CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Bijlage 8 bij de Toelichting Nota zienswijzen bestemmingsplan Heesch West en bestemmingsplan Facetplan geluidszone gezoneerd industrieterrein Heesch West

Gemeenteraad 1 februari 2022, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Heesch-West met bijbehorend bestemmingsplan Facetplan geluidszone gezoneerd industrieterrein Heesch West44.137 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

In het vergunningverleningstraject moet nu voor elk individueel bedrijf dat zich op het terrein vestigt, gekeken worden naar toepassing van beste beschikbare technieken (BBT). Door deze opzet wordt volgens reclamanten niet geborgd dat de geluidbelasting op onze woningen op een doelmatige manier wordt beperkt, hetgeen zich slecht verhoudt tot een goede ruimtelijke ordening. De grens van 55 dB(A) mag niet worden overschreden maar hier zit een uitzondering op indien dat 'redelijkerwijs niet kan worden verlangd'. Dat geeft onzekerheid. Reclamanten geven aan af hankelijk te zijn van de vergunningstrajecten. Het plan is op deze manier voor hen te globaal. Er wordt geen maatregel genomen om reclamanten tegen geluidhinder te beschermen. Het goede woon- en leefklimaat is volgens reclamanten onvoldoende geborgd. Reclamanten stellen verder onder meer dat er een verplichting tot vooroverleg in de planregels moet worden opgenomen en ref ereert daarbij aan de Omgevingswet. De vraag voor reclamanten is daarbij hoe wordt geborgd dat ondernemers bereid zijn te investeren in geluidreducerende behuizing voor de beoogde activiteiten op hun bedrijfsperceel. We hebben begrip voor de zorgen van reclamanten maar met het plan wordt juist gezorgd voor een goede bescherming tegen eventuele geluidshinder van het bedrijventerrein.

Allereerst is in het MER 2019 en de Aanvulling op de MER 2021 uitgegaan van een worst-case invulling van het bedrijventerrein en worst case effecteninschatting. Dit is gebaseerd op de maximale invulling van de 80 ha met de maximale oppervlaktes milieucategorieën, volgend uit de inwaartse zonering (VNG-methodiek). Deze inwaartse zonering conform de VNG-methodiek is een algemeen (door de Raad van State) geaccepteerde methodiek die een goede ruimtelijke ordening borgt (zie ook thema Milieucategorie). Het is op dit moment nog niet bekend welke bedrijven zich gaan vestigen op Heesch West. Daarom is, zoals gangbaar voor MER-ren voor bedrijventerreinen, aan de hand van het ontwerp en de milieuzonering een “representatief geachte maximale invulling en geluidemissie” aangehouden (ook conform vaste jurisprudentie). Deze maximale representatieve bedrijfssituatie is gebaseerd op een dag waarbij het bedrijf bij volledige capaciteit in werking is. In het algemeen zijn veel bedrijven niet dagelijks met hun volledige capaciteit in werking, maar de normstelling houdt wel rekening met deze mogelijkheid. Daarbij komt dat in de rekenmethodiek voor geluid rekening wordt gehouden met het feit dat geluid ’s avonds en ’s nachts hinderlijker wordt ervaren dan overdag De extra hinderlijkheid in deze periodes wordt in de berekening betrokken in avond (+5dB) en nacht 59

(+10dB). Verder is voor de geluidsberekeningen nog niet uitgegaan van afschermende werking van gebouwen, maar van een zogenaamde “vrije-veld situatie”, het huidige maaiveld. Uitgaan van afscherming van gebouwen kan ook nog niet omdat nog niet bekend is hoe kavels gevuld gaan worden. Maar dat hiermee geluidreductie van afscherming nog niet meegenomen is, is zeker. Deze maximale representatieve bedrijfssituatie is uitgangspunt geweest voor het ontwerp bestemmingsplan Facetplan geluidszone gezoneerd industrieterrein Heesch West. Met dit bestemmingsplan wordt de maximale geluidsbelasting van bedrijven op Heesch West geregeld en geborgd. Dit betekent concreet dat bedrijven een maximaal emissiebudget hebben per m 2. Zij mogen de gronden pas gebruiken als zij met een akoestisch onderzoek aantonen dat dat dit emissiebudget niet wordt overschreden. Dit is verzekerd in de planregels van het facetplan (artikel 3.2.1, c). Deze budgetten zijn zodanig opgezet, dat gewaarborgd is dat de geluidsbelasting van de bedrijven gezamenlijk buiten de geluidszone niet hoger is dan 50 dB(A). Binnen de geluidszone moet worden voldaan aan de verleende hogere waarden op gevoelige objecten (van maximaal 55 dB(A)). Reclamanten geven aan dat de grens van 55 dB op woningen kan worden overschreden, indien dat redelijkerwijs niet kan worden verlangd. Dit is dus onjuist.

De maximale geluidsbelasting op woningen in de zone is vastgesteld op 55 dB(A) (en buiten de zone maximaal 50 dB(A)). In het vergunningentraject wordt per bedrijf beoordeeld of de geluidsemissie past binnen de vastgestelde geluidszone en de vastgestelde hogere waarde voor industrielawaai. Omdat de geluidszone het industriegeluid is van alle bedrijven op het industrieterrein samen, komt bij de vergunningverlening ook de samenloop van de geluidsemissie van de bedrijven aan de orde. De geluidsbelasting van alle bedrijven moet zoals gezegd voldoen aan de geluidszone en de vastgestelde hogere waarde. Zoals reclamanten zelf al aangeven, moet ieder afzonderlijk bedrijf bovendien voldoen aan de regel van Best Beschikbare Technieken (BBT). Dit is de gebruikelijke manier van regeling voor bescherming tegen geluidhinder, waardoor in de nieuwe situatie sprake is van een aanvaardbaar woon -en leefklimaat in de omgeving. Wat betreft afschermende bron of overdrachtsmaatregelen. Er is in het akoestisch onderzoek beschouwd in hoeverre deze mogelijk zijn. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.2.6 van het akoestisch onderzoek. Die passage is hieronder opgenomen. De gevoeligheidsanalyse die hierin wordt benoemd, is beschreven in paragraaf 4.3.2. van het akoestisch rapport, "Effect bebouwing Heesch West op geluidbelasting t.g.v. industrielawaai”.

Voordat wordt overgegaan tot het vaststellen van de hogere waarden dient afgewogen te worden of er geen andere maatregelen aan de bron of in de overdracht kunnen worden getroffen. Door het toepassen van inwaartse zonering is reeds geborgd dat zwaardere bedrijven verder van gevoelige bebouwing gerealiseerd worden. Het creëren van een gezoneerd industrieterrein is eveneens een maatregel om de gecumuleerde geluidbelasting te borgen, waarbij gekozen is om geen hogere waarden boven de 55 dB(A) toe te staan. Bij toekomstige vergunningverlening zal getoetst worden of de Beste Beschikbare Technieken worden toegepast, waarmee bronmaatregelen redelijkerwijs getroffen worden. In de praktijk zal de afschermende bebouwing positief werken in de overdrachtssfeer, maar zoals nader toegelicht in de gevoeligheidsanalyse is deze niet op voorhand vast te leggen.

60

Daarnaast zijn voor wat betreft het wegverkeerslawaai berekeningen uitgevoerd in het kader van de aanleg van de Bosschebaan in paragraaf 4.2.3 van het akoestisch onderzoek. De (financiële) doelmatigheid is bepaald op grond van de ‘Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh’. Uit de beschrijving blijkt dat geluidsschermen hier niet doelmatig zijn. Dat deze schermen niet doelmatig zijn komt voort uit het feit dat het verkeer op de A59 een veel hogere geluidsbelasting veroorzaakt op die woningen dan het verkeer op de nieuw aan te leggen Bosschebaan. Verder vinden reclamanten dat in de planregels maatregelen ontbreken om geluidhinder te voorkomen. Zij noemen daarbij maatregelen als behuizingsmaatregelen of regels waarmee een open bedrijfsterrein wordt voorkomen, zo ver mogelijk van omwonenden af, en regels die juist verplichten die geluidmakende activiteiten in een gebouw te verrichten. Primair verwijzen we naar de voorgaande alinea. Bij het akoestisch onderzoek voor de vergunningverlening wordt ook de geluidsemissie beoordeeld die afstraalt van de gevels van de bedrijfspanden voor zover dat aan de orde is. Ook de activiteiten die in de bedrijfspanden plaatsvinden en een geluidimmissie veroorzaken op de zone of de woningen waarvoor een hogere waarde is vastgesteld moeten worden meegenomen in dat onderzoek. Op het terrein is voorzien in bedrijfsbebouwing.

