Bijlage 1 - Bijlage 8 bij de Toelichting Nota zienswijzen bestemmingsplan Heesch West en bestemmingsplan Facetplan geluidszone gezoneerd industrieterrein Heesch West
Tekst van het document
Anders dan nu nog het geval is op de Bosschebaan en de Rekken, worden in het ontwikkelgebied fiets en auto in de wegprofielen van elkaar gescheiden. Het verkeersonderzoek toont aan dat de toename van (vracht)verkeer als gevolg van Heesch West verwerkt kan worden met inachtneming van de aanpassingen / uitbreidingen van de infrastructuur zoals opgenomen in het plan (zie ook het kopje Doorstroming). Het plan is verkeerskundig aanvaardbaar. De verkeersveiligheid wordt volgens de MER slechts beperkt beïnvloed door de ontwikkeling van Heesch West. Op een aantal wegen neemt de verkeersintensiteit toe, wat een beperkt negatief effect geeft, maar wordt de oversteekbaarheid echter niet verslechterd. In de kern Heesch en op de Papendijk richting Geffen wordt de streefwaarde voor de verkeersintensiteit conform het Duurzaam Veilig principe niet gehaald, maar zorgen mitigerende maatregelen in de weginrichting ervoor dat het verkeerskundig aanvaardbaar is. Daarnaast worden op diverse andere locaties maatregelen genomen ten gunste van de verkeersveiligheid (zie hieronder).
Naar aanleiding van de modelberekeningen en ontwerptoetsen worden diverse maatregelen genomen voor de veiligheid en doorstroming ten behoeve alle weggebruikers; zowel binnen als buiten de bebouwde kom; denk aan vrijliggende fietspaden, extra opstelstroken, aangepaste verkeerslichtenregeling, nieuwe ontsluitingswegen, veilige wegbreedtes en inrichting conform het principe duurzaam veilig. Ook worden voor de aansluiting van Heesch West drie rotondes aangelegd. Deze functioneren als ‘natuurlijke’ snelheidsremmers. Dit lichten we hieronder verder toe. De belangrijkste ontsluitingsroute van Heesch West (Bosschebaan) wordt volledig opnieuw ingericht met vrijliggende fietsvoorzieningen, waardoor de verkeersveiligheid verbetert. Heesch West ontsluit auto- en vrachtverkeer alleen richting het noorden op de Bosschebaan. Hierdoor wordt menging met landbouwverkeer zoveel mogelijk voorkomen. Er wordt zowel op het bedrijventerrein zelf als in de te realiseren verkeersroutes zorggedragen voor het van elkaar scheiden van langzaam verkeer en autoverkeer. Ook zorgen de verkeersmaatregelen voor het zoveel mogelijk scheiden van lokaal verkeer van bovenlokaal verkeer. Op de
21
verkeersknooppunten waar de diverse verkeersstromen wel kunnen samenkomen worden aanvullende maatregelen genomen. In het plan zijn diverse maatregelen getroffen ten bate van de verkeersveiligheid voor fietsers. Zo wordt langs de gehele opgewaardeerde ontsluitingsroute Bosschebaan een vrijliggend fietspad gerealiseerd. Bij het kruispunt Bosschebaan-Weerscheut wordt een tunnel gerealiseerd voor het fietsverkeer zodat dat ongelijkvloers kruist met het (vracht)autoverkeer. Dit is mede naar aanleiding van overleg met de omgeving. Door opwaardering van de Bosschebaan-Rekken neemt de intensiteit op de oude Bosschebaan, waar fietsstroken aanwezig zijn, af. Op de rotondes bij de entree van Nuland wordt als resultaat van overleg met Leefbaar Nuland en de Fietsersbond, de voorrangssituatie ten gunste van fietsers aangepast. Op de Papendijk in Geffen en de wegen ’t Dorp en Schoonstraat in Heesch zijn reeds maatregelen getroffen om de verkeersveiligheid en bereikbaarheid te bevorderen in de vorm van oversteekvoorzieningen voor voetgangers (Heesch) en vrijliggende fietsvoorziening op de Papendijk. Invloed op kernen Een aantal reclamanten hebben ook zorgen geuit over de invloed van Heesch West op de kernen Vinkel en Nuland. Daarom gaan we daar in het bijzonder verder op in (aandachtspunten Heesch en Gef f en zijn hiervoor al beschreven).
Verkeerssituatie Nuland Een aantal reclamanten maakt zich zorgen over de nieuwe verkeerssituatie in Nuland, door de komst van Heesch West. Zij stellen dat het (vracht)verkeer vanaf Heesch West richting Den Bosch niet via Nuland of via de bestaande route aan de noordzijde van de A59 mag worden afgevoerd. De rotondes zijn hier niet op berekend, aldus reclamanten. Ook stellen zij dat geen onveilige situaties mogen ontstaan voor het langzame verkeer, maar ook dat er geen maatregelen zijn getroffen voor de veiligheid van fietsers in het gebied. De toekomstige verkeerssituatie is doorgerekend in het verkeersmodel (worst case) en kan binnen acceptabele grenzen worden afgewikkeld. De ontwikkeling van Heesch West zorgt voor toenames, maar ook afnames op de (oude) Rijksweg ter hoogte van Nuland. Deze toenames zijn verkeerskundig aanvaardbaar. De verkeersafwikkeling van de twee rotondes aan de Nulandse kant van de A59 is getoetst op basis van de toekomstige intensiteiten inclusief de ontwikkeling Heesch West. Hieruit blijkt dat de toekomstige aantallen verkeer binnen acceptabele grenzen afgewikkeld kunnen worden. De huidige vormgeving van de rotondes voldoet. Er is dan ook geen reden waarom het vrachtverkeer richting Den Bosch niet via Nuland kan worden afgewikkeld en dat dit uitsluitend richting het oosten moet worden afgevoerd.
Alle vrachtverkeer via Heesch / Cereslaan afwikkelen resulteert in een niet evenredige verdeling van verkeer (en bijbehorende effecten) en is in de praktijk ook complex om te realiseren. Ontsluiting via verlengde Rijksweg Zuid resulteert in een onnodige vergroting van het plangebied / effectgebied terwijl voorliggend verkeersonderzoek aantoont dat de verkeerssituatie voldoet. 22
Niettemin worden voor deze situatie maatregelen voorgesteld om de situatie voor het langzaam verkeer ter plaatse van de specifieke rotonde bij Nuland te verbeteren. Dan gaat het in het bijzonder om de fietsoversteken bij de rotonde Hoogstraat-Rijksweg-Van Rijckevorselweg in de voorrang te brengen. Ook deze aanpassing is verkeerskundig getoetst en resulteert in een acceptabele verkeerssituatie. Tevens wordt op het wegvak tussen de rotondes de max imumsnelheid verlaagd naar 50 km/u geldend binnen de bebouwde kom, conform de wegenverkeerswet. In het plan zijn verder diverse andere maatregelen getroffen ten bate van de verkeersveiligheid voor fietsers (zie thema Verkeersveiligheid). Verkeerssituatie Vinkel Goede veilige en comfortabele routes voor alle verkeer, ook, maar niet alleen in het centrum van Vinkel, zijn van groot belang en hebben daarom de aandacht. De voornaamste maatregelen in het plan om extra verkeer door het centrum van Vinkel te beperken zijn de afsluiting van de Koksteeg voor doorgaand gemotoriseerd verkeer in combinatie met een vrachtwagenverbod op de Weerscheut. Hierdoor is de route over de Brugstraat (in het centrum) niet meer een logische route voor het vrachtverkeer. Wel is er een toename van autoverkeer op de Weerscheut.
De hoeveelheden verkeer op de routes door Vinkel zijn passend bij een dergelijk wegvak, waar voor een veilige verkeersafwikkeling een streefwaarde van max. 4.000 binnen de bebouwde kom en max. 6.000 buiten de bebouwde kom wordt gehanteerd. Daar blijft de intensiteit nog onder. Het aandeel autoverkeer in het centrum van Vinkel blijft nagenoeg gelijk en neemt zelfs licht af (-100 motorvoertuigen/etmaal). Afsluiting Koksteeg Een aantal reclamanten stelt (in de tweede standaard zienswijze) dat de afsluiting van de Koksteeg een wenselijke ingreep is. Maar zij missen een goede borging van de afsluiting van de weg in het plan. Het zou met een voorwaardelijke verplichting geborgd moeten worden. Vooropgesteld, de afsluiting van de Koksteeg is volledig onderdeel van het planvoornemen en zal zondermeer worden doorgevoerd. Het is een verkeerskundig gewenste planmaatregel om te voorkomen dat het lokale verkeer mengt met het vrachtverkeer van/naar Heesch West en is een belangrijke maatregel voor fietsers. De afsluiting zal te zijner tijd met een Verkeersbesluit worden geregeld. Naar aanleiding van deze zienswijzen, is er niettemin voor gekozen om nu ook een aanpassing door te voeren in het vast te stellen bestemmingsplan.
