Bijlage 2 - PlanMER Duurzame Polder
Tekst van het document
niet-maatgevend
effect op wateroverlast
kwalitatieve beschouwing
niet-maatgevend
effect op droogte
kwalitatieve beschouwing
niet-maatgevend
effect op hittestress
kwalitatieve beschouwing
niet-maatgevend
vermeden emissies
kwantitatieve beschouwing (op basis van berekeningen met kentallen)
niet-maatgevend
kansen voor circulariteit (gebruik primaire grondstoffen, watergebruik, recycling windturbinebladen)
kwalitatieve beschouwing (op basis van input van gemeenten en algemeen/wetenschappelijk aanvaarde uitgangspunten)
niet-maatgevend
kosten
kosten van voorgenomen ontwikkeling
kwantitatieve beschouwing (op basis van kentallen)
niet-maatgevend
integraliteit
mitigatiemaatregelen koppelen
kwalitatieve beschouwing
niet-maatgevend
meekoppelkansen thema’s onderling, zoals klimaatadaptatie, benoemen en benutten
kwalitatieve beschouwing
niet-maatgevend
verbinden van thema’s en realiseren versterking gebiedsontwikkeling
kwalitatieve beschouwing
niet-maatgevend
komen tot concrete meerwaarde in het gebied
kwalitatieve beschouwing
niet-maatgevend
klimaatadaptatie
duurzaamheid en circulariteit
81 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief
5.5
Beoordelingsschaal
Voor een goede afweging is het van belang om inzicht te hebben in de onderscheidende effecten van de verschillende varianten. Om de effecten van de varianten per aspect te kunnen vergelijken zijn deze op basis van een plus- en min-schaal beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Hiervoor is de beoordelingsschaal gehanteerd zoals weergegeven in tabel 5.5. In de tabel is per beoordelingsklasse toegelicht wat deze klasse inhoudt. Door deze beoordelingsschaal wordt eenvoudig inzichtelijk of milieueffecten optreden ten opzichte van de referentiesituatie. Indien er geen wezenlijke effecten worden verwacht in een gebied geldt een neutrale beoordeling ten opzichte van de referentiesituatie. Deze generieke beoordelingsschaal is per thema nader gespecificeerd in de thema-specifieke onderzoeksmethodiek in hoofdstuk 7.
Tabel 5.5 Beoordelingsschaal Score
Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie
Algemene toelichting beoordelingsklassen
--
sterk negatief
effecten die door hun aard, omvang en schaal leiden tot belangrijke impact op het milieu. Dit zijn vaak effecten die (onherstelbare) schade toebrengen aan het systeem, leiden tot overschrijding van normen en/of niet te voorkomen of beperken zijn met maatregelen
-
negatief
effecten die door hun aard, omvang en schaal leiden tot verslechtering van de milieukwaliteit. Er treedt geen onherstelbare schade op voor het systeem en normen worden niet overschreden. Effecten zijn mogelijk te voorkomen of beperken met maatregelen
0
neutraal
effecten ontbreken of zijn door hun aard, omvang en schaal dermate gering dat ze niet leiden tot betekenisvolle positieve of negatieve impact op het milieu
+
positief
effecten die bijdragen aan verbetering van de milieukwaliteit, maar in aard, omvang en schaal beperkt zijn
++
sterk positief
effecten die door hun aard, omvang en schaal kunnen leiden tot verbetering van de milieukwaliteit.
82 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief
6 VARIANTEN WINDENERGIE Dit hoofdstuk beschrijft de vijf varianten voor windenergie in de Duurzame Polder. De varianten bestaan uit verschillende plaatsingszones die in het planMER worden onderzocht. Paragraaf 6.1 beschrijft de algemene uitgangspunten voor de variantenontwikkeling. De paragrafen 6.2 tot en met 6.6 presenteren de varianten. Per variant wordt het doel van de variant toegelicht, worden de toegepaste ontwerpprincipes opgesomd en wordt de energieopbrengst van de variant bepaald. Ten slotte worden de plaatsingszones van de varianten op kaart gepresenteerd.
6.1
Variantenontwikkeling
De varianten hebben als doel het gehele speelveld van windontwikkeling in de Duurzame Polder in kaart te brengen. Om de hoeken van het speelveld in beeld te krijgen, zijn de varianten zoveel mogelijk onderscheidend ten opzichte van elkaar. Alle varianten zijn ontwikkeld vanuit een leidend ontwerpprincipe. Daarnaast zijn de varianten ontwikkeld voor beide referentieturbines (zie paragraaf 5.2). Vervolgens zijn binnen de varianten plaatsingszones ingetekend, die rekening houden met belemmeringen in het plangebied. Onderstaand kader geeft een toelichting op de relevante terminologie voor de variantenontwikkeling. Terminologie: varianten en plaatsingszones Een variant is een voorgestelde invulling van het plangebied met windturbines vanuit specifieke ontwerpprincipes. De variant Landschap laat bijvoorbeeld zien wat een geschikte invulling van de ruimte is bezien vanuit het landschap. Het gaat daarbij dan bijvoorbeeld om het volgen van de logische lijnen in het landschap bij plaatsing van de windturbines. In deze fase wordt nog geen keuze gemaakt voor het type windturbine. Om de bandbreedte van de effecten in beeld te brengen, afhankelijk van turbinetypes, zijn binnen de varianten verschillende turbinetypen uitgewerkt.
