CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Regels en toelichting Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Orthen Links Orthensedonk 16045270

Gemeenteraad 2 april 2024, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Orthen Links, Orthensedonk28.803 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Uit de onderstaande impressie van het schetsontwerp van de nieuwbouw blijkt dat het plan goed past binnen de ambities uit het beeldkwaliteitsplan. Het gebouw is opgebouwd uit drie bouwlagen met een plat dak. Dit wijkt af van het beeldkwaliteitsplan voor de wijk. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is er echter geen bezwaar tegen een drielaags gebouw met een plat dak, omdat het blok de entree van de wijk markeert en een meerzijdig oriëntatie kent. Ook heeft het bouwblok niet alleen woonfuncties in de plint, maar ook een buurtkamer. Daarnaast zorgt de nieuwbouw voor een goede aansluiting op de bestaande bebouwing en het openbare ruimte. Zo ligt het blok aan een centraal gelegen ruim groen plein. De nieuwbouw met buurtfunctie vervult een centrale positie in de buurt. Het bouwplan volgt verder de bouwstenen uit het beeldkwaliteitsplan en weerspiegelt het karakter van het gebied. Welstand heeft de vormgeving met een plat dak voor dit bouwplan dan ook aanvaardbaar gevonden.

38

Figuur 11: impressie uit schetsontwerp bouwplan (bron: Hilberinkbosch Architecten)

39

4.3.5 Bomen, water en groen De Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021 is door de gemeenteraad vastgesteld op 9 maart 2021. Deze verordening bestaat uit drie onderdelen: bomen, water en groen en behoort bij de visie 's-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig. In de verordening worden regels gesteld over het vellen van houtopstanden (bomen), het lozen van hemelwater en grondwater en het realiseren van groen. Het doel hiervan is het beperken van de gevolgen van klimaatverandering. Door de gevolgen van klimaatverandering wordt de gemeente 's-Hertogenbosch kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. Ook is sprake van achteruitgang van de biodiversiteit. Met de regels in de verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering beter worden opgevangen en wordt een meer groene en blauwe inrichting van de stad, wijken en dorpen geborgd. Bomen Voor bomen (houtopstanden) is aangesloten bij de uitgangspunten van het Bomenbeleidsplan 2017. Bomen dragen bij aan een betere wateropvang, leveren schaduw, een hogere luchtvochtigheid en dragen daarmee bij aan verkoeling. Ook dragen bomen bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving en zijn bepaalde houtopstanden waardevol voor onze leefomgeving. Daarom zijn in de verordening regels opgenomen om categorieën houtopstanden die voor de gemeente van belang zijn te beschermen.

Voor deze categorieën houtopstanden geldt onder meer een vergunningplicht. Zonder een vergunning mogen deze houtopstanden niet worden geveld. In het plangebied zijn geen bomen aanwezig. Ook ligt het plangebied niet aan de beschermde bomenstructuren. Het plan is daarom niet strijdig met het Bomenbeleidsplan. Er worden enkele nieuwe bomen gerealiseerd op het onbebouwde terrein rondom de nieuwbouw. Water Voor water gelden regels voor het lozen van grondwater en hemelwater. Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en overstromingen door extreme neerslag toe, maar ook de kans op langdurige periodes van droogte. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het onder meer van belang dat voldoende waterberging op eigen terrein wordt gerealiseerd. Daarom is in de verordening onder meer de verplichting opgenomen om hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarbij een hemelwatervoorziening met een bepaalde capaciteit moet worden gerealiseerd. Dit onderdeel is uitgewerkt in de waterparagraaf in paragraaf 5.11. Groen In de nieuwe verordening is een groennorm opgenomen voor plannen waarbij meer dan 500 m² nieuwe/ vernieuwde verharding wordt gerealiseerd. Het plangebied is op de Groenkaart behorend bij de verordening aangeduid als 'brede binnenstad'. Hiervoor geldt een groennorm van minimaal 35%.

Het doel van de groennorm is om te komen tot een klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving.

40

Onderbouwing groennorm Kwantitatief In figuur 13 (beter leesbare versie is opgenomen in Bijlage 1) is de kwantitatieve groenscore voor het planvoornemen bepaald. Hieruit blijkt dat de groenscore in oppervlakte (zonder aanvulling) in lijn met de groennorm is en dat deze inclusief aanvulling op 73% uitkomt. Daarmee wordt ruimschoots aan de kwantitatieve groennorm. Het scoresysteem heeft als doel een groenscore te bepalen welke getoetst kan worden aan de groennorm zoals opgenomen in de Groennormkaart van de Verordening (bijlage 3). Scoresysteem Kwanitatieve groenscore Hoe groot is het plangebied/ project gebied (of perceel)?

922 m²

Wat is de oppervlakte bebouwing (woning, bedrijf, garage, tuinhuis, etc.)?

523 m²

Wat is de oppervlakte groen en water (gras, plantenbakken, perkjes, vijver, wadi, tuin, etc.)

131 m²

Wat is de oppervlakte verharding (in-/oprit, wegen, treras, looppaden etc.)

268 m²

Wat is de oppervlakte half verharding (grasbetonstenen)?

0 m²

Totaal

922 m²

De groenscore zonder aanvulling

14%

Aanvullend Is er sprake van een groen dak?

78 m²

Is er sprake van een groene gevel?

90 m²

Is er sprake van een kroonprojectie bomen?