De bestemming ‘Verkeer’ uit het ontwerpbestemmingsplan op het deel van de Koksteeg wat wordt afgesloten en als fietspad zal gaan functioneren, is in het vast te stellen bestemmingsplan gewijzigd naar bestemming ‘Groen’, waarin alleen langzaam verkeer wordt toegestaan. Daarmee is verzekerd dat hier geen gemotoriseerd verkeer zal komen, uitgezonderd incidenteel eventuele hulpdiensten. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan deze zorg. Nieuwe verbinding Koksteeg – Weerscheut Een aantal reclamanten verzoekt (in de tweede standaard zienswijze) om de nieuwe verbindingsweg tussen de Weerscheut en de Koksteeg zo noordelijk mogelijk te leggen. 23
Vanwege de ligging van deze nieuwe weg in het landschapspark en de niet -verkeerskundige argumenten die hierbij, mede door reclamanten ingebracht, aan de orde zijn, wordt dit punt behandeld onder de paragraaf Ruimtelijke kwaliteit (par. 2.4). In het verkeers- en geluidsmodel is vastgesteld dat de ligging op basis van met name landschappelijke en ecologische overwegingen binnen zekere bandbreedte kan worden aangepast zonder dat daarmee omgevingseffecten significant wijzigen. Binnen de beschikbare ruimte en passend in het landschapsontwerp is nu een verbeterde ligging uitgewerkt. Zorg verkeersaantrekkende werking bedrijfsbestemmingen Zoggelsestraat en Koksteeg Een aantal reclamanten voert (in de tweede standaard zienswijze) aan dat zij zorg hebben over een mogelijk verkeersaantrekkende werking door de beoogde bedrijfsbestemmingen en activiteiten aan de Zoggelsestraat en Koksteeg. Daarbij geven zij aan dat deze percelen geen ontsluiting dienen te krijgen aan de Zoggelsestraat of de Koksteeg, maar aangesloten moeten worden op de interne verkeersstructuur van het bedrijventerrein. Een aantal reeds bestaande kavels aan de Zoggelsestraat en Koksteeg, die in het vigerende bestemmingsplan een woonbestemming of agrarische bedrijfsbestemming hebben, zijn betrokken in de uitwerking van het landschapsplan.
Naar aanleiding van de nadere uitwerking van het landschapsplan, is een drietal kavels aan de Koksteeg ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan vervallen en in het vast te stellen bestemmingsplan omgezet in een groenbestemming. Tegelijkertijd is ook besloten één kavel aan de Koksteeg juist te behouden en daarom de bestemming ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan te wijzigen van Groen naar Gemengd. Voor het volledige overzicht van wijzigingen van ontwerpbestemmingsplan naar vast te stellen bestemmingsplan aan de Koksteeg en Zoggelsestraat, verwijzen we naar thema Ruimtelijke kwaliteit, paragraaf 2.4.1, tabel 1. Voor de te handhaven kavels aan de Zoggelsestraat wijzigt het planologisch kader ten opzichte van het nu geldende plan om zo milieucategorie 1-2 bedrijven op deze percelen mogelijk te maken met de daarbij gebruikelijke bouwmogelijkheden, inclusief bedrijfswoning. Voor deze zo in te passen bestaande percelen worden in het landschapsplan nadere eisen gesteld aan de beeldkwaliteit. Deze woningen met bedrijfsbestemmingen aan de Zoggelsestraat vormen, ruimtelijk gezien, de overgangszone tussen het grote bedrijventerrein en de omgeving. Deze bestaande percelen staan in ruimtelijk opzicht dan ook los van het bedrijventerrein Heesch West zelf.
Daarom vindt geen menging van de verkeersstromen plaats met het bedrijventerrein, maar maken zij gebruik van de reeds bestaande verkeersontsluiting aan de Zoggelsestraat. Dit is een voor de omgeving verantwoorde keuze, omdat het verkeerskundige effect minimaal is. Milieucategorie 1-2 bedrijven (Zoggelsestraat) hebben nauwelijks hinder op de omgeving en een beperkte verkeersaantrekkende werking. Ten opzichte van de oorspronkelijke agrarische erven is met deze wijziging aannemelijk dat dit niet tot meer verkeersbewegingen zal leiden dan de huidige planologische mogelijkheden. Aan de erven van de Zoggelsestraat zijn (in het Circulair kwaliteitsplan) nadere beeldkwaliteitskaders gesteld om ook beeldkwaliteit, groen en ecologie bij herontwikkeling van de betreffende kavel te beschermen en mogelijk te verbeteren. De verkeerskundige impact van de gemengde bestemmingen aan de Koksteeg op de omgeving is eveneens minimaal. De twee bestaande percelen aan de Koksteeg (14AB en 18) krijgen de 24
bestemming Gemengd. Hierin is planologisch ruimte om mogelijk (in totaal) één lichte horecafunctie en om eventueel een kantoorfunctie, vergaderruimte / informatiecentrum en/of bedrijven t/m milieucategorie 2 te realiseren. Het autoverkeer van deze centraler in het plan gelegen percelen, worden overeenkomstig het uitgewerkte landschapsplan direct via het bedrijventerrein afgewikkeld. Hierdoor is er geen effect op lokale wegen. Vrees overlast door verkeer vanwege 24/7 economie Een aantal reclamanten vreest voor toename van (vrachtverkeer) door het 24/7 aanwezig zijn van verkeer als gevolg van de bedrijfsvoering van bedrijven. Ervaringen op bedrijventerreinen elders laten zien dat een 24/7 economie niet zozeer leidt tot een toename van verkeer, maar tot een andere verdeling van verkeer ten opzichte van een “reguliere” “9 tot 17” economie. Verkeerstechnisch is dit gunstig: verkeer wordt beter verspreid over het etmaal en daarmee de toename op het onderliggend wegennet ook. De andere verdeling van verkeer kan wel leiden tot een ander geluideffect (zie hiervoor paragraaf 2.10 Geluid). 2.4
Ruimtelijke kwaliteit
2.4.1
Landschapspark
Landschapsplan nog niet uitgewerkt en ontbreekt bij de regels Veel reclamanten hebben (zowel in de eerste als tweede standaard zienswijze) zorgen over een voldoende landschappelijke inpassing van het terrein en d e concrete plannen voor het landschapspark. Het plan voor dit landschapspark was nog niet uitgewerkt bij het ontwerpbestemmingsplan. Het was volgens reclamanten niet ter inzage gelegd bij de stukken en ontbrak in de bijlage van de planregels, een ook is de termijn van 3 jaar te lang. Daarnaast ontbreekt ook de bergingscapaciteit voor water in de planregel. Daarmee is er onder andere strijd met artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening. We hebben begrip voor de zorg over voldoende landschappelijke inpassing. Een voldoende robuuste en groene inpassing is van groot belang voor de omgeving. Overeenkomstig de eerdere toezegging hebben we vanaf juni 2021 een participatietraject onder begeleiding van een landschapsarchitect uitgevoerd voor de nadere uitwerking van het landschapspark. De hoofdlijnen en ideeën voor het bedrijventerrein en de landschappelijke inpassing zijn, voorafgaand aan deze omgevingsdialoog, opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan en in het Circulair Kwaliteitsplan (zie ook de alinea hieronder).