Hierin is de verwachte energieopbrengst de basis en is bepaald hoe deze opbrengst kan worden gerealiseerd met windturbines in een bandbreedte van minimale en maximale grootte, zoals toegestaan door de gemeente. In dit geval zijn dit windturbines met denkbeeldige ashoogtes van 134 m en 175 m (zie paragraaf 5.2). Exploitanten van windenergie hebben ruimte nodig om een goede positie voor een windturbine te kunnen bepalen. De milieueffecten die in dit planMER beoordeeld worden, treden vaak erg lokaal op. Flexibiliteit in de inpassing van de turbineposities biedt ruimte voor de mitigatie van milieueffecten. Daarom zijn binnen de varianten zones geselecteerd waarbinnen windturbines geplaatst kunnen worden. Dit zijn de plaatsingszones. Hiermee wordt de plaatsing van windturbines in een gebied concreet en realistisch gemaakt, met ruimte om in een vervolgfase te variëren met turbineposities. De varianten zijn ontwikkeld op basis van verschillende ontwerpprincipes. Deze ontwerpprincipes geven richting aan de varianten. Elke variant is gebaseerd op één leidend ontwerpprincipe. Daarmee zijn de alternatieven onderscheidend van aard en worden keuzes gerelateerd aan een ontwerpprincipe inzichtelijk. Zo maakt de variantenstudie onder andere inzichtelijk wat de keuze voor een strengere geluidsnorm, het
83 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief
vermijden van natuurgebieden of het volgen van een landschappelijk patroon betekent voor andere milieuthema’s. Uit de ontwerpprincipes volgen plaatsingszones. Dit zijn gebieden waar de windturbines zouden kunnen worden ontwikkeld. De verschillende plaatsingszones vormen gezamenlijk de variant. De variant wordt onderzocht op de milieueffecten. Binnen de plaatsingszones wordt globaal gekeken of voldaan kan worden aan de opwekdoelstellingen van de gemeente Oss en ’s-Hertogenbosch. De varianten vermijden de gebieden die op voorhand geen ruimte bieden voor windturbines. Dit zijn de harde belemmeringen. De harde belemmeringen zijn fysieke beperkingen of beperkingen vanuit wet- en regelgeving die de ontwikkeling van windenergie op een bepaalde locatie onmogelijk maken. Denk aan gebouwen en infrastructuur, of regelgeving. Afbeelding 6.1 toont de beschikbare ruimte die overblijft na het uitsluiten van de harde belemmeringen in de Duurzame Polder. De donkeroranje belemmeringen behoren tot turbinetype 1, de lichtoranje belemmeringen horen bij turbinetype 2. Het verschil volgt uit het aanhouden grotere afstanden tot objecten door een toename in de omvang van de windturbines. Het gaat om de volgende belemmeringen: - de contour van 47 dB (met 3 dB mitigatie1) rondom woningen.
Deze afstand geldt ook rond de autonome ontwikkelingen van woningbouw in De Groote Wielen en in Oss-West: · voor turbinetype 1 is dit een afstand van 220 m; · voor turbinetype 2 is dit een afstand van 315 m; - rijksmonumenten; - het waterwingebied; - de hoogspanningsverbinding met een minimale veiligheidscontour van een ½ rotordiameter: · voor turbinetype 1 is dit een afstand van 58,4 m; · voor turbinetype 2 is dit een afstand van 86 m; - de ondergrondse buisleidingen met een contour van 15 m; - het gebied ten noorden van de N625 tussen de kernen Maren en Lith: · dit gebied bestaat grotendeels uit water en overlapt met recreatiegebied De Lithse Ham.
1
Geluidreducerende maatregelen kunnen als mitigerende maatregel worden ingezet om effecten te beperken of voorkomen. In de praktijk wordt vaak een geluidreductie van circa 3 dB toegepast om effecten te mitigeren.
84 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief
Afbeelding 6.1 Belemmeringen in de Duurzame Polder op kaart
Algemene uitgangspunten varianten De volgende algemene uitgangspunten zijn toegepast voor de ontwikkeling van varianten voor windenergie: - de varianten liggen binnen het plangebied; - belemmeringen gebaseerd op nationale wet- en regelgeving zijn uitgesloten1; - rondom de verspreid liggende woningen is, in afwijking van de wet- en regelgeving, in sommige varianten rekening gehouden met een minimale afstand van een halve rotordiameter tot woningen. Hierdoor ontstaat inzicht in de aanvullende ruimte die ontstaat indien bepaalde woningen in de toekomst onderdeel worden van het windpark (molenaarswoningen). De effectenanalyse brengt de effecten hiervan in beeld (zie tekstkader over molenaarswoningen voor een nadere toelichting); - de minimale afstand van 1 km tot de bebouwde kom in ’s-Hertogenbosch is beschouwd als aandachtspunt en niet als harde belemmering. De minimale afstanden tot de bebouwde kom zijn op dit moment een bestuurlijk uitgangspunt. Voor de volledigheid van het milieuonderzoek kijkt wordt ook verder gekeken dan de 1- en 2 km begrenzing. De gemeenteraden zullen in 2024 een voorkeursalternatief kiezen; - met alle informatie die dan beschikbaar is, zullen de raden medio/eind 2024 op het VKA besluiten; - de minimale afstand van 2 km tot de bebouwde komgrens in de gemeente Oss is beschouwd als aandachtspunt en niet als harde belemmering.
