CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a Ontwerpbestemmingsplan Kanaalpark Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan 8 toelichting en regels

Gemeenteraad 10 oktober 2023, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Kanaalpark Burgemeester Jonkheer Von Heijdenlaan 821.140 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

j.

k.

bijgebouwen en overkappingen met één hellend dakvlak mogen uitsluitend worden gebouwd als een aanbouw tegen de zij- en/of achterkant van het hoofdgebouw (aankapping); hierbij is de maximale goothoogte 3 meter, de maximale bouwhoogte 4,5 meter en moet het hoogste punt tegen de zij- en/of achterkant van het hoofdgebouw worden gesitueerd; dakterrassen zijn niet toegestaan.

4.2.5 Bouwwerken geen gebouwen of overkappingen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, gelden de volgende regels: a. bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, mogen, met uitzondering van erfafscheidingen, uitsluitend binnen het bouwvlak en in het achtererfgebied worden gebouwd; b. het maximale bebouwingspercentage van het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, is 50%; c. de maximale gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken in het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, is 75 m², onverminderd van het bepaalde onder b; d. als de oppervlakte van het bouwperceel groter is dan 750 m² en de oppervlakte van het bouwperceel achter het bouwvlak groter is dan 200 m², dan is de maximale gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken in het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, 10% van de oppervlakte van het bouwperceel, tot in totaal 100 m², onverminderd van het bepaalde onder b; e. de maximale bouwhoogte van erfafscheidingen op en voor de voorgevelrooilijn is vanaf de voet gemeten 1 meter; f. de maximale bouwhoogte van erfafscheidingen achter de voorgevelrooilijn is vanaf de voet gemeten 2 meter; g. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 meter. 4.2.6 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing, bouwen a.

Voor het oprichten van bebouwing ter plaatse van de voor 'Wonen' aangewezen gronden geldt de voorwaardelijke verplichting dat dit alleen is toegestaan als de landschappelijke inpassing binnen de bestemming 'Natuur' op eigen terrein is uitgevoerd conform het "Landschappelijk Inpassingsplan Burg. Jhr. Von Heijdenlaan (ong.) Rosmalen", zoals opgenomen in Bijlage 1 behorende bij deze regels. 4.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van: a. b. c. d. e. 4.4

een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de sociale veiligheid; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; Afwijken van de bouwregels

4.4.1 Bijgebouwen en overkappingen a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.4 onder a voor een bijgebouw, of overkapping in het voorerfgebied, onder de volgende voorwaarden: 1. de maximale gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken in het voorerfgebied is 25 m²; 2. de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven mag niet onevenredig worden aangetast; 3. de stedenbouwkundige opzet van de omgeving mag niet onevenredig worden aangetast. 4. als een bijgebouw of overkapping naast de zijgevellijn van het hoofdgebouw op hoekperceel wordt gebouwd, gelden ook de volgende voorwaarden:  het bijgebouw of de overkapping moet worden gebouwd achter de denkbeeldige (verlengde) lijn die het snijpunt van de voorgevellijn en de zijgevellijn raakt en die ligt onder een hoek van 45° ten opzichte van de voorgevellijn maar die niet door het bouwvlak van het betreffende hoofdgebouw heen gaat;  de voorgevel van een aangebouwd bijgebouw moet evenwijdig zijn aan de voorgevel van de hoofdbebouwing;  de maximale breedte van een aangebouwd bijgebouw is 3 meter;  er kunnen nadere eisen worden gesteld aan de minimale afstand van het bijgebouw tot de naar de openbare weg gekeerde zijdelingse perceelsgrens vanuit het belang van de stedenbouwkundige opzet van de omgeving, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden, bezonning en het uitzicht van de

naastgelegen erven. 84

b. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.4 onder e, voor een kleiner onbebouwd deel van het achtererfgebied, onder de volgende voorwaarden: 1. het achtererfgebied, niet zijnde het bouwvlak, is kleiner dan 50 m²; 2. de oppervlakte van het hoofdgebouw is kleiner dan 40 m²; 3. de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven mag niet onevenredig worden aangetast; 4. de stedenbouwkundige opzet van de omgeving mag niet onevenredig worden aangetast. c. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.4 onder i en h voor een bouwhoogte tot 5,5 meter, onder de volgende voorwaarden: 1. het bijgebouw of de overkapping ligt naast en tussen hoofdgebouwen; 2. de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven mag niet onevenredig worden aangetast; 3. de stedenbouwkundige opzet van de omgeving mag niet onevenredig worden aangetast. d. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.4 onder k voor een dakterras op een bijgebouw of een overkapping, onder de volgende voorwaarden: 1. de woonkamer ligt op de eerste verdieping; 2. de privacy van de naastgelegen erven mag niet onevenredig worden aangetast. 4.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a.

