Bijlage 1 Regels en toelichting Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Orthen Links Orthensedonk 16045270
Tekst van het document
Conclusie In deze waterparagraaf is de waterbergingsopgave van het plangebied bepaald en ingevuld met een passend ontwerp voor hemelwater, grondwater en afvalwater.
63
5.12
Duurzaamheid
We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Op dit moment werken we intensief aan het verduurzamen van onze gemeente 's-Hertogenbosch. Hierbij is 'energie' een belangrijk speerpunt binnen onze gemeente. Enerzijds door het realiseren van duurzame energievormen (zoals windturbines, zonnepanelen, warmtepompen) en anderzijds door het energiezuinig (neutraal) laten bouwen. Ook oplossingen voor waterbeheer dragen bij aan de ontwikkeling van een duurzame (toekomstbestendige) gemeente. Energie Zoals gezegd is energiebeheer een belangrijk speerpunt binnen duurzaamheids-ambities van de gemeente 's-Hertogenbosch. De gemeente heeft doelen gesteld waaraan wordt gewerkt om te komen tot een klimaat neutrale gemeentelijke organisatie in 2020, een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2035 en 's-Hertogenbosch volledig klimaatneutraal in 2050. Deze ambities zijn fors te noemen, waarbij 'alles uit de kast' moet worden gehaald. Deze doelstelling betekent dat niet alleen de gemeente veel doet, maar ook de Bossche bedrijven, inwoners, ontwikkelaars, maatschappelijke groepen, woningcorporaties zullen hierin moeten investeren, samenwerken, creatief zijn en vooruitdenken.
De gemeentelijke energie-ambitie en -doelstellingen zijn vastgelegd in het “Energie-transitieprogramma 's-Hertogenbosch 2016-2020”, vastgesteld door de gemeenteraad op 31 januari 2017. Ook het recente bestuursakkoord (2018-2022) stelt dat we als gemeente een serieuze bijdrage leveren om de klimaatverandering tegen te gaan, bijvoorbeeld via het opwekken van duurzame energie en het energiezuinig laten bouwen in onze gemeente. Woningen Vanaf 1 juli 2018 mogen nieuwe woningen en andere nieuwe kleinverbruikers niet meer op aardgas worden aangesloten. Vanaf 1 januari 2020 moet nieuwbouw aan zogenaamde 'BENG-eisen' voldoen. BENG staat voor “Bijna Energie Neutraal Gebouw”. In de tussenliggende periode geldt voor woningen een EPC waarde van 0,4. Het bestuursakkoord zet bij ontwikkelingen in om vooruit te lopen op de landelijke norm (zoals deze zich nu laat aanzien). De nieuwbouw voldoet aan de BENG-eisen. Daarnaast wordt de huidige bebouwing circulair gesloopt en wordt de nieuwe bebouwing in duurzame materialen uitgevoerd (waaronder hout). Klimaatverandering Het klimaat verandert. In Nederland krijgen we volgens de meest recente KNMI-modellen in de toekomst te maken met meer extreme weersomstandigheden zoals langere droge periodes, heftigere buien (met mogelijk meer onweer, neerslag, hagel en wind) en gemiddeld zal de temperatuur stijgen.
Door hierop tijdig te anticiperen en aanpassingen door te voeren aan de fysieke leefomgeving van de stad en adaptief gedrag van haar inwoners te ondersteunen, blijft de stad van de toekomst veilig en leefbaar. Om hittestress te voorkomen als gevolg van veel verstening en asfalt liggen bij (her)ontwikkeling in de bestaande stad kansen voor een klimaatadaptieve inrichting. Vooral het aanleggen van groen en aanplanten van bomen zorgt voor verkoeling. Voor bomen is het belangrijk dat ze voldoende ondergrondse groeiruimte krijgen en altijd van voldoende water zijn voorzien. Voor een klimaatadaptieve inrichting van het plan worden onderstaande maatregelen uitgevoerd: Realiseren van een groen dak (78 m²) dat zorgt voor vertraagde waterafvoer; Inpassing van groen, inclusief groene gevel, ter beperking van hittestress. Zie voor een nadere toelichting hierop paragraaf 4.3.5. Binnen de beperkte ruimte in het plangebied wordt op evenredige wijze rekening gehouden met klimaatadaptieve maatregelen.
