CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a Ontwerpbestemmingsplan Kanaalpark Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan 8 toelichting en regels

Gemeenteraad 10 oktober 2023, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Kanaalpark Burgemeester Jonkheer Von Heijdenlaan 821.140 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit.” De volledige rapportage is als Bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen. 5.3.7 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit stallen. De Wgv maakt onderscheid in geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom en of betrokken bedrijven wel of geen dieren houden waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld. De toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object, binnen de bebouwde kom, mag in beginsel niet meer bedragen dan 3 odour units (Oue). Indien geen dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en derhalve geen geurbelasting kan worden bepaald, gelden vaste afstanden. Ook hier is er onderscheid tussen binnen en buiten de bebouwde kom. In lijn met de bepalingen uit de Wgv zijn de genoemde normen voor geurbelasting en vaste afstanden overeenkomstig opgenomen in het Activiteitenbesluit. Geurhinder wordt bepaald op basis van de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting.

Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij welke de meeste geurbelasting op een geurgevoelig object veroorzaakt. De achtergrondbelasting wordt veroorzaakt door alle veehouderijen die rondom een geurgevoelig object zijn gelegen. Binnen het plangebied worden in de nieuwe situatie niet bedrijfsmatig dieren gehouden. Het is in het kader van de Wgv niet noodzakelijk te toetsen op de afstand tot omliggende geurgevoelige objecten. Het plangebied is gelegen aan de rand van de kern Rosmalen, op korte afstand van het stedelijk gebied van ’s-Hertogenbosch. In de omgeving bevinden zich geen veehouderijen. De agrarische bedrijven aan de rand van het stedelijk gebied zijn kleinschalige bedrijven waar geen dieren worden gehouden. Veehouderijen bevinden zich op een afstand van meer dan 2 km tot het plangebied. Vanwege de grote afstand tot het plangebied, is het niet noodzakelijk de geurbelasting op het plangebied te berekenen. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

37

5.3.8 Gezondheid De gemeente maakt de afweging of mogelijke gezondheidsrisico’s een aanvaardbaar niveau hebben. Het houden van landbouwhuisdieren kan gezondheidseffecten hebben op de omgeving van een veehouderij, bijvoorbeeld door de uitstoot van fijnstof en mogelijk ook via endotoxinen. Decentrale overheden beoordelen mogelijke gezondheidsrisico’s van veehouderijen, op basis van de ‘Handreiking Veehouderij en gezondheid omwonenden’ en het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’. Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen een afstand van 200 meter tot het plangebied liggen geen varkens- of pluimveehouderijen. Er zijn geen geitenhouderijen aanwezig binnen een afstand van 2 km. Eventuele gezondheidseffecten vanwege het houden van landbouwhuisdieren vormen geen belemmering voor het initiatief.

5.4

Water

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Sinds juli 2003 is de watertoets wettelijk verankerd in het Besluit op de Ruimtelijke Ordening. 5.4.1 Beleid waterschap Aa en Maas Het plangebied is gelegen binnen het werkgebied van waterschap Aa en Maas. Het Waterbeheerplan 2022-2027 bepaalt het waterbeleid van waterschap Aa en Maas. Het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Het waterschap beschikt daarnaast over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. 5.4.2 Beleid gemeente ’s-Hertogenbosch De gemeenteraad van ’s-Hertogenbosch heeft op 9 maart 2021 de Verordening bomen, water en groen ’s-Hertogenbosch 2021 vastgesteld.

Het doel van deze Verordening is het stellen van regels over houtopstanden, het lozen van grondwater en hemelwater en het verplicht realiseren van groen, om de gevolgen van klimaatverandering te beperken en bepaalde houtopstanden te beschermen. Het is op grond van artikel 4.14 van de Verordening verboden grondwater te lozen op de gemeentelijke riolering of op een gemeentelijke hemelwatervoorziening. Er is geen sprake van het onttrekken van grondwater, dat wordt geloosd op de gemeentelijke riolering of een gemeentelijke hemelwatervoorziening. Art. 4.15 bepaald dat het verboden is bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. De perceeleigenaar heeft de verplichting het hemelwater te verwerken op eigen terrein. De bouw van een vrijstaande woning (150 m2) en bijgebouw (150 m2) met bijbehorende verhardingen leidt tot een toename van de verharde oppervlakte kleiner dan 500 m2. De te realiseren hemelwatervoorziening dient minimaal 10 mm per m2 toename verhard oppervlak te kunnen verwerken. Art. 5.3 van de Verordening bomen, water en groen bepaalt dat de eigenaar verantwoordelijk is voor onderhoud en beheer van de hemelwatervoorziening. Het is verboden een gerealiseerde hemelwatervoorziening te verwijderen, onvoldoende te beheren of onderhouden.

Dit verbod is niet van toepassing indien een hemelwatervoorziening wordt veranderd of vervangen, mits het totaal bergend vermogen niet afneemt en de kwaliteit van voorziening vergelijkbaar of beter is.

38

5.4.3 Hemelwater De drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn opgenomen in de ‘Beleidsregel hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op het niveau van deelstroomgebied nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap verdeelt plannen met een toename van verhard oppervlak in categorieën kleiner dan 2.000 m², 2.000 - 10.000 m² en meer dan 10.000 m². In 2021 is gewijzigd beleid vastgesteld, waarbij de ondergrens wordt verlaagd van 2.000 m² naar 500 m². De voorgenomen ontwikkeling betreft de bouw van een nieuwe vrijstaande woning, waarvoor een bouwvlak voor een hoofdgebouw wordt opgenomen van 150 m2. Daarnaast kunnen (vergunningsvrij) bijgebouwen worden opgericht met een oppervlakte van maximaal 150 m2.