Dit was nog niet uitgewerkt in details, juist om zo de ruimte en vrijheid te bieden voor inbreng vanuit omwonenden en andere belanghebbenden tijdens het participatieproces. Tegelijkertijd regelde het al wel de opzet op hoofdlijnen, waarbij inzicht is gegeven in de belangrijkste principes en structuren van het landschapsplan. Het beoogde ontwerp- en participatieproject werd al concreet beschreven. Zoals het participatieproces en het ontwerpresultaat laten zien is hiermee aanzienlijk ruimte geboden om met aandacht voor zorgen en inbreng vanuit de omgeving tot verdere uitwerking van de ruimtelijke opzet te komen. Dus om zoveel mogelijk inbreng vanuit de omgeving aan de voorkant mee te nemen, is voor die insteek gekozen. Bij het voorliggende vast te stellen bestemmingsplan, is het met de omgeving afgestemde landschapsplan opgenomen. De uitwerking speelt concreet in op zorgen en wensen en past binnen 25
de uitwerkingsruimte die aanwezig was. Daar waar het plan nu afwijkt is dit alleen ten voordele van de omgeving en geeft dit dan ook in belangrijke mate uitwerking aan zorgen en wensen van reclamanten. Het ontwerpbestemmingsplan was niet strijdig met de bepalingen van artikel 3.1.6 Bro of met 3:11 Awb. Op veel plekken in het ontwerpbestemmingsplan was wel inzicht gegeven in het landschapsplan, te beginnen bij de Toelichting. In de Toelichting werd op meerdere plekken inzicht gegeven in het landschapsplan, maar in ieder geval in paragraaf 1.1 (beschrijving ontwerp met afbeelding 1.1), in paragraaf 2.3.3 Hoofdprincipes, met daarin een beschrijving van het landschapspark en een ontwerp (afbeelding 2.2) en in paragraaf 5.3.4 (met daarin een figuur van de groenstructuren (afbeelding 5.4). Daarnaast boden ook de bijlages bij de Toelichting hier inzicht in, namelijk in bijlage 2 (Stedenbouwkundig ontwerp), bijlage 11 (Motivatie kwaliteitsverbetering landschap) en via bijlage 25 (het Circulair Kwaliteitsplan) (CKP). Het CKP zit ook als bijlage 2 bij de regels. Ook werd in het Eindverslag inspraak en vooroverlegreacties, bijlage 7 bij de Toelichting, hierop ingegaan in paragraaf 3.6.6 met een figuur en uitgebreide toelichting. Er was in de stukken dus veel informatie opgenomen over de hoofdlijnen en ambities van de landschappelijke inpassing.
Op meerdere plekken is daarbij ook aangegeven dat de nadere uitwerking van het landschapsplan plaatsvindt met de omgeving. Die nadere uitwerking is dus in samenspraak met de omgeving uitgevoerd en verwerkt in het landschapsplan, dat als bijlage bij de regels van het vastgestelde bestemmingsplan is opgenomen. De in het ontwerpbestemmingsplan al opgenomen voorwaardelijke verplichting in artikel 5.4.2 (dat vergunningen voor de activiteit ‘bouwen’ na 3 jaar na het inwerking treden van het plan niet verleend worden als de landschappelijke inpassing niet is aangelegd), waarbij het landschappelijk inrichtingsplan nog ‘PM’ was, is in het vastgestelde bestemmingsplan hiermee ook compleet (nu in art. 5.2.6 en 5.4.13 terug te vinden). Dit biedt de omwonenden / omgeving ook de garantie dat de groene inrichting daadwerkelijk binnen afzienbare termijn wordt aangelegd. In het ontwerpbestemmingsplan was in artikel 5.4.2 ook een voorwaardelijke verplichting voor waterberging opgenomen, waarbij alleen het concrete bergingsgetal nog ‘PM’ was. In het vast te stellen bestemmingsplan is de voorwaardelijke verplichting gehandhaafd, op een andere plek in de regels (nu in artikel 5.2.8). Hierbij is de formulering van de regeling aangepast, namelijk dat minimaal 70 mm per m² verharding dient te worden geborgen.
Zo wordt aangesloten op de principes van het landschapsplan en de afspraken met het waterschap, en borgen we dat het plan in voldoende waterberging voorziet. Ontbreken voorwaardelijke verplichting groen en te ruime bouwmogelijkheden bestemming Groen Reclamanten stellen (in de tweede standaard zienswijze) dat het niet zeker is dat het beoogde groen ook echt in de bestemming Groen wordt gerealiseerd. Daarnaast wordt bezwaar gemaakt tegen de ruime bouwmogelijkheden binnen deze bestemming. Met de voorwaardelijke verplichting zoals opgenomen in artikel 5.2.6 (voorheen 5.4.2) wordt geborgd dat binnen de bestemming Groen de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd. Het is juist dat in de bestemming Groen gebouwen mogelijk zijn van maximaal 30 m² met een maximale bouwhoogte van 3 meter. Daarnaast zijn er bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogelijk
26
tot maximaal 25 m² met een maximale bouwhoogte van 3 meter; tot slot ook bouwwerken voor lichtmasten en kunstwerken tot 6 meter hoog en erf -en terreinafscheidingen tot 2 meter hoog. Deze bouwmogelijkheden zijn onder meer nodig voor het mogelijk toestaan van bouwwerken van algemeen nut in deze zone. Deze mogelijkheden handhaven we dan ook in het vast te stellen bestemmingsplan. Wel is naar aanleiding van deze zienswijzen de volgende wijziging doorgevoerd: • Verwijdering van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – circulaire energievoorzieningen’ met bijbehorende bouwmogelijkheden. • Toevoeging binnenplanse afwijking voor toestaan van een groter oppervlak dan 25 m² / 30 m² tot maximaal 100 m² en een bouwhoogte van maximaal 4 meter (art. 7.3, a). Met de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – circulaire energievoorzieningen’ werden in het ontwerpbestemmingsplan voorzieningen voor circulaire energie en/of waterzuivering toegestaan, op in totaal twee locaties van elk 300 m² en met bouwhoogte van 5 meter. Deze bouwmogelijkheden voor dergelijke voorzieningen van algemeen nut worden bij nader inzien voor een groot deel al gemaakt door de bouwregels die al waren opgenomen in de bestemming Groen: gebouwen tot 30 m² en maximaal 3 meter hoog en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot 25 m², en maximaal 3 meter hoog.
Daarom is deze specifieke aanduiding voor circulaire energievoorzieningen van de verbeelding van het bestemmingsplan en uit de planregels van het bestemmingsplan verwijderd. In het geval toch een wat ruimer bouwvlak nodig zou zijn voor de genoemde nutsvoorzieningen, is daarnaast tegelijkertijd een specifieke afwijking van de bouwregels opgenomen, om van het maximum oppervlak van 25 m² en 30 m² af te wijken, tot maximaal 100 m² met een bouwhoogte van maximaal 4 meter. Onjuiste juridische formulering verplichting realisatie groen en water bedrijfspercelen Reclamanten vinden (in de tweede standaard zienswijze) dat de opgenomen verplichting om tenminste 10% van het bedrijfsperceel te benutten voor water en groen, een loze planregel is. Daarbij wordt gesteld dat de 10% regel niet bijdraagt aan het inpassen van een bedrijf ter p lekke. En ook de verwijzing naar een andere verordening van een andere gemeente (dan Bernheze) zou niet deugen. De planregel met de verplichting om tenminste 10% van de totale oppervlakte van het bedrijfsperceel met natuurlijk-groen- en/of watervoorzieningen in te richten, is geen loze regel, omdat deze gekoppeld is aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen. Dat betekent dat die omgevingsvergunning alleen verleend wordt indien uit de aanvraag blijkt dat aan de 10% regel wordt voldaan.
Overigens is deze planregel in beperkte mate (ambtshalve) aangepast. De regeling is in het vast te stellen bestemmingsplan te vinden in artikel 5.2.10. Hierin is nu geregeld dat bij de aanvraag omgevingsvergunning een inrichtingsplan moet worden overlegd, waaruit blijkt dat zowel het bedrijfsperceel als het voorterrein van het bedrijfsterrein moeten worden ingericht met voldoende natuurlijke groen/blauwe voorzieningen. De nadere invulling van die norm is omschreven in het Circulair kwaliteitsplan. In het Circulair kwaliteitsplan is opgenomen dat dit 20% van het voorterrein moet zijn, en 20% van het bedrijfsperceel moet zijn (waarbij dit laatste percentage berekend dient te worden aan de hand van de Berekeningswijze Groenscore). Deze verplichting draagt wel degelijk bij aan de inpassing in de omgeving. Daarnaast is een aantal planregels opgenomen om ervoor te zorgen dat bedrijven voldoende ingepast in de omgeving worden. Dit gaat om planregels wat betreft hoogte, afstand tot perceelsgrenzen, uitstraling, duurzaamheid etc.