64
5.13
Milieueffectrapportage
Op grond van de Wet milieubeheer is het voor projecten die mogelijk grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu verplicht om een procedure voor de milieueffectrapportage (m.e.r.-procedure) te doorlopen. De m.e.r.-procedure is bedoeld om ten aanzien van bepaalde plannen en besluiten de milieubelangen expliciet mee te wegen bij besluitvorming. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen "m.e.r.-plichtige activiteiten" waarvoor een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en "m.e.r.- beoordelingsplichtige activiteiten" waarbij in de vorm van een m.e.r.-beoordeling moet worden afgewogen of significante negatieve gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien deze niet kunnen worden uitgesloten dan dient alsnog een MER opgesteld te worden. 5.13.1 Toetsingskader Bij woningbouw kan er sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in onder deel D 11.2, kolom 1: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Als de ontwikkeling ook voldoet aan kolom 2 (de drempel), dan is er sprake van een m.e.r.-plicht. Dit is het geval als de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
Blijft de ontwikkeling onder de drempel, dan is sprake van een informele m.e.r.-beoordeling. Dit wordt ook wel de vorm-vrije m.e.r.-beoordeling genoemd. Gemeenten en provincies moeten ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Er kan ook sprake zijn van een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Dit kan het geval zijn als gevolg van toename van stikstof op stikstofgevoelige natuurgebieden.
65
5.13.2 Conclusie Het realiseren een appartementencomplex met 22 appartementen valt niet onder categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject) en blijft ruimschoots onder de drempelwaarden genoemd in het Besluit m.e.r. Het kan echter zijn dat de ontwikkeling wel kan worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit hangt af of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Hierbij spelen onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijk ontwikkeling een rol. In dit geval gaat het om het oprichten van een appartementencomplex in een al bestaande Woonbestemming, waarbij het feitelijke gebruik van de gronden niet wijzigt. Voorts ligt de locatie niet in of nabij een beschermd natuurgebied, maar middenin bestaand stedelijk gebied. Ook is er geen risico op verontreiniging en leidt de ontwikkeling niet tot hinder voor omliggende functies. Een en ander is in dit hoofdstuk aangetoond. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/of – technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Ook blijkt uit dit voorliggende bestemmingsplan dat er geen sprake is van significant nadelige gevolgen voor het milieu.
Voorgaande maakt dat de ontwikkeling in het plangebied niet kan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkelingsproject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Derhalve is het niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordeling uit te voeren, ook bestaat er geen aanleiding tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Deze paragraaf vormt de vormvrije-m.e.r.-beoordeling.
5.14
Ecologie
5.14.1 Toetskingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. 66
Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 5.14.2 Onderzoek
67
Negatieve effecten op beschermde soorten zijn vanwege de aard van het plan op voorhand niet uitgesloten. Daarom is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 11 bij deze toelichting. Toetsing gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek”, bevindt zich op circa 2,4 kilometer afstand ten zuiden van het projectgebied. ). Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied is een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied redelijkerwijs niet aan de orde, waardoor een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is uitgesloten. Volledige zekerheid omtrent het aspect stikstof is echter alleen verkrijgbaar middels een berekening in AERIUS Calculator. Hierop wordt in paragraaf 5.15 ingegaan. Uit de betreffende paragraaf en het uitgevoerde onderzoek blijkt dat negatieve effecten in dit opzicht uitgesloten kunnen worden.
Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 400 meter ten noordwesten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Toetsing soortenbescherming Vogels Bij sloop van de gebouwen bestaat de kans dat er één of meerdere nesten van de huismus en gierzwaluw verloren gaan. Nesten van de huismus en gierzwaluw zijn jaarrond beschermd. Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of zich onder de daken van de gebouwen nesten van de huismus of gierzwaluw bevinden. Er is soortgericht vervolgonderzoek verricht naar zowel de huismus als gierzwaluw. De rapportages hiervan zijn opgenomen in respectievelijk Bijlage 12 en Bijlage 13. De bebouwing in het plangebied valt binnen het Soortmanagementplan van initiatiefnemer. Met betrekking tot de huismus dient te worden uitgesloten dat er een kolonie van meer dan 10 nesten aanwezig is binnen de bebouwing. Op basis van het nader onderzoek en de beschikbare informatie, kan de aanwezigheid van een kolonie van de huismus in het plangebied worden uitgesloten. Er zijn tevens geen bijzondere functies voor de gierzwaluw vastgesteld.
Door mitigerende maatregelen uit te voeren uit het Soortmanagementplan van de initiatiefnemer kan met dit project worden aangesloten bij de huidige ontheffing van initiatiefnemer (Stichting BrabantWonen) en is een volledig protocollair onderzoek en separate ontheffing niet noodzakelijk.
68
Deze maatregelen dienen meegenomen te worden in een regulier uitvoeringsplan en ecologisch werkprotocol. Het benodigde document is opgesteld (d.d. 13 september 2023) en dient voorafgaand aan de werkzaamheden te zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van de rust- of verblijfplaatsen behouden worden en zal schade aan individuen worden voorkomen. Ten aanzien van beschermde vogelsoorten zijn er geen belemmeringen voor het plan aan de orde. Vleermuizen Bij de sloop van de huidige bebouwing bestaat de kans dat er één of meerdere verblijfplaatsen van een vleermuissoort verloren gaan. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd. Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of zich in de te slopen bebouwing verblijfplaatsen van een vleermuissoort bevinden. Er is soortgericht vervolgonderzoek verricht. De rapporage hiervan is opgenomen in Bijlage 13. Er zijn geen bijzondere functies voor vleermuizen vastgesteld. Door mitigerende maatregelen uit te voeren uit het Soortmanagementplan van de initiatiefnemer kan met dit project worden aangesloten bij de huidige ontheffing van initiatiefnemer (Stichting BrabantWonen) en is een volledig protocollair onderzoek en separate ontheffing niet noodzakelijk. Deze maatregelen dienen meegenomen te worden in een regulier uitvoeringsplan en ecologisch werkprotocol.
