Bijlage 1 Ontwikkelkader Innovatie Kwartier Den Bosch
Tekst van het document
Dikkere isolatie of zonnecellen verbeteren bijvoorbeeld de energieprestatie, maar verslechteren de MPG. De milieubelasting van het produceren van een zonnecel is hoog en verhoogt
daardoor de MPG. Materiaalgebonden CO2-uitstoot Bij materiaalgebonden CO2-uitstoot ligt de focus op het eerste deel van de levenscyclus: de productieen bouwfase. In het IKDB wordt gestreefd naar het reduceren van de materiaalgebonden CO2-uitstoot conform het Paris Proof protocol, dat betekent dat de gemiddelde materiaalgebonden uitstoot in IKDB, <220 kg CO2-eq. / m2 BVO is. Gedurende de looptijd van de ontwikkeling van het plangebied zal gestreefd worden naar een hoger ambitieniveau. Materiaalgebonden CO2-opslag in biobased materialen Bij materiaalgebonden CO2-opslag blijft CO₂ opgeslagen zolang het biobased materiaal is dat in een gebouw zit. Daarmee leveren biobased materialen een bijdrage aan klimaatmitigatie. Materiaalgebruik Materialenpaspoort Bij circulair bouwen is de herkomst van materialen, de gezondheid ervan en het omgaan met restmateriaal belangrijk. Onderzocht dient te worden hoe een materialenpaspoort kan bijdragen aan de doelstelling op het gebied van circulair bouwen. Dit biedt inzicht in het soort, de hoeveelheid en de milieu-impact van de gebruikte materialen. Dit materialenpaspoort maakt ook onderdeel uit van de gunningsvoorwaarden voor de realisatiefase van de aannemer. De aannemer dient zich aan dit materialenpaspoort te houden. Herkomst materialen De keuze voor het soort materiaal is een belangrijk onderdeel van circulair bouwen.
Deze indicator richt zich op de herkomst van de benodigde materialen voor een project. De herkomst van
materialen is uitgedrukt in een massa-percentage, met onderscheid tussen: nieuw, biobased, hergebruikt en gerecycled. Wat niet met biobased materialen of met hergebruikte of gerecycled materialen kan worden ingevuld, wordt met nieuwe materialen gerealiseerd. Er zijn op dit moment nog geen wettelijke eisen op het gebied van biobased bouwen. Voor het IKDB geldt de ambitie om een aantal gebouwen zo volledig mogelijk biobased en circulair te bouwen, om als innovatief voorbeeldproject te dienen. In het IKDB wordt gestreefd naar 65% (volumepercentage) biobased materialen en 100% biobased isolatie. Gedurende de looptijd van de ontwikkeling van het plangebied zal gestreefd worden naar een hoger ambitieniveau. Tegelijkertijd vraagt de ligging van sommige gebouwen – bijvoorbeeld nabij het spoor – om een zorgvuldige integrale afweging. Constructieve eisen, veiligheid, trillingen of brandwerendheid kunnen de inzet van bepaalde circulaire of biobased materialen beperken. In zulke gevallen wordt alsnog gezocht naar de meest circulaire oplossing binnen de technische randvoorwaarden. In het IKDB wordt daarnaast gestreefd om 65% en op termijn 80% van het vrijkomende materiaal te hergebruiken. Dit geldt in het bijzonder ook voor restmateriaal van de bouw. Dit moet worden voorkomen. Wat overblijft, wordt hoogwaardig hergebruikt.
Gezonde materialen Uitgangspunt is voorrang te geven aan materialen zonder schadelijke (toxische) stoffen. Gezonde materialen zijn aantoonbaar vrij van toxische Hergebruik elementen
62
stoffen, of bevatten toxische stoffen onder de grenswaarden voor mens, dier of natuur. Waardebehoud Gebouwen bewegen mee met veranderende behoeften. Waardebehoud gaat over aanpasbaarheid (adaptief vermogen), losmaakbaarheid en hergebruikpotentie. Adaptief vermogen Gebouwen worden ontworpen voor toekomstig gebruik. Flexibele indelingen maken het mogelijk om functies aan te passen, bijvoorbeeld van werken naar wonen. Zo wordt de levensduur verlengd en het gebouw waardevast. Losmaakbaarheid Er wordt ingezet op demontabele en eenvoudig te vervangen materialen. Dit vergemakkelijkt onderhoud en voorkomt afval bij verbouwingen. Hergebruikpotentie Nieuwe gebouwen worden zo ontworpen dat onderdelen in de toekomst hoogwaardig hergebruikt kunnen worden. Samen werken, wonen en leven Een circulaire economie is ook een sociale economie. Gedeeld gebruik van ruimtes, voorzieningen en objecten wordt gestimuleerd. Denk aan collectieve buitenruimtes, deelmobiliteit of gezamenlijke werkplekken. Delen betekent minder gebruik van grondstoffen, en meer verbondenheid in de wijk en met het omliggende gebied.
8.8 Klimaatneutraal: energie Energie is naast klimaatadaptie het tweede richtinggevende aspect binnen het IKDB in het kader van de ambities op het gebied van duurzaamheid. Het IKDB wordt ontwikkeld met als uitgangspunt dat het gebied al zoveel mogelijk klimaatneutraal is, in overeenstemming met de gemeentelijke ambitie om in 2045 klimaatneutraal te zijn. Gebouwen gebruiken daartoe zo min mogelijk energie en de benodigde energie wordt zo duurzaam mogelijk opgewekt. De nieuwbouw is vanzelfsprekend aardgasvrij, door middel van energiezuinige nieuwbouw en het gebruik van duurzame energiebronnen. Daarnaast wordt gestreefd naar een energietransitie voor de bestaande gebouwen richting een aardgasvrije toekomst. De gebouwen zullen (moeten) voldoen aan de wettelijke eisen van Bijna Energie Neutraal Bouwen (BENG). De gemeentelijke ambitie gaat, zeker voor dit gebied met een innovatief karakter, een stap verder dan de geldende wet- en regelgeving. Dit volgt ook uit het ambitieweb uit het vastgestelde Ruimtelijk Raamwerk. Dat betekent dat we streven naar gebouwen die voldoen aan BENG3 van 100% en aan BENG1 met maximale waarde van 65 kwb/m2. Omdat er in het IKDB veel gestapelde bouw zal worden gerealiseerd, en vanwege netcongestie, is het uitgangspunt dat de BENG3 minimaal 80% moet zijn. Dit is haalbaar en realiseerbaar in combinatie met het aan te leggen WarmteKoudeOpslag-systeem.
Voor BENG2 is het streven dat bij nieuwbouw geen fossiele energie wordt gebruikt (BENG2 = 0 kWh/m2). Echter gelet op de veelal gestapelde bouw is het uitgangspunt dat BENG2 maximaal 20 kWh/m2.
63
Een kansrijk energiepakket bestaat onder andere uit goede isolatie, warmteterugwinning uit ventilatielucht, warmte-koudeopslag en zonnepanelen. Het streven is dat ontwikkelingen binnen het plangebied IKDB, mede vanwege de doelstellingen een hoog innovatief karakter, een stap verder gaan dan de wet- en regelgeving voorschrijft. De gebouwen/ ontwikkelingen dienen als voorbeeld voor andere toekomstige ontwikkelingen binnen onze gemeente. Voor het gebied is een bodemenergieplan opgesteld. Hieruit blijkt dat collectieve bodem energiesystemen de voorkeur hebben, vanwege schaalvoordelen, efficiëntie en technische haalbaarheid. Momenteel zijn er binnen het plangebied geen bodemenergiesystemen aanwezig. De aanleg van een collectief warmteen koudesysteem (WKO) voor het IKDB is het uitgangspunt, waar de woningen en alle voor zieningen op aangesloten worden. Dit warmtekoude systeem wordt verder uitgewerkt waarbij wordt nagedacht over o.a. de technische aspecten, duurzaamheid, faseerbaarheid, ruimtelijke uitwerking en de exploitatie van het systeem. Een collectief systeem binnen en voor dit plangebied is noodzakelijk gelet op de benutting van de bronnen in de onder grond. Bij afzonderlijke bronnen per bouwveld gaan deze elkaar beïnvloeden, wat daardoor niet uitvoerbaar is. Dit moet voorkomen worden.