30 m²

De groenscore met aanvulling

73%

Figuur 12: Kwantitatieve groenscore planvoornemen De groenscore bedraagt 73%, inclusief groen dak, groene gevel en kroonprojectie bomen. Kwalitatief Doelstelling ten aanzien van ecologie is het vergroten van de biodiversiteit. Hiervoor geldt een minimale kwalitatieve biodiversiteitscore. Deze score wordt bepaald aan de hand van bijlage 4b van de Verordening. Het plan dient te voldoen aan een minimum score van 8 (van de maximaal 13) punten en voldoet hieraan. Onderhavig plan wordt ingeschaald op 8 punten. Dit wordt per onderdeel kort toegelicht. A: de kwantitatieve groenscore bedraagt 73% en is meer dan 38% boven de groennorm; B1: In de huidige situatie zijn geen groene kwaliteiten in het plangebied aanwezig. Het betreft een braakliggend terrein zonder waardevol groen. Er is ook geen water aanwezig. In de toekomstige situatie wordt binnen de beperkt beschikbare ruimte zoveel als redelijkerwijs mogelijk groen toegepast, zowel op het binnenterrein (met de toevoeging van twee bomen) als aan de randen (beplanting, haag). Omdat er geen bestaande groene kwaliteiten zijn, is echter een score van 0 toegekend;  B2: de beschikbare ruimte is beperkt.

Op de onbebouwde ruimte, het dak en de gevels wordt groen toegevoegd, dat beschutting en voedsel kan bieden voor diersoorten;  C1: er wordt grotendeels gebruik gemaakt van inheemse soorten;  C2: op de kopgevel wordt een groene/begroeide gevel gerealiseerd met gebiedseigen beplanting;  D: in het ontwerp van het gebouw zijn nestgelegenheden voor vleermuizen en vogels geïntegreerd, op een vergelijkbare wijze als eerder in de wijk toegepast. Deze maatregelen maken ook onderdeel uit van het ecologisch uitvoeringsprotocol. Samenvattend wordt in het plan naar rato van de beperkt beschikbare ruimte en de functie van het plangebied voorzien in diverse waardevolle groenelementen. Het plan levert hiermee een bijdrage aan het behoud/de vergroting van de biodiversiteit.  

41

Figuur 13: kwalitatieve groenscore/biodiversiteitscore

42

Hoofdstuk 5 Milieu, waarden 5.1

duurzaamheid

en

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. Tussen milieuaspecten en ruimtelijke ordening bestaat een duidelijke relatie. De milieukwaliteit vormt namelijk een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies (zoals woningen). Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden.

43

5.2

Bedrijven en milieuzonering

5.2.1 Toetsingskader Milieuzonering zorgt voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te garanderen naast de zorg dat er voor bedrijven voldoende ruimte voorhanden is om de bedrijfsactiviteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden (normen) uit te kunnen voeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype Er zijn twee omgevingstypes, namelijk een rustige woonwijk en gemengd gebied.

Volgens de VNG-brochure is een rustige woonwijk, een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied, als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstypen gemengd gebied. In de VNG-brochure is vermeld dat de richtafstanden uit bijlage 1 met één afstandsstap kunnen worden verlaagd indien sprake is van een gemengd gebied.

44

5.2.2 Onderzoek De planlocatie is gelegen in een woonwijk. In de omgeving van het plangebied zijn naast woningen echter ook verschillende vormen van bedrijvigheid te vinden. Functies in de nabije omgeving bestaan uit de enkelbestemmingen 'Maatschappelijk', 'Bedrijf - 1', 'Bedrijf - 2', 'Horeca' en 'Kantoor'. Het omgevingstype is te karakteriseren als een gemengd gebied, vanwege de ligging van het plangebied aan de rand van een lint met diverse functies. De richtafstanden mogen met één stap worden verlaagd. Invloed omgeving op plangebied Het plan voorziet in de realisatie van nieuwe woningen. In de huidige situatie is het plangebied eveneens bestemd voor 'Wonen'. Hierna wordt getoetst of de richtafstanden van in de omgeving gelegen functies over het plangebied heen reiken. Ten oosten van het plangebied aan de weg Orthen is een aantal bedrijfsmatige functies en een horecagelegenheid aanwezig. De kortste afstand van dergelijke functies tot het plangebied is ongeveer 20 meter. De betreffende functies behoren tot milieucategorieën 1 en 2. Aan de bijbehorende richtafstand van maximaal 10 meter wordt voldaan. Ten zuidwesten van het plangebied gelegen op circa 170 meter bevinden zich panden van Weener XL, die zijn bestemd als 'Bedrijf - 2'.

Deze bestemming laat bedrijven toe onder de categorieën 1 en 2 zoals genoemd in de bij de regels als bijlage behorende Staat van Bedrijfsactieviteiten - bedrijventerreinen. Voor deze categorieën gelden de afstanden 10 en 30 meter. Hier wordt ruim aan voldaan. Ten westen van het plangebied op circa 250 meter is het industrieterrein De Rietvelden-Ertveld gelegen. De gronden zijn bestemd voor bedrijven tot en met categorie 4.1, waar een richtafstand geldt van 100 meter voor gemengd gebied. Hier wordt aan voldaan. Het plangebied ligt overigens ook buiten de geluidzone behorende bij dit gezoneerde industrieterrein (zie ook hierna in paragraaf 5.3), zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in dit opzicht voldoende is geborgd. Ten zuidoosten van de planlocatie gelegen op circa 90 meter afstand bevinden zich panden met de enkelbestemming 'Horeca'. De enkelbestemming biedt ruimte voor horecabedrijven tot en met categorie 3 van de bij de regels als bijlage behorende Staat van Horeca-activiteiten. Hier zijn geen richtafstanden aan verbonden, zodat belemmeringen over en weer niet aan de orde zijn. Conclusie Geconcludeerd wordt dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voldoende geborgd is. De woningen worden buiten de richtafstanden van omliggende bedrijvigheid opgericht. Er ontstaan ook geen belemmeringen voor deze functies.