De minimale afstanden tot de bebouwde kom zijn op dit moment een bestuurlijk uitgangspunt. Voor de volledigheid van het milieuonderzoek kijkt wordt ook verder gekeken dan de 1- en 2 km begrenzing. De gemeenteraden zullen in 2024 een voorkeursalternatief kiezen; - de autonome ontwikkelingen voor woningbouw in De Groote Wielen en in Oss-West zijn beschouwd als harde belemmeringen. Voor Oss-West wordt geen rekening gehouden met de 2 km begrenzing; - de varianten geven invulling aan de opgave van Oss om 0,514 PJ op te wekken in 2030;
1
Uitzondering hierop is de geluidcontour voor de woningen in het buitengebied. Hiervoor kan in enkele gevallen gebruik worden gemaakt van een molenaarswoning (zie toelichting tekstkader molenaarswoningen).
85 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief
-
de varianten geven invulling aan de opgave van ’s-Hertogenbosch om 16 windturbines in de Duurzame Polder te realiseren, dan wel te zorgen voor een energieopwek die hiermee overeenkomt1, ofwel te zorgen voor een maximale energieopbrengst in 2030; er zijn geen definitieve windturbineposities bepaald, alleen plaatsingszones. De plaatsingszones brengen samen de bandbreedte aan milieueffecten in beeld; er zijn geen varianten ontwikkeld die een combinatie van ashoogtes bevatten, om de hoeken van het speelveld en de verschillen tussen turbinetypes in kaart te brengen; de varianten gaan alleen over de ontwikkeling windturbines, de integrale gebiedsopgaven worden apart beschouwd in deel C van dit planMER; voor varianten met turbinetype 1 (3,6 MW) is uitgegaan van een gemiddelde energieopbrengst van 12.000 MWh/jaar per windturbine; voor varianten met turbinetype 2 (7,2 MW) is uitgegaan van een gemiddelde energieopbrengst van 24.000 MWh/jaar per windturbine.
-
Molenaarswoningen in het planMER Bij windparkontwikkelingen zijn veelal omwonenden ook initiatiefnemer en mede-eigenaar van het windpark. In specifieke gevallen kan een woning aangewezen worden als ‘woning in de sfeer van de inrichting’ of ‘molenaarswoning’. Dit is mogelijk als er feitelijk een technische, organisatorische of functionele binding is tussen de woning en de windturbine. Mogelijk ontstaat in de toekomst de wens (vanuit de windparkontwikkelaar én bewoner) om een woning aan te wijzen als molenaarswoning. Een woning wordt dan juridisch gezien onderdeel van het windpark. De gebruikelijke normen die gelden ter bescherming van omwonenden tegen bijvoorbeeld geluid, externe veiligheid of slagschaduw zijn dan niet van toepassing. Dit maakt het mogelijk om windturbines op een kortere afstand van deze molenaarswoningen te plaatsen. Dit leidt ertoe dat potentieel meer gebieden in aanmerking kunnen komen voor het ontwikkelen van windturbines. Het is zinvol om ook de milieueffecten binnen deze potentiële gebieden te onderzoeken. Daarom gaan de varianten Landschap, Natuur en Restruimte uit van een andere contour rond woningen in het buitengebied. Tot deze woningen is een afstand van een ½ rotordiameter aangehouden. Dit is een minimale afstand, om te voorkomen dat de rotorbladen van de windturbine over de woning draaien.
Voor woningen in de bebouwde kom is de contour horend bij 47 dB Lden (met mitigatie) van toepassing. Deze contour geldt ook voor woningen in lintbebouwing of concentraties van woningen, buiten de bebouwde kom. Voor de varianten Landschap en Natuur zijn daarnaast subvarianten ontwikkeld die uitgaan van plaatsingszones zonder molenaarswoningen (paragraaf 6.7). Hiermee worden de verschillen tussen varianten mét en zonder molenaarswoningen inzichtelijk gemaakt. Het is belangrijk om te benoemen dat het aanwijzen van molenaarswoningen niet plaats vindt in dit planMER. Het planMER heeft slechts tot doel om informatie over de milieueffecten te bieden. Zoals benoemd is de aanwijzing van molenaarswoningen slechts mogelijk onder strenge juridische voorwaarden en met instemming van bewoners/eigenaren. Er moet altijd sprake zijn van een ‘goed woon- en leefklimaat’ voor de bewoners van een molenaarswoning. Dit kan ook betekenen dat een afstand groter dan een ½ rotordiameter nodig is.
6.2
Variant Basis
Doel De variant Basis onderzoekt plaatsingszones die rekening houden met de raadsbesluiten van de gemeenteraden van de beide gemeenten om een minimale afstand aan te houden van de bebouwde kom. Voor ’s-Hertogenbosch betreft dit een afstand van ten minste 1 km tot de bestaande bebouwde kom. Hierbij is ook 1 km aangehouden vanaf de grens van het bestemmingsplangebied van het vastgestelde 1
Uitgaande van moderne type turbines waar nu in de RES mee gerekend wordt (5,6 MW, 16.9000 MWh/jaar). Dit resulteert in een opwek van 270.400 MWh/jaar.
