Bijlage 1 - Bijlage 8 bij de Toelichting Nota zienswijzen bestemmingsplan Heesch West en bestemmingsplan Facetplan geluidszone gezoneerd industrieterrein Heesch West
Tekst van het document
40
Heesch West wordt overeenkomstig regionale afspraken ontwikkeld in 2 fases. Met peildatum januari 2018 heeft adviesbureau Stec - aanvullend op het Masterplan - prognoses gemaakt voor de ruimtebehoefte voor bedrijven voor de periode tot 2030 en een doorkijk naar 2030-2040. De indeling van STEC op basis van functioneel grootschalig en middelgroot/klein en stedelijk geeft een inventarisatie waarbij alle terreinen in de regio gekwalificeerd zijn. De prognoses van STEC bevestigen de ruimtebehoefte zoals die in het Masterplan is geïdentificeerd. Sinds de laatste peildatum is in de regio en daarbij ook op de werklocaties in de bij Heesch West betrokken gemeenten ten gevolge van de zeer voortvarende gronduitgifte niet of nauwelijks nog aanbod van bedrijfskavels, ook niet meer voor middelgrote bedrijven. De aanhoudend hoge gronduitgifte werd destijds niet voorzien. Er werd in 2018 op basis van het toen nog voldoende ruim geachte aanbod en een behoedzame prognose van vraag, vanuit gegaan dat Heesch West in een complementair aanbod kon voorzien. Nu deze situatie snel is gewijzigd wordt een nog meer op de regio afgestemde gronduitgifte beoogd.
Ten behoeve van de hiervoor beschreven verfijning van het bedrijvenprofiel met een meer regionale focus is als onderdeel van de nadere onderbouwing en afstemming met de regio het aanbod per 1 januari 2021 in beeld gebracht (zie hoofdstuk 4 van de toelichting van het bestemmingsplan; Ladder voor duurzame verstedelijking). Heesch West beoogt onder meer robuuste bedrijven met enige milieu-impact en/of aanzienlijke verkeersbewegingen te vestigen. Deze bedrijven kunnen niet in het bestaande aanbod, kleinschaliger bedrijfskavels worden gemengd of anderszins in een vraaggerichte aanpak in het bestaand stedelijk gebied worden ingepast. Het is bij inpassing van deze bedrijven, ook voor een goede beheersing van omgevingseffecten en verkeer, gewenst dat deze bedrijvigheid geconcentreerd worden. Regionaal bedrijventerrein voorziet in die behoefte; Het is voor een vitale regionale economie en werkgelegenheid belangrijk om middelgrote en grote bedrijven die zich doorontwikkelen goede ontwikkelkansen te kunnen bieden. Deze behoefte is concreet aanwezig en op basis van een inventarisatie van bedrijvenverenigingen in de regio wordt voorzien dat die vraag zich de komende jaren verder zal ontwikkelen en bijvoorbeeld in de dorpen zelf onvoldoende met vraaggericht ontwikkelen kan worden ingepast.
Vanwege de regionale krapte wordt de focus van Heesch West meer bepaald op sterke regionale sectoren en bedrijven met een sterke regionale binding. Voor zover in regionale afstemming blijkt dat via vraaggericht ontwikkelen op de locatie van herkomst concreet mogelijk is wordt dat in de overweging bedrijven te vestigen betrokken. Met de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan heeft de GR Heesch West recent de belangstelling geverifieerd bij bedrijven die recent of eerder belangstelling toonden voor vestiging op Heesch West. De concrete belangstelling van bedrijven, veelal met een concrete herkomst of belang, is zeer groot, de belangstelling is per 1 september ruim groter dan het aanbod dat Heesch West kan bieden. Hoewel belangstelling in deze fase nog onverplicht is en enkele belangstellenden niet inpasbaar zijn (bijvoorbeeld geen zelfstandig kantoor of bedrijfswoning), bevestigt dit de focus en urgentie Van Heesch West. De belangstelling sluit ook aan bij het voor Heesch West bepaalde vestigingsprofiel.
41
Bedrijvenprofiel Een aantal reclamanten veronderstellen dat Heesch West hoofdzakelijk ruimte zal bieden aan logistieke bedrijven met daarbij met name laaggeschoold werk, veelal uitgevoerd door arbeidsmigranten. Dit beeld van bedrijven en werkgelegenheid is niet juist. Heesch West is een regionaal bedrijventerrein met bedrijvenprofiel gericht op sectoren waar de regio sterk in is; herkomst bedrijven/werknemers in belangrijke mate (MKB) uit de regio. Dit zijn vaak bedrijven die doorontwikkelen en belangrijk voor werkgelegenheid zijn en daarmee ook voor de leefbaarheid, ook van de genoemde dorpen, op langere termijn. Ook wordt zeker ruimte geboden aan logistiek. De logistieke bedrijvigheid waaraan Heesch West ruimte biedt, vormt een belangrijk schakel in de kracht van de regionale economie. Maar daarnaast wordt ruimte geboden aan bedrijven in de agro, food, bouw, infra en handel. Distributiecentra en datacenters Wat betreft het argument dat distributiecentra en datacenters niets toevoegen aan de regionale of Brabantse economie, het volgende. Vooropgesteld, het plan voorziet zeker niet uitsluitend in distributiecentra en datacenters. Er komt juist ook veel ruimte voor regionale bedrijven. Daarnaast wordt met het plan voorzien in de grote behoefte aan ruimte voor logistieke bedrijven.
Deze bedrijven zorgen ervoor dat allerlei diensten en services voor consumenten mogelijk zijn, zoals voor de inwoners van regio Den Bosch. Ze zijn daarmee van groot belang voor het functioneren en de 42
groei van de economie. Reclamanten gaan in hun zienswijzen soms uit van een terrein met louter grote vervuilers en enorme logistieke bedrijven. Dit beeld van toekomstige bedrijven op Heesch West is echter niet juist. Heesch West is een regionaal bedrijventerrein met een bedrijvenprofiel gericht op sectoren waar de regio sterk in is, en dit is breder dan (XL-) logistiek. Het betreft zeker geen terrein met louter grote vervuilers en enorme logistieke bedrijven. Belangrijk om op te merken is ook dat het binnen de geschetste bedrijfssectoren en toegestane bedrijven nog niet duidelijk is welke bedrijven zich daadwerkelijk zullen vestigen op Heesch West. Het is juist dat datacenters zijn toegestaan in de opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten, en ook pas sen binnen het profiel van Heesch West, zoals opgenomen in artikel 5.1a van de planregels. Het is dus inderdaad mogelijk dat datacenters zich op het bedrijventerrein vestigen. Overigens zijn er verschillende type datacenters, in de gevallen waar die verbonden zijn aan concrete bedrijven kan hier ook een meer lokale werkgelegenheid mee verbonden zijn. De algemene stelling dat datacenters niet van belang zijn voor werkgelegenheid of economische ontwikkeling van de regio klopt niet. Zie thema Werkgelegenheid en arbeidsmigranten.