Hoe en waar deze bedrijfsbebouwing wordt gepositioneerd is op dit moment nog niet duidelijk. Verwacht kan worden dat de bedrijfsgebouwen een geluidsafschermende werking zullen hebben. Dat 100% van alle geluidveroorzakende activiteiten onzichtbaar voor de omgeving zullen zijn, kan niet worden gegarandeerd. Reclamanten stellen verder dat het huidige ontwerp later problemen zal geven. Het hanteren van indicatieve afstanden van de VNG-brochure bieden reclamanten onvoldoende zekerheid. Individuele ondernemers zullen aansluiting zoeken bij de normen van het Activiteitenbesluit, waar borging voor omwonenden ontbreekt. De huidige planregels zijn voor reclamanten dan ook te symbolisch, omdat hier plichten voor het bevoegd gezag in ontbreken. Het hanteren van de VNG-methodiek is zoals beschreven, de geëigende methode en in overeenstemming met jurisprudentie. Het toepassen ervan borgt een goede ruimtelijke ordening. Ieder bedrijf dat zich vestigt op het industrieterrein moet individueel voldoen aan de grenswaarden die in het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn vastgelegd waaronder de geluidregels. De borging van de geluidsruimte voor alle bedrijven samen op het industrieterrein Heesch-West volgt uit de geluidszone en de vastgestelde hogere waarden voor de 19 bestaande woningen rond het industrieterrein.

Tot slot ontbreekt volgens reclamanten in de stukken het heersende referentieniveau, dat wil zeggen het niveau van het omgevingsgeluid waarin woningen zich nu bevinden. In artikel 2.19a Activiteitenbesluit milieubeheer wordt het heersende Lref als grenswaarde gezien welke niet mag worden overschreden, aldus reclamanten. In het plan wordt volgens reclamanten ook nergens aandacht besteed aan het f eit dat de aanleg van een bedrijventerrein als verhard oppervlak ter vervanging van geluiddempend 'agrarisch' bodemoppervlak sowieso al betekenis heeft waar het gaat om geluidstoename. Gesteld wordt dat het Lref zoals genoemd in artikel 2.19a van het Activiteitenbesluit beschouwd had moeten worden. Artikel 2.19a ziet echter op “inrichtingen die zijn gelegen in een concentratiegebied voor horeca-inrichtingen of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven, dat bij 61

of krachtens een verordening als zodanig is aangewezen”. Omdat binnen Heesch-West een andere categorie bedrijven wordt gerealiseerd is dit artikel niet van toepassing en is een toetsing aan het Lref niet aan de orde. Bovenstaande neemt niet weg dat in het akoestisch onderzoek de referentiesituatie en de plansituatie inzichtelijk zijn gemaakt. De referentiesituatie kan worden gelijkgesteld aan het Lref zodat impliciet wel een vergelijkbare werkwijze is gehanteerd. Op basis van deze vergelijking is de afweging om trent de aanvaardbaarheid gemaakt. In het MER is de autonome situatie vergeleken met de plansituatie. In de autonome situatie is het plangebied van Heesch West vrijwel volledig als akoestisch zacht gebied beschouwd. Alleen ter plaatse van de smalle watergangen, de bestaande wegen en een deel van de agrarische percelen is uitgegaan van een akoestisch hard gebied. In de plansituatie is voor de bedrijfsbestemming uitgegaan van een 100% akoestisch hard oppervlak. Buiten deze bedrijfspercelen is ook ten dele uitgegaan van akoestisch harde gebieden zoals bijvoorbeeld de waterpartij en de zonneparken. Reclamanten maken dan ook bezwaar tegen de toepassing van in hun ogen symboolplanregels uit het bestemmingsplan, die te vrijblijvend zijn. Daarmee wordt niet voldaan aan een goede ruimtelijke ordening.

Ook maken zij bezwaar tegen besluitvorming waarbij wordt aangesloten op de normering van het Activiteitenbesluit dan wel de VNG-methodiek omdat dat het goede woon- en leefklimaat onvoldoende borgt. Zoals hierboven gemotiveerd, biedt de planopzet met de geluidszone en bijbehorende planregels en vergunningstoetsen (c.q. toetsen aan Activiteitenbesluit) voldoende waarborgen en bescherming. En is de toegepaste VNG-methodiek in overeenstemming met vast jurisprudentie. Hierdoor kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon -en leefklimaat met het plan Heesch West. Conclusie Het plan voldoet gelet op bovenstaande beschrijvingen aan de geldende regels en normen. Op sommige plaatsen is de geluidsbelasting al relatief hoog, en deze wordt in sommige gevallen door het plan verhoogd. Toenames van geluidsbelasting worden zoveel mogelijk beperkt. Uit de onderzoeken blijkt dat de beschreven toenames op een aantal plaatsen niettemin hinder kunnen opleveren. Maar, gelet op de omvang van het aantal woningen en de hoogte van de toenames, zijn deze toenames aanvaardbaar. Daarnaast is op een aantal manieren geborgd dat het berekende geluideffect ook daadwerkelijk het maximale geluideffect is.

• Principe van inwaartse zonering in het bestemmingsplan: waarbij afstanden worden aangehouden tussen milieucategorieën en woningen, juist om wezenlijke toename van geluidbelasting te voorkomen en geluidhinder te beperken; • Worst-case berekening (zie hierboven); • Opnemen van eisen aan bedrijven in het bestemmingsplan en in het uitgiftebeleid; • Opnemen geluidzone voor industrielawaai: buiten de geluidzone mag de industriegeluidbelasting niet hoger zijn dan 50 dB(A) en ter plaatste van de gevel van geluidgevoelige objecten (woningen) binnen de geluidzone niet hoger dan de vast te stellen hogere waarde, variërend van 51 tot 55 dB(A). Aanvullend regelt separate wet- en regelgeving, zoals de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer, een heel scala aan specifieke voorwaarden aan geluidbelasting. Deze wetgeving geldt te allen tijde, bovenop het bestemmingsplan. 62

Westenwind Een aantal reclamanten voert aan dat de westenwind eventuele geluidshinder zal versterken. De geluidberekeningen zijn uitgevoerd overeenkomstig het “Reken- en meetvoorschrift geluid 2012” en de daarin voor industrielawaai aangewezen “Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999”. Het overdrachtsmodel dat aan het Reken en meetvoorschrift ten grondslag ligt is gebaseerd op meewindcondities. Dat betekent dat windcondities zoals westenwind, onderdeel zijn van de uitgevoerde geluidsberekeningen. Er is in het geluidsonderzoek dus rekening mee gehouden. Gevolgen van zonnevelden voor geluid Een aantal reclamanten vraagt zich af wat de gevolgen zijn van de zonneparken in en rondom het plangebied op de geluidsbelasting en of hier onderzoek naar is gedaan. Het geluid afkomstig van het bedrijventerrein zou immers kunnen reflecteren en verder gedragen worden door de zonnevelden, aldus reclamanten. In het onderzoek naar industrie- en wegverkeerslawaai is rekening gehouden met de te realiseren zonneparken (inclusief het zonnepark Achterste Groes). Deze zijn als akoestisch harde gebieden opgenomen in het geluidsmodel. Het nadelige effect voor de geluidsoverdracht is daarmee in de bepaalde geluidsbelastingen opgenomen.