86 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief
bestemmingsplan Noordoosthoek De Groote Wielen. In Oss heeft de gemeenteraad besloten een afstand van minstens 2 km tot de bestaande bebouwde kom aan te houden. De ontwikkeling van Oss-West wordt hierin niet meegenomen als bebouwde kom, omdat dit nog geen vastgesteld plan was ten tijde van het raadsbesluit. De variant Basis biedt ruimte om de energieopgaven van zowel de gemeente Oss als ’sHertogenbosch te realiseren. Ontwerpprincipes Voor de plaatsingszones in de variant Basis zijn de volgende ontwerpprincipes gehanteerd: - de variant gaat uit van een 1 km zone rond de bestaande bebouwde kom van ’s-Hertogenbosch: · de 1 km zone rond de bestaande bebouwde kom van ’s-Hertogenbosch (bij De Groote Wielen gerekend vanaf het bestemmingsplangebied Noordoosthoek De Groote Wielen) geldt als belemmering; - de variant gaat uit van een 2 km zone rond de bestaande bebouwde kom van Oss; - de contour van 47 dB (met 3 dB mitigatie) geldt als harde belemmering voor woningen in de polder: · voor turbinetype 1 is dit een afstand van 220 m; · voor turbinetype 2 is dit een afstand van 315 m; - de varianten geven invulling aan de opgave van Oss om ten minste 0,514 PJ op te wekken in 2030; - de varianten geven invulling aan de opgave van ’s-Hertogenbosch om ten minste 16 windturbines in de Duurzame Polder te realiseren, dan wel te zorgen voor een energieopwek die hiermee overeenkomt, ofwel te zorgen
voor een maximale energieopbrengst in 2030. De plaatsingszones van de variant Basis sluiten aan bij denkrichting 1 ‘een grootschalig hart’ uit het tussenrapport van H+N+S landschapsarchitecten. De denkrichtingen zijn terug te vinden in de tussenrapportage (opgenomen in bijlage IV). Deze denkrichting combineert en concentreert de windturbines in één ruimtelijk cluster in het ‘hart’ van de polder. Energieopbrengsten variant Basis Om te bepalen of aan de energieopwek voldaan kan worden van de windturbines, zijn door H+N+S landschapsarchitecten voorbeeldopstellingen ontwikkeld binnen de plaatsingszones. Deze voorbeeldopstellingen zijn opgenomen in bijlage VIII. Voor turbinetype 1 is gezocht naar de mogelijkheden binnen de gestelde opgave. Voor turbinetype 2 is gezocht naar een royale invulling. Dit resulteert in de volgende theoretische energieopbrengsten voor de variant Basis per turbinetype: - voor turbinetype 1 is ruimte voor 30 windturbines. Dit resulteert bij een opbrengst van 12.000 MWh/jaar per windturbine in een totale opbrengst van 360.000 MWh/jaar: · in ’s-Hertogenbosch gaat het om 16 windturbines met een totale opbrengst van 192.000 MWh/jaar; · in Oss gaat het om 14 windturbines met een totale opbrengst van 168.000 MWh/jaar; - voor turbinetype 2 is ruimte voor 31 windturbines.
Dit resulteert bij een opbrengst van 24.000 MWh/jaar per windturbine in een totale opbrengst van 744.000 MWh/jaar: · in ’s-Hertogenbosch gaat het om 16 windturbines met een totale opbrengst van 384.000 MWh/jaar; · in Oss gaat het om 15 windturbines met een totale opbrengst van 360.000 MWh/jaar. Binnen de plaatsingszones voor de varianten Basis kan de energiedoelstelling behaald worden. Variant Basis op kaart Afbeelding 6.2 (Basis 1) en afbeelding 6.3 (Basis 2) tonen de plaatsingszones voor windturbines in de variant Basis voor zowel turbinetype 1 (ashoogte 134 m) als turbinetype 2 (ashoogte 175 m).
87 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief
Afbeelding 6.2 Plaatsingszones variant Basis 1
Afbeelding 6.3 Plaatsingszones variant Basis 2
88 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief
6.3
Variant Geluid
Doel De variant Geluid onderzoekt plaatsingszones die rekening houden met een strengere geluidsnorm. Dit omdat nog onduidelijk is welke geluidsnormen in de toekomst van toepassing zijn. Door een strengere geluidsnorm te onderzoeken, wordt inzichtelijk wat de potentiële effecten zijn bij een toekomstige strengere geluidsnorm1. Voor woningen in het buitengebied wordt daarom een afstand aangehouden die volgt uit toepassing van een geluidsnorm van 45 dB Lden (zonder mitigatie). De afstand van 1 km van de bebouwde kom in de gemeente ’s-Hertogenbosch blijft behouden. Deze afstand wordt in deze variant ook voor de gemeente Oss aangehouden. De 1 km komt namelijk min of meer overeen met een geluidsnorm van 42 dB L den (zonder mitigatie). Voor een turbinetype 1 is deze afstand 700 m, voor turbinetype 2 geldt een afstand van 990 m. Een afstand van 1 km tot de bebouwde kom is aangehouden als uitgangspunt voor de plaatsingszones van deze variant. Ontwerpprincipes Voor de plaatsingszones in de variant Geluid zijn de volgende ontwerpprincipes gehanteerd: - een afstand van 45 dB Lden (zonder mitigatie) wordt aangehouden tot woningen in het buitengebied: · voor turbinetype 1 is dit een afstand van 485 m; · voor turbinetype 2 is dit een afstand van 690 m; - een 1 km zone rond de bestaande bebouwde kom en bebouwingsclusters van ’s-Hertogenbosch en Oss geldt als harde belemmering.