Alternatief plan Een aantal reclamanten heeft ook gesteld dat een alternatief plan zou moeten worden overwogen, bijvoorbeeld woningbouw en werken gecombineerd. Van belang is dat een alternatief plan geen rechtdoet aan de behoefte die er ligt en daarmee dus ook niet voldoet aan de opdracht vanuit de gemeente en regio tot het faciliteren van een bedrijventerrein van 80 hectare. Een alternatief plan voldoet daarmee niet aan de behoeftevraag die er ligt. Voor het overige verwijzen we voor een uitgebreidere motivering, naar onze reactie op het alternatieve plan dat in 2020 is ingediend door omwonenden. Deze hebben we in de bijlage bijgevoegd (bijlage 2). Conclusie De zienswijzen geven geen aanleiding tot een aanpassing op dit milieuaspect. 2.6
Locatiekeuze en zorgvuldig ruimtegebruik
Twijfel aan locatiekeuze en zorgvuldig ruimtegebruik Een aantal reclamanten stelt, onder andere in de tweede standaard zienswijze, de locatiekeuze voor het bedrijventerrein ter discussie. Zij geven aan dat de locatie een erfenis is uit het verleden en in de huidige tijd niet meer gekozen zou worden voor de huidige locatie, middenin landelijk gebied zonder aansluiting bij bestaande bebouwing. Ook wordt hierbij vaak aangevoerd dat er geen zorgvuldig ruimtegebruik is toegepast. De locatie bouwt inderdaad voort op een keuze uit het verleden maar is nog steeds logisch en verantwoord. In het verleden is juist bewust gekozen voor een locatie ‘los’ in het landschap, zodat het bedrijventerrein als een op zichzelf staand ruimtelijk element fungeert en niet wordt geplakt tegen een bestaande kern aan. De beoogde geconcentreerde aanpak is zorgvuldig passend in de tegenwoordige ruimtelijke regie. De met het terrein samenhangende verkeersstromen en omgevingseffecten zijn niet goed in de nabijheid van woonkernen of stedelijk gebied in te passen. De locatie ligt direct langs primaire 43
ontsluitingsstructuur (de A59), waar in het verleden ook juist bewust voor is gekozen. De tweezijdige verkeersafwikkeling naar de A59 resulteert in een beheerste verkeersafwikkeling. De afwegingen rondom de locatie voor het bedrijventerrein hebben zorgvuldig plaatsgevonden, en zijn ook onderzocht en onderbouwd in eerdere visies voor Heesch West. Dit is beschreven in paragraaf 5.2 van de MER (2019). Mede naar aanleiding van de inspraakreacties uit 2019, als ook het advies van de commissie MER, is de locatiekeuze in de Aanvulling op de MER (paragraaf 4.2) (2021) en het ontwerpbestemmingsplan (paragraaf 4.2) vervolgens nader onderbouwd. Uit de aanvullende locatiemotivatie, zoals opgenomen in paragraaf 4.2 van de Aanvulling op de MER, blijkt dat de gekozen locatie verantwoord is. Dit lichten we hieronder verder aanvullend toe. Er is in de regio behoefte aan nieuw bedrijventerrein met grote kavels voor grote ruimtevragers (zie ook paragraaf 2.5 van dit document). Er is hiervoor geen ruimte op of aansluitend aan bestaande bedrijventerreinen in de regio: de bestaande bedrijventerreinen zijn al vol, hebben geen grote kavels meer beschikbaar en hebben geen ruimte voor (grootschalige) uitbreiding. Om versnippering te voorkomen, betekent dit dat een nieuwe locatie moet worden gekozen waar de nieuwe bedrijvigheid geconcentreerd gaat worden.
Gezien de oriëntatie op vooral grootschalige, logistieke en circulaire bedrijvigheid is er behoefte aan een nieuwe locatie met voldoende omvang (orde grootte netto 80 hectare), goed ontsloten op de snelweg en op afstand van de natuurgebieden en de woonkernen, vanwege de verkeers- en hinderaspecten. In de regio zijn er geen locaties die én op een gelijkwaardige manier aan de doelstelling voor een regionaal bedrijventerrein als Heesch West kunnen voldoen én (wezenlijk) minder negatieve milieueffecten geven. Binnen de subregio ’s Hertogenbosch Oss is de locatie Heesch West de beste optie: tussen de twee grootste gemeenten, gelegen aan en tweezijdig aangesloten op de A59 als belangrijke as tussen de A2 en de A50 en op afstand van woonkernen als Nuland, Geffen, Oss, Heesch en Vinkel. Onderlegger voor de bepaling van het plangebied voor Heesch West is het structuurplan Regionaal Bedrijventerrein Heesch West, vastgesteld door de gemeente Maasdonk en Bernheze in 2006. Het is juist dat het principe van zorgvuldig ruimtegebruik moet worden toegepast. Dit is een van de eisen uit de provinciale verordening. Zoals hiervoor al beschreven, is er geen mogelijkheid om een bedrijventerrein van deze omvang aan te sluiten op bestaande bedrijventerreinen.
Om versnippering van bedrijfsterreinen te voorkomen, betekent dit dat een nieuwe locatie moet worden gekozen waar de nieuwe bedrijvigheid geconcentreerd gaat worden; zodat er geen plukjes bedrijvigheid her en der worden gepland. Dus juist vanwege het principe van voorkomen van versnippering en het toepassen van zorgvuldig ruimtegebruik, is de gekozen locatie en het voorgenomen plan van 80 ha. verantwoord. Bij zorgvuldig ruimtegebruik van bedrijventerreinen hoort ook het weren van functies die hier niet horen zoals bedrijfswoningen, diensten, zelfstandige kantoren. Deze functies zijn niet toegestaan binnen het bestemmingsplan Heesch West. Vanuit het principe van zuinig ruimtegebruik is in hoofdstuk 4 van het bestemmingsplan ook de ladder van duurzame verstedelijking opgenomen, met een geactualiseerde verantwoording van de ruimtebehoefte van Heesch West. Zie verder ook paragraaf 4.2 van de Aanvulling op de MER.
44
Aanvaardbaarheid herbegrenzing provinciale verordening (tevens zienswijzen voornemen tot op herbegrenzing) In de eerste standaard zienswijze stellen reclamanten verder dat de aanvaardbaarheid van de uitbreidingsrichting nog gemotiveerd moet worden, op grond van de provinciale verordening (artikel 5.3, lid 4). Conform de omschreven procedure in artikel 6.2, lid 3 van de Interim Omgevingsverordening NoordBrabant, is het verzoek tot wijziging van het werkingsgebied ‘Verstedelijking afweegbaar’ door de gemeente gedaan na afloop van de zienswijzenperiode van het ontwerpbestemmingsplan. In dit verzoek is gemotiveerd dat de gewenste uitbreidingsrichting aanvaardbaar is, zoals vereist op grond van artikel 5.3, lid 4 van de Interim Omgevingsverordening. We verwijzen naar het ingediende verzoek inclusief de daarin opgenomen motivering in de bijlage (bijlage 3). Op basis van dat verzoek, inclusief de zienswijzen daarop, zal naar verwachting Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant in december 2021 instemmen met de herbegrenzing / wijziging van het werkingsgebied. Daarmee is voldaan aan de vereisten voor wijziging van het betreffende werkingsgebied zoals bedoeld in de provinciale verordening. Conclusie De zienswijzen geven geen aanleiding tot een aanpassing op dit milieuaspect. 2.7
Duurzaamheid
Duurzaamheid van de ontwikkeling Een aantal reclamanten stelt dat de ontwikkeling van Heesch West niet duurzaam is en dat het dan ook verbaast dat het als duurzaam bedrijventerrein wordt bestempeld. Er zijn immers veel logistieke bewegingen en negatieve milieueffecten zoals uitstoot. Ook de hoge milieucategorie verhoudt zich niet met een stempel ‘duurzaam terrein’. Specifiek noemen reclamanten in de tweede standaard zienswijze de geplande datacenters die niet duurzaam zouden zijn, aangezien ze heel veel energie verbruiken. Reclamanten vragen zich daarom af hoe zich dit verhoudt met het voornemen voor een duurzaam bedrijventerrein. Ook stellen zij dat het elektriciteitsnetwerk dit niet aan kan. De bouw van een traditioneel bedrijventerrein en de daaropvolgende gebruiksfase met veel transportbewegingen is geen toonbeeld van duurzaamheid. Heesch West is echter geen traditioneel bedrijventerrein. Van meet af aan is het leidende uitgangspunt voor de planvorming van Heesch West geweest om het terrein zo duurzaam mogelijk in te richten. Dat betekent dat op alle aspecten van de terreinontwikkeling en in de gebruiksfase wordt ingezet op verduurzaming en CO2-reductie of beperken van CO2-uitstoot.
Zo worden niet alleen grondgebonden en tijdelijke zonnepanelen gerealiseerd, maar wordt ook ingezet op onder meer elektrificatie van transport, aardgasvrij verwarmen, veel ruimte voor waterberging, energieopwekking op daken, realisatie van een groot landschapspark, en nog vele andere aspecten. Deze zijn onder meer verder te lezen in het Circulair Kwaliteitsplan. Bovendien zal bij nieuw te vestigen bedrijven aandacht worden gevraagd voor aspecten als gezondheid van werknemers, verspilling, duurzaam materiaalgebruik etc, waarbij dus het gehele spectrum van duurzaamheidsaspecten wordt meegenomen.