Geluidsreflecties zijn te verwachten van objecten van enige hoogte die, op grond van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 een hoek met de verticaal mogen maken van maximaal 15°. Omdat binnen zonnevelden dergelijke objecten niet of nauwelijks voorkomen is ook geen noemenswaardige reflectie te verwachten. Geluidsoverlast door extra verkeer ontwikkeling Cereslaan West en door nieuwe functie noordoosten plangebied In de tweede standaard zienswijze wordt door reclamanten gevreesd voor geluidsoverlast door de generatie van verkeer. Die verkeerstoename wordt veroorzaakt door de combinatie met ontwikkeling van Cereslaan West, met bijbehorende verkeersbewegingen en zorg over de komst van een publieke f unctie in het noordoosten van het plangebied, zoals een tankstations, fastfoodrestaurant en carpoolplaats. Ook wordt gevreesd voor truckparkings. De ontwikkeling van bedrijventerrein Cereslaan West is als autonome ontwikkeling opgenomen in de uitgevoerde onderzoeken (verkeer, geluid, luchtkwaliteit). Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de plannen inclusief deze autonome ontwikkeling voldoen aan de normen. Daarnaast merken we op dat het voorgenomen tankstation in de noordoosthoek van het gebied waar reclamant over spreekt, een foutief opgenomen passage was in het ontwerpbestemmingsplan.

Er komt geen nieuw tankstation, brandstoffenpunt, truckparking, fastfoodrestaurant of carpoolplaats in het noordoosten van het uitbreidingsgebied. Er komt alleen een nieuw tankstation in de noordwesthoek van het terrein aan de Koksteeg (duurzaam brandstoffenpunt). Dit is aangepast in de Toelichting van het vast te stellen bestemmingsplan. Het gaat niet om een regulier pompstation maar om een duurzaam brandstoffenpunt. Deze zal gericht zijn op business to business. Er is daardoor geen sprake van aanloop van consumenten. De

63

verkeersgeneratie van dit duurzame brandstoffenpunt is mede input geweest voor het geluidsonderzoek. Geluideffect 24/7 economie Insprekers hebben aangevoerd te vrezen voor geluidsbelasting door het bestaan van de 24/7 economie: bedrijven zijn daardoor continue in bedrijf. Er zijn nog geen standaard kengetallen om de effecten van een 24/7 economie te kunnen berekenen en te vergelijken met de effecten van een “reguliere” economie. Het is uiteraard eerst de vraag of en in welke mate zich 24/7 economie gaat vestigen op Heesch West. Heesch West biedt ruimte voor grote logistieke bedrijven en daarmee ook voor grootschalige distributiecentra. Heesch West richt zich ook op andere types bedrijvigheid en in belangrijke mate verplaatsers. 24/7 economie leidt naar verwachting niet zozeer tot meer verkeer, maar wel tot een andere verdeling van verkeer. Verkeer zal meer verspreid over het etmaal aan- en afrijden. Een andere verdeling van verkeer over het etmaal kan wel een effect hebben op wegverkeerslawaai. Dit omdat geluid in de avond en nacht negatiever wordt beleefd en daardoor ook negatiever wordt beoordeeld dan verkeer overdag. Met een gevoeligheidsanalyse is dit effect bekeken. Conclusie van de gevoeligheidsanalyse is dat een 24-7 economie met relatief meer verkeer in de avond en nacht en minder overdag geen wezenlijk effect heeft op het wegverkeersgeluid.

Het merendeel van 24/7 verkeer rijdt van en naar de snelwegen over de Bosschebaan en Rekken. Langs deze wegen is het wegverkeerslawaai van de A59 maatgevend. Het verkeer op de A59 verandert niet of nauwelijks door een 24/7 economie op Heesch West: het aandeel verkeer van/naar Heesch West op de A59 is relatief beperkt. Op andere wegen van de A59 af is het aandeel 24/7 verkeer beperkt en heeft het geen invloed op het wegverkeerslawaai. Conclusie De zienswijzen geven geen aanleiding tot een aanpassing op dit milieuaspect. 2.11

Luchtkwaliteit

In de eerste standaard zienswijze wordt aangegeven dat stof en gevaarlijke stoffen kunnen leiden tot longproblemen. Een aantal reclamanten stelt verder in de tweede standaard zienswijze te vrezen voor de verslechtering van luchtkwaliteit, en in het bijzonder voor de toename van fijnstof. Daarbij wordt aangegeven dat in de huidige situatie het fijnstof wordt opgenomen door de aanwezige landbouwgronden, maar dat in de toekomst door de verharding het fijnstof meer vrij spel heeft en door de westenwind kan neerdalen bij omliggende woningen van reclamanten. In het luchtkwaliteitsonderzoek zijn de concentraties luchtverontreinigende stoffen berekend op 10 meter vanaf de rand van de weg, op de grens van de bedrijfsbestemming en ter plaatse van woningen langs de drukkere wegen. Uit die resultaten blijkt dat vooral sprake is van een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen langs de wegen en op de rand van het bedrijventerrein. Ter plaatse van woningen die op grotere afstand van de wegen en het bedrijventerrein zijn gelegen, is de toename veel beperkter. Het veranderen van de bodem geen invloed heeft op de concentratie luchtverontreinigende stoffen. In het rekenmodel waarmee de luchtkwaliteit wordt berekend kan geen paramater voor de ondergrond worden gekozen. Voor deze berekeningen en op deze schaal zal de toestand van de bodem niet van invloed zijn.

64

Een aantal reclamanten vraagt aandacht voor ultrafijn stof en stelt dat dit niet is onderzocht in het MER en bestemmingsplan. Het is zo dat over het effect van ultrafijnstof op de gezondheid nog niet veel bekend is en dat er voor ultrafijnstof nog geen wettelijke normen bestaan waarin getoetst kan worden. Het heeft wel de aandacht van onderzoek en de verwachting is dat er de komende jaren meer inzicht komt in het effect van ultrafijnstof. Vooralsnog worden voor de afweging over luchtkwaliteit fijn stof en zeer fijnstof als criteria gebruikt. Deze zijn berekend en beoordeeld in het MER en bestemmingsplan. Er is nog geen aanleiding om aan te nemen dat de conclusies en afweging voor ultrafijnstof anders is dan voor fijn stof en zeer fijn stof. Een aantal reclamanten stelt ook dat iedere verhoging er een te veel is, wanneer de situatie al slecht is, en haalt daarbij ook een onderzoek aan waarbij de relatie van de slechte luchtkwaliteit en het coronavirus wordt gelegd. De gemeente was juist een van de ondertekenaars van het Schone Lucht Akkoord. Het Schone Lucht Akkoord is een intentie-overeenkomst tussen de Rijksoverheid en gemeenten om te komen tot een landelijke verbetering van de luchtkwaliteit. Het is aan het Rijk en de deelnemende gemeenten om hier verder invulling aan te geven.

Het Schone Lucht Akkoord is daarmee nog niet direct toepasbaar op een concrete ruimtelijke ontwikkeling als Heesch West. Ten aanzien van het luchtkwaliteitsonderzoek en corona. In het MER en bestemmingsplan is conform de daarvoor geldende eisen onderzoek gedaan naar de effecten van Heesch West op luchtkwaliteit. Voor de meeste woningen in de omgeving van Heesch West blijft de toename van de concentratie van luchtverontreinigende stoffen, zoals fijnstof en stikstofdioxide, beperkt tot enkele tienden ug/m3 tot maximaal 1 ug/m3. De toenames zijn in de meeste gevallen lager dan de drempelwaarde van 1,2 μg/m3 (voor PM10 en NO2) die gebruikt wordt om te bepalen of een project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ (NIBM) aan de luchtverontreiniging (zie paragraaf 8.3 van de Aanvulling MER). Bij een aantal woningen zijn de toenames echter groter dan deze drempelwaarde. Doordat de drempelwaarde van 1,2 μg/m 3 voor een aantal woningen voor PM10 en NO2 wordt overschreden moet het project getoetst worden aan de grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide. De grenswaarden voor PM10, PM2,5 en NO2 bedragen respectievelijk 40, 25 en 40 μg/m 3. De hoogste concentraties ter plaatse van de bestaande woningen (met bijdrage van Heesch West) in het plangebied bedragen 27 ug/m 3 NO2, 22 ug/m3 PM10 en 13 ug/m3 PM2,5.