De toename van bebouwing (maximaal 300 m2) en verhardingen blijft derhalve onder de gestelde grens van 500 m2. Het is op basis van het beleid van het waterschap derhalve niet noodzakelijk compenserende maatregelen te treffen. De aan te leggen poel doet dienst als hemelwatervoorziening en moet op basis van het gemeentelijk beleid een capaciteit hebben van minimaal 4 m3. De gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse bedraagt 60 tot 80 cm onder het maaiveld. Dit betekent dat het water in de poel minimaal 60 cm onder het maaiveld staat. Rekening houdend met een veiligheidsmarge van 10 cm en een open wateroppervlakte van 50 m2, wordt de bergingscapaciteit berekend als 50 * (0,60 – 0,10) = 25 m3. Daarmee wordt ruimschoots aan de eis voldaan. Bij de bouw van de woning en bijgebouw wordt gebruik gemaakt van niet-uitlogende materialen. Dit is conform het advies van de richtlijn Duurzaam Bouwen. In het Lozingenbesluit Bodembescherming staat dat niet verontreinigd hemelwater in principe in de bodem geïnfiltreerd kan worden of afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater, ook als dat in contact is geweest met oppervlakten als daken. Er wordt geen gebruik gemaakt van onbehandelde uitlogende materialen zoals koper, zink en lood, teerhoudende dakbedekking (PAK's) en van met verontreinigde stoffen verduurzaamd hout.

Doordat het hemelwater niet vervuild is, is het geen probleem het hemelwater af te voeren naar het oppervlaktewater of te laten infiltreren. Voor het hemelwater dat valt op erfverhardingen, dient de uitspoeling van oliën of andere schadelijke vloeistoffen te worden voorkomen. Het regenwater wordt voor het de poel bereikt door een ondiep gedeelte met riet en andere oeverplanten geleid, dat een zuiverende werking heeft. Vervuiling van de poel wordt daarmee voorkomen. 5.4.4 Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater zal worden afgevoerd naar het gemeentelijk rioolstelsel. De aansluiting op het gemeentelijk rioolstelsel zal in overleg met gemeente ’s-Hertogenbosch plaatsvinden, conform de gebruikelijke eisen. 5.4.5 Conclusie Waterparagraaf Het verhard oppervlak in het plangebied neemt door de voorgenomen ontwikkeling toe. Gezien de kleinschaligheid van de bouw van een nieuwe woning, zijn compenserende maatregelen op basis van het beleid van waterschap Aa en Maas niet noodzakelijk. Gemeente ’s-Hertogenbosch zal het concept ontwerpbestemmingsplan ter beoordeling aan waterschap Aa en Maas voorleggen. Op basis van het gemeentelijk beleid is het aanleggen van een retentievoorziening noodzakelijk. De poel die op het westelijk perceelgedeelte wordt aangelegd, voldoet ruimschoots aan de voorwaarden van het gemeentelijk beleid.

39

5.5

Duurzaamheid

Gemeente ’s-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewust, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. In mei 2019 heeft de gemeenteraad van ’s-Hertogenbosch de Nota Duurzaamheid vastgesteld. Het aspect duurzaamheid is nader uitgewerkt in paragraaf 4.15. De overkoepelende doelstelling van een duurzaam ’s-Hertogenbosch in 2050 is vertaald in vier ambities: 1. Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving; 2. CO2-neutrale gemeente; 3. Waardebehoud van grondstoffen; 4. Duurzame mobiliteit. Per ambitie is in de Nota Duurzaamheid beschreven wat de gemeente wil bereiken en hoe dit wordt gemonitord. Daarnaast is ter inspiratie een aantal goede voorbeelden opgenomen. De verstedelijkingsopgave voor gemeente ’s-Hertogenbosch ziet onder meer op het bieden van voldoende en kwalitatief goede huisvesting voor verschillende doelgroepen. Daarbij is van belang dat, zeker in geval van nieuwe initiatieven op het gebied van huisvesting en woningbouw, een gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving centraal staat. Het bouwen van één nieuwe woning is een kleinschalig initiatief. De duurzaamheidsimpact op gemeenteniveau is beperkt. De initiatiefnemer wil een duurzame en toekomstbestendige nieuwe woning te realiseren, en op die manier een bijdrage te leveren aan een duurzamer ’s-Hertogenbosch.

Bij het ontwerp van de nieuwe woning wordt rekening gehouden met energiezuinigheid en waar mogelijk circulair gebruik van bouwmaterialen. Dat kan door het deels toepassen van gebruikte materialen en door het toepassen van materialen met een lange levensduur die nadien hergebruikt kunnen worden. De woning krijgt geen aardgas aansluiting. In de ontwerpfase wordt het toepassen van zonnepanelen en een zonneboiler nader onderzocht. De natuurlijke inrichting van het westelijk deel van het perceel, met een bloemrijke weide, solitaire bomen, hagen en poel voor de opvang van hemelwater, draagt bij een klimaatbestendige leefomgeving. Daarnaast kunnen bij de bouw van de woning en de inrichting van het terrein een aantal aanvullende maatregelen genomen worden: In de nieuwe woning kunnen voorzieningen worden aangebracht die geschikt zijn als nestplaats voor huismus en verblijfplaats voor soorten als gewone dwergvleermuis en laatvlieger;  Terughoudend zijn met het toepassen van kunstlicht en het aanbrengen van kunstlicht dicht boven de grond en met afschermende armaturen, zodat het licht zo min mogelijk uitstraalt naar de omgeving. De initiatiefnemer overweegt bij de aanschaf van een nieuwe auto elektrisch te gaan rijden. In dat geval zal bij de nieuwe woning een eigen laadvoorziening worden aangevraagd.

