bijlage 1 toelichting Blokkenweg 4 en 4a
Tekst van het document
5.2.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming bevat een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten. Daarnaast voorziet de wet in strikte verboden die gelden voor aangewezen beschermde inheemse diersoorten, waaronder alle van nature in Nederland voorkomende soorten vogels. Dit kan om de bescherming van vogels in de tuin als op in een Natura2000 gaan. De wet werkt volgens het 'nee-tenzij' principe ten aanzien van beschermde inheemse soorten: schadelijke handelingen zijn verboden, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Het is niet toegestaan om vogels te doden, vangen, verwonden, verstoren, bezitten, verhandelen, de nesten en eieren te verstoren of te vernietigen. Uitzonderingen op deze verboden zijn onder voorwaarden mogelijk, onder andere voor veiligheid, schadebestrijding of onderzoek. De wet regelt ook de jacht in ons land. Om te onderzoeken of er bepaalde ecologische waarden van toepassing zijn én of ze door de voorgenomen plannen aangetast worden, wordt er in de vorm van een quickscan, een flora en fauna onderzoek verricht. Een QuickScan ‘flora en fauna onderzoek’ brengt de planten en dieren in een gebied in kaart. Vaak met het oog op de ontwikkeling van een project of gebied en de omgevingsvergunning die daarvoor nodig is.
Voor de Blokkenweg 4 hebben de ontwikkelingen echter enkel betrekking op het legaliseren van de feitelijke situatie, waardoor de inrichting van het plangebied niet zal wijzigen. Het uitvoeren van een flora en fauna onderzoek is in deze niet vereist. Betreft de ontwikkelingen aan de Blokkenweg 4a zal er door de vele sloopwerkzaamheden een ecologisch onderzoek uitgevoerd moeten worden. Voor het plangebied blijkt dat er binnen een afstand van 0-1 kilometer veel soortwaarneming zijn gedaan. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten kan worden is aan Brabant Eco de opdracht gegeven om een ecologische quickscan uit te voeren op de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Dit onderzoek is als bijlage 8 aan het plan toegevoegd (rapportnummer: 2021-BE-0805). Voorafgaand aan dit rapport is er een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Regelink Ecologie en landschap vanuit het wettelijk kader van de Wet natuurbescherming. Hierbij zullen de aanwezige varkensstallen met tussenbouw en luchtwassers volledig worden gesloopt en zal het huidige bestemmingsplan worden omgezet van intensief agrarisch naar een bedrijfsbestemming.
Op basis van voornoemde quickscan naar natuurwaarden is er geadviseerd om aanvullend onderzoek uit te laten voeren naar het potentieel voorkomen van huismussen-, gierzwaluw-, steenmarter- en vleermuisverblijfplaatsen en de functie van het plangebied voor deze diersoorten. De voorgenomen ontwikkelingen zullen invloed hebben op de in het plangebied voorkomende vleermuizen. Er worden echter geen verblijfplaatsen aangetast. Ook worden geen essentiële vliegroutes of essentieel foerageergebied aangetast. Daarmee kan gesteld worden dat de duurzame instandhouding van de aangetroffen vleermuissoorten niet in gevaar komt. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor het uitvoeren van de plannen is daarmee niet nodig. Er zijn geen zomer-, kraam-, paar-, of winterverblijfplaatsen aangetroffen in het plangebied. Zodoende worden er met de sloop geen verbodsartikelen overtreden van de Wet natuurbescherming en is een ontheffingsverzoek bij bevoegd gezag niet noodzakelijk. BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
56
Daarnaast kan de nieuwbouw natuur inclusief ontworpen en uitgevoerd worden. Dit houdt in dat er definitieve verblijfplaatsen en een geschikte leefomgeving voor gebouw bewonende soorten zoals vleermuizen en huismussen worden gerealiseerd in en om de nieuwbouw. De in het plangebied gevestigde intensieve varkenshouderij zal verdwijnen waardoor er een verbetering van de milieukwaliteit zal plaatsvinden door het definitief vervallen van geurhinder, ammoniakemissie en uitstoot van stikstof. Uit nader onderzoek naar vleermuizen, huismussen, steenmarter, gierzwaluwen en boerenzwaluw is gebleken dat in het plangebied geen vaste nest- of verblijfplaats van genoemde soorten aanwezig is. De voorgenomen plannen hebben geen negatief effect op onderzochte diersoorten en hebben derhalve ook geen overtreding van de Wet natuurbescherming tot gevolg. Conclusie: Op basis van uitgevoerd veldonderzoek zullen de voorgenomen ontwikkelingen door gebrek aan verblijfslocatie en het ontbreken van een gebruiksfunctie geen invloed hebben op de aldaar voorkomende vleermuizen. Er zijn geen effecten te verwachten die van negatieve invloed zijn op de duurzame staat van instandhouding van de waargenomen soorten en hun functioneel leefgebied. De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
Een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming voor het uitvoeren van de plannen is dan ook niet nodig (bijlage 8).
BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
57
5.3
Omgekeerde werking / geurhinder
De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft onder andere normen voor de voorgrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object(zoals een bedrijfswoning). De voorgrondbelasting is de individuele belasting van een veehouderij op een geurgevoelig object. Voor de geurbelasting voor geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht binnen de bebouwde kom en 10 odour units per kubieke meter lucht buiten de bebouwde kom. De gemeente ‘s-Hertogenbosch heeft in aanvulling op de Wet geurhinder en veehouderij de ‘Verordening geurhinder en veehouderij’ opgesteld. Deze stelt een norm van 3 ou/m³ voor de maximale (voorgrond)geurbelasting binnen de bebouwde kom en 10 ou/m³ buiten de bebouwde kom. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan medewerking verleend worden indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. Door de bestemmingswijziging worden andere veehouderijen niet benadeeld in hun ontwikkelingsmogelijkheden. 2. Ter plaatse van de geurgevoelige objecten dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en verblijfklimaat.
Hierbij dient gekeken te worden naar zowel de achtergrond- en voorgrondbelasting. In de omgeving van de plangebieden zijn meerdere veehouderijen gelegen, zie onderstaand figuur.
Blokkenweg 4a Blokkenweg 4
Figuur 19: Omliggende veehouderijen
BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
58
Uit figuur 18 valt op te maken dat er meerdere veehouderijen in de omgeving van het plangebied zijn gelegen. De omliggende veehouderijen mogen geen belemmerende werking hebben op de beoogde ontwikkelingen, of omgekeerd. Met betrekking tot het realiseren van een geur gevoelig object moet er sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Daarentegen mag het nieuwe object geen belemmerende werking hebben op de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende bedrijven.
