Bijlage 1a Loonsestraat 5 en Wolfdijk 2 Nuland Toelichting anoniem
Tekst van het document
In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra welke gevoelig zijn voor trillingen). Trillingen is een mee te nemen aspect in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening'. Weg- of railverkeer en bepaalde industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem naar gevoelige objecten. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder opleveren. Wegverkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. De aard en heftigheid van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig, de belading, snelheid en de oneffenheden waar het verkeer overheen rijdt. Ook treinverkeer kan zorgen voor trillingen. De snelheid en gewicht van treinen is hierbij een belangrijke factor bij het ontstaan van trillingen. Daarnaast zijn de eigenschappen van de trein (onder andere belading) en de interactie van de trein met de ondergrond van belang bij het ontstaan en doorgeven van trillingen naar de omgeving (de bodem). Het onderzoeksgebied van trillingen bij spoorwegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron. Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 200 meter van de spoorweg.
Daarnaast zijn er geen klachten bekend van de bewoners van het bedrijfswoningen binnen het plangebied. De compensatiewoning komt op grotere afstand van de spoorweg dan de huidige woningen binnen het plangebied. Overlast door trillingen is dan ook niet te verwachten.
4.1.5 Verlichting Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling. Bij onderhavig plan is lichthinder niet relevant te noemen, omdat er slechts enkele lantaarnpalen in de nabijheid van het plangebied staan. Deze lantaarnpalen zorgen voor een beperkte verlichting van de Loonsestraat en Wolfdijk. Bij de huidige woningen wordt momenteel geen overlast door lichthinder ervaren. De nieuw op te richten compensatiewoning wordt op een grotere afstand van de weg en lantaarnpalen gerealiseerd. Hinder door verlichting is derhalve niet te verwachten.
27
4.1.6 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit) Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit)
28
Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie. Toetsing beleidsvisie De beoogde ontwikkeling voorziet in het herbestemmen van een tweetal bedrijfswoningen naar een burgerwoning en het realiseren van een compensatiewoning. De bewoners worden als normaal zelfredzaam beschouwd. Deze objecten worden beschouwd als kwetsbaar object (naar analogie van het Bevi). Hiervoor zijn in het Uitvoeringskader EV, deel C de eisen geformuleerd. Deze eisen zijn vertaald in kleurenkaarten. De beoogde ontwikkeling vindt plaats in een oranje gebied. Beperkt kwetsbare objecten zijn hierin wel of niet toegestaan. Dit is afhankelijk van de hoogte van het groepsrisico en de beheersbaarheid.
Beschouwing risicobronnen In het volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen, buisleidingen en transportroutes weergegeven zijn.
Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). Nabij de locatie is een gasleiding gelegen. De gemeente heeft de risicoafstanden van de betreffende buisleidingen weergegeven op de gemeentelijke signaleringskaart. Deze is in de volgende figuur weergegeven. Hierop is te zien dat de locatie niet binnen de 100% letaliteitszone, maar binnen de 1% 29
letaliteitszone van de nabijgelegen leiding is gelegen.
Uitsnede signaleringskaart gemeente 's-Hertogenbosch. Bron: Gemeente 's-Hertogenbosch. De onderstaande risicobronnen zijn aanwezig in de nabijheid van de ontwikkeling: Hogedruik aardgastransportleiding (A-527-05) Spoorweg Nijmegen - 's-Hertogenbosch Het plangebied is gelegen binnen de invloedsgebieden van beide risicobronnen. HD-aardgasleiding A-527-05 Ten noorden van het plangebied ligt de HD-aardgasleiding A-527-05. Deze leiding heeft een werkdruk 66,2 bar en een diameter van 457 mm. Deze leiding heeft externe veiligheidsrisico’s voor de omgeving. Plaatsgebonden risico Uit de risicokaart blijkt, dat de leiding A-527-05 geen plaatsgebonden risicocontour heeft. Het plaatsgebonden risico van de leiding vormt derhalve geen belemmering voor het plan. Groepsrisico Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of de toename van het groepsrisico minder is dan 10% en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden of 30
personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Aan het tweede punt kan naar verwachting eenvoudig worden voldaan, omdat het plangebied is gelegen in het landelijk gebied (lage personendichtheid) en de toename van het aantal personen door het plan beperkt is. Daarom kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor deze leiding. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding. Het bij de diameter en druk van de leiding behorende invloedsgebied (1% letaliteit) bedraagt respectievelijk 240 meter. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de leiding. Derhalve dient in het kader van het plan een verantwoording van het groepsrisico voor de buisleiding door het bevoegd gezag afgelegd te worden. Spoorlijn Nijmegen - 's-Hertogenbosch Ten noorden van het plangebied is de spoorlijn Nijmegen - 's-Hertogenbosch gelegen. Over dit traject worden stoffen van de stofcategorieën A, B2, C3, D3 en D4 vervoerd. Deze spoorlijn heeft externe veiligheidsrisioc's voor de omgeving. Plaatsgebonden risico Uit de risicokaart blijkt, dat de spoorweg geen plaatsgebonden risicocontour heeft.