Het benodigde document is opgesteld (d.d. 13 september 2023) en dient voorafgaand aan de werkzaamheden te zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van de rust- of verblijfplaatsen behouden worden en zal schade aan individuen worden voorkomen. Ten aanzien van vleermuizen zijn er geen belemmeringen voor het plan aan de orde. Grondgebonden zoogdieren Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen.
Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Ongewervelde diersoorten en vaatplanten Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten
69
5.14.3 Conclusie Met de wijziging van het bestemmingsplan verandert de functie van het plangebied voor in deze omgeving aanwezige beschermde soorten, niet wezenlijk. Door bij realisatie van de beoogde nieuwbouw mitigerende maatregelen uit te voeren uit het Soortenmanagementplan van de initiatiefnemer kan met dit project worden aangesloten bij de huidige ontheffing van initiatiefnemer (Stichting BrabantWonen) kan het nieuwe gebouw onderdak bieden aan beschermde soorten en is een volledig protocollair onderzoek en separate ontheffing niet noodzakelijk. In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel aanwezige individuen in de te slopen panden. Hoewel middels onderzoek en op basis van de ontheffing voldoende is onderbouwd dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden, houdt dit in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen, verrichtte onderzoeken zijn immers momentopnamen. Ten aanzien van broedvogels is het verstandig dat, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor andere dieren zal het volgens voorschriften uit de ontheffing/protocol natuurvrij maken van de gebouwen, hiervoor zorgen.
70
5.15
Stikstofdepositie
In het kader van de Wet natuurbescherming dient beoordeeld te worden of een ontwikkeling de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Overbelasting door stikstofdepositie vormt voor een groot aantal Natura 2000-gebieden een groot probleem voor de natuur. 5.15.1 Toetsing In dat kader is er door BRO een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (zie Stikstofdepositie-onderzoek). In dit onderzoek zijn de stikstofemissie en de stikstofdepositie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling nader beschouwd. Sinds november 2022 is de bouwvrijstelling niet meer van toepassing. Zodoende is voor onderhavige ontwikkeling zowel een berekening voor de aanlegfase als voor de gebruiksfase uitgevoerd. Aanlegfase Met de sloop van de huidige aanwezige drie woningen en de bouw van het beoogde appartementencomplex met inpandige buurtkamer zullen emissies worden uitgestoten door mobiele werktuigen en bouw-verkeer. Om te bepalen wat het effect van deze emissies op Natura 2000 is een berekening gedaan van de bouwfase. Het rekenresultaat is niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Zodoende kan geconcludeerd worden dat er ook geen overschrijding zal plaatsvinden om de stikstofgevoelige habitattypen van de omliggende Natura-2000 gebieden.
Gebruiksfase De nieuw te realiseren appartementen zullen gasloos worden opgeleverd en zorgen in de toekomstige situatie dan ook niet voor een stikstofemissie. De verkeersbewegingen die met de gebruiksfase samenhangen zorgen wel voor een stikstofemissie. De verwachte verkeersaantrekkende werking van het plan-voornemen is berekend op basis van de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren". Het initiatief betreft de bouw van 22 woningen, 3 woningen worden gesloopt om plaats te maken voor de ontwikkeling. Dit zorgt voor een toevoeging van 19 nieuwe woningen ten opzichte van de huidige situatie. De minimale verkeersgeneratie bedraagt 3,2 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal (gemiddelde van maandag t/m zondag). De verkeersgeneratie conform de rekenmethode van CROW van het voormalige programma is daarmee; 19 woningen x 3,55 = 67,48 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. Er is uitgegaan van het minimaal aantal verkeersbewegingen, omdat het plangebied in de nabijheid van openbaar vervoer is gelegen en vele voorzieningen (winkels, horeca, etc.). Voor de volledigheid zijn eveneens vier zware vrachtbewegingen per maand (bewegingen voor bijvoorbeeld ophaaldiensten en vuilniswagens) meegenomen in de berekening). Het rekenresultaat met de ingevoerde verkeersbewegingen is niet hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Zodoende kan geconcludeerd worden dat er ook geen overschrijding zal plaatsvinden om de stikstofgevoelige habitattypen van de omliggende Natura-2000 gebieden. 5.15.2 Conclusie Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming. De volledige rapportage is opgenomen in de bijlagen.