5.4
Beoordeling woon- en leefklimaat
5.4.1
Geurhinder
Enerzijds is overwogen dat de voor veehouderijen toepasselijke individuele geurnorm niet wordt overschreden. Indien de voor veehouderijen de toepasselijke individuele norm niet wordt overschreden, kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat ter plaatse een aanvaardbaar woonen leefklimaat kan worden gerealiseerd. Inzichtelijk moet worden gemaakt in hoeverre ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Ook indien in een verordening bepaalde geurnormen zijn vastgelegd, moet inzichtelijk zijn dat de toegestane milieubelasting in overeenstemming is met de uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbare inrichting van het gebied. Hiervoor dient de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied is onderzocht of berekend te worden. Nu in de omgeving van het plangebied ook andere veehouderijen zijn gevestigd, moet de cumulatie van stankhinder vanwege alle omliggende veehouderijen bij de beoordeling dienen te worden betrokken. De mate waarin sprake is van een goed woon en leefklimaat kan worden getoetst met behulp van de door het RIVM onderzochte relatie tussen hinder en geurbelasting (zie onderstaande tabel). Tabel 1: Relatie tussen hinder en geurbelasting VROM 2007b
BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
59
Voorgrondbelasting Onderscheid is gemaakt tussen bedrijven waarvoor vaste afstanden gelden en bedrijven met dieren waarvoor geen vaste afstand gelden. Aan de hand van het aantal Odour Units wordt middels het rekenmodel V-stacks-Vergunning de voorgrond belasting bepaald. Op de planlocaties is sprake van een acceptabel woon en leefklimaat als de voorgrondbelasting kleiner is dan 10 OUe/m3. Binnen een straal van 1.000 meter liggen er meerdere veehouderijen waarvan de belangen geschaad zouden kunnen worden met het realiseren van de beoogde ontwikkelingen. Voor de meeste bedrijven geldt echter dat er geen geurnormen voor zijn opgenomen óf dat de geuremissie dusdanig laag is (< 500 OUe/m3) dat V-stacks de voorgrondbelasting niet kan berekenen. Voor deze locatie(s) is rekening gehouden met een minimale vereiste afstand van 50 meter. -
Empelsehoefweg 5 Empelsehoefweg 8 Grintweg 10 Grintweg 14 Blokkenweg 1 Rompertweg 7 Rompertweg 9 Rompertweg 10
Melding activiteitenbesluit 10-12-2010: Melding activiteitenbesluit 16-05-2012: Melding activiteitenbesluit 13-05-2013: Melding activiteitenbesluit 25-09-2017: Melding activiteitenbesluit 13-06-2008: Melding activiteitenbesluit 17-01-2020: Melding activiteitenbesluit 21-11-2016: Melding activiteitenbesluit 13-04-2006:
0 Ou/s 2.192 Ou/s 3.312 Ou/s 0 Ou/s 0 Ou/s 0 Ou/s 30.830 Ou/s 0 Ou/s
Voor de berekening van de voorgrondbelasting worden enkel de veehouderijen aan de Empelsehoefweg 8 (melkvee, vleeskalveren en schapen), Grintweg 10 (melkvee en vleesvarkens) en Rompertweg 9 (vleeskalveren) meegenomen door in de berekening het dichtstbijzijnde hoekpunt van het bouwvlak te nemen. Hierop wordt alle geuremissie van het bedrijf gelegd. Tijdens het berekenen is gebruik gemaakt van standaardnormen én uitgegaan van een worst case scenario door alle geuremissie op één punt van het bouwvlak te leggen. Blokkenweg 4: Voor het berekenen van de voorgrondbelasting zijn de coördinaten van het toekomstig bouwvlak gebruikt, zie onderstaand figuur: Noord West
Oost Zuid Figuur 20: Toekomstige hoekpunten beoogd bouwvlak BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
60
Zie hieronder de rekenresultaten van de omliggende veehouderijen, voor alle drie de veehouderijen is de voorgrondbelasting uitgerekend door middel van de verspreidingsberekening V-Stacks vergunning (bijlage 9). Tabel 2: Brongegevens omliggende veehouderijen BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
Empelsehoefweg 8 153 831
417 648
6,0
0,5
4,0
2 192
6,0
Grintweg 10
154 887
417 371
6,0
0,5
4,0
3 312
6,0
Rompertweg 9
154 873
416 873
6,0
0,5
4,0
30 830
6,0
Tabel 3: Voorgrondbelasting t.a.v. Blokkenweg 4
GGLID
Xcoordinaat
Ycoordinaat
Geurnorm
Geurbelasting
Noord
154 414
416 801
10,0
1,3
Oost
154 437
416 741
10,0
1,5
Zuid
154 375
416 716
10,0
1,4
West
154 351
416 772
10,0
1,2
Blokkenweg 4a: Voor het berekenen van de voorgrondbelasting zijn de coördinaten van het toekomstig bouwvlak gebruikt, zie onderstaand figuur. Noord West
Oost Zuid Figuur 21: Hoekpunten toekomstig bouwvlak BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
61
Zie hieronder de rekenresultaten van de omliggende veehouderijen, voor alle drie de bedrijven is de voorgrondbelasting uitgerekend door middel van de verspreidingsberekening V-Stacks vergunning (bijlage 10). Tabel 4: Brongegevens omliggende veehouderijen BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
Empelsehoefweg 8 153 831
417 648
6,0
0,5
4,0
2 192
6,0
Grintweg 10
154 887
417 371
6,0
0,5
4,0
3 312
6,0
Rompertweg 9
154 873
416 873
6,0
0,5
4,0
30 830
6,0
Tabel 5: Voorgrondbelasting t.a.v. Blokkenweg 4a
GGLID
Xcoordinaat
Ycoordinaat
Geurnorm
Geurbelasting
Noord
154 351
416 772
10,0
1,2
Oost
154 375
416 716
10,0
1,4
Zuid
154 320
416 697
10,0
1,2
West
154 300
416 747
10,0
1,1
Conclusie Uit de rekenresultaten volgt dat de voorgrondbelasting, voor beide planlocaties, laag is (<1,6 OUe/m3), zie hiervoor bijlagen 9 en 10. Door deze lage voorgrondbelasting worden de belangen van omliggende agrarische bedrijven niet geschaad en is op basis van de voorgrondbelasting een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd(tabel 1).
BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
62
Achtergrondbelasting Middels het programma V-Stacks Gebied is de achtergrondgeurbelasting op beide plangebieden bepaald. Hiervoor zijn gegevens van omliggende veehouderijbedrijven binnen een straal van 4,0 kilometer van het plangebied gebruikt(gemeente Oss en ‘s-Hertogenbosch), afkomstig uit het Bestand Veehouderij Bedrijven (d.d. 16-11-2020). De inrichting aan de Blokkenweg 4a is hiervoor niet meegenomen in de berekeningen. Getoetst dient te worden aan een streefwaarde die geldt ter plaatse van het bestemde grondgebied. In het gebied waarin de gemeente ‘s-Hertogenbosch is gelegen, is sprake van een acceptabel woon en leefklimaat als de achtergrondbelasting kleiner is dan 20 OUe/m3. Blokkenweg 4: De geurbelasting is door V-stacks gebied berekend op basis van de 4 hoeken volgens het beoogd bouwblok, zie figuur 19. Uit tabel 6 blijkt dat ter plaatse van de Blokkenweg 4 sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting <3 OUe/m3) en het wijzigen naar de bestemming Bedrijf niet in de weg staat Tabel 6: Achtergrondbelasting Blokkenweg 4
RecepID
X-coor
Y-coor
1 2 3 4
154 414 154 437 154 375 154 351
416 801 416 741 416 716 416 772
Geurnorm Geurbelasting (OU/m3) 20.0 2.189 20.0 2.219 20.0 2.045 20.0 1.944
Percentage concentratie gebied 5% 5% 5% 5%
Beoordeling leefklimaat Zeer goed Zeer goed Zeer goed Zeer goed
Blokkenweg 4a: Net zoals bij de Blokkenweg 4, is de achtergrondbelasting voor de Blokkenweg 4a berekend door het gebruiken van de toekomstige hoekpunten van het bouwvlak(figuur 20). Uit tabel 7 blijkt dat de achtergrondbelasting rondom het plangebied +/- 2 OUe/m3 is. Tabel 7: Achtergrondbelasting Blokkenweg 4a
RecepID
X-coor
Y-coor
1 2 3 4
154 351 154 375 154 320 154 300
416 772 416 716 416 697 416 747
Geurnorm Geurbelasting (OU/m3) 20.0 1.944 20.0 2.045 20.0 1.912 20.0 1.815
Percentage concentratie gebied 5% 5% 5% 5%
Beoordeling leefklimaat Zeer goed Zeer goed Zeer goed Zeer goed
Conclusie Het woon- en leefklimaat ter plaatse van beide planlocaties is zeer goed. Dit geldt voor zowel de voorals achtergrondbelasting. De belangen van omliggende veehouderijen worden niet geschaad en vormt het aspect geurhinder geen belemmering voor het realiseren van beoogde ontwikkelingen.
BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
63
5.4.2 Luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen 2007 (ook wel Wet luchtkwaliteit, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang en rond veehouderijen uitsluitend de grenswaarden voor fijn stof. De grenswaarden zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Tabel 8: Grenswaarde PM10
Stof PM10
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie 24-uur gemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 μg/m³ Max. 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m³
Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant in de Verordening Ruimte van de provincie Noord‐ Brabant is vastgelegd dat bij nieuwe veehouderijinitiatieven is aangetoond dat “de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 μg/m³”. Rekenmodel ISL3A Het rekenmodel ISL3a (Implementatie Standaardrekenmethode Luchtkwaliteit 3) is gebaseerd op het Nieuw Nationaal Model (NNM). Het model rekent volgens Standaard rekenmethode 3 (SRM3). Dit ligt vast in de Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit 2007 (RBL 2007). U kunt het programma gebruiken om de gevolgen van (agrarische en industriële) punt- en oppervlaktebronnen op de luchtkwaliteit in de omgeving te berekenen. Het model is in opdracht van het toenmalige Ministerie van VROM door KEMA ontwikkeld. Het rekenmodel ISL3a (Implementatie Standaardrekenmethode Luchtkwaliteit 3) is gebaseerd op het Nieuw Nationaal Model (NNM). Het model rekent volgens Standaard rekenmethode 3 (SRM3). Dit ligt vast in de Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit 2007 (RBL 2007). Men kan het programma gebruiken om de gevolgen van (agrarische en industriële) punt- en oppervlaktebronnen op de luchtkwaliteit in de omgeving te berekenen. Het model is in opdracht van het toenmalige Ministerie van VROM door KEMA ontwikkeld.
Voor de beoogde gronden zijn de dichtstbijzijnde, zijnde fijnstof uitstotende agrarische, bedrijven in het rekenmodel ingevoerd voor een locatie specifieker resultaat. Ten opzichte van de geur uitstotende bedrijven, betreft het voor de fijnstof uitstotende veehouderijen een uitbreiding, namelijk: -
Empelsehoefweg 5: Empelsehoefweg 8: Grintweg 10: Grintweg 14 Rompertweg 9: Rompertweg 10:
melkvee melkvee, vleeskalveren en schapen melkvee en vleesvarkens jongvee vleeskalveren melkvee
BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
64
Blokkenweg 4: In onderstaande overzicht zijn de resultaten weergegeven per coördinaat van de hoeken van het betreffende grondgebied(zie figuur 19). Tabel 9: Luchtkwaliteit Blokkenweg 4
Rectorpunt Noord Oost Zuid West
PM10 18.29 18.29 18.29 18.29
Dagen 6.4 6.4 6.4 6.4
Norm PM10 31,2 – 40 μg/m³ 31,2 – 40 μg/m³ 31,2 – 40 μg/m³ 31,2 – 40 μg/m³
Norm dagen 35 35 35 35
Blokkenweg 4a: Onderstaand tabel weergeeft de luchtkwaliteit rondom het plangebied, zie figuur 20 voor de rectorpunten. Tabel 10: Luchtkwaliteit Blokkenweg 4a
Rectorpunt Noord Oost Zuid West
PM10 18.29 18.29 18.28 18.29
Dagen 6.4 6.4 6.4 6.4
Norm PM10 31,2 – 40 μg/m³ 31,2 – 40 μg/m³ 31,2 – 40 μg/m³ 31,2 – 40 μg/m³
Norm dagen 35 35 35 35
PM 2.5 Uit RIVM-onderzoek (RIVM-onderzoek en onderzoek van ASG ,Rapport 195) blijkt dat de relatie tussen PM10 en PM2.5 dat: de kans op een overschrijding van de jaargemiddelde concentratie PM2.5 kleiner is dan 1% bij een jaargemiddelde concentratie PM10 van 32,5 μg/m3. De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2.5 is 25 μg/m3. Bij een jaargemiddelde concentratie PM10 van 32,5 μg/m3 en hoger vindt overschrijding van de dagnorm plaats. Wordt er voldaan aan de maatgevende grenswaarde voor PM10 dan wordt tevens voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2.5. Uit bovenstaande beschrijving en de PM10 concentratie van (max.) 18.29 μg/m³ kan geconcludeerd worden dat er tevens aan de grenswaarde PM2.5 wordt voldaan.
BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
65
Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 ìg/m 3. Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool (uitgaande van worst-case omstandigheden) de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. Het omslagpunt waarbij een plan nog bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ligt bij circa 1000 motorvoertuigbewegingen per etmaal (met daarin 5% aan vrachtverkeer). Dit aantal zal (jaargemiddeld) vanwege onderhavig plan van statische opslag en klein ambachtelijk bedrijf nimmer worden behaald. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het optredende verkeer als gevolg van het plan niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarom hoeft onderhavig plan formeel niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen.
Vanuit de wetgeving bestaat dan ook geen bezwaar tegen onderhavig plan. Zoals gezegd is een formele toets aan de kwaliteitsnormen hier niet aan de orde, echter is in het kader van 'goede ruimtelijke ordening' de luchtkwaliteit wel beschouwd. Uit tabel 9 en 10 is reeds geconcludeerd dat het onder de respectievelijk 19 µg/m3 blijft. Daarnaast laat onderstaand figuur zien dat de jaargemiddelde concentraties van NO2 (stikstofdioxide) in dit gebied onder de 15 µg/m3 ligt. Hiermee wordt ruim voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m3).
Figuur 22: Jaargemiddelde concentratie NO2 (bron: Atlas leefomgeving)
Conclusie: De luchtkwaliteit vormt geen knelpunt vormt voor de realisatie van het bestemmingsplan (zie bijlagen 11 en 12)
BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
66
5.5
Volksgezondheid
Gezondheidsrisico's zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen.
5.5.1 Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen. Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden zijn in de onderzoeken niet meegenomen. Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: - Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf; - Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties.
De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof. Het VGO onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m3 werd overschreden. De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstof norm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden. Op 16 juni 2017 is het eerste vervolgonderzoek van dit VGO-onderzoek gepubliceerd. Dit rapport bevat een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken wat de conclusies uit het hoofdonderzoek bevestigd en steviger onderbouwd.
Er zijn sterke aanwijzingen dat (componenten van) fijnstof van geitenhouderijen mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen daarbij niet uitgesloten worden. Deze associatie is ook voor pluimveehouderijen gevonden, hetzij aanzienlijk zwakker.
BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
67
Uit luchtwegmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een intensieve veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. Wat betreft fijnstof is de bijdrage van de veehouderij niet te onderscheiden van de bijdrage van vele andere bronnen, zoals verkeer en (buitenlandse) industrie. In de eerste twee onderzoeken zijn de gezondheidsrisico's onderzocht aan de hand van gegevens uit huisartsenpraktijken over de periode 2007 t/m 2013. Op 1 september 2018 is het onderzoek 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III' gepubliceerd. Hierin is de actualisering voor de jaren 2014 t/m 2016 gepubliceerd. Er is daarbij specifiek gekeken naar de associatie tussen diverse luchtwegaandoeningen en de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen. De associatie tussen het voorkomen van longontsteking en het wonen in de nabijheid van pluimveehouderijen zou mogelijk verklaard kunnen worden door de uitstoot van fijnstof en endotoxinen door deze bedrijven al dan niet in combinatie met de al aanwezige achtergrondblootstelling. Deze veronderstelling lijkt voor geitenhouderijen echter minder voor de hand liggend, omdat de emissie van fijnstof en endotoxinen beperkt is.
Uit de onderzoeksresultaten van deze tweede vervolgstudie blijft dezelfde verhoging voor het aantal longontstekingen bij omwonenden van geitenhouderijen zichtbaar als in de jaren daarvoor. Voor legpluimveehouderijen kan deze verhoging niet (meer) statistisch significant worden aangetoond. Voor vleeskuikenbedrijven alleen in 2014, ondanks dat de emissie van fijnstof hier relatief gezien hoger is dan van legpluimveehouderijen. Conclusie uit deze vervolgstudie is dan ook dat er meer onderzoek zal moeten plaats vinden naar de oorzaak van de associatie tussen longontsteking en het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen.
5.5.2 Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid Naar aanleiding van het eerste VGO-onderzoek wordt momenteel door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, een landelijk toetsingskader ontwikkeld voor endotoxine. In afwachting hierop is door het ondersteuningsteam van bestuurders van gemeenten in Brabant in 2016 de notitie 'Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. Aan de hand van deze notitie kan het risico van de verspreiding van endotoxinen van uitbreidende veehouderijen beoordeeld worden. Gemeenten en provincie willen uit voorzorg voorkomen dat door lopende en nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden. Daar waar de advieswaarde al wordt overschreden willen ze voorkomen dat de overschrijding toeneemt. Een standstil van de emissie fijnstof-endotoxine is dus gewenst. Bij voorkeur wordt er een reductie van de emissie bereikt. Om de relatie bronsterkte fijnstof en aan te houden afstand om te voldoen aan de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde van 30 EU/m3 te kunnen berekenen zijn voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens formules afgeleid uit het rapport van Erbrink (2016). Omgekeerd kan met deze formules voor de ontwikkeling van een gevoelig object worden berekend of ter plaatse voldaan wordt aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3.
Het VGO onderzoek gaat uit van een endotoxine risicogebied indien 15 veehouderijen (of meer) zijn gelegen binnen een kilometer van een gevoelig object. In de praktijk blijkt dit dat dit aantal echter niet hanteerbaar is. In de notitie wordt derhalve een locatiegerichte specifieke benadering voorgesteld, omdat blijkt dat ook bij kleinere clusters (binnen 250 meter) cumulatie speelt vanwege de grote omvang van de veehouderijen, de hiermee gepaard gaande emissie van fijnstof-endotoxine en de geringe afstanden naar te beschermen objecten. De cumulatie van endotoxinen is echter (nog niet) kwantitatief te bepalen, daarom is in het kader van een omgevingsbewuste benadering een zogenaamde 'Cumulatieve toets' opgesteld. BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
68
Dit betreft een stappenplan t.b.v. de uitbreiding van een veehouderij, maar kan in het kader van de omgekeerde werking ook voor het realiseren van nieuwe gevoelige objecten worden doorlopen. De eerste vraag van dit stappenplan is of er in de omgeving van het plangebied meerdere veehouderijen zijn gelegen met een hoge fijnstof-endotoxine emissie. Voor het afbakenen van de Omgeving' wordt aangesloten bij de clusters van 250 meter die voortvloeien uit de locatiegerichte specifieke benadering. Op grond van de regeling beoordeling luchtkwaliteit (Rbl), aldus vastgesteld d.d. 12-12-2018, is sprake van een hoge fijnstofemissie, indien de fijnstofemissie van een bedrijf meer dan 500 kg PM10 per jaar bedraagt. Deze norm wordt derhalve aangehouden voor het begrip 'hoge fijnstof-endotoxine emissie'. Dit betreft uitsluitende de fijnstofemissie van varkens en kippen, omdat andere diersoorten niet meegewogen hoeven te worden in de door de gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde. Voor overige diersoorten zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving namelijk zeer beperkt vanwege de beperkte emissie van met name fijnstof. Binnen 250 meter van de projectlocatie zijn enkele veehouderijen gelegen, deze bedrijven hebben echter geen fijnstof uitstoot. Er kan dus worden geconcludeerd dat er in de omgeving geen veehouderijen met een hoge fijnstof-endotoxine emissie zijn gelegen.