Deze afstand geldt ook rond de autonome ontwikkelingen van woningbouw in De Groote Wielen en in Oss-West. De plaatsingszones voor deze variant sluiten aan bij de extra varianten 2 en 3 uit het tussenrapport van H+N+S landschapsarchitecten (opgenomen in bijlage IV). Deze extra varianten gaan uit van een grotere afstand tot woningen, om zo de kans op geluidhinder te verminderen. De windturbines worden hierbij verspreid over de beschikbare ruimte geplaatst. Energieopbrengsten variant Geluid Om te bepalen of aan de energieopwek voldaan kan worden van de windturbines, zijn door H+N+S landschapsarchitecten voorbeeldopstellingen ontwikkeld binnen de plaatsingszones. Deze voorbeeldopstellingen zijn opgenomen in bijlage VIII. Voor turbinetype 1 is gezocht naar de mogelijkheden binnen de gestelde opgave. Voor turbinetype 2 is gezocht naar een royale invulling. Dit resulteert in de volgende theoretische energieopbrengsten voor de variant Geluid per turbinetype: - voor turbinetype 1 is ruimte voor 30 windturbines. Dit resulteert bij een opbrengst van 12.000 MWh/jaar per windturbine in een totale opbrengst van 360.000 MWh/jaar: · in ’s-Hertogenbosch gaat het om 17 windturbines met een totale opbrengst van 204.000 MWh/jaar; · in Oss gaat het om 13 windturbines met een totale opbrengst van 156.000 MWh/jaar; - voor turbinetype 2 is ruimte voor 11 windturbines.
Dit resulteert bij een opbrengst van 24.000 MWh/jaar per windturbine in een totale opbrengst van 264.000 MWh/jaar: · in ’s-Hertogenbosch gaat het om 4 windturbines met een totale opbrengst van 96.000 MWh/jaar; · in Oss gaat het om 7 windturbines met een totale opbrengst van 168.000 MWh/jaar. Binnen de plaatsingszones voor de varianten Geluid kan de energiedoelstelling in de gemeente ’sHertogenbosch niet behaald worden. Desondanks is besloten deze variant wel te onderzoeken, omdat het inzicht geeft in de effecten van een strengere geluidsnorm.
1
Op dit moment worden de windturbinebepalingen herzien door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Hiervoor
wordt een planMER opgesteld. Dit heeft te maken met de uitspraak van de Raad van State (ABRvS 30 juni 2021, CLI:NL:RVS:2021:1395) over het niet toepasbaar zijn van de normen uit het Activiteitenbesluit, zo lang deze niet zijn onderbouwd met een milieueffectrapportage. In afwachting van de nieuwe algemene milieuregels voor windturbineparken blijft het mogelijk nieuwe windparken te realiseren. Voor nieuwe windturbineparken kan het bevoegd gezag lokale milieunormen hanteren.
89 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief
Variant Geluid op kaart Afbeelding 6.4 (Geluid 1) en afbeelding 6.5 (Geluid 2) tonen de plaatsingszones voor windturbines in de variant Geluid voor zowel turbinetype 1 (ashoogte 134 m) als turbinetype 2 (ashoogte 175 m).
Afbeelding 6.4 Plaatsingszones variant Geluid 1
90 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief
Afbeelding 6.5 Plaatsingszones variant Geluid 2
6.4
Variant Landschap
Doel De variant Landschap onderzoekt wat de effecten zijn van plaatsingszones bij het plaatsen van windturbines in een lijnopstelling, in oost-west richting. Hierbij wordt aangesloten bij bestaande landschappelijke structuren. Dit zijn structuren die bewoners in en rondom de Duurzame Polder als duidelijke lijnen in het landschap ervaren. De variant sluit aan bij de lijnvormige infrastructuur in het gebied, zoals de Gewandeweg in het noorden en de Hoefgraaf en de Kruizenbeemdweg in het zuiden. Ook de Hertogswetering is een herkenbare, lijnvormige structuur in het gebied. De begrenzing van de varianten zijn gebaseerd op de benodigde ruimte voor de realisatie van windturbines. Hierbij is een oost-west lijn als uitgangspunt genomen.
Ontwerpprincipes Voor de plaatsingszones in de variant Landschap zijn de volgende ontwerpprincipes gehanteerd: - de lijnvormige oost-west structuren in het landschap vormen de uitgangspunten van de plaatsingszone, hiermee worden de bestaande landschappelijke structuren gevolgd; - de 1 km zone rond de bestaande bebouwde kom van ’s-Hertogenbosch geldt niet als harde belemmering, omdat wordt gezocht naar een onderscheidende, optimale invulling vanuit het landschap; - de 2 km zone rond de bestaande bebouwde kom van Oss geldt niet als harde belemmering, omdat wordt gezocht naar een onderscheidende, optimale invulling vanuit het landschap; - de autonome ontwikkelingen van woningbouw in De Groote Wielen en Oss-West gelden als harde belemmering; - rond woningen binnen de plaatsingszones wordt een ½ rotordiameter afstand aangehouden: · voor turbinetype 1 is dit een afstand van 58,4 m; · voor turbinetype 2 is dit een afstand van 86 m. De plaatsingszones sluiten aan bij de denkrichting 4 uit het tussenrapport van H+N+S landschapsarchitecten. De denkrichtingen zijn terug te vinden in de tussenrapportage (opgenomen in bijlage
91 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief
IV). De lange lijnen van oost naar west, tussen Oss en ’s-Hertogenbosch, staan hierbij centraal. De windturbines in lange lijnen benadrukken op deze manier de oost-west richting in de Duurzame Polder. Binnen de plaatsingszones zijn andere opstellingen mogelijk, zoals clusters. Vanuit de structuur van het landschap zijn ook andere opstellingen mogelijk. In dit geval is gekozen voor onderscheidenheid ten opzichte van de andere varianten en hiermee lijnen in oost-west richting. De variant is dus niet de enige mogelijkheid om te komen tot een optimale landschappelijke kwaliteit. Variant Landschap 1 kent twee losse plaatsingszones. Dit is gedaan om te zorgen dat beide opstellingen bij turbinetype 1 los zijn te beleven in het landschap. Bij turbinetype 2 zijn minder windturbines nodig. Om te zorgen dat de opstelling van de windturbines als één dubbele lijn ervaren kunnen worden, is gekozen voor één plaatsingszones die in beide gemeenten valt. Binnen deze plaatsingszone zijn ook drie lijnen mogelijkheid. Energieopbrengsten variant Landschap Om te bepalen of aan de energieopwek voldaan kan worden van de windturbines, zijn door H+N+S landschapsarchitecten voorbeeldopstellingen ontwikkeld binnen de plaatsingszones. Deze voorbeeldopstellingen zijn opgenomen in bijlage VIII. Voor turbinetype 1 is gezocht naar de mogelijkheden binnen de gestelde opgave.