Aandachtspunt is de provinciale Omgevingsverordening, waarin wordt gesteld dat de diepte van nieuwe bodemenergiesystemen zich moet beperken tot de eerste scheidende laag, de natuurlijke barrière tussen het eerste en tweede watervoerende pakket. Voor het IKDB betekent dat een maximale diepte van 80 meter onder maaiveld.
Energieopwekking
8.9 Netcongestie Het streven is IKDB netbewust te ontwerpen, door pieklast van gebouwen te beperken en zo veel mogelijk direct verbruik van lokaal opgewekte energie te stimuleren. Daarnaast moet de aansluiting van de gebouwen zorgvuldig worden gepland door al in een vroeg stadium van de planontwikkeling contact te leggen met de netbeheerder. Elk plan draagt deze verantwoordelijkheden.
Dit betekent onder andere dat de aansluitingen van de gebouwen zorgvuldig moeten worden gepland en dat trafostations, transportverdeelstations en andere bovengrondse en ondergrondse voor zieningen van netbeheerders goed in het ontwerp moeten worden ingepast. Daarbij moet aandacht zijn voor mogelijke effecten, zoals geluid en elektromagnetische velden, op de omgeving.
8.10 Duurzame mobiliteit De gemeente ‘s-Hertogenbosch wil dat in het jaar 2050 al het vervoer in de gemeente schoon (geen CO2 uitstoot), slim en veilig is. Het thema duurzame mobiliteit dient in de initiatieffase van een ruimtelijke planontwikkeling te worden betrokken, hierbij dient het gemeentelijk beleid te worden beschouwd. Voor duurzame mobiliteit staan drie waarden centraal; inclusief; leefbaar en gezond en klimaat- en energieneutraal.
aantrekkelijker worden. Een verbetering van de gezondheid van inwoners en werkenden versterkt hun veerkracht en vergroot hun kansen om mee te doen in de samenleving. Daarom zijn in het IKDB de zogenaamde ‘10 WELL principes’ leidend, voor een gezonde gebiedsontwikkeling: rust, samenzijn, experiment, gezonde voeding, groen, gezond water, actieve beweging, daglicht, geluidsbeperking en luchtkwaliteit. Bij iedere ontwikkeling dient aangetoond en gemotiveerd te worden op welke wijze aan deze 10 WELL principes wordt voldaan, en indien een principe niet of nauwelijks haalbaar of uitvoerbaar is, wordt dit nader beargumenteerd. In bijlage 5 zijn de principes nader toegelicht ter verduidelijking. Deze WELL principes zijn in eerste instantie bedoeld voor werkenden. Voor bewoners dient eenzelfde afweging voor gezondheid te worden gemaakt, in lijn met dit principe.
In hoofdstuk 7 Mobiliteit, verkeer en parkeren staan de kaders die mee worden gegeven om duurzame mobiliteit te faciliteren in het IKDB.
8.11 Gezondheid De gemeente streeft naar een gezonde stad en draagt hieraan bij met onder andere het Programma Samen Gezond. Dit programma ondersteunt inwoners door het stimuleren en faciliteren van een gezonde leefstijl en sociale participatie. Daarnaast wordt de leefomgeving zo ingericht dat gezonde keuzes gemakkelijker en
64
Duurzame mobiliteit, elektrisch laden
Samen tuinieren
Hoofdstuk 9. Milieu
65
9.1
Toelichting toetsingskader milieu
Op basis van de wettelijke kaders, het gemeentelijk beleid en de indicatieve verrichte milieuonderzoeken is in kaart gebracht welke milieuaspecten op welke wijze een rol spelen in het IKDB. Hierbij zijn er een aantal milieuaspecten waarvan bekend is dat deze maatgevend zijn; milieuaspecten die van invloed kunnen zijn op de planontwikkeling. Dit gaat om voornamelijk de milieuaspecten geluid van spoorweg, geluid van overige milieubelastende activiteiten, geluid van wegverkeer, geluid van evenementen, externe veiligheid ten gevolge van transport van gevaarlijke stoffen over het spoor, trillingen afkomstig van het spoor, bodem, water, natuur (stikstof en flora en fauna) en windhinder en bezonning. De onderdelen windhinder en bezonning zijn in hoofdstuk 5 behandeld. In dit hoofdstuk 9 wordt op de maatgevende milieuaspecten gefocust en wordt daarnaast ook ingezoomd op andere aspecten die weliswaar minder maatgevend zijn, maar wel van invloed kunnen zijn op plannen, te weten: archeologie, lichthinder en overige hinder van milieubelastende activiteiten. Tot slot, enkele overige milieuaspecten worden slechts kort benoemd, maar niet nader en uitgebreid beschreven. In hoofdstuk 8 zijn daarnaast al de omgevings aspecten water en natuur (groen en biodiversiteit) beschreven, die ook als maatgevend moeten worden gezien.
De overige aspecten in hoofdstuk 8 zijn niet op voorhand maatgevend en doorslaggevend voor de planontwikkeling, maar wel van belang, zoals gezondheid, circulariteit, netcongestie en hittestress. Bij de omgeving – en milieuaspecten worden, indien van toepassing, de resultaten van de verkennende uitgevoerde milieuonderzoeken beschreven en de daarmee samenhangende aandachtspunten voor het vervolg (zoals nader
66
onderzoek, mitigerende maatregelen etc.) mee gegeven. Indien van toepassing, wordt ook in dit Ontwikkelkader het ambitieniveau voor het IKDB beschreven vanuit het betreffende milieuaspect. Deze uitgangspunten vormen samen een (kaderstellend) toetsingskader voor de toekomstige deelplannen en fungeren tegelijkertijd als hulp middel voor die uitwerking. Uiteraard geldt ten allen tijde minimaal de geldende wet- en regelgeving en het vastgestelde gemeentelijke beleid.
9.2 Bedrijven en milieuactiviteiten Het is essentieel dat er altijd voldoende ruimtelijke scheiding wordt aangehouden tussen milieubelastende functies enerzijds, en milieugevoelige functies zoals woningen anderzijds. Bij de ontwikkeling van het IKDB wordt hiermee rekening gehouden, zodat de kwaliteit van het woon-, werk- en leefmilieu gewaarborgd blijft. Tegelijkertijd worden bestaande vergunningen en rechten van gevestigde bedrijven gerespecteerd. Uit een inventarisatie van aanwezige rondom het plangebied liggende bedrijven blijkt dat het realiseren van gevoelige bebouwing in het IKDB, zoals woningen, kan resulteren in bepaalde aandachtspunten c.q. vervolgacties en/of een nadere afweging. Dit betreft met name het milieuaspect geluid dat in paragraaf 9.3 onderdeel ‘Geluid van overige milieubelastende activiteiten’ nader wordt toegelicht. Aangezien er reeds woningen en/of andere gevoelige gebouwen dichter bij bedrijven zijn gelegen dan de toekomstige (woning)bouw in het IKDB, kan worden geconcludeerd dat de bedrijven niet zullen worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Bij de omgevingsvergunningaanvragen dient dit nader onderzocht en onderbouwd te worden. Op basis van
dat onderzoek dient de gemeente een afweging te maken met betrekking tot een Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (ETFAL), in lijn met de Omgevingswet. Naar verwachting levert dit geen onoverkomelijke belemmeringen op voor de ontwikkeling van het IKDB. Bij het toestaan van nieuwe bedrijvigheid in het plangebied van het IKDB dient eveneens een zorgvuldige afweging te worden gemaakt aan de hand van ETFAL. Er moet sprake zijn van een aanvaardbaar woon-, werk- en leefklimaat bij de gevoelige functies en de bedrijfsvoering dient niet belemmerd te worden.
9.3 Geluid Het plangebied is in de huidige situatie (deels) blootgesteld aan een cumulatieve geluidsbelasting als gevolg van meerdere geluidsbronnen, waaronder het nabijgelegen spoor, wegverkeer, industriële activiteiten, overige milieubelastende functies, evenementen en geluid afkomstig van de Brabanthallen. Geluid vormt daarmee een complexe uitdaging binnen het gebied. Vanaf de eerste deel-uitwerking dienen initiatiefnemers nadrukkelijk rekening te houden met geluid per deelaspect en met de cumulatie van geluid. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek voorafgaand aan alle bouwplannen is noodzakelijk. Aspecten met betrekking tot geluid dienen bij het eerste ontwerp van de gebouwen, al te worden betrokken om tot bouwplannen te komen die voldoen aan de geluidseisen. Geluid is een leidend principe in de uitwerking en vormgeving van het IKDB.