Invloed plangebied op omgeving Het planvoornemen ziet tevens op het realiseren van een kleinschalige maatschappelijke functie, namelijk een buurtkamerfunctie in het gebouw. Gezien de aard en omvang van deze voorziening behoort deze tot milieucategorie 1. Een dergelijke functie is inpasbaar in deze omgeving, omdat hierbij in gemengd gebied geen richtafstand behoort. Onevenredige hinder kan redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.2.3 Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen de richtafstanden van omliggende bestemmingen. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

45

5.3

Geluid

5.3.1 Toetsingskader Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woon- en leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (als woningen) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het besluitgebied (nieuwe) geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:  

wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

5.3.2 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader Langs alle wegen bevinden zich conform de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) aan wettelijke normen te voldoen. De breedte van een geluidsonderzoekszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk). De beoogde ontwikkeling ligt binnen de zone van enkele wegen met een geluidzone. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom, de hoogst toelaatbare geluidbelasting bedraagt dan 63 dB. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting en de hoogst toelaatbare geluidbelasting staan beschreven in artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh). De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB (artikel 82 lid 1 Wgh). Mocht niet aan deze grenswaarde kunnen worden voldaan, dan kan eventueel ontheffing worden verkregen voor een hogere waarde (artikel 83 Wgh). De toegestane snelheid varieert bij de verschillende wegen in het onderzoeksgebied. Voor 50 km/uur wegen bedraagt de reductie 5 dB. Voor 30 km/uur wegen is er geen aftrek. Voor de geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de wettelijke geluidszone van deze weg geldt een ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB.

Onder voorwaarden is een hogere waarde mogelijk tot 63 dB. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt overschreden, zijn maatregelen noodzakelijk gericht op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevel. Voor zulke maatregelen wordt onderstaande volgorde aangehouden:   

Bronmaatregelen (bijvoorbeeld aanpassing intensiteiten of soort wegdekverharding) Overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidsafscherming) Maatregelen bij de ontvanger (bijvoorbeeld aanbrengen extra geluidsisolatie aan de gevel of woningindeling)

Zijn deze maatregelen niet mogelijk, niet gewenst of niet doeltreffend, dan kan de gemeente onder bepaalde voorwaarden voor nieuwe geluidsgevoelige objecten een hogere (geluid)waarde verlenen. Voorwaarden die worden gesteld aan een te verlenen hogere waarde zijn ten gunste van de geluidsituatie en dus het woonen leefklimaat bij de gevoelige objecten. Hiervoor heeft gemeente 's-Hertogenbosch een 'hogere waarde beleid' vastgesteld. De voorwaarden waaronder een eventuele hogere waarde wordt verleend zijn afhankelijk van de hoogte van de geluidsbelasting en het type gebied waarin het plan zich bevindt. Per gebiedstype geldt een ambitie voor wat betreft de geluidsbelastingen. Zo wordt bijvoorbeeld in een (normaliter rustig) buitengebied een lager geluidsniveau nagestreefd dan in een rumoerig gebied langs een drukke snelweg met verhoogde geluidsbelastingen. Een hogere waarde mag – zoals gezegd - de maximale 46

geluidsbelasting van 63 dB niet overschrijden. Voorwaarden voor een vast te stellen hogere waarde zijn bijvoorbeeld de aanwezigheid van een geluidsluwe (rustige) zijde en een geluidsniveau in de buitenruimte (zoals achtertuin/balkon) dat voldoet aan de ambitie voor het betreffende gebied. Voor geluidsbelastingen op gevels meer dan 63 dB kan formeel geen ontheffing worden verleend. Naast het toetsingskader en wettelijke eisen van de Wgh dienen er altijd zodanige gevelmaatregelen te worden genomen dat wordt voldaan aan de maximale geluidsbinnenwaarde op grond van het Bouwbesluit. Deze maximale geluidsbinnenwaarde is ten gunste van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in betreffend object. Met de aanvraag om omgevingsvergunning zal moeten worden aangetoond dat deze binnenwaarde wordt voldaan. Doorwerking plangebied Binnen het plangebied worden geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt binnen de zones van wegen, zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). De voorgenomen ontwikkeling betreft de bouw van 22 appartementen en een buurtkamer. Voor de geluidgevoelige bestemming (wonen) is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit de Wet geluidhinder. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 5.

