Bijlage 2 Concept ontwerpbestemmingsplan (toelichting en regels)
Tekst van het document
aantal woonboten binnen het stedelijk gebied mogelijk wil maken. Het college is gevraagd hier onderzoek naar te doen en de consequenties daarvan in beeld te brengen. Daarnaast heeft is ook ingestemd met een amendement om de consequenties van het aanwijzen van de locatie Ertveldplas als woonbootlocatie (legalisatie) in beeld te brengen. Besluit 22 september 2009 Naar aanleiding van het besluit uit 2007 is locatiestudie verricht naar de mogelijkheden voor nieuwe woonbootlocaties in de stad. De gemeenteraad heeft op basis daarvan ingestemd met de volgende conclusies: a. de situatie m.b.t. het eventueel vergroten van het aantal woonboten in de stad is niet wezenlijk veranderd t.o.v. 2004; b. op korte termijn zijn er geen substantiële mogelijkheden voor uitbreiding van het aantal woonboten en de gemeente zal voor genoemde uitbreiding geen actie ondernemen; c. wonen op water in 's-Hertogenbosch kan geen echte bijdrage leveren aan het verminderen van de krapte op de woningmarkt en vormt dus geen onderdeel van een structureel huisvestingsbeleid. Daarnaast heeft de gemeenteraad besloten om na de omlegging van de Zuid-Willemsvaart te onderzoeken of de volgende locaties kunnen worden ontwikkeld als kleinschalige woonbotengebied: Zuid-Willemsvaart, Rosmalense Plas en Ertveldplas-Zuid. Een kosten/baten analyse zal onderdeel zijn van dit onderzoek, inclusief de publieke investeringen.
Besluit 26 januari 2010 De gemeenteraad heeft het bestemmingsplan 'Buitengebied' vastgesteld, waarbij er voor is gekozen om de woonboten aan de Ertveldplas niet positief te bestemmen. Op 20 juli 2011 heeft de Raad van State het hiertegen door enkele woonbootbewoners ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Raad van State bevestigde het door de gemeenteraad ingenomen standpunt dat de boten er illegaal liggen en dat een permanente ligplaats voor woonboten op deze locatie ruimtelijk niet wenselijk is. Reden hiervoor is dat de auto-ontsluiting, parkeervoorzieningen en het toegangspad naar de woonboten zullen verdwijnen vanwege de beoogde natuurontwikkeling in de Ertveldpolder. Daarnaast liggen de woonboten binnen de geluidcontour van het industrieterrein De Rietvelden – Ertveld, waardoor geen goed woon- en leefklimaat mogelijk is. Op de Ertveldplas zijn voor de huidige bewoners tijdelijke voorzieningen getroffen en tijdelijke huurovereenkomsten afgesloten. De Raad van State heeft uitgesproken dat het aannemelijk is dat binnen de planperiode van het bestemmingsplan Buitengebied een definitieve ligplaats kan ontstaan, waarvoor met name de locatie aan de Zuid-Willemsvaart wordt bezien, waardoor het gebruik aan de Ertveldplas kan worden beëindigd. Raadsinformatiebrief (agenda raad 27 april 2010) Het college heeft de gemeenteraad geïnformeerd n.a.v.
het op 23 januari 2007 aanvaarde amendement m.b.t. de woonboten in de Ertveldplas. Aangegeven is dat legalisatie niet mogelijk is en dat in afwachting van een legale woonbootlocatie maatregelen genomen worden om een tijdelijke beheersbare situatie aan de Ertveldplas te creëren. Hiervoor zijn o.a. met de bewoners tijdelijke huurcontracten gesloten en zijn basisnutsvoorzieningen (water en elektra) aangelegd. Raadsinformatiebrief (agenda raad 25 juni 2013) Het college heeft de gemeenteraad geïnformeerd over de voortgang van het locatieonderzoek woonboten (na omlegging Zuid-Willemsvaart), waartoe de raad op 22 september 2009 heeft besloten. Besluit 24 juni 2014 De gemeente raad heeft het volgende besluit genomen op basis van het uitgevoerde locatieonderzoek woonboten: 1. Voor de bestaande woonbootlocatie Ertveldplas Noord een bestemmingsplanprocedure opstarten en daarin op basis van artikel 3.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening een persoonsgebonden overgangsrecht toekennen aan de huidige bewoners. 2. Voor de bestaande woonbootlocatie Molengat nader onderzoek te doen naar andere vormen van overgangsrecht in deze specifieke situatie. Deze zal t.z.t. dan ook met een bestemmingsplan vastgelegd 39
worden. 3. De volgende locaties aanmerken als mogelijke locaties voor het realiseren van permanente ligplaatsen voor woonboten: a. Zuid-Willemsvaart - Van Veldekekade / Maastrichtseweg; b. Rosmalense plas; c. Noordwestzijde van Groote Wielen plas. 4. Te komen met een verdere financiële en ruimtelijke uitwerking van de locaties die in aanmerking komen als mogelijke permanente ligplaatsen voor woonboten en de resultaten hiervan uiterlijk in het tweede kwartaal van volgend jaar voor te leggen aan de gemeenteraad. Brief aan gemeenteraad d.d. 7 april 2015 Het college heeft de gemeenteraad geïnformeerd over de uitvoering van het besluit van 26 juni 2014. In verband met een uitspraak van de Raad van State blijkt dat uitvoering van dit besluit toch een beperking inhoudt van de mogelijkheden van het bedrijventerrein De Rietvelden - Ertveld. Het raadsbesluit van 26 juni 2014 was niet gebaseerd op deze wetenschap. Het college heeft de raad daarom aangegeven nader onderzoek te doen naar de (financiële) consequenties van de uitvoering van dit besluit en tegelijk met de ruimtelijke en financiële uitwerking van de vier aangewezen mogelijke woonbootlocaties, de raad opnieuw een voorstel voor de locatie Ertveldplas-Noord ter besluitvorming aan te bieden.