Het rijden van een elektrische auto die wordt geladen door zonnepanelen op eigen dak, vormt een goed voorbeeld van duurzame mobiliteit.

5.6

Milieueffectrapportage

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten en zorgt er voor dat het milieubelang een volwaardige plaats krijgt in de besluitvorming. De m.e.r-procedure is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een m.e.r. moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. De achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r. worden opgesteld. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van een nieuwe woning mogelijk gemaakt, binnen een bestaande woonbestemming aan de rand van de kern Rosmalen.

Of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, wordt bepaald door het initiatief te toetsen aan de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. 40

De bouw van een nieuwe woning valt niet onder categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject). Om te bepalen of de voorgenomen ontwikkeling daadwerkelijk niet als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. moet worden beschouwd, moeten de concrete omstandigheden van het initiatief worden bekeken. Aspecten als aard en omvang van het initiatief spelen daarbij een rol. De concrete omstandigheden van het voorliggende initiatief zijn de bouw van een nieuwe woning, op het perceel dat momenteel als erf en tuin in gebruik is bij de woning Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan 6, aan de rand van de kern Rosmalen. Het plangebied is niet gelegen in beschermd natuurgebied en er bestaat geen risico op verontreiniging. De ontwikkeling leidt niet tot hinder voor de omliggende functies en er worden geen gevaarlijke stoffen of technologieën gebruikt. In deze toelichting bij het plan is onderbouwd dat er geen negatieve gevolgen zijn voor het milieu. Op basis van deze concrete omstandigheden is de conclusie dat het initiatief niet wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. Het is derhalve niet noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

5.7

Ecologie

5.7.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. 5.7.2 Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

41

5.7.3 Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is eveneens in de Wet natuurbescherming geregeld. In deze wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels in de zin van de Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten uit de Habitatrichtlijn en voor overige soorten. Het is verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplanting- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield en beschermde plantensoorten mogen niet worden vernield. Het plangebied is gelegen aan de rand van de kern Rosmalen en momenteel in gebruik als erf en tuin bij de woning Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan 6. Het plangebied wordt goed onderhouden en intensief gebruikt. Vanwege de ligging aan de rand van het stedelijk gebied en het intensieve gebruik, is de kans dat binnen het plangebied beschermde soorten voorkomen als nihil in te schatten. In gebruik zijnde nesten van algemene broedvogels, zoals mezen, merels en duiven, zijn beschermd en kunnen binnen de invloedsfeer van de bouwwerkzaamheden voorkomen. Er kan rekening gehouden worden met algemene broedvogels, door buiten het broedseizoen te werken. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. Ook kan als alternatief, indien toch binnen het broedseizoen gewerkt moet worden, vooraf een broedvogelcontrole worden uitgevoerd.

De initiatiefnemers hebben aan gespecialiseerd bureau Twisk Ecologisch Onderzoek opdracht gegeven voor het uitvoeren van een ecologische quickscan. De conclusie van het onderzoek is onderstaand integraal weergegeven. De uit te voeren werkzaamheden als het kappen van bomen en struiken en grondverzet kunnen leiden tot negatieve effecten op broedende vogels en daarmee tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Deze effecten zijn te voorkomen door de betreffende werkzaamheden uit te voeren buiten de periode dat broedende vogels aanwezig kunnen zijn. Dit is de periode tussen half maart en half september. Ook kan het grondverzet voor het inrichten van natuur, en met name de aanleg van de amfibieënpoel, leiden tot het vernielen van holen van konijn en bever. Dit is eveneens een overtreding van de Wet natuurbescherming. Dit is te voorkomen door voorafgaande aan deze werkzaamheden een terzake deskundig ecoloog te laten zoeken naar zulke holen en, indien deze aanwezig zijn, hier bij het graven van de poel rekening mee te houden. Dit kan betekenen dat de plaats van de poel aangepast moet worden.

Om overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van konijn en bever te voorkomen is het noodzakelijk tenminste twee weken voor het inrichten van de natuur in het zuidwestelijke deel van het plangebied een ecologisch werkprotocol op te stellen en deze werkzaamheden door een ter zake kundig ecoloog te laten begeleiden. Ten aanzien vanhet Natuurnetwerk Brabant vormen het aanleggen van het Natuur op het zuidwestelijk deel van plandeel waarop de woning wordt gerealiseerd, een uitwerking van de bestemming "Natuur" zoals benoemd in dit gebied.De volledige rapportage met de resultaten van de quickscan zijn opgenomen als Bijlage 5 bij deze toelichting. 5.7.4 Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een 42

Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Voor de aanleg- en de gebruiksfase van één vrijstaande woning aan de Burg. Joh. Van Heijdenlaan 8 te Rosmalen is in mei 2023 een stikstofdepositie berekening uitgevoerd (“Aerius berekening Burg. Joh. Von Heijdenlaan 8 te Rosmalen, Mureau Advies, 1 mei 2023, projectcode Ri6c4eoQcut”, Bijlage 6). In rapport zijn de berekeningen conform de meest recente AERIUS-Calculator (versie 2022.1_20230405_989cfb3815) uitgevoerd. De uitkomsten bedragen op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/jr. Het projecteffect bedraagt dus op alle rekenpunten in omliggende Natura 2000-gebieden ten hoogste 0,00 mol/ha/jaar. Er treden geen significante negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000-gebieden. Stikstof is geen belemmering voor de realisatie en gebruik van de nieuwe te bouwen vrijstaande woning. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.