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.5 onder a voor een bouwwerk, geen gebouw of een overkapping zijnde, in het voorerfgebied, onder de volgende voorwaarden: 1. de maximale gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken in het voorerfgebied is 25 m²; 2. de maximale bouwhoogte is 3 meter; 3. de bezonning en het uitzicht van de naastgelegen erven mag niet onevenredig worden aangetast; 4. de stedenbouwkundige opzet van de omgeving mag niet onevenredig worden aangetast. b. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.5 onder e voor een hogere erfafscheiding, onder de volgende voorwaarden: 1. de maximale bouwhoogte van een erfafscheiding op en/of voor de voorgevelrooilijn is vanaf de voet gemeten 1,5 meter; 2. de maximale bouwhoogte van een erfafscheiding achter de voorgevelrooilijn is vanaf de voet gemeten 2,5 meter; 3. de erfafscheiding heeft een open, pergola-achtige constructie. 4.5

Specifieke gebruiksregels

4.5.1 Strijdig gebruik Tot een met het plan strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in ieder geval gerekend: a. aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten die publieksaantrekkend zijn; b. het gebruik van aan- en/of bijgebouwen als zelfstandige woning en het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor inwoning. Mantelzorg valt hier niet onder; c. kamerverhuur; d. het splitsen van een woning 4.5.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing, gebruik a. Voor het gebruik van gronden, gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, ter plaatse van de voor 'Wonen' aangewezen gronden, geldt de voorwaardelijke verplichting dat, uiterlijk 1 jaar na verlening van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ten behoeve van een woning, wonen alleen is toegestaan als op eigen terrein, binnen de bestemming 'Natuur', de landschappelijke inpassing is uitgevoerd, duurzaam beheerd en in stand wordt gelaten, conform het "Landschappelijk Inpassingsplan Burg. Jhr. Von Heijdenlaan (ong.) Rosmalen" zoals opgenomen in Bijlage 1 behorende bij deze regels .

85

4.5.3 Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit Een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit als bedoeld in 4.1 onder b moet voldoen aan de volgende voorwaarden: a. de beroeps- of bedrijfsactiviteit moet ondergeschikt zijn aan de woonfunctie: maximaal 35% van de vloeroppervlakte van de woning en de bijgebouwen samen mag voor de beroeps- of bedrijfsactiviteit worden gebruikt, tot in totaal 50 m2; b. de beroeps- of bedrijfsactiviteit moet naar aard, omvang en uitstraling passen in de woonomgeving; c. de beroeps- of bedrijfsactiviteit mag niet vergunningplichtig zijn volgens artikel 2.1 lid 1 sub e van de Wabo en niet meldingplichtig volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer; d. degene die de beroeps- of bedrijfsactiviteit uitoefent, moet bewoner van de woning zijn; e. horeca en detailhandel zijn niet toegestaan, met uitzondering van beperkte detailhandel als ondergeschikte functie van de beroep- of bedrijfsactiviteit en onder de voorwaarde dat te koop aangeboden goederen en/of producten een relatie hebben met de beroeps- of bedrijfsactiviteit. 4.6 Afwijken van de gebruiksregels a.

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.5.1 voor het gebruik van ruimten binnen de woning en bijgebouwen voor een publieksaantrekkende beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis, onder de voorwaarden als bepaald in 4.5.3 en onder de voorwaarde dat het gebruik niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeers- en parkeersituatie. b. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.5.3 onder c voor het gebruik van ruimten binnen de woning en bijgebouwen voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit die meldingplichtig is volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer, onder de voorwaarde dat de beroeps- of bedrijfsactiviteit naar aard, omvang en uitstraling past in de woonomgeving: bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de afwijking moet vaststaan dat een goed woon- en leefklimaat op omliggende woonpercelen gegarandeerd is.

86

Artikel 5

Waarde - Archeologie 1

5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en te verwachten archeologische waarden. 5.2 Bouwregels Voor het bouwen geldt dat binnen deze dubbelbestemming geen bouwwerkzaamheden zijn toegestaan, met een grondoppervlakte groter dan 50 m² en dieper dan 0,50 meter beneden maaiveld. 5.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2 voor bouwwerkzaamheden groter dan 50 m² en dieper dan 0,50 m, onder de volgende voorwaarden: a. er moet een door deskundigen opgesteld rapport worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd; b. als uit het rapport onder a blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door de bouwwerkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning een of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting tot het laten begeleiden door een erkend archeoloog van de bouwwerkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring; c.