Het plaatsgebonden risico van deze transportroute vormt derhalve geen belemmering voor het plan. Groepsrisico Stoffen van de stofcategorie D4 kent het grootste invloedsgebied met 4.000 meter. Het plangebied valt hier binnen. Het groepsrisico dient, conform art. 7 Bevt, verantwoord te worden. Ook dient de veiligheidsregio om advies gevraagd te worden (art. 9 Bevt). Het plangebied valt niet binnen de 200 meter contour van de spoorlijn. Het groepsrisico hoeft daarom maar beperkt verantwoord te worden (art. 8, lid 1 Bevt). Dat wil zeggen dat er enkel ingegaan dient te worden op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Beperkte verantwoording groepsrisico Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van de hogedruk aardgastransportleiding en de spoorlijn Nijmegen - 's-Hertogenbosch dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hiertoe is eveneens advies ingewonnen bij de brandweer. Het advies van de brandweer is in onderstaande afweging verwerkt en is als bijlage 8 bij deze toelichting opgenomen. Personendichtheid en hoogte van het groepsrisico: Het plangebied is gelegen op afstand van de risicobronnen. Er is sprake van een zeer lage bevolkingsdichtheid en de toename van het aantal personen door het plan binnen het invloedsgebied van de risicobron is zeer beperkt.
Het groepsrisico zal naar verwachting niet boven de 10% van de oriëntatiewaarde uitstijgen. Mogelijkheden bestrijdbaarheid van een calamiteit: De bestrijdbaarheid wordt op twee aspecten beoordeeld: 1. Is het rampscenario te bestrijden? 2. Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren? De mate van bestrijdbaarheid van een calamiteit is afhankelijk van de opkomsttijd brandweer, de bereikbaarheid van de locatie calamiteit en de bluswatervoorziening in de omgeving van de calamiteit. 31
Bij een calamiteit met de HD-aardgasleidingen A-527-05 is het scenario fakkelbrand maatgevend. Voor het scenario fakkelbrand geldt, dat deze alleen geblust kan worden middels het afsluiten van de betreffende leiding(deel) door de leidingbeheerder. Het doven van het vuur na sluiting van de leiding neemt behoorlijk wat tijd in beslag. Middels het leggen van een waterscherm over de brandhaard kunnen de gevolgen van de fakkelbrand enigszins ingedamd worden. Hiervoor zijn wel aanzienlijke hoeveelheden water benodigd. Er onvoldoende bluswater binnen afzienbare tijd voorhanden is om te kunnen koelen waardoor secundaire branden als gevolg van een fakkelbrand niet kunnen worden geblust. De toekomstige bewoners moeten daarom geïnformeerd zijn over de mogelijke risico's, zodat zij dreiging kunnen herkennen en op de juiste manier kunnen handelen. De toekomstige bewoners zullen hierover, al dan niet tijdens de bezichtiging(en), worden geïnformeerd voordat de overdracht van de woning(en) plaatsvindt. Bij de spoorlijn Nijmegen - 's-Hertogenbosch is het vrijkomen van een toxische wolk het maatgevende scenario. Bij (zeer) toxisch gas is het scenario dat ten gevolge van een ongeval een gat in de tankwagen ontstaat. Het giftige gas verdampt direct en er ontstaat een gaswolk die zich snel met de wind mee verspreidt.
Bij een percentage aanwezige personen binnen het invloedsgebied van de toxische stof zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Effectbestrijding is mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Voor wat betreft het tweede aspect zal het optreden van de brandweer zich in eerste instantie beperken tot het evacueren van mensen en het afzetten van het gevarengebied. Daarna zal worden overgegaan tot het beperken van de omvang van de calamiteit binnen het plangebied. Tevens is een BLEVE een relevant scenario. Een BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de tank doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tank.