De beoogde gronden blijven derhalve buiten de endotoxine-risicocontouren van de omliggende agrarische bedrijven. Vraag twee betreft een eventuele toename in emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Wat voor onderhavig plan niet van toepassing is. Vraag drie, vier en vijf gaan over het aspect geur(bijlage 13): - Is op grond van een geurevaluatie of geurgebiedsvisie bekend dat er sprake is van een overbelaste achtergrond geur- of fijnstofsituatie? - Is op grond van toetsing aan de Verordening ruimte 2014 bekend dat er sprake is van een overbelaste achtergrond geur- of fijnstofsituatie? - Spelen in het betreffende gebied regelmatig klachten over geur of stof uit veehouderijen? Uit paragraaf 5.4 blijkt dat er ter plaatse van de projectlocatie geen sprake is van een overbelaste achtergrond geur- of fijnstofsituatie. Uit het gebied zijn ook geen klachten over geur of stof uit veehouderijen bekend. Ten slotte, de laatste twee vragen van het stappenplan hebben betrekking op agrarische gerelateerde activiteiten, het geen niet van toepassing. Conclusie Uit de omgevingsbewuste benadering ten aanzien van de cumulatie van endotoxinen kan worden geconcludeerd dat de plangebieden buiten de cumulatieve risico contour van omliggende veehouderijen is gelegen.
In de directe omgeving van de beoogde gronden zijn geen bedrijven gelegen met een fijnstofemissie van meer dan 500 kg PM10 per jaar. Het aspect volksgezondheid vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief.
BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
69
5.5.3 Geitenhouderijen In RIVM Rapport 2017-0062 (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) (aanvullende studies), is gesteld dat er gezondheidsrisico’s zijn vastgesteld voor omwonenden van intensieve veehouderijbedrijven. Uit het rapport komt naar voren dat omwonenden van, met name, pluimveehouderijen een grotere kans hebben op het krijgen van een longontsteking. Ook rondom geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op longontsteking. Eerder zijn hiervoor al aanwijzingen gevonden, die nu nader onderbouwd zijn over een langere periode. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderijen. De Brabantse GGD vindt tevens dat gemeenten bij het verstrekken van vergunningen aan veehouders de aangetoonde effecten op de gezondheid van omwonenden in aanmerking moeten nemen. Gemeenten mogen een eigen afweging maken over de mogelijkheid tot het planologisch toestaan van nieuwe gevoelige objecten binnen de invloedsfeer van geitenhouderijen. Binnen de afstand van 2 kilometer tot de planlocaties zijn twee geitenhouderijen gevestigd, Kerkdijk 8 en 12.
Omdat de bedrijfswoningen Blokkenweg 4 en 4a een tweetal bestaande woningen betreffen, worden belangen van omliggende bedrijven en/of woning niet geschaad en levert het geen risico’s betreft de volksgezondheid. De bestemmingswijziging van ‘agrarisch bedrijf’ naar ‘niet – agrarisch bedrijf’ , doet hier niets aan af.
BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
70
5.6 Geluid 5.6.1 Wegverkeerslawaai Bij de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke functies is het noodzakelijk inzicht te verkrijgen in de mogelijke geluidshinder in het kader van de Wet geluidhinder. Langs alle wegen, wegen met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur en woonerven daargelaten, zijn geluidzones aanwezig waarbinnen de geluidhinder getoetst dient te worden. De maximumsnelheid ter plaatse op de Blokkenweg is 60 km/uur buiten de bebouwde kom. Het wegdek bestaat uit asfalt. Er wordt in het plangebied geen nieuwe geluidgevoelige objecten toegevoegd, slechts de bestaande bedrijfswoningen blijven gehandhaafd. Uit nader onderzoek is het wegverkeerslawaai ‘Indirecte hinder door verkeersaantrekkende werking’ afkomstig van transportbewegingen van de bedrijven beoordeeld. Uit het onderzoek blijkt dat voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van maximaal 50 dB(A).
5.6.2 Akoestisch onderzoek industrielawaai Er door M & A Omgeving een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (30 maart 2023/ kenmerk 222-RBL4a-il-v2) voor een tweetal inrichtingen aan de Blokkenweg 4 en 4a te Rosmalen (bijlage 6). De aanleiding is dat de huidige varkenshouderij (varkensstallen) mee doet aan de Saneringsregeling Varkenshouderij. De varkenshouderij wordt in zijn geheel gesloopt. Het bedrijf is meldingsplichtig op grond van het Activiteitenbesluit. In dit onderzoek zal de geluidsinvloed van beide bedrijven apart beschreven worden en bepaald. Blokkenweg 4 Op het terrein kunnen in de toekomstige bedrijfsvoering de volgende activiteiten plaats vinden: A. Transportbewegingen naar en van stalling caravans en campers; B. Transportbewegingen i.v.m. ambachtelijk bedrijf/ klusbedrijf (personenauto’s / busjes). A. Transportbewegingen naar en van stalling caravans en campers Er zijn een tweetal opslagloodsen (totaal 1.000 m2) op het terrein aanwezig ten behoeve van de stalling van caravans en campers.