Geluid spoor en wegverkeer Het plangebied van het IKDB grenst aan twee spoorlijnen: ‘s-Hertogenbosch – Utrecht en ‘s-Hertogenbosch – Oss/Nijmegen. Op basis van de voorbeelduitwerkingen uit het Ruimtelijk Raamwerk zijn indicatieve geluidsberekeningen uitgevoerd. Deze berekeningen zijn gebaseerd op data van de spoorwegen en het wegverkeersnetwerk. Hiermee is inzicht verkregen in de geluidsbelasting op de geplande gebouwen binnen de voorbeeldverkaveling. Geconstateerd is dat met name bij de toekomstige geluidsgevoelige bebouwing tussen de Parallelweg en Nelson Mandelalaan in het IKDB sprake is van ontwerptechnische uitdagingen om aan de landelijke wetgeving en gemeentelijk beleid te voldoen. Toetsing aan Omgevingswet De wettelijke grenswaarde voor spoorweglawaai van Lden 65 dB wordt alleen in het noordoostelijk gelegen stukje plangebied overschreden, zie rood in afbeelding Geluid Spoorwegen. Hier dienen niet geluidgevoelige functies te worden gepositioneerd, of dienen de wel gevoelige functies te worden voorzien van niet-geluidgevoelige gevels (voormalige dove gevels). Op de overige gevels wordt voldaan aan de wettelijke standaardwaarde voor spoorweglawaai van Lden 55 dB (kleur groen) of ligt de geluidsbelasting tussen de standaardwaarde en grenswaarde in (kleur geel/ oranje), en voldoen geluidsgevoelige functies aan het gemeentelijk geluidbeleid.
Geluid Spoorwegen, indicatieve voorbeelduitwerking, DGMR 2025
Het plangebied is gelegen binnen de invloed van het autoverkeer op de Nelson Mandelalaan. De maximale grenswaarde voor wegverkeerslawaai van Lden 70 dB wordt niet overschreden, maar er kan niet altijd worden voldaan aan de standaardwaarde van Lden 53 dB. De berekende geluidbelasting voor wegverkeerslawaai is maximaal Lden 61 dB.
Geluid gemeentewegen, indicatieve voorbeelduitwerking, DGMR 2025 IKDB langs het het spoor
67
Toetsing aan gemeentelijk beleid Voor zowel spoorweglawaai als voor wegverkeers lawaai wordt op veel gevels van gebouwen de standaardwaarde overschreden (kleur geel/ oranje). Indien er geluidsgevoelige functies in deze gebouwen worden aangevraagd, geldt het gemeentelijke geluidbeleid, te weten Gebiedsgericht geluidbeleid Gemeente ’s-Hertogenbosch (3 juni 2009) en de Nota hogere grenswaarden geluid (augustus 2010). Aangetoond moet worden dat aan de uitgangspunten van het gemeentelijke geluidbeleid wordt voldaan. Een uitgangspunt is onder andere dat een gebouw een geluidluwe zijde (gevel) moet hebben. Dit is een gevel die voldoet aan de standaardwaarde (Lden 53 dB voor gemeentewegen en Lden 55 dB voor spoorwegen).
combinatie met de andere vereisten/doelstellingen, kan resulteren in een nadere afweging wanneer blijkt dat niet (volledig) kan worden voldaan aan het geluidsbeleid. Deze nadere afweging zal dan zorgvuldig onderbouwd moeten worden aan de hand van een integrale belangenafweging. Hierbij moet gemotiveerd worden waarom afwijking van het beleid aanvaardbaar zou zijn. Onderdeel van die afweging is in ieder geval om aan te tonen hoe er desondanks zoveel mogelijk aan de beoogde geluidsvisie/doelstelling van het geluidbeleid van de gemeente ’s-Hertogenbosch tegemoet kan worden gekomen. Als randvoorwaardelijk wordt alvast de
Het streven is om in de eerste vier lagen van de bebouwing aan het spoor en aan de Nelson Mandelalaan niet geluidgevoelige functies / gebouwen te gaan realiseren, aangezien hier de hoogste geluidsbelastingen optreden en gelet op de ligging en hoogte van de verblijven er niet zonder meer sprake kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Indien dit niet mogelijk is, dient dit voldoende onderbouwd te worden met inachtneming van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Afwijking gemeentelijk beleid Het voldoen aan de wet- en regelgeving inclusief geluidsbeleid van de gemeente is de doelstelling. Echter, het bouwen van geluidsgevoelige gebouwen (1) dicht aan een spoorweg en doorgaande verkeersweg (2) in samenhang met het beoogde programma in hoogstedelijk gebied, (3) op een relatief klein projectgebied en (4) in
68
Stroomschema bij afwegingskader geluid IKDB
voorwaarde meegegeven/opgenomen dat er voldaan moet worden aan 28 dB binnenwaarde (in plaats van de wettelijke eis van 33 dB binnenwaarde) ten gevolge van het gezamenlijke geluid op de gevel van deze woningen wanneer niet aan het geluidbeleid zou kunnen worden voldaan. Specifiek onderzoek naar de geluidswering van de gevels dient dit aan te tonen als onderdeel van de omgevingsvergunningaanvraag/Bopa. In bijlage 6 is het afwegingskader geluid bij (spoor) wegen opgenomen.
Geluid van gezoneerd industrieterrein Het plangebied bevindt zich gedeeltelijk binnen de geluidszone van het gezoneerde industrieterrein De Rietvelden, De Vutter en Het Ertveld. Buiten deze geluidszone gelden er geen nadere vereisten conform de vigerende wet- en regelgeving, behoudens het aantonen dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de beoogde geluidsgevoelige functies. Binnen deze geluidszone (zie onderstaande afbeelding), worden in het IKDB mogelijk geluidsgevoelige gebouwen, zoals woningen, gepland. Via het overgangsrecht van de Omgevingswet bestaat de mogelijkheid om een hogere waarde te verlenen tot een maximale geluidbelasting van 55 dB(A), totdat de gemeente geluidproductieplafonds als omgevingswaarden heeft vastgesteld en opgenomen in het omgevingsplan: dat is de maximaal toegelaten hoeveelheid geluid op een referentiepunt nabij een geluidbron. In dat geval moet in plaats van aan de 50 dB(A)-contour van het gezoneerde industrieterrein, getoetst worden aan het geluidproductieplafond en bij een overschrijding daarvan moeten maatregelen worden genomen om aan de geluidproductieplafonds te voldoen.
50 dB(A)-geluidszone industrieterrein De Rietvelden, De Vutter en Het Ertveld
Het IKDB valt voor een klein gedeelte binnen de 50 dB(A)-zone. De maximaal te verlenen hogere waarde industrielawaai van 55 dB(A) wordt op deze locatie naar verwachting niet overschreden en kan derhalve bij een omgevingsvergunning worden verleend, rekening houdend met de hiervoor geldende vereisten vanuit de wet- en regelgeving. Een nadere onderbouwing en motivering dient hiertoe aan de omgevingsvergunningaanvraag gevoegd te worden.
Op voorhand wordt aangenomen dat er voldaan kan worden aan de grenswaarden voor piekgeluiden voor bedrijven op het gezoneerde industrieterrein, omdat er tussen de bestaande bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en de nieuw te vestigen geluidsgevoelige objecten, al andere geluidsgevoelige objecten zijn gelegen die bepalend zijn voor de geluidsuitstraling en de daarmee samenhangende grenswaarden voor de bedrijven. Ook wordt vanwege de afstand van
69
deze bedrijven tot het plangebied van het IKDB en de te verwachten optredende piekgeluiden aangenomen dat er aan de grenswaarden kan worden voldaan. Dit resulteert eveneens in een aanvaardbaar geluidsniveau ten gevolge van piekgeluiden bij de nieuwe geluidsgevoelige functies binnen het IKDB. Geluid van Brabanthallen De Brabanthallen liggen binnen het gezoneerde industrieterrein De Rietvelden, De Vutter en Het Ertveld en is gelegen op relatief korte afstand van het IKDB. De Brabanthallen hebben vanwege het ten gehore brengen van muziekgeluiden een toeslag van 10 dB. Dit valt buiten de beschouwing van de toetsing aan de geluidszone, waardoor de daadwerkelijke vergunde geluidsbelasting van de Brabanthallen hoger zal zijn in vergelijking met de geluidsbijdrage op de geluidszone. De reguliere bedrijfssituatie en ook incidentele activiteiten van de Brabanthallen genereren hogere geluidniveaus op de gevels van gebouwen in het IKDB dan de wettelijke standaardwaarde. De hoogste gemiddelde geluidniveaus bedragen naar verwachting maximaal 55 dB(A) in de avond en 50 dB(A) in de nachtperiode, inclusief een muziektoeslag van +10 dB. De werkelijke geluidniveaus zijn derhalve respectievelijk 45 en 40 dB(A). Omdat de nieuwe woongebouwen in het IKDB allemaal een wettelijke minimale gevelwering zullen hebben van 20 dB, zijn de geluidniveaus in de geplande woningen niet hoger dan 25 dB(A).