71
5.16
Archeologie en cultuurhistorie
5.16.1 Toetsingskader Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in naar verwachting per 1 januari 2024 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet een overgangsregeling opgenomen. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In de toelichting van het bestemmingsplan dient op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, vijfde lid, onder deel a Bro) een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is met deze wet verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
De hoofddoelen van het provinciaal beleid zijn: Duurzaam behoud en beheer van het archeologisch erfgoed in situ door gebiedsbescherming Duurzaam behoud en beheer van het archeologisch erfgoed ex situ als behoud in situ onmogelijk blijkt Vergroting van het maatschappelijk draagvlak voor archeologie Brabant. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 5.16.2 Onderzoek Arcehologie Gemeenten zijn wettelijk verplicht bekende archeologische en te verwachten waarden in hun bestemmingsplannen op te nemen. Voor het plangebied geldt een 'Waarde - Archeologie 2' (Artikel 25), de aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en te verwachten archeologische waarden van de gronden. Binnen de dubbelbestemming zijn geen bouwwerkzaamheden toegestaan, die een grondoppervlakte betreffen groter dan 50 m2 en meer dan 0,50 meter beneden maaiveld. Fase 4 behoort tot de laatste fase van het bestemmingsplan 'Orthen-Links'. Orthen-Links is gelegen in een voormalig poldergebied (wedegronden) dat in 1948 is opgehoogd met zand uit de Ertveldplas. Hierdoor is het maaiveld grotendeels van 3 meter +NAP naar 5,7 meter +NAP gegaan.
Voor het deel van deze wijk dat langs het spoor ligt geldt deze ophoging niet. Deze strook kent nog steeds een maaiveldhoogte van circa 3m +NAP. De gemeente heeft een verwachtingskaart opgesteld voor het deel van de gemeente buiten de middeleeuwse stadskern van 's-Hertogenbosch. Voor deze kaart is gebruik gemaakt van de meest gedetailleerde en beschikbare bodemkundige en geo(morfo)logische gegevens, zodat de archeologische verwachtingszones zo gedetailleerd mogelijk kunnen worden begrensd. De verwachtingskaart bevat niet alleen de reeds bekende archeologische vindplaatsen, maar geeft ook een overzicht van de gebieden waar archeologische vindplaatsen verwacht kunnen worden, de zogenaamde verwachtingsgebieden. Gebieden waar de kans op het aantreffen van archeologie hoog is, worden aangeduid als gebieden met een hoge archeologische verwachting. Verder wordt nog een onderscheid gemaakt in gebieden met een middelhoge en gebieden met een lage archeologische verwachting. Of er ook daadwerkelijk archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, moet archeologisch onderzoek uitwijzen, maar de verwachtingsgebieden geven al wel aan in welke mate men met mogelijke archeologische resten rekening moet houden.
72
Figuur 20: uitsnede archeologische verwachtingenkaart gemeente 's-Hertogenbosch Het plangebied ligt aan de rand van een zone die deel uitmaakt van categorie 4F. In het deel van categorie 4F zijn resten van de Stelling van 1629 te verwachten. Deze bevinden zich op relatief grote diepte. Voor alle bodemverstorende activiteiten groter dan 100 m² en dieper dan 250cm onder het huidige maaiveld is een omgevingsvergunning (aanleg-, bouw of sloopvergunning) vereist.
73
5.16.3 Conclusie Archeologie Uit eerder archeologisch onderzoek blijkt dat het plangebied met 3-4 meter zand is opgehoogd in het recente verleden. Bij verstoringen tot 3 meter onder het maaiveld zijn in principe geen archeologische waarden te verwachten. Op basis van de archeologische verwachtingenkaart wordt zorgvuldigheidshalve aangenomen dat op een diepte tot 2,5 meter onder maaiveld geen archeologische resten worden verwacht. Het planvoornemen overschrijdt deze diepte uitsluitend voor beperkte funderingswerkzaamheden (boorpalen). De omvang van deze verstoring blijft echter onder de drempelwaarde van 100 m². Voor dergelijke puntlocaties geldt in principe bovendien een uitzondering. Omdat de nieuwbouw in houtbouw wordt gerealiseerd, is het benodigde aantal boorpalen relatief beperkt. Nader onderzoek is daarom niet benodigd. 5.16.4 Toetskingskader Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan.
De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 5.16.5 Onderzoek Cultuurhistorie Gemeente 's-Hertogenbosch telt ruim duizend monumenten en beeldbepalende panden. Ook zijn er tientallen plekken aangewezen als archeologisch monument of beschermd stads- en dorpsgezicht. De gemeente heeft een interactieve monumentenkaart gecreerd met alle aangewezen historische gebouwen en plekken. Onderstaande figuur 21 geeft de planlocatie weer op de monumentenkaart. Te zien is dat plangebied niet is gelegen binnen een historisch gebied en/of gelegen is op een locatie waar een monument aanwezig is.
74
Figuur 21: uitsnede monumentenkaart 's-Hertogenbosch 5.16.6 Conclusie Cultuurhistorie Voorgenomen plangebied is niet gelegen binnen een historisch gebied en/of gelegen waar een monument aanwezig is. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor voorgenomen initiatief.