Ten behoeve van de stalling van de caravans en campers is rekening gehouden met de volgende personenauto-bewegingen (route P1): - Dagperiode (7.00 - 19.00 uur): 100 auto’s heen- en terug - Avondperiode (19.00 - 22.00 uur): 20 auto’s heen- en terug Verder is rekening gehouden met de volgende camper-bewegingen (route Camp): - Dagperiode (7.00 - 19.00 uur): 30 campers heen- en terug - Avondperiode (19.00 - 22.00 uur): 4 campers heen- en terug B. Transportbewegingen i.v.m. ambachtelijk bedrijf/ klusbedrijf Ten behoeve van het klusbedrijf is rekening gehouden met de volgende busjes-bewegingen (route B1): - Dagperiode (7.00 - 19.00 uur): 10 busjes heen- en terug - Avondperiode (19.00 - 22.00 uur): 2 busjes heen- en terug
BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
71
Verder is rekening gehouden met de volgende kleine vrachtwagen-bewegingen (route Vr1): - Dagperiode (7.00 - 19.00 uur): 2 wagens heen- en terug Blokkenweg 4a (agrarisch technisch hulpbedrijf, cat. 2) Op het terrein kunnen in de toekomstige bedrijfsvoering de volgende activiteiten plaats vinden: A. Transportbewegingen tractoren, mobiele kraan/ loader; B. Transportbewegingen personenauto’s/ busjes. A. Transportbewegingen tractoren, mobiele kraan, loader Ten behoeve van agrarisch hulpbedrijf is rekening gehouden met de volgende bewegingen (route Tr1): - Dagperiode (7.00 - 19.00 uur): 10 voertuigen heen- en terug - Avondperiode (19.00 - 22.00 uur): 6 voertuigen heen- en terug - Nachtperiode (22.00 - 6.00 uur): 6 voertuigen heen- en terug Verder is rekening gehouden met de volgende vrachtwagen-bewegingen (route Vr2): - Dagperiode (7.00 - 19.00 uur): 2 wagens heen- en terug B.
Transportbewegingen personenauto’s/busjes Verder is rekening gehouden met de volgende personenautobewegingen (route P2): - Dagperiode (7.00 - 19.00 uur): 10 auto’s heen- en terug - Avondperiode (19.00 - 22.00 uur): 6 auto’s heen- en terug Verder is rekening gehouden met de volgende busjes-bewegingen (route B2): - Dagperiode (7.00 - 19.00 uur): 10 busjes heen- en terug - Avondperiode (19.00 - 23.00 uur): 2 busjes heen- en terug Samenvatting: (Voorkeurs)grenswaarden Er wordt, voor beide bedrijven, in de representatieve bedrijfssituatie voldaan aan de grenswaarden, zoals gesteld in het Activiteitenbesluit. Als ook de transportbewegingen op het terrein en andere niet-vast opgestelde installaties worden meegerekend, dan worden de grenswaarden ook niet overschreden. De voorkeursgrenswaarde voor de indirecte hinder wordt ter plaatse van de omliggende woningen niet overschreden. Blokkenweg 4 Er wordt in de representatieve bedrijfssituatie voldaan aan de grenswaarden, zoals gesteld in het Activiteitenbesluit. De voorkeursgrenswaarde voor de indirecte hinder wordt ter plaatse van de omliggende woningen niet overschreden.
BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
72
Blokkenweg 4a Er wordt in de representatieve bedrijfssituatie voldaan aan de grenswaarden, zoals gesteld in het Activiteitenbesluit. De voorkeursgrenswaarde voor de indirecte hinder wordt ter plaatse van de omliggende woningen met maximaal 1 dB(A) overschreden. Omdat voor de betreffende woning voldaan kan worden aan een gevelwering van 16 dB(A), gelden hiervoor verder geen belemmeringen. Conclusie: Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de indirecte hinder geen belemmering is voor het planvoornemen. Indirecte hinder zorgt weliswaar voor een overschrijding van de normstelling van 50dB(A) etmaalwaarde met maximaal 1 dB(A), maar de overschrijding is aanvaardbaar. Dit omdat het geluidniveau in de woningen niet hoger is dan 35 dBA) etmaalwaarde.
BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
73
5.7 Bedrijven en milieuzonering In de directe omgeving van beide plangebieden vinden voornamelijk agrarische activiteiten plaats. Op basis van de VNG-brochure, versie maart 2009, worden de bedrijfsmatige activiteiten getoetst aan de bijbehorende richtafstanden. In paragraaf 5.7.1 en 5.7.2 zal getoetst worden of de contouren van de omliggende bedrijven over Blokkenweg 4 of Blokkenweg 4a komen te liggen.
5.7.1 Bedrijfsmatige activiteiten rondom Blokkenweg 4 Nadat de locatie gewijzigd wordt naar de bestemming Bedrijf, zal het plangebied de functieaanduiding ‘statische opslag’ en ‘ambachtelijk bedrijvigheid’ toegekend krijgen. Bijbehorende SBI coderingen zijn hierbij ‘5221 – Autoparkeerterrein’ en ’43 – aannemersbedrijf met werkplaats: b.o. <1.000 m2’. Op onderstaande pagina’s zullen de omliggende bedrijfsmatige activiteiten toegelicht worden, om zo te onderzoeken of er enige belemmering kan optreden m.b.t. de richtafstanden. De richtafstanden worden aan de hand van de omvang van het toekomstig bouwvlak getoetst.
c. b . a.
Figuur 23: Omliggende bedrijfsmatige activiteiten (straal 300 m)
Na het doorvoeren van het tweetal bestemmingswijzigingen naar Bedrijf, is er in de omgeving van de hoofdinfrastructuur sprake van een gemengd gebied. Nu er sprake is van een gemengd gebied, is bij de beoordeling rekening gehouden met de grootste afstand die voor de verschillende bedrijven van toepassing zijn en gecorrigeerd(het verkleinen van een afstandsstap) naar de richtafstand behorende bij een gemengd gebied.
BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
74
Tabel 11: Omliggende bedrijven - Blokkenweg 4 Adres
Buitengebied/ Kern
Functieaanduiding
SBIcode 2008
Grootste richtafstand
Werkelijke afstand tot plangebied
Deelconclusie
a.
Blokkenweg 4a
Buitengebied
Hoveniersbedrijf/cultuurtechnisch hulpbedrijf 500 m2
016
30 meter
65 meter
Voldoet
b.
Blokkenweg 5
Buitengebied
Melkveehouderij
0141
50 meter
130 meter
Voldoet
c.
Blokkenweg 3
Buitengebied
Paardenhouderij
0143
50 meter
260 meter
Voldoet
4
130 meter
5
4a 65 meter
.
Cultuurtechnisch / Hoveniersbedrijf 500 m2 Figuur 24: Onderlinge afstanden
Conclusie Op basis van de richtlijn bedrijven en milieuzonering kan geconcludeerd worden dat de bedrijfswoning / kwetsbare objecten op de locatie Blokkenweg 4 niet binnen richtafstanden van omliggende bedrijven valt, waardoor een acceptabel leefklimaat gegarandeerd kan worden.
BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
75
5.7.2 Bedrijfsmatige activiteiten rondom Blokkenweg 4a Op basis van de VNG-brochure, versie maart 2009, worden de beoogde bedrijfsactiviteiten van de Blokkenweg 4a geschaard onder SBI-code 016 ‘plantsoendiensten en hoveniersbedrijf’, met een maximum bebouwd oppervlak van maximaal 500 m2 (milieucategorie 2). Idem dito wordt er voor Blokkenweg 4a bekeken of de contouren van de overige omliggende bedrijven over het bedrijf komen te liggen.
b .
a.