45
Met deze ambities en maatregelen zullen de niet-duurzame aspecten van een bedrijventerrein met zijn transportbewegingen zoveel mogelijk worden weggenomen c.q. gecompenseerd. Duurzame ambities zijn voorwaarde om voor vestiging op het bedrijventerrein in aanmerking te komen. De ambities richten zich nu al zoveel mogelijk op beleidsdoelen 2030. Vooropgesteld, het is binnen de geschetste bedrijfssectoren en toegestane bedrijven nog niet duidelijk welke bedrijven zich daadwerkelijk zullen vestigen op Heesch West. Het is juist dat datacentra zijn toegestaan in de opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten, en ook passen binnen het profiel van Heesch West, zoals opgenomen in artikel 5.1a van de planregels. Het is dus inderdaad mogelijk dat datacenters zich op het bedrijventerrein vestigen. De stelling dat dit per definitie strijdig is met de ambitie van een duurzaam bedrijventerrein, onderschrijven wij niet. Allereerst zijn datacenters een belangrijke voorziening voor de samenleving en zorgt ervoor dat digitale verbindingen en netwerken, maar ook allerlei diensten en services voor consumenten mogelijk zijn. Ze zijn daarmee van essentieel belang voor het (duurzaam) functioneren van de samenleving waarin we leven. Binnen die functie is het dan belangrijk bij een mogelijke vestiging hier dan duurzame eisen aan te verbinden.
Die eisen zijn in de alinea hierboven in hoofdzaak beschreven en gelden voor elk bedrijf op Heesch West, zowel verplichtend via het bestemmingsplan als ook als onderdeel van de gronduitgifte. De transportschaarste in het elektriciteitsnet is een bekend ‘hedendaags’ landelijk probleem. Over de aansluiting op het net en eventuele aandachtspunten hierbij, vindt zorgvuldige afstemming plaats met de netbeheerder. Het aansluiten van bedrijven op het elektriciteitsnet wordt niet belemmerd. Wel kunnen er, met name in de eerste jaren van de ontwikkeling, belemmeringen zijn voor het terugleveren van duurzaam opgewekte stroom. De meest bedrijven hebben op een terrein dat aardgasvrij is een aanzienlijke eigen stroombehoefte, immers is elektrificatie van gebouwen de norm. Hoe een eventueel surplus kan worden opgeslagen of worden benut voor elektrische mobiliteit of elektrolyse naar waterstof is niet precies te voorzien. Nu transportschaartse een algemener verschijnsel is, worden deze technisch al bewezen toepassingen snel haalbaarder. Overigens zijn er verschillende typen datacenters, in de gevallen waar die verbonden zijn aan concrete bedrijven kan hier ook een meer lokale werkgelegenheid mee verbonden zijn. De algemene stelling dat datacenters niet van belang zijn voor werkgelegenheid of economische ontwikkeling van de regio klopt niet.
Hoge milieucategorieën (4 en 5) en de klimaattransitie en duurzame ambities zijn verschillende aspecten. Het feit dat t/m categorie 4.2 (en per afwijking 5.1) wordt toegestaan, doet niets af aan de ambitie tot het meest duurzame bedrijventerrein, waarbij kan worden bijgedragen aan het behalen van de klimaatdoelen. Duurzaam dakgebruik Een aantal reclamanten stelt in de tweede standaard zienswijze dat de planregel in het bestemmingsplan voor het beoogde duurzame dakgebruik op bedrijfspercelen goed is, tot aan het woord ‘tenzij’. De verbijzondering die hier in de planregel geformuleerd is moet komen te vervallen, en ook de uitzondering op deze planregel moet vervallen. Er horen alleen maar bedrijven te komen met bedrijfsgebouwen waarop zonnepanelen en sedumdaken kunnen worden aangebracht , aldus reclamanten.
46
In de planregels is inderdaad een verplichting tot een duurzaam dakgebruik opgenomen (artikel 5.4.4 in ontwerpbestemmingsplan, nu verplaatst naar artikel 5.2.11 in het vast te stellen bestemmingsplan). Hier is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor een duurzaam gebruik van het dak van een bedrijfsgebouw: minimaal 80% van de totale oppervlakte van het dak moet worden gebruikt om op duurzame wijze energie/warmte/koude op te wekken, waarbij de technieken met het hoogste rendement moeten worden toegepast, met daarbij inderdaad een uitzondering (‘tenzij’). Het uitgangspunt is hierbij de toepassing van zonnepanelen (maar ook andere opwekmogelijkheden zijn denkbaar). De zinsnede met ‘tenzij’ is opgenomen in het kader van flexibiliteit, om te voorzien in eventuele uitzonderingen op de regel, maar alleen als dit eveneens duurzaam is. Naar aanleiding van deze zienswijzen is wel een beperkte aanpassing doorgevoerd op deze planregel in het vast te stellen bestemmingsplan, vanaf het woord ‘tenzij’. Namelijk dat niet alleen de constructie van het dak in dat geval geschikt dient te zijn voor het opwekken van energie/warmte/koude, maar ook dat het dak in dat geval op een andere wijze zo duurzaam mogelijk moet worden gebruikt. Dit is nu verwoord in artikel 5.2.11 van de planregels van het vast te stellen bestemmingsplan.
Tot slot is daarnaast ook een ambtshalve wijziging doorgevoerd, dat van deze verplichting in 5.2.11 af kan worden geweken, in het geval er transportschaarste is (artikel 5.3.2). Echter, in dat geval dient in voldoende mate op andere wijze toepassing te worden gegeven aan duurzaamheid. Hierbij blijft de bepaling gelden, dat de constructie van het gebouw wel zo dient te worden vormgegeven dat het dak wel geschikt is voor het op duurzame wijze opwekken van energie/warmte/koude. Ook dient in dat geval het dak op een andere wijze zo duurzaam mogelijk te worden gebruikt. CO2-uitstoot Een aantal reclamanten stelt dat het plan een hoge CO2-uitstoot veroorzaakt. Door het IPCC is overtuigend aangetoond dat ook CO2 een belangrijke oorzaak is van klimaatverandering. In lijn met het Klimaatakkoord van Parijs, het landelijke klimaatakkoord en de bevindingen van het IPCC werken de drie gemeenten aan de vermindering van de CO2-uitstoot. Ook hiervoor geldt: de opgave is vertaald in landelijk beleid, beleid dat voor Heesch West een gegeven is en in de procedure voor Heesch West niet ter discussie kan staan. Dat betekent niet dat Heesch West geen verantwoordelijkheid hierin neemt. Op alle aspecten van de terreinontwikkeling en in de gebruiksfase wordt ingezet op verduurzaming en CO2-reductie of beperken van CO2-uitstoot.
Met het Circulair Kwaliteitsplan wordt naar mogelijkheden geanticipeerd op de duurzame beleidsdoelen 2030. Die doelen hangen sterk samen met het terugdringen van CO2-uitstoot. Zonnepark Een aantal reclamanten stelt ook bezwaar te hebben tegen het beoogde zonnepark. Hier is volgens reclamanten geen noodzaak voor, aangezien er in het plangebied voldoende vierkante meters beschikbaar zijn op de daken van de bedrijfsgebouwen. Binnen de ambities van een zo duurzaam mogelijk bedrijventerrein, vormt het zonnepark een belangrijk onderdeel om hieraan bij te dragen. Het is inderdaad van groot belang om de daken van de nieuwe gebouwen zoveel mogelijk te benutten voor zonnepanelen, maar dat is niet voldoende. Dit is o.a. vastgelegd in de Bossche Visie energielandschap, door de raad vastgesteld in juli 2020. Daarbij 47
is ook de zonneladder betrokken. Belangrijk uitgangspunt is dat we primair inzetten op zonnepanelen op daken (zie hieronder) en ook op het bevorderen van toepassen van duurzame energie in de bedijfsgebouwen. Echter, om de RES-opgave voor 2030 te kunnen behalen, is het nodig niet alleen de daken te benutten, maar ook grondgebonden locaties te ontwikkelen. Daar draagt het zonnepark in het project van Heesch West concreet aan bij. Wat betreft de zonnepanelen op daken het volgende, hier is in het plan een voorwaardelijke verplichting voor opgenomen, zie het kopje “Duurzaam dakgebruik” op de vorige pagina. 2.8
Natuur
Stikstofuitstoot / onderbouwing Een aantal reclamanten voert (o.a. in de tweede standaard zienswijze) aan dat het plan extra stikstofuitstoot veroorzaakt, wat niet toegestaan is. Ook wordt aangevoerd dat het plan geen zorgvuldige stikstofonderbouwing kent en dat onterecht gebruik is gemaakt is het rekenmodel Aerius. In het bestemmingsplan (paragraaf 11.2) en de Passende beoordeling is een stikstofmotivatie voor Heesch West opgenomen, conform de momenteel geldende wet- en regelgeving, jurisprudentie en in het werkveld gangbare werkwijze. Wij verwijzen primair naar die beschrijvingen en dat onderzoek. Tegenover de toename van stikstof door Heesch West staat een afname van stikstof door het staken van het agrarisch gebruik van veehouderijen die ten behoeve van Heesch West zijn aangekocht. In het bestemmingsplan is een juridische regeling opgenomen die borgt dat Heesch West niet kan leiden tot meer toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden dan met saldering met aangekochte veehouderijen kan worden gemotiveerd. De aan de motivatie ten grondslag liggende stikstofberekeningen zijn uitgevoerd met het Aerius model, zoals de wet vereist en geaccepteerd is door de Raad van State.