Toetsing heeft plaatsgevonden op de volgende wegen: Ertveldweg, Hambakenweg, het Wiessem, Orthen, Orthenseweg en Zandzuigerstraat. Uit het onderzoek blijkt dat ten aanzien van vrijwel alle onderzochte wegen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Uitzondering hierop is de weg Orthen. Uit het akoestisch onderzoek blijkt namelijk dat een hogere waarde voor deze weg nodig is, omdat de geluidbelasting maximaal 53 dB bedraagt. Een hogere waarde is nodig voor de appartementen vanwege te hoge geluidsbelastingen aan de zuidoostzijde van het gebouw, waarbij de hoogste belasting op de 2e verdieping optreedt. Er wordt wel (ruimschoots) voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Maatregelen aan de bron en/of in de overdracht zijn redelijkerwijs niet mogelijk. Maatregelen bij de ontvanger zijn mogelijk met inachtneming van de in het onderzoek berekende cumulatieve geluidbelastingen. Deze bedraagt maximaal 59 dB ter plaatse van de zuidoostelijke gevel op de 2e etage. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan 59 - 33 = 26 dB. Het woon- en leefklimaat is aan de buitenzijde van het appartementen te classificeren als 'matig' en aan de binnenzijde als 'zeer goed'. Hiermee kan een acceptabel woon- en leefklimaat voldoende worden geborgd. Dit blijkt mede uit de volgende omstandigheden:   

De appartementen beschikken over een geluidluwe gevel; De appartementen beschikken over een geluidluwe buitenruimte; Aangezien nieuwbouw daarnaast over het algemeen aan hoge eisen voor de gevelwering voldoet kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat binnenin de woningen niet in de weg staat.

Op basis van het gemeentelijk geluidbeleid kan er pas een hogere waarde worden verleend als voldaan wordt aan de hoofdcriteria uit de Wet geluidhinder en aan de in het gemeentelijk beleid genoemde subcriteria. De relevante beleidsstukken zijn: Gebiedsgericht geluidbeleid gemeente 's-Hertogenbosch d.d. 16-6-2009 en de Nota hogere grenswaarden geluid voor gemeente 's-Hertogenbosch d.d. augustus 2010. Er wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid voor een onrustig gebied in een stromingszone. Maatregelen worden dan niet doelmatig geacht. Samenvattend wordt geconcludeerd dat het verlenen van hogere waarden niet op bezwaren stuit.

47

5.3.3 Railverkeerslawaai Een belangrijke basis voor de bescherming van geluidgevoelige bestemmingen tegen spoorweglawaai in het ruimtelijke spoor is de Wet geluidhinder (Wgh). Langs alle spoorwegen bevinden zich conform de Wgh geluidzones. De breedte van de zone is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond. Als de ontwikkeling binnen de zone ligt, is de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting op de gevel (of bouwvlak als dat groter is) van de woning 55 dB. Onder voorwaarden is een hogere geluidbelasting mogelijk tot 68 dB. De beoogde ontwikkeling ligt binnen de zone van de spoorlijn 's-Herogenbosch-Utrecht. Een akoestisch onderzoek is noodzakelijk. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 55 dB wordt overschreden, zijn maatregelen noodzakelijk gericht op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevel. Voor zulke maatregelen wordt onderstaande volgorde aangehouden: Bronmaatregelen (bijvoorbeeld aanpassing intensiteiten of soort wegdekverharding) Overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidsafscherming) Maatregelen bij de ontvanger (bijvoorbeeld aanbrengen extra geluidsisolatie aan de gevel of woningindeling). Zijn deze maatregelen niet mogelijk, niet gewenst of niet doeltreffend, dan kan de gemeente onder bepaalde voorwaarden voor geluidsgevoelige objecten een hogere waarde verlenen.

Voorwaarden die worden gesteld aan een te verlenen hogere waarde zijn ten gunste van de geluidsituatie en dus het woon- en leefklimaat bij zulke gevoelige objecten. Hiervoor heeft gemeente 's-Hertogenbosch een 'hogere waarde beleid' vastgesteld. De voorwaarden waaronder een eventuele hogere waarde wordt verleend zijn afhankelijk van de hoogte van de geluidsbelasting.

  

Doorwerking plangebied Binnen het plangebied worden geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt binnen de zone van het spoortraject 's-Hertogenbosch-Utrecht. Het planvoornemen betreft 22 appartementen. Voor deze geluidgevoelige bestemming is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 6. De berekende geluidbelasting bedraagt op zijn hoogt 45 dB op de 2e verdieping ter plaatse van de zuidwestgevel op vier toetspunten, op de noordwestgevel op één toetspunt en op de zuidoostgevel op één toetspunt. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt niet overschreden. Het verlenen van hogere waarden is daarom niet noodzakelijk. Aangezien wegverkeerslawaai de enige gezoneerde geluidsbron is waarbij de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden (zie par. 5.3.2), is cumulatie op basis van de Wgh niet nader onderzocht. Wel is in het kader van de benodigde gevelwering en het woon- en leefklimaat de geluidbelasting van weg- en railverkeerslawaai gecumuleerd. Het woon- en leefklimaat voor de appartementen wordt geclassificeerd als 'zeer goed'.

48

5.3.4 Industrielawaai Geluidszonering Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. De zonering van industrielawaai is vastgelegd in hoofdstuk V van de Wet geluidhinder 'Zones rond industrieterreinen' en hoofdstuk 2 van het Besluit geluidhinder. Het doel van zo'n geluidszone is tweeledig: Enerzijds worden geluidgevoelige functies (zoals woningen) beschermd tegen een te hoge geluidsbelasting vanwege industrielawaai. De zone vormt als het ware een buffer (ruimtelijke scheiding) tussen industriële activiteiten en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. De keuze van de ligging van de zone is gebaseerd op een afweging tussen de ruimte voor de bedrijven (industrie) en de ruimte voor geluidsgevoelige objecten. De geluidzone zelf vormt hierbij een aandachtsgebied voor geluid, waarin niet zonder meer nieuwe woningen (en andere geluidgevoelige objecten) mogen worden gebouwd. De geluidzone voorkomt hiermee dat woonbebouwing oprukt in de richting van bedrijven. Het andere doel van de geluidzone is het bieden van akoestische ruimte waarover bedrijven op het industrieterrein maximaal kunnen beschikken.