Dan is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de incidentele bedrijfssituaties, te weten muziekevents, dient bij de omgevingsvergunning aanvraag een nadere afweging te worden gemaakt
om de aanvaardbaarheid in relatie met een goed woon-, werk- en leefklimaat aan te tonen. Het nemen van extra geluidswerende maatregelen / voorzieningen om het binnengeluidsniveau in de geluidsgevoelige gebouwen afdoende te waar borgen wordt hierbij als uitgangspunt gehanteerd. Dit mede vanwege de huidige ervaringen van omwonenden in de omgeving van de Brabanthallen. Het ondervinden van mogelijke geluidsoverlast ten gevolge van de incidentele bedrijfsactiviteiten dient zorgvuldig afgewogen te worden. Dit betreft met name de geluidsgevoelige bebouwing die binnen het plangebied van het IKDB wordt opgericht aan de dichtbijgelegen zijde richting de Brabanthallen. Geluid van overige milieubelastende activiteiten Rond het IKDB zijn diverse milieubelastende activiteiten c.q. bedrijven aanwezig. Al deze bedrijfs matige milieubelastende activiteiten hebben een “milieuruimte” op basis van de verleende milieu vergunning en/of milieu-melding. Bestaande vergunningen en rechten van gevestigde bedrijven worden gerespecteerd. Met milieuruimte wordt de wederkerige afstand aangeduid, gelegen tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies, zoals woningen.
Voor de bedrijfsactiviteiten gelegen in of direct grenzend aan het plangebied dient per activiteit een nadere onderbouwing en afweging te worden opgesteld met als doel om aan te tonen dat de bedrijfsvoering van dat bedrijf niet wordt belemmerd door de beoogde ontwikkeling, indien er sprake is van een geluidgevoelige functie, en dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Als gangbare afstand wordt hiervoor de afstand van 50 meter gehanteerd. Een van de bedrijven waarvoor dit geldt is bedrijf
70
GEA, gelegen noordelijk en aangrenzend aan het plangebied, adres Parallelweg 25. Mede gelet op de bedrijfsvoering van dit bedrijf wordt in dit Ontwikkelkader geen ruimte geboden voor geluidsgevoelige functies (zoals wonen) in het gebouw Grasso, dat direct grenst aan het perceel van bedrijf GEA. Dit is namelijk niet zonder meer mogelijk. Een nadere afweging (ETFAL) en specifiek en gedetailleerd geluidsonderzoek van de bedrijfsactiviteiten van GEA t.o.v. beoogde geluidsgevoelige gebouwen in het plangebied zal noodzakelijk zijn om dit zorgvuldig en rekening houdende met de verschillende belangen te kunnen bepalen. Het niet belemmeren van de bedrijfsvoering en zorgdragen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners staat hierin centraal. Bij de ontwikkeling van de mobiliteitshub (parkeergarage) is specifieke aandacht vereist voor de geluidsbelasting die gepaard gaat met het gebruik ervan. Het gaat hierbij onder meer om het geluid afkomstig van verkeersbewegingen naar en van de entree, evenals het geluid van de benodigde technische installaties, zoals ventilatievoorzieningen. Ook andere geluidsbronnen, waaronder installaties voor verwarming en koeling van gebouwen, aircounits, ventilatoren en afzuiginstallaties, kunnen bijdragen aan de totale geluidsbelasting en daarmee de te ondervinden geluidshinder.
Bij het ontwerp van de verschillende deelplanuitwerkingen dient geluid als leidend principe op voorhand te worden meegenomen. Dit om zorg te dragen voor een zo goed mogelijk woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners, werknemers en bezoekers van het plangebied.
Geluid evenementen In de directe omgeving van het plangebied (onder andere Cultuurplein, Brabanthallen, Tramkade) worden evenementen georganiseerd. Indien er sprake is van evenementen met muziekgeluid kan er enige mate van overlast optreden bij de beoogde geluidsgevoelige functies. De eventuele gevolgen voor de te realiseren geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen binnen het IKDB, als gevolg van de muziekgeluiden van evenementen, moeten bij het beoordelen van de aanvragen voor de (bouw) plannen meegenomen worden, zodat sprake is van een zorgvuldige besluitvorming. Bepalende factoren hierin zijn het aantal evenementen in de directe omgeving, de frequentie van de evenementen, de eindtijd, de hoogte van de te ondervinden geluidsbelasting op de gevel van de woningen en ook binnenin de woningen, en dergelijke. Onderdeel van de te maken zorgvuldige afweging is te onderzoeken of het extra isoleren van de woningen tegen muziekgeluid van toegevoegde waarde is en financieel draagbaar is – mede gelet op de al te realiseren geluidswering van de gevels vanwege spoorweg- en wegverkeers lawaai.
Uitgangs-/ aandachtspunten geluid bij verdere uitwerking (cumulatie van geluid) Het plangebied is in de huidige situatie (deels) blootgesteld aan een hoge cumulatieve geluidsbelasting als gevolg van de eerder omschreven geluidsbronnen, waaronder het nabijgelegen spoor, wegverkeer, industriële activiteiten, overige milieubelastende functies, evenementen en de Brabanthallen. Geluid vormt daarmee een grote en complexe uitdaging binnen het plangebied.
Vanaf de start van de planvorming c.q. stedelijk ontwerp dienen initiatiefnemers nadrukkelijk rekening te houden met geluid en ook daarbij de cumulatie van geluid. Het uitvoeren van een uitgebreid akoestisch onderzoek is in alle gevallen vereist. Geluid dient bij het ontwerp van de gebouwen als één van de leidende principes te worden toegepast. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kunnen aanvullende maatregelen vereist zijn om een aanvaardbaar en acceptabel geluidsniveau te realiseren. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de initiatiefnemer. Deze dient aan te tonen dat – met inachtneming van zowel de afzonderlijke geluidsbronnen als de cumulatieve effecten ervan – er sprake is van een aanvaardbaar en acceptabel geluidniveau in het plangebied en op de gevel van (geluidgevoelige) gebouwen, zodat er een goed woon- en leefklimaat ontstaat. Fasering en rekening houden met het eindbeeld Het uitgangspunt is dat er geen situatie mag ontstaan waarin het principe van ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’ leidend is. Elk initiatief binnen het IKDB wordt beoordeeld met oog op het ruimtelijke en programmatische eindbeeld zoals vastgesteld in dit Ontwikkelkader. Dit betekent dat initiatiefnemers ook rekening moeten houden met aangrenzende ontwikkelingen die wellicht nog niet gerealiseerd zijn, maar al wel gepland staan.
Tegelijkertijd moet bij de realisatie en het gebruik van de geplande bebouwing altijd sprake zijn van een aanvaardbaar geluidsniveau. Vanuit dat perspectief heeft het de voorkeur om te starten met de realisatie van bebouwing langs het spoor (de zogenaamde ‘eerstelijns bebouwing’). Deze bebouwing heeft een afschermende werking op
71
de achterliggende gebouwen (de zogenaamde ‘tweedelijns bebouwing’). Bij de realisatie én het gebruik van de achterliggende gebouwen kan dan rekening worden gehouden met de bescherming die de eerstelijns bebouwing biedt.