LPG komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. Bestrijding van een BLEVE vereist een goede bereikbaarheid en veel bluswater voor het koelen van de tank. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid: Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario (brand, explosie en/of toxische wolk). Bij een toxische wolk wordt nadrukkelijk geadviseerd om binnen te schuilen en tegelijktijd de ventilatie uit te schakelen. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid ten aanzien van het rampscenario zijn goed. Binnen het plangebied zijn geen niet en/of minder zelfredzame personen aanwezig. Vluchten van de bron af is in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven, tenzij het een toxische wolk betreft. Het snel vluchten van de bron af tot buiten het effectgebied is, voor de binnen het plangebied aanwezige personen goed mogelijk. In het geval van een toxische wolk is is het advies om binnen te blijven en iedere vorm van ventilatie uit te schakelen.
Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: goed te alarmeren is; goed te ontvluchten is; In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. 32
Het plangebied is naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobronnen af. Advies veiligheidsregio en brandweer Uit de beschrijven van de scenario's volgt dat vooral ingezet moet worden op het optimaliseren van de zelfredzaamheid. informeer de bewoners actief over de aanwezige risico's en handelingsperspectief zodat met een dreiging herkent en daar op de juiste manier naar handelt. de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid worden door de ontwikkelingen niet negatief beïnvloed. Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de ontwikkeling.
4.1.7 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren. Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 ìg/m3.
Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. In onderhavige situatie is er echter sprake van een afname van het aantal motorvoertuigbewegingen, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2). Aangezien de NIBM-tool enkel bedoeld is om aan de hand van de toename van het aantal verkeersbewegingen te berekenen of een ontwikkeling NIBM bijdraagt, kan deze tool nu niet gebruikt worden. Bij een afname van het aantal verkeersbewegingen is er ten alle tijde sprake van dat het verkeer niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarom hoeft onderhavig plan formeel niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Vanuit de wetgeving bestaat dan ook geen bezwaar tegen onderhavig plan.
4.1.8 Bodem Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming. Door M&A Bodem en Asbest B.V. is een bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5740 en een vooronderzoek conform de NEN 5725 en NEN 5707. Er zijn geen verontreinigingen geconstateerd die een nader onderzoek noodzakelijk maken. Geconcludeerd wordt dat er geen directe belemmeringen zijn geconstateerd in verband met de nieuwe woonbestemmingen op de percelen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 9 van deze onderbouwing. 33
Buiten de extra woning is er geen sprake van het wijzigen of vergroten van gevoelige ruimtes of bijgebouwen. 4.1.9 Geur Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins. Gezien de typering van het plangebied, namelijk gelegen in het buitengebied is geur hier een relevant aspect. Geur kan in de leefomgeving in meer of minder mate hinder veroorzaken en kan om die reden ook gezondheidsrisico's met zich meebrengen. De geuremissie verspreidt zich via de lucht en op de woon- en leefomgeving wordt een geurbelasting veroorzaakt. Er dient een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig te zijn, maar tevens dienen omliggende bedrijven (veehouderijen) niet in hun bedrijfsontwikkeling(en) worden belemmerd. Geurbelasting kan op twee manieren worden uitgedrukt. Voor de geurbelasting van landbouwhuisdieren waarvoor geen zogenaamde geuremissiefactor is aangewezen, zijn er vaste afstanden vastgesteld. Onder geurbelasting als gevolg van intensieve veehouderij waar landbouwhuisdieren worden gehuisvest met een geuremissiefactor verstaan we de hoeveelheid geur, uitgedrukt in odourunits per kubieke meter lucht, die op een geurgevoelig object, zoals een woning 'terecht' komt. Deze hoeveelheid kan in situaties worden berekend met het wettelijk vastgestelde luchtmodel V-stacks.