De toename van luchtverontreinigende stoffen leidt daarmee niet tot overschrijding van wettelijke normen, de concentraties blijven (ver) beneden de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Westenwind De gemiddelde meteorologische omstandigheden, zoals westenwind, zijn in het rekenmodel van luchtkwaliteit meegenomen. Conclusie De zienswijzen geven geen aanleiding tot een aanpassing op dit milieuaspect.

65

2.12

Geur

In de eerste standaard zienswijze wordt aangegeven dat gevreesd wordt voor stank. Een aantal reclamanten vraagt ook om de geuroverlast zoveel mogelijk te beperken of te voorkomen en het tevens in de planregels te borgen. Ook stellen zij dat de inwaartse zonering niet zorgt voor de gewenste borging van voorkomen van geuroverlast. Geur laat zich echter niet belemmeren door inwaartse zonering, en kan zich kilometers ver verplaatsen. De afstand van plan richting omwonenden is dusdanig klein dat geurhinder onmogelijk voorkomen kan worden, aldus reclamanten. Algemeen Zoals eerder vermeld, wordt in het plan een inwaartse zonering voor bedrijventerrein toegepast aan de hand van de VNG publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ waarmee globaal wordt getoetst of deze ontwikkeling in de omgeving past. Doordat inwaartse zonering wordt toegepast, zal voldoende afstand tussen bedrijvigheid en de meeste omliggende verblijfsobjecten in acht worden genomen. Voor Heesch West zijn deze richtafstanden rondom de woningen in het gebied gelegd. Deze richtafstanden zijn bedoeld om hinder en gevaar zoveel mogelijk te voorkomen door voldoende afstand tot bijvoorbeeld woningen te houden. Hiermee zijn de contouren voor de verschillende milieucategorieën binnen Heesch West bepaald.

Daarnaast borgt het wettelijk kader en provinciaal beleid dat bij vergunningverlening getoetst wordt aan de daadwerkelijk optredende geur en dat deze binnen de wettelijke en provinciale normen blijft. Ondanks de richtafstanden die worden gehanteerd is echter nooit met zekerheid uit te sluiten dat de omgeving onder bepaalde (weers)omstandigheden toch hinder ervaart, bijvoorbeeld door stank van bedrijven, maar zeker niet continu en wel binnen de wettelijke normen die ervoor gelden. In het MER is ten aanzien van geur opgenomen (paragraaf 13.3): De agrarische activiteiten in het plangebied verdwijnen en daarmee ook de agrarische geuruitstoot. Daar staat tegenover dat de te ontwikkelen bedrijven kunnen leiden tot nieuwe geuruitstoot. Dit geldt niet zozeer voor zeer grootschalige logistiek, maar mogelijk wel voor overige industriële activiteiten. Het is voorhand niet bekend welke bedrijven zich gaan vestigen en welke geurbelasting dit met zich meebrengt. Echter geur is één van de afstandscriteria bij inwaartse zonering die op Heesch West gehanteerd wordt. Op die manier is aan de voorkant geborgd dat er geen overschrijding van geurnormen buiten het plangebied optreedt. Daarnaast borgt het wettelijk kader en provinciaal beleid dat bij vergunningverlening getoetst wordt aan de daadwerkelijk optredende geur en dat deze binnen de wettelijke en provinciale normen blijft.

En in paragraaf 13.5 van de MER: Door de realisatie van Heesch West verdwijnen agrarische bedrijven met geuruitstoot uit het gebied. Daar komt mogelijk geuruitstoot door nieuwe bedrijven voor terug, maar de inwaartse zonering (en wettelijke en provinciale eisen) voorkomen dat dit tot wezenlijke geureffecten leidt buiten de plangrens. Het aspect geurbelasting vanuit het plangebied op de omgeving wordt daarom neutraal beoordeeld (0).

66

Gezien de bevindingen uit het MER, is er geen reden om aan te nemen dat er geuroverlast ter plaatse van woningen plaatsvindt. Extra borging geurhinder Aan de hand van de milieuzonering in het bestemmingsplan is de geurhinder in beginsel ingeperkt. Ook moet ten alle tijden worden voldaan aan specifieke bepalingen uit separate milieuwet- en regelgeving. Desondanks is eerder al, naar aanleiding van de inspraakreacties, een aanvulling op de planregels van het ontwerpbestemmingsplan doorgevoerd wat betreft het aspect geur. Om de zorgen over eventuele milieuhinder verder weg te nemen, werd in het ontwerpbestemmingsplan namelijk een aantal nadere waarborgen opgenomen voor algemene en specifieke milieuaspecten, waaronder geur. Dit betreft de verplichting tot aantonen van aanvaardbare geurbelasting door activiteiten van bedrijven via een omgevingsvergunning (art. 5.7.2, c). Hierbij wordt in alle situaties getoetst of er sprake is van een aanvaardbare hoeveelheid geur van de inrichting op grond van concrete normen. De in artikel 5.7.2, c opgenomen concrete normen zijn normen die gelijk zijn aan de VNG-milieuzonering. Voor bedrijven die voor ‘geur’ in de staat van bedrijfsactiviteiten een richtafstand hebben van 50 meter of meer, is daarnaast altijd een geuronderzoek vereist. Daarnaast gelden de andere extra verplichtingen voor alle bedrijven zoals genoemd in paragraaf 2.2 van deze nota.

Met deze nadere waarborgen, zijn wij van mening dat wij zoveel als mogelijk tegemoet komen aan de zorgen hierover uit de omgeving. Daarnaast zal via de afdelingen Vergunningen van de gemeenten worden toegezien op naleving van de gestelde regels (monitoring), zie hiervoor ook thema Woon -en leefklimaat. De zienswijzen geven geen aanleiding tot een aanpassing op dit punt. 2.13

PFAS

Reclamanten brengen in de tweede standaard zienswijze naar voren dat het plan niet mag bijdragen aan meer PFAS in het milieu. Volgens reclamanten is het onzeker of het plan uitgevoerd kan worden, omdat meer dan 85 % van de geteste grond al boven de PFAS-norm zit, en omdat het niet duidelijk is of er risico is dat er PFAS in het milieu worden gebracht. In de planregels zou moeten worden beschreven dat dergelijke bedrijven hier niet mogen komen. Er wordt geen PFAS in het milieu gebracht. Met de inrichting wordt gestreefd naar een gesloten grondbalans. Er is geen hoge verwachtingswaarde PFAS gezien het historisch gebruik in het gebied. De normen en regels inzake bodemkwaliteit gelden via een ander spoor voor alle bedrijven, namelijk het milieuspoor. Het is niet nodig, en ook zeker niet gebruikelijk, om hier in een bestemmingsplan specifieke bepalingen voor op te nemen. De zienswijzen geven geen aanleiding tot een aanpassing op dit milieuaspect. 2.14

Licht

In de eerste standaard zienswijze wordt gesteld dat de lichtvervuiling door het plan de nachtrust en het woongenot zal verstoren. Een aantal reclamanten stelt in het algemeen (veel) lichthinder te gaan ondervinden door het plan, ook in de avond en nacht. Er zal op sommige woningen onaanvaardbare hinder ontstaan, doordat 67

deze dichtbij liggen, stellen zij. Reclamanten verzoeken extra aandacht te geven aan het voorkomen van negatieve effecten bij de inrichting, bij voorkeur met voorwaardelijke verplichtingen. Daarnaast vreest een klein aantal reclamanten voor lichthinder door reflectie van de zonnepanelen die gepland zijn; en verzoekt daartoe een bescherming op te nemen. Lichtuitstraling kan als hinderlijk ervaren worden. Uit het MER (2019) en de aanvulling daarop (2021) blijkt dat, zelfs met maatregelen, rekening moet worden gehouden met enige toename van lichthinder in de directe omgeving van het plangebied. Op grotere afstand (o.a. in Heesch, Vinkel en Geffen) zal de hinder naar verwachting zeer beperkt zijn. In de planontwikkeling is het belang van licht en de uitstraling daarvan op de omgeving al onderkend.