Besluit 11 juli 2017 Ter uitvoering van het raadsbesluit van 24 juni 2014 zijn de 4 potentiële woonbootlocaties ruimtelijk en financiële uitgewerkt. Deze uitwerking heeft plaatsgevonden in samenwerking met afgevaardigden van alle woonbootlocaties in de stad. Nadat is gebleken dat uitvoering van het raadsbesluit van 24 juni 2014 voor wat betreft de Ertveldplas zou leiden tot een ernstige beperking van het bedrijventerrein De Rietvelden - Ertveld, zijn gesprekken gestart tussen de BEp (Bewonersvereniging Ertveldplas), de RIVU (Ondernemersvereniging Rietvelden - Ertveld en Vutter), watersportvereniging Viking en de gemeente om te onderzoeken of een gezamenlijk gedragen oplossing kan worden gevonden. Daarbij zijn verschillende scenario's besproken. Met het compromisvoorstel hebben de bewoners niet ingestemd. Dit heeft geleid tot het volgende raadsbesluit: 1. Voor de Ertveldplas te kiezen voor de indikvariant, waarin alle 22 woonboten (met een tijdelijk huurcontract) op basis van persoonsgebonden overgangsrecht (conform artikel 3.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening) een plek kunnen krijgen en hiervoor een bestemmingsplanprocedure op te starten. 2.
De Van Veldekekade aan te wijzen als permanente woonbootlocatie en hiervoor (bij voldoende behoefte) een bestemmingsplanprocedure op te starten, met als uitgangspunt dat de kosten afgedekt worden door de huuropbrengsten van de woonboten (budgettair neutrale ontwikkeling). 3. Voor het realiseren van het indikken van de woonboten aan de Ertveldplas een netto investeringsbedrag van € 374.000,- in te passen in het op te stellen investeringsplan van de (meerjaren)begroting 2018. Daarnaast heeft de portefeuillehouder tijdens de raadsvergadering, n.a.v. vragen vanuit de raad, de toezegging gedaan om te onderzoeken of ook een permanente woonbootlocatie van maximaal 10 ligplaatsen gerealiseerd kan worden aan de Rosmalense Plas. Uit de gevoerde gesprekken met de huidige bewoners van de Ertveldplas is gebleken dat een aantal bewoners een voorkeur heeft voor verplaatsing naar de Rosmalense Plas. Daarnaast blijkt, o.a. na ambtelijk overleg met de provincie, dat een kleinschalige woonbotenlocatie aan de Rosmalense Plas ook ruimtelijk inpasbaar is. Daarbij moet er wel voldoende aandacht zijn voor een natuurlijke inpassing. Op basis daarvan is besloten om ook de Rosmalense Plas verder als woonbootlocatie uit te werken en in dit bestemmingsplan op te nemen.
40
Hoofdstuk 5 Milieu, waarden
duurzaamheid
en
Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. Tussen milieuaspecten en ruimtelijke ordening bestaat een duidelijke relatie. De milieukwaliteit vormt namelijk een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies (zoals woningen). Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden. Hieronder zullen per milieuaspect de impact ervan voor de beide nieuwe woonbootlocaties worden beschreven.
5.1
Bedrijven en milieuzonering
Milieuzonering zorgt voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te garanderen naast de zorg dat er voor bedrijven voldoende ruimte voorhanden is om de bedrijfsactiviteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden (normen) uit te kunnen voeren. Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering”. De VNG brochure is een richtlijn, vormt geen wettelijk kader maar heeft als gevolg van jurisprudentie de status van pseudo-wetgeving gekregen. Deze richtlijn biedt kaders om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan minimale richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelgrens van het bedrijf waar de bedrijfsactiviteiten plaats kunnen vinden (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de woningen in een 'rustige woonwijk'.
Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen, afschermingen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De grootste van de vier VNG-richtafstanden (voor geur, stof, geluid of gevaar) is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieu-categorie. De milieucategorie van een bedrijf kan variëren van 1 (een licht bedrijf, met een hinderafstand van 10 meter) tot 6 (een zeer zwaar bedrijf, met een hinderafstand van 1500 meter).
41
5.1.1 Van Veldekekade Aan de Van Veldekekade worden binnen de huidige bestemming 'water' 12 ligplaatsen voor woonboten (woonobjecten) bestemd. De nieuwe woonobjecten komen in een gebied met voornamelijk al bestaande woningen. In de omgeving bevinden zich op enkele plaatsen, zowel aan de noord- als aan de zuidzijde van de Zuid-Willemsvaart gemengde bestemmingen, waarbinnen dienstverlening en kantoren zijn toegestaan. Aangezien zich al diverse bestaande woningen dichtbij de gemengde bestemming bevinden en ook binnen de gemengde bestemming 'wonen' mogelijk is, zullen de nieuwe woonobjecten niet belemmerend zijn voor de eventueel aanwezige of mogelijke lichte bedrijvigheid hier. Ook wordt hinder vanuit de gemengde bestemming niet verwacht. Op zo'n 50 meter ten noorden van de ligplaatsen bevindt zich – tussen woningen in – een autoherstelbedrijf. In deze gemengde omgeving kan ruimschoots worden voldaan aan de indicatieve hinderafstand (van 10 meter) tot nieuwe woonobjecten. Gezien de afstand en het gegeven dat dit autobedrijf zich bevindt tussen bestaande woningen (die reeds bepalend en beperkend zijn voor de hinderuitstraling van dit bedrijf) wordt hinder bij de ligplaatsen vanuit dit bedrijf niet verwacht. Nabij – ten oosten van het plangebied - bevindt zich een brugwachters-bedrijfswoning binnen een perceel met een bedrijfsbestemming.