De afstand tussen geuremitterende bedrijven en geurgevoelige bestemmingen is daarbij van grote invloed. De geurbelasting op een gebied is relevant voor een beoordeling van het woon- en leefklimaat en dient beschouwd te worden om bijvoorbeeld woningbouw te realiseren. Geur van veehouderijen heeft dus gevolgen voor het woon- en leefklimaat van mensen en voor het gebruik van de ruimte. Veehouderijen moeten voor wat betreft geur van dierenverblijven voldoen aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en aan de in het Activiteitenbesluit genoemde minimaal aan te houden afstand(en) tot geurgevoelige objecten. Verder dienen op grond van de Wet milieubeheer beste beschikbare technieken te worden toegepast. Het Activiteitenbesluit geeft ook minimaal aan te houden afstanden tot geurgevoelige objecten voor opslagen van agrarische bedrijfsstoffen, zoals vrij liggende mestbassins. Voldoen aan de gestelde afstanden of aan het regime van de Wgv dient ter voorkoming van geurhinder. De Wgv biedt de mogelijkheid aan gemeenten om in afwijking van de wettelijk gestelde geurnorm afwijkende geurnormen vast te stellen om zodoende maatwerk te kunnen leveren voor de betreffende omgeving. Door de gemeente 's-Hertogenbosch is een gemeentelijke geurverordening vastgesteld. De te hanteren geurnormen zijn 14 ouE/m3.
In de huidige situatie wordt geur geëmitteerd door de thans aanwezige veehouderijen in de omgeving van het beoogde plangebied. Geurgevoelige objecten binnen het plangebied zijn zowel de bestaande woningen nabij als de nieuwe extra woning. Om vast te stellen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de op te richten woningen wordt de achtergrondbelasting in beeld gebracht. Middels V-stacks gebied is de achtergrondbelasting berekend. Hierbij zijn alle veehouderijbedrijven binnen een straal van 2 kilometer rondom de initiatieflocatie meegenomen. De invoergegevens en resultaten zijn in bijlage 5 te raadplegen. De achtergrondbelasting ter plaatse van de nieuw op te richten woningen bedraagt ten hoogste 5,9 ouE/m³. ID 1 2 3 4
Adres Loonsestraat 5 - hoekpunt 1 Loonsestraat 5 - hoekpunt 2 Loonsestraat 5 - hoekpunt 3 Loonsestraat 5 - hoekpunt 4
Geurbelasting (OUE/m3) 5,933 5,775 5,867 5,929 34
4.1.10 Hoogspanningsleidingen Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla.
De gemeente 's-Hertogenbosch hanteert het Rijksadvies uit 2005, en houdt daarmee rekening met het genoemde voorzorgbeginsel bij nieuwe ontwikkelingen in de buurt van hoogspanningslijnen. Voor onderhavig plan houdt het in dat het plangbied niet is gelegen in de nabijheid van een hoogspanningsleiding en de gevoelige objecten gelegen zijn buiten de magneetveldzones.
4.1.11 Duurzaamheid We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Gemeente 's-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vast gelegd in de 'visie duurzaam 's-Hertogenbosch' (mei 2019). Met de vastgestelde visie zet gemeente 's-Hertogenbosch verduurzaming in op de onderstaande 4 thema's: 1. Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging) 2. CO2 neutrale omgeving (energie) 3. Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit) 4. Duurzame mobiliteit Conform de visie wordt er rekening gehouden met veranderingen in het klimaat met meer extreme buien en hete zomers. Er wordt zorggedragen voor een veilig watersysteem en gewerkt aan vergroening van de omgeving. Op het gebied van energie (om een CO2 neutrale gemeente te worden) wordt enerzijds gewerkt aan het verminderen van de energievraag en anderzijds aan het opwekken van duurzame energie op diverse manieren.
