CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

B1 toelichting Heeseind 35a-37_VG

Gemeenteraad 2 april 2024, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Heeseind 35A en 37 te Nuland23.753 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.3.1 Structuurvisie buitengebied Maasdonk De Structuurvisie Buitengebied van de voormalige gemeente Maasdonk, zoals vastgesteld op 16 december 2009, biedt sturing aan nieuwe ontwikkelingen in het buitenebied. Het maakt mogelijk dat ruimte wordt geboden aan ontwikkeling van nieuwe economische dragers, mits de bestaande omgevingskwaliteit blijft behouden en wordt versterkt en mits de ontwikkeling niet ten koste gaat van de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande functies in de omgeving. De afgelopen jaren zijn er al veel agrarische bedrijven gestopt, dat zal in de komende jaren gewoon doorgaan. De gemeente wil ruime mogelijkheden opnemen ten aanzien van de hergebruiksmogelijkheden van de vrijgekomen en vrijkomende gebouwen, vanwege het behoud van een sterke plattelandseconomie. De versterking van de ruimtelijke kwaliteit is bij een functieverandering uitgangspunt. Voor bebouwingsconcentratie Heeseind geldt dat het hoofdgebouw georiënteerd moet zijn op de weg (met voortuin) en met fruitgaarden, hagen of singels op de kavelgrens. Daarnaast staan eiken of essen aangegeven als erfbomen. Op het achterterrein staan houtwallen en boomsingels aangegeven, waarbij de doorzicht naar het achterlandschap behouden moet blijven.

Afweging

Onderhavige ontwikkeling betreft de omzetting naar een woonbestemming, de sloop van een varkensstal en het behouden van de bestaande loods à 345 m2. Deze loods zal qua 200 m2 gebruiksoppervlakte dienst doen voor het timmerbedrijf en voor de overige 145 m 2 voor privé opslag ten behoeve van de woonfuncties. Hiermee worden hergebruiksmogelijksheden gecreëerd. De landschappelijke inpassing sluit aan bij de versterking van de ruimtelijke kwaliteit zoals bedoeld in de visie. Het geheel sluit daarmee aan bij het beleid uit de Ruimtelijke Structuurvisie.

Het woonbeleid van de gemeente ’s-Hertogenbosch is vastgelegd in de Woonvisie ’s-Hertogenbosch en vastgesteld door de gemeenteraad op 9 juni 2020. Het doel is een gemeente te creëren met een sterke stad, leefbare buurten en dorpen. Waar inwoners trots zijn op hun woonplaats en kunnen wonen in een woning die aansluit bij hun woonwensen en mogelijkheden. Om dit te bereiken zijn er vier opgaven geformuleerd: -

Passend en betaalbaar wonen voor iedereen; Leefbare en inclusieve buurten; Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad; Strategisch innovatief woonprogramma.

Afweging

Onderhavig plan betreft de omzetting van een agrarische bestemming naar een woonbestemming. De gemeentelijke Woonvisie heeft hier geen specifiek beleid voor en zorgt dan ook niet voor belemmeringen.

Bestemmingsplan “ Heeseind 35a en 37 te Nuland”

3.3.2 Woonvisie 2020

24

3.3.3 Wijzigingsbevoegdheid vigerend bestemmingsplan artikel 31.2 In deze paragraaf wordt getoetst aan de wijzigingsbevoegdheid zoals genoemd in artikel 31.2 van het vigerende bestemmingsplan: ‘Wonen’. In onderhavige ontwikkeling worden de agrarische activiteiten definitief beëindigd. Daartoe wordt overtollige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt, wordt overtollige verharding verwijderd en wordt voorzien in extra landschappelijke inpassing. De bestemming wordt omgezet naar wonen en kleinschalige bedrijvigheid aan huis, in de zin van een timmerbedrijf met maximaal 200 m2 gebruiksoppervlakte, wordt geborgd. Dit past niet direct binnen de regels van het geldende bestemmingsplan. In beginsel handelt het plan in lijn met artikel 31.2, behoudens dat niet wordt voldaan aan de oppervlaktes ‘aan huis gebonden bedrijf’. Dit omdat initiatiefnemer ten behoeve van het kleinschalige timmerbedrijf aan huis 200 m2 van 345 m2 wenst te gebruiken ten behoeve van de opslag van materieel. Derhalve is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk en is een wijzigingsplan niet mogelijk. Ondanks dat het wijzigingsplan niet van toepassing is, worden de wijzigingsvoorwaarden in onderhavig plan wel opgenomen en getoetst omdat deze aspecten toezien op het aspect ‘goede ruimtelijke ordening’.

a. de wijziging niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone landbouwontwikkelingsgebied'; b. voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 20; c. overtollige bebouwing dient te worden gesloopt, met dien verstande dat indien het gezamenlijke oppervlak van vrijstaande bijgebouwen meer bedraagt dan 100 m2 mag, bij sloop van de vrijstaande bijgebouwen, de toegestane oppervlakte aan bijgebouwen worden verhoogd met 50% van de te slopen oppervlakte aan bijgebouwen. Het maximaal toegestaan gezamenlijk oppervlak van vrijstaande bijgebouwen bedraagt, na sloop, 200 m2 per woning; d. de agrarische dan wel niet-agrarische bedrijvigheid is beëindigd; e. indien sprake is van een voormalige boerderij, mag de agrarische verschijningsvorm van de voormalige boerderij niet wezenlijk worden aangetast; f. indien de gronden zijn voorzien van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' gehandhaafd dient te worden; g. de belangen van omliggende agrarische bedrijven mogen door de wijziging niet worden aangetast; h. uit onderzoek is gebleken dat sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat voor wat betreft het aspect geur; i. uit akoestisch onderzoek is gebleken dat kan worden voldaan aan het gestelde bij of krachtens de Wet geluidhinder ten aanzien van de geluidsbelasting op de gevel van de gesplitste woningen; j.

uit milieukundig en cultuurhistorisch bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik; k. het aantal woningen mag niet worden vermeerderd.’ Toetsing Ad. A: de wijziging vindt niet plaats ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone landbouwontwikkelingsgebied'.