een rapport onder a is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het bepaalde onder b is overeenkomstig van toepassing. 5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden of het slopen van een bouwwerk 5.4.1 Vergunningplicht a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: 1. grondwerkzaamheden groter dan 50 m² en dieper dan 0,50 meter beneden maaiveld, zoals afgraven, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage; 2. graven, dempen dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; 3. aanleggen van leidingen dieper dan 0,50 meter beneden maaiveld; 4. slopen van bouwwerken en/of funderingen; 5. alle overige bodemverstorende werkzaamheden die de archeologische waarden kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein. b. Het verbod onder a geldt niet voor werken of werkzaamheden: 1. die het normale onderhoud en beheer van de leiding betreffen; 2. die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt in uitvoering zijn; 3.

die mogen worden uitgevoerd op grond van een geldige vergunning. 4. die door deskundigen worden verricht in het kader van archeologisch onderzoek als bedoeld onder e. c. Het verbod onder a geldt niet als op grond van de Erfgoedwet, de Monumentenwet of de Monumentenverordening een vergunning is vereist of als overige bepalingen van de Monumentenwet van toepassing zijn op grond van een aanwijzing als archeologisch monument. d. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. e. Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend, nadat een door deskundigen opgesteld rapport 87

overlegd wordt, waarin de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd. f. Als uit het rapport onder e blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door de bouwwerkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning een of meer van de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een erkend archeoloog. g. Een rapport onder e is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Het bepaalde onder f is overeenkomstig van toepassing. 5.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door deze bestemming te laten vervallen als uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig of niet langer aanwezig zijn.

88

Artikel 6

Waarde - Groenblauwe mantel

6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Groenblauwe mantel' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de gronden. 6.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden of slopen van een bouwwerk Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden, geen bouwwerkzaamheden, uit te voeren of te laten uitvoeren: 1. grondwerkzaamheden, zoals afgraven, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleg van drainage; 2. graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; 6.3 Uitzonderingen vergunningsplicht Het onder 6.2 opgenomen verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud; 6.4 Toetsingscriteria Een omgevingsvergunning als genoemd onder lid 6.2 kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het heersende watersysteem en ecologische en landschappelijke waarden van de gronden.

89

90

Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 7

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

91

Artikel 8

Algemene bouwregels

a. Bij de toepassing van de bouwregels in dit plan worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- c.q. bestemmingsgrenzen niet meer bedraagt dan 1 meter. b. Bouwwerken die op het moment van vaststelling van dit bestemmingsplan met een daartoe verleende vergunning binnen het plangebied aanwezig of opgericht zijn of kunnen worden opgericht maar die in strijd zijn met dit bestemmingsplan, worden geacht aan dit bestemmingsplan te voldoen. c. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen staat vast dat voldoende parkeergelegenheid voor auto's wordt gerealiseerd, overeenkomstig de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de Nota Parkeernormering 2016; d. Als de beleidsregels als bedoeld onder c wijzigen, wordt met die wijziging rekening gehouden

92

Artikel 9

Algemene gebruiksregels

a. Het is verboden de in deze bestemming begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken of in gebruik te geven of te laten gebruiken voor een doel of op een wijze strijdig met de bestemmingen van dit plan. b. Het gebruik van gronden en gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de bestemmingen in dit plan is uitsluitend toegestaan als voldoende parkeergelegenheid voor auto's wordt gerealiseerd en gehandhaafd, overeenkomstig de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de Nota Parkeernormering 2021. c. Als de beleidsregels als bedoeld onder b wijzigen, wordt met die wijziging rekening gehouden.

93

Artikel 10

Algemene afwijkingsregels

a. Het bevoegd gezag kan, mits het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast, met een omgevingsvergunning afwijken van de regels en de verbeelding: 1. voor een vermeerdering of vermindering van maten en normen tot 10% van die maten en normen; 2. voor een geringe afwijking van plaats en richting van bestemmingsgrenzen en bouwgrenzen als dit noodzakelijk is in verband met afwijkingen of onnauwkeurigheden van de verbeelding ten opzichte van de feitelijke situatie of in die gevallen waarin een rationele verkaveling van de gronden een geringe afwijking vergt; 3. voor een grotere bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en bouwwerken ten behoeve van verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer tot een bouwhoogte van 10 meter; 4. voor een grotere bouwhoogte van gebouwen vanwege plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, onder de volgende voorwaarden:  de maximale oppervlakte van de plaatselijke verhoging is 10% van het dakoppervlak;  de maximale hoogte van de plaatselijke verhoging is 4 meter. b.

Het bevoegd gezag wijkt met een omgevingsvergunning af van het bepaalde in Artikel 9, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

94

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

Artikel 11

Overgangsrecht

11.1 Overgangsrecht bouwwerken 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 11.2 Overgangsrecht gebruik 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2.

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

95

Artikel 12

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Kanaalpark Burgemeester Jonkheer von Heijdenlaan 8.

96

Bijlage bij Regels

97

98

Bijlage 1 Landschappelijk Inpassingsplan Burgemeester Jhr. Von Heijdenlaan (ong.) Rosmalen

99

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13085127/1