Plan is bedreiging voor omliggende natuurgebieden / vormt barrière Veel reclamanten voeren, via de eerste standaard zienswijze, aan dat het nieuwe bedrijventerrein een bedreiging vormt voor omliggende natuurgebieden. Het terrein vormt een barrière voor de ontwikkeling van ecologische verbindingen tussen bestaande natuurgebieden. De effecten op de omliggende natuurgebieden zijn in het MER onderzocht. In de Aanvulling MER is dit onderzoek geactualiseerd. Heesch West leidt niet tot ruimtebeslag in omliggende natuurgebieden. Heesch West leidt, op één natuurgebied ten zuiden van Heesch West na, niet tot wezenlijk nieuwe verstoring. Het natuurgebied ten zuiden van Heesch West wordt verstoord door een toename van geluid. Dit wordt gecompenseerd volgens de daarvoor geldende provinciale eisen. Heesch West leidt niet tot barrièrewerking tussen natuurgebieden. De aanleg van groenstructuren op en rond Heesch West en de hierin onder te brengen mitigatieoplossingen voor beschermde soorten zijn er juist op gericht om de verbindingen te versterken. Ecologische –en natuurwaarden plangebied Een aantal reclamanten stelt ook dat het huidige plangebied van Heesch West hoge ecologische, groene en natuurwaarden kent, die door het plan verloren gaan. Sommige reclamanten geven aan dat het plangebied in de huidige situatie een natuurgebied is.
48
In de huidige situatie is de biodiversiteit vooral te vinden langs de erven van woningen en boerderijen en in en rond diverse bosschages. Op de akkers en weides is de biodiversiteit over het algemeen laag. In de MER is ten aanzien van biodiversiteit opgenomen (paragaaf 5.3.4): “Daarnaast is vanuit de duurzaamheidsdoelstelling voor Heesch West fors ingezet op de realisatie van nieuwe robuuste landschappelijke waarden, waarmee tevens invulling is gegeven aan kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals in het provinciaal beleid gevraagd. Het landschap/groen is zo ontworpen dat het ecologische meerwaarde heeft en naast mitigatie biedt voor negatieve effecten ook breder de biodiversiteit stimuleert. Er wordt ingezet op het creëren van zoveel mogelijk robuuste groenzones met ecologisch interessante gradiënten (hoog-laag, droog-nat, opengesloten).” Zo komen er veel meer bomen terug dan er verdwijnen en ontstaan er verschillende gradiënten van nat naar droog waar veel soorten van kunnen profiteren. De biodiversiteit wordt, ondanks effecten op bestaande natuurwaarden (zie hieronder), hierdoor naar verwachting versterkt. Biodiversiteit is dan ook een hoofdprincipe binnen het Circulair Kwaliteitsplan (‘Landschap en biodiversiteit’).
Uit de effectbeoordeling van het voorkeursalternatief uit de MER (Tabel 25.9, paragraaf 25.3.6) blijkt ook dat het onderdeel biodiversiteit positief scoort ten opzichte van de referentiesituatie. Desondanks gaan met de komst van Heesch West wel een aantal natuurwaarden verloren. Dit is in een natuurtoets en in het MER en de Aanvulling MER onderzocht. Het verlies van natuurwaarden, wordt conform wettelijke eisen gemitigeerd (voorkomen, dan wel beperken) en als dit niet kan, gecompenseerd (hersteld). In het gebied komen enkele beschermde diersoorten voor, zoals huismussen, uilen, vleermuizen en marterachtigen. Door de komst van het bedrijventerrein zal een deel van het leefgebied van deze soorten verloren gaan, indien geen mitigerende maatregelen worden getroffen. Voor deze soorten worden daarom mitigerende maatregelen binnen het plangebied getroffen, zoals huismussenhotels en vleermuistorens. Hierdoor worden wezenlijk nadelige effecten op de populatie van deze soorten voorkomen. De maatregelen zijn opgenomen in de natuurtoets. De mitigatie en compensatie van natuurwaarden wordt tijdig geregeld via ontheffings- en/of vergunningsaanvragen. De ontheffingen en vergunningen moeten voor de uitvoering van het plan worden aangevraagd. De verwachting is dat deze ontheffingen verleend zullen worden.
Aantasting natuur door zonnepark Reclamanten stellen dat het geplande zonnepark een grote impact zal hebben op de natuur. Het grote ruimtebeslag van zonnepanelen leidt tot verlies en verandering van leefgebieden van soorten en ecosystemen. We verwijzen primair naar de voorgaande paragraaf. Daaruit blijkt dat het plan, inclusief het zonneveld, leidt tot een versterking van biodiversiteit. Eventuele wettelijke mitigatie vanwege aantasting van soorten, wordt doorgevoerd, waardoor nadelige effecten op beschermde soorten voorkomen worden. Inmiddels is afgestapt van zonnepanelen op water. Het zonnepark in de zuidwesthoek van het plangebied wordt nu landschappelijk ingepast in een voormalig agrarisch perceel. De ecologische betekenis van dergelijke percelen is over het algemeen laag. Verlies van belangrijke natuurwaarden door realisatie van het zonnepark is dan ook niet aan de orde. In het zonnepark is onder meer ook aandacht voor een voor bijen interessante flora.
49
Ontregeling natuur door lichthinder Een aantal reclamanten voert aan dat het plan door de lichtuitstraling leidt tot een ontregeling van de natuur. In de natuurtoets en het MER zijn de effecten van de ontwikkeling van het bedrijventerrein op natuurwaarden (flora- en faunasoorten, Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Natura 2000-gebieden) voor verschillende verstoringsfactoren, waaronder lichthinder, onderzocht (paragraaf 22.3 van de MER). Heesch West heeft geen lichteffect op Natura 2000-gebieden, omdat deze op grote afstand liggen. Er is voor deze aspecten ook geen effect op NNB-gebieden in en rond Heesch West. Deze zijn of in de huidige situatie al verstoord (bv door licht van de snelweg) of liggen op afstand van Heesch West en ondervinden geen wezenlijke trilling- of lichthinder. Waar relevant en noodzakelijk zijn in het plan overigens maatregelen voorgesteld om verdere nadelige lichteffecten te beperken of te voorkomen. Zo zal het gebruik van kunstmatige lichtbronnen en de uitstraling van deze lichtbronnen naar de omgeving zoveel mogelijk beperkt moeten worden. Dit is ook met een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan gewaarborgd. Hierbij verwijzen we naar paragraaf 2.14, Licht, van dit document, waarin de maatregelen worden beschreven.