27
De van toepassing verklaring van het ‘groen-blauw beleid’ op grondgebied van gemeente Bernheze was in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen om voor het terrein een eenduidig beleidskader te hebben, specifiek als het gaat om de 10% regeling. Met de optimalisatie van de regeling voor verplichte inrichting van een bedrijfsperceel met voldoende groen / blauw, zoals hierboven beschreven, is het niet meer nodig dat deze regel gehandhaafd blijft. Daarom is ambtshalve de planregel verwijderd. Parkeerplaatsen in landschapspark Veel reclamanten verzoeken (in de tweede standaard zienswijze) om slechts een gering aantal parkeerplaatsen in de landschapszone te realiseren, vanwege de aanzuigende werking van die parkeerplaatsen. Reclamanten vragen de parkeerplaatsen niet aan de randen te realiseren. Er wordt in het landschapspark geen ruimte geboden aan een centrale parkeervoorziening en er worden ook geen parkeerplaatsen aangelegd. Wel zullen met name wandelaars in het gebied, op sommige momenten wel hun auto ergens in het gebied willen parkeren. Dit zal dan in de berm of op de weg kunnen. Mede naar aanleiding van de zienswijzen hierop, is artikel 7.1, e en 7.1, g aangepast, zodanig dat er alleen ondergeschikte parkeervoorzieningen toegestaan zijn. Geluidswal Reclamanten vragen om het aanleggen van geluidswallen in het landschapspark, om zo geluid vanaf het bedrijventerrein tegen te houden.
Wij hebben begrip voor de wensen van reclamanten voor de realisatie van geluidswal(len). Uit het akoestisch onderzoek blijkt echter niet dat deze nodig is om te voldoen aan de geluidsnormen. Termijn te lang Reclamanten zijn (zo blijkt uit de tweede standaard zienswijze) het niet eens met de verplichting om pas vanaf 3 jaar na het onherroepelijk worden van het plan, de landschappelijke inpassing te realiseren, als op dat moment een aanvraag omgevingsvergunning wordt gedaan. Reclamanten verzoeken dit om ook te koppelen aan de vergunningen die daarvoor worden aangevraagd. Wij begrijpen de zorg van reclamanten. We benadrukken dat de realisatie van het landschapspark onlosmakelijk is verbonden met de realisatie van het bedrijventerrein. Het landschapspark is integraal onderdeel van het te realiseren plan. Het voorbereiden, aanbesteden en (rekening houdende met bijvoorbeeld planseizoen) realiseren van het landschapspark kost echter tijd en deze termijn van 3 jaar is mogelijkerwijs nodig voor de realisatie van het park. Daarom kan de verplichting niet al worden gekoppeld aan uitgifte van de eerste omgevingsvergunningen voor de bouw. Dit brengt teveel beperkingen en uitvoeringsrisico’s met zich. Met de voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke inpassing (art. 5.2.6) borgen we een goede en voortvarende landschappelijke inpassing.
Met het landschapsplan worden oostelijke en zuidelijke overgangszones voorzien (versterkt en verbreed ten opzichte van het plan bij het ontwerpbestemmingsplan), waardoor zeer robuuste groene buffers ontstaan. Daarnaast is bij de nadere uitwerking van de nieuwe wegverbinding tussen Koksteeg en Weerscheut, in het landschapsplan de weg verder van de waardevolle Ruitersdam af komen te liggen. Daarnaast is een in tijd meer restrictieve planning regelen via het bestemmingsplan niet passend. Bijvoorbeeld zullen in de eerste ontwikkeljaren ook 28
nog geen gronduitgiften plaatsvinden in het zuidelijke deel van het plangebied, nabij de landschappelijke inpassing. Daarbij merken we op dat de ter plaatse van de zuidelijke bedrijfskavels nog aanwezige houtwal ook zoveel wordt gehandhaafd. Het is het plan om de landschappelijke inpassing, en dan in het bijzonder de groene buffers aan de oost -en zuidzijde, echter zo snel als mogelijk en realistisch is aan te leggen na het onherroepelijk worden van het plan. Het planvoornemen is om de genoemde buffers als eerste van het landschapsplan te realiseren. Met de opgenomen verplichting is er een voldoende harde, juridische borging voor het realiseren van de vereiste landschapsinrichting. Advies commissie MER Reclamanten stellen in de tweede standaard zienswijze ook dat niet is meegegaan met het advies van de Commissie MER op het punt van de landschapsinrichting. De Commissie MER heeft vlak voor de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan, conform afspraak met de omgeving, een aanvullend toetsingsadvies gestuurd. Hierin wordt ook ingegaan op het landschapsplan met een aantal aanbevelingen. Er wordt concreet ingespeeld op de ecologische potenties van de Peelrandbreuk. Het landschapspark is een overgangszone die aanwezige landschapsstructuren versterkt en tegelijkertijd een robuuste afscherming ter afronding van het bedrijventerrein biedt.
Het landschapsplan gaat in op de bijzondere omgeving en geomorfologische situatie. De houtwallenstructuren en padenstructuren uit de omgeving worden doorgetrokken in het landschap van Heesch West. Door middel van een gedetailleerd waterontwerp worden potenties van wijst en kwelwater voor natuurontwikkeling en educatie onderkend en benut. Ook de identiteit van het begrip ‘circulair landschapspark’ is verder geconcretiseerd. De nadere uitwerking van het landschapsplan geeft gelet hierop zorgvuldig uitwerking aan de aanbevelingen van de Commissie m.e.r. Circulair Kwaliteitsplan niet in lijn met verbeelding (tevens: inspraakreactie op beleidsregels) Reclamanten stellen in de eerste standaard zienswijze verder dat het Circulair Kwaliteitsplan niet in overeenstemming is met de verbeelding en bijbehorende planregels van het bestemmingsplan. Daarom moeten vraagtekens worden gezet bij de waarde van deze beleidsregel. Dit onderdeel van de zienswijze betreft tevens een inspraakreactie op de concept beleidsregel. Het Circulair Kwaliteitsplan (CKP) was grotendeels in overeenstemming met de verbeelding en planregels van het bestemmingsplan. Er is een beperkt aantal wijzigingen (mede naar aanleiding van de wijzigingen in het landschapsplan) doorgevoerd in het CKP en de planregels.
Hoofdzakelijk om de aangepaste keuzes in het landschapsplan te verwerken, maar ook in beperkte mate om het CKP en het bestemmingsplan nog beter op elkaar te laten sluiten. Mede naar aanleiding van de inspraakreacties / zienswijzen, zijn de beschrijvingen over representatieve en hoogwaardige zijden in het CKP verder uitgewerkt (in hoofdstuk 4). Zo is er een kaartje opgenomen en zijn beschrijvingen aangepast / uitgebreid. Op basis daarvan zijn de planregels in artikel 5.2.1 t/m 5.2.4 ook op diverse plekken aangepast, waarbij enkele belangrijke uitgangspunten uit het CKP direct zijn overgenomen en daarnaast op diverse plekken wordt verwezen naar het CKP .
29
Daarnaast is er (ambtshalve) voor gekozen om het CKP niet meer als bijlage bij de planregels te voegen, aangezien het als beleidsregel wordt vastgesteld. Het CKP zit wel als bijlage bij de Toelichting en wordt dus als beleidsregel vastgesteld. Overige inhoudelijke bezwaren landschapspark Reclamanten stellen in de tweede standaard zienswijze een aantal zaken aan de orde waar zij zorgen over hebben als het gaat om de vormgeving van het landschapspark. Dit gaat om de volgende aspecten: •
onvoldoende robuuste buffer / onvoldoende inpassing Reclamanten stellen in de tweede standaard zienswijze dat de landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein onvoldoende is, in het bijzonder voor wat betreft de oostzijde als zuidzijde van het plangebied. Er wordt in het plan onvoldoende voorzien in een robuuste groene buffer. Specifiek wordt daarbij aangegeven dat de situering van een breed groen "eiland" midden in het bedrijventerrein een onjuiste keuze is; dit groen had juist aan de randen een extra af scherming kunnen bieden tussen bedrijventerrein en omgeving.
•
nieuwe verbinding Koksteeg – Weerscheut Een aantal reclamanten verzoekt in de tweede standaard zienswijze om de nieuwe verbindingsweg tussen de Weerscheut en de Koksteeg zo noordelijk mogelijk te leggen. Dit om zo de effecten op het landschapspark en de Ruitersdam te beperken, die een af schermende functie hebben.