9.4 Trillingen Bij alle nieuwe bebouwing in het IKDB moet rekening worden gehouden met trillingen van het nabijgelegen spoor. Afhankelijk van de situatie kunnen per gebouw passende maatregelen nodig zijn. Trillingen kunnen hinder veroorzaken voor toekomstige bewoners en ondernemers en mogelijk schade aan gebouwen opleveren. Dit moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Derhalve is het uitgangspunt voor gebouwen langs het spoor om trillingsbewust te ontwerpen en bij de uitwerking te toetsen aan streef-, standaard- en grenswaarden voor trillingen (zie hieronder). Voor woningen langs het spoor gelden geen instructieregels van het Rijk. De beoordeling moet plaatsvinden binnen de taak van ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (artikel 4.2 van de Omgevingswet). Hierbij wordt de Meeten Beoordelingsrichtlijn, deel B, ‘Hinder voor personen in gebouwen 2006’ van de Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR-richtlijn) toegepast en deze richtlijn is het uitgangspunt. Voor het bepalen en beoordelen van trillingen bij het toelaten van nieuwbouw bij een spoorweg wordt gebruik gemaakt van de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De streefwaarde van 0,2 voor de maximale trillingssterkte Vmax gedurende de nachtperiode geldt voor de te realiseren nieuwe woongebouwen. Uit een quickscan trillingsonderzoek, d.d.
10 maart 2025 (DGMR), dat is uitgevoerd in de voorbereiding van dit Ontwikkelkader blijkt dat er in het
plangebied een verhoogde trillingsbelasting wordt verwacht. Het voldoen aan een trillingssterkte Vmax van 0,2 (nacht) is kritisch en vergt een bewust gebouw- en vloerontwerp, voldoende gebouwmassa en eisen aan de funderingswijze (palen). Daarom moet de initiatiefnemer in de verdere uitwerking van de plannen/projecten, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, voorafgaand aanvullend onderzoek (laten) uitvoeren naar trillingshinder. Uitgangspunt hierbij is de situatie na realisatie van de trillingskerende ondergrondse constructie (TROC) die ProRail in de periode 2026-2027 realiseert. Tijdens de constructieve uitwerking van de gebouwen moet hier eveneens rekening mee worden gehouden en er kunnen dus technische maatregelen nodig zijn om trillingen te reduceren. Algemeen is het voor hoogbouwgebouwen nabij het spoor belangrijk om ook het dynamisch gedrag (trilgedrag) van het gebouwcasco te beschouwen tijdens het ontwerp om sterke trillingstoename naar hoger gelegen verdiepingen en/of in uitkragende delen of brugdelen te voorkomen. Dit geldt zeker voor gebouwen oostelijk van de Parallelweg, op minder dan 40 tot 80 meter van het spoor.
9.5 Externe veiligheid Bij de uitwerking van het plangebied zijn externe veiligheidsrisico’s van belang. In een notitie, analyse externe veiligheid d.d. 7 mei 2025, opgesteld door DGMR, zijn de externe veiligheidsrisico’s samen met een conceptadvies van de Veiligheidsregio (27 februari 2025, referentie D2025-006210) nader beschreven. Voor dit plangebied is het transport van gevaarlijke stoffen over het nabijgelegen spoor de maatgevende risicobron. Tevens is de opslag van gevaarlijke stoffen (vanwege nabijgelegen
bedrijventerrein De Rietvelden-De VutterHet Ertveld) en de ligging van een hoge druk aardgasbuisleiding relevant. De risico’s van de opslag van gevaarlijke stoffen en de aanwezigheid van de hogedruk aardgasbuisleiding zijn gering, aangezien de geplande bebouwing buiten de aandachtsgebieden van deze risicobronnen valt. Het nabijgelegen spoor kent een plaatsgebonden risico (PR). Het plangebied valt buiten deze risicocontour. Het PR is dus niet relevant voor de
beoogde ontwikkelingen. De aandachtsgebieden zijn wel relevant. Dit zijn het brandaandachtsgebied, het explosieaandachtsgebied en het gifwolk aandachtsgebied. De geplande bebouwing komt op meer dan 30 meter van het spoor en valt daarmee buiten het brandaandachtsgebied. Deze afstandslijn is ook weergegeven op de Ontwikkelkaderkaart. De toekomstige bebouwing ligt wel binnen het explosieaandachtsgebied en (toekomstig) gifwolkaandachtsgebied op respectievelijk 200 en 300 meter van het spoor. Hierdoor moet bij de ontwikkeling van het plangebied rekening worden gehouden met de veiligheidsrisico’s voor toekomstige bewoners, werkenden en andere gebruikers. In dat kader is het bieden van voldoende bescherming en een evenwichtig toedeling van functies aan locaties van belang. In de zone langs het spoor van het plangebied van het IKDB worden geen zeer kwetsbare gebouwen voorzien, waardoor er hier op voorhand geen knelpunt optreedt. Een gebouw is ‘zeer kwetsbaar’ als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen.
Het gaat dan bijvoorbeeld om gebouwen met een: woonfunctie voor 24-uurszorg; onderwijsfunctie voor basis schoolonderwijs of onderwijs aan minderjarigen met een beperking; een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang of dagverblijf van personen met een beperking; gezondheidszorgfunctie met bedgebied (ziekenhuizen en verpleeghuizen); een celfunctie (gevangenissen).
Trillings- en geluidmaatregelen uit het Ontwerptracébesluit Meteren-Boxtel (2024)
72
Binnen de aandachtsgebieden moeten in overleg met de gemeente en de Veiligheidsregio wel passende maatregelen worden getroffen om een voldoende beschermingsniveau te waarborgen. Deze maatregelen bestaan uit de volgende maatregelen op genoemde volgorde van prioriteit:
•
1. Bronmaatregelen 2. Omgevingsmaatregelen 3. Organisatorische maatregelen 4. Bouwtechnische maatregelen Uit de Oplegger Uitvoeringskader externe veiligheid, welke aanvullend is op het Uitvoeringskader externe veiligheid Gemeente ’s-Hertogenbosch, blijkt dat kwetsbare gebouwen binnen het explosieaandachtsgebied van een basisnetroute niet zijn toegestaan zonder een locatie-specifieke onderbouwing en een voldoende beschermings niveau. Aangezien er kwetsbare gebouwen in het plangebied worden gerealiseerd (zoals woningen) is deze locatie-specifieke onderbouwing inclusief het aantonen van voldoende beschermingsniveau onderdeel van de omgevingsvergunningaanvraag. Bouwen binnen het gifwolkaandachtsgebied is toegestaan als is onderbouwd dat het beschermingsniveau voldoende is. Het behalen van een voldoende beschermingsniveau binnen de aandachtsgebieden kan aangetoond worden aan de hand van het nemen van de vier genoemde type maatregelen. Bronmaatregelen kunnen niet getroffen worden. Onderstaand wordt kort ingegaan op de overige maatregelen: Omgevingsmaatregelen Tevens gelden, onder andere op advies van de Veiligheidsregio, de volgende omgevingsmaatregelen: • Vluchten onder externe veiligheidsomstandig
73
•
heden; nieuwe vluchttrappen moeten inpandig geplaatst zijn en op veilige afstand van een gebouw moeten verzamelplaatsen zijn. Bij een dreigende explosie moeten deze binnen 15 minuten bereikbaar zijn. Gebiedsinrichting/openbare ruimte; door het terrein onder afschot of met lokaal reliëf zoals een dam of greppel in te richten zal een plasbrand zich minder ver uitbreiden. Tevens is het van belang dat de bereikbaarheid van het plangebied goed is. De (ont)sluitingswegen voor de hulpdiensten dienen in het ontwerp van het plangebied te worden meegenomen. Beschikbaarheid van voldoende bluswater en bereikbaarheid van de locatie; voldoende bluswater en goede bereikbaarheid bevorderen de bestrijdbaarheid van een brand Dit wordt beoordeeld aan de hand van de Interregionale adviesleidraad bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2022, wat een lokale uitwerking van de Handleiding bluswater en bereikbaarheid is. De recentste versie geldt bij de toetsing van de plannen.
Organisatorische maatregel De zelfredzaamheid van de aanwezige personen is naar verwachting voldoende, aangezien er geen zeer kwetsbare gebouwen worden gerealiseerd. Zelfredzaamheid houdt in dat personen kunnen schuilen en/of kunnen vluchten van de risicobron af naar een verzamelplaats. Vluchtroutes dienen voldoende capaciteit te hebben om alle aanwezigen in het gebouw via de risicoluwe zijde van het gebouw te kunnen verlaten. Hiertoe geldt tevens een informatieplicht voor toekomstige bewoners en werknemers (organisatorische maatregel).