Bestemmingsplan “ Heeseind 35a en 37 te Nuland”

‘Burgemeester en wethouder zijn bevoegd voormalige bedrijfswoningen, zoals bedoeld in Artikel 3, Artikel 4 en Artikel 5, dan wel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – voormalige bedrijfswoning', te wijzigen in de bestemming 'Wonen', met dien verstande dat:

25

Ad. B: in het kader van onderhavig initiatief wordt een bestaande vleesvarkensstal gesloopt, wordt overtollige verharding verwijderd, wordt voorzien in extra landschappelijke inpassing en wordt een bestaande loods à 345 m2 duurzaam in stand gehouden. Deze loods zal qua 200 m2 gebruiksoppervlakte dienst doen voor het timmerbedrijf en voor de overige 145 m 2 voor privé opslag ten behoeve van de woonfuncties. De locatie krijgt de bestemming ‘Wonen’ waarbij de bestaande bedrijfswoning als aaneengebouwd wordt bestemd bestaande uit twee wooneenheden. Daarnaast worden het aantal vierkante meters bijgebouwen geborgd tot een maximum oppervlak en wordt de verdeling van het gebruiksvloeroppervlakte van de loods geborgd in het plan, zodat de kleinschalige bedrijfsfunctie in de zin van een timmerbedrijf, niet tot hinder leidt van omliggende locaties. Deze kaders worden opgenomen in onderhavig juridisch planologisch kader die in overeenstemming met het vigerende bestemmingsplan wordt opgesteld. Voor meer informatie zie paragraaf 5.3. Toepassing van de wijzigingsbevoegdheid is niet mogelijk omdat in de planregels ‘Wonen’ in het vigerende bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruik te nemen vloeroppervlakte van het bijgebouw voor bedrijvigheid niet meer bedraagt dan 80 m2.

In onderhavig project is dit oppervlak niet toereikend, aangezien van de te behouden loods 200 m 2 gebruiksoppervlakte dienst zal doen voor het timmerbedrijf en voor de overige 145 m2 voor privé opslag ten behoeve van de woonfuncties. Ad. C: in lijn met het planvoornemen wordt 365 m 2 gesloopt. Het betreft de oude varkensstal. In lijn met de geldende voorwaarden mag per woning 100 m2 bijgebouwen blijven staan. Aangezien 365 m2 wordt gesloopt, mag de toegestane oppervlakte aan bijgebouwen worden verhoogd met 50% van de te slopen oppervlakte. In geval van Heeseind 35a en 37 betekent dat 182,5 m2 bovenop 200 m2 is toegestaan, dus een totaal van 382,5 m2. In onderhavig plan is er sprake van 393 m2 bijgebouwen. Het betreft een tuinhuisje bij huisnummer 35a van 6 m 2, een garage bij 37 van 42 m2 en de te behouden loods van 345 m2. Dit is dus circa 10 m2 meer dan de voorwaarden. Echter, aangezien in lijn met het planvoornemen een milieubelastende activiteit wordt gestaakt, overtollige verharding wordt verwijderd en wordt voorzien in extra landschappelijke inpassing, is de extra 10 m2 bijgebouwen passend. Temeer omdat sloop van extra oppervlakte vanuit economisch oogpunt niet wenselijk is. Ad. D: de agrarische dan wel niet-agrarische bedrijvigheid is reeds beëindigd, behoudens dat een timmerbedrijfje als aan huis gebonden bedrijf wordt gefaciliteerd. Ad.

E: de agrarische verschijningsvorm van de voormalige boerderij wordt niet aangetast.

Ad. G: de belangen van omliggende agrarische bedrijven worden door de wijziging niet aangetast. Deze voorwaarde is onderbouwd in paragraaf 4.1.5 milieuzonering. Ad. H: de ontwikkeling wordt niet belemmerd door het aspect ‘geurhinder’. Voor meer informatie, zie paragraaf 4.1.6. Ad. I: de ontwikkeling wordt niet belemmerd door het aspect ‘akoestiek’. Voor meer informatie, zie paragraaf 4.1.2. Ad. J: in het kader van de ontwikkeling is een bodemonderzoek uitgevoerd en is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Voor meer informatie zie respectievelijk paragraaf 4.1.1 en paragraaf 4.2.1. Ad. K: het bestaande aantal woningen betreft reeds twee stuks. Dit is ook in de toekomstige situatie het geval. Het aantal woningen wordt niet vermeerderd.

Bestemmingsplan “ Heeseind 35a en 37 te Nuland”

Ad. F: er is geen sprake van de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’. De verouderde vleesvarkensstal (365 m2) wordt gesloopt, de landschapsontsierende bebouwing verdwijnt daarmee van het erf. Aspect cultuurhistorie is onderbouwd in paragraaf 4.2.1.

26

Hoofdstuk 4 – Uitvoeringsaspecten Bij de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu)invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Binnen dit hoofdstuk wordt gekeken naar de aspecten bodem, geluid, archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding, verkeer en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortkomende bevindingen zijn in onderstaande paragrafen toegelicht.

4.1 Milieuaspecten 4.1.1 Bodem Besluit ruimtelijke ordening

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen voor onderzoek naar de bestaande toestand en de gewenste kwaliteit van de bodem. Daarnaast moet de uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk worden gemaakt. Zowel bij het opstellen van bestemmingsplannen als bij een omgevingsvergunning voor het afwijken van bestemmingsplannen zal inzicht moeten worden gegeven in de bodemkwaliteit. Zo moet: • worden beoordeeld of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming; • worden beschreven welke beoogde maatregelen worden getroffen; • in de exploitatieopzet de kosten van eventuele saneringsmaatregelen worden meegenomen. Voor elke functiewijziging, al dan niet naar een gevoelige functie, dient onderzoek te worden verricht naar de bodemkwaliteit. Er gelden daarbij andere eisen voor de bestemming wonen dan voor bijvoorbeeld de bestemming bedrijven. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.