5.8

Archeologie en cultuurhistorie

De kaders voor bescherming van de archeologische en cultuurhistorische waarden worden gevormd door de Erfgoedwet en het Bro. De Erfgoedwet (2016) bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. In het Bro is bepaald dat een ruimtelijk plan een beschrijving moet bevatten die weergeeft hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. 5.8.1 Archeologie De gemeenteraad heeft op basis van de archeologische verwachtingskaart op 15 juni 2010 het archeologiebeleid vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden in archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. Het volledige plangebied heeft op de archeologische beleidskaart de aanduiding ‘hoge archeologische verwachting’. Figuur 5.3 geeft dat weer.

43

fig. 5.3 Uitsnede archeologische beleidskaart, het plangebied is gesitueerd ter hoogte de gele ster Het archeologie beleid van gemeente ’s-Hertogenbosch is vertaald in dubbelbestemmingen in het vigerende bestemmingsplan. Ter plaatse van het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Deze dubbelbestemming is in het voorliggende bestemmingsplan overgenomen, zodat de mogelijk aanwezige archeologische waarden planologisch beschermd blijven. In gebieden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ ligt de noodzaak voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek bij bouwplannen met een oppervlakte groter dan 50 m², waarbij de bodem dieper geroerd wordt dan 50 cm. Deze drempelwaarde wordt met de bouwmogelijkheden in dit bestemmingsplan overschreden. De initiatiefnemer heeft aan een gespecialiseerd bureau opdracht gegeven voor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek. De conclusie uit de rapportage met de resultaten van het onderzoek is onderstaand integraal weergegeven. De volledige rapportage is als Bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. Op grond van dit rapport heeft de gemeente 's-Hertogenbosch besloten niet in te stemmen met het advies om geen archeologisch vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan niet worden uitgesloten dat in het plangebied resten van Fort Frederik Hendrik aanwezig zijn.

Om die reden blijft de archeologische dubbelbestemming van het plangebied van toepassing. Met betrekking tot dit specifieke bouwplan worden ingrepen tot 50 cm -mv (huidig maaiveld) vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Indien ingrepen dieper dan 50 cm -mv gaan plaatsvinden dienen de werkzaamheden onder archeologische begeleiding te worden uitgevoerd. Voor dit onderzoek is een door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen verplicht. Eén en ander is in de regels vastgelegd. In algemene zin geldt dat indien tijdens de geplande werkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht geldt. 5.8.2 44

Cultuurhistorie

Naast de archeologische en bouwhistorische kenmerken van het plangebied, moeten ook de overige cultuurhistorische aspecten, zoals historisch geografische elementen in het bestemmingsplan worden betrokken. Om te bepalen of binnen het plangebied sprake is van cultuurhistorische elementen waarmee rekening gehouden dient te worden, is de provinciale cultuurhistorische waardenkaart geraadpleegd. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Figuur 5.4 geeft een uitsnede van de cultuurhistorische kaart weer.

fig. 5.4 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart PM Uit de cultuurhistorische waardenkaart volgt dat het plangebied is gelegen binnen de regio van provinciaal cultuurhistorisch belang ‘de Meierij’. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes en wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. Vanouds waren de randen van de beekdalen en de dekzandruggen de meest geschikte plek voor bewoning. De beekdalen zelf en de uitgestrekte broekgebieden waren te nat om te wonen of om akkerbouw te bedrijven. Deze terreinen werden gebruikt als weide, hooiland of hakhout. Een van de beeldbepalende aspecten van de Meierij is de populierenteelt, aanvankelijk vooral in de vorm van weg- of perceelrandbeplanting, later ook in de vorm van populierenbosjes. In de Meierij zijn verschillende kastelen, abdijen en kloosters gebouwd. Nog veel rijker is het gebied aan landgoederen, buitenplaatsen en statige villa’s, vooral in de omgeving van ’s-Hertogenbosch. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. De grote stedelijke gebieden van ’s-Hertogenbosch, Eindhoven en Tilburg zijn met elkaar verbonden door een netwerk van snelwegen, provinciale wegen, kanalen en spoorlijnen.

Het voorliggende initiatief is kleinschalig van aard en kent niet het schaalniveau waarop de cultuurhistorische waarden ontwikkeld, behouden of versterkt kunnen worden om de regionale ambitie te verwezenlijken. De ligging binnen ‘de Meierij’ heeft derhalve geen invloed op het initiatief. Voor het overige zijn er geen cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen in de directe omgeving van het plangebied. Gemeente ’s-Hertogenbosch heeft voor de hele gemeente een inventarisatie laten uitvoeren van zichtbare cultuurhistorische elementen en relicten. In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende dijken, wegen en waterlopen die vaak al vele honderden jaren bestaan. De Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan heeft in het verleden een belangrijke militair-strategische functie gehad als onderdeel van de Stelling van 1629 en in de 19e eeuw als onderdeel van de Stelling van Hintham. Voor lijnelementen zoals wegen is het opnemen van een specifieke cultuurhistorische dubbelbestemming vaak niet nodig. Dat geldt met name als het lijnvormige element nog een infrastructurele functie heeft, zoals bij de Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan het geval is. Het initiatief een nieuwe woning te bouwen, doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarde van de weg. 45

46

Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten 6.1

Planmethode

Het bestemmingsplan 'Kanaalpark Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan 8' heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het bouwen en het gebruik van gronden, gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde binnen het plangebied. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de Wet ruimtelijke ordening, het Besluit ruimtelijke ordening (RO standaarden 2012), het Handboek digitale bestemmingsplannen van de gemeente 's-Hertogenbosch, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (inclusief het Besluit omgevingsrecht) en het bestemmingsplan 'Kanaalpark' (vastgesteld op 23 april 2013). Hierbij is gestreefd naar uniformering en standaardisering van de bestemmingen en bestemmingsregels.