Beleidsregel stikstof (inspraakreacties op beleidsregels) In de eerste standaard zienswijze wordt aangevoerd dat met de beleidsregel 'Toekenning stikstofruimte bedrijventerrein Heesch West' geen rekening wordt gehouden met de belangen van aan- en omwonenden. Er zou alleen gekeken worden naar de benodigde stikstofemissieruimte voor de nieuw te vestigen bedrijven. Met deze beleidsregels worden belangen van natuurgebieden geborgd. Er worden, juist door deze beleidsregels, geen toenames van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden mogelijk gemaakt. Daarmee zal er, indirect, ook geen negatieve invloed op het woon- en leefklimaat zijn voor wat betreft stikstofdepositie. Conclusie De zienswijzen geven geen aanleiding tot een aanpassing op dit aspect. 2.9
Woon- en leefklimaat
Veel reclamanten voeren in de eerste standaard zienswijze aan dat hun woongenot verstoord zal worden door lichthinder, het verdwijnen van uitzicht en de toename van geluidsbelasting door het plan. Ook stellen andere reclamanten dat zij worden aangetast in hun woongenot. Dit komt volgens reclamanten doordat het bedrijventerrein te dicht in de buurt van de woonbebouwing, met te hoge bebouwing en te hoge milieucategorie; met bijbehorende hinder en overlast van dien. Inzake de vrees voor hoge bebouwing, verwijzen we naar paragraaf 2.4.2 en inzake de vrees voor (te) hoge milieucategorie, verwijzen we naar paragraaf 2.2. Met ruimtelijke planvorming neemt de gemeente een besluit waarbij alle belangen moeten worden afgewogen; het belang van de ruimtelijke ontwikkeling en de voordelen die dat met zich mee brengt, maar net zo goed de belangen van omwonenden, van omliggende bedrijven, flora en fauna, milieu en landschap. Dat betekent onder meer dat hinder of schade voor de omgeving zoveel mogelijk moet worden beperkt of voorkomen. In dit geval blijkt uit de verschillende onderzoeken en de MER (2019) 50
en de Aanvulling hierop (2021) als geheel dat er door het bedrijventerrein sprake zal zijn van een toename van hinder van een aantal aspecten in de omgeving van het bedrijventerrein. De mate waarin loopt uiteen voor de verschillende aspecten. Zo is de hinder ten aanzien van aspecten als luchtkwaliteit, licht of trillingen beperkt, maar zijn er wat grotere negatieve effecten op de aspecten geluid, de woon- en leefomgeving en de ruimtelijk-visuele kwaliteit van het landschap. Uit de Aanvulling op de MER blijkt dat de planaanpassingen die zijn doorgevoerd in het ontwerpbestemmingsplan, zoals het verwijderen van de drie windturbines, het verkleinen van het oppervlakte voor milieucategorie 5.1 en aanpassingen aan de verkeersstructuur, een lichte verbetering laten zien ten aanzien van een aantal hinderaspecten ten opzichte van het voorontwerpbestemmingsplan. In de hiernavolgende paragrafen (2.10 t/m 2.18) wordt in meer detail ingegaan op de verschillende milieuaspecten en de aanvullende maatregelen die zijn getroffen om hinder voor de omgeving te beperken. Naar aanleiding van de zienswijzen en adviezen die zijn ontvangen over het ontwerpbestemmingsplan is een aantal nieuwe wijzigingen in het vast te stellen bestemmingsplan doorgevoerd.
Zo is in het aangepaste plan fase 2 van het bedrijventerrein naar het noorden ingedeukt en is aan de zuid -en oostzijde van het bedrijventerrein meer maat aangehouden voor groene inpassing tot aan de omgeving. Langs de Koksteeg worden drie bestaande woningen niet langer behouden, maar blijft tegelijkertijd een karakteristiek pand – dat gesloopt zou worden – juist wel behouden. Daarnaast is de inpassing van het bedrijventerrein geoptimaliseerd rekening houdend met bestaande landschappelijke waarden in het gebied. Zie verder de beschrijving onder thema Ruimtelijke kwaliteit. Op verzoek van de omgeving is de GGD gevraagd te adviseren op het voorafgaande ontwerpbestemmingsplan. Zij constateren dat er aandacht is voor een gezonde leefomgeving met een landschapspark en robuuste groenzones met aandacht voor wandelaar en fietsers. Daarbij benadrukken ze om de omgeving in de uitwerking hiervan te betrekken, zoals nadrukkelijk en met aanzienlijk resultaat is gebeurd. Verder stellen ze vast dat in het plan diverse maatregelen worden opgenomen om hinder van bedrijven. Ook constateren ze dat de mogelijke effecten worst case berekend zijn en dat gezondheidseffecten, voor zover deze zich voordoen, in de praktijk beperkter van aard zijn. Ze vragen wel aandacht voor het serieus nemen van klachten, opvolging en monitoring, hierna gaan we daar op in.
Verder gaan we bij thema Gezondheid verder in op het advies van de GGD. Het MER heeft inzichtelijk gemaakt dat met het treffen van mitigerende maatregelen voldaan kan worden aan geldende normen. Hoewel er, ondanks de doorgevoerde aanpassingen, in sommige gevallen hinder aanwezig blijft, is in het bestemmingsplan gemotiveerd dat er geen sprake is van onevenredige hinder, dat er sprake blijft van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Hierin is ook een afweging gemaakt tussen de belangen van omwonenden en het algemeen belang van de huisvesting van bedrijven (en daaraan gelieerde gevolgen). Voor de specifieke milieueffecten die zijn genoemd door reclamanten, verwijzen we naar de thema’s die hierover gaan (paragrafen 2.2 en 2.10 t/m 2.18).
51
Handhaving en monitoring Reclamanten maken zich zorgen over de feitelijke praktijk na planrealisatie. Wat als bedrijven zich niet houden aan regels of afspraken, of wat als de situatie toch anders uitpakt dan nu voorzien? Hoe worden bedrijven aan de regels gehouden? Allereerst is er in het bestemmingsplan al een flinke set aan regels en verplichtingen opgenomen voor de bedrijven. Zodat zij aan de voorkant gedwongen worden een zo duurzaam mogelijk bedrijfsproces in te richten, met een zo beperkt mogelijke hinder naar de omgeving. Zie daarvoor het kopje ‘Waarborgen bedrijven’ onder thema Milieucategorie. Bij de gronduitgifte en omgevingsvergunning wordt getoetst dat bedrijven uitvoering geven aan de duurzame ambities en aan de in het bestemmingsplan gestelde voorwaarden. Daarnaast is het van belang de nieuwe situatie goed te monitoren en dus toe te zien op de naleving van regels. Er was in artikel 21.1 van het ontwerpbestemmingsplan al een eerste regeling voor monitoring in de planregels geborgd. Indien blijkt dat een bedrijf een milieubelastende activiteit verricht en daartoe niet redelijkerwijs alle maatregelen treft om gevolgen te voorkomen, dan kunnen de gemeenten hiertegen optreden en dit bedrijf hierop aanspreken en maatwerkregels opleggen. Deze regeling is gehandhaafd in het vast te stellen bestemmingsplan.
Zoals gezegd kunnen bedrijven die zich op Heesch West vestigen, dat alleen kunnen doen als ze voldoen aan de regels in het bestemmingsplan (die zijn opgenomen in het kader van bescherming van het milieu). Daarnaast dienen zij te voldoen aan de wet -en regelgeving op het gebied van milieu. Periodiek vinden controles plaats. Milieuklachten als geluidoverlast of geuroverlast kunnen gemeld worden bij de milieuklachtencentrale (www.milieuklachtencentrale.nl). In samenhang beschouwen van bestemmingsplannen Een aantal reclamanten voert aan dat ‘de 2 bestemmingsplannen wat 1 bedrijventerrein moet worden’ in samenhang moeten worden beschouwd als het gaat om hun effecten op de omgeving. Soms wordt in het stuk daarboven het facet ontwerpbestemmingsplan genoemd, en soms het gelijknamige bestemmingsplan in de gemeente Bernheze. In beide gevallen, kunnen we antwoorden dat het bedrijventerrein van 80 hectare als geheel is beschouwd en onderzocht. In de MER (2019) en de Aanvulling hierop (2021) zijn alle onderzoeken gericht op de maximale invulling van 80 hectare. Het facetplan is een bijbehorend plan. Daarmee zijn de effecten op de omgeving en het woon -en leefklimaat volledig onderzocht.
Zorg bedrijfsmatige bestemmingen Zoggelsestraat en Koksteeg Een aantal reclamanten heeft zorgen voor milieuhinder en overlast door de beoogde bedrijfsbestemmingen op bestaande percelen aan de Zoggelsestraat en horeca/activiteiten aan de Koksteeg. Zij hebben hierbij zorgen over de overlast die hierdoor ontstaat in de omgeving, in het bijzonder geluidsoverlast en verkeersoverlast. Daarbij wordt aangegeven dat altijd was gecommuniceerd dat deze bestaande woningen zouden worden geamoveerd en er een goede landschappelijke inpassing zou plaatsvinden. Nu wordt alleen voor het economisch belang gegaan en de omgeving met extra hinder opgezadeld.