•
horecafunctie in bestemming Gemengd (Koksteeg) en recreatieve functies Reclamanten zijn (in de tweede standaard zienswijze) bevreesd voor een aantrekkende werking van het landschapsplan door de nieuwe horecabestemming aan de Koksteeg, in combinatie met mogelijke recreatieve functies in het park.
•
bedrijfsbestemmingen Zoggelsestraat en Koksteeg Reclamanten stellen in de tweede standaard zienswijze dat zij vrezen voor een negatief effect door de wijziging van het planologisch kader van de bestaande kavels aan de Zoggelestraat en de Koksteeg. Ook draagt dit niet bij aan een goede inpassing, stellen zij.
•
zonnepark Aan de zuidwestzijde is volgens reclamanten wel een robuuste groene zone aanwezig. Echter, hier is het planvoornemen om een zonnepark te realiseren. Ontwikk eling van zonneparken in deze zone gaat volgens reclamanten ten koste van een prettige leefomgeving en de natuurwaarden. De omwonenden moeten door de groenzone juist afgeschermd worden van het terrein, niet nog meer belast worden met onnatuurlijke objecten en negatieve effecten binnen deze zone, aldus reclamanten. Het verzoek is dus het zonnepark te schrappen uit het plan.
We zullen onderstaand ingaan op de belangrijkste wijzigingen die mede naar aanleiding van deze zienswijzen zijn doorgevoerd in het landschapsplan. Uitwerkingen in Landschapsplan In het stedenbouwkundig plan, voorjaar 2021, en het ontwerpbestemmingsplan werden de ideeën en denkbeelden die op dat moment, dus voorafgaand aan de omgevingsdialoog, bestonden, opgenomen. Zoals toen ook in informatiesessies is aangekondigd, is vanaf juni 2021 door de 30
Gemeenschappelijke Regeling samen met de omgeving gewerkt aan de verdere uitwerking van de landschappelijke inpassing. Zie ook de paragraaf hiervoor, ‘Landschapsplan nog niet uitgewerkt en ontbreekt bij de regels’. Naar aanleiding van de waardevolle inbreng die is opgehaald en naar aanleiding van de ingediende zienswijzen zoals in deze paragraaf beschreven, heeft het landschapsarchitectenbureau een verdere uitwerking ontworpen. Het ontwerpvoorstel is in oktober 2021 met de omgeving besproken. Op basis daarvan zijn de planwijzigingen verwerkt in het definitieve landschapsplan en in het vast te stellen bestemmingsplan. Een belangrijke wijziging is dat fase 2 van het bedrijventerrein (het zuidelijk deelgebied) aanzienlijk naar het noorden ‘indeukt’. Daardoor is de groene centrale zone tussen fase 1 en 2 van het bedrijventerrein smaller geworden, en is er meer groene ruimte aan de zuidzijde. Ook aan de oostzijde van het terrein is nu meer groene ruimte voorzien. Zo zijn er stevigere en bredere groenzones opgenomen tussen het nieuwe zonnepark Achterste Groes en het bedrijventerrein (oostzijde), is de groenzone vanaf de Zoggelsestraat tot aan de 2e fase van het bedrijventerrein in aanzienlijke mate vergroot (zuidzijde) en is een extra groenbuffer opgenomen direct aangrenzend aan de noordzijde van de Ruitersdam (zuidzijde).
In onderstaand figuur zijn de belangrijkste wijzigingen opgenomen.
Figuur 1 31
Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de zienswijzen dat de groene buffers robuuster dienden te worden ingericht. Samen met de nadere beeldkwaliteitseisen voor de kavels aan de Zoggelestraat, wordt bovendien de inpassing verder gewaarborgd. Ook is ervoor gekozen om, ten opzichte van de vorige planopzet, drie bestaande woningen rondom het kruispunt Zoggelsestraat / Koksteeg niet te behouden (Koksteeg 22, 23 en 24). Hier komt meer ruimte voor groen en een goede aansluiting van de nieuwe verbindingsweg tussen de Koksteeg en de Weerscheut. De boerderij op perceel Koksteeg 14A-B wordt, ten opzichte van de vorige planopzet, nu juist wel behouden. Op dit perceel en op Koksteeg 18 wordt ruimte geboden voor maximaal 1 kleinschalige horecavoorziening en is daarnaast ruimte voor een invulling als bijvoorbeeld vergader/kantoorlocatie of informatiecentrum. De bestaande boerderijen blijven behouden deels vanuit cultuurhistorisch en circulair oogpunt maar ook vanuit de aanwezigheid van vleermuizen en andere vogels. Bij herontwikkeling tot de nieuwe functie is behoud van cultuurhistorie en natuur-inclusiviteit het uitgangspunt. Het was altijd al de intentie om slechts een kleinschalige horecavoorziening mogelijk te maken, maar dit is nu ook juridisch nader geborgd in de planregels. De te behouden percelen aan de Koksteeg worden in het ontwerp voor auto’s nu ontsloten vanuit het bedrijventerrein.
De drie bestaande kavels aan de Zoggelsestraat zijn gehandhaafd in het landschapsplan. Hier wijzigt het planologisch kader ten opzichte van het nu geldende plan om zo milieucategorie 1-2 bedrijven op deze percelen mogelijk te maken met de daarbij gebruikelijke bouwmogelijkheden, inclusief bedrijfswoning. Voor deze zo in te passen bestaande percelen worden in het landschapsplan – en in vervolg daarop ook in het bestemmingsplan (art. 4.2.2) nadere eisen gesteld aan de beeldkwaliteit. Deze percelen ontsluiten op de Zoggelsestraat (zie ook thema Mobiliteit). Die beeldkwaliteitseisen voor deze percelen zijn in hoofdstuk 5 van het Landschapsplan beschreven.
Voor het overzicht benoemen we hieronder concreet de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan en zie ook bovenstaand figuur: Bestemming in Bestemming in vast te stellen ontwerpbestemmingsplan bestemmingsplan Koksteeg 14A-B Groen Gemengd* Koksteeg 18 Gemengd Gemengd* Koksteeg 22 Bedrijf Adres vervalt, bestemming Groen Koksteeg 24 Bedrijf Adres vervalt, bestemming Groen Koksteeg 23 Bedrijf Adres vervalt, bestemming Groen Zoggelsestraat 122 Bedrijf Bedrijf Zoggelsestraat 120 Bedrijf Bedrijf Zoggelsestraat 118 Bedrijf Bedrijf Tabel 1: Overzicht wijzigingen bestemmingen kavels Zoggelsestraat en Koksteeg van ontwerpbestemmingsplan naar vast te stellen bestemmingsplan *Hoewel aan het perceel Koksteeg 14AB een bestemming Gemengd wordt toegevoegd, is daarbij tevens in de planregels opgenomen dat er slechts 1 horecavoorziening mag komen op ofwel Koksteeg 14AB, ofwel Koksteeg 18. Ook is daarbij opgenomen dat dit uitsluitend een kleinschalige horecavoorziening mag zijn, met een
32
maximale omvang van 300 m2 b.v.o., uit horeca-categorie 2 of 3. De overige kavels aan de Koksteeg 22 t/m 24 vervallen ten gunste van de kwaliteit van het landschapsontwerp ter plaatse.
Met deze aanpassingen wordt tegemoet gekomen aan de zorgen op dit punt: (1) de mogelijkheden voor de kleinschalige horecafunctie (één vestiging) zijn nu ook juridisch geborgd (2) drie kavels bij kruispunt Koksteeg / Zoggelsestraat zijn vervallen. (3) ook zijn nadere beeldkwaliteitseisen opgesteld voor de kavels aan de Zoggelsestraat, om zo een optimale inpassing voor de kavels te verzorgen. Onder thema Woon -en leefklimaat wordt verder ingegaan op eventuele invloed op de omgeving door de twee gemengde bestemmingen aan de Koksteeg en bedrijfsbestemmingen aan de Zoggelsestraat. Reclamanten vreesden ook voor een intensieve recreatiefunctie van de plas die gepland was in het landschapspark. Deze plas is verwijderd uit het plan, er komt slechts een natuurpoel. Er wordt dan ook geen recreatieve functie op een plas mogelijk gemaakt. Daarmee vertrouwen we erop dit bezwaarpunt te hebben weggenomen. Wel willen we juist bevorderen dat in de nieuwe situatie het gebied wordt gebruikt als extensief recreatief gebied; dat wil zeggen, door wandelaars en fietsers. Voor de nieuwe weg tussen de Koksteeg en de Weerscheut was in het ontwerpbestemmingsplan een zoekgebied opgenomen tussen het nieuwe bedrijventerrein aan de noordzijde en de bestaande weg de Ruitersdam. In het landschapsplan is de ligging van de nieuwe weg nader bepaald, zoals weergegeven in bovenstaand figuur 1.