Gemeente – als eigenaar van dit perceel – is voornemens hier een nieuwe nog nader te bepalen functie aan te koppelen, passend in het woongebied op deze locatie. Hinder bij de nieuwe geplande ligplaatsen voor woonobjecten als gevolg van de aanwezige gemengde bestemmingen, danwel de te wijzigen bedrijfsbestemming wordt niet verwacht. Aanwezige bedrijfsbelangen van derden zullen niet worden geschaad. 5.1.2 Rosmalense Plas Aan de Rosmalense Plas worden binnen de huidige bestemming 'water' zo'n 10 ligplaatsen voor woonboten (woonobjecten) bestemd. Deze nieuwe woonobjecten bevinden zich aan de noordoostzijde van de Rosmalense Plas. Aan de westzijde van de Rosmalense Plas is bedrijvigheid bestemd in de hindercategorieën 2 tot en met 3.2. Deze bedrijvigheid is nog niet gerealiseerd. De grootste indicatieve hinderafstand van de bestemde bedrijvigheid tot nieuwe woonobjecten is 100 meter. Deze afstand wordt gerespecteerd zodat enerzijds hinder nabij de woonboten niet wordt verwacht en anderzijds de nieuwe woonobjecten niet belemmerend zullen zijn voor de toekomstige bedrijven op de reeds bestemde bedrijfskavels. Momenteel wordt er aan gedacht om de bestemming van de oostelijke strook van het toekomstige (maar reeds bestemde) bedrijvenpark (grenzend aan de Rosmalense Plas) te wijzigen naar kantoren, waardoor een kleinere afstand zou kunnen worden aangehouden.
In de planvorming voor de ligplaatsen voor de woonboten wordt daar vooralsnog geen rekening mee gehouden. Aan de zuidzijde van de Rosmalense Plas ligt een bedrijfsbestemming, waar bedrijvigheid tot hindercategorie 3.1 is toegestaan. Bij deze categorie is de grootste indicatieve hinderafstand tot nieuwe woonobjecten 50 meter. Hieraan wordt ruimschoots voldaan zodat hinder niet aannemelijk is. Aan de westzijde van de plas ligt nog een hotel - binnen een horeca-bestemming - met een indicatieve hinderafstand van 30 meter. De geplande woonboten liggen op ruim 400 meter van deze functie. Het aspect bedrijvigheid vormt geen belemmering voor de aanleg van woonboten op de Rosmalense Plas. Hinder is niet aannemelijk, bedrijfsbelangen worden niet geschaad.
5.2
Geluid
Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder (Wgh) en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woon- en leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader dat van belang is bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (als woningen) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het bieden van bescherming tegen geluidhinder aan geluidgevoelige functies zoals wonen.
42
5.2.1 Van Veldekekade Het 'Besluit geluid milieubeheer' en het Besluit geluidhinder wijzen een ligplaats in het water, bestemd om door een woonschip te worden ingenomen, aan als geluidsgevoelig terrein. Aangezien de te realiseren ligplaatsen binnen de invloedssfeer van de Van Veldekekade, Merwedelaan en Hekellaan liggen, is het wegverkeerslawaai beoordeeld. Wettelijk kader Langs alle wegen bevinden zich conform de Wgh geluidszones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting aan de grens van geluidsgevoelige terreinen (de ligplaatsen) aan wettelijke normen te voldoen. De breedte van een geluidsonderzoekszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk). De beoogde ontwikkeling ligt binnen de zone van 200 meter van de Van Veldekekade, Merwedelaan en Hekellaan. Voor de geluidsbelasting op de ligplaatsen van de woonboten binnen de wettelijke geluidszone van een binnenstedelijke gemeentelijke weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB en een maximale ontheffingswaarde van 53 dB. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde is een minder vergaande ontheffing mogelijk dan bij woningen (bij woningen is tot 63 dB te ontheffen). De reden daarvoor is dat, vanwege de lichte bouw, woonschepen/arken vaak beperkte mogelijkheden hebben voor een goede geluidswering.
De voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, dienen maatregelen te worden overwogen op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevel. Voor zulke maatregelen wordt onderstaande volgorde aangehouden: Bronmaatregelen (bijvoorbeeld aanpassing intensiteiten of soort wegdekverharding) Overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidsafscherming) Maatregelen bij de ontvanger (bijvoorbeeld aanbrengen extra geluidsisolatie gevel) Zijn deze maatregelen niet mogelijk, niet gewenst of niet doeltreffend, dan kan de gemeente onder bepaalde voorwaarden een hogere waarde vaststellen. Voorwaarden die worden gesteld aan een te verlenen hogere waarde zijn ten gunste van de geluidsituatie danwel het woon- en leefklimaat bij de woonboten, c.q ligplaatsen. Onderzoek Naar het wegverkeerslawaai is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 1). Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting vanaf de Hekellaan en de Merwedelaan op de ligplaatsen onder de wettelijke voorkeursgrenswaarde blijft. De geluidsbelasting vanaf de Van Veldekekade op de ligplaatsen bedraagt maximaal 57 dB. Dat betekent een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde. Het nemen van bronmaatregelen is hier niet effectief gebleken.
Verkeersmaatregelen om het verkeer op de Van Veldekekade te verminderen, is vanuit verkeerskundig oogpunt (bereikbaarheid van de stad) niet wenselijk. Daarnaast biedt het aanbrengen van een stiller wegdektype ook geen oplossing. Het huidig wegdek bestaat al uit het geluidsarme SMA-NL5. Vervanging door een nog stiller wegdektype (bv. DDLA ) is financieel niet doelmatig en geeft niet voldoende reductie van de geluidbelasting. Daarom is hier de oplossing gezocht in het treffen van overdrachtsmaatregelen. Er wordt gekozen voor een geluidwerende voorziening tussen de weg Van Veldekekade en de woonschepen, waarbij qua ligging en hoogte van de voorziening een evenwicht is gezocht tussen de effectiviteit en de ruimtelijke inpasbaarheid. De voorziening komt zo dicht mogelijk langs de weg te liggen en zal een hoogte hebben van circa 1 meter. Daarmee wordt de geluidsbelasting op de ligplaatsen teruggebracht tot ten hoogste 53 dB. Voor deze belasting kan een ontheffing hogere grenswaarde worden verleend.