Afweging

In voorliggend plan wordt een voormalig agrarisch bedrijf gewijzigd naar een woonbestemming. Hierbij worden beide bedrijfswoningen omgezet naar burgerwoningen en wordt voorzien in de sloop van een varkensstal en het behouden van de bestaande loods à 345 m2. Deze loods zal qua 200 m2 gebruiksoppervlakte dienst doen voor het timmerbedrijf en voor de overige 145 m2 voor privé opslag ten behoeve van de woonfuncties. Met het plan is sprake van een naar bodem gevoelig gebruik. Derhalve dient een bodemonderzoek plaats te vinden op locatie.

Bodemonderzoek NIPA Milieutechniek Een verkennend bodemonderzoek is in december 2022 uitgevoerd door NIPA Milieutechniek conform NEN 5725 en NEN 5740. Met het onderzoek is de huidige bodemkwaliteit vastgelegd. Er zijn in totaal 11 boringen verricht tot 0,5 -mv, 2 boringen tot 2,0 -mv en 1 boring tot 1,5 onder het grondwaterniveau en afgewerkt met een peilbuis. De bodem is vanaf maaiveld tot het diepste punt van de boringen, circa 3,0 meter -mv, opgebouwd uit matig fijn zand. Tijdens de uitvoering van het veldwerk is zintuiglijk in de bodem ter plaatse van één boring een zwakke bijmenging aan baksteen waargenomen. Hierbij zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. De grondwaterstand bevond zich tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden op een diepte van circa 1,5 meter -mv. In het monster met baksteen (MM01) zijn licht verhoogde gehalten aan PAK en minerale olie gemeten, in het mengmonster van de ondergrond (MM04) is een iets lichter gehalte aan PAK gemeten. De licht

Bestemmingsplan “ Heeseind 35a en 37 te Nuland”

Een verkennend bodemonderzoek heeft plaatsgevonden op het erf om te kunnen vaststellen dat de bodem geschikt is voor een woonbestemming. Een samenvatting hiervan staat hieronder beschreven, voor de volledige onderzoeksrapportage zie bijlage 3.

27

verhoogde gehalten zouden gerelateerd kunnen worden aan de voormalige bedrijfsmatige activiteiten of aan geringe aanwezigheid van bijmengingen in de bodem. In de overige mengmonsters (MM02 en MM03) zijn geen van de geanalyseerde parameters boven de achtergrondwaarde gemeten. In het grondwater ter plaatse van de peilbuis is een licht verhoogd gehalte aan koper en molybdeen aangetoond. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Heeseind 35a en 37 te Nuland, kadastraal bekend als gemeente Nuland, sectie B, nummer 4516, blijkt dat zowel de vaste bodem als het grondwater niet (noemenswaardig) verontreinigd zijn met de onderzochte parameters. Omdat de verontreinigingen in slechts een lichte mate zijn aangetoond is de uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek niet zinvol. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig initiatief. Conclusie Het aspect bodem wordt hiermee in voldoende mate geborgd in onderhavig bestemmingsplan en vormt geen belemmering voor het verdere vervolg van het bestemmingsplan.

4.1.2 Geluidhinder In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: • •

wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

Ook dient hierbij gekeken te worden dat bepaalde te ontwikkelen inrichtingen geen negatieve invloed hebben op het woon- en leefklimaat van omliggende gevoelige functies.

Afweging

Afbeelding 10 Ligging plangebied in kaart 'Geluid wegverkeerslawaai’ (rood omlijnd)

Bestemmingsplan “ Heeseind 35a en 37 te Nuland”

In de Wet geluidhinder wordt geen onderscheid gemaakt tussen bedrijfswoning, woning of plattelandswoning. Er is reeds sprake van een woonfunctie op locatie. Binnen de Wgh zijn de bestaande woningen dus al gelegaliseerd. De ligging van de planlocatie ten opzichte van de nabijgelegen weg vormt derhalve geen belemmering. Dit betekent dat het verrichten van akoestisch onderzoek voor wat betreft wegverkeerslawaai niet benodigd is.

28

Wel dient het huidige woon- en leefklimaat kort te worden beschouwd. Dit kan kwalitatief. Hiervoor is voor het wegverkeerslawaai een uitsnede uit de gemeentelijke geluidskaarten bijgevoegd. Zie voorgaande afbeelding. Op 450 meter ten zuiden van het plangebied is de spoorweg die ’sHertogenbosch en Oss verbindt, gelegen. Voor het spoorlawaai een uitsnede uit de landelijke kaarten voor het spoorgeluid bijgevoegd. Zie navolgende afbeelding.

Afbeelding 11 Ligging plangebied in kaart 'Geluid spoorwegen' (locatie rood aangeduid)

De belasting van wegverkeerslawaai (Heeseind, 60 km/h) op de gevel is hier circa 59/60 dB (zonder aftrek). De belasting van spoorweglawaai ligt hier ver beneden de voorkeurswaarde van 55 dB. De achterzijde van beide woningen kunnen als luw worden beoordeeld. Het plangebied is voor het overige niet gelegen binnen een geluidszone van industrie. Voor wat betreft de richtafstanden ten aanzien van geluid zie paragraaf 4.1.5 milieuzonering. Conclusie Het aspect geluidhinder wordt hiermee in voldoende mate geborgd in onderhavig bestemmingsplan.

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM

Bestemmingsplan “ Heeseind 35a en 37 te Nuland”

4.1.3 Luchtkwaliteit

29

(Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: • •

het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3).

De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. NIBM De ontwikkeling die onderhavig bestemmingsplan mogelijk maakt, valt niet direct onder een categorie uit de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’. Aan de hand van een berekening moet aangetoond worden dat de bijdrage van de beoogde ontwikkeling NIBM is. Ten behoeve van een dergelijke berekening heeft het voormalige ministerie van VROM in samenwerking met InfoMil een rekentool ontwikkeld: de NIBM-tool. Hiermee kan op een eenvoudige en snelle manier bepaald worden of er sprake is van een NIBM-bijdrage. In de NIBM-tool dient alleen het extra aantal voertuigbewegingen als gevolg van een ontwikkeling te worden ingevoerd. Op basis van de NIBM-tool draagt de ontwikkeling ‘in betekende mate bij’ indien de ontwikkeling 1.450 extra voertuigbewegingen per dag tot gevolg heeft. Onderhavig ontwikkeling heeft geen toename van 1.450 extra voertuigbewegingen per dag tot gevolg. Voor meer informatie omtrent de verkeersgeneratie, zie paragraaf 4.2.4 ‘Verkeer en parkeren’.