75
76
Hoofdstuk 6 Juridische toelichting 6.1
Inleiding
Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functieen bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Dit bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld. In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.
6.2
Plansystematiek
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. Er is gekozen voor een bestemmingsplansystematiek, waarbij het beoogde gebruik rechtstreeks mogelijk is binnen de opgenomen bestemmingen. Voor wat betreft de systematiek en inhoud van de bestemmingen en overige regels is aangesloten bij het bestemmingsplan 'Orthen-Links', gemeente 's-Hertogenbosch. De regels van het plan bestaan conform de SVBP2012 uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Hieronder worden de regels in de onderscheiden hoofdstukken kort toegelicht.
Hoofdstuk 1: Inleidende regels: Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren.
77
6.3
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels: In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen aan de orde. Alle zelfstandige regelingen, die gevolgen hebben voor de bouw- of gebruiksmogelijkheden van de gronden, zijn als een bestemming vormgegeven. In de volgende paragraaf worden de bestemmingen inhoudelijk toegelicht. De bestemmingen kunnen uit de volgende onderdelen (leden) bestaan, waarbij niet alle onderdelen in elke bestemming opgenomen behoeven te zijn. 1. Bestemmingsomschrijving: Een omschrijving van de doeleinden van de bestemming. Het gaat hierbij om de functies die zijn toegestaan binnen de bestemming. 2. Bouwregels: In de bouwregels worden voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. 3. Afwijken van de bouwregels: Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid om onder voorwaarden af te wijken van de bouwregels. 4. Specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel zijn nadere gebruiksregels opgenomen, bijvoorbeeld omtrent beroepen aan huis. 5. Afwijken van de gebruiksregels: In dit onderdeel kunnen regels worden opgenomen om onder voorwaarden te kunnen afwijken van de gebruiksregels. De voorwaarden hiervoor, worden opgesomd. 6.
Wijzigingsbevoegdheid: Door middel van een wijzigingsbevoegdheid kunnen Burgemeester en wethouders onder voorwaarden het plan wijzigen. Hoofdstuk 3: Dit hoofdstuk omvat de algemene regels. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels: Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
Bestemmingen
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Begrippen (Artikel 1): In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het plan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten (Artikel 2): Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan.
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Gemengd (artikel 3): In het plangebied is op het perceel tussen de Van Wandelenstraat, de Orthensedonk, de Margarethalaan en de woonpercelen aan de Orthen de bestemming 'Gemengd' gelegd. In de nieuwbouw is ruimte gereserveerd voor een buurtkamer met een maximum oppervlak van 85m2. Binnen dit blok is het ook mogelijk om sociale huurwoningen te realiseren, waarbij woonwagens uitgesloten worden. Daarnaast zijn aan huis gebonden beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten toegestaan, mits voldaan wordt aan de opgenomen voorwaarden zoals dat deze ondergeschikt moeten zijn aan de woonfunctie, zich goed moeten kunnen voegen in een woonomgeving en niet publieksaantrekkend mogen zijn. Op de verbeelding is het maximum aantal woningen opgenomen. Ook toont de verbeelding de maximale bouwhoogte en de aanduiding dat er sprake moet zijn van een plat dak. Hierdoor wordt het afwijkende karakter van het nieuwe gebouw ten opzichte van haar directe omgeving bevestigd. Dit afwijkende karakter sluit aan op de erin opgenomen maatschappelijke functie (buurtkamer). De nieuwbouw moet binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. Een uitzondering is opgenomen voor gebouwen van ondergeschikte aard, zoals een fietsenberging. Deze mag buiten het bouwvlak worden gebouwd. Voor dergelijke ondergeschikte bebouwing geldt een maximum gezamenlijk oppervlak van 50m2.
Bij de algemene gebruiksregels (artikel 8) is opgenomen dat voldaan moet worden aan de Nota Parkeernormering 2021.
78
Groen (artikel 4): In het plangebied is op het perceel tussen de Orthensedonk en de Van Wandelenstraat (zuidzijde) de bestemming groen gelegd. Hiermee wordt de bestemming 'gemengd' die in het vigerende bestemmingsplan Orthen-Links op dit perceel gelegen is wegbestemd. De nieuwe bestemming 'groen' sluit aan op de bestemming 'groen' in het vigerende plan 'Orthen Links' en is bedoeld voor het structuurbepalende groen op de Orthensedonk. Bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zijn zeer beperkt. De aanleg van water- en waterhuishoudkundige voorzieningen, fiets- en voetpaden en speelvoorzieningen zijn binnen deze bestemming toegelaten. Evenals aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen zoals sportvoorzieningen, openbare verblijfsvoorzieningen en kunstobjecten. Verkeer (artikel 5): Deze gronden zijn primair bestemd voor voorzieningen van verkeer. Wegen, fiets- en voetpaden, verblijfsgebied en parkeervoorzieningen mogen binnen deze bestemming worden gerealiseerd. De aanleg van aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen zoals speel- nuts- en water- en waterhuishoudkundige voorzieningen zijn ook toegelaten binnen deze bestemming. Bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zijn zeer beperkt. Waarde – Archeologie (artikel 4): Het plangebied is gelegen nabij het oorspronkelijk verloop van de Linie 1629.