43
Indicatief aangegeven: geluidwerende voorziening (in rood) 5.2.2 Rosmalense Plas Het 'Besluit geluid milieubeheer' wijst een ligplaats in het water, bestemd om door een woonschip te worden ingenomen, aan als geluidsgevoelig terrein. Aangezien de geluidsgevoelige ligplaatsen binnen de invloedssfeer van de A2 en het Hooghemaal liggen, is het wegverkeerslawaai beoordeeld. Wettelijk kader Langs alle wegen bevinden zich conform de Wgh geluidszones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige terreinen (de ligplaatsen) aan wettelijke normen te voldoen. De breedte van een geluidsonderzoeks-zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk). De beoogde ontwikkeling ligt binnen de onderzoekszone van de A2 en Het Hooghemaal. Voor de geluidsbelasting op de ligplaatsen van de woonboten binnen de wettelijke geluidszone geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB en een maximale ontheffingswaarde van 53 dB. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde is een minder vergaande ontheffing mogelijk dan normaliter bij woningen (in steden). De reden daarvoor is dat, vanwege de lichte bouw, woonschepen vaak beperkte mogelijkheden hebben voor een goede geluidswering. De voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden.
Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, dienen maatregelen te worden overwogen gericht op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevel. Voor zulke maatregelen wordt onderstaande volgorde aangehouden: Bronmaatregelen (bijvoorbeeld aanpassing intensiteiten of soort wegdekverharding) Overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidsafscherming) Maatregelen bij de ontvanger (bijvoorbeeld aanbrengen extra geluidsisolatie gevel) Zijn deze maatregelen niet mogelijk, niet gewenst of niet doeltreffend, dan kan de gemeente onder bepaalde voorwaarden een hogere waarde vaststellen. Voorwaarden die worden gesteld aan een te verlenen hogere 44
waarde zijn ten gunste van de geluidsituatie danwel het woon- en leefklimaat bij de woonboten, c.q ligplaatsen. Onderzoek Ten behoeve van dit bestemmingsplan is akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie Bijlage 2). Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting door de A2 en de A59 boven de voorkeursgrenswaarde ligt, maar onder de maximaal te ontheffen waarde. Voor wat betreft maatregelen zijn zowel bron- als overdrachtsmaatregelen niet doelmatig, omdat dit onevenredig hoge kosten met zich meebrengt in verhouding tot het aantal woonbestemmingen waarvoor de geluidbelasting verlaagd kan worden. Maatregelen aan de bron zijn in dit geval niet mogelijk omdat het geen bouwwerk betreft maar een ligplaats. Voor de geluidbelastingen door de A2 en A59 op de ligplaatsen voor woonboten zal daarom een hogere grenswaarde verleend moeten worden. Voor wat betreft het geluid door het Hooghemaal blijkt uit het onderzoek dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden.
5.3
Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) 2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van 45
het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie. Het plan is getoetst aan het gemeentelijk beleid. 5.3.1
Van Veldekekade
Beschouwing risicobronnen Er bevinden zich geen relevante risicovolle inrichtingen in de directe nabijheid van de Van Veldekekade. Wel bevindt zich op circa 300 meter ten zuid-oosten van het plangebied het bedrijf Campina Buttergold BV aan de Pieter Langendijksingel 2. Campina Buttergold B.V. is een inrichting, welke onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid (Bevi) valt. De reden hiervoor is, dat binnen de inrichting twee ammoniakkoelinstallaties aanwezig zijn, met een inhoud van respectievelijk 3800 kg ammoniak en 380 kg ammoniak. Aan de hand van het Bevi en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) is bepaald wat de veiligheidsrisico's van de ammoniakkoelinstallaties voor de omgeving zijn. Hieruit blijkt dat de ammoniakkoelinstallaties binnen genoemde inrichting geen invloedsgebied en geen plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) bezitten. Het groepsrisico, de mogelijkheden voor rampbestrijding en de mate van zelfredzaamheid van de bevolking zijn derhalve niet relevant en behoeven geen verantwoording. Vanuit deze inrichting zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen 12 ligplaatsen voor woonboten aan de Van Veldekekade. Op circa 1,4 km meter ten noorden van het plangebied bevindt zich het spoor. Dit spoor is onderdeel van het Basisnet spoor voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Uit het Basisnet blijkt dat dit spoordeel geen PR contour buiten het spoor heeft en ook geen plasbrandaandachtsgebied. Vanuit het PR is er derhalve geen belemmering voor ontwikkeling van deze locatie. Verder blijkt uit het Basisnet dat het groepsrisico zich hier beneden 0,3 maal de oriënterende waarde bevindt. De beoogde nieuwe ontwikkeling is zo beperkt van omvang dat er, mede gezien de afstand van 1,4 kilometer, geen significante toename van het huidige groepsrisico zal optreden. Over de Zuid-Willemsvaart – daar waar de ligplaatsen worden bestemd – vindt geen transport plaats van gevaarlijke stoffen en daarom is deze waterweg niet relevant. Transport van goederen over water vindt binnen gemeente 's-Hertogenbosch plaats over de recent omgelegde vaart (het Maximakanaal). Deze bevindt zich op circa 2,5 km van het plangebied en maakt onderdeel uit van het zogenaamde Basisnet water. Deze vaarroute (over het Maximalkanaal) is volgens Basisnet water een 'groene vaarweg'. Dit betekent dat hierover geen of nauwelijks transport plaatsvindt van gevaarlijke stoffen en er zich geen PR-contour bevindt (ook niet op het water zelf). Daarbij kent ze geen Plasbrandaandachtsgebied en voor ontwikkelingen langs groene vaarwegen behoeft het groepsrisico geen verantwoording. De in 's-Hertogenbosch gelegen hogedruk aardgasleidingen hebben een werkdruk van 40 bar en een diameter van 12 inch.