Kortom, het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) bedroeg de concentratie PM2,5 in 2021 tussen de 6 en 8 µg/m³, de concentratie PM10 minder dan 14 en 16 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen de 10 en 15 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal door voortschrijdende technologie de toekomstige situatie verder verbeteren en zal er sprake zijn van een duurzame toekomstige bedrijfsvoering.

Bestemmingsplan “ Heeseind 35a en 37 te Nuland”

Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM2,5 en PM10) van belang. De geldende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.

30

Conclusie

Uit bovenstaand resultaat blijkt dat de bijdrage van voertuigbewegingen van en naar het plangebied in het kader van de luchtkwaliteit beschouwd kan worden als niet in betekenende mate. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruimschoots voldoende. De voorgenomen ontwikkeling is niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Verder onderzoek op dit punt is in het kader van de functiewijziging, de aanbouw van de loods, en de sloop van de stallen niet noodzakelijk.

4.1.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.

Landelijk beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.

Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie.

Afbeelding 12 Ligging plangebied in beleidsvisie externe veiligheid (locatie blauw aangeduid)

Bestemmingsplan “ Heeseind 35a en 37 te Nuland”

Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 'sHertogenbosch

31

Toetsing

De beoogde ontwikkeling voorziet in een ontwikkeling van (beperkt) kwetsbare objecten. Weliswaar neemt het aantal kwetsbare objecten niet toe. Ook het Groepsrisico zal niet toenemen (het zijn bestaande woningen). Een belemmering is er dus niet. Met onderhavige ontwikkeling is er sprake van een functiewijziging van twee voormalige agrarische bedrijfswoningen naar burgerwoningen. Daarnaast wordt voorzien in de sloop van een varkensstal en het behouden van de bestaande loods à 345 m2. Deze loods zal qua 200 m2 gebruiksoppervlakte dienst doen voor het timmerbedrijf en voor de overige 145 m 2 voor privé opslag ten behoeve van de woonfuncties. De bewoners worden als normaal zelfredzaam beschouwd. Deze objecten worden beschouwd als kwetsbaar object (naar analogie van het Bevi). Hiervoor zijn in het Uitvoeringskader EV, deel C de eisen geformuleerd. Deze eisen zijn vertaald in kleurenkaarten. De beoogde ontwikkeling vindt plaats in een groen gebied. Ter impressie zie voorgaande afbeelding. Hier is vestiging van nieuwe kwetsbare objecten in principe toelaatbaar. Van nieuwvestiging is echter geen sprake van in onderhavig planvoornemen. Desondanks moet worden getoetst of er in de nabije omgeving sprake is van risicofactoren in het kader van externe veiligheid.

Inrichting LPG-tankstation van Heesch (Elst 18 te Geffen) Het toetsingskader voor externe veiligheid wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen, op basis waarvan ten behoeve van het groepsrisico rekening moet worden gehouden met een invloedsgebied van 150 meter rondom vulpunt en ondergrondse tank. De afstand tot het plangebied is ca. 1.950 meter. Vanzelfsprekend reiken daardoor ook de plaatsgebonden risicocontouren niet tot het plangebied. Het LPG-tankstation heeft derhalve geen invloed op de ontwikkeling. Overige ontwikkelingen zijn op grotere afstand gelegen. Er wordt derhalve ruimschoots voldaan aan de geldende richtafstanden. Risicovol transport door buisleidingen Er vindt in de directe omgeving van het plangebied transport van gevaarlijke stoffen plaats door buisleidingen. Op circa 1.250 meter afstand ten oosten van het plangebied is een ondergrondse aardgasleiding van I&M transport gelegen (A-527-05). Voor deze gasleiding geldt een beperkte risicocontour (PR10-6) die niet tot het plangebied reikt. Het invloedsgebied van deze buisleiding bedraag 140 meter. De afstand van het plangebied ten opzichte van de buisleiding is voldoende. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het planvoornemen niet wordt belemmerd door het Bevb.

Bestemmingsplan “ Heeseind 35a en 37 te Nuland”

Afbeelding 13 Uitsnede Risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauw omlijnd)

32

Risicovol transport over spoorwegen en water Het plangebied ligt op circa 450 meter van de spoorweg die ’s-Hertogenbosch en Oss verbindt. Over deze spoorweg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De spoorlijn is opgenomen in het Basisnet Spoor. In bijlage 2 van de Regeling Basisnet zijn de risicoplafonds weergeven voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het afstand van het spoor tot het plangebied is ruimschoots genoeg en heeft geen invloed op het plaatsgebonden-, of groepsrisico. Daarnaast is de ligging van het plangebied buiten de 325 meter zone van het spoor op basis van de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente ’s-Hertogenbosch. In overleg met de Veiligheidsregio is afgesproken dat in het kader van verantwoording groepsrisico voor deze afstand geen formeel advies wordt gevraagd en betrokken bij plannen. Risicovol transport over wegen Er vindt in de directe omgeving van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats over wegen. Bovendien is een toename van het groepsrisico niet van toepassing, aangezien het aantal bewoners niet zal toenemen. Het planvoornemen vormt dus geen belemmering. Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.1.5 Milieuzonering Algemeen

In dit geval dient te worden uitgegaan van het omgevingstype gemengd gebied, omdat in de omgeving van het projectgebied als bebouwingsconcentratie diverse soorten bedrijven, functies en activiteiten voorkomen. In de omgeving van het plangebied vinden enkele bedrijfsactiviteiten plaats. Ter hoogte van Heeseind 39 te Nuland is grenzend aan het perceel een bedrijf gelegen. Het betreft een melkveehouderij

Bestemmingsplan “ Heeseind 35a en 37 te Nuland”

Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. In de voorgaande tabel zijn de richtafstanden weergegeven, zoals deze gelden voor een rustige woonwijk en voor een gemengd gebied.