Ook worden er stappen gezet om de gemeente op termijn aardgasloos te laten zijn. Ten aanzien van grondstoffen is er het bewustzijn dat deze dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking en toenemende welvaart in de wereld. Beschikbare grondstoffen dienen derhalve zo efficiënt mogelijk te worden gebruikt (en hergebruikt) en bewust mee omgegaan worden. Ten aanzien van het vervoer wordt gewerkt aan schonere, slimmere en duurzame mobiliteit. Op deze wijze wordt gebouwd aan een duurzaam 's-Hertogenbosch. Ten aanzien van het plan is per thema beschreven op welke wijze hier invulling wordt gegeven: ad 1; Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging en vergroening) Bij het ontwerp van de landschappelijke inrichting en inpassing van het initiatief is uitgebreid stilgestaan bij zowel hemelwaterberging als vergroening. Dit komt tot uiting dat bij het plan aan zowel de Wolfdijk als de Loonsestraat diverse landschappelijke elementen worden toegevoegd. De natuurlijke laagte en de vijver hebben daarbij een dubbele functie. Zij zorgen voor de berging en infiltratie van het hemelwater, maar hebben ook een landschappelijke waarde. ad 2; CO2 neutrale omgeving (energie) 38
Energiebeheer is een belangrijk speerpunt binnen de duurzaamheidsambities van de gemeente 's-Hertogenbosch. De gemeente heeft – naast de visie – ook doelen gesteld waaraan wordt gewerkt om te komen tot een klimaat neutrale gemeentelijke organisatie in 2020, een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2035 en 's-Hertogenbosch volledig klimaatneutraal in 2050. Deze ambities zijn fors te noemen, waarbij 'alles uit de kast' moet worden gehaald. Deze doelstelling betekent dat niet alleen de gemeente veel doet, maar ook de Bossche bedrijven, inwoners, ontwikkelaars, maatschappelijke groepen, woningcorporaties zullen hierin moeten investeren, samenwerken, creatief zijn en vooruitdenken. De gemeentelijke energie-ambitie en -doelstellingen zijn vastgelegd in het “Energie-transitieprogramma 's-Hertogenbosch 2016-2020”, vastgesteld door de gemeenteraad op 31 januari 2017. Ook het recente bestuursakkoord (2018-2022) stelt dat de gemeente een serieuze bijdrage levert om de klimaatverandering tegen te gaan, bijvoorbeeld via het opwekken van duurzame energie en het energiezuinig laten bouwen in de gemeente. De nieuw op te richten compensatiewoning zal voldoen aan de BENG-norm en meer, waarbij er geen aansluiting op het aardgasnet zal plaatsvinden en er op een alternatieve wijze wordt voorzien in de energievraag.
Het streven is een '0 op de meter woning' waarbij er evenveel energie wordt opgewekt als er wordt verbruikt. Vooralsnog lijkt hier invulling aan te worden gegeven met een warmtepomp in combinatie met zonnepanelen, zoals gebruikelijk met de huidige stand van de techniek. ad 3; Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit) In deze fase is het nog niet bekend welke MPG zal worden nagestreefd. Er ligt nog geen ontwerp van de nieuw op te richten woning. In samenspraak met een architect zal in de uitwerking uiteraard aan de gestelde grenswaarde van 0,8 voldaan worden. ad 4; Duurzame mobiliteit Binnen het plangebied is op eigen gronden voldoende ruimte om te voorzien in voldoende parkeerplaatsen met een elektrische laadpaal. 4.1.12 Gezondheid De gemeente hecht belang aan een gezonde leefomgeving. De leefomgeving waarin mensen wonen, werken en leven heeft invloed op hun gezondheid. Uit onderzoek van het Rivm blijkt dat in Nederland gemiddeld bijna 6 procent van de ziektelast toe te schrijven is aan milieufactoren ('Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014'). Hiermee is milieu - na roken - een van de belangrijke determinanten die bijdragen aan de ziektelast . Fijn stof en geluidsbelasting leveren de grootste bijdrage aan de ziektelast door milieufactoren.
Vrijwel overal in Nederland wordt aan de normen voor fijn stof en stikstofdioxide voldaan, maar het grootste deel van de ziektelast door deze stoffen is toe te schrijven aan blootstelling aan concentraties die onder de huidige normen liggen. Naast het beperken van de druk op de gezondheid door diverse omgevingsfactoren, zoals luchtverontreiniging of geluid, is het tevens belangrijk om aandacht te hebben voor de positieve invloed die de omgeving kan hebben op de gezondheid. Dit kan door in het plan bij de leefomgeving rekening te houden met verschillende thema's en belangen, zoals gezonde mobiliteit, natuur, groen en water, sport en spelen, openbare ruimte, milieukwaliteit, en binnenmilieu. Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevatten geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld.
Mensen kunnen echter in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct 39
contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. Daarom dienen de effecten en risico's op de volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht. Volksgezondheid ten aanzien van varkens- en pluimveebedrijven Op 7 juli 2016 zijn de onderzoeksrapporten “Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO)” en “Emissies van Endotoxine uit de Veehouderij” gepubliceerd. Uit beide rapporten komt naar voren dat met name rond pluimveebedrijven en in veedichte gebieden gezondheidseffecten kunnen optreden. De huidige toetsing aan geurnormen en/of fijnstof-grenswaarden biedt onvoldoende bescherming voor omwonenden tegen endotoxinen. Voor de periode totdat een landelijk 'endotoxine toetsingskader' beschikbaar komt, bestaat het risico dat de blootstelling aan endotoxine oploopt. Door het Ondersteuningsteam van BPO speerpunt Transitie Zorgvuldige Veehouderij is daarom het endotoxine toetsingskader op 1.0 gesteld. Het beschrijft een aanpak voor het beoordelen van het volksgezondheidsrisico van (uitbreidende) veehouderijen. Op basis van de huidige kennis en inzichten is met het endotoxine toetsingskader 1.0 voor iedere vergunningaanvraag van individuele varkens-of pluimveehouderij te bepalen of de endotoxine-blootstelling naar de omgeving te hoog zal zijn of niet. Te hoog betekent in deze dat de blootstelling hoger is dan de advieswaarde van 30 EU/m³ van de Gezondheidsraad .