Daarom worden maatregelen genomen om de lichtuitstraling naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken: • In de Parksingels zal de verlichting zo minimaal mogelijk worden afgesteld • Het licht is bij voorkeur in de rijbaan of heel laag bij de grond tenzij vanuit verkeersveiligheid dit niet gewenst is, bijvoorbeeld bij rotondes en kruisingen • Licht op bedrijfshallen moet naar beneden of schuin naar beneden schijnen en mag de omgeving en het groen niet onnodig belasten • Bij voorkeur komen er geen vrijstaande lichtmasten op de bedrijfspercelen maar alleen verlichting in of laag bij de grond en aan de gebouwen. Als het noodzakelijk is vanuit veiligheidsoogpunt om toch lichtmasten te plaatsen dan geldt dat deze niet hoger dan 4 meter mogen zijn en dat ze van het groen afgekeerd moeten zijn. Deze maatregelen zijn opgenomen in het Circulair Kwaliteitsplan, die als bijlage bij het bestemmingsplan is opgenomen en een leidend document vormt in het uitgifteproces. Daarnaast is naar aanleiding van de inspraakreacties eerder al in het ontwerpbestemmingsplan een specifieke planregel opgenomen om dit aspect nog nader te waarborgen in artikel 17.4.

Hiermee wordt geborgd dat alleen een omgevingsvergunning voor bouwen binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ kan worden verleend, indien is aangetoond dat wordt voldaan aan de grenswaarden uit de richtlijnen voor lichthinder van de Nederlandse Stichting Verlichtingskunde. En de aanleg (het plaatsen) van verlichting langs infrastructuur is alleen toegestaan indien een lichtplan wordt overlegd aan de gemeente waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de richtlijnen voor lichthinder. Deze planregels zijn in het vast te stellen bestemmingsplan gehandhaafd, waarbij de regels licht aangepast zijn en nog specifieker zijn gemaakt op de genoemde richtlijnen. Tot slot, zullen de aanpassingen uit het aangepaste landschapsplan leiden tot een ruimere afscherming van Heesch West aan de zuid-, west- en oostzijde. Hierdoor neemt de kans op eventuele lichthinder ter hoogte van de woningen langs de Weerscheut, Zoggelsestraat en Rakstraat naar verwachting verder af. Naast lichthinder door kunstmatige lichtbronnen kan er ook hinder ontstaan door reflectie (s chittering) van zonnepanelen. In de Aanvulling op het MER (2021) is het effect van schittering nader toegelicht. Hieruit is gebleken dat de kans op hinder door schittering klein is.

Met maatregelen zoals een antireflectiecoatings, landschappelijke inpassing en gunstige opstellingshoeken kunnen eventueel optredende effecten tevens worden voorkomen, blijkt uit de aanvulling op het MER (2021). De landschappelijke inpassing van onder andere het zonnepark in het zuidwesten van het plangebied is inmiddels verder uitgewerkt in een landschapsplan. In het landschapsplan zijn ruime afschermingen

68

met groen toegepast waardoor de kans op hinderlijke effecten van schittering in de omgeving van het zonnepark is afgenomen. Niettemin is, naar aanleiding van de zienswijzen op de vrees voor lichthinder door het zonnepark, een verplichting tot een reflectieonderzoek voor het zonnepark in de planregels toegevoegd (in artikel 15.4.3). Op die manier vertrouwen we erop de zorgen hierover weg te nemen. De planregel luidt: “Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor het oprichten en exploiteren van een zonnepark is uitsluitend toegestaan indien uit onderzoek blijkt dat er geen onevenredige hinder te verwachten is richting de nabijgelegen woningen en infrastructuur vanwege reflectie c.q. schittering vanaf het zonnepark .” Gelet op het bovenstaande, is de verwachte lichthinder op de omgeving en woningen beperkt, waarmee sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 2.15

Externe veiligheid

In de eerste standaard zienswijze wordt de vrees uitgesproken voor de uitstoot van gevaarlijke stoffen, wat een risico vormt op calamiteiten. Methodiek plan Zoals eerder vermeld, wordt in het plan een inwaartse zonering voor bedrijventerrein toegepast aan de hand van de VNG publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ waarmee globaal wordt getoetst of deze ontwikkeling in de omgeving past. Doordat inwaartse zonering wordt toegepast, zal voldoende afstand tussen bedrijvigheid en de omliggende verblijfsobjecten in acht worden genomen. Voor Heesch West zijn deze richtafstanden rondom de woningen in het gebied gelegd. Deze richtafstanden zijn bedoeld om hinder en gevaar zoveel mogelijk te voorkomen door voldoende afstand tot bijvoorbeeld woningen te houden. Hiermee zijn de contouren voor de verschillende milieucategorieën binnen Heesch West bepaald. Normen en wetgeving Ondanks de richtafstanden zijn calamiteiten op voorhand nooit helemaal uit te sluiten. Daarom is in het MER onderzoek gedaan naar risicovolle ontwikkelingen en activiteiten waarbij is getoetst aan de normen voor het zogenaamde plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof.

Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het is dus een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Onderzoek en MER-resultaten Op het terrein van Heesch West worden risicobedrijven toegestaan, mits de risicocontour (PR 10-6 contour) niet over het bouwperceel van derden komt te liggen. In de planregels van het bestemmingsplan was dit in het voorontwerpbestemmingsplan al expliciet geborgd. Dit is gehandhaafd in het ontwerpbestemmingsplan en het vast te stellen bestemmingsplan, in artikel 5.4.8, a. Hierdoor zullen geen (beperkt) kwetsbare objecten (zoals woningen) binnen de risicocontour (PR 10-6) van nieuwe risicobronnen komen te liggen.

69

Door de eerder genoemde inwaartse zonering wordt voldoende afstand tussen de nieuwe bedrijvigheid en de omliggende verblijfsobjecten (zoals woningen) in acht genomen. Hierdoor is slechts een beperkte toename van het groepsrisico en blijft het groepsrisico ruim onder de zogenaamde oriëntatiewaarde. Dit is een richtwaarde om het groepsrisico aan te toetsen. Deze toetsing levert in het MER een neutrale tot licht negatieve (0/-) beoordeling op. Uit de toetsing blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling op Heesch West onder de wettelijk vastgestelde normen blijft. Met de vaststelling van het bestemmingsplan geven de bevoegde gezagen expliciet aan zich bewust te zijn van eventuele risico's, en dit - gezien de verantwoording - als acceptabel te beoordelen. In het planvormingsproces is overleg gevoerd met de Veiligheidsregio en de Gasunie. Hun adviezen zijn in de planvorming verwerkt. Dit heeft geleid tot nadere waarborgen in het bestemmingsplan en in een Veiligheidsdocument (zie hieronder). Borging in bestemmingsplan Zoals genoemd in de vorige alinea’s, gaat het bestemmingsplan uit van een inwaartse milieuzonering, waardoor voldoende afstand tussen bedrijvigheid en de omliggende verblijfsobjecten in acht wordt genomen.

Daarnaast was in het voorontwerpbestemmingsplan al een regeling opgenomen dat risicovolle bedrijven zijn toegestaan, mits de PR 10-6 -contour geheel binnen de eigen inrichtingsgrens van een bedrijf ligt. Deze regeling is gehandhaafd in het ontwerpbestemmingsplan en het vast te stellen bestemmingsplan. Aanvullend op bovenstaande regels, zijn op basis van het advies van de Veiligheidsregio nadere waarborgen opgenomen in het bestemmingsplan, namelijk: • Verplichting tot inwinnen advies bij Veiligheidsregio (met een afwijkingsvergunning) indien gebouwen aaneen of rug-aan-rug worden gebouwd (art. 5.3.1, c) • Verplichting tot aantonen dat geen aantasting plaatsvindt van het aspect brandveiligheid bij het toestaan van bedrijven in de 2e fase (art. 5.6.2, d, 8) • Verplichting voor alle bedrijven tot het centraal kunnen afsluiten van eventueel aanwezige mechanische ventilatie voor zover dit technisch mogelijk is (art. 5.4.1) • Het houden van een minimale afstand van 3 meter vanaf de perceelsgrens voor zover het gaat om de buitenopslag van brandbare stoffen (art. 5.4.3) • Voorwaardelijke verplichting voor het inwinnen van advies bij de leidingbeheerder voordat de gronden van het zonnepark in gebruik kunnen worden genomen, in verband met de kathodische spanning in relatie tot de leidingen (art. 15.4.1).