33

(milieucategorie 3.2). Bij geur vanuit een melkrundveehouderij dient te worden beoordeeld op vaste afstanden veehuisvesting (Wgv). Ter plaatse van Heeseind 34b en 36 is een gemengd bedrijf, varkenshouderij met milieucategorie 4.1 gelegen, op een afstand van 15 meter (bouwvlak tot bouwvlak). Tot slot is ter plaatse van Heeseind 38 een bedrijf met milieucategorie 3.1 gelegen, het betreft een geiten- en schapenhouderij en agrarischtechnisch en agrarisch verwant bedrijf, op een afstand van 10 meter (bouwvlak tot bouwvlak).

Toetsing

Beoordeling woonfunctie Onderhavige ontwikkeling betreft de wijziging van een agrarische bedrijfslocatie naar woonfuncties. De omzetting van de bedrijfswoning naar burgerwoningen dient getoetst te worden op basis van het woonen leefklimaat op locatie en ten opzichte van omliggende bedrijfsactiviteiten. Kijkend naar de ontwikkeling zijn de burgerwoningen vanuit milieuhygiënisch oogpunt niet nieuw ten opzichte van omliggende bedrijfsactiviteiten ter plaatse van Heeseind 34b en 36, Heeseind 38 en Heeseind 39 zoals hierboven genoemd. De huidige bedrijfswoningen werken nu in dezelfde mate ‘maatgevend’ ten opzichte van de bedrijfsontwikkelingen van deze omliggende bedrijven. Daarnaast zijn andere woningen in de straat ook milieugevoelige functies, deze dienen reeds als maatgevend worden beschouwd waardoor de bedrijfsontwikkelingen ter plaatse van Heeseind 34b en 36, Heeseind 38 en Heeseind 39 reeds worden belemmerd. Onderhavige ontwikkeling leidt derhalve niet tot een ontwikkelingsbeperking van de omliggende bedrijfsactiviteiten.

Beoordeling kleinschalige bedrijfsfunctie In het kader van het planvoornemen blijft ter plaatse van Heeseind 37 sprake van een duurzame instandhouding van de loods. De loods is voorzien van zonnepanelen en heeft een omvang van 345 m2. Deze loods zal voor 200 m2 gebruiksoppervlakte dienst doen voor het timmerbedrijf en voor de overige 145 m2 voor privé opslag ten behoeve van de woonfuncties. Wat betreft het toekomstige gebruik geldt dat op basis van de (indicatieve) VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 geen directe categorie is opgenomen die volledig overeenkomt met de activiteiten van het timmermansbedrijf dat zoon van initiatiefnemer voornemens is om op locatie uit te voeren. Het timmermansbedrijf zal een gedeelte van de stal benutten als opslagruimte van handgereedschap, werktuigen en hout. Er zal 200 m2 gebruiksoppervlakte worden benut voor kleinschalige bedrijvigheid in de zin van opslag en assemblage van producten. Gelet op het type activiteiten en het inpandige bedrijfsoppervlak van het timmermansbedrijf zouden de activiteiten overeen kunnen komen met de categorie ‘Aannemersbedrijf met werkplaats < 1000 m2’. Het betreft een milieucategorie 2, met een richtafstand van 10 meter richtafstand meter voor geluid in gemengd gebied. Met deze afstand wordt dan ook voldaan aan de nabije (aangrenzende) woning in het plangebied.

Bestemmingsplan “ Heeseind 35a en 37 te Nuland”

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het daarnaast noodzakelijk op locatie een goed woon- en leefklimaat te borgen. Dit geschiedt middels de omgevingsaspecten en richtafstanden. Het aspect geur is reeds onderbouwd in paragraaf 4.1.6. Voor wat betreft geluid geldt een minimale afstand van 10 meter. De afstand van de aaneengeschakelde woning Heeseind 35a-37 naar het bouwvlak van het bedrijf ter plaatse van Heeseind 39 is 7,5 meter. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de voormalige gemeente Maasdonk (2012) is opgenomen dat de minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens voor bedrijfsgebouwen en woningen 5 meter moet zijn. Het dichtstbijzijnde bedrijfsgebouw zou dus op 12,5 meter van de woningen gevestigd mogen worden. Hiermee is voor wat betreft geluid ook een goed woon- en leefklimaat geborgd. Overige aspecten zoals gevaar en stof hebben een grotere afstand en zijn dus niet belemmerend voor onderhavige ontwikkeling. Ter plaatse van de twee burgerwoningen zal derhalve sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

34

In het kader van het vigerende bestemmingsplan is reeds afgewogen dat de huidige functie op locatie passend is ten opzichte van de omliggende milieugevoelige functies (burgerwoningen en bedrijfswoningen). Doordat de toekomstige functie leidt tot een afname aan milieubelasting leidt dit tot een verbetering van het woon- en leefklimaat van milieugevoelige functies in de omgeving. Bovendien zijn alle milieugevoelige functies gelegen op een grotere richtafstand dan hierboven genoemd. Het planvoornemen leidt derhalve niet tot een belemmering van omliggende milieugevoelige functies.

Conclusie

Het aspect milieuzonering wordt hiermee in voldoende mate geborgd in onderhavig bestemmingsplan.

4.1.6 Geurhinder veehouderijen Beleid

Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins. Gezien de typering van het plangebied, namelijk gelegen in het buitengebied is geur hier een relevant aspect. Geur kan in de leefomgeving in meer of minder mate hinder veroorzaken en kan om die reden ook gezondheidsrisico's met zich meebrengen. De geuremissie verspreidt zich via de lucht en op de woon- en leefomgeving wordt een geurbelasting veroorzaakt. Er dient een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig te zijn, maar tevens dienen omliggende bedrijven (veehouderijen) niet in hun bedrijfsontwikkeling(en) worden belemmerd. Geurbelasting kan op twee manieren worden uitgedrukt. Voor de geurbelasting van landbouwhuisdieren waarvoor geen zogenaamde geuremissiefactor is aangewezen, zijn er vaste afstanden vastgesteld. Onder geurbelasting als gevolg van intensieve veehouderij waar landbouwhuisdieren worden gehuisvest met een geuremissiefactor verstaan we de hoeveelheid geur, uitgedrukt in odourunits per kubieke meter lucht, die op een geurgevoelig object, zoals een woning 'terecht' komt. Deze hoeveelheid kan in situaties worden berekend met het wettelijk vastgestelde luchtmodel V-stacks. De afstand tussen geuremitterende bedrijven en geurgevoelige bestemmingen is daarbij van grote invloed.