Echter omdat het plangebied in het recente verleden met 3 – 4 meter is opgehoogd, is er bij verstoringen met een grondoppervlakte die kleiner is dan 100 m2 en tot 2,5 meter diepte, geen archeologisch onderzoek vereist. Bij ontwikkelingen die over een groter oppervlak verstoring met zich meebrengen, danwel dieper onder maaiveld ingrijpen, is een deskundig onderzoek noodzakelijk. Afhankelijk van het resultaat van het onderzoek, kunnen aan de eventueel te verlenen omgevingsvergunning voorwaarden verbonden worden.
Hoofdstuk 3: Algemene regels Anti-dubbeltelregel (artikel 7): Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels (artikel 8): In de algemene bouwregels zijn algemene bepalingen opgenomen met betrekking tot de overschrijding van bouwgrenzen, het uitvoeren van ondergrondse werken en het bouwen van ondergrondse bouwwerken, evenals bepalingen ten behoeve bestaande afstanden en andere maten en parkeren. In de algemene bouwregels is bepaald dat ten aanzien van bouwen, ondergeschikte bouwonderdelen (bv. liftschachten, luifels) buiten beschouwing kunnen worden gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt. Er is een algemene bouwregel opgenomen, die aangeeft dat bestaande bebouwing die op het moment van vaststelling van dit bestemmingsplan middels een daartoe verleende vergunning binnen het plangebied aanwezig/opgericht is dan wel mag worden opgericht, maar in strijd is met dit bestemmingsplan, wordt geacht aan dit bestemmingsplan te voldoen.
Er is een algemene bouwregel opgenomen dat er op het moment van het verlenen van de vergunning voor het bouwen duidelijk moet zijn dat er voldoende parkeerplaatsen voor auto's worden gerealiseerd. Om te kunnen bepalen of er sprake is van voldoende parkeerplaatsen moet de Nota Parkeernormering 2021 van de gemeente 's-Hertogenbosch worden gehanteerd. Daarbij is aangegeven dat wanneer de Nota Parkeernormering 2021 wijzigt, er rekening dient te worden gehouden met de gewijzigde regeling. Algemene gebruiksregels (artikel 9): In dit artikel is opgenomen welke gebruiksvormen in ieder geval als strijdig gebruik met het bestemmingsplan worden beschouwd. Daarnaast is opgenomen dat alleen gebruiksvormen toegestaan zijn, wanneer er voldoende parkeerplaatsen voor auto's worden gerealiseerd. Om te kunnen bepalen of er sprake is van voldoende parkeerplaatsen moet de Nota Parkeernormering 2021 van de gemeente 's-Hertogenbosch worden gehanteerd. Daarbij is aangegeven dat wanneer de Nota Parkeernormering 2021 wijzigt, er rekening dient te worden gehouden met de gewijzigde regeling.
79
Algemene afwijkingsregels (artikel 10): In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels in het plan waarvan het bevoegd gezag middels een omgevingsvergunning kan afwijken. De voorwaarden, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om flexibiliteit in maatvoering en afstandsnormen, kleine afwijking ten opzichte van bestemmingsgrenzen en bouwvlakken, ruimere bouwhoogten voor bouwwerken geen gebouwen zijnde, en plaatselijke verhogingen van gebouwen.
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
80
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid Het bouwvoornemen wordt volgens artikel 6.2.1 lid a Bro beschouwd als een bouwplan in het kader van artikel 6.12 lid 1 Wro. Ingevolge dit artikel dient de gemeenteraad voor het voornemen een exploitatieplan vast te stellen. De gemeenteraad kan op grond van artikel 6.12 lid 2 sub a Bro hiervan afwijken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins is verzekerd. De locatie wordt door de initiatiefnemer voor eigen rekening en risico ontwikkeld. Er zijn voor de gemeente geen kosten (waaronder begrepen eventuele planschade) aan verbonden. Voorafgaand aan de terinzagelegging van het bestemmingsplan is hiervoor een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Met het sluiten van de overeenkomst is de economische uitvoerbaarheid verzekerd. Daarmee is voldaan aan de verplichting als bedoeld in artikel 6.12, lid 2, sub a van de Wet ruimtelijke ordening.
