s en bijbehorende onderzoeksaspecten. Daarnaast is per onderzoeksaspect weergegeven of een kwalitatieve of kwantitatieve onderzoeksmethode wordt gebruikt en of het gaat om een maatgevend of niet-maatgevend aspect. Maatgevende aspecten worden in het planMER beoordeeld, niet-maatgevende aspecten worden op kwalitatieve wijze beschouwd.

78 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

Tabel 5.4 Beoordelingskader

Thema

Aspect

Onderzoeksmethode planMER

Maatgevend / nietmaatgevend

landschap, cultuurhistorie en archeologie

effecten op ruimtelijk-visuele kenmerken (bevat ook esthetiek inrichting, passendheid in landschap, effect op ruimtelijk-visuele kwaliteit)

kwalitatieve beoordeling (inclusief visualisaties)

maatgevend

effecten op landschappelijke waarden: structuren en elementen

kwalitatieve beoordeling

maatgevend

effecten op aardkundige waarden

kwalitatieve beoordeling (op basis van openbare data)

maatgevend

effecten op cultuurhistorische waarden (beschermd en onbeschermd)

kwalitatieve beoordeling (op basis van openbare data)

maatgevend

effecten op archeologie (archeologische monumenten en verwachtingswaarde)

kwalitatieve beoordeling (op basis van openbare data)

maatgevend

grondverzet

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

effecten op bodemkwaliteit

kwalitatieve beschouwing (op basis van openbare data)

niet-maatgevend

effecten op oppervlaktewater (waterkwaliteit en -kwantiteit)

kwalitatieve beschouwing (op basis van openbare data)

niet-maatgevend

effecten op grondwater

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

effecten op beschermde watergebieden (drinkwaterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, reserveringsgebied waterberging)

kwalitatieve beoordeling (op basis van openbare data)

maatgevend

effecten op Natura 2000-gebieden (inclusief stikstof)

kwalitatieve beoordeling (op basis van ecologisch bureauonderzoek, inclusief een voorbeeldberekening stikstof)

maatgevend

effecten op Natuurnetwerk Brabant (inclusief ecologische verbindingszones)

kwalitatieve beoordeling (op basis van ecologisch bureauonderzoek)

maatgevend

effecten op rust- en foerageergebied ganzen en smienten

kwalitatieve beoordeling (op basis van ecologisch bureauonderzoek)

maatgevend

effecten op beschermde plant- en diersoorten (Omgevingswet, Rode Lijst en weidevogels)

kwalitatieve beoordeling (op basis van ecologisch bureauonderzoek)

maatgevend

effecten op biodiversiteit (vernietiging niet-beschermde natuurwaarden en waarde toevoegen)

kwalitatieve beschouwing (op basis van ecologisch bureauonderzoek)

niet-maatgevend

externe veiligheid (veiligheidsrisico’s windturbines en verandering in veiligheidsrisico’s opslag en vervoer gevaarlijke stoffen door windturbines, inclusief effecten op hoogspanningslijnen)

kwantitatieve beoordeling (op basis van openbare data)

maatgevend

bodem en water

natuur

veiligheid

79 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

Thema

Aspect

Onderzoeksmethode planMER

Maatgevend / nietmaatgevend

effecten op ontplofbare oorlogsresten

kwalitatieve beschouwing (op basis van openbare data)

niet-maatgevend

effect op ondergrondse leidingen

kwalitatieve beschouwing (op basis van openbare data van planologisch beschermde kabels en leidingen)

niet-maatgevend

effect op defensieradar

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

effect op defensie laagvlieggebieden en -routes

kwalitatieve beoordeling (op basis van openbare data en input defensie)

maatgevend

effect op waterveiligheid

kwalitatieve beoordeling

maatgevend

effect op verkeersveiligheid

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

effect op landbouw (inclusief effect op ruimtegebruik landbouw)

kwalitatieve beschouwing (op basis van bodemgebruikskaart)

niet-maatgevend

effect op recreatie

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

effect op overige bedrijven

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

effecten op verkeer (effecten op langzaam verkeer en landbouwverkeer)

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

beslag op ruimte (meer/minder windturbines)

kwantitatieve beoordeling (berekening ruimtebeslag in m2)

maatgevend

netwerk

kansen en aandachtspunten vanuit netwerkaansluiting

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

gezonde leefomgeving

effecten op gezondheid geluid luchtkwaliteit (verspreiding luchtverontreinigende uitstoot en microplastics) externe veiligheid beneden normen elektromagnetische straling

kwalitatieve beschouwing (op basis van wetenschappelijk onderzoek)

niet-maatgevend

bijdrage aan positieve gezondheid

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

veranderingen in gezondheidsrisico’s van veehouderijen

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

geluidbelasting op omgeving

kwantitatieve beoordeling (op basis van geluidsberekeningen in Geomilieu, inclusief overzicht aantal geluidgehinderden)

maatgevend

effecten op laagfrequent geluid

kwantitatieve beoordeling (op basis van berekening met behulp van Vercammen- en NSG-Curve)

maatgevend

gebruiksfuncties

80 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief

Thema

Aspect

Onderzoeksmethode planMER

Maatgevend / nietmaatgevend

effecten op cumulatieve geluidbelasting

kwantitatieve beoordeling (op basis van Methode Miedema)

maatgevend

trillingseffecten op omgeving

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

veranderingen in geurbelasting en effect windturbines op verspreiding geur

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

effecten door lichthinder (inclusief schittering)

kwalitatieve beschouwing

niet-maatgevend

slagschaduw op omgeving

kwantitatieve beoordeling (slagschaduwberekeningen)

maatgevend

effect op overstromingsrisico

kwalitatieve beschouwing (op basis van openbare data)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13840734/1