6.2

Verbeelding

Op de verbeelding zijn de bestemmingen en de aanduidingen met kleuren, cijfer- en lettercombinaties en vlakken aangegeven. De kleuren, cijfer- en lettercombinaties en vlakken dienen in samenhang met de bestemmingsplanregels te worden gelezen.

6.3

Regels

De bestemmingsplanregels zijn gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en het bestemmingsplan 'Kanaalpark'. De bestemmingsplanregels zijn verdeeld over vier hoofdstukken, te weten:    

hoofdstuk 1: inleidende regels; hoofdstuk 2: bestemmingsregels; hoofdstuk 3: algemene regels; hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels.

6.3.1 Inleidende regels De artikelen in hoofdstuk 1 van de bestemmingsplanregels hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan. Deze bepalingen gelden voor alle bestemmingen.

47

6.3.2 Bestemmingsregels Dit hoofdstuk omvat een toelichting op de in het plangebied voorkomende bestemmingen. In het plangebied komen de bestemmingen 'Natuur', 'Wonen' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Groenblauwe Mantel' voor. Artikel 3 Natuur: Deze bestemming betreft een strook grond aan ten westen van de kavel waar de woning is gepland. Voorheen lag hier nog een bestemming 'Wonen'. De strook grond is bedoeld om onder andere te voorzien in de waterhuishoudkundige oplossing voor het perceel aan de Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan 8. Gezien de functies zijn gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in zeer beperkte mate en onder voorwaarden toegestaan. In Bijlage 1 behorende bij de regels is het inrichtingsplan meegenomen dat de inrichting van deze bestemming verder inkleurt. Deze bestemming is, voor de planologische bescherming van de (aan te leggen) natuur, ook neergelegd op de overige percelen waar de kwaliteitsbijdrage voor de betreffende woning plaatsvindt. Artikel 4 Wonen: In het bestemmingsplan is aan het woonperceel Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan 8 de bestemming 'Wonen' gegeven. Het bouwvlak mag voor 100% worden bebouwd. De maximum goot- en bouwhoogte zijn op de verbeelding weergegeven. Daarnaast is het maximum aantal woningen in bouwvlak op de verbeelding weergegeven.

Binnen de bestemming 'Wonen' is, ter waarborging van de verplichte aanleg van natuur op eigen terrein, de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat voorafgaand aan de bouw de natuur op eigen terrein conform het inrichtingsplan zoals opgenomen in Bijlage 1 behorende bij de regels moet zijn aangebracht. Bovendien is het gebruik van het woonperceel ten behoeve van wonen enkel toegestaan als binnen 1 jaar na datum verlening omgevingsvergunning, de natuur op eigenterrein, conform het inrichtingsplan zoals opgenomen in Bijlage 1 behorende bij de regels, is aangelegd, onderhouden en in stand wordt gehouden. Artikel 5 Waarde - Archeologie 1 Zoals in paragraaf 5.8.1 geconcludeerd kan op basis van het uitgevoerde onderzoek niet worden uitgesloten dat in het plangebied resten van Fort Frederik Hendrik aanwezig zijn. Ter bescherming van de eventuele archeologische waarden in de ondergrond is in de regels de archeologische dubbelbestemming Waarde Archeologie 1 opgenomen, zoals deze nu al op het plangebied van toepassing is. Artikel 6 Waarde - Groenblauwe mantel Gronden met de dubbelbestemming Waarde - Groenblauwe mantel zijn bestemd voor het behoud, herstel en de duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de gronden.

In de bestemming is een vergunningplicht opgenomen voor het uitvoeren van onder andere grondwerkzaamheden zoals afgraven. Uitzondering op de vergunningplicht betreft het normale beheer en onderhoud. 6.3.3 Algemene regels In de algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkingsregels en algemene procedureregels opgenomen. Deze algemene regels gelden voor het gehele bestemmingsplan. 6.3.4 Overgangs- en slotregels Dit vierde en laatste hoofdstuk bevat het overgangsrecht en de slotregel.

48

Hoofdstuk 7 Financiële haalbaarheid Uit de Wet ruimtelijke ordening volgt dat de gemeente de onderzoeksverplichting heeft om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen. De grondexploitatiewet, die is opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening, regelt voor een bestemmingsplan als de onderhavige verplicht kostenverhaal door de gemeente. Van een exploitatieplan kan worden afgeweken door in het kostenverhaal anderszins te voorzien (anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer(s) of volledig grondeigendom). Aangezien in voorliggend geval het kostenverhaal zal worden vastgelegd door middel van een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer, kan de vaststelling van een exploitatieplan achterwege blijven. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen.

49

50

Hoofdstuk 8 Maatschappelijke haalbaarheid 8.1

Omgevingsdialoog

Voorafgaan aan het initiatief zijn meerdere dialogen met de omgeving gevoerd. Gelet op het project en de impact op de omgeving zijn alleen de direct aanwonenden, zijnde de bewoners aan de adressen Burgemeester Jhr. Von Heijdenlaan 2, 4, en 11 en Burgemeester Mazairaclaan 34, betrokkenen bij het plan. De initiatiefnemer woont op het adres Burgemeester Jhr. Von Heijdenlaan 6. De eerste gesprekken met de omgeving hebben plaatsgevonden in oktober 2020. In maart 2022 hebben de tweede gesprekken plaatsgevonden en in juli 2022 de laatste gesprekken. De bewoonster van Burgmeester Jhr Von Heijdenlaan 2 was toen verhuisd. Tijdens de gesprekken zijn schetsen van de beoogde woningen en indeling van het perceel getoond. De indeling is vanwege de ligging van het Natuur Netwerk Brabant ten opzichte van het eerste plan gewijzigd. De woning wordt meer aansluitend op de bestaande bebouwing geplaatst. Deze wijziging is in de latere dialogen aan de omgeving voorgelegd. Uit de verslagen van de dialogen en de reacties van de omwonenden op de verslagen valt af te leiden dat de plannen voldoende zijn besproken. Het initiatief is door de omgeving redelijk positief ontvangen. Alleen de bewoners van de tegenover gelegen woning hadden wat aandachtspunten.