81
82
Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog, vooroverleg en vaststellingsprocedure 8.1
Omgevingsdialoog
Voorafgaand aan en gedurende de planvoorbereiding heeft een uitgebreid participatietraject plaatsgevonden, waarin verschillende groepen belanghebbenden bij de planvorming zijn betrokken. Deze omgevingsdialoog heeft zorgvuldig plaatsgevonden. Vanwege deze zorgvuldigheid en de gewenste voortgang van het plan is besloten om geen gelegenheid te bieden tot inspraak, maar direct over te gaan naar het ontwerpbestemmingsplan. Het verslag van de omgevingsdialoog is opgenomen in Bijlage 15. Ten behoeve van het voorstaand planinitiatief is een informatieavond gehouden op 8 maart 2022. Tijdens deze avond is een toelichting gegeven op het concept ontwerp, met daarbij diverse impressies. Verder zijn in een eerder stadium individuele gesprekken met een aantal omwonenden en met de wijkraad gevoerd. Met de opgehaalde informatie en input uit de omgevingsdialoog is een aantal zaken in het plan aangepast zoals het vergroenen van de achtergevels t.o.v. de achtergelegen woningen aan Orthen en het treffen van maatregelen t.b.v. de privacy van de woning Orthensedonk 39.
8.2
Vooroverleg
Bij de voorbereiding van het (ontwerp)bestemmingsplan heeft ook het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) met diensten van het Rijk en de Provincie en met betrokken maatschappelijke organisaties plaatsgevonden. Op 22 februari 2021 is de veiligheidsregio Brabant-Noord in de gelegenheid gesteld om te reageren op het planvoorstel aan de Orthensedonk in 's-Hertogenbosch. Aan de hand van een Omgevingsscan zijn het aantal risicobronnen in de omgeving van het plangebied in kaart gebracht. De veiligheidsregio heeft hier advies op uitgegeven. De volledige adviesrapportage is opgenomen in Bijlage 10. Daarnaast is het ontwerpbestemmingsplan in voorbereiding, in het kader van het vooroverleg aan de provincie voorgelegd. De provincie heeft als reactie aangegeven dat er geen provinciale belangen in het geding zijn en dat er geen aanleiding is tot het geven van een inhoudelijke vooroverlegreactie. Ook is het ontwerpbestemmingsplan in voorbereiding, in het kader van de watertoetsprocedure en het vooroverleg aan het waterschap voorgelegd. Door het waterschap zijn enkele opmerkingen gemaakt. Verzocht wordt om een tekstvoorstel op te nemen in de toelichting. Dit is verzoek is vervolgens verwerkt. De reactie van het waterschap in het kader van het vooroverleg is als bijlage 16 opgenomen in het bijlagenboek bij de toelichting. 83
Conclusie Vooroverleg Na aanpassing van het bestemmingsplan, indachtig de reactie van het waterschap, kan deze verder als ontwerp in procedure worden gebracht.
8.3
Vaststelling van het bestemmingsplan
Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan heeft 6 weken ter inzage gelegen, van 11 december 2023 tot en met 22 januari 2024. Het ontwerpbestemmingsplan en de bijbehorende stukken konden in deze periode zowel fysiek als digitaal geraadpleegd worden. Gedurende deze periode had eenieder de gelegenheid om schriftelijk of mondeling een zienswijze omtrent het ontwerp kenbaar te maken. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen. Dit betekent dat er vanuit de zienswijzeperiode geen aanleiding is om aanpassing van het bestemmingsplan te overwegen. Vaststelling bestemmingsplan Het bestemmingsplan wordt vastgesteld door de gemeenteraad. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan wederom gedurende zes weken ter inzage gelegd. In deze periode kan beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingediend.
84
Regels
85
86
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1
Begrippen
1.1 plan het bestemmingsplan Orthen Links, Orthensedonk met identificatienummer NL.IMRO.0796.0002536-1401 van de gemeente 's Hertogenbosch; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijk uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie; 1.4 aanbouw een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.5 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
87
1.7 achtererfgebied erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen; 1.8 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.9 bebouwingspercentage een op de kaart of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwvlak, bestemmingsvlak of bouwperceel aangeeft, dat maximaal bebouwd mag worden; 1.10 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.11 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.12 bijgebouw een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
Een bijgebouw kan zijn een aangebouwd bijgebouw in de vorm van een aanbouw of een uitbouw, dan wel een vrijstaand bijgebouw; 1.13 bouwen plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten; 1.14 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.15 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.16 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel; 1.17 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.18 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.19 buurtkamer een inpandige ontmoetingsplek voor buurtbewoners
88
1.20 dak iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.21 dakopbouw een gedeelte van een gebouw, gesitueerd op de bovenste bouwlaag van een gebouw, met een oppervlakte van maximaal 60% van de oppervlakte van de bovenste bouwlaag en een afstand van minimaal 1 meter tot de voorgevel; 1.22 dove gevel een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte; 1.23 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 1.24 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.25 geluidgevoelige ruimte geluidsgevoelige ruimte: ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon-, of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van ten minste 11 m2; 1.26 geschakelde
woning een woning die met een andere woning verbonden is door middel van aan- of bijgebouwen, niet zijnde gestapelde woningen; 1.27 gestapelde woning een woning die geheel of gedeeltelijk boven/onder een andere woning is gelegen; 1.28 hoekperceel een perceel, gelegen aan een hoek van twee wegen c.q. het openbaar gebied; 1.29 hoofdgebouw gebouw, of gedeelte daarvan, dat door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.30 Huishouden Een persoon, of groep personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert. Indien het huishouden uit 2 of meer personen bestaat, betreft het een leefvorm of samenlevingsvorm met continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid. Kamerverhuur valt niet onder het begrip 'huishouden'.