De geurbelasting op een gebied is relevant voor een beoordeling van het woon- en leefklimaat en dient beschouwd te worden om bijvoorbeeld woningbouw te realiseren. Geur van veehouderijen heeft dus gevolgen voor het woon- en leefklimaat van mensen en voor het gebruik van de ruimte.

De Wgv biedt de mogelijkheid aan gemeenten om in afwijking van de wettelijk gestelde geurnorm afwijkende geurnormen vast te stellen om zodoende maatwerk te kunnen leveren voor de betreffende omgeving. Door de gemeente 's-Hertogenbosch is een gemeentelijke geurverordening vastgesteld.

Toetsing

In de huidige situatie wordt geur geëmitteerd door de thans aanwezige veehouderijen in de omgeving van het beoogde plangebied. Thans is met onderhavige ontwikkeling van agrarisch naar wonen geen sprake van een wijziging van de reeds aanwezige woonfunctie. De woonfunctie die reeds aanwezig was in een bedrijfswoning op locatie wordt met voorliggend plan niet geïntensiveerd. Desalniettemin is in het kader van een goede ruimtelijke ordening en in het kader van het beoordelen of dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat, de geurbelasting in beeld gebracht. Derhalve is in lijn met onderhavig plan een memo milieuaspecten (geurhinder en endotoxine) opgesteld. Hierbij is de achtergrondbelasting geur en voorgrondbelasting geur inzichtelijk gemaakt Een

Bestemmingsplan “ Heeseind 35a en 37 te Nuland”

Veehouderijen moeten voor wat betreft geur van dierenverblijven voldoen aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en aan de in het Activiteitenbesluit genoemde minimaal aan te houden afstand(en) tot geurgevoelige objecten. Verder dienen op grond van de Wet milieubeheer beste beschikbare technieken te worden toegepast. Het Activiteitenbesluit geeft ook minimaal aan te houden afstanden tot geurgevoelige objecten voor opslagen van agrarische bedrijfsstoffen, zoals vrij liggende mestbassins. Voldoen aan de gestelde afstanden of aan het regime van de Wgv dient ter voorkoming van geurhinder.

35

samenvatting hiervan staat hieronder beschreven, voor de volledige onderzoeksrapportage zie bijlage 4. Achtergrondbelasting geur In navolgende afbeelding is de beoordeling van het leefklimaat schematisch weergegeven. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een matig woon- en leefklimaat. De achtergrondbelasting geur bedroeg in maart 2022 13 tot 20 ouE/m3. Het initiatief leidt tot een verbetering van de situatie, omdat de intensieve veehouderij definitief wordt gestaakt.

Conform de gebruikershandleiding Wet geurhinder en veehouderij zijn alle geurbronnen binnen een straal van 2 km betrokken. De brongegevens zijn afkomstig uit WEB BVB en gebaseerd op defaultwaarden. Als brongegevens zijn de bronnen uit de gemeente ’s-Hertogenbosch meegenomen. De receptorpunten zijn binnen een straal van 2 km rondom de inrichting betrokken. De achtergrondbelasting van geur is berekend met het daarvoor aangewezen verspreidingsmodel V-stacks gebied V2010.1. Navolgend zijn de berekeningsresultaten weergegeven. In de bijlagen zijn de in- en uitvoergegevens opgenomen.

Tabel 1a: Berekeningsresultaten achtergrondbelasting (V-stacks gebied) Cumulatieve geurbelasting op rectorpunten, zoals berekend Recep ID X-coor Y-coor Geurnorm 1000 157497 416360 1001 157497 416351 1002 157513 416361 1003 157514 416350

Geurbelasting [OU/m3] 20 20 20 20

19.84 17.90 18.10 18.44

Adres Heeseind 35a linksboven Heeseind 35a linksonder Heeseind 37 rechtsboven Heeseind 37 rechtsonder

Uit de berekeningsresultaten volgt dat nergens een te hoge achtergrondbelasting van geur is, waardoor sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

Bestemmingsplan “ Heeseind 35a en 37 te Nuland”

Afbeelding 14 Uitsnede achtergrondgeurbelasting met globale aanduiding plangebied (rood omlijnd)

36

Gezien de hoogte van de achtergrondbelasting geur kan gesteld worden dat de voorgrondbelasting geur automatisch ook aan de plaatselijk vastgestelde geurnorm (voor het buitengebied van ’s-Hertogenbosch en Nuland) van 10 OU E/m 3 voldoet. Voorgrondbelasting geur Desondanks is een voorgrondbelasting geurberekening gemaakt voor de emissie van de varkenshouderij aan Heeseind 36 en de schapenhouderij aan Heeseind 38 te Nuland. Hiertoe zijn beschikkingen, geurberekening en plattegrondtekeningen gebruikt die zijn verkregen via de gemeente ’s Hertogenbosch / ODBN. Conform de uitgevoerde berekening blijft de voorgrondbelasting ter plaatse van de vier toetspunten van Heeseind 35a en 37 overal ruimschoots onder de norm van 10 OU/m3. De geurbelasting vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling aan Heeseind 35a en 37. Gezien de hoogte van de voorgrondbelasting geur ten opzichte van de achtergrondbelasting geur kan gesteld worden dat de achtergrondbelasting geur bepalend is voor de effecten op Heeseind 35a en 37. Vaste afstanden Met betrekking tot de veehouderij aan Heeseind 39 dient gesteld te worden dat sprake is van een melkrundveehouderij. Hier gelden geen geuremissies voor maar vaste afstandsnormen. Voor wat betreft richtafstanden heeft de voormalige gemeente Maasdonk in de Geurverordening geen afwijkend beleid opgenomen.

Voor richtafstanden dienen dus de afstanden uit de Wgv aangehouden te worden. In het buitengebied dient hiervoor 25 meter aangehouden te worden tussen het hoekpunt van de stal en de her te bestemmen woning(en) en 50 meter tussen het dichtstbijzijnde emissiepunt van de melkrundveehouderij en de her te bestemmen woning(en).