Zo is de voorkeur van de bewoners om de woning in een landelijke stijl vorm te geven, de woning zo laag mogelijk te bouwen om inkijk in hun woning zoveel mogelijk te beperken en de bomen langs de bestaande weg te behouden.Uitzondering kan worden gemaakt voor één boom te hinderlijk aanwezig is gezien de locatie van de toekomstige woning en de geplande uitweg. De initiatiefnemers houden in hun ontwerp zoveel mogelijk rekening met deze aandachtspunten. De omgeving kan zich indenken dat terplaatse een woning wordt gebouwd. Initiatiefnemers hebben aangegeven met de omgeving in contact te blijven. Het eindverslag van de omgevingsdialoog is te lezen in Bijlage 8 van de toelichting.

8.2

Vooroverleg

8.2.1 Inleiding Het voorontwerp bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk vooroverleg voor advies voorgelegd aan de Provincie en het Waterschap.

51

8.2.2 Vooroverleg reactie provincie De provincie geeft in haar reactie aan dat het plan in grote lijnen in overeenstemming is met het provinciaal beleid. Wel mist zij op enkele onderdelen nog een onderbouwing. Het gaat om een onderbouwing van de locatie, de berekening van de tegenprestatie en het aanleggen van natuur. Onderbouwing van de locatie (rood voor groen) De aanvaardbaarheid van de woning op deze locatie is in de toelichting voldoende beschreven. De provincie is echter van mening dat met de toevoeging van deze woning de draagkracht van rood/verstening in dit gebied is bereikt. Meer verstening in de omgeving is niet wenselijk. Antwoord: De locatie voor de woning was al bekend bij het in procedure brengen van het bestemmingsplan Kanaalpark. Het betreft een afronding van de (lint)bebouwing aan de Burgemeester Jonkheer Von Heijdenlaan richting het Kanaalpark. Al tijdens de totstandkoming van het bestemmingsplan Kanaalpark en de daaraan verbonden "Rood voor Groen"-regeling is al aangegeven dat meerdere bebouwing hier niet meer wenselijk is. De toelichting is hierop aangevuld in paragraaf 4.3.2. Met de toevoeging van deze woning is stedelijke ontwikkeling op deze locatie afgerond. Tegenprestatie De provincie betreurt het dat de percelen waarop de tegenprestatie in de vorm van waarborging van natuur en de aanleg nieuwe natuur zijn versnipperd.

Antwoord: De percelen grenzen aan het bestaande Natuur Netwerk Brabant (NNB). Ondanks de versnipperde ligging wordt het NNB hierdoor rubuuster. In de toelichting is niet voldoende en concreet inzichtelijk gemaakt op welke manier de tegenprestatie wordt geleverd. De provincie ziet graag een overzicht van de percelen met oppervlakte en de daarbij behorende afwaardering. In de bijlage "Landschappelijke Inpassing Burgemeester Jhr Von Heijdenlaan (ong)" wordt gesproken over een gevraagde kwaliteitsverbetering van € 93.750,-- terwijl de tegenprestatie € 125.000,-voor de woning dient te zijn. Antwoord: De toelichting is aangevuld met Bijlage 2 waarin de onderbouwing van de tegenprestatie is weergegeven. In de bijlage "Landschappelijke Inpassing Burgemeester Jhr Von Heijdenlaan (ong)" stond inderdaad nog verkeerde bedragen. Deze zijn aangepast. Onderbouwing berekening tegenprestatie In de bijlage "Landschappelijke Inpassing Burgemeester Jhr Von Heijdenlaan (ong)" zijn een aantal posten als tegenprestatie opgenomen die niet of maar gedeeltelijk in de berekening mogen worden opgevoerd. Het gaat dan om de posten:  kosten voor beheer (deze mogen maar voor maximaal 6 jaar worden meegenomen);  de kosten voor planvorming (deze mogen niet worden meegenomen);  de kosten voor de indexering van 8 jaar (deze mogen ook niet worden meegenomen).

Antwoord: In Bijlage 1 is de berekening conform het advies aangepast. Aanleggen Natuur De provincie vraagt inzichtelijk te maken op welke manier de aanleg van natuur en de instandhouding van de natuur op de aangedragen percelen is gewaarborgd. Antwoord: De natuur op de gemeentelijke gronden is al aangelegd of zal, door middel van de kwaliteitsbijdrage die dit plan met zich meebrengt, worden aangelegd. De percelen krijgen in dit bestemmingsplan de bestemming "Natuur". Het is ingevolge dit bestemmingsplan verboden deze gronden anderszins te gebruiken dan wat de voorschriften staat vermeld. Daarmee mag het alleen gebruikt worden als en voor:  ecologische verbindingszone met waterlopen;  natuurgebied;  behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken;  water en waterhuishoudkundige voorzieningen;  extensief recreatief medegebruik; Daarmee is de instandhouding van de natuur planologisch juridisch geregeld. 52