De ligging is bepaald aan de hand van een goede landschappelijke inpassing en de zorgen van de omgeving (positioneer de weg zo ver mogelijk af van de Ruitersdam). Het eerste deel van de nieuwe weg ligt zo ver als mogelijk ten noorden van de Ruitersdam. Het tweede deel, nabij de aansluiting op Koksteeg / Zoggelsestraat, ligt enigszins dichter bij de Ruitersdam. Zo wordt de kwaliteit van het parkgebied vanuit alle richtingen optimaal te ervaren. De houtwalstructuur langs de bestaande Ruitersdam wordt fors breder. Er is een nieuwe 30 meter brede houtwal aan de noordzijde van de bestaande Ruitersdam gepland met daartussen een 15 meter brede vleermuiscorridor. Het ontwerp versterkt zo de Ruitersdam in plaats van dat het daar afbreuk aan doet. Met de keuze voor de ligging van de nieuwe weg wordt dus tegemoet gekomen aan de zorgen uit de zienswijzen. Op de verbeelding van het bestemmingsplan is de afbakening van het zoekgebied voor deze nieuwe wegverbinding, in navolging hierop, ook nader bepaald. Dit houdt concreet in dat de aanduiding voor het zoekgebied met name voor het eerste deel vanaf de Weerscheut ingeperkt is. In de Lijst van wijzigingen is een uitsnede van de verbeelding van het vast te stellen bestemmingsplan opgenomen. In de planopzet van het ontwerpbestemmingsplan en het daarin opgenomen landschapsplan was sprake van een drijvend zonnepark.
In het definitieve landschapsplan is gekozen voor een grondgebonden zonnepark op land, en dus niet op water. De energieopgave is zo onverminderd ingevuld, terwijl de zorg van wateroverlast op nabije agrarische percelen zo wordt weggenomen. Tegelijkertijd voorziet het plan elders in voldoende infiltratie en bergingsmogelijkheden voor hemelwater.
33
In afwijking van de wens van sommige reclamanten is het inpassen van een zonnepark gehandhaafd. Vanuit de ambities van een duurzaam bedrijventerrein en de bijdrage aan de energieopgave wordt dit planonderdeel behouden maar dus anders uitgewerkt. We streven naar een compact zonnepark dat opgaat in het landschap en tevens bijdraagt aan de biodiversiteit. In het landschapsplan is hiervoor een voorstel gedaan. Dit wordt in vervolgtrajecten nog nader uitgewerkt op technische- en beheers aspecten en geschiedt buiten het bestemmingsplan om. Om de landschappelijke inpassing van het zonnepark verder juridisch te borgen, is bovendien ook een specifieke voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke inpassing van het zonnepark opgenomen in artikel 15.4.2 van de planregels van het vast te stellen bestemmingsplan. De landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein was in het ontwerpbestemmingsplan geborgd via de al opgenomen verplichting in artikel 5.4.2 van de planregels. Deze was echter gekoppeld aan de realisatie van het bedrijventerrein, niet aan het zonnepark. Naar aanleiding van de zienswijzen, is er daarom voor gekozen om de voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke inpassing ook te koppelen aan de realisatie van het zonnepark.
Daarnaast is op de verbeelding van het vast te stellen bestemmingsplan de afbakening van de dubbelbestemming voor dit zonnepark, in navolging hierop, ook nader bepaald (aan de zuidzijde is deze verkleind, in verband met de realisatie van de houtwal langs de Ruitersdam). In de Lijst van wijzigingen is een uitsnede van de verbeelding van het vast te stellen bestemmingsplan opgenomen. Bij de thema’s Duurzaamheid, Natuur en Licht wordt verder ingegaan op de overige bezwaren die op het zonnepark zijn ingebracht. 2.4.2
Algemene inpassing en ruimtelijke kwaliteit
Bouwhoogten te hoog Een aantal reclamanten stelt dat de beoogde bouwhoogten tot 30 meter en met een afwijking naar 35 meter (veel) te hoog zijn. Bij deze bouwhoogten is een goede landschappelijke inpassing volgens reclamanten onmogelijk. We hebben begrip voor de zorg die vanuit de bewoners leven ten aanzien van de geplande bouwhoogten op het bedrijventerrein. In het vast te stellen bestemmingsplan zijn deze hoogten echter wel gehandhaafd, omdat we menen dat dit zorgvuldig wordt opgebouwd en bijdraagt aan efficiënt ruimtegebruik. Dit zullen we hieronder toelichten. Allereerst hebben we voor de duidelijkheid een figuur opgenomen waarin zichtbaar wordt welke hoogtes in welk deel van het plangebied worden toegestaan. Dit onderstaande figuur is een verduidelijkende visualisatie van de (juridisch geldende) verbeelding van het bestemmingsplan.
34
Figuur 2 Beschrijving toegestane hoogtes in relatie tot inpassing De in het plan toegestane bouwhoogtes lopen globaal uiteen van 20 tot 25 meter, en een accent naar 30 meter. Deze hoogten zijn heel gebruikelijk voor een bedrijventerrein als deze. Ze zijn ook nodig voor het functioneren van het bedrijventerrein met dit grootschalige karakter. De hoogte van de gebouwen is opgebouwd met het oog op de landschappelijke inpassing. De hoogte is lager aan de randen en wordt hoger naar het midden toe. De hoogtes sluiten aan op de verwachte en gewenste type bedrijvigheid in de zone: in het midden van het terrein wordt ingezet op hoofdzakelijke logistieke bedrijven en voor de randzones meer op bedrijven die zichtlocaties willen hebben en/of andersoortige bedrijvigheid. De maximale bouwhoogten voor bedrijfsgebouwen in de west, zuid -en oostrand zijn lager, namelijk maximaal 20 meter. In de westelijke zone zit daarbij op een klein deel een mogelijkheid te bouwen tot 30 meter hoog (zie figuur). Ook is in deze westelijke zone een mogelijkheid om via een afwijkingsprocedure een hoogte mogelijk te maken van 35 meter voor bedrijfsondersteunende installaties, op minimaal 50 meter afstand van de parkzone.
De bouwhoogte van de kleine bedrijfsgebouwen met een bedrijfswoning aan de Zoggelsestraat, ten zuiden van het bedrijventerrein, (niet weergegeven op bovenstaand figuur), is maximaal 11 meter nokhoogte (inclusief kap). De hoogte aan de randen van het bedrijventerrein is afgestemd op de hoogte van bomen in de groenstructuren langs het bedrijventerrein. Zo zal, bij volwassen bomen, de bedrijfsbebouwing naar verwachting voor een aanzienlijk deel achter de bomen wegvallen. Het klopt dat dit bij nieuw geplante 35
bomen nog niet direct het geval is. Vanuit veel gezichtspunten in de omgeving zal overigens, ook als het landschapspark en met name de afzomende groene randen nog niet zijn volgroeid, al spoedig een effectieve visuele inpassing aan de orde zijn. Onder meer aan de zuidzijde worden verder zoveel mogelijk reeds bestaande bomen behouden. Naar het midden toe wordt de maximale bouwhoogte 25 meter. In dit deel is per bedrijf ook één hoogteaccent van 30 meter hoog toegestaan en waarvan de gevellengte (aan alle zijden) niet meer mag bedragen dan 20 meter (niet zichtbaar op het figuur, maar wel juridisch mogelijk). In dit deel is tot slot ook via een afwijkingsprocedure een hoogte mogelijk van 35 meter voor bedrijfsondersteunende installaties. Omdat de (hogere) bebouwing in deze middenzone verder weg staat van de omgeving, valt dit in perspectief vanuit de omliggende omgeving grotendeels weg achter de andere bebouwing en bomen. Het grote landschapspark op en rond het bedrijventerrein heeft ook als functie om de bebouwing grotendeels aan het zicht te onttrekken van de omgeving. Het landschap ter plaatse is overigens door de ruilverkavelingen die in het verleden hebben plaatsgevonden grootschaliger van karakter geworden. Grote blokvormige percelen en lange rechte bomenrijen en singels hebben het landschap een grootschaliger karakter gegeven.