52
We merken op dat het voornemen tot het herbestemmen van deze bedrijfspercelen al was opgenomen in het voorontwerpbestemmingsplan. In de inspraakfase is op dit onderdeel geen of nauwelijks een inspraakreactie ingediend. In het ontwerpbestemmingsplan is hierop door ons geen wezenlijke wijziging aangebracht. Er zijn geen plantoezeggingen gedaan dat deze bestaande erven zouden worden geamoveerd. Het betreft enkele percelen met voorheen agrarisch gebruik; te voorzien is dat de nieuwe bedrijvenbestemming qua aard en effect niet zwaarder is dan de vigerende bestemming. Overigens en zoals beschreven in paragraaf 2.4.1 Landschapspark, is ervoor gekozen om, ten opzichte van de vorige planopzet, drie bestaande woningen rondom het kruispunt Zoggelsestraat / Koksteeg niet te behouden (Koksteeg 22, 23 en 24). Hier komt meer ruimte voor groen en een goede aansluiting van de nieuwe verbindingsweg tussen de Koksteeg en de Weerscheut. De boerderij op perceel Koksteeg 14A-B wordt, ten opzichte van de vorige planopzet, nu juist wel behouden. Op dit perceel en op Koksteeg 18 wordt ruimte geboden voor maximaal 1 kleinschalige horecavoorziening en is daarnaast ruimte voor een invulling als bijvoorbeeld vergader/kantoorlocatie of informatiecentrum.
Het was altijd al de intentie om slechts een kleinschalige horecavoorziening mogelijk te maken, maar dit is nu ook juridisch nader geborgd in de planregels. De te behouden percelen aan de Koksteeg worden in de toekomstige ontwikkeling ontsloten via het bedrijvenpark. De drie bestaande kavels aan de Zoggelsestraat zijn gehandhaafd in het landschapsplan. Hier wijzigt het planologisch kader ten opzichte van het nu geldende bestemmingsplan om zo milieucategorie 1-2 bedrijven op deze percelen mogelijk te maken met de daarbij gebruikelijke bouwmogelijkheden, inclusief bedrijfswoning. Voor deze zo in te passen bestaande percelen worden in het landschapsplan – en in vervolg daarop ook in het bestemmingsplan (art. 4.2.2) - nadere eisen gesteld aan de beeldkwaliteit. Deze percelen ontsluiten op de Zoggelsestraat (zie ook thema Mobiliteit). Voor een volledig overzicht van de wijzigingen in het vast te stellen bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan, verwijzen we naar thema Ruimtelijke kwaliteit, paragraaf 2.4.1. Met deze aanpassingen wordt tegemoet gekomen aan de zorgen op dit punt: (1) de mogelijkheden voor de kleinschalige horecafunctie (één vestiging) zijn nu ook juridisch geborgd (2) drie kavels bij kruispunt Koksteeg / Zoggelsestraat zijn vervallen.
(3) ook zijn nadere beeldkwaliteitseisen opgesteld in het Landschapsplan voor de te behouden kavels aan de Zoggelsestraat, om zo een optimale inpassing voor de kavels te verzorgen. De te verwachten hinder van de twee gemengde bestemmingen aan de Koksteeg en bedrijfsbestemmingen aan de Zoggelsestraat is beperkt. Met deze herontwikkeling van, hoofdzakelijk voormalige agrarische huiskavels, aan de Zoggelsestraat naar kleinschalige bedrijfsbestemmingen wordt voorzien in de behoefte aan dit type kavels in de omgeving. Landschappelijk draagt de herbestemming van de bestaande erven bij aan een betere ruimtelijke overgang naar de omgeving. Dit wordt verder geborgd met nadere beeldkwaliteitseisen en behoud van waardevolle groen- en natuurwaarden ter plaatse. De overweging om de kavels zo op te nemen in het plan dient dus niet alleen maar een economisch belang maar dient meerdere doelen. Er is er geen sprake van toename van de mogelijke hinder van de te handhaven kavels aan de Zoggelsestraat en de Koksteeg ten opzichte van het huidige bestemmingsplan. De 53
bedrijfsbestemmingen aan de Zoggelsestraat en gemengde bestemmingen aan de Koksteeg betreffen reeds bestaande kavels, die nu een woonbestemming of agrarische bestemming hebben. Het planologisch kader ten opzichte van het nu geldende bestemmingsplan wijzigt om zo milieucategorie 1-2 bedrijven (Zoggelsestraat en Koksteeg) en/of een kleinschalige horecafunctie, kantoorfunctie of informatiecentrum (Koksteeg) op deze percelen mogelijk te maken met de daarbij gebruikelijke bouwmogelijkheden. De impact van deze wijziging op de omgeving is dus zeer beperkt. Milieucategorie 1-2 bedrijven hebben nauwelijks hinder op de omgeving en een beperkte verkeersaantrekkende werking. De bouwmogelijkheden waren al aanwezig en worden meer beperkt. Daarmee is er geen noemenswaardige hinder op de omgeving. Er wordt verder ook voldaan aan de richtafstanden vanuit de VNG-methodiek die bij deze milieucategorieën horen. Dat wil zeggen dat omliggende woningen niet binnen de minimale richtafstand liggen, op basis waarvan gesteld kan worden dat het voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Voor de kavels aan de Koksteeg geldt bovendien dat deze in de toekomst worden ontsloten via het bedrijventerrein en dus niet meer via Koksteeg / Zoggelsestraat. Eventuele verkeersaantrekkende werking (die overigens beperkt is) wordt dus niet afgewenteld op lokale wegen.
Bedreiging voor recreatiegebieden en vrees voor recreatie en horeca in landschapspark Veel reclamanten stellen (in de eerste standaard zienswijze) dat het plan in strijd is met de dringende behoefte aan natuur waarin gecreëerd kan worden, en dat het plan tevens een bedreiging vormt voor omliggende recreatiegebieden. Tegelijkertijd zegt een aantal reclamanten te vrezen voor de mogelijke hinder en aantrekkende werking van recreatieve functies en de beoogde horecafunctie in het nieuwe landschapspark. Wat betreft de impact op recreatie, het volgende. Met het landschapspark wordt juist ingezet op het toevoegen van de mogelijkheden voor extensieve recreatie, zoals met name wandelen en fietsen. De huidige recreatieve waarde van het plangebied is namelijk beperkt: het is voornamelijk agrarisch in gebruik en heeft geen specifieke recreatieve functies en/of voorzieningen zoals wandel- of fietspaden. In het participatietraject is een zwaarder recreatief accent als scenario voorgelegd en nadrukkelijk door de omgeving afgewezen. Hier is dan ook geen verdere uitwerking aan gegeven. Heesch West voegt een groot wandel- en fietspadennetwerk toe in het plangebied dat aansluit op bestaande wandelroutes en fietspaden. De Raktstraat en het noordelijke gedeelte van de Koksteeg worden bijvoorbeeld helemaal fietspad. Die sluiten weer aan bij nieuwe noord-zuid gerichte routes.