Voor turbinetype 2 is gezocht naar een royale invulling. Dit resulteert in de volgende theoretische energieopbrengsten voor de variant Landschap per turbinetype: - voor turbinetype 1 is ruimte voor 30 windturbines. Dit resulteert bij een opbrengst van 12.000 MWh/jaar per windturbine in een totale opbrengst van 360.000 MWh/jaar: · in ’s-Hertogenbosch gaat het om 16 windturbines met een totale opbrengst van 192.000 MWh/jaar; · in Oss gaat het om 14 windturbines met een totale opbrengst van 168.000 MWh/jaar; - voor turbinetype 2 is ruimte voor 14 windturbines. Dit resulteert bij een opbrengst van 24.000 MWh/jaar per windturbine in een totale opbrengst van 336.000 MWh/jaar: · in ’s-Hertogenbosch gaat het om 7 windturbines met een totale opbrengst van 168.000 MWh/jaar; · in Oss gaat het om 7 windturbines met een totale opbrengst van 168.000 MWh/jaar. Binnen de plaatsingszones voor de varianten Landschap kan de energiedoelstelling behaald worden. Variant Landschap op kaart Afbeelding 6.6 (Landschap 1) en afbeelding 6.7 (Landschap 2) tonen de plaatsingszones voor windturbines in de variant Landschap voor zowel turbinetype 1 (ashoogte 134 m) en turbinetype 2 (ashoogte 175 m).
92 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief
Afbeelding 6.6 Plaatsingszones variant Landschap 1
Afbeelding 6.7 Plaatsingszones variant Landschap 2
93 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief
6.5
Variant Natuur
Doel De variant Natuur onderzoekt wat de effecten zijn als de plaatsingszones beschermde natuurgebieden en gebieden waar veel weidevogels verblijven vermijden. Hiermee wordt het natuurbelang vooropgesteld. In het plangebied liggen twee soorten beschermde natuurgebieden: het Natuurnetwerk Brabant (inclusief ecologische verbindingszones) en een rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten. Vanuit provinciale regelgeving geldt in deze gebieden een ‘nee, tenzij’ beleid voor windturbines. Ook liggen binnen de Duurzame Polder gebieden die onderdeel zijn van de Groenblauwe waarden. Daarnaast zijn er twee kerngebieden voor weidevogels aan te wijzen. Deze gebieden zijn niet wettelijk beschermd, maar de soorten die er voorkomen zijn wel beschermd onder de Omgevingswet tijdens de broedperiode. De gebieden tussen de kerngebieden voor weidevogels zijn in deze variant uitgesloten om vliegbewegingen van de vogels mogelijk te maken. Ten slotte zijn er beschermde soorten die instandhoudingsdoelstellingen kennen vanuit Natura 2000gebieden die het plangebied gebruiken om bijvoorbeeld te foerageren. Om rekening te houden met de vliegbewegingen van en naar Natura 2000-gebied de Rijntakken is het noordwestelijke deel van het plangebied uitgesloten in de variant Natuur.
Ontwerpprincipes Voor de plaatsingszones in de variant Natuur zijn de volgende ontwerpprincipes gehanteerd: - de gebieden die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Brabant (inclusief de ecologische verbindingszones) en de groenblauwe waarden plus een afstand van een ½ rotordiameter gelden als belemmering: · de afstand van een ½ rotordiameter is gekozen om overdraai te voorkomen; - het rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten geldt als belemmering: · om rekening te houden met de vliegbewegingen van en naar Natura 2000-gebied de Rijntakken is het noordwestelijke deel van het plangebied uitgesloten; - de twee kerngebieden voor weidevogels plus een afstand van 500 m zijn uitgesloten in deze variant.
Het gebied tussen de twee kerngebieden is eveneens uitgesloten: · de afstand van 500 m is de verwachte verstoringscontour rond de kerngebieden 1; - voor woningen in de 1 km zone rond de bestaande bebouwde kom van ’s-Hertogenbosch en de 2 km zone rond de bestaande bebouwde kom van Oss gelden niet als harde belemmering; - de autonome ontwikkelingen van woningbouw in De Groote Wielen en Oss-West gelden als harde belemmering; - de contour van 47 dB (met 3 dB mitigatie) geldt als harde belemmering voor de bebouwde kom en bebouwingsclusters in de polder: · voor turbinetype 1 is dit een afstand van 220 m; · voor turbinetype 2 is dit een afstand van 315 m; - rond woningen buiten de bebouwde kom en bebouwingsclusters wordt een ½ rotordiameter afstand aangehouden, uitgaande van molenaarswoningen: · voor turbinetype 1 is dit een afstand van 58,4 m; · voor turbinetype 2 is dit een afstand van 86 m. De plaatsingszones sluiten aan bij de denkrichting 2 uit het tussenrapport van H+N+S landschapsarchitecten De denkrichtingen zijn terug te vinden in de tussenrapportage (opgenomen in bijlage IV). De gedachte achter deze denkrichting is het ontzien van de weidevogelgebieden. Hiermee volgen de plaatsingszones oost-west lijnen, met een buiging in noordoostelijke richting.