Bouwtechnische maatregel Binnen het explosievoorschriftengebied geldt voorschrift 4.96 uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Hierin staat dat letsel door scherf werking (glas) moet worden voorkomen. Het explosievoorschriftengebied is voor deze locatie, en vooralsnog voor de gehele gemeente, niet van toepassing. Echter is in de toevoeging van 2025 aan het gemeentelijke Uitvoeringskader externe veiligheid (oplegger EV) wel opgenomen dat er voor explosieaandachtsgebieden, waaronder deze locatie valt, het toepassen van scherfvrijglas ter overweging moet worden meegenomen. In de oplegger staat vervolgens dat ER-1 beglazing of een gelijkwaardig alternatief moet worden toegepast. Zowel het glas als het kozijn en de kozijnverankering moeten sterk genoeg zijn om de drukbelasting te kunnen weerstaan. Het doel is om voldoende beschermingsniveau te waarborgen. Dit voldoende beschermingsniveau dient in de omgevingsvergunning nader gemotiveerd / aangetoond te worden. Tevens worden er door de Veiligheidsregio eisen gesteld aan bluswatervoorzieningen in hoogbouw. Hier dient invulling aan te worden gegeven in het ontwerp.
9.6 Bodem en ondergrond Bodemkwaliteit bij planvorming Bij gebiedsontwikkelingen en bouwplannen is, in het kader van bodem en ondergrond, de hoofd vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van eventuele aanwezige bodemveront reiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en de omgeving. Bovendien mag de bodemkwaliteit zelf niet
verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Daarom dient de bodem kwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming / functies. Als de bodem niet geschikt is, dan kan worden overgegaan tot sanering van de bodem om de bodemkwaliteit geschikt te maken voor het gewenste gebruik. Resultaten verkennende onderzoeken De planlocatie is deels onderzocht. Uit de in het verleden uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat er sprake is van lichte tot matige bodemverontreinigingen en lichte tot matige grondwaterverontreinigingen. De aanwezige grondwaterverontreiniging wordt gemonitord. Incidenteel worden in de bodem de I-waarden (interventiewaarden) overschreden en plaatselijk is ook asbest aangetoond boven de norm. Tevens zijn er enkele spotlocaties waar ernstige bodem verontreiniging aanwezig kan zijn. Dit alles dient bij ontwikkelingen nader onderzocht te worden. Toekomstige ontwikkelingen dienen rekening te houden met de aanwezige bodem- en grondwaterverontreinigingen en de invloed van de ontwikkeling op de verontreinigingen. Bodem en ondergrond als sturend mechanisme De bodem vormt een aandachtspunt bij de aanleg van het beoogde klimaatbestendig groen en waterberging.
Voor het creëren van een klimaatrobuuste bodem met een goede sponswerking is, op plekken waar dit van toepassing is, verbetering van de bodemstructuur en samenstelling noodzakelijk.
74
Ook moet rekening worden gehouden met de drukte in de ondergrond. De diverse ondergrondse toepassingen – zoals de waterberging, WKO, boomwortels, kabels en leidingen – vergen een zorgvuldige ondergrondse afstemming. Gelet op het plan en de daarmee gepaard gaande ingrepen in de ondergrond, zal in een vroeg stadium van de planontwikkelingen een verkenning naar de ondergrond moeten worden uitgevoerd om de beschikbare ruimte in de ondergrond te ordenen, zodanig dat zowel de ontwikkelingen op de korte termijn doorgang kunnen vinden als dat deze geen belemmering gaan vormen voor toekomstige ontwikkelingen.
Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties. Een lichthinderonderzoek kan onderdeel zijn van de ruimtelijke motivering ten behoeve van de omgevingsvergunningaanvraag. Dit is afhankelijk van de locatie en de aanvraag en wordt dan overwogen. Bij het toepassen van verlichting in het gebied dienen ook ecologische effecten mee te wegen. Veel diersoorten – zoals insecten, vogels en vleermuizen – zijn gevoelig voor lichtvervuiling. Kunstlicht kan hun gedrag, voortplanting en oriëntatie verstoren. Derhalve draagt het toepassen van ‘natuurinclusieve’ verlichting bij aan een gezonde leefomgeving voor mens en dier.
Boringsvrije zone Het plangebied valt binnen de boringsvrije zone zoals vastgesteld in de provinciale Omgevingsverordening Noord-Brabant. Deze zone is bedoeld om de diepere watervoerende pakketten te beschermen door ervoor te zorgen dat de beschermende kleilaag niet wordt doorboord. Hoewel er binnen deze zone geen absolute verboden gelden, zijn activiteiten die een risico vormen voor schade aan de kleilaag aan strikte voorwaarden gebonden. Bij handelingen in deze boringsvrije zone dient rekening te worden gehouden met de geldende zonering en bijbehorende regels.
9.8 Ontplofbare Oorlogsresten (OO)
9.7 Lichthinder voor bewoners en fauna
Het plangebied valt in het verdachte gebied op geschutmunitie en gedeeltelijk ook aangevuld met verdacht op handgranaten. Bij toekomstige ontwikkelingen en te verrichten (graaf)werk zaamheden moet rekening gehouden worden met OO en dienen indien van toepassing, conform het vastgestelde beleid, (passende) beheersmaat regelen getroffen te worden.
De toekomstige plannen moeten dusdanig uitgewerkt worden dat lichthinder zoveel mogelijk wordt voorkomen. Dit geldt zowel voor de effecten van omliggende lichtbronnen (zoals rond spoor en wegen) als voor lichtbronnen in de openbare ruimte en vanuit gebouwen in het plangebied zelf. Dit mede in het kader van een
Ontwikkelingen die gepaard gaan met graven of andere activiteiten waarbij men de grond in gaat, moeten rekening houden met Ontplofbare Oorlogsresten (OO), voorheen ‘niet gesprongen explosieven’. Gemeente ’s-Hertogenbosch heeft in 2023 een actualiserend gemeentebreed onderzoek laten doen naar OO om risico’s op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten te inventariseren. Dit heeft geleid tot gemeentelijk beleid voor OO (Nota Ontplofbare Oorlogsresten, d.d. juni 2023). Hiernaast is een uitsnede van de kaart met de begrenzing van de planlocatie weergegeven:
9.9 Archeologie Er geldt een lage archeologische verwachting voor het gehele plangebied. Archeologisch onderzoek is vereist bij grootschalige bodemingrepen van 1 ha of meer die de bodem dieper dan 3 m – mv verstoren, of bij bodemingrepen met een oppervlakte van 100 m² die de bodem dieper dan 10 m – mv verstoren.
9.10 Natuur
Verwachting Ontplofbare Oorlogsresten Innovatie Kwartier Den Bosch, juni 2023
Soortenbescherming Voor het gehele plangebied is een Quickscan Natuur (Idverde Advies, d.d. 06-02-2025) uitgevoerd. Dit in het kader van het beschermen van de huidige aanwezige plant- en diersoorten (flora en fauna). Hieruit is gebleken dat aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd naar de functie van het plangebied voor jaarronde verblijfplaatsen van vleermuizen. Daarnaast dient alle te slopen of te renoveren bestaande bebouwing te worden onderzocht op mogelijke nestlocaties van gierzwaluw en huismus. Deze onderzoeksplicht voor gierzwaluw en huismus geldt niet voor de showroom en de Grencohallen. Hier zijn geen geschikte nestlocaties aanwezig voor die soorten. Tevens dienen de ecologische waarden van nood zakelijk te kappen bomen te worden onderzocht. Bij plannen voor sloop of renovatie van bestaande bebouwing, dient met bovenstaande onderzoeks vragen rekening gehouden te worden. Uit het soortgericht vervolgonderzoek zoals hierboven benoemd, kan een vergunningsplicht volgen voor het verstoren van beschermde flora of fauna.