Door het vastleggen van een geluidzone wordt wettelijk akoestische ruimte gecreëerd waarover de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein gezamenlijk maximaal kunnen beschikken zodat dat zij hun activiteiten binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Een ruimtelijke scheiding tussen bedrijven en milieugevoelige bestemmingen vastleggen in het bestemmingsplan biedt daarmee zowel de omgeving (omwonenden) als bedrijven rechtszekerheid over de kwaliteit van het gebruik van hun kavel. De grootte van de zone is afhankelijk van de benodigde of gewenste geluidruimte van het gezoneerde industrieterrein. In het bestemmingsplan moet de zone, die niet kleiner mag zijn dan de 50 dB(A) contour, worden vastgelegd. De geluidzone is daarmee het gebied tussen de grens van het industrieterrein en de zonegrens (de 50 dB(A) contour). De zone is dus het gebied, behalve het industrieterrein zelf, waarbinnen vanwege dat industrieterrein een geluidsbelasting mag heersen van 50 dB(A) etmaalwaarde of meer. Deze eis is vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh) en gekoppeld aan de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Gevolg hiervan is, dat bij ontwikkelingen op en rond het industrieterrein, rekening wordt gehouden met de geluidzone die om het industrieterrein is gelegen.

Dit geldt zowel bij ruimtelijke plannen, als bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bij meldingen in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen in de zone geldt een hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB(A). De geluidbelasting op woningen op een gezoneerd industrieterrein wordt formeel niet getoetst. Dit geldt ook voor andere mogelijk geluidsgevoelige objecten. Doorwerking plangebied Binnen de bestemmingsplannen 'Noord' en 'Orthen Links' is de geluidzone rondom het bedrijventerrein 'De Rietvelden - Ertveld' geprojecteerd. Dit betreft een geluidgezoneerd industrieterrein. Binnen het bestemmingsplan is een geluidzone 'industrie' opgenomen voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het industrieterrein De Rietvelden - Ertveld op geluidsgevoelige objecten. Het plangebied is niet gelegen binnen deze geluidzone. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. Gezien de ligging op betrekkelijk grote afstand van de geluidzone, is een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat vanwege het industriterrein niet aannemelijk. 5.3.5 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Ten aanzien van het wegverkeerslawaai zijn hogere waarden benodigd. Deze kunnen redelijkerwijs worden verleend.

Het is van belang dat de procedure voor de vaststelling van hogere waarden gelijk moet oplopen met het bestemmingsplan. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan voldoende worden geborgd.

49

5.4

Trillingen

Bij trillingen in het ruimtelijk spoor gaat het vrijwel altijd om bescherming tegen trillingshinder bij personen. In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra welke gevoelig zijn voor trillingen). Trillingen is een mee te nemen aspect in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening'. Weg- of railverkeer en bepaalde industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem naar gevoelige objecten. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder opleveren. Wegverkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. De aard en heftigheid van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig, de belading, snelheid en de oneffenheden waar het verkeer overheen rijdt. Ook treinverkeer kan zorgen voor trillingen. De snelheid en gewicht van treinen is hierbij een belangrijke factor bij het ontstaan van trillingen. Daarnaast zijn de eigenschappen van de trein (onder andere belading) en de interactie van de trein met de ondergrond van belang bij het ontstaan en doorgeven van trillingen naar de omgeving (de bodem). Doorwerking plangebied Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron.

De spoorweg is gelegen op circa 180 meter afstand van het plangebied en ligt daarmee ruimschoots buiten deze afstand. Op basis van de Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen is voor ontwikkelingen binnen de zone tussen 100 en 250 meter van het spoor, zoals onderhavig plangebied, een quickscan trillingshinder aan de orde als klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. Een dergelijke aanleiding is hier niet aan de orde. In dat verband is van belang dat in het kader van het tracébesluit Meteren-Boxtel (2020) een trillinghinderonderzoek is uitgevoerd, waarin ook de wijk Orthen West is meegenomen (Arcadis, PHS Meteren-Boxtel, Achtergrondrapportage Trillingen, maart 2020). Uit dit onderzoek kan worden afgeleid dat ter plaatse van het plangebied geen onevenredige trillinghinder kan worden verwacht. Nader onderzoek of nadere maatregelen zijn niet noodzakelijk.

5.5

Verlichting

Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling. Bij onderhavig plan is lichthinder niet relevant te noemen, omdat in de omgeving van het plangebied geen functies of voorzieningen aanwezig zijn, waarvan onevenredige lichthinder te verwachten valt. Sportpark Noord, waar sportvelden met verlichting aanwezig zijn, ligt op ruim 100 meter afstand van het plangebied. Gezien deze afstand kan redelijkerwijs worden geconcludeerd dat onevenredige lichthinder kan worden uitgesloten.

5.6

Externe veiligheid

5.6.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn:    50

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit) Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art.