De geplande bouwhoogten sluiten aan bij dit grootschalige karakter en worden met de houtwalstructuren in de landschappelijke inpassing robuust ingepast. Nadere toelichting en motivering bouwhoogten hoger dan 25 meter De mogelijkheden voor hogere bouwhoogten dan 25 meter hoogte in het plan zijn dus beperkt, dit wordt hieronder verder toegelicht. Het toegestane hoogteaccent in de noordwestelijke punt van maximaal 30 meter valt niet weg achter de bomen en zal zichtbaar zijn. Hier is bewust voor gekozen. Het bedrijventerrein heeft één markant hoogteaccent, zodat het terrein herkenbaar is, met name bezien vanaf de A59. Dit hoogteaccent ligt op minimaal 250 meter afstand van de dichtstbijzijnde woning. In het middengebied van het bedrijventerrein mag dus maximaal één hoogteaccent komen per bedrijf van maximaal 30 meter hoog waarvan de gevellengte maximaal 20 meter bedraagt. Dus de impact van het hoogteaccent wordt zoveel mogelijk beperkt door eisen te stellen aan de omvang en de locatie waar deze hoogte geldt. Door het alleen midden op het terrein toe te staan en de gevellengte te beperken is de impact zo beperkt mogelijk gezien vanuit de omgeving. Omdat de (hogere) bebouwing in deze zone verder weg staat van de omgeving, valt deze bovendien grotendeels weg achter de andere bebouwing en bomen (zie beschrijving hierboven).
De geplande bouwhoogten sluiten aan bij dit grootschalige karakter. Met een afwijking van de bouwregels kunnen, onder voorwaarden, tevens bedrijfsondersteunende installaties in het westelijk en middendeel gebouwd worden met een maximale bouwhoogte van 35 meter, op minimaal 50 meter afstand van de parkzone. Doordat dit geen gebouwen mogen zijn, en alleen onder voorwaarden kunnen worden toegestaan, is de impact hiervan beperkt. Een dergelijk bouwwerk kan alleen na een nadere afweging worden vergund. In de afwijkingsprocedure moet expliciet worden getoetst op de landschappelijke inpassing, zoals in de voorwaarde in artikel 5.3.1, a is aangegeven.
36
Conclusie bouwhoogten Met de beschreven hoogte-indeling, is beoogd om de zones aan de randen te laten aflopen in het kader van inpassing van het bedrijventerrein in het landschap en het beperken van de impact op de omgeving. De hoogte aan de randen van het terrein wordt gebufferd door de opgaande bomen in de groenstructuren langs het bedrijventerrein. Zo valt, bij volwassen bomen, de bedrijfsbebouwing grotendeels achter de bomen. Omdat de hogere bebouwing in de middenzone verder weg staat van de omgeving, valt deze grotendeels weg achter de andere bebouwing en bomen. Dat komt door de werking van het perspectief. De geplande bouwhoogten sluiten aan bij dit grootschalige karakter. Voor de verdere motivering van de landschappelijke inpassing van de genoemde bouwhoogten, verwijzen we naar de beschrijving in de hieronder opgenomen paragraaf Landschappelijke inpassing en wijziging uitzicht, naar paragraaf 2.4.1 Landschapspark en naar het Landschapsplan (bijlage 4 bij de regels). Landmark Het aansluitende halfopen buitengebied aan de overzijde van de Weerscheut leent zich volgens reclamanten niet voor inpassing van een landmark, in het noordwestelijk deel van het terrein. De ‘landmark’ (hoogteaccent van maximaal 30 meter hoogte in het noordwestelijk deel) richt zich op de autosnelweg om de herkenbaarheid van het bedrijventerrein te vergroten.
De zichtlocatie vormt het visitekaartje van het bedrijventerrein. De bebouwing benadrukt het duurzame karakter van het bedrijventerrein. Omdat hier sprake is van een zichtlocatie is het ook niet de bedoeling dat de bebouwing gecamoufleerd wordt. Onduidelijke planregels hoogteaccenten Reclamanten geven aan dat de planregels wat betreft het zogenaamde hoogteaccent niet duidelijk zijn. Het is onduidelijk wat een ‘hoogteaccent’ precies behelst. Het begrip 'hoogteaccent' is inderdaad opgenomen in artikel 5.2.3. Wat de reikwijdte of omvang is van het hoogteaccent, is daarbij wel degelijk ook aangegeven: maximaal tot 30 meter hoog, maximaal 1 bedrijf, en alle gevels van zo'n hoogteaccent mogen maximaal 20 meter lang zijn. Overigens geldt deze bepaling uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'Specifieke vorm van bedrijventerrein - 2', dat betreft het middengebied van het terrein. Daarnaast is ook een mogelijkheid tot het bouwen tot 30 meter opgenomen in de noordwesthoek van het terrein. Landschappelijke inpassing en wijziging uitzicht In de eerste standaard zienswijze die is ingediend door veel reclamanten wordt aangegeven dat een stedelijke ontwikkeling van 160 voetbalvelden groot met grote distributiedozen van 20 tot 30 meter hoogte, niet passend is voor dit gebied. Een aantal reclamanten stelt daarnaast dat het plan een grote inbreuk zal hebben op hun leef omgeving.
Hun uitzicht en het landschap worden door de realisatie van het omvangrijke plan in het open agrarische landschap aangetast. Het huidige, landelijke karakter van het landschap met zijn rust en stilte verdwijnt met dit plan. In rap tempo worden in Nederland langs doorgaande wegen complexen voor logistieke bedrijven en andersoortige bedrijven gerealiseerd, ook wel ‘verdozing’ van het landschap genoemd. De ‘grote dozen’ van de logistieke bedrijven hebben volgens reclamanten een (zeer) negatieve invloed op de ruimtelijke kwaliteit en zijn een bedreiging voor het landschap rond Heesch. Hier moet dan ook een einde aan komen. 37
Wat betreft het uitzicht kunnen wij antwoorden dat het zeker zo is dat het landschap ter plekke ingrijpend wijzigt, waarmee ook het uitzicht voor met name de direct omwonenden verandert en deels weggenomen wordt. Het is een onvermijdelijk gevolg van de komst van het bedrijventerrein Heesch West. In de planvorming en landschappelijke inpassing is echter ingezet op het zoveel mogelijk beperken van aantasting van het uitzicht van direct omwonenden. Dit hebben we gedaan door het plan zo goed mogelijk in te passen, zoals hierboven beschreven, en door de bouwhoogten aan de randen minder hoog te laten zijn dan in de rest van het terrein. Zoals in het bovenstaande figuur 2 zichtbaar is, zijn in de randen maximale bouwhoogten van 20 meter toegestaan. Met de realisatie van het ruime landschapspark rondom de nieuwe gebouwen, wordt het uitzicht vriendelijker gemaakt en het plan op een goede manier ingepast. In de verdere uitwerking van het park met de omgeving, was dit ook een belangrijk aspect en is dat daarin meegenomen. De impact op het uitzicht voor de omwonenden die niet in de directe omgeving wonen, is overigens (zeer) beperkt. Verder merken we op dat volgens vaste rechtspraak, er geen recht is op blijvend vrij uitzicht voor omwonenden. Niettemin proberen we de aantasting van het uitzicht zoals gezegd zoveel mogelijk te beperken.
Mochten omwonenden zich toch te sterk benadeeld voelen of schade ondervinden wat betreft het uitzicht, is er de mogelijkheid om na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan, een verzoek om planschadevergoeding in te dienen bij de gemeente. Dit is mogelijk binnen maximaal 5 jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan (zie ook Thema Kost en en baten en planschade). Wat betreft het bezwaar dat de stedelijke ontwikkeling met ‘distributiedozen’ niet passend is in dit gebied en het landschap aantast (via onder meer ‘verdozing’), het volgende. Het is duidelijk dat dit gebied ingrijpend van karakter zal veranderen. Dit is onder meer ook beschreven in paragraaf 5.3.4 van de MER, kopje Landschap en biodiversiteit, pagina 89. Door de realisatie van Heesch West verandert het landschap. Het oorspronkelijke grootschalige halfopen tot open agrarische landschap verdwijnt en er komt een grootschalig werk- en energielandschap voor terug. Dat is het gevolg van de hoofdkeuze om in regionaal verband te komen tot een geconcentreerde ontwikkeling van 80 hectare voor in belangrijke mate grootschalige bedrijven. Dit is een zorgvuldig afgewogen keuze; de behoefte is zorgvuldig onderzocht en regionaal afgestemd, waarbij ook is nagegaan of de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Dit is niet het geval (zie thema Locatiekeuze en zorgvuldig ruimtegebruik).