Voor de aanleg en instandhouding van natuur op particulier terrein (het perceel van de initiatiefnemer), heeft dit deel van het perceel de bestemming "Natuur" gekregen en zijn in de regels onder de bestemming "Wonen" voorwaardelijke verplichtingen opgenomen, welke zijn verbonden aan bouwen en het gebruik. In artikel 4.2.6 staat dat voorafgaand aan de bouw van de woning de natuur moet zijn aangelegd. Daarmee is de aanleg van de natuur gewaarborgd. In artikel 4.5.2 staat dat het woonperceel alleen mag worden gebruikt voor wonen als de aangelegde natuur in stand blijft. Daarmee is ook de aanleg en instandhouding van de natuur op het particuliere terrein juridisch planologisch gewaarborgd. 8.2.3 Vooroverleg reactie waterschap Na de planbeschrijving te hebben beoordeeld, heeft het waterschap geconcludeerd dat zij geen opmerkingen heeft op het betreffende planvoornemen. Binnen het plangebied zijn geen ruimtelijke waterschap belangen van toepassing. 8.2.4 Conclusie Vooroverleg Na aanpassing van het bestemmingsplan, indachtig het advies van de provincie, kan deze verder als ontwerp in procedure worden gebracht.

8.3

Ontwerp bestemmingsplan fase

8.4

Conclusie maatschappelijke haalbaarheid

53

54

Bijlagen bij Toelichting

55

56

Bijlage 1 Landschappelijk Inpassingsplan Burgemeester Jhr. Von Heijdenlaan (ong.) Rosmalen

57

58

Bijlage 2 Berekening Landschapsinvesteringen woning Burgemeester Jonkheer Von Heijdenlaan 8

59

60

Bijlage 3 Akoestisch onderzoek Burgemeester Jhr Von Heijdenlaan

61

62

Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek Burgemeester Jhr Von Heijdenlaan 8

63

64

Bijlage 5 Quickscan Natuur Jhr. Von Heijdenlaan 8

65

Burgemeester

66

Bijlage 6 Stikstofberekening Jhr. Von Heijdenlaan 8

67

Burgemeester

68

Bijlage 7 Archeologisch onderzoek Burgemeester Jhr. Von Heijdenlaan 8

69

70

Bijlage 8 Eindverslag omgevingsdialoog

71

72

Regels

73

74

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan Kanaalpark Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan 8 met identificatienummer NL.IMRO.0796.0002511-1301 van de gemeente 's Hertogenbosch; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijk uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie; 1.4 aanbouw een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.5 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7 aaneengebouwde woning een woning die deel uitmaakt van een bouwmassa bestaande uit drie of meer woningen, niet zijnde gestapelde woningen;

75

1.8 achtererfgebied erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen; 1.9 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.10 bebouwingspercentage een op de kaart of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwvlak, bestemmingsvlak of bouwperceel aangeeft, dat maximaal bebouwd mag worden; 1.11 bedrijfswoning een woning die een functionele binding heeft met het bedrijf, de instelling of de inrichting, ten behoeve van beheer en/of toezicht op het bedrijf, de instelling of de inrichting; 1.12 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.13 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.14 bijgebouw een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Een bijgebouw kan zijn een aangebouwd bijgebouw in de vorm van een aanbouw of een uitbouw, dan wel een vrijstaand bijgebouw; 1.15 bouwen plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten; 1.16 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.17 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijk omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en/of zolder; doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd; 1.18 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.19 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel;

76

1.20 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.21 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.22 dak iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.23 dakopbouw een gedeelte van een gebouw, gesitueerd op de bovenste bouwlaag van een gebouw, met een oppervlakte van maximaal 60% van de oppervlakte van de bovenste bouwlaag en een afstand van minimaal 1 meter tot de voorgevel; 1.24 dove gevel een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte; 1.25 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet

verbieden; 1.26 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.27 geluidgevoelige ruimte geluidsgevoelige ruimte: ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon-, of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van ten minste 11 m2; 1.28 geschakelde woning een woning die met een andere woning verbonden is door middel van aan- of bijgebouwen, niet zijnde gestapelde woningen; 1.29 gestapelde woning een woning die geheel of gedeeltelijk boven/onder een andere woning is gelegen; 1.30 hoekperceel een perceel, gelegen aan een hoek van twee wegen c.q. het openbaar gebied;

77

1.31 hoofdgebouw gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.32 huishouden Een persoon, of groep personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert. Indien het huishouden uit 2 of meer personen bestaat, betreft het een leefvorm of samenlevingsvorm met continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid. Kamerverhuur valt niet onder het begrip 'huishouden'. 1.33 huisvesting in verband met mantelzorg huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning; 1.34 inwoning Medegebruik door maximaal twee personen door bewoning van (een) kamer(s), die onderdeel uitmaakt/uitmaken van een woning, die door een ander huishouden in gebruik is; 1.35 kamerverhuur / verkameren Het al dan niet bedrijfsmatig verhuren of aanbieden van kamers binnen een woning, niet zijnde inwoning, waarbij kamers geen zelfstandige woonruimte vormen door het ontbreken van wezenlijke voorzieningen zoals een eigen kook- en/of wasgelegenheid en/of toilet; 1.36 kap de volledige of nagenoeg volledige afdekking van een gebouw in een gebogen vorm danwel met een dakhelling van ten minste 15°

en ten hoogste 75°; 1.37 lessenaarsdak een eenzijdige kapconstructie waarbij het hoogste punt over de gehele, of nagenoeg de gehele lengte in één gevel is gelegen; 1.38 mantelzorg intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond; 1.39 nok het snijpunt van twee hellende vlakken. daknok: hoogste punt van een schuin dak; dakvoet: laagste punt van een schuin dak;