Ter bescherming van de woonfuncties en ter bescherming van de Heeseind 39 is in het kader van onderhavig juridisch planologisch kader een regeling opgenomen waarbij wonen alleen is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘aaneengebouwd’. Dit is ter plaatse van de bestaande woning Heeseind 35a-37. Algehele herbouw van een woning mag uitsluitend plaatsvinden op de bestaande fundamenten. Door deze regelingen zal de gevel van de woning Heeseind 35a-37 nooit dichterbij komen te liggen bij het emissiepunt van de melkveehouderij Heeseind 39. Dit zorgt ervoor dat de omliggende bedrijven voor aspect geur niet gehinderd worden in de ontwikkelingsmogelijkheden. Voor meer informatie zie paragraaf 5.3. Conclusie Vanuit geurhinder en veehouderijen bestaan er wat betreft de functiewijziging geen belemmeringen. Bovendien is een goed woon- en leefklimaat geborgd. Voor een nadere duiding van het juridisch planologisch kader zie paragraaf 5.3. Het aspect geurhinder wordt hiermee in voldoende mate geborgd in onderhavig bestemmingsplan.

Bestemmingsplan “ Heeseind 35a en 37 te Nuland”

Op grond van de geurwetgeving hebben agrarische bedrijfswoningen (al dan niet aangewezen als plattelandswoning) ten opzichte van geuremissies van derde veehouderijbedrijven een gelijke mate van bescherming. Door de functiewijziging wijzigt de feitelijke situatie op locatie niet. Bij onderhavige ontwikkeling, waarbij sprake is van een functiewijziging van agrarisch naar wonen, is er geen sprake van een wijziging van de reeds aanwezige woonfunctie. De woonfunctie die reeds aanwezig was in de bedrijfswoning op locatie wordt met voorliggend plan niet geïntensiveerd.

37

4.1.7 Gezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0 Het bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) heeft een Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid opgesteld (25 november 2016). Deze notitie bevat als hulpmiddel voor bevoegde gezagen een systematiek om de endotoxineblootstelling van omwonenden van veehouderijen te beoordelen en helpt bevoegde gezagen om vergunningaanvragen te toetsen aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3 endotoxinen.

De volgende uitgangspunten worden in de notitie gehanteerd: • Uit voorzorg voorkomen dat door nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde wordt overschreden en daar waar deze al overschreden wordt voorkomen dat de overschrijding toeneemt; • Bedrijfsontwikkeling op alle varkens- en pluimveehouderijen die leiden tot een hogere (fijnstof)emissie kunnen gevolg hebben dat nieuwe overschrijdingen ontstaan of bestaande overschrijdingen worden vergroot; • Bedrijfsontwikkeling in een veedicht gebied kunnen als gevolg van cumulatie van de endotoxine uitstoot tot gevolg hebben dat nieuwe overschrijdingen ontstaan of bestaande overschrijdingen worden vergroot; • Andere veehouderijsectoren emitteren relatief weinig fijnstof en de bijdrage aan een mogelijke overschrijding van de adviesgrenswaarde door cumulatie is beperkt; • Een grote mate van overschrijding van de endotoxine advieswaarde, individueel danwel door cumulatie in een gebied, kan reden zijn om na te denken over een vermindering van fijnstofendotoxine emissie van de veehouderij; • Voorzorg in het belang van de gezondheid van omwonenden is de drijfveer voor deze notitie.

De dichtstbijzijnde actieve veehouderij betreft Heeseind 36 te Nuland. Volgens http://krd.igoview.nl is er sprake van een fijnstof emissie van 75,076 kg per jaar. De inrichting betreft een varkenshouderij. Volgens het endotoxinen toetsingskader 1.0 hoort hier een berekende afstand bij van 28 meter. Zie onderstaande tabel:

Tabel 2: Afstand endotoxinen Heeseind 36 te Nuland PM10 invullen berekende (kg/jaar) afstand (m) Heeseind 36

75

28

Werkelijke afstand (m) 82

De werkelijke afstand vanuit het dichtstbijzijnde hoekpunt van deze veehouderij bedraagt volgens onderstaande figuur 82 meter. De emissiepunten van de veehouderij zijn zeker verder weg gelegen dan het dichtstbijzijnde hoekpunt van de veehouderij. Overige intensieve veehouderijen zijn op grotere afstand gelegen en vormen vanuit endotoxine geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.

Bestemmingsplan “ Heeseind 35a en 37 te Nuland”

Veehouderijen De situatie verandert niet voor wat betreft woon- en leefklimaat. De bedrijfswoning is al eerder getoetst voor endotoxine, bij ontwikkelingen van omliggende bedrijven. Desalniettemin is in het kader van een goede ruimtelijke ordening en in het kader van het beoordelen of dat er sprake is van een goed woonen leefklimaat, de endotoxine in beeld gebracht. In lijn met onderhavig plan is een memo milieuaspecten (geurhinder en endotoxine) opgesteld. Hierbij is endotoxine inzichtelijk gemaakt Een samenvatting hiervan staat hieronder beschreven, voor de volledige onderzoeksrapportage zie bijlage 4.

38

Bovendien leidt de ontwikkeling niet tot een belemmering ten opzichte van omliggende veehouderijbedrijven. Geitenhouderijen Voorts zijn er binnen 2 km rondom het plangebied Heeseind 35a/37 twee geitenhouderijen. Het geitenmoratorium beperkt de ontwikkeling van de geitenhoudenrijen en adviseert bij ontwikkelingen van een woonbestemming binnen 2 km van een geitenhouderij het aspect gezondheid in het besluit af te wegen. De gemeente ’s-Hertogenbosch geeft voorrang aan een nieuwe woonbestemming zolang de oorzaak niet vaststaat. Echter is in het planvoornemen geen sprake van bewoning door méér mensen en wordt de woonfunctie niet geïntensiveerd. De huidige bewoners blijven in het voornemen op dezelfde plaats wonen. Er vindt dus geen onaanvaardbare aantasting plaats van het woon- en leefklimaat. Derhalve kan gesteld worden dat de functiewijziging van agrarisch naar wonen in kader van endotoxinen uitvoerbaar is. Spuitzones In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse akkerbouwlanden aanwezig waar mogelijk gewasbescherming wordt toegepast. De ontwikkeling betreft een wijziging van de bestemming waarbij geen gebouwelijke wijzigingen aan het bestaande woonhuis worden gedaan. Met het initiatief wordt enkel voorzien in sloop. In lijn met de landschappelijke inpassing zullen de woonpercelen worden afgeschermd met groenelementen wat de kans op drift aanzienlijk verminderd.