Kanttekening hierbij is dat voor endotoxine geen wettelijk toetsingskader beschikbaar is. Als aanvulling op de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0, is een rekenmodel ontwikkeld waarmee de minimale vaste afstand tussen een emissiepunt en een gevoelig object kan worden berekend. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen vleeskuikens, leghennen en vleesvarkens. De dichtstbijzijnde bedrijven met één van de bovengenoemde diercategorieën betreft de varkenshouderij aan de Donkenweg 12 te Nuland. Dit bedrijf heeft op basis van een stofemissie 427 kg PM10 per jaar. Op basis van het rekenmodel dient een afstand van 132 meter in acht genomen te worden. De afstand van het meest dichtbijgelegen emissiepunt tot het plangebied bedraagt circa 900 meter. Ter plaatse van de gevoelige objecten binnen het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect endotoxinen. Volksgezondheid ten aanzien van geitenhouderijen Volgens het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) en de aanvullende studies daarop (VGO 2) blijkt dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven mogelijk een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of er een relatie is tussen de aanwezigheid van de geitenhouderijen en de gevallen van longontsteking.
Tot die tijd dienen de effecten en risico's op het gebied van volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht wanneer er binnen 2 kilometer van een geitenhouderij een ontwikkeling plaatsvindt. Binnen 2 kilometer van de locatie zijn twee geitenhouderijen gelegen. Op dit moment zijn er geen wettelijke normen of landelijke richtlijnen voor deze problematiek. Het is een aspect waarnaar nader onderzoek wordt verricht. Meer duidelijkheid over mogelijke maatregelen aan de bron wordt pas over 1 à 2 jaar verwacht. Over de huidige stand van zaken zullen potentiële bewoners geïnformeerd worden, zodat zij daar hun eigen afweging in kunnen maken en het risico aanvaarden. Volksgezondheid ten aanzien van spuitzones In de bomenteelt en fruitteelt worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden is een spuitzone opgenomen, waarbinnen geen nieuwe gevoelige objecten worden toegestaan. In de omgeving vindt mogelijk bomen- of fruitteelt plaats. Om deze reden dient rekening gehouden te worden met de spuitzones van de betreffende gewassen. Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige objecten wordt een spuitzone van 50 meter aangehouden. Aan de noordzijde van de Wolfdijk zijn percelen in gebruik van een kwekerij.
Deze percelen zijn gelegen op een afstand van meer dan 200 meter tot de grens van het plangebied, waardoor aan een spuitzone van 50 meter zonder meer ruimschoots voldaan wordt. De omliggende percelen mogen niet zonder 40
omgevingsvergunning beplant worden met houtopstanden, waaronder ook de aanleg van boomgaarden valt. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico voor de volksgezondheid ten aanzien van spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen. 4.1.13 Voortoets MER-beoordeling Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: 1. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; 2. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. ad a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat.
Aan al deze criteria voldoet het plangebied (er komen beschrijving bouwenvelop) niet dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn. ad b. Het plangebied ligt in het buitengebied en op minimaal 11 km van Natura 2000-gebied Rijntakken, Vlijmens Ven, Moerputten &Bossche Broek, Loonse en Drunense Duinen& Leemkuilen. De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen significant negatief effect hebben op het Natura 2000-gebied. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot en de externe factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op dit Natura2000-gebied zijn te verwachten. Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is derhalve niet aan de orde.
4.2
Ecologie
4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als er geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.
41
4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied (Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek) is gelegen op een afstand van ongeveer 11 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het niet mogelijk dat de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een tweetal agrarische bedrijven beëindigd. De bedrijfswoningen worden herbestemd als burgerwoning en daarnaast wordt woningsplitsing binnen een cultuurhistorisch waardevol object mogelijk gemaakt en de realisatie van een extra woning. In de beoogde situatie is er geen sprake meer van uitstoot van ammoniak.
