Bijlage 1a Loonsestraat 5 en Wolfdijk 2 Nuland Toelichting anoniem
Tekst van het document
In vergelijking met de huidige situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen, maar zelfs afnemen.Gezien het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt zal geen sprake zijn van negatieve effecten op de verkeersveiligheid en zal geen sprake zijn van een toenemende overlast aan de omgeving.
4.5
Wateraspecten
In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting van dit bestemmingsplan. Beleid en uitgangspunten voor integraal waterbeheer Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige én meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: ruimte maken voor water. In het Waterplan 2016 staat dat we in 's-Hertogenbosch een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Het hemelwaterbeleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Hemelwater en Grondwater. Het Waterplan en de hemelwaterverordening zijn vastgesteld door de gemeenteraad in januari 2017. De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. In de Keur (2018) staan de regels (met name geboden en verboden) die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen.
Daarnaast is met de komst van de Waterwet het waterschap bevoegd gezag geworden voor de regulering van grondwateronttrekkingen en infiltraties (op een aantal onder de provinciaal bevoegdheid vallende categorieën na; zie art. 6.4 Waterwet. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Voorkom vervuiling van (regen)water; Houdt vuil water en schoon hemelwater gescheiden; Verwerk schoon hemelwater volgens de voorkeursvolgorde: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Vertraagde afvoer; Ontwikkel hydrologisch neutraal, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied (denk aan grondwaterstand, waterpeil en afvoer). Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties; Houdt rekening met waterschapsbelangen. Bijv. ruimteclaims voor waterberging of een EVZ (ecologische verbindingszone), de aanwezigheid van keringen of watergangen, en dergelijke; Indien deze belangen een rol spelen in het ruimtelijk plan dan zou hieraan in deze toelichting en in de 50
voorschriften en plankaart aandacht besteed moeten worden. Ontwikkel wateroverlast vrij: schade door extreme neerslag moet worden voorkomen; Meervoudig ruimtegebruik: combineer waar mogelijk gebruiksfuncties. Bijv. een infiltratiezone kan bovengronds worden ingericht als groenzone of speelterrein; Water biedt een kans om meerwaarde te geven aan een plan door gebruik te maken van de belevingswaarde van het water. Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem. Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is de Digitale Watertoets doorlopen. Hieruit blijkt dat bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van de korte procedure. Het waterschap wordt vroegtijdig bij de planof projectvorming betrokken. Toekomstige situatie en waterbergingsopgave De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de herbestemming van een tweetal voormalige bedrijfslocaties, waarbij de bedrijfswoningen worden herbestemd als burgerwoningen, er door splitsing van een cultuurhistorisch waardevol object er middels een omgevingsvergunning er een extra woonfunctie mogelijk kan worden gemaakt en er een extra woning wordt toegevoegd. Overtollige voormalige vrijkomende bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en erfverharding verwijderd.
Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak niet toenemen. Er is sprake van een aanzienlijke afname door de sloop van overtollige bedrijfsbebouwing. Hiermee is geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Conform de Hemelwaterverordening van de Gemeente 's-Hertogenbosch bedraagt de norm voor hemelwaterberging 60 mm bij de realisatie van een nieuw bouwwerk of nieuw verhard oppervlakte. De te realiseren compensatiewoning kan gezien worden als een nieuw bouwwerk, hoewel deze op reeds bestaand verhard oppervlakte wordt gerealiseerd. Het verharde oppervlakte van dit kavel zal circa 550 m2 bedragen inclusief de inrit, terrassen en hooimijt. De Hemelwaterverordening schrijft voor dat er een waterbergingsopgave voor dit plan bedraagt van 0,06 * 420,94 = 25,25 m3. Ontwerp nieuw watersysteem Schoon hemelwater wordt binnen het plangebied vastgehouden. Het afstromend hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak zal middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Het hemelwater wordt geïnfilteerd binnen het plangebied middels een wadi. Aan de zuidzijde van de nieuw op te richten compensatiewoning is voorzien in een natuurlijke laagte.
Deze laagte met een oppervlakte van ruim 1.250 m2 heeft naast een landschappelijke functie ook de functie als infiltratievoorziening. Met een flauw talud en een GHG van 60-mv kan in deze laagte circa 200 m3 water geborgen worden. Huishoudelijk afvalwater zal via het riool worden afgevoerd. Het plangebied is aangesloten op een drukriool. Hierop kan alleen huishoudelijk afvalwater worden afgevoerd, geen overtollig hemelwater. Het ontwerp van het watersysteem is nader uitgewerkt in bijlage 13. Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater wordt bij de bouw afgezien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (zoals zink en koper) in daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen zoals goten en leidingen.
51
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een nieuw ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: "Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte." Bij de voorgenomen ontwikkeling van het deel van het plangebied van de Wolfdijk 2 te Nuland is geen sprake van een in het betreffende artikel genoemde bouwplan, waarmee geen exploitatieplan nodig is. Kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure zijn daarnaast voor rekening van de initiatiefnemer. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer van de Wolfdijk 2 verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente. Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht. Bij de voorgenomen ontwikkeling aan de Loonsestraat 5 waar een extra woning mogelijk gemaakt wordt, is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder sub a van de Wro, waarmee een exploitatieplan zou moeten worden opgesteld. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1.
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan, project of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer van de Loonsestraat 5 wordt naast dit project een separate overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Verder zal ook eventuele planschade in een separate overeenkomst worden geregeld. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het project begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.
52
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1 Procedure Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied Maasdonk 2012" van gemeente 's-Hertogenbosch en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt, wordt gepubliceerd op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.