De bedrijvenbehoefte en de ontwikkeling van bedrijventerrein zijn sterk regionaal bepaald. Derhalve wordt zorgvuldig bezien hoe met een regionale concentratie op Heesch West tot een zorgvuldige inpassing kan worden gekomen met daarbij aandacht voor bijvoorbeeld andere doelen zoals energie en klimaatadaptatie en ecologie integraal worden betrokken en in een zorgvuldige landschappelijke aanpak worden ingepast. De zorgvuldige afweging en aanpak is passend in de beheerste aanpak die het College van Rijksadviseurs bepleit tegen ongeremde verdozing van het landschap. De transformatie van het gebied naar een bedrijventerrein heeft gevolgen voor aspecten als groen, landschap, rust en stilte, dat is onvermijdelijk. Overigens zijn dit voor een ieder verschillende begrippen. Er is in het gebied op dit moment immers al een aanzienlijke geluidsbelasting van de snelweg, en is er vaak geen sprake van echte stilte of rust.
38
Heesch West heeft een zelfstandige positie met een eigen (boven) regionale identiteit. Het terrein ligt bewust niet aan de rand van een dorpskern of stad. Het is een nieuw werklandschap dat vrij ligt in het landschap. Dat biedt de kans om een sterk eigen, duurzaam karakter te creëren. Een bijkomend voordeel van deze vrije ligging is dat het bedrijventerrein relatief grote bedrijfskavels en hoge milieucategorieën kan aanbieden, in bestaand stedelijk gebied is dit niet mogelijk. Het terrein is georiënteerd op de snelweg A59. De groene randen rondom het bedrijventerrein vormen de contouren. Ze markeren de grenzen tussen het bedrijventerrein en de omgeving, zorgen voor inpassing in de omgeving en zorgen voor de nodige afstand tussen de omgeving en het bedrijventerrein, onder andere vanuit milieuoogpunt. Er wordt dan ook ingezet op nieuwe ruimtelijke kwaliteiten, die het beoogde bedrijventerreinprogramma zo goed als mogelijk combineert met inpassen van bestaande (groen)structuren en het versterken van biodiversiteit, recreatie, circulair bouwen en ontwikkelen, mobiliteit en landschappelijke inpassing. In het gebied wordt gestreefd naar een hoge ruimtelijke kwaliteit. Deze kwaliteit is vastgelegd in de uitgangspunten van het stedenbouwkundig plan, bestemmingsplan, landschapsplan en circulair kwaliteitsplan.
Het landschapspark vormt een stevig en robuust raamwerk waarbinnen de bedrijven worden geplaatst. Het landschapspark is 65 hectare groot. Dit is een zeer robuuste landschappelijke inpassing, met meerwaarde voor de biodiversiteit en nieuwe recreatieve mogelijkheden. Er worden diverse nieuwe fiets- en wandelpaden aangelegd die aansluiten op bestaande netwerken. Het landschappelijk raamwerk geeft een stevig kader en structuur mee aan het gebied. Daarbij wordt voortgeborduurd op bestaande landschappelijke elementen. Voorbeelden zijn de inpassing van de Raktstraat en de Koksteeg met bijbehorend groen, bestaande groenelementen verspreid over het terrein en bebouwing langs de Zoggelsestraat. In het landschapspark is gekozen voor doelsoorten (dieren) die van nature hier voorkomen en daaromheen wordt een systeem gemaakt (landschap) dat aansluit bij deze en andere doelsoorten. Zo ontstaat een sterk netwerk waarin de biodiversiteit enorm toeneemt. In het circulair kwaliteitsplan zijn de voorwaarden opgenomen om tot een representatieve (beeld)kwaliteit te komen. Daarbij is er veel aandacht voor landschappelijke inpassing, maar ook voor een representatieve uitstraling van het terrein en de gebouwen die zich op zichtbare locaties bevinden.
Onjuiste planregel over beeldkwaliteit (tevens: inspraakreactie op beleidsregels) In artikel 5.2.3 onder d en artikel 5.2.4 onder b van de planregels wordt geformuleerd dat bedrijfsgebouwen, bouwwerken en terreinen aan de voorkant en aan de Bosschebaan en Raktstraat een representatieve, hoogwaardige uitstraling moeten hebben, zoals bedoeld in het Circulair Kwaliteitsplan. Echter, in dat plan worden volgens reclamanten de termen alleen herhaald en verder niet omschreven. Maar alleen als het verder wordt omschreven, hebben de termen waarde. Bovendien moeten deze voorwaarden gelden aan alle zijden aan de buitenkant van het terrein, vinden reclamanten. Naar aanleiding van deze zienswijzen / inspraakreacties, is de beschrijving over representatieve en hoogwaardige bebouwing in het Circulair Kwaliteitsplan uitgebreid en aangepast (in hoofdstuk 4). Op basis van die beschrijving, zijn ook de planregels in artikel van het bestemmingsplan aangepast. Deze voorwaarden zijn nu uitsluitend te vinden in artikel 5.2.1.
39
Daarmee is tegemoet gekomen aan deze zorg. Deze voorwaarden gelden niet aan alle zijden van het terrein. Aan die zijde waar ze niet gelden, is dat niet nodig, omdat daar de robuuste landschapsinpassing wordt gerealiseerd. 2.5
Behoefte
In de eerste standaard zienswijze stellen veel reclamanten dat er geen noodzaak is voor dit industrieterrein. Ook stellen reclamanten in de tweede standaard zienswijze dat de geplande distributiecentra en datacenters in het plan niets toevoegen aan de regionale economie. Behoefte We verwijzen primair naar Hoofdstuk 4 van de Toelichting van het bestemmingsplan, “Ladder duurzame verstedelijking”. Hieruit blijkt de behoefte-onderbouwing voor het plan. We lichten dit hieronder toe. Het in het Masterplan Gebiedsontwikkeling Heesch West (september 2017, bijlage bij het bestemmingsplan) gedefinieerde vestigingsprofiel vormde de basis voor Heesch West en de regionale afstemming betreffende vraaggerichte ontwikkeling, gericht op overwegend grootschalige bedrijvigheid. Specifiek wat betreft de vraag voor hoge milieucategorieën (4 en 5) wordt in bijlage 1 van het Masterplan aangegeven: “Bij de zware milieucategorieën wordt te vaak eenzijdig gedacht aan recycling of zware procesinstallaties. Heesch West kan voor bedrijven uit de regio de opvanglocatie zijn voor bedrijven in deze zware milieucategorieën (p.45). Het is in ieder geval belangrijk dat op Heesch West op grote delen van het terrein de categorie 4.2 kan worden gehanteerd en dat in een deelgebied ook categorie 5 mogelijk is (p.46).“
Eventuele milieucategorie 4 -en 5-bedrijven op Heesch West moeten met hun activiteiten uiteraard ook passen binnen de kaders van het Masterplan Heesch West. Op basis van dit Masterplan, richt Heesch West zich deels op ruimtevragers uit de bouw- en logistieke sector, deels op ruimtevragers uit de circulaire economie en deels op regionale verplaatsers. In met name deze laatste twee categorieën zijn ruimtevragers denkbaar die (deels) categorie 4 en 5 activiteiten uitvoeren. Je kunt hierbij bijvoorbeeld denken aan het hergebruik van (bouw)materialen. Vraag en aanbod hebben zich sinds 2017 snel verder ontwikkeld. Er is een aanhoudend sterke regionale vraag die inmiddels regiobreed tot een urgente schaarste leidt. Naast werklocaties met een vergelijkbaar vestigingsprofiel is dit ook voor middelgrote bedrijven (kavels vanaf 5.000 m2) aan de orde. In het bestemmingsplan is op deze ontwikkeling ingespeeld met een licht aangepast vestigingsprofiel. Hiermee is de regiofocus van het regionaal bedrijventerrein verder aangescherpt. Het nader bepaalde vestigingsprofiel is overeenkomstig de werkwijze voor regionale programmering en vraaggericht ontwikkelen, mede op basis van een update van het regioaanbod per 1 januari 2021, zorgvuldig met de regio en de provincie afgestemd. Binnen bestaan stedelijk gebied kan niet meer in de behoefte van middelgrote en grote bedrijven worden voorzien.