Door de gewenste ontwikkeling zal de uitstoot van ammoniak daarmee aanzienlijk afnemen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal het aantal verkeersbewegingen bij de voorgenomen ontwikkeling niet onevenredig toenemen. Naar verwachting zal het aantal verkeersbewegingen juist afnemen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een toename van de uitstoot van stikstofoxiden. Gezien de uitstoot van ammoniak en stikstofoxiden niet zal toenemen, zal de stikstofdepositie op de betreffende gebieden niet toenemen. Door de afname van de uitstoot van ammoniak en de verwachtte afname van de uitstoot van stikstofoxiden, zal de stikstofdepositie op de betreffende gebieden juist afnemen, wat een verbetering van de situatie zal betekenen.
Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: PDOK.nl/viewer. Met AERIUS is een verspreidingsberekening uitgevoerd naar de depositie van stikstof op de betreffende gebieden. Op basis van deze berekeningen van de aanleg- en gebruiksfase blijkt dat de grenswaarde van 0,00 mol/ha/jaar niet overschreden wordt. Het Fdepositierapport is als bijlage 10 te raadplegen. 42
Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten.
Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming.
Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in 43
het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van beperkte sloop van bebouwing.
Middels een QuickScan Flora en Fauna is onderzocht of de te slopen bebouwing op de twee locaties mogelijk beschermde soorten huisvest. Het rapport is als bijlage 11 te raadplegen. Geconcludeerd wordt dat er met de sloop van bebouwing geen verblijfs- of broedmogelijkheden verdwijnen. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van (leefgebieden van) mogelijk voorkomende beschermde soorten flora en fauna. 4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur.
Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Zoals te zien in het volgende figuur is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 1.300 meter.
44
Uitsnede kaart NNN. Bron: Kaartbank provincie Noord-Brabant Gezien de locatie niet in het NNN is gelegen, zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg. 4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename van de uitstoot van ammoniak. Er is immers sprake van een beëindiging van een tweetal veehouderijbedrijven, waarbij de uitstoot van ammoniak afneemt. Omdat de uitstoot van ammoniak niet zal toenemen, zal er ook geen sprake zijn van een verhoogde ammoniakdepositie op de betreffende gebieden, maar juist van een afnemende depositie. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van Wav-gebieden in de omgeving.
4.3
Archeologie en cultuurhistorie
4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente 45
's-Hertogenbosch voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Dit beleid is overgenomen in het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Zoals te zien in het volgende figuur is de locatie vanuit de archeologische verwachtingskaart deels gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting.
Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan Buitengebied Maasdonk 2012 Bron: Ruimtelijkeplannen.nl Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 200 m² en dieper dan 0,30 centimeter onder maaiveld. Bij de voorgenomen ontwikkeling is met de positionering van de te realiseren compensatiewoning rekening gehouden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. De woning wordt gebouwd binnen de contouren van de voormalige melkrundveestal. Deze stal is onderkeldert tot een diepte van 1,70 meter en na sloop van deze stal zullen de gronden opgehoogd worden tot het niveau van het huidige maaiveld. Mogelijk aanwezige archeologische waarden zullen derhalve niet aangetast worden. Aan de achterzijde van de extra woning is een laagte voorzien in het landschapsplan. Hiervoor dienen de gronden tot maximaal 30 centimeter afgegraven te worden.
46
Contouren bestaande bebouwing en beoogde nieuwbouw woning In het landschapsplan voor de Wolfdijk 2 is een poel opgenomen. Deze poel wordt gerealiseerd ter plaatse van de huidige kelders van de voormalige varkensstal. Deze kelders hebben een diepte van 60 centimeter, waardoor ook de poel op zijn diepste punt 60 centimeter is. Buiten de kelder zal ten hoogste 30 centimeter afgegraven worden voor het realiseren van een flauw talud van de poel. Bij de voorgenomen ontwikkelingen is geen sprake van grondwerkzaamheden van meer dan 200 m2 en dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld, uitgezonderd daar waar nu al kelders zijn. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische waarden worden aangetast. 4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn onder andere in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.
Zoals te zien in het volgende figuur zijn nabij de locatie cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.