75
Daarnaast geldt de algemene zorgplicht voor alle soortgroepen, en voor rode lijstsoorten een specifieke zorgplicht. Gebiedsbescherming Stikstof De sloop-, aanleg- en gebruikersfase van een project mogen geen significante negatieve gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 200-gebieden hebben. Het bij het IKDB dichtstbijzijnde gelegen Natura 2000-gebied is Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek. Een berekening met het rekeninstrument AERIUS Calculator moet bij een omgevingsvergunningaanvraag / Bopa uitwijzen of de stikstofdepositie (de hoeveelheid stikstof die neerdaalt) beneden de 0,00 mol N/ha/ jaar blijft op de omliggende Natura 2000-gebieden, zodat er geen natuurvergunning noodzakelijk is. Blijkt het meer, dan dienen er mogelijke oplossingen te worden onderzocht. De provincie zal uiteindelijk beoordelen of de ontwikkeling van de plannen/ projecten in het IKDB een aantasting van het Natura 2000-gebied betekent. De provincie is namelijk het bevoegd gezag om, op basis van een positief resultaat, vergunning te verlenen. In de voorbereiding van voorliggend ontwikkelkader blijkt dat het niet uitgesloten is dat er een significant negatief effect kan zijn op de instandhoudings doelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Derhalve is een passende beoordeling opgesteld (zie bijlage 7 Passende Beoordeling, DGMR d.d. 16 juli 2025).
Uit de passende beoordeling blijkt dat als gevolg van de ontwikkeling van het IKDB er mogelijke effecten kunnen optreden op Natura 2000-gebieden. Deze mogelijke effecten betreffen verzuring en vermesting door een
eventuele toename in uitstoot stikstofdepositie, en mechanische effecten vanwege het recreëren van bewoners of werkenden in de Natura 2000-gebieden. De ontwikkeling heeft geen invloed op overige effecten van de instand houdingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Bij de verdere uitwerking van het plan IKDB moeten maatregelen worden opgenomen die de negatieve effecten voldoende verzachten, zodat aannemelijk gemaakt kan worden dat het plan haalbaar en uitvoerbaar is. Een te nemen mogelijke maatregel is het voorkomen van een stikstofeffect / depositie. Indien er geen stikstofdepositie optreedt, wordt er ook geen significant effect veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. De stikstofbijdrage moet met een Aerius-berekening inzichtelijk gemaakt worden. Als er wel een significant effect kan ontstaan, moeten er bronmaatregelen worden getroffen. Dit kan resulteren in het verkleinen van de ontwikkeling, en/of door de inzet van emissievrij materieel in de aanlegfase, het emissieloos maken van bestaande gebouwen (geen gasverbruik of andere fossiele brandstoffen) en bijvoorbeeld de ontwikkeling faseren over meerdere jaren waardoor de emissies wordt verspreid over tijd en plaats.
Om recreatiedruk in het Natura 2000-gebied te beperken, dient het IKDB en/of gebieden in de directe omgeving, aangelegd te worden met voldoende en aantrekkelijk groen, waardoor minder bewoners en werkenden het Natura 2000-gebied gaan gebruiken als recreatiegebied. Zowel de stikstofdepositie als recreatiedruk moeten in latere fasen van plan- en besluitvorming verder worden uitgewerkt, onderzocht en gemotiveerd.
76
Er is op basis van deze passende beoordeling geen indicatie dat de voorgestelde ontwikkelingen in het IKDB op voorhand niet uitvoerbaar zouden zijn. Stikstof is en blijft wel voor alle ontwikkelingen een aandachtspunt en mogelijk risico, gezien de grote ‘reikwijdte’ van stikstofeffect en de door jurisprudentie steeds strenger wordende interpretatie van de regels.
De plan-m.e.r.-beoordeling concludeert dat, gelet op de inhoudelijke vereisten voor de toetsing van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen, er geen sprake is van overschrijding van wettelijke normen of aanzienlijke milieueffecten. Daarom is een uitgebreide milieueffectrapportage (m.e.r.) en/ of verdere m.e.r.-procedure niet vereist.
9.11 Overige milieuaspecten
Overzicht overige uitgevoerde milieuonderzoeken Naast de in de bijlage opgenomen Passende Beoordeling, Plan-m.e.r.-beoordeling en Afwegingskader geluid (spoor)wegen IKDB, is een aantal andere verkennende milieuonderzoeken uitgevoerd, zoals in bovenstaande tekst ook beschreven. Deze onderzoek zijn als naslagwerk opvraagbaar bij de gemeente.
Uit een scan van het plangebied in relatie met haar omgeving blijkt dat luchtkwaliteit, straling van magneetveldzones, industriële en agrarische geurconcentraties, gebruik (gewas) bestrijdingsmiddelen en overige milieuthema’s niet resulteren in een onoverkomelijke belemmering voor de ontwikkeling van het IKDB.
9.12 Milieueffectrapportage Het Ontwikkelkader is kaderstellend voor latere besluiten en valt daarmee onder de plan-m.e.r.beoordelingsplicht. Deze ‘latere besluiten’ betreffen een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in categorie J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voor het IKDB gaat het om een kleinschalig gebied op lokaal niveau, dat maar een zeer gering oppervlakte van het totale grondgebied van de gemeente beslaat, derhalve geldt de beoordelingsplicht. In de plan-m.e.r.-beoordeling, zoals opgenomen in bijlage 8, is onderzocht of het plan aanzienlijke milieueffecten met zich meebrengt. Hierbij is rekening gehouden met de criteria uit bijlage III van de m.e.r.-richtlijn.
Het gaat om deze onderzoeken: • Onderzoek geluid spoorweg en wegverkeerslawaai IKDB, DGMR d.d. augustus 2025 • Aanvullende analyse geluid IKDB, DGMR d.d. augustus 2025 • Quickscan Trillingsonderzoek IKDB, DGMR d.d. maart 2025 • Analyse externe veiligheid IKDB, DGMR d.d. mei 2025 • Advies Veiligheidsregio IKDB, d.d. februari 2025, referentie D2025-006210 • Quickscan Natuur, Idverde Advies, d.d. februari 2025 • Windhinderonderzoek IKDB, DGMR d.d. januari 2024
Hoofdstuk 10. Ontwikkelkader- kaart Innovatie kwartier Den Bosch
77
Inleiding In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe de Ontwikkelkaderkaart IKDB dient worden gelezen. In de Ontwikkelkaderkaart wordt de essentie van de uitgangspunten van dit Ontwikkelkader integraal vastgelegd. Het borduurt voort op de Hoofdraamwerk- kaart uit het Ruimtelijk Raamwerk, waarin op basis van de ambities, visie en het toekomstbeeld van het IKDB, de ruimtelijke uitgangspunten zijn aangegeven. De bouwplannen binnen het IKDB worden stedenbouwkundig en planologisch getoetst aan de Ontwikkelkaderkaart IKDB. Hieronder worden de belangrijkste principes en regels van de kaart verder toegelicht. Deze kaart moet altijd in samenhang worden gelezen met onderstaande toelichting en de tekst van dit Ontwikkelkader.
Rijksmonument Grasso Fabrieksstraat
30
Grassoplein
30 100
30
Fabriekscorridor
i
60
Parallelweg
Innovatiebos
Bouwvelden en mix van functies VERKLARING plangrens bestaande bebouwing en ondergrond
i
t
traa
ikes
Zern
harde rooilijn flexibele rooilijn vlak waarbinnen gebouwd mag worden. In basis per bouwveld een mix van de functies werken, leren, wonen en beleven medium transformatie grote transformatie fabrieksstraat en fabriekscorridor als erfgoeddrager
i
inspiratie erfgoed bij toekomstige ontwikkeling o.a. oude spoorlijn, woonwerk woningen en zaagtand groen indicatief wadi indicatief open ruimte als erfgoeddrager zoekgebied ruimte voor innovatie en samenkomst maximum bebouwingspercentage Rijksmonument hoogteopbouw: bouwregels zijn opgenomen in de toelichting
Edisonplein Ediso
overgangszone bouwhoogtes zichtlijn met orientatie op erfgoed
nstraa
t
autoluwe inrichting
i
zoekgebied mobiliteitshub indicatieve ontsluiting auto mobiliteitshub
B
B
toekomstige bebouwing te onderzoeken in samenhang met omgeving zoekgebied hoogste accent max. 70 m zoekgebied hoogteaccent max. 60m zoekgebied hoogteaccent(en) lager dan 60m stedelijk dwaalmilieu (indicatief) zoekgebied toegankelijke daken zoekgebied verbindingen tussen gebouwen (indicatief) zoekgebied verbinding over het spoor (indicatief) voormalige spoorlijn 30m lijn vanaf spoor Groene Loper belangrijke verbindingen omgeving zoekgebied straat langzaam verkeer hoofdopenbare ruimtes Grassoplein Innovatiebos Edisonplein uitgangspunt: behouden bestaande bomen indicatie zoekgebied nieuwe bomen
Ontwikkelkaderkaart IKDB
78
Op de Ontwikkelkaderkaart zijn bouwvelden weergegeven, omlijnd met harde en flexibele rooilijnen (zoals hieronder verder toegelicht). Een bouwveld is het gebied binnen de aangegeven grenzen waarbinnen bebouwing is toegestaan. De grens van het bouwveld mag niet worden over schreden. Eventuele overkragingen overstekend buiten het bouwveld (op hogere verdiepingen) kunnen worden afgewogen als deze een onder geschikt karakter hebben en geen negatieve invloed hebben op het openbaar gebied. Voor elk bouwveld geldt een specifiek bebouwings percentage: dit percentage geeft aan welk deel van het bouwveld (als footprint) maximaal mag worden bebouwd. Per bouwveld is een mix van de functies werken, leren, wonen en beleven toegestaan, in overeen stemming met het programma zoals opgenomen in hoofdstuk 6. Buiten de bouwvelden is ook ruimte
voor gebruikelijke bouwwerken geen gebouwen zijnde. Een eventueel gebouw buiten een bouwveld zou alleen denkbaar zijn in ondergeschikte vorm ten behoeve van nutsfunctie en vergt een nadere afweging door de gemeente. In de zuidelijke punt van het plangebied is een aanduiding ‘toekomstige bebouwing te onderzoeken in samenhang met omgeving’. Eventuele bouw mogelijkheden op deze plek zijn onderwerp van nader onderzoek, in samenspraak en samenhang met de omgeving.