In het landschapspark en in de Parksingels komen diverse (struin)wandelpaden. Zo ontstaat een groter netwerk van routes en keuzemogelijkheden. De versterking van deze extensieve recreatieve functies, zal geen noemenswaardige hinder opleveren voor omwonenden. Het gaat immers in hoofdzaak om wandelaars en fietsers. In de plannen wordt een nieuwe weg ten noorden van de Ruitersdam aangelegd. De Ruitersdam zelf en daarmee ook de recreatieve waarde blijft gehandhaafd. In de MER (par. 25.3.4) was opgenomen dat dit wel een negatief effect zal hebben op de beleving van de Ruitersdam en het landschap ter plaatse. Vervolgens is echter via het participatietraject van het landschapsplan een nadere ligging bepaald van deze nieuwe weg. De ligging is bepaald aan de hand van een goede landschappelijke inpassing en de zorgen van de omgeving (positioneer de weg zo ver mogelijk af van de Ruitersdam). 54
Het eerste deel van de nieuwe weg (het deel dichter bij de Weerscheut) ligt zo ver als mogelijk ten noorden van de Ruitersdam. Het tweede deel, nabij de aansluiting op de Koksteeg / Zoggelsestraat, ligt enigszins dichter bij de Ruitersdam. Zo wordt de kwaliteit van het parkgebied vanuit alle richtingen optimaal te ervaren. De houtwalstructuur langs de bestaande Ruitersdam wordt fors breder. Het ontwerp versterkt zo de Ruitersdam in plaats van dat het daar afbreuk aan doet. Met de keuze voor de ligging van de nieuwe weg wordt dus tegemoet gekomen aan de zorgen uit de zienswijzen (zie ook thema Ruimtelijke kwaliteit). In het participatietraject is een zwaarder recreatief accent als scenario voorgelegd en nadrukkelijk door de omgeving afgewezen. Hier is dan ook geen verdere uitwerking aan gegeven. De oorspronkelijk geplande plas is verwijderd uit het plan, er komt slechts een natuurpoel. Er wordt dan ook geen recreatieve functie op een plas mogelijk gemaakt. Er wordt slechts voorzien in een klein horecapunt aan de Koksteeg welke voor autoverkeer slechts ontsloten wordt via het bedrijventerrein. Daarmee vertrouwen we erop dit bezwaarpunt te hebben weggenomen. 2.10
Geluid
In de standaard zienswijzen wordt de vrees voor een toename van geluidsbelasting genoemd en ook de vrees voor gecumuleerd lawaai. Een groot aantal reclamanten stelt in het algemeen dat het plan tot teveel geluidsoverlast leidt. Een aantal reclamanten in de tweede standaard zienswijze noemt aanvullend dit gecumuleerde lawaai onaanvaardbaar en in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Ook stellen zij hierbij dat op twee gedachten wordt gehinkt: er worden ‘grote lawaaimakers’ mogelijk gemaakt, maar tevens zijn vestigingsvoorwaarden en toegelaten bedrijfscategorieën aangescherpt vanuit de omgeving (zoals geluid). De geluidssituatie zou uit het oogpunt van gezondheid niet mogen verslechteren. Ook stellen reclamanten dat een geluidswaarde van 55 dB wordt opgelegd op bestaande woningen, wat veel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Daarnaast heeft een aantal reclamanten meer specifieke argumenten opgenomen wat betreft geluid. Het gaat dan om onvoldoende houvast in de planregels wat betreft geluid en onvoldoende maatregelen ter bescherming van omwonenden. Dit wordt bij het kopje ‘Borging en maatregelen ter voorkoming geluidshinder’ verder beschreven. Algemeen Er wordt niet op twee gedachten gehinkt. Het is juist dat met de vestiging van de geluidszone zogenaamde ‘grote lawaaimakers’ planologisch mogelijk worden gemaakt.
Dat betekent niet dat wij die bedrijven, mochten die er komen, vrij baan geven. Om eventuele hinder zoveel mogelijk te beperken, is bovenop de bescherming van de geluidszone en reguliere inwaartse zonering, een aantal nadere regels opgenomen voor bedrijven. Zie hiervoor de beschrijving onder kopje ‘Waarborgen bedrijven’ onder thema Milieucategorie. De geluidsbelasting neemt op een aantal woningen toe (zie verderop in deze paragraaf), en overigens ook af op een aantal woningen. Dit is aanvaardbaar gelet op het uitgangspunt van goede ruimtelijke ordening, zoals gemotiveerd in deze paragraaf en in het bestemmingsplan. De eventuele relatie met gezondheid is beschreven onder thema Gezondheid.
55
Inwaartse zonering (VNG-methodiek) Zoals toegelicht in paragraaf 2.2, gaat het plan uit van de zogenaamde VNG-methodiek. In het bestemmingsplan zijn op de verbeelding zones aangegeven waarbinnen milieucategorieën zijn toegestaan. Dit gaat uit van het principe van ‘inwaartse zonering’. Dit principe is gebaseerd op de richtafstanden zoals deze zijn opgenomen in de VNG-publicatie. Deze richtafstanden zijn bedoeld om hinder en gevaar zoveel mogelijk te voorkomen door voldoende afstand tot bijvoorbeeld woningen te houden. Voor Heesch West zijn deze richtafstanden rondom de woningen in het te ontwikkelen gebied gelegd. Hiermee zijn de contouren voor de verschillende milieucategorieën binnen Heesch West bepaald. Hierdoor is het bijvoorbeeld niet mogelijk dat zware bedrijvigheid nabij woningen wordt gerealiseerd. Ondanks de richtafstanden die worden gehanteerd, is nooit met zekerheid uit te sluiten dat de omgeving onder bepaalde (weers)omstandigheden enige hinder ervaart. Ook betekent dit niet dat er geen toename van geluidsbelasting op woningen zal zijn. De inwaartse zonering is bepalend voor de berekende geluidsbelasting op nabijgelegen woningen. Uit de akoestische onderzoeken die zijn opgenomen in het MER en de Aanvulling MER en het bestemmingsplan blijkt dat het plan Heesch West een toename van de geluidsbelasting zal geven op de omgeving van het plangebied.
Hierin is onderscheid te maken in geluidsbelasting door het industrieterrein zelf en het wegverkeer (industrielawaai en wegverkeerslawaai). Dit is ook als zodanig onderzocht (per bron). Daarnaast is het zogenaamde cumulatieve geluid, dit is het geluid gecombineerd van alle bronnen, ook relevant, want dit wordt daadwerkelijk ervaren door omwonenden. Voor cumulatief geluid bestaan echter geen wettelijke normen, maar wel gemeentelijk beleid waarin getoetst wordt aan acceptabel woon- en leefklimaat en een goede ruimtelijke ordening: vanuit die criteria beschouwd, is de toename van cumulatief geluid acceptabel. Onder het kopje cumulatie wordt dat verder beschreven. Geluideffecten worst-case berekend Er is in het MER 2019 en de aanvulling 2021 uitgegaan van een worst-case invulling van het bedrijventerrein en worst case effecteninschatting. Gebaseerd op de maximale invulling van de 80 ha met de maximale oppervlaktes milieucategorieën volgend uit de inwaartse zonering. Het is op dit moment nog niet bekend welke bedrijven zich gaan vestigen op Heesch West. Daarom is, zoals gangbaar voor MER-onderzoeken voor bedrijventerreinen, aan de hand van het ontwerp en de milieuzonering een “representatief geachte maximale invulling en geluidemissie” aangehouden. Deze maximale representatieve bedrijfssituatie is gebaseerd op een dag waarbij het bedrijf bij volledige capaciteit in werking is.
In het algemeen zijn veel bedrijven niet dagelijks met hun volledige capaciteit in werking, maar de normstelling houdt wel rekening met deze mogelijkheid. Daarbij komt dat in de rekenmethodiek voor geluid rekening wordt gehouden met het feit dat geluid ’s avonds en ’s nachts hinderlijker wordt ervaren dan overdag. De extra hinderlijkheid in deze periodes wordt in de berekening betrokken in avond (+5dB) en nacht (+10dB). Verder is voor de geluidsberekeningen nog niet uitgegaan van afschermende werking van gebouwen, maar van een zogenaamde “vrije-veld situatie”, het huidige maaiveld. Uitgaan van afscherming van gebouwen kan ook nog niet omdat nog niet bekend is hoe kavels gevuld gaan worden. Maar dat hiermee geluidreductie van af scherming nog niet meegenomen is, is zeker. Voor verkeer en daarmee wegverkeerslawaai is als worst case invulling uitgegaan van 80% (64 ha) logistiek en 20% (16 ha) overige bedrijvigheid. Vervolgens is op basis van kengetallen op basis van ervaringen op bedrijventerreinen elders gekomen tot een getal voor het aantal arbeidsplaatsen per ha: respectievelijk 40 voor logistiek en 32 voor overige bedrijvigheid. De kengetallen vormen ook input 56
voor de berekende verkeersbewegingen. Deze getallen zitten aan de “bovenkant” van de kengetallen: op logistieke bedrijventerreinen elders is sprake van gemiddeld 30 tot 35 arbeidsplaatsen per hectare. In het verkeersmodel is het aantal arbeidsplaatsen omgezet in verkeersbewegingen. Door in de onderzoeken uit te gaan van de maximale 80 ha. met een sterk logistiek accent, en de kengetallen “aan de bovenkant” voor het aantal arbeidsplaatsen per ha, is sprake van een worst-case inschatting van het verkeerseffect. Wegverkeerslawaai Realisatie van Heesch West zorgt voor een tweeledig effect op wegverkeerslawaai. De toename van verkeer leidt tot een toename van wegverkeerslawaai. Maar de aanpassing van de infrastructuur zorgt ook voor herverdeling in bestaande regionale verkeersstromen, die op sommige wegen tot een toename van verkeer en wegverkeerslawaai leiden, maar op andere wegen juist tot een afname van verkeer en wegverkeerslawaai. Wegverkeerslawaai is niet nieuw in het gebied. In de huidige situatie ondervindt het gebied al het geluid van de A59. Op een beperkt aantal woningen langs de Achterstraat, Zoggelsestraat en Weerscheut is door Heesch West sprake van een wezenlijke toename (> 1,5 dB tot max 3 dB). Deze toenames zijn aanvaardbaar en voldoen aan de wettelijke normen.