47
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart. Bron: Provincie Noord-Brabant Binnen het plangebied is een cultuurhistorisch element gelegen, namelijk de langgevelboerderij aan de Loonsestraat 5. In het vigerende bestemmingsplan is deze boerderij eveneens als cultuurhistorisch waardevol aangeduid. De boerderij is bij een monumenteninventarisatie onderzocht maar niet opgenomen in het register van gemeentelijke monumenten. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een aantasting van de cultuurhistorische waarde van de boerderij. De boerderij krijgt in zijn geheel een woonbestemming en zal op termijn gesplitst worden in twee wooneenheden. De instandhouding van de langgevelboerderij wordt op deze wijze zekergesteld. Bij een splitsing van de boerderij dient rekening te worden gehouden met behoud van de hoofdkenmerken. Hierbij valt te denken aan: Hoofdstructuur, maat en schaal; Hoofdindeling en herkenbaarheid woon- en bedrijfsgedeelte (o.a. gevel- en vensterindeling); Kenmerkend sober materiaalgebruik; Behoud open karakter van het voor- en zijerf. Tevens is de Wolfdijk/Singel aangeduid als een redelijk bijzondere historische lijn is. Aan de zijde van de Wolfdijk blijft de bebouwing intact en vinden er geen ingrijpende veranderingen plaats.
Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling er geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen. 4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundige waardevolle gebieden aangewezen. Zoals te zien in het volgende figuur is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.
48
Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden. Bron: Provincie Noord-Brabant Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen, zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.
4.4
Verkeer en parkeren
4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Loonsestraat. De locatie aan de Wolfdijk 2 zal voor gemotoriseerd verkeer in zijn geheel ontsloten worden middels één inrit via de Loonsestraat. De tweede inrit aan de Loonsestraat als ook de inrit aan de Wolfdijk komen te vervallen en zullen enkel toegankelijk zijn voor fietsers en voetgangers. De locatie aan de Loonsestraat 5 wordt ontsloten via een inrit aan de Singel en een inrit aan de Loonsestraat. Na splitsing van de cultuurhistorische boerderij krijgt iedere wooneenheid op deze wijze een eigen inrit. Voor de toe te voegen woning is een nieuwe inrit voorzien aan de Loonsestraat. De derde inrit aan de zuidzijde van het plangebied wordt circa 25 meter naar het noorden verplaatst voor de ontsluiting van de compensatiewoning. Op deze wijze wordt het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte geboden om de erven te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Voor het overige zal bij de voorgenomen ontwikkeling uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken.
Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkelingen is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Om de parkeerbehoefte van de functiewijziging te bepalen is gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormering 2021. Conform de Nota Parkeernormering wordt onderscheid gemaakt in een vijftal zones. Het plangebied is gelegen in de ongenoemde zone: “buitengebied”. De zone “buitengebied” wordt omschreven als "matig stedelijk, buitengebied". De wooneenheden die mogelijk worden gemaakt bij de functiewijziging hebben een omvang van > 80 m² per wooneenheid. Conform de Nota Parkeernormering geldt voor een woning met 49
een omvang van > 80 m² een parkeernorm van 2,3 parkeerplaats per woning in het buitengebied. Hiervan is 0,3 parkeerplaats per woning aandeel voor bezoekers. De totale extra parkeerbehoefte bedraagt als zodanig afgerond 3 parkeerplaatsen per woning. Op eigen terrein is er voldoende gelegenheid voor de personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden. In het landschapsplan zijn alle verkeersstroken opgenomen alszijnde "inritten" voor de ontwikkelingen aan de Loonsestraat 5 en ong. en erfverharding voor de ontwikkeling aan de Wolfdijk 2. 4.4.2 Verkeersbewegingen De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de herbestemming van een tweetal voormalige bedrijfslocaties, waarbij de bedrijfswoningen worden herbestemd als burgerwoningen, er door splitsing van een cultuurhistorisch waardevol object een extra woonfunctie wordt mogelijk gemaakt en er een extra woning wordt toegevoegd. Na realisatie van het totale project zal er sprake zijn van 4 wooneenheden. Door de voorgenomen ontwikkeling komt alle aan de agrarische bedrijven gerelateerd verkeer te vervallen. Dit betreft veelal zwaar verkeer met vrachtwagens en tractoren. Daarvoor in de plaats komt enkel aan wonen gerelateerd verkeer. Dit betreffen hoofdzakelijk lichte verkeersbewegingen met personenauto's.