78

1.40 openbaar toegankelijk gebied weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer; 1.41 opgetilde kap een kap waarbij tussen het hoogste punt van de bovenste bouwlaag en de punten waar de kap op het gebouw rust, nog bebouwing in verticale zin aanwezig is; er is slechts sprake van een opgetilde kap als het aantal bouwlagen zoals aangeduid reeds aanwezig is; 1.42 twee-aaneenwoning een woning die onderdeel uitmaakt van een bouwmassa bestaande uit twee woningen, niet zijnde gestapelde woningen; 1.43 voorerfgebied erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied; 1.44 voorgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen; 1.45 voorgevelrooilijn a. langs een wegzijde met een regelmatige ligging of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a.

bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn op 10 meter uit de as van de weg;

1.46 wonen Het gehuisvest zijn in een woning; 1.47 woning Een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, al dan niet in combinatie met inwoning door maximaal twee personen. Een woning heeft een eigen toegang en de bewoner(s) kan/kunnen deze bewonen, zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woning. 1.48 woonwagen voor bewoning bestemd gebouw dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst en op een daartoe bestemd perceel is geplaatst; 1.49 zelfstandige woonruimte Zie definitie 'woning'. 1.50 zijgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een gebouw tot aan de perceelgrenzen;

79

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.2 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.3 de goothoogte van een bouwwerk: a. vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; b. de goothoogte van een lessenaarsdak wordt bepaald vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel van de laagste zijde van de kap. 2.4 de hoogte van een dakopbouw: vanaf de afdekking van de bovenste bouwlaag tot aan het hoogste punt van de dakopbouw. 2.5 de hoogte van een kap: vanaf de bovenkant goot, boeibord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel tot aan het hoogste punt van de kap. 2.6 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.7 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk of ingeval dat geen gevelvlakken of scheidingsmuren aanwezig zijn, de oppervlakte vanaf de buitenzijde van het dak neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.8 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen. 2.9 peil: a. voor een hoofdgebouw met aangebouwde bijgebouwen: de hoogte van de kruin van de aan het bouw perceel grenzende weg; b. voor andere gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw.

80

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3

Natuur

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. 3.2

ecologische verbindingszone met waterlopen; natuurgebied; behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; extensief recreatief medegebruik; Bouwregels

3.2.1 Gebouwen Op of in deze grond mogen geen gebouwen worden gebouwd. 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Binnen deze bestemming mogen bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen: a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 meter bedragen; 3.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren: 1. het ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen en ophogen van gronden; 2. het aanplanten of kappen van bomen en/of houtgewassen; 3. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen met een oppervlakte van meer dan 200 m2; 4. het aanleggen van verharde en halfverharde wegen en paden; 5. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief medegebruik en het educatief medegebruik; 6. het aanleggen van ligplaatsen voor vaartuigen; 7. het aanbrengen van drainage; 81

8. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport -, energie – en/of communicatieleidingen. b. Het onder a. vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke 1. het normale onderhoud betreffen; 2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. c. De onder a. genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurwetenschappelijke en/of landschappelijke - en cultuurhistorische waarden van de gronden.

82

Artikel 4

Wonen

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. 4.2

wonen in de vorm van woningen, niet zijnde woonwagens; aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten als bedoeld in 4.5.3; huisvesting in verband met mantelzorg; tuinen, erven en terreinen; aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen, zoals water en waterhuishoudkundige voorzieningen, groen en groenvoorzieningen, parkeer- en verkeersvoorzieningen. Bouwregels

4.2.1 Algemeen Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. er mogen uitsluitend gebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd; b. er moet voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen worden gerealiseerd, met inachtneming van de normen in de beleidsregels die in de 'Nota Parkeernormering 2021' zijn neergelegd; c. als de beleidsregels als bedoeld onder b wijzigen, wordt met die wijziging rekening gehouden; d. het is verboden een woning te splitsen in meerdere woningen. 4.2.2 Zelfstandige woonruimte in aan- en/of bijgebouw, inwoning in vrijstaande bijgebouwen Het is verboden een aan- en/of bijgebouw om te bouwen tot één of meer zelfstandige woningen. 4.2.3 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. b. c. d. e.

de hoofdgebouwen moeten binnen een bouwvlak worden gebouwd; een bouwvlak mag volledig worden bebouwd; ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd; het maximaal aantal woningen is op de verbeelding aangegeven; de minimale afstand van de hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens is: 1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' aan beide zijden 3 meter; 2. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' aan één zijde 3 meter; f. de maximale bouwhoogte is op de verbeelding aangegeven; g. de maximale goothoogte is op de verbeelding aangegeven; 4.2.4 Bijgebouwen en overkappingen Voor het bouwen van bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. bijgebouwen en overkappingen mogen binnen het bouwvlak en in het achtererfgebied worden gebouwd; b. voor bijgebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak gelden de bouwregels in 4.2.3; c. voor bijgebouwen en overkappingen in het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, gelden de regels onder d tot en met k; d. het maximale bebouwingspercentage van het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, is 50%; e. van het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, moet een aaneengesloten oppervlakte van minimaal 25 m² onbebouwd blijven; f.

de maximale gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken in het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, is 75 m², onverminderd van het bepaalde onder d; g. als de oppervlakte van het bouwperceel groter is dan 750 m² en de oppervlakte van het bouwperceel achter het bouwvlak groter is dan 200 m², dan is de maximale gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken in het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, 10% van de oppervlakte van het bouwperceel, tot in totaal 100 m², onverminderd van het bepaalde onder d; h. de maximale bouwhoogte is 3 meter; i. als met hellende dakvlakken wordt gebouwd, is de maximale goothoogte 3 meter, de maximale bouwhoogte 4,5 meter en de maximale dakhelling 50°; 83

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13085127/1