89
1.31 huisvesting in verband met mantelzorg huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning; 1.32 Inwoning Medegebruik door maximaal twee personen door bewoning van (een) kamer(s), die onderdeel uitmaakt/uitmaken van een woning, die door een ander huishouden in gebruik is. 1.33 Kamerverhuur / verkameren Het al dan niet bedrijfsmatig verhuren of aanbieden van kamers binnen een woning, niet zijnde inwoning, waarbij kamers geen zelfstandige woonruimte vormen door het ontbreken van wezenlijke voorzieningen zoals een eigen kook- en/of wasgelegenheid en/of toilet.
1.34 mantelzorg intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond; 1.35 openbaar toegankelijk gebied weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer; 1.36 sociale huurwoningen sociale huurwoning als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid onder d van het Besluit ruimtelijke ordening en waarbij de instandhouding voor de in 'Doelgroepenverordening betaalbare woningbouw 's-Hertogenbosch 2023' en de opvolgers van deze verordening omschreven doelgroep, voor ten minste 25 jaar na ingebruikname is verzekerd.
1.37 Splitsen van een woning Het verbouwen van een woning tot twee of meer woningen, dan wel het zodanig inrichten, gebruiken of laten gebruiken van een deel van de woning dat feitelijk twee of meer woningen ontstaan. 1.38 voorerfgebied erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied; 1.39 voorgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen; 1.40 voorgevelrooilijn a. langs een wegzijde met een regelmatige ligging of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a. bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn op 10 meter uit de as van de weg;
90
1.41 woning een (gedeelte van een) gebouw dat dien voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, al dan niet in combinatie met inwoning door maximaal twee personen. Een woning heeft een eigen toegang en de bewoner(s) kan/kunnen deze bewonen, zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woning; 1.42 woonwagen voor bewoning bestemd gebouw dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst en op een daartoe bestemd perceel is geplaatst; 1.43 Zelfstandige woonruimte Zie definitie 'woning'. 1.44 zijgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een gebouw tot aan de perceelgrenzen;
91
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.2 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.3 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk of ingeval dat geen gevelvlakken of scheidingsmuren aanwezig zijn, de oppervlakte vanaf de buitenzijde van het dak neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.4 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen. 2.5 peil: a. voor een hoofdgebouw met aangebouwde bijgebouwen: de hoogte van de kruin van de aan het bouw perceel grenzende weg; b. voor andere gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw.
92
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Artikel 3
Gemengd
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke voorzieningen in de vorm van een buurtkamer met een maximale oppervlakte van 85 m², met dien verstande dat deze functie uitsluitend is toegestaan op de begane grond; b. wonen in de vorm van sociale huurwoningen, niet zijnde woonwagens; c. aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten als bepaald in 3.4.2; d. tuinen, erven en terreinen; e. aan de hoofdfunctie ondergeschikte voorzieningen zoals verkeer- en parkeervoorzieningen, groen en groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven en terreinen. 3.2
Bouwregels
3.2.1 Algemeen Voor het bouwen geldt algemeen dat in of op deze gronden uitsluitend voor deze bestemming mag worden gebouwd. 3.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. de gebouwen moeten binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de maximale bouwhoogte is op de verbeelding aangegeven; c. ter plaatse van de aanduiding 'plat dak' dient de bebouwing te worden afgedekt met een plat dak, dakterrassen of dakopbouwen zijn hier niet toegestaan; d. het maximaal aantal woningen staat op de verbeelding aangegeven; e. in afwijking van het bepaalde onder a mogen gebouwen van ondergeschikte aard, zoals een fietsenberging, buiten het bouwvlak worden gebouwd tot een gezamenlijke oppervlakte van 50 m2 per bouwperceel; de maximale bouwhoogte van deze gebouwen is 3 meter; 3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de maximale bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn is vanaf de voet gemeten 1 meter; 93
b. de maximale bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen achter de voorgevelrooilijn is vanaf de voet gemeten 2 meter; c. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 3 meter; 3.2.4 Parkeerbepalingen a. Bij de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen wordt aan de hand van de Nota Parkeernormering 2021 van de gemeente 's-Hertogenbosch bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, aan de hand van die nieuwe beleidsregels wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. 3.2.5 Woningsplitsing a. Het is verboden een woning te splitsen in meerdere woningen. 3.2.6 Zelfstandige woonruimte in aan- en/of bijgebouwen a. Het is verboden een aan- en/of bijgebouw om te bouwen tot één of meer zelfstandige woningen. 3.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van: a. b. c. d. e. f. g. 3.4