3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit) 5.6.2 Onderzoek externe veiligheid Het beoogde plan maakt het oprichten van een nieuw kwetsbaar object mogelijk. Met behulp van de risicokaart is een inventarisie gemaakt van risicobronnen met gevaarlijke stoffen in de nabijheid van het plangebied. Onderstaande figuur toont een uitsnede van de risicokaart, de planlocatie is aangeduid middels een blauwe omlijning.

51

Figuur 14: ligging plangebied ten opzichte van risicobronnen In het kader van dit bestemmingsplan is een externe veiligheidsonderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen in Bijlage 7. Hierna worden de resultaten van dit onderzoek besproken. In het onderzoek is tevens getoetst aan het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid (Beleidsvisie externe veiligheid, 2010). Tevens is de Veiligheidsregio Brabant Noord in de gelegenheid gesteld om een vooroverlegreactie in te dienen en een advies uit te brengen. De vooroverlegreactie (d.d. 24 maart 2021 met kenmerk 2021-000758, Bijlage 9) en het advies (d.d. 15 juni 2023 met kenmerk 2023-002079, Bijlage 10) zijn bij de verantwoording van het groepsrisico betrokken. Beschouwing risicobronnen In de omgeving van het plangebied zijn de volgende relevante risicobronnen gelegen.

52

Transport over het spoor Circa 185 meter ten westen van het plangebied ligt de spoorlijn (verbinding Utrecht - 's-Hertogenbosch). Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van deze risicobron. Op basis van de Beleidsvisie kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Buisleidingen Het plangebied ligt in de nabijheid van hogedruk aardgasleiding Z-523-01-deel-1. Aangezien het plan deels binnen de 100% en 1% letaliteitsafstand van deze buisleiding ligt, is de hoogte van het groepsrisico van zowel de huidige als toekomstige situatie berekend. Deze berekeningen zijn opgenomen in Bijlage 8. Uit de berekeningen blijkt dat het groepsrisico ter hoogte van het plangebied lager is dan de oriënterende waarde (OW), maar wel hoger dan 0,1 * OW. De planvorming heeft geen rekenkundige invloed op de hoogte van het groepsrisico. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen (fakkelbrandscenario) worden meegenomen in de beperkte verantwoording van het groepsrisico. Beperkte verantwoording groepsrisico Uit bovenstaande beschouwing blijkt dat een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig is vanwege de aanwezigheid van een spoorlijn en buisleiding in de omgeving van het plangebied. In hoofdstuk 4 van Bijlage 7 is deze verantwoordingsplicht uitgewerkt.

Uit deze verantwoording blijkt dat de restrisico's acceptabel kunnen worden geacht. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid zijn geen overwegende bezwaren aan de orde. Conclusies en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding en spoorlijn (transportroute voor gevaarlijke stoffen). Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld. Tevens is het groeprisico ten aanzien van de buisleiding berekend. Het plan heeft geen rekenkundige invloed op de hoogte van het groepsrisico. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt ook niet overschreden. De Veiligheidsregio Brabant-Noord heeft zoals gezegd d.d. 21 maart 2021 een vooroverlegreactie ingediend en d.d. 15 juni 2023 advies uitgebracht. De relevante onderdelen uit het vooroverleg en advies zijn verwerkt in de verantwoording. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.6.3 Onderzoek kabels en leidingen Ten noorden van het plangebied is een hoogspanningsleiding gelegen van 150 kV, die beschikt over een magneetveldzone van 100 meter aan weerszijden van de leiding. Het plangebied is niet gelegen binnen deze zone. Voor het overige zijn in de omgeving van het plangebied geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect vormt geen belemmering voor het plan.

53

5.7

Lucht

5.7.1 Toetsingskader Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren. De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:     

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  

Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM. Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2 µg/m³).

Op 22 september 2022 heeft de World Health Organization (WHO) nieuwe advieswaarden voor de luchtkwaliteit uitgebracht. De advieswaarden zijn flink naar beneden bijgesteld ten opzichte van de advieswaarden uit 2005. De advieswaarden zijn gezondheidskundige grenzen voor de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht. Deze waarden staan los van de EU-richtlijn Luchtkwaliteit. Stof

EU-grenswaarde

WHO-advieswaarde (2021)

NO2

40 µg/m

3

10 µg/m3

PM10

40 µg/m3

15 µg/m3

PM2,5

25 µg/m3

5 µg/m3

Tabel: Europese grenswaarden en WHO-advieswaarden - jaargemiddelde concentratie (Bron: InfoMill.nl)

54

5.7.2 Onderzoek Met voorgenomen ontwikkeling is er sprake van de bouw van 22 appartementen. Woningen zijn niet aangewezen als 'gevoelige bestemming' in het Besluit Gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit. Wel moet er gekeken worden of het plan NIBM (Niet in betekende mate bedragen) aan de luchtverontreiniging. Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 µg/m³. Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. Uitgaande van een worst-case uiterst maximum van 72 motorvoertuigwegingen per per etmaal (zie par. 3.3.1), toont de NIBM-tool aan dat dit verkeer niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Daarom hoeft onderhavig plan formeel niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Vanuit de wetgeving bestaat dan ook geen bezwaar tegen onderhavig plan. Zoals gezegd is een formele toets aan de kwaliteitsnormen hier niet aan de orde, echter is in het kader van 'goede ruimtelijke ordening' de luchtkwaliteit wel beschouwd.