5.2.2 Participatie De direct omwonenden zijn vooraf geïnformeerd over de voorgenomen bestemmingswijziging middels een omgevingsdialoog. Bij het voeren van de omgevingsdialoog zijn geen bezwaren geuit. Alle aanwezigen kunnen instemmen met voorliggend plan. Het verslag van de omgevingsdialoog is als bijlage 14 te raadplegen.
5.2.3 Vooroverleg In het kader van vooroverleg is het voorliggende plan aangeboden aan de vooroverlegpartners, zijnde het waterschap Aa en Maas en de provincie Noord-Brabant. Waterschap Aa en Maas: Het waterschap Aa en Maas heeft aangegeven geen bezwaren te hebben tegen het voorliggende plan en heeft geen opmerkingen geplaatst. Provincie Noord-Brabant: De provincie Noord-Brabant heeft een vooroverlegreactie geplaatst. In het kort hebben zij de volgende opmerkingen geplaatst: 1. Met betrekking tot de splitsing van de cultuurhistorisch waardevolle woning dient rekening te worden gehouden met het behoud en herstel van deze bebouwing. Het plan dient dan inzicht te verschaffen in de cultuurhistorische waarde van de bebouwing, bijv, aan de hand van een gemeentelijke erfgoedkaart of de provinciale cultuurhistorische waardenkaart, met daarbij tekeningen die aangeven welke cultuurhistorisch waardevolle elementen er behouden en/of hersteld worden en de nieuwe situatie ten opzichte van de oude. 2. Niet duidelijk is of de sloop van de voormalige agrarische bebouwing (aan Loonsestraat 5) ingezet wordt als slooplocatie ten behoeve van de beoogde RvR-woning ter plaatse, of dat hiervoor een beoogde RvR-bouwtitel wordt betrokken bij de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte-voor-Ruimte.
In het eerste geval geldt als een van de voorwaarden dat veehouderijen die verdwijnen de afgelopen drie jaar onafgebroken in bedrijf moeten zijn geweest. De sloop van stallen zou in dat geval ook niet ingezet kunnen worden ten behoeve kwaliteitsverbetering; indien er een RvR-bouwtitel wordt aangekocht, wel. 3. Er zijn momenteel geen gegevens bekend met betrekking tot Loonsestraat 5 of een eventuele andere slooplocatie die zou worden ingezet ten behoeve van de beoogde RvR-woning ter plaatse. Een RvR-bouwtitel dient in ieder geval bij de vaststelling van het plan (ondertekend) overlegd te zijn. Ad. 1: In de paragraaf "Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant" (paragraaf 3.2.2) van deze toelichting is bij de toetsing aan artikel 3.69 onder b een nadere motivatie opgenomen met betrekking tot de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en in hoeverre de voorgenomen ontwikkeling bijdraagt aan het behoud en/of herstel van de waardevolle boerderij. Ad. 2: 53
Op basis van de nieuwe beleidsregel "Maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant", vastgesteld door Gedeputeerde Staten de provincie Noord-Brabant op 5 juli 2022, wordt niet langer een woning in het kader van de regeling ruimte-voor-ruimte aangevraagd, maar kan een nieuwe woning mogelijk worden gemaakt indien daar een voldoende investering in de verbetering van de omgevingskwaliteit tegenover staat. In de paragraaf "Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant" (paragraaf 3.2.2) van deze toelichting is een nadere toetsing aan artikel 3.78 en deze nieuwe beleidsregel opgenomen, waarin eveneens een nadere berekening is gemaakt van de investering die gedaan dient te worden in de omgevingskwaliteit. Met de nadere motivering en toetsing aan de nieuwe beleidsregel en artikel 3.78 is verder verduidelijkt welke bebouwing gesloopt wordt als investering in de omgevingskwaliteit. Ad. 3: Voor vaststelling van het voorliggende plan zal een titel zijn verkregen in het kader van de regeling ruimte-voor-ruimte of op basis van de nieuwe beleidsregel "Maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant" van de provincie Noord-Brabant. Hiervan zal het certificaat bij de stukken van het vastgestelde bestemmingsplan worden gevoegd.
5.2.4 Ontwerpfase Het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied Maasdonk 2012 herziening Loonsestraat 5 Wolfdijk 2 Nuland’ heeft met ingang van 3 juli 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn heeft ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening eenieder schriftelijk of mondeling een zienswijze omtrent het ontwerp kenbaar kunnen maken bij de gemeenteraad van de gemeente 's-Hertogenbosch. Door de provincie Noord-Brabant is binnen deze termijn een zienswijze ingediend. De zienswijzen heeft niet geleid tot een gewijzigde vaststelling. Tevens is er nog ambtshalve een wijziging doorgevoerd. Het paraplubestemmingsplan 'Parkeren en wonen' is door de gemeenteraad vastgesteld op 10 oktober j.l. De van toepassing zijnde planregels zijn toegevoegd aan de planregels van onderhavig bestemmingsplan.
5.3
Handhaving
Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.
54
Hoofdstuk 6 6.1
Wijze van bestemmen
Doel en reikwijdte
Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn: 1. goede ruimtelijke ordening; 2. uitvoerbaarheid. Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet. Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en; 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor: 1. het bebouwen van de gronden; 2.
het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.
6.2
Onderdelen van een bestemmingsplan
Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart). 6.2.1 De toelichting De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheersgericht). Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effectrapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effectrapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie. 55
Bijlagen bij de toelichting: Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar. Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument. 6.2.2 De planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels: In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald; 2. Bestemmingsregels: In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde.
Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3. Algemene regels: In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht.
Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen; 4. Overgangs- en slotregels: In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel). Bijlagen bij de planregels: Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels. 6.2.3 De verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan. De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dit digitale bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een 56
'.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.
6.3
Voorliggend bestemmingsplan
Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' 'Groen' 'Wonen' Dit plan kent verder geen noemenswaardige bijzonderheden. Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro). Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro).
57