Veiligheidsdocument Er is een veiligheidsdocument opgesteld waarin maatregelen ten aanzien van externe veiligheid zijn opgenomen, die zich niet goed lenen voor borging in het bestemmingsplan. Dit Veiligheidsdocument zal als sturend document worden gehanteerd in het gronduitgifteproces voor bedrijven. Het grootste deel van de maatregelen in het document hebben betrekking op de aanwezigen binnen het plangebied en eventuele passanten, omdat mogelijke effecten van een ongeval daarop betrekking hebben. Conclusie De zienswijzen geven geen aanleiding tot een aanpassing op dit milieuaspect.

70

2.16

Trillingen

Een aantal reclamanten heeft in de tweede standaard zienswijze gewezen op de vrees voor trillingsoverlast ten gevolge van de planontwikkeling. Door de inwaartse milieuzonering (zie paragraaf 2.2 van dit document) liggen bedrijven op ruime afstand van woningen. Hiermee wordt trillingsoverlast door bedrijfsactiviteiten voorkomen. Naast bedrijfsactiviteiten kan echter ook (zwaar) vrachtverkeer mogelijk tot trillingsoverlast leiden. Het plan is erop gericht om het (vracht)verkeer zoveel mogelijk over de Bosschebaan en Rekken richting de A59 te leiden. Langs deze wegen liggen een beperkt aantal woningen. Een beperkt deel van het (vracht)verkeer zal echter ook via andere omliggende wegen, van en naar Heesch West rijden. Het is hierdoor niet uit te sluiten dat er ook enige trillingsoverlast bij woningen langs deze wegen ontstaat. Uit bovenstaande blijkt dat er door het plan enige mate van trillingshinder is te verwachten, maar dat er geen sprake is van significante trillingshinder. In het MER (2019) en de Aanvulling hierop (2021) is dit beoordeeld als een licht beperkte verslechtering ten opzichte van de referentiesituatie. Dit voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Conclusie De zienswijzen geven geen aanleiding tot een aanpassing op dit milieuaspect. 2.17

Stof

Een aantal reclamanten heeft in de tweede standaard zienswijze gewezen op de vrees voor stofoverlast ten gevolge van de planontwikkeling. Met betrekking tot stofhinder wordt allereerst opgemerkt dat het aspect stof meegenomen is in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Door de in het bestemmingsplan gehanteerde inwaartse zonering betekent dit dat zwaardere bedrijven, waar stofhinder eventueel relevant is, zich per definitie op grotere afstand van de woningen moeten vestigen, wat een eerste borging is dat de hinder beperkt wordt. Verder geldt dat de vestiging van een groot deel van de bedrijfscategorieën waar stofhinder kan optreden, zoals bulkoverslag, bij voorbaat is uitgesloten. Daarnaast wordt opgemerkt dat bedrijven vanuit de Wet milieubeheer verplicht zijn om maatregelen te treffen om stofhinder te voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau te beperken, waarbij de beste beschikbare technieken (BBT) moeten worden toegepast. Maatregelen zijn bijvoorbeeld afscherming en nat houden van de ondergrond/grondstromen. Wat met betrekking tot stofhinder als BBT kan worden aangemerkt en welke maatregelen moeten worden getroffen is voor een groot aantal branches zeer concreet uitgewerkt in bijvoorbeeld de BREF-documenten (BAT Reference documents), de (voormalige) Nederlandse Emissierichtlijn Lucht en het Activiteitenbesluit.

Deze maatregelen leiden er in de praktijk veelal toe dat de daadwerkelijke verspreiding veel kleiner is dan de in de Staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen afstand en veelal beperkt blijft tot de onmiddellijke nabijheid (enkele meters) van de bron. Gelet op voorgaande, wordt voor dit aspect voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Conclusie De zienswijzen geven geen aanleiding tot een aanpassing op dit milieuaspect.

71

2.18

Gezondheid

In de eerste standaard zienswijze wordt de vrees voor gezondheidsschade naar voren gebracht. De gezondheid zal door het plan worden aangetast, door o.a. gecumuleerd lawaai, toename van geluid in het algemeen, lichthinder, stank, stof, en gevaarlijke stoffen. Reclamanten stellen daarnaast in de tweede zienswijze dat het plan een wezenlijk gevaar vormt voor de gezondheid door de effecten van het industrieterrein (geluid, fijnstof, stank, licht). En dat de gevolgen hiervan onvoldoende zijn onderkend en meegenomen in de planvorming. Tot slot wordt gesteld dat de geplande publieke functies in het noordoosten van het plangebied, samen met de ontwikkeling van zowel bedrijventerrein Heesch West als bedrijventerrein Cereslaan West, voor overlast en risico’s gaan zorgen in de omgeving, onder andere wat betreft een gezonde leef omgeving. De gezondheidsbescherming richt zich met name op de milieunormen voor luchtkwaliteit en geluid, waarbij niet alleen naar de grenswaarden wordt gekeken, maar juist op de gezondheidseffecten van de concentraties onder grenswaarden. Ten behoeve van het ontwerpbestemmingsplan en de Aanvulling op de MER zijn op basis van de nieuwe geluid- en luchtkwaliteitsonderzoeken nieuwe GES (Gezondheidseffectenscreening)-berekeningen uitgevoerd. Dit op basis van de worst-case uitgangspunten voor geluid en luchtkwaliteit (zie paragrafen 2.10 en 2.11 van deze nota).

Heesch West leidt tot een toename van geluids- en luchtkwaliteitseffecten. Er is een verschuiving in een aantal GES-klasses zichtbaar ten opzichte van de referentiesituatie, waardoor er voor gezondheid een wat minder gunstige situatie ontstaat. Dit is echter geen onaanvaardbare situatie, zoals ook blijkt uit het advies van de GGD (zie hieronder). Wat betreft lichthinder, geur en gevaarlijke stoffen zijn de effecten beoordeeld in het MER en hieruit volgt dat er voor de gezondheid geen onaanvaardbare effecten optreden voor de gezondheid. De GGD heeft, zoals ook afgesproken met de omgeving, een advies gegeven op de gezondheidsaspecten van Heesch West. Dit advies is als bijlage 6 bij de toelichting van bij het ontwerpbestemmingsplan gepubliceerd. In het advies is een aantal aandachtspunten gegeven ten aanzien van geluid, luchtkwaliteit, elektromagnetische spanning en geur. Naast specifieke adviezen op met name aspecten geluid en luchtkwaliteit, heeft de GGD algemene adviezen gegeven voor verdere inrichting van het landschapspark, monitoring, het zonnepark en het oprichten een leefbaarheidsfonds. In de oplegnotitie bij het GGD advies, dat dus als bijlage bij de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan zat, hadden we al aangegeven hoe we het advies opvolgen. Dit is verder uitgewerkt: •

•

Aanbevelingen betreffende het serieus nemen van klachten, opvolgen en monitoring. Milieuklachten kunnen gemeld worden bij de milieuklachtencentrale. Er wordt daarnaast bij de realisatie van Heesch West een omgevingsoverleg ingesteld. Monitoring is zoals eerder in deze nota beschreven in belangrijke mate verantwoordelijkheid van de gemeenten. Monitoring wordt in de Omgevingswet ook voorgeschreven. De GGD adviseert het gebruik van bio-energie installaties te ontmoedigen, vanwege belasting van luchtkwaliteit. Indien ze wel worden toegestaan, wordt gevraagd de effecten op de leefomgeving door te rekenen. Om de hinder van nieuwe bedrijven, zoals het type bedrijf

72

•

• •

• •

genoemd door de GGD, zoveel mogelijk te beperken, zijn in het plan diverse maatregelen opgenomen. Daarnaast adviseert de GGD om naar duurzame ambities en plannen te vragen bij vervoersplannen van bedrijven. De ambities voor duurzame mobiliteit zijn al onderdeel van de gronduitgifte, waarbij duurzaamheid dient te worden aangetoond door bedrijven. De Gemeenschappelijke Regeling bevordert dit onder meer met goede fietsroutes, aansluitend op regionale routes, en het inpassen van een station met duurzame brandstoffen. Het landschapspark met fiets- en wandelroutes en robuuste groenzones draagt bij aan een gezonde leef- en werkomgeving. Het landschapsplan is mede op basis van omgevingsparticipatie en met aandacht voor belangen en wensen concreet uitgewerkt. Geluid De GGD adviseert aanvullende maatregelen om aan de gezondheidskundige advieswaarden te voldoen, allereerst met bron- en overdrachtsmaatregelen en uiteindelijk isolatie van de gevel. En bij mogelijke isolatie daarbij ook voldoende rekening te houden met ventilatie. Daarnaast wordt aanbevolen om bewoners goed en tijdig te informeren over de geluidsituatie nu en in de toekomst en te betrekken bij mogelijke maatregelen. We nemen deze aanbevelingen mee in het ontwikkelingstraject.