Figuur 15: Luchtkwaliteit sitkstofdioxide NO2 - 2020 (Bron: atlasleefomgeving.nl)

55

Figuur 16: Fijnstof (PM10) - gemiddeld in 2020 (Bron: atlasleefomgeving.nl)

Figuur 17: Fijnstof (PM2,5) - gemiddeld in 2020 (Bron: atlasleefomgeving.nl)

56

De huidige concentraties zijn in beeld gebracht in figuren 15 tot en met 17. De NO2 concentratie ter plaatsevan de planlocatie is 14-16 µg/m3; dit valt boven de WHO-advieswaarde maar ruim onder de EU-grenswaarden. De fijnstof PM10 concentratie is 16-18 µg/m3, dit valt boven de WHO-advieswaarde maar ruim onder de EU-grenswaarden. Ook de concentratie fijnstof PM2,5 van 10-11 µg/m3, valt boven de WHO-advieswaarde, maar ruim onder de EU-grenswaarden. Daarmee kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat. 5.7.3 Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' zorgt niet voor belemmeringen.

5.8

Bodem

5.8.1 Toetsinskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6. lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 5.8.2 Onderzoek Het plan betreft geen functiewijziging ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Binnen het vigerende bestemmingsplan is het perceel bestemd als 'wonen'. Het plangebied is ook als zodanig in gebruik c.q. in gebruik geweest. Een bodemonderzoek is daarom voor de bestemmingsplanprocedure niet noodzakelijk. Wel zal na sloop van de bestaande bebouwing een asbestinventarisatie moeten worden uitgevoerd en een bodemonderzoek in het kader van de omgevingsvergunningprocedure nodig zijn. In het kader van de bestemmingsplanprocedure voor 'Orthen Links' zijn enkele bodemonderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken geven geen aanleiding om belemmeringen in dit opzicht te verwachten.

In en nabij het plangebied zijn geen verontreinigingen aangetroffen of verwacht, die aanleiding tot nader onderzoek zouden kunnen geven. Verwacht mag worden dat de bodemkwaliteit in het plangebied geschikt is voor het beoogde gebruik. 5.8.3 Conclusie Het aspect odem vormt geen belemmering voor het plan. Nader onderzoek is niet nodig in het kader van dit bestemmingsplan.

57

5.9

Geur

5.9.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over de Verordening geurhinder en veehouderij 2008. Deze geurverordening is in werking getreden op 21 mei 2008 en daarin zijn de volgende geurbelasting normen opgenomen (het plangebied is niet gelegen binnen Gebied 1 of 2): a.

Binnen de bebouwde kom wordt, met uitzondering van Gebied 1 en Gebied 2 en in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de wet, een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object meer bedraagt dan 1,0 odour unit per kubieke meter lucht. b. Binnen de bebouwde kom wordt in Gebied 1 en Gebied 2 en in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de wet, een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object meer bedraagt dan 5,0 odour units per kubieke meter lucht. c. Buiten de bebouwde kom wordt in Gebied 1 en Gebied 2 en in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de wet, een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object meer bedraagt dan 5,0 odour units per kubieke meter lucht. d. Buiten de bebouwde kom wordt, met uitzondering van Gebied 1 en Gebied 2 en in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de wet, een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object meer bedraagt dan 10,0 odour units per kubieke meter lucht.

Op grond van artikel 6 van de wet en in afwijking van artikel 4, eerste lid, van de wet, bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, tot een geurgevoelig object: a. binnen de bebouwde kom ten minste 50 meter; b. buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter.

58

5.9.2 Onderzoek Onderzocht is of er redelijkerwijs sprake kan zijn van te ervaren geurhinder van een of meerdere veehouderijen op de locatie van de vluchtelingenopvang. Dat kan worden achterhaald aan de hand van luchtfoto's en de kaarten 'Veehouderijen in Noord-Brabant' en 'Achtergrondbelasting geur' van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Uit de geraadpleegde bronnen volgt dat in de directe omgeving van het plangebied op circa 2,1 km ten noordwesten zich een vleesvarkenshouderij bevindt. Aan de hand van de opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' valt fokken en houden van varkens onder de milieucategorie 4.1 waar een richtafstand geldt van 100 meter tot gemengd gebied. Het plangebied bevindt zich niet binnen de afstand voor geuroverlast. Ten zuidwesten op 3,2 en 3,4 km liggen twee melkrundveehouderijen. Aan de hand van de opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' valt fokken en houden van rundvee onder de milieucategorie 3.2 waar een richtafstand geldt van 50 meter tot gemengd gebied. Voornemens plangebied bevindt zich niet binnen de afstand voor geuroverlast. Bovenstaande kan worden bevestigd aan de hand van de gegevens uit de kaart 'Achtergrond geurbelasting' van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Een voor het plangebied relevante uitsende van deze kaart is opgenomen in onderstaande figuur 18.

Uit de kaart 'Achtergrondbelasting geur' volgt dat de kwaliteit van de leefomgeving met betrekking tot geur afkomstig van de agrarische bedrijven binnen het plangebied zeer goed is.

Figuur 18: Achtergrondbelasting geur planlocatie (gelegen binnen zwarte omlijning). Bron: atlas odzob 59

5.9.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect geur agrarisch.

5.10

Hoogspanningslijnen

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla.

Figuur 19: ligging hoogspanningsverbindingen ten opzichte van plangebied.