Energieopbrengsten variant Natuur Om te bepalen of aan de energieopwek voldaan kan worden van de windturbines, zijn door H+N+S landschapsarchitecten voorbeeldopstellingen ontwikkeld binnen de plaatsingszones. Deze
1
Zie paragraaf 4.3 van het Aanvullend ecologisch onderzoek
94 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief
voorbeeldopstellingen zijn opgenomen in bijlage VIII. Voor turbinetype 1 is gezocht naar de mogelijkheden binnen de gestelde opgave. Voor turbinetype 2 is gezocht naar een royale invulling. Dit resulteert in de volgende theoretische energieopbrengsten voor de variant Natuur per turbinetype: - voor turbinetype 1 is ruimte voor 30 windturbines. Dit resulteert bij een opbrengst van 12.000 MWh/jaar per windturbine in een totale opbrengst van 360.000 MWh/jaar: · in ’s-Hertogenbosch gaat het om 16 windturbines met een totale opbrengst van 192.000 MWh/jaar; · in Oss gaat het om 14 windturbines met een totale opbrengst van 168.000 MWh/jaar; - voor turbinetype 2 is ruimte voor 15 windturbines. Dit resulteert bij een opbrengst van 24.000 MWh/jaar per windturbine in een totale opbrengst van 360.000 MWh/jaar: · in ’s-Hertogenbosch gaat het om 8 windturbines met een totale opbrengst van 192.000 MWh/jaar; · in Oss gaat het om 7 windturbines met een totale opbrengst van 168.000 MWh/jaar. Binnen de plaatsingszones voor de varianten Natuur kan de energiedoelstelling behaald worden. Variant Natuur op kaart Afbeelding 6.8 en afbeelding 6.9 tonen de plaatsingszones voor windturbines in de variant Natuur voor zowel turbinetype 1 (ashoogte 134 m) en turbinetype 2 (ashoogte 175 m). Hierbij wordt gesproken over variant Natuur 1 en variant Natuur 2.
Afbeelding 6.8 Plaatsingszones variant Natuur 1
95 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief
Afbeelding 6.9 Plaatsingszones variant Natuur 2
6.6
Variant Restruimte
Doel De variant Restruimte onderzoekt plaatsingszones die nog niet in de andere varianten zijn onderzocht. Daarnaast wordt ook onderzocht wat de milieueffecten zijn bij het toepassen van zogenaamde ‘molenaarswoningen’. Deze variant zorgt er zo voor dat inzicht wordt verkregen in de effecten van windturbines op alle potentieel beschikbare plekken in het plangebied. Dit is een theoretische variant, waarbij informatie over de milieueffecten van het heel zoekgebied in beeld worden gebracht. In de keuze voor een voorkeursalternatief en de optimalisatie hiervan is dit van toegevoegde waarde. Ontwerpprincipes Voor de plaatsingszones in de variant Restruimte zijn de volgende ontwerpprincipes gehanteerd: - de belemmeringen zoals benoemd in paragraaf 6.1 gelden als basis voor het zoekgebied: · voor turbinetype 1 is dit een afstand van 58,4 m; · voor turbinetype 2 is dit een afstand van 86 m; - voor woningen behorende bij de bebouwde kom en in lintbebouwing en/of bij bebouwingsconcentraties aan de rand van het zoekgebied geldt een afstand behorende bij 47 dB Lden (met mitigatie) als belemmering; · voor turbinetype 1 is dit een afstand van 220 m; · voor turbinetype 2 is dit een afstand van 315 m; - rond woningen in het buitengebied is een ½ rotordiameter afstand aangehouden; - de ruimte die in de overige varianten niet is opgenomen als plaatsingszone wordt in deze variant opgenomen.
De plaatsingszones sluiten grotendeels aan bij de denkrichting 3 uit het tussenrapport van H+N+S landschapsarchitecten. De denkrichtingen zijn terug te vinden in de tussenrapportage (opgenomen in bijlage IV). In deze denkrichting zijn de windturbines verspreid over het plangebied geplaatst. Hierbij geldt wel dat de windturbines dichter bij de woningen in het buitengebied zijn geprojecteerd.
96 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief
Energieopbrengsten variant Restruimte De variant Restruimte dient als theoretische variant, bedoeld om alle benodigde milieu informatie beschikbaar te krijgen voor de keuze van het voorkeursalternatief. De potentiële energieopbrengsten zijn daarom niet onderzocht. Variant Restruimte op kaart Afbeelding 6.10 en afbeelding 6.11 tonen de plaatsingszones voor windturbines in de variant Restruimte voor zowel turbinetype 1 (ashoogte 134 m) en turbinetype 2 (ashoogte 175 m). Hierbij wordt gesproken over variant Restruimte 1 en variant Restruimte 2.