De leidingen hebben een plaatsgebonden risicocontour welke op de leidingen ligt (0 meter). Het invloedsgebied van deze leidingen waarbinnen het groepsrisico dient te worden beschouwd bedraagt 140 meter. De dichtstbijzijnde gasleiding ligt op circa 2 km meter ten noorden van de planlocatie en is daarom niet relevant. Veiligheidsregio Voor kwetsbare objecten gesitueerd buiten de 325 meter van het spoor, vaarwater en wegen, maar nog wel binnen het invloedsgebied van toxische stoffen, geldt dat op een dergelijke afstand een ontwikkeling geen invloed meer heeft op de omvang van het groepsrisico. Het bestrijdbaarheidsvraagstuk speelt hier niet of nauwelijks, omdat de bestrijding bij de bron plaatsvindt op ruime afstand van het plangebied. In overleg met de regionale brandweer is dan ook besloten dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten 325 meter geen aanvullende eisen vanuit externe veiligheid meer worden gesteld en dat het in het kader van de verantwoording van het groepsrisico niet meer nodig is om voor dergelijke ontwikkelingen advies in te winnen bij de regionale brandweer. De ontwikkeling ligt ver buiten de genoemde afstand van 325 meter van spoor, wegen en vaarweg. Een advies aan de Veiligheidsregio is derhalve niet noodzakelijk. De locatie van de nieuwe ligplaatsen bevindt zich binnen een 'groen gebied' in het vastgestelde 'externe veiligheidsbeleid'.
Hier zijn dergelijke kwetsbare objecten toegestaan.
46
5.3.2
Rosmalense Plas
Beschouwing risicobronnen Er bevinden zich geen relevante risicovolle inrichtingen in de directe nabijheid van het plangebied. Wel bevindt zich op circa 800 meter ten oosten van de beoogde ligplaatsen een tankstation met LPG, gelegen aan de Westeind 2. Dit bedrijf valt vanwege de opslag en verkoop van LPG onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid (Bevi). De maatgevende PR-contour van dit tankstation is 35 meter vanuit het LPG-vulpunt. Het invloedsgebied - waarbij het GR relevant is - is 150 meter vanaf het LPG-vulpunt. Verder is de 1% letaliteitsgebied (gebied waar nog dodelijke slachtoffers kunnen vallen als gevolg van een calamiteit met LPG) 310 meter. De locatie van de ligplaatsen voor woonboten ligt ver buiten deze genoemde contouren. Ten aanzien van risico-bedrijven zijn daarom geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling van 10 ligplaatsen aan de Rosmalense Plas. Ten westen van het plangebied bevindt zich de A2. Deze weg is onderdeel van het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de Regeling basisnet blijkt dat het traject tussen knooppunt Hintham en knooppunt Empel geen PR 10-6-contour en/of plasbrandaandachtsgebied heeft. Wel ligt de waarde voor het GR hier boven 10% van de gewenste oriënterende waarde, maar nog wordt voldaan aan de gestelde oriënterende waarde.
Gezien de afstand tot aan de A2 – meer dan 500 meter - zal deze ontwikkeling geen invloed meer hebben op de omvang en hoogte van het GR. Op circa 1,8 km meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich het spoor. Dit spoor is onderdeel van het Basisnet spoor voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit het Basisnet blijkt dat dit spoordeel geen PR contour buiten het spoor heeft en ook geen plasbrandaandachtsgebied. Vanuit het plaatsgebonden risico is er derhalve geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Verder blijkt uit het Basisnet dat het groepsrisico zich hier beneden 0,3 maal de oriënterende waarde bevindt. De beoogde nieuwe ontwikkeling is zo beperkt van omvang dat er – mede gezien de afstand van 1,8 kilometer - geen significante toename van het groepsrisico zal optreden. Transport van goederen over water vindt binnen gemeente 's-Hertogenbosch plaats over de recent omgelegde vaart, namelijk het Maximakanaal. Deze vaarweg bevindt zich op circa 150 meter ten oosten van het plangebied en maakt onderdeel uit van het zogenaamde Basisnet-water. Deze vaarroute (over het Maximalkanaal) is volgens Basisnet water een 'groene vaarweg'. Dit betekent dat hierover geen of nauwelijks transport plaatsvindt van gevaarlijke stoffen en er zich geen PR-contour bevindt (ook niet op het water zelf).
Daarbij kent ze geen Plasbrandaandachtsgebied en voor ontwikkelingen langs groene vaarwegen hoeft het groepsrisico niet verantwoord te worden. De in 's-Hertogenbosch gelegen hogedruk aardgasleidingen hebben een werkdruk van 40 bar en een diameter van 12 inch. De leidingen hebben een plaatsgebonden risicocontour welke op de leidingen ligt (0 meter). Het invloedsgebied van deze leidingen waarbinnen het groepsrisico dient te worden beschouwd bedraagt 140 meter. De dichtstbijzijnde gasleiding ligt op circa 1,8 km meter ten zuiden van de planlocatie en is daarom hier niet relevant. Veiligheidsregio Voor kwetsbare objecten gesitueerd buiten de 325 meter van het spoor, vaarwater en wegen, maar nog wel binnen het invloedsgebied van toxische stoffen, geldt dat op een dergelijke afstand een ontwikkeling geen invloed meer heeft op de omvang van het groepsrisico. Het bestrijdbaarheids-vraagstuk speelt hier niet of nauwelijks, omdat de bestrijding bij de bron plaatsvindt op ruime afstand van het plangebied. In overleg met de regionale brandweer is dan ook besloten dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten 325 meter geen aanvullende eisen vanuit externe veiligheid meer worden gesteld en dat het in het kader van de verantwoording van het groepsrisico niet meer nodig is om voor dergelijke ontwikkelingen advies in te winnen bij de regionale brandweer.