Figuur 25: Omliggende bedrijfsmatige activiteiten (straal 300 m) Tabel 12: Omliggende bedrijven - Blokkenweg 4a
a.
b.
Adres
Buitengebied/ Kern
Functieaanduiding
SBIcode 2008
Grootste richtafstand
Werkelijke afstand tot plangebied
Deelconclusie
Blokkenweg 4
Buitengebied
Ambachtelijk bedrijf Aannemersbedrijf 200m2, milieucategorie 2 Auto-/Caravansstalling Maximaal 1.000 m2 Melkveehouderij
45-3
30 meter
31 meter
Voldoet
5221
10 meter
12 meter
Voldoet
0141
25 meter*
75 meter
Voldoet
Blokkenweg 5
Buitengebied
*Blokkenweg 5 Op basis van de gemeentelijke geurverordening wordt de vaste afstand van een melkrundveehouderij tot geurgevoelige objecten teruggebracht tot 25 meter (halvering van de 50 meter eis).
BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
76
Auto- / Caravanstalling 1.000 m2
4 Grens bouwvlak 75 meter
4a
12 meter
5
31 meter Ambachtelijk bedrijf 200 m2
Figuur 26: Onderlinge afstanden
Conclusie Uit tabel 12 kan worden afgeleid dat de bedrijfswoning, kwetsbare objecten op de locatie Blokkenweg 4a geheel buiten de richtafstanden van omliggende bedrijven ligt. Er kan hierdoor een acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd worden. Het feit dat de bedrijfsgebouwen Blokkenweg 4 op de grens van de enkelbestemming ‘bedrijf’ zijn gesitueerd, kan de afstand van de woning Blokkenweg 4a tot de caravanstalling niet kleiner worden dan 12 meter. Het aspect ‘geluid’ is bij de naast elkaar gelegen bedrijven 4 en 4a het maatgevende aspect voor de toets aan afstanden (op elkaars woningen). Het aspect geluid is afzonderlijk onderzocht en nader beschouwd in een geluidsrapport Rapportnummer : 221-RBl4a-il-v2. Er wordt in de representatieve bedrijfssituatie voldaan aan de geluidnormering in het Activiteitenbesluit. Specifiek voor het aspect geluidhinder wordt er verwezen naar de paragrafen 5.6.
5.8
Bodemkwaliteit
Het onderhavige plangebied is voldoende van kwaliteit voor de reeds bestaande en bestemde functies. Concreet worden er binnen het plangebied geen nieuwe kwetsbare functies (zoals wonen) mogelijk gemaakt. Nieuwe ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de bodem moeten voldoen aan de daarvoor geldende regels (zoals bodem beschermende voorzieningen, maatregelen en/of bodemonderzoeken) conform de Wet milieubeheer. Hierdoor is bodem voor onderhavig plan geen gewichtig aspect. Bij het uitvoeren van eventuele werkzaamheden binnen onderhavig plangebied moet rekening worden gehouden met het eventueel vrijkomen van grond, en de noodzaak deze grond af te voeren. De vrijkomende grond valt, indien deze buiten de locatie hergebruikt gaat worden onder regime van het Besluit Bodemkwaliteit. Van de vrijkomende grond moet de kwaliteit afdoende bekend BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
77
worden via bodemonderzoek, waarna er een passende bestemming of afvoermogelijkheid bepaald kan worden. Voor de locatie op de Blokkenweg 4 vinden er geen wijzigingen plaats die gevolgen hebben voor de bodem, hierdoor is nader onderzoek van de bodemkwaliteit niet aan de orde. Betreft de Blokkenweg 4a wordt de volledige varkenshouderij gesloopt, waardoor er ingrepen in de bodem plaats zullen vinden. Deze ingrepen zullen betrekking hebben op het verwijderen van de fundering. Hiervoor hoeft echter geen grond afgevoerd te worden, in tegendeel, er zal grond moeten worden aangevoerd. Aangaande het onderzoeken van vrijkomende grond is voor onderhavig plangebied niet van toepassing.
5.9
Externe veiligheid
Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: risicovolle inrichtingen, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht. Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit.
Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. 5.9.1 Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.
BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
78
5.9.2 Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten. 5.9.3 Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) waarborgt een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Het besluit van 11 november 2013 bevat eisen voor het PR en regels voor het GR. 5.9.4 Beleidsvisie externe veiligheid gemeente ‘s-Hertogenbosch De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. 5.9.5 Beoordeling plangebied De beoogde ontwikkeling voorziet in een bestemmingswijziging én het splitsen van een bouwvlak. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen zullen er geen kwetsbare objecten worden toegevoegd.
Daarnaast bevindt het plangebied zich in een groen gebied(buiten 30 meter van het spoor en de Rijkswegen), zie figuur 26. Inventarisatie risicobronnen Met behulp van de nationale risicokaart is gekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Een uitsnede van de risicokaart met het plangebied vindt u hieronder. Het plangebied is blauw omcirkeld.
Figuur 27: Uitsnede risicokaart BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
79
Figuur 28: Uitsnede gemeentelijke risicokaart
Inrichtingen Rondom het plangebied zijn enkele gevaarlijke locaties aanwezig. Dit zijn voornamelijk de rood aangestipte puntjes met bijbehorende terreingrenzen rondom. Binnen deze terreingrens is het betreffend bedrijf verantwoordelijk voor de veiligheid. De terreingrenzen liggen niet in de buurt van de planlocaties, waardoor de aanvragers geen verantwoordelijkheid mee dragen. Daarnaast bevindt op ca. 850 meter een hoge druk aardgasbuisleiding (transportroute ID: 11479). Uit het Uitvoeringskader Externe Veiligheid, deel A Huidige situatie van de gemeente 's-Hertogenbosch blijkt dat deze aardgasleiding een PR 10-6 contour heeft van 0 meter en een invloedsgebied van 140 meter. Bedrijven Het Bevi en de bijbehorende regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI) zijn op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het BEVI legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vastgesteld dient te worden of het plangebied gelegen is binnen de veiligheidscontour van bestaande inrichtingen. De inrichtingen zijn weergegeven op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant. Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Spoorwegen Op circa 2.000 meter ten zuiden van het plan ligt de spoorweg ’s-Hertogenbosch – Nijmegen.