60

De hoogspanningslijnen gelegen in de omgeving van het plangebied betreffen een spanning van 150kV. Voorgenomen plangebied is gelegen om 200 meter van de dichtstbij gelegen hoogspanningslijn. De hoogspanningslijn heeft een indicatieve zone van 100 meter, beide richtingen. Het plangebied is buiten de indicatieve zone gelegen. Het Rijksbeleid en de aanwezige hoogspanningslijn vormen geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

5.11

Water

5.11.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschaps-beleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Naast dit beleidskader is het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 opgesteld als opvolger van het Provinciaal Milieu- en Waterplan. Het is onderdeelvan het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen. Het doel van dit nieuwe RWP is; een klimaat adaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem.

Een belangrijke rode draad in het programma is het herstel van de systeemwerking, er moet zuinig gedaan worden met het water en de bodem en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte en droge tijden. Het RWP is op 22 december 2021 in werking getreden. Voor het grotere oppervlaktewater zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen.Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. De doelen van het waterschap voor de periode van 2022-2027 staan beschreven in het Waterbeheerplan. Het waterbeheer van Aa en Maas laat zich leiden door de volgende missie: "Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten". Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder.

Bij planontwikkelingen wordt tevens de gemeente betrokken omdat deze meestal het beheer over het lokale (opper)vlaktewater hebben. De drie Brabantse waterschappen De Dommel, Aa en Maas en Brabantse Delta hebben hiervoor een gezamenlijke Keur opgesteld (Keur waterschap Brabantse Delta 2015). De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet een vergunning aanvragen. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Afhankelijk van de werkzaamheden in het oppervlaktewater kan een vergunning benodigd zijn. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver) bouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten.

61

5.11.2 Onderzoek De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. hergebruik 2. infiltratie/bergen 3. afvoer;  Hydrologisch neutraal ontwikkelen, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. Daarnaast zien we water als kans voor meervoudig ruimtegebruik en vergroting van de beleving van water.   

Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem. Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit plan. Afvalwater en hemelwater Het huidig verhard oppervlak in het plangebied bedraagt ca. 335 m² (ca. 345 m² bebouwd oppervlak en 90 m² overige verharding). Het toekomstige verhard oppervlak bedraagt ca. 791 m² (523 m² bebouwing en 268 m² overige verharding). De netto toename is ca. 456 m². Het toekomstige areaal aan verhard oppervlak komt neer op een bergingscapaciteit van ca. 47,46 m³ conform artikel 4.15 van de Verordening bomen, water en groen 's-Hertogenbosch. Het dak van de nieuwbouw wordt gedeeltelijk uitgevoerd middels een groen dak (78 m²) met een bergingscapaciteit van minimaal 25 mm/m². Hiermee wordt hemelwater opgevangen en vertraagd afgevoerd richting het drainageriool. De wijk Orthen-Links beschikt over een drainageriool, dat door de gemeente wordt beheerd. Dit riool is aangelegd bij de realisatie van de wijk. Het gemengd stelsel van de wijk is aangesloten op het centrale riool. Dit centrale riool transporteert het rioolwater naar het hoofdrioolgemaal aan de Oude Engelenseweg. Dit gemaal pompt het rioolwater naar de rioolwaterzuivering Treurenburg. De hemelwaterafvoer van de woningen sluit op het drainageriool van de wijk aan.

Dit riool zorgt voor infiltratie in de bodem. Tevens is een overloopvoorziening aangebracht in de sloot langs de Adelheidstraat. Gezien deze bestaande, goed functionerende voorziening voor de wijk, wordt hierop logischerwijs aangesloten bij onderhavig plan. Bij de aanleg van deze voorziening is rekening gehouden met de afronding van de ontwikkeling van de wijk in onderhavig plangebied. Het drainageriool beschikt over voldoende capaciteit om het hemelwater van onderhavig plan te verwerken. Het hemelwater kan zodoende goed worden verwerkt. Het afvalwater wordt gescheiden afgevoerd op het gemeentelijk riool. Ook dit beschikt over voldoende capaciteit om het water te verwerken. Schoon hemelwater en afvalwater blijven gescheiden. Hiermee voldoet het plan aan het centrale uitgangspunt in het waterbeleid op diverse niveaus.

62

Grondwater en bodem Het gebied Orthen-Links ligt van oudsher op 2,60m +NAP, maar is rond het plangebied bij de oorspronkelijke aanleg van de wijk opgehoogd tot circa 5,70m +NAP. De waterhuishouding in de wijk wordt bepaald door de waterlopen rondom de voormalige locatie van de Weener Groep, zuidoostelijk van de wijk. Deze waterlopen zijn aangesloten op het watersysteem van Noord. Het peil is normaliter 1,80m +NAP. Gemiddeld eenmaal per 10 jaar loopt het waterpeil op tot 2,10m +NAP. Invloedgebied Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen, omdat hier bepaalde planten en dieren leven die beschermd moeten worden. Invloedsgebieden Natura 2000 zijn bufferzones rond de Natura 2000-gebieden. Op de keurkaarten van het Waterschap behorende bij de algemene regels is te zien dat het plangebied binnen een invloedsgebied ligt. Dit betekent dat er geen ingrepen mogen plaatsvinden op de grondwaterhuishouding. Bij eventuele bronnering, zal het onttrokken grondwater o.b.v. artikel 34, lid 7 van de Keur volledig terug in de bodem worden gebracht. Dit is niet aan de orde met onderhavig plan. Oppervlaktewater Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie is binnen het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig. Negatieve effecten op oppervlaktewateren zijn niet aan de orde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13838957/1