De ontwikkeling ligt buiten de genoemde afstand van 325 meter van spoor, wegen en vaarweg. Een advies aan de Veiligheidsregio is derhalve niet noodzakelijk. De locatie van de nieuwe ligplaatsen bevindt zich binnen een 'groen gebied' in het vast gestelde 'externe veiligheidsbeleid'. Hier zijn dergelijke kwetsbare objecten toegestaan.
47
5.4
Luchtkwaliteit
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren. Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 µg/m3.
Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. 5.4.1 Van Veldekekade Het beoogde plan maakt de aanwezigheid van 12 woonboten mogelijk. De woonboten krijgen de mogelijkheid voor het parkeren van een motorvoertuig nabij deze ligplaatsen. Er kan daarom als gevolg van dit plan enige verkeersgeneratie optreden. Voor de verkeersgeneratie wordt 'worst case' uitgegaan van 10 voertuigbewegingen per ligplaats per etmaal. Het is daarbij de vraag of het extra verkeer een dusdanig invloed heeft op de huidige luchtkwaliteit dat dit van enige betekenis is en dus onderzocht dient te worden. Totaal zou het plan 'worst case' 120 voertuigbewegingen per etmaal genereren. Bij woningen gaat het alleen om personenwagens (het aandeel vrachtverkeer is daarom 0%). Deze getallen zijn ingevoerd in de NIBM-rekentool.
Afbeelding: presentatie uitkomst NIBM rekentool
Volgens de rekentool draagt het plan als gevolg van de (worst-case) extra verkeersbewegingen niet in betekenende mate bij (NIBM) aan luchtverontreiniging. Het plan behoeft daarom ook geen afzonderlijke toetsing aan de Wet luchtkwaliteit, een apart luchtonderzoek is niet nodig. 48
Los van de wettelijke toets, is – in het kader van een goede ruimtelijke ordening - de plaatselijke luchtkwaliteit beschouwd. Uit de landelijke monitoringstool blijkt dat ter plaatse van de Van Veldekekade de concentratie voor NO2 beneden 31 µg/m3 NO2 (jaargemiddeld) ligt en voor PM10 beneden 21 µg/m3. De grenswaarden van deze beide stoffen is jaargemiddeld 40 µg/m3. De jaargemiddelde concentratie van de fijne fractie fijnstof (PM2,5) is hier volgens de Monitoringstool 13 µg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van de fijne fractie fijnstof )PM2,5) is 25 µg/m3. De optredende concentraties liggen hier ruim onder de daarvoor geldende grenswaarden. Ten aanzien van luchtkwaliteit zijn er voor de ontwikkeling aan de Van Veldekekade geen belemmeringen. 5.4.2 Rosmalense Plas Het beoogde plan maakt de aanwezigheid van 10 woonboten mogelijk. De woonboten krijgen de mogelijkheid voor het parkeren van een motorvoertuig nabij deze ligplaatsen. Er kan daarom als gevolg van dit plan enige verkeersgeneratie optreden. Voor de verkeersgeneratie wordt 'worst case' uitgegaan van 10 voertuigbewegingen per ligplaats per etmaal. Het is daarbij de vraag of het extra verkeer een dusdanig invloed heeft op de huidige luchtkwaliteit dat dit van enige betekenis is en dus onderzocht dient te worden. Totaal zou het plan 'worst case' 100 voertuigbewegingen per etmaal genereren.
Bij woningen gaat het alleen om personenwagens (het aandeel vrachtverkeer is daarom 0%). Deze getallen zijn ingevoerd in de NIBM-rekentool.
Afbeelding: presentatie uitkomst NIBM rekentool
Volgens de rekentool draagt het plan als gevolg van de (worst-case) extra verkeersbewegingen niet in betekenende mate bij (NIBM) aan luchtverontreiniging. Het plan is daarom niet afzonderlijk getoetst aan de Wet luchtkwaliteit, een apart luchtonderzoek is niet nodig. Los van de wettelijke toets, is – in het kader van een goede ruimtelijke ordening - de plaatselijke luchtkwaliteit beschouwd. Uit de landelijke monitoringstool blijkt dat ter plaatse van de planlocatie aan de Rosmalense Plas de concentratie voor NO2 beneden 26 µg/m3 (jaargemiddeld) ligt en voor PM10 beneden 20 µg/m3. De grenswaarden van deze beide stoffen is jaargemiddeld 40 µg/m3. De jaargemiddelde concentratie van de fijne fractie fijnstof (PM2,5) is hier volgens de monitoringstool 13 µg/m3, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3 bedraagt. Kortom: De optredende concentraties liggen hier ruim onder de daarvoor geldende grenswaarden. Uit de landelijke monitoringstool blijken de concentraties voor NO2 en PM10 (fijn stof) ter plaatse van de Rosmalense Plas beneden 31 µg/m3 NO2 (jaargemiddeld) te liggen en voor PM10 beneden 21 µg/m3. De grenswaarden van deze beide stoffen is jaargemiddeld 40 µg/m3. De jaargemiddelde concentratie van de fijne fractie fijnstof (PM2,5) is hier volgens de Monitoringstool 13,2 µg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van PM2,5 is 25 µg/m3.
De optredende concentraties liggen hier ruim onder de daarvoor geldende grenswaarden. 49
Ten aanzien van luchtkwaliteit zijn er voor de ontwikkeling aan de Rosmalense Plas geen belemmeringen.
5.5
Bodemkwaliteit
Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming. 5.5.1 Van Veldekekade De ligplaatsen bevinden zich op het water. De relevant gevoelige functie wonen vindt derhalve niet plaats op de kade en dus niet op de bodem. De kwaliteit van de bodem op of nabij de ligplaatsen is voor de te bestemmen ligplaatsen niet relevant. Eventueel gebruik van de kade voor parkeren, bergingen of andere doeleinden is voor de kwaliteit van de bodem, gebruik en functie eveneens niet relevant te noemen. 5.5.2 Rosmalense Plas De ligplaatsen bevinden zich op het water, aan twee nieuw te realiseren eilanden. De relevant gevoelige functie wonen vindt derhalve niet plaats op de bestaande oever.