Deze spoorweg maakt onderdeel uit van het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de Regeling basisnet volgt dat deze spoorweg geen PR 10-6 contour of plasbrandaandachtsgebied heeft. BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
80
Wel heeft het spoor een invloedsgebied die over het plangebied reikt. Echter gezien de grote afstand van het plangebied tot aan het spoor (ca. 2 km), heeft deze ontwikkeling geen significante invloed op het GR. Met de Veiligheidsregio is afgesproken geen advies te vragen en aanvullende eisen te stellen bij plannen buiten 325 meter van een transportroute. Een eventuele nadere verantwoording van het GR is daarom niet nodig. Wegen Op circa 3.200 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich de A59 met daarover transport van gevaarlijke stoffen. Deze weg is onderdeel van het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de Regeling basisnet blijkt dat dit traject van de A2 geen PR 10-6-contour en/of plasbrandaandachtsgebied heeft. Aangezien in de beoogde situatie het maximaal aantal bezoekers niet zal wijzigen, zal het Groepsrisico als gevolg van deze ontwikkeling onveranderd blijven. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het oogpunt van externe veiligheid, vanwege transport van gevaarlijke stoffen geen belemmeringen bestaan voor een goed woon- en leefmilieu.
5.10 Spuitzone In haar uitspraak van 12 november 2014, nr. 201306356/1/R3, is de AbRS ingegaan op de effecten van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op het woon- en leefklimaat rondom woningen. De Afdeling stelde vast dat op grond van artikel 1.1a van de Wabo de woning slechts voor de toepassing van de Wabo en de daarop berustende bepalingen als onderdeel van de inrichting kan worden beschouwd. Nu ten tijde hier van belang het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen geen deel uitmaakte van de toetsing van de gevolgen voor het milieu dan wel de bescherming van het milieu van de inrichting van appellant, kon de raad niet volstaan met een verwijzing naar artikel 1.1a van de Wabo. Dit betekent dat bij bestemmingswijzigingen gekeken moet worden naar de consequenties van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op aangrenzende percelen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen bedrijfswoningen en burgerwoningen. Een ruimtelijke regulering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan vanuit planologisch oogpunt weliswaar gewenst zijn (bijvoorbeeld door het opnemen van spuitvrije zones in het bestemmingsplan), maar dat geldt dan zowel ten opzichte van burgerwoningen als ten opzichte van bedrijfswoningen.
In dit opzicht verandert er derhalve niks als het gaat om gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op aangrenzende percelen buiten het bouwvlak. Als gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt binnen het bouwvlak zal dit in de meeste gevallen in bebouwing plaatsvinden en wordt de bijbehorende woning met tuin afdoende beschermd tegen drift (verwaaiing) van gewasbeschermingsmiddelen. Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen het bouwvlak, maar buiten bebouwing komt nagenoeg niet voor.
BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
81
5.11 Milieu Effect Rapportage Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. Ad. a Geen m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit. Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor projecten met grote milieugevolgen een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D in het Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn.
Door te toetsen aan de drempelwaarden van het Besluit m.e.r. wordt bepaald of de ontwikkelingen in het kader van dit bestemmingsplan m.e.r.-plichtig zijn of dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling voldoende is. In de MER is geen drempelwaarde opgenomen voor het realiseren van een aannemersbedrijf en cultuurtechnisch hoveniersbedrijf. Ad. b Geen passende beoordeling Een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist als een Natura2000 gebied is gelegen binnen een afstand van 1 kilometer. Binnen deze afstand moet een passende beoordeling inzichtelijk maken of het project effecten heeft op deze natuurwaarden als gevolg van lichthinder, geluidhinder, verdroging of vermesting etc. Daarnaast is met de Aerius-calciulator inzichtelijk gemaakt dat na sanering van de varkenshouderij, de beoogde passende herbestemming geen bijdrage heeft aan een mogelijke toename van significante effecten op deze natuurwaarden. De ontwikkelingen / wijzigingen van het vigerend bestemmingsplan hebben betrekking op het omschakelen van de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ naar ‘Bedrijf’. Daarnaast maakt het plan planologisch gezien geen onderdeel uit van een groter project waarover een planologisch besluit is genomen. Uit de milieuaspecten, zoals in dit hoofdstuk nader in toegelicht, blijkt dat er geen belangrijke nadelige effecten zijn te verwachten die een formele m.e.r.
beoordeling van het plan noodzakelijk maken.
BESTEMMINGSPLAN BLOKKENWEG 4 EN 4A ROSMALEN
82
5.12 Duurzaamheid “We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Gemeente 's-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vast gelegd in de 'visie duurzaam 's-Hertogenbosch' (mei 2019). Met de vast gestelde visie zet gemeente 's-Hertogenbosch verduurzaming in op de onderstaande 4 thema's: 1. 2. 3. 4.
Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging) CO2 neutrale omgeving (energie) Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit) Duurzame mobiliteit
Conform de visie houden we rekening met veranderingen in het klimaat met meer extreme buien en hete zomers. We zorgen voor een veilig watersysteem en werken aan vergroening van onze omgeving. Op het gebied van energie (om een CO2 neutrale gemeente te worden) werken we enerzijds aan het verminderen van de energievraag en anderzijds het opwekken van duurzame energie op diverse manieren. Ook maken we stappen om de gemeente op termijn aardgasloos te laten zijn. Ten aanzien van grondstoffen zijn we ons er van bewust dat deze dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking en toenemende welvaart in de wereld. Beschikbare grondstoffen dienen derhalve zo efficiënt mogelijk te worden gebruikt (en hergebruikt) en we gaan er bewust mee om. Ten aanzien van het vervoer werken we aan schonere, slimmere en duurzame mobiliteit. Op deze wijze bouwen we samen aan een duurzaam ’s-Hertogenbosch.” Hierna is per thema beschreven op welke wijze invulling wordt gegeven aan het onderwerp 'duurzaamheid' in het voorliggende plan: 2. Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging en vergroening) 's-Hertogenbosch gaat voor een aantrekkelijke, leefbare en groene gemeente met schone lucht. We spelen in op veranderingen in het klimaat met extreme regenbuien en hete zomers. Voldoende waterberging helpt wateroverlast te voorkomen en maakt ons beter bestand tegen droogte.
We willen onze gemeente zichtbaar vergroenen, met name in de bebouwede stedelijke omgeving. Groen vergroot de biodiversiteit, bevordert de gezondheid van ons inwoners en heeft een verkoelende werking. Naast de sloop van een groot complex ‘vrijkomende agrarische bebouwing’ zal de hoeveelheid verharding per saldo flink afnemen en wordt een groot deel van het perceel landschappelijk ingepast met groene elementen zoals bomen en struikgewas, inclusief een wadi. Het geheel versterkt de biodiversiteit, daarbij wordt kan er door de aanleg van een wadi het water beter vast worden gehouden waardoor het plangebied beter bestand is tegen de droogte. Deze ontwikkeling wordt geborgen in het bestemmingsplan middels een voorwaardelijke verplichting dat het landschapsplan wordt uitgevoerd en in stand moet worden gehouden.