Afbeelding 6.10 Plaatsingszones variant Restruimte 1
97 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief
Afbeelding 6.11 Plaatsingszones variant Restruimte 2
6.7
Subvarianten Landschap en Natuur
Om in dit planMER ook de milieueffecten van de varianten Landschap en Natuur inzichtelijk te maken als geen molenaarswoningen worden toegepast, zijn subvarianten ontwikkeld. Deze gaan niet standaard uit van molenaarswoningen. De subvarianten worden, net als de andere varianten, voor alle milieuaspecten beoordeeld. Daarbij worden alle aspecten beoordeeld, maar wordt alleen op de aspecten waar de beoordeling daadwerkelijk afwijkt van de andere varianten een toelichting opgenomen. Zo worden de belangrijkste verschillen tussen de varianten Landschap en Natuur (met molenaarswoningen) en de subvarianten Landschap en Natuur (zonder molenaarswoningen) inzichtelijk gemaakt.
6.7.1
Subvariant Landschap
Vanuit de ontwerpprincipes voor landschap gaan de plaatsingszones voor de varianten Landschap 1 en Landschap 2 uit van een zo optimaal mogelijke invulling voor het landschap. Hierbij is rekening gehouden met het aanwijzen van molenaarswoningen om te komen tot optimale opstellingen. De mogelijkheden om molenaarswoningen aan te wijzen zijn echter wettelijk beperkt, zoals toegelicht in paragraaf 6.1. Om ook inzichtelijk te maken wat de milieueffecten zijn van de plaatsingszones voor de varianten Landschap 1 en Landschap 2 zonder molenaarswoningen, is een subvariant ontwikkeld zonder molenaarswoningen. Hierbij is rekening gehouden met de in paragraaf 6.4 genoemde ontwerpprincipes. Daarnaast zijn geluidscontouren behorende bij 47 dB Lden (,met 3 dB mitigatie) toegepast: - voor turbinetype 1 is dit een afstand van 220 m; - voor turbinetype 2 is dit een afstand van 315 m.
98 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief
Binnen de plaatsingszones is ruimte om de volgende opwek te realiseren: - voor turbinetype 1 is ruimte voor 30 windturbines. Dit resulteert bij een opbrengst van 12.000 MWh/jaar per windturbine in een totale opbrengst van 360.000 MWh/jaar: · in ’s-Hertogenbosch gaat het om 16 windturbines met een totale opbrengst van 192.000 MWh/jaar; · in Oss gaat het om 14 windturbines met een totale opbrengst van 168.000 MWh/jaar; - voor turbinetype 2 is ruimte voor 12 windturbines. Dit resulteert bij een opbrengst van 24.000 MWh/jaar per windturbine in een totale opbrengst van 288.000 MWh/jaar: · in ’s-Hertogenbosch gaat het om 6 windturbines met een totale opbrengst van 144.000 MWh/jaar; · in Oss gaat het om 6 windturbines met een totale opbrengst van 144.000 MWh/jaar. De subvarianten Landschap 1.a en Landschap 2.a zijn weergegeven op afbeeldingen 6.12 en 6.13.
Afbeelding 6.12 Plaatsingszones variant Landschap 1.a
99 | 305 Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief
Afbeelding 6.13 Plaatsingszones variant Landschap 2.a
6.7.2
Subvariant Natuur
Vanuit de ontwerpprincipes voor natuur gaan de plaatsingszones voor de varianten Natuur 1 en Natuur 2 uit van een zo optimaal mogelijke invulling voor de natuurwaarden in het plangebied. Hierbij is rekening gehouden met het aanwijzen van molenaarswoningen om te komen tot een optimale invulling voor natuur. Het ontwerpprincipe is immers een zo optimaal mogelijke invulling voor de natuur en niet voor de leefomgeving. De mogelijkheden om molenaarswoningen aan te wijzen zijn wettelijk echter ook beperkt, zoals toegelicht in paragraaf 6.1. Om inzichtelijk te maken wat de milieueffecten zijn van de plaatsingszones voor de varianten Natuur 1 en Natuur 2 zonder molenaarswoningen, zijn subvarianten ontwikkeld zonder molenaarswoningen. Hierbij is rekening gehouden met de in paragraaf 6.5 genoemde ontwerpprincipes. Daarnaast zijn geluidscontouren behorende bij 47 dB Lden (met 3 dB mitigatie) toegepast: - voor turbinetype 1 is dit een afstand van 220 m; - voor turbinetype 2 is dit een afstand van 315 m. Binnen de plaatsingszones is ruimte om de volgende opwek te realiseren: - voor turbinetype 1 is ruimte voor 30 windturbines.
Dit resulteert bij een opbrengst van 12.000 MWh/jaar per windturbine in een totale opbrengst van 360.000 MWh/jaar: · in ’s-Hertogenbosch gaat het om 16 windturbines met een totale opbrengst van 192.000 MWh/jaar; · in Oss gaat het om 14 windturbines met een totale opbrengst van 168.000 MWh/jaar; - voor turbinetype 2 is ruimte voor 12 windturbines. Dit resulteert bij een opbrengst van 24.000 MWh/jaar per windturbine in een totale opbrengst van 360.000 MWh/jaar: · in ’s-Hertogenbosch gaat het om 8 windturbines met een totale opbrengst van 192.000 MWh/jaar; · in Oss gaat het om 7 windturbines met een totale opbrengst van 168.000 MWh/jaar. De subvarianten Natuur 1.a en Natuur 2.a zijn weergegeven op afbeeldingen 6.14 en 6.15.
100 | 305
Witteveen+Bos | 134741/24-000.393 | Definitief