De kwaliteit van de bodem op of nabij de ligplaatsen is voor de te bestemmen ligplaatsen niet relevant. Eventueel gebruik van de bestaande oever voor parkeren of andere doeleinden is voor de kwaliteit van de bodem, gebruik en functie eveneens niet relevant te noemen.
5.6
Hoogspanningslijn
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn, maar dit is (nog) niet wetenschappelijk aangetoond. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla. 5.6.1 Van Veldekekade In directe nabijheid van deze locatie bevindt zich geen hoogspanningslijn. 5.6.2 Rosmalense Plas Over de Rosmalense Plas loopt een hoogspanningslijn van het type 150 kVolt. Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies bij een hoogspanningslijn moet rekening worden gehouden met de magneetveldzone van de betreffende hoogspanningslijn.
Voorkomen moet worden dat nieuwe gevoelige functies binnen de magneetveldzone van 0,4 microTesla komen. De specifieke magneetveldzone van 0,4 microTesla van de hoogspanningsverbinding bij de Rosmalense Plas is hieronder weergegeven (oranje gebied). De nieuwe ligplaatsen – en dus woonboten – liggen buiten deze zone. Hiermee wordt voldaan aan het advies van het Rijk om uit voorzorg eventuele (niet bewezen) risico's te vermijden.
50
Oranje gebied = specifieke magneetveldzone > 0,4 microTesla
5.7
Water
Ruimte maken voor water: dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de 'Startovereenkomst Waterbeheer' door verschillende overheden, is de watertoets van toepassing op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch vastgelegd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De watertoets moet ingevuld worden als een procedure. Het omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is het evenwichtig meewegen van de waterbelangen in het planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Zowel waterkwantiteits- als waterkwaliteitsaspecten zijn daarbij belangrijk. Kansen worden benut en functies zoveel mogelijk gecombineerd. De beleidsdoelen voor integraal waterbeheer zijn door de gemeente vastgesteld in het Waterplan (2017). Hierin staat dat we in 's-Hertogenbosch een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem willen creëren ook is hierin het hemelwaterbeleid vastgelegd. Dit is gebiedsspecifiek gedaan, kijkend naar de watersystemen en de uitgangspunten per wijk. Het hemelwaterbeleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Hemelwater en Grondwater 2017. De doelen van het waterschap Aa en Maas zijn vastgelegd in de Keur (2015).
De afspraken uit de watertoets worden in een waterparagraaf vastgelegd. In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. 51
Uitgangspunten voor integraal waterbeheer De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. infiltratie/bergen 3. afvoer; Hydrologisch neutraal ontwikkelen, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. Daarnaast zien we water als kans voor meervoudig ruimtegebruik en vergroting van de beleving van water. Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem.
5.7.1 Van Veldekekade Het plan betreft 12 te realiseren ligplaatsen voor woonboten op het water. Voor de woonboten is het realiseren van hemelwaterberging als compensatie voor extra verhard oppervlak hier niet aan de orde. De woonboten liggen immers gewoon op het water. Het hemelwater zal van de woonboten afvloeien in de Zuid-Willemsvaart. Op de oever worden wel 3 geclusterde bergingsunits van 24m2 per stuk gebouwd. Deze units staan in het park en het hemelwater wordt afgekoppeld en kan infiltreren in het groen. Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater wordt bij de bouw afgezien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (zoals zink en koper) in daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen zoals goten en leidingen. De woonboten krijgen een aansluiting op het riool voor de afvoer van het vuilwater. Lozing van vuilwater op het water van de Zuid-Willemsvaart is dus niet aan orde. De Zuid-Willemsvaart heeft vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw een belangrijke rol gespeeld bij de afvoer van overtollig water uit het achterland. Deze rol is alleen maar groter geworden nu ook extra piekafvoer uit het stroomgebied van de Aa via de kanaaltraverse afgevoerd wordt. Dat betekent soms hoger water en snel afstromend water. In de Keur van het waterschap is de Van Veldekekade aangewezen als A-watergang.
Aan beide zijden ligt daardoor een beschermingszone van 5 meter ten behoeve van het beheer en onderhoud. Deze stelt o.a. beperkingen aan het aanbrengen van beplanting. Op basis van de Keur is er voor werkzaamheden in of nabij het A-water een watervergunning nodig. Tevens is een verbod opgenomen om binnen 5,00 meter breedte uit de insteek aan beide zijden van een A-watergang obstakels te plaatsen of te hebben. Gelet op de waterhuishoudkundige belangen is het noodzakelijk om deze zone, de beschermingszone, vrij te houden van alle obstakels. 5.7.2 Rosmalense Plas De 10 ligplaatsen bevinden zich op het water, aan twee nieuw te realiseren eilanden. Voor de woonboten is het realiseren van hemelwaterberging als compensatie voor extra verhard oppervlak hier niet aan de orde. De woonboten liggen immers gewoon op het water. Het hemelwater zal van de woonboten afvloeien in de Rosmalense Plas. Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater wordt bij de bouw afgezien van het 52
gebruik van uitlogende bouwmaterialen (zoals zink en koper) in daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen zoals goten en leidingen. De woonboten krijgen een aansluiting op het riool voor de afvoer van het vuilwater. Lozing van vuilwater op het water van de Rosmalense Plas is dus niet aan orde.
5.8
Milieueffectrapportage
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. 5.8.1 Van Veldekekade In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Dit project (12 ligplaatsen voor woonboten) kan worden aangeduid als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig, indien het een gebied betreft met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, met meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet, zodat op grond hiervan geen m.e.r. nodig is. Het plangebied ligt in stedelijk gebied en op ruime afstand van Natura 2000-gebied Rijntakken, Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, Loonse en Drunense Duinen& Leemkuilen.