Voor een aantal woningen waar een hogere waarde of een aanmerkelijke toename van geluid wordt voorzien, zijn en worden verdere onderzoeken gedaan, waarbij concreet aandacht is voor de binnenwaarde van woningen. Als daar aanleiding voor is wordt voorzien in isolerende maatregelen. Intensieve veehouderij Overeenkomstig het advies van de GGD is in het plan geen kinderopvang toegestaan. Elektromagnetische velden Zorgen rondom elektromagnetische velden kunnen een aandachtspunt vormen. In de MER staat dat deze effecten niet verwacht worden. Het aanbod van de GGD als hier evenwel vragen/zorgen over zijn betrekken we bij de verder planuitwerking.

Daarnaast merken we op dat het voorgenomen tankstation in de noordoosthoek van het gebied waar reclamanten over spreken, een foutief opgenomen passage was in het ontwerpbestemmingsplan. Er komt geen nieuw tankstation, brandstoffenpunt, truckparking, fastfoodrestaurant of carpoolplaats in het noordoosten van het uitbreidingsgebied. Er komt alleen een nieuw tankstation in de noordwesthoek van het terrein aan de Koksteeg (duurzaam brandstoffenpunt). Dit is aangepast in de Toelichting van het vast te stellen bestemmingsplan. Het gaat niet om een regulier pompstation maar om een duurzaam brandstoffenpunt. Deze zal gericht zijn op business to business. De verkeersgeneratie van dit duurzame brandstoffenpunt is mede input geweest voor het akoestisch onderzoek. De ontwikkeling van bedrijventerrein Cereslaan West is als autonome ontwikkeling opgenomen in de uitgevoerde onderzoeken. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de plannen inclusief deze autonome ontwikkeling voldoen aan de normen. Conclusie De zienswijzen geven geen aanleiding tot een aanpassing op dit aspect. 2.19

Kosten en baten en planschade

Een aantal reclamanten stelt dat planschade door dit plan voorkomen kan worden door een aanpassing van het plan. Een goede ruimtelijke ordening vraagt ook dat het nadeel voor

73

omwonenden zo klein mogelijk zal zijn. Ook vraagt een aantal reclamanten zich af of dit project wel kostendekkend is en/of rendabel, en of de kosten bij de inwoners terecht komen. De wet voorziet in een systeem waarin planschade afgehandeld wordt. Het is vanuit een goede ruimtelijke ordening nodig om een locatie te kiezen die de overlast op omwonenden zoveel mogelijk beperkt. Deze locatiekeuze –en onderbouwing is gegeven in paragraaf 4.2 van de Aanvulling op de MER, en ook beschreven onder thema Locatiekeuze en zorgvuldig ruimtegebruik van dit document (paragraaf 2.6). Of planschadevergoedingen daadwerkelijk aan de orde zijn, wordt niet beoordeeld in deze fase, maar pas in de fase na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan (tot 5 jaar na dat moment kan een planschadeverzoek worden ingediend). Planschadeverzoeken worden door een onafhankelijke adviseur beoordeeld, waarbij tevens wordt meegewogen in hoeverre de ontwikkeling voorzienbaar was, en wordt een bepaald algemeen maatschappelijk risico meegenomen. Wel zijn in de exploitatie planschadevoorzieningen opgenomen, op basis van de mogelijk te verwachte planschade, waarmee het plan financieel uitvoerbaar is. Wat betreft de financiële haalbaarheid wordt verwacht dat met de realisatie van 80 hectare de grondexploitatie van de ontwikkeling sluitend is, inclusief de optimalisaties die in het plan zijn doorgevoerd.

De actueel door de gemeenten getroffen voorziening komt voort uit boekhoudvoorschriften, waardoor nu nog slechts 50 hectare uitgeefbaar als grondopbrengst kan worden ingerekend. Er is geen sprake van afwikkeling van financiële investeringen op inwoners van betrokken gemeenten en er wordt bij volledige realisatie verwacht dat de grondexploitatie nagenoeg dekkend is. De zienswijzen geven geen aanleiding tot een aanpassing op dit aspect. 2.20

Werkgelegenheid en arbeidsmigranten

Een aantal reclamanten voert in de tweede standaard zienswijze aan dat logistieke bedrijven, datacenters en distributiecentra geen werkgelegenheid opleveren voor de regio, maar voornamelijk draaien op arbeidsmigranten. Dergelijke grote logistieke bedrijven en distributiecentra leveren volgens reclamanten zeer weinig werkgelegenheid op, aangezien er per vierkante meter maar zeer weinig werknemers werkzaam zijn in dergelijke centra. Vestiging van dergelijke grote centra levert volgens hen bovendien een bijkomend probleem voor huisvesting van arbeidsmigranten op. Het beeld van bedrijven en werkgelegenheid dat veel reclamanten bij Heesch West hebben is niet juist. Heesch West is een regionaal bedrijventerrein met bedrijvenprofiel gericht op sectoren waar de regio sterk in is; herkomst bedrijven/werknemers in belangrijke mate (MKB) uit de regio. Dit zijn vaak bedrijven die doorontwikkelen en belangrijk voor werkgelegenheid zijn en daarmee ook voor de leefbaarheid, ook van de genoemde dorpen, op langere termijn. Er wordt mede ruimte geboden aan logistiek. De logistieke bedrijvigheid waaraan Heesch West ruimte biedt, vormt direct en indirect een belangrijk schakel in de regionale economie. De regionale verplaatsers waar Heesch West ruimte aan biedt kunnen heel diverse bedrijfssectoren betreffen.

Een andere categorie bedrijven op Heesch West betreft bouw- en infra, ook dit is een sector die nu al een groot belang heeft in de regionale economie en zich sterk ontwikkelt.

74

De actuele belangstellingregistratie van bedrijven om zich op Heesch West te vestigen bevestigt de ruimtebehoefte van de genoemde doelsectoren en de hierin overwegend regionale herkomst. Bij de toelating van bedrijven is regionale herkomst en of binding een belangrijke voorwaarde. Er wordt vanuit het perspectief van werkgelegenheid een tegenstelling verondersteld tussen de ontwikkeling van bedrijven op Heesch West en ontwikkelkansen van bedrijven in de regio. De ontwikkeling van Heesch West zou geen werkgelegenheid bieden aan de regio of zou de ontwikkeling van bedrijven in de regio remmen door een gebrek aan arbeidspotentieel in de regio. Die veronderstellingen zijn niet juist. Regionale bedrijven(verenigingen) uiten een heel ander belang. Er is juist een sterke wens vanuit deze belanghebbenden om voortvarend aanbod aan te bieden voor de regionale behoefte. De concrete belangstelling van bedrijven voor Heesch West heeft in belangrijke mate een regionale herkomst. Heesch West creëert direct en indirect en op verschillende niveaus banen. Het profiel en de herkomst van de bedrijvigheid komt overeen met de bedrijven en sectoren waar de regio een sterke positie in heeft. Dit sluit ook aan op het opleidingsaanbod. Het is een evident belang om deze bedrijvigheid duurzaam verder te ontwikkelen en te behouden.