Tegelijkertijd is er langs bijvoorbeeld de Koksteeg en de Zoggelsestraat ook een afname van wegverkeerslawaai berekend. Zie paragraaf 6.3.1 van de Aanvulling MER. Per saldo neemt het aantal gehinderden vanwege wegverkeerslawaai door Heesch West zelfs enigszins af ten opzichte van de referentiesituatie. De positieve effecten langs wegen waar het verkeer en daarmee het wegverkeerslawaai afneemt zijn enigszins groter dan de negatieve effecten langs wegen waar het verkeer en daarmee het wegverkeerslawaai toeneemt. Voor 7 woningen ten zuiden van de nieuwe en aangepaste Bosschebaan wordt de zogenaamde voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai overschreden uit de Wet geluidhinder (48 dB). Indien deze waarde niet wordt overschreden, is er sowieso sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting. Bij een totaal van 7 woningen wordt die waarde dus wel overschreden. Dit is het gevolg van de aanleg / aanpassing van de Bosschebaan. Voor die woningen wordt daarom een zogenaamde hogere waarde verleend. De maximale geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai is 54 dB. Deze overschrijding blijft onder de maximaal te vergunnen waarde van de Wet geluidhinder voor wegverkeer (63 dB) en is dus binnen de wettelijke normen.
Voor deze woningen blijkt dat geen sprake is van een significante toename van de (cumulatieve) geluidsbelasting waardoor geen sprake is van een verslechtering van het woon- en leefklimaat. Ter plaatse van deze woningen wordt de geluidsbelasting in hoofdzaak bepaald door het verkeer op de A59. Het verkeer op de A59, wat vanaf dezelfde kant invalt, veroorzaakt geen significante toename van de cumulatieve geluidsbelasting bij deze woningen. Industrielawaai Voor dit plan wordt een ‘geluidgezoneerd’ industrieterrein vastgesteld voor het geluid van de industriële bronnen. Dat betekent dat er een geluidszone rondom het terrein komt te liggen, waardoor de omgeving wordt beschermd tegen bijvoorbeeld cumulatie van industriegeluid. Buiten deze zone mag de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven gaan.
57
Realisatie van het plan Heesch West zorgt voor een toename van industrielawaai die, in tegenstelling tot wegverkeerslawaai, wel nieuw is in het gebied. Dit leidt tot een toename van industrielawaai door Heesch West op woningen in het gebied, doordat er op dit moment geen industrielawaai in het gebied aanwezig is. Zie ook paragraaf 6.3.2 van de Aanvulling MER. Dit leidt tot een toename van het aantal gehinderden. Bij de meeste woningen leidt dit echter niet tot een overschrijding van de zogenaamde voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Voor industrielawaai bedraagt deze 50 dB(A). Indien deze waarde niet wordt overschreden, is er sowieso sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting. Bij een totaal van 19 woningen, die binnen de zone zijn gelegen, wordt die waarde wel overschreden. Overigens zijn dit 3 woningen minder dan ten tijde van het ontwerpbestemmingsplan, omdat de betreffende 3 kavels door de planaanpassingen zijn vervallen. De betrokken gemeentes hebben afgesproken om op de betreffende 19 woningen geen hogere geluidbelasting toe te staan dan 55 dB(A). Voor die woningen wordt daarom een zogenaamde hogere waarde verleend, die varieert van 51 dB(A) tot 55 dB(A). De maximale geluidbelasting op deze woningen als gevolg van industriegeluid is dus 55 dB(A). Wettelijk gezien ligt de hoogst toelaatbare waarde op 60 dB(A) voor deze woningen.
Dit is dus in overeenstemming met de Wet geluidhinder en binnen de wettelijke normen. Voor de woningen in de nabijheid van de A59 waarvoor een hogere waarde aan de orde is voor industrielawaai, blijkt dat geen sprake is van een significante toename van de (cumulatieve) geluidsbelasting, waardoor geen sprake is van een verslechtering van het woon- en leefklimaat. Voor de woningen die verder van de A59 af zijn gelegen, en buiten de invloedssfeer daarvan liggen en waar een hogere waarde aan de orde is, is bij elk van de woningen sprake van een geluidsluwe gevel en buitenruimte zodat geen sprake van een onaanvaardbare geluidssituatie aan de orde nadat Heesch West is gerealiseerd. Voor deze woningen waarvoor een hogere waarde besluit aan de orde is, wordt onderzocht of er mogelijk maatregelen nodig zijn om een passend binnenmilieu te borgen. Als uit dit onderzoek blijkt dat de vereiste binnenwaarde niet wordt gehaald, worden op kosten van de Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West aanvullende gevelmaatregelen getroffen (in overleg met de bewoner). Cumulatief geluid Insprekers hebben ook vaak gesteld dat zij vrezen voor cumulatieve geluidsbelasting door de komst van het bedrijventerrein. Realisatie van Heesch West zorgt voor een toename van de cumulatieve geluidsbelasting (paragraaf 6.3.3 van de Aanvulling MER). Geluid is niet nieuw in het gebied.
In de huidige situatie ondervindt het gebied al geluid van de A59. Op veel van de woningen in de omgeving is de toename in cumulatieve geluidbelasting beperkt. Op 54 woningen in de omgeving neemt de cumulatieve geluidbelasting met 1,5 tot 3 dB toe, bij 7 woningen is sprake van een toename met meer dan 3 dB. Dit betreft woningen in de directe omgeving van Heesch West. Van de 61 woningen met een toename van cumulatieve geluidbelasting > 1,5 dB, blijven er 38 woningen beneden de 50 dB, in Miedemaklasse “goed”. 23 van de 61 woningen hebben een cumulatieve geluidbelasting groter dan 50 dB (Miedemaklasse redelijk tot matig), waarvan 6 groter dan 55 dB (Miedemaklasse matig (5 woningen) tot slecht (1 woning). Voor de woningen in de Miedema-klasses ‘redelijk tot matig’, ‘matig’ en ‘slecht’ wordt onderzocht of in de verblijfsruimten van de woningen aan de binnenwaarde van 33 dB kan worden voldaan (zie beschrijving hieronder). De waarde van 33 dB wordt als eis gesteld aan nieuwe woningen. 58
Voor een aantal woningen is een hogere waarde besluit aan de orde en/of is sprake van een toename van de geluidsbelasting van 1,5 dB of hoger door wegverkeer en/of een toename van de geluidsbelasting van 1,5 dB of hoger door de cumulatieve geluidsbelasting. Bij deze woningen wordt onderzocht of er mogelijk maatregelen nodig zijn om een passend binnenmilieu te borgen. Kosten van mogelijke maatregelen aan betreffende woningen om de mogelijk toename van geluidshinder te beheersen worden actief onderzocht. Als uit dit onderzoek blijkt dat de vereiste binnenwaarde niet wordt gehaald worden op kosten van de Gemeenschappelijke Regeling Heesch-West aanvullende gevelmaatregelen getroffen (in overleg met de bewoner). Borging en maatregelen ter voorkoming geluidshinder In de tweede standaard zienswijze geven reclamanten aan te vrezen voor hun woon -en leefklimaat door de geluidsoverlast. Zij stellen dat niet onderzocht is of de geluidbelastingen verlaagd kunnen worden door het treffen van maatregelen. Aangegeven wordt dat ervoor gekozen is om voor industrielawaai niet hoger te gaan dan 55 dB(A) om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen. Daarmee wordt vervolgens aan het nemen van bronmaatregelen niet toegekomen.