De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen significant negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot en de externe factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat geen negatieve effecten op dit Natura2000-gebied zijn te verwachten. Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is derhalve niet aan de orde. Er heeft een vormvrije m.e.r. beoordeling plaatsgevonden. Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. Het opstellen van een m.e.r. wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 5.8.2 Rosmalense Plas Voor de Rosmalense Plas geldt feitelijk hetzelfde als beschreven in paragraaf 5.8.1 over de Van Veldekekade. Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is niet aan de orde. Er heeft een vormvrije m.e.r. beoordeling plaatsgevonden. Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. Het opstellen van een m.e.r. wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
5.9
Duurzaamheid
We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Op dit moment werken we intensief aan het verduurzamen van onze gemeente 's-Hertogenbosch. Hierbij is 'energie' een belangrijk speerpunt binnen onze gemeente. Enerzijds door het realiseren van duurzame energievormen (zoals windturbines, zonnepanelen, warmtepompen) en anderzijds door het energiezuinig (neutraal) laten bouwen. Ook oplossingen voor waterbeheer dragen bij aan de ontwikkeling van een duurzame (toekomstbestendige) gemeente. Energie Zoals gezegd is energiebeheer een belangrijk speerpunt binnen duurzaamheids-ambities van de gemeente 's-Hertogenbosch. De gemeente heeft doelen gesteld waaraan wordt gewerkt om te komen tot een klimaat 53
neutrale gemeentelijke organisatie in 2020, een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2035 en 's-Hertogenbosch volledig klimaatneutraal in 2050. Deze ambities zijn fors te noemen, waarbij 'alles uit de kast' moet worden gehaald. Deze doelstelling betekent dat niet alleen de gemeente veel doet, maar ook de Bossche bedrijven, inwoners, ontwikkelaars, maatschappelijke groepen, woningcorporaties zullen hierin moeten investeren, samenwerken, creatief zijn en vooruitdenken. De gemeentelijke energie-ambitie en -doelstellingen zijn vastgelegd in het “Energie-transitieprogramma 's-Hertogenbosch 2016-2020”, vastgesteld door de gemeenteraad op 31 januari 2017. Ook het recente bestuursakkoord (2018-2022) stelt dat we als gemeente een serieuze bijdrage leveren om de klimaatverandering tegen te gaan, bijvoorbeeld via het opwekken van duurzame energie en het energiezuinig laten bouwen in onze gemeente. Woningen Vanaf 1 juli 2018 mogen nieuwe woningen en andere nieuwe kleinverbruikers niet meer op aardgas worden aangesloten. Vanaf 1 januari 2020 moet nieuwbouw aan zogenaamde 'BENG-eisen' voldoen. BENG staat voor “Bijna Energie Neutraal Gebouw”. In de tussenliggende periode geldt voor woningen een EPC waarde van 0,4. Het bestuursakkoord zet bij ontwikkelingen in om vooruit te lopen op de landelijke norm (zoals deze zich nu laat aanzien).
Klimaatadaptatie Om hittestress te voorkomen als gevolg van veel verstening en asfalt liggen bij (her) ontwikkeling in de bestaande stad kansen voor een klimaatadaptieve inrichting. Vooral het aanleggen van groen en aanplanten van bomen zorgt voor verkoeling. Voor bomen is het belangrijk dat ze voldoende ondergrondse groeiruimte krijgen en altijd van voldoende water zijn voorzien. 5.9.1 Van Veldekekade Bij de ontwikkeling van deze woonbootlocatie gaat het in de eerste plaats om een verplaatsingsopgave. Woonschepen/arken van de Ertveldplas kunnen verplaatst worden naar de Van Veldekekade. Het gaat daarbij om bestaande woonschepen/arken. Ten behoeve van de woonschepen/arken wordt geen gasaansluiting gerealiseerd. Verder biedt het bestemmingsplan ruimte om de woonschepen/arken te voorzien van zonnepanelen of andere voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie. Verder worden de woonschepen/arken aan de Van Veldekade aangesloten op het riool, terwijl nu aan de Ertveldplas het afvalwater nog wordt geloosd op het oppervlaktewater. De groene inrichting op de oever blijft gehandhaafd en wordt deels versterkt. Dat sluit aan op de uitgangspunten voor het verbeteren van de klimaatadaptatie in de bestaande stad. 5.9.2 Rosmalense Plas Bij de ontwikkeling van deze woonbootlocatie gaat het in de eerste plaats om een verplaatsingsopgave.
Woonarken van de Ertveldplas kunnen verplaatst worden naar de Rosmalense Plas. Het gaat daarbij om bestaande woonarken. Ten behoeve van de woonarken wordt geen gasaansluiting gerealiseerd. Verder biedt het bestemmingsplan ruimte om de woonarken te voorzien van zonnepanelen of andere voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie. Verder worden de woonarken aangesloten op het riool. De groene oever aan de Rosmalense Plas, die deels onderdeel is van het Natuurnetwerk Brabant, blijft volledig gehandhaafd.
54
5.10
Ecologie
De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.
Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten. soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). 55
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 5.10.1 Gebiedsbescherming Van Veldekekade en Rosmalense Plas In het kader van de gebiedsbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming is een onderzoek gedaan naar de stikstofdepositie als gevolg van het plan op omliggende Natura 2000-gebieden. Uit dat onderzoek blijkt dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase niet leiden tot een stikstofdepositie die hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is dus niet nodig. Het onderzoek is bijgevoegd (Bijlage 4) Het plan houdt ook rekening voor wat betreft de gebiedsbescherming vanuit het provinciaal beleid (natuur netwerk Brabant). De ingreep op de oever binnen het 'natuur netwerk Brabant' is minimaal en bij de ruimtelijke uitwerking is ingezet op versterking van de ruimtelijke kwaliteiten ter plekke.