Zo wordt werkgelegenheid behouden en ontwikkeld bij de betreffende bedrijven zelf en tegelijkertijd ook in het netwerk van (vaak ook regionale) ketenpartners en andere economische relaties. De ruimte in de regio die vrijkomt door het vertrek van bedrijven naar Heesch West, kan, afhankelijk van de locatie van herkomst, door andere bedrijven worden ingenomen. Ook kunnen regionale verplaatsers mogelijkheden bieden voor transformatie en verbetering van leefbaarheid, bijvoorbeeld ook in de omgeving van Heesch West gelegen dorpen. De doorstroming draagt bij om kleinere, vaak lokale, bedrijven weer een passende vestigingsplek op de lokale bedrijventerreinen te kunnen bieden. Meer nog dan eerder al het geval was, heeft het bedrijventerrein een sterke regionale focus. Via het regionaal economisch overleg en het 1-loket houden we grip op de “vraag en aanbod”-verhoudingen in de regio. Het is juist dat datacentra zijn toegestaan in de opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten, en ook passen binnen het profiel van Heesch West, zoals opgenomen in artikel 5.1a van de planregels. Het is dus inderdaad mogelijk dat datacenters zich op het bedrijventerrein vestigen. Overigens zijn er verschillende typen datacenters, in de gevallen waar die verbonden zijn aan concrete bedrijven kan hier ook een meer lokale werkgelegenheid mee verbonden zijn.

Als deze belangstelling zich wel aandient zal ook bij deze sector nadrukkelijk worden beoordeeld wat de toegevoegde waarde voor de regio kan zijn. Ook werkgelegenheid en duurzaamheid worden bij een eventuele afweging betrokken. Vooralsnog wordt overigens nog geen concrete belangstelling van datacenters voorzien. Heesch West heeft een verwachting over het aantal werknemers op het terrein, 2.500 a 3.000 arbeidsplaatsen. Maar net zo belangrijk is het gegeven dat door Heesch West bedrijven in de regio Oss-Den Bosch vooruit kunnen in hun groei. Bieden wij deze bedrijven geen uitbreidingslocaties, dan zullen zij onze regio verlaten met werkgelegenheidsverlies tot gevolg. Automatisering is in alle sectoren aan de orde, evenals een belangrijke arbeidsbijdrage door arbeidsmigranten. Dit is niet specifiek voor logistiek of Heesch West. Momenteel wordt er door de gemeenten van Noordoost Brabant regionaal samengewerkt aan regionaal beleid voor goede leefbaarheid en woon- en werkomstandigheden voor arbeidsmigranten. De zienswijzen geven geen aanleiding tot een aanpassing op dit aspect. 75

3. Samenvatting en beantwoording zienswijzen (Deel 2 Nota zienswijzen bestemmingsplan Heesch West en bestemmingsplan Facetplan geluidszone gezoneerd industrieterrein Heesch West) ZW

ZW FP Nr.

Samenvatting

1

-

2

1

-

3

1

-

4

1

-

5

1

-

6

Beantwoording

Volgens reclamant is er in de huidige situatie in de ochtend en avond regelmatig sprake van file op de A59. Dit veroorzaakt sluipverkeer vanaf Rosmalen naar Heesch over Vinkel of Nuland en omgekeerd. Reclamant stelt dat de 10.000 extra verkeersbewegingen (grotendeels vrachtverkeer) per dag die door het plan worden veroorzaakt, een niet aanvaardbare extra hoeveelheid sluipverkeer door de dorpen Geffen, Heesch, Nuland en Vinkel oplevert. Zie thema Mobiliteit. Reclamant stelt dat de extra hoeveelheid sluipverkeer tot teveel geluidsoverlast leidt. Zie thema Geluid. Reclamant stelt dat de extra hoeveelheid sluipverkeer leidt tot een Zie thema Mobiliteit. Aanvullend daarop: de hoeveelheid zwaar of verkeersonveilige situatie. Volgens reclamant zijn de wegen niet vrachtverkeer door de dorpen heen is beperkt. In Vinkel is dit bovendien uitgerust voor zwaar verkeer en geven de verkeersdrempels waar extra geborgd door het vrachtwagenverbod op de Weerscheut. De vrachtverkeer over rijdt heel veel ongemak. wegen zijn goed uitgerust voor de resterende hoeveelheid vrachtverkeer dat volgens het model wel door dorpen heengaat. De aanwezige verkeersdrempels dragen hier juist ook aan bij. Hierdoor is het geen aantrekkelijke route voor vrachtverkeer, voor zover ze dus al toegestaan zijn op die wegen.

Reclamant stelt dat de extra hoeveelheid sluipverkeer zorgt voor extra luchtverontreiniging (uitstoot) in de dorpen. Zie thema Luchtkwaliteit. Reclamant stelt dat een nieuw aan te leggen truckstop met restaurant Er wordt geen truckstop met restaurant aangelegd. Wel wordt een niet nodig is en ook belastend voor het milieu. In een cirkel van duurzaam brandstofstation voorzien maar zonder uitgebreide anderhalve kilometer zijn nu 4 pompstations gelegen, waarvan 2 langs restauratieve voorzieningen. Deze zal gericht zijn op business to de A59 met restaurantfunctie. Naast meer aanloop vanuit de omgeving, business. Het gaat niet om een regulier pompstation. Doordat de focus blijkt uit andere situaties dat bij een truckstop criminaliteit te verwachten ligt op de verkoop van duurzame brandstoffen, kan gesteld worden dat is. Reclamant stelt dat door een nieuw aan te leggen truckstop met dit juist een gunstige voorziening is wat betreft het milieu. restaurant meer overlast en gevaarlijke situaties te verwachten zijn. Mogelijke parkeervoorzieningen moeten door bedrijven op eigen terrein worden gerealiseerd, er wordt geen gebiedsoverstijgende parkeervoorziening gerealiseerd. Op Heesch West wordt parkmanagement ingevoerd en beveiliging is daar zeker een onderdeel van. Het beeld van reclamant ten aanzien van truckstops is niet op Heesch West van toepassing.

Zie verder ook het antwoord in rij 379.

1

Wat betref t de vraag over de behoefte aan dit brandstoffenpunt, verwijzen we naar het antwoord in rij 386.

1 198

1

-

1 198

Reclamant stelt dat de realisatie van categorie 5 bedrijven een Zie thema's Milieucategorie, Geluid, Mobiliteit, Geur en Luchtkwaliteit. schrikbeeld blijft van omwonenden. Door de (extra) geluidsoverlast wordt Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is er geen reden om aan te wonen ondraaglijk. nemen dat er sprake zal zijn van ondraaglijk wonen na realisatie van Heesch West. Er is sprake van een aanvaardbaar woon -en leefklimaat. Wat betref t de geluidsbelastingen op de woning van reclamant. Voor deze woning is géén hogere waarde nodig voor industrielawaai en/of wegverkeerslawaai. Daarnaast is geen sprake van een wezenlijke toename (>1,5 dB) voor wegverkeerslawaai en/of de cumulatieve geluidbelasting. Dit is ook per woning terug te vinden in bijlage 7 van 7 het akoestisch onderzoek. Aanvullend daarop: we begrijpen de zorgen over milieucategorie 5. Daarom zijn daarin ook aanpassingen gedaan van voorontwerpbestemmingsplan naar ontwerpbestemmingsplan en waarborgen opgenomen. Zie thema Proces en participatie. Overigens wordt milieucategorie 5 niet direct bestemd. Toelating vraagt aanvullende bestuurlijke besluitvorming en hierbij worden nadere eisen gesteld. Reclamant geeft aan dat er ter compensatie een groenstrook wordt De waarde van de weg Ruitersdam is erkend en als zodanig ook aangelegd. Echter, reclamant is nu tevreden met de huidige Ruitersdam. opgenomen in alle rapporten.

Deze weg zelf blijft onaangetast en 8 Dit kan niet beter worden dan het nu al is. behouden. De nieuwe verbinding tussen de Weerscheut en de Koksteeg ligt niet op de huidige Ruitersdam, maar ten noorden daarvan. Zie verder thema Ruimtelijke kwaliteit. 9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10942177/1