basis drie zones: maximale bouwhoogte 15 meter (beige kleur), maximale bouwhoogte 45 meter (lichtbruine kleur) en maximale bouwhoogte 60 meter (donkerbruine kleur). Daarnaast zijn er twee overgangszones op de kaart weergegeven, aangeduid met een arcering. In de beige/ lichtbruine arceringszone is een oploop van de bouwhoogte zoals aangegeven de basis voor de uitwerking, volgens hoofdstuk 4 en het BKP. Rondom het Grassoplein zijn zones met een maximale bouwhoogte van 30 meter opgenomen.
Rooilijnen, hard en flexibel
Daarnaast is een viertal zoekgebieden voor hoogteaccenten op de kaart opgenomen met het symbool van een ster. Bij het zoekgebied van de twee kleinere sterren is een hoogteaccent van lager dan 60 meter hoog toegestaan. Bij het zoekgebied van de grote oranje ster is een hoogteaccent van maximaal 60 meter hoog toegestaan. Bij het zoek gebied van de grote bruingekleurde ster is het hoogste accent van maximaal 70 meter hoog toegestaan. Bovenstaande bouwmogelijkheden gelden in samenhang met de voorwaarden zoals omschreven in hoofdstuk 4.
In de Ontwikkelkaderkaart zijn zowel harde rooilijnen als flexibele rooilijnen opgenomen. Harde rooilijnen bepalen de positie van de gevels van de gebouwen. Deze rooilijnen zijn strikt, wat betekent dat de gebouwen op deze lijnen moeten worden gebouwd. Harde rooilijnen dragen bij aan het doorzetten van gevels in aansluiting op de omgeving en de definitie van hoofdopenbare ruimtes. Het is niet vereist om de volledige breedte van de rooilijn te bebouwen als het gebouw slechts een deel van het bouwvlak beslaat. Dit voorkomt dat, wanneer een gebouw niet de volledige breedte van de harde rooilijn beslaat, het overgebleven gedeelte alsnog moet worden bebouwd. De flexibele rooilijnen bieden meer vrijheid. De gebouwen hoeven niet per se op deze lijn gebouwd te worden, maar moeten zich in elk geval binnen de rooilijn bevinden (uitgebreide beschrijving is hierover opgenomen in het BKP).
Hoogteopbouw en hoogteaccenten In de bouwvelden is op een aantal plekken een maximale hoogtemaat opgenomen. Dit geeft de maximale bouwhoogten aan in de betreffende bouwhoogtezone. De zones zijn van elkaar onderscheiden met kleuren. Er gelden in de
79
Transformatiemogelijkheden Op de kaart zijn twee type transformatie mogelijkheden aangeduid: ‘medium’ en ‘groot’. Deze bestaande gebouwen mogen conform deze gradaties worden getransformeerd, in overeenstemming met de uitgangspunten zoals beschreven in hoofdstuk 3 Cultuurhistorie en het BKP. Eventuele toekomstige en/of aanpassingen aan de bestaande gebouwen waaronder de Showroom, de Veilinghal en de uitbouw van de Veilinghal dienen aan te sluiten bij de richtlijnen voor hoogteopbouw zoals beschreven in hoofdstuk 4, in samenhang met de overige kaders.
Erfgoedmarkeringen Op de kaart is een aantal andere aanduidingen opgenomen vanuit het belang van het behouden van erfgoedwaarden. Bij de aanduiding ‘inspiratie erfgoed bij toekomstige ontwikkeling’, is het uitgangspunt bij de planvorming erfgoedwaarde als leidend inspirerend principe mee te nemen. Onder meer de voormalige spoorlijn, woonwerkwoningen en zaagtand Paardskerkhofweg zijn benoemd in hoofdstuk 3 ter inspiratie in de uitwerking. Het BKP geeft tevens nadere invulling aan de zaagtand. Het Ontwikkelkader biedt ontwerpvrijheid om te bepalen op welke manier hieraan invulling wordt gegeven. Bij het Grassoplein en aan de Paardskerkhofweg, is een symbool ‘open ruimte als erfgoeddrager’ opgenomen. Vanuit het cultuurhistorisch perspectief is het van belang dat de ruimte voor en rondom het te transformeren gebouw (showroom) open blijft en niet bebouwd wordt. Ook aan de Paardskerkhofweg wordt er vanwege het cultuurhistorische belang een open ruimte gehandhaafd (zie beschrijvingen in hoofdstuk 3 en paragraaf 4.1). Verder is er in dit gebied een aanduiding ‘fabrieksstraat en fabriekscorridor als erfgoeddrager’ op de kaart opgenomen. Bij ontwikkelingen in/nabij deze twee straten c.q. verbindingen dient erfgoed als belangrijke drager te worden meegenomen. In de omgeving van het Grassoplein zijn ook drie ‘zichtlijnen met oriëntatie op erfgoed’ weergegeven.
Bij ontwikkelingen in en rondom het Grassoplein dienen deze zichtlijnen gerespecteerd te worden.
Tot slot, is het bestaande Rijksmonument Grasso aangeduid (met wit vlak). Vanwege de cultuur historische waarde dient dit gebouw behouden te blijven en zijn hier geen ontwikkelings mogelijkheden. In het bestaande gebouw kan de huidige bedrijfsfunctie voortgezet worden, maar is geen ruimte voor wonen of andere gevoelige functies. De maximale bouwhoogte is conform het huidige omgevingsplan voor die locatie.
Verbindingen Op de kaart zijn verder diverse verbindingen weergegeven. Op een aantal plekken in het gebied is een zoekgebied voor een straat voor langzaam verkeer opgenomen. Hier is ruimte voor het toevoegen van een dergelijke straat om de onderlinge samenhang in het gebied te versterken. In stedelijk dwaalmilieu-gebieden is het van belang dat kleine straatjes verspringen. Daarnaast is het belang van de verbinding met de omgeving geduid door pijlen, waarbij de pijl in het oostelijk deel van het gebied een directe relatie heeft met de nieuw te realiseren brug over het spoor. Ook is er op twee plekken in het gebied een zoek gebied opgenomen waar een verbinding tussen bouwvelden kan worden gerealiseerd. Tot slot is op de Ontwikkelkaderkaart aangegeven dat de Parallelweg autoluw is. Dit betekent dat op andere plekken in het gebied, buiten deze markering, geen vrij autoverkeer is toegestaan. Op de Nelson Mandelalaan en Paardskerkhofweg zijn auto’s toegestaan, maar deze wegen vallen formeel buiten het plangebied. In het noordelijk deel van het gebied, is de beoogde mobiliteitshub met indicatieve ontsluitingsroute weergegeven. Bovenstaande uitgangspunten dienen in samenhang te worden gelezen met de voorwaarden zoals omschreven in hoofdstuk 7.