Kortom gelet op de omvang, afstanden en landschapsmaatregelen vormen de spuitzones geen belemmering voor het planvoornemen. Hoogspanningsleidingen In de nabijheid van onderhavige ontwikkeling zijn geen hoogspanningsleidingen gelegen met een bestemmingsplanplichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Vanuit endotoxine bestaan er wat betreft de functiewijziging geen belemmeringen.

4.2 Fysieke aspecten 4.2.1 Cultureel erfgoed 4.2.1.1 Archeologie

Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor het archeologiebeleid en heeft de provincie zich hiervan teruggetrokken. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Een aantal onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaat over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Voor archeologie gaat het onder meer om: •

het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen;

Bestemmingsplan “ Heeseind 35a en 37 te Nuland”

Algemeen

39

• • •

de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie; de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen.

Archeologisch beleidskader

Een verantwoord beheer van het archeologisch bodemarchief in de gemeente kan niet zonder een gedegen inzicht in de ligging van alle bekende archeologische waarden en verwachtingen. Op de geactualiseerde gemeentelijke archeologische verwachtingskaart (die nog niet door de gemeente officieel is vastgesteld, beschikbaar gesteld door S. Molenaar van de gemeente), heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting. De noordoostelijke rand van het plangebied ligt binnen de zone die staat aangegeven als historische kern en voor het zuidelijke deel van het plangebied, waar de te slopen stal ligt en waar landschappelijke inpassing is voorzien, geldt geen verwachting meer, omdat daar de grond in het verleden is verstoord.

Afbeelding 15 Globale aanduiding planlocatie (rood) en aanduiding dubbelbestemming Archeologie hoge verwachtingswaarde (blauw omlijnd)

Bestemmingsplan “ Heeseind 35a en 37 te Nuland”

De aanduidingen zoals opgenomen in de archeologische beleidskaart zijn overgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het plangebied dan ook gedeeltelijk gelegen in een gebied dat is aangemerkt met dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie hoge verwachting’. Ter impressie, zie navolgende afbeelding.

40

Ter plaatse van de dubbelbestemming geldt een archeologische onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een verstoringsoppervlakte van meer dan 200 m2 en meer dan 30 cm diepteverstoring. De sloop van de vleesvarkensstal (365 m2) en het verwijderen van overtollige verharding, levert een verstoord oppervlakte van meer dan 200 m2 op. Archeologisch onderzoek wordt dus noodzakelijk geacht. In het kader van deze onderbouwing is een archeologisch bureauonderzoek en verkennend veldonderzoek uitgevoerd door KSP Archeologie. Een samenvatting van het uitgevoerde onderzoek wordt hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in bijlage 5. Onderzoeksresultaten Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging op een lage dekzandrug en de archeologische onderzoeksmeldingen en vondstlocaties uit de omgeving is aan de noordelijke helft van het plangebied een middelhoge verwachting en aan de zuidelijke helft geen verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw).

Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische ontwikkeling een lage verwachting aan de noordelijke helft van het plangebied en geen verwachting aan de zuidelijke helft toegekend.

Op grond van de aangetroffen bodemverstoringen wordt voor de zuidelijke helft van het plangebied geen archeologische vervolgonderzoek aanbevolen ongeacht de diepte van de ingrepen. Wanneer in de noordelijke helft van het plangebied ingrepen plaatsvinden die dieper reiken dan 30 cm-mv wordt vervolgonderzoek aanbevolen. Aangezien de ingrepen in de zuidelijke helft van het plangebied zijn gepland, worden er geen potentieel aanwezige archeologische resten bedreigd. KSP Archeologie adviseert om de archeologische dubbelbestemming voor de zuidelijke helft van het plangebied te laten vervallen en voor de noordelijke helft te handhaven. In onderstaande afbeelding is op een luchtfoto aangegeven waar de boringen zijn gedaan en waar al dan niet vervolgonderzoek benodigd is bij bodemingrepen.

Conclusie Onderhavige ontwikkeling betreft de omzetting naar een woonbestemming, de sloop van een varkensstal, het verwijderen van overtollige verharding, het behouden van de bestaande loods à 345 m2. Deze loods zal qua 200 m2 gebruiksoppervlakte dienst doen voor het timmerbedrijf en voor de overige 145 m2 voor privé opslag ten behoeve van de woonfuncties. Het verwijderen van verharding en het slopen van de verouderde varkensstal vindt plaats ter plaatse van de groene arcering in voorgaande afbeelding. Vervolgonderzoek is dus niet nodig en aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

Bestemmingsplan “ Heeseind 35a en 37 te Nuland”

Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende. Uit het booronderzoek is gebleken dat de enkeerdgrond met eventueel nog resten van een podzolbodem alleen nog aanwezig is in boring 1 en 2 en richting het zuiden gaand geheel verdwijnt en zeker vanaf boring 3 niet meer aanwezig is. Vanaf boring 3 heeft zeker zandwinning plaatsgevonden en is de C-horizont tot grote diepte afgegraven, waardoor daar eventueel aanwezige archeologische sporen niet meer bewaard zijn gebleven. Op basis hiervan is blijft de middel hoge verwachting voor de noordelijke helft alsmede de geen verwachting voor de zuidelijke helft voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) gehandhaafd. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor de noordelijke helft en de geen verwachting voor de zuidelijke helft voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen.

41

Bestemmingsplan “ Heeseind 35a en 37 te Nuland”

Afbeelding 16 Plangebied met aanduiding wel/niet vervolgonderzoek (bron: KSP Archeologie)

42

4.2.1.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Het plangebied ligt volgens de provinciale cultuurhistorische waardenkaart direct ten zuiden van de Beerse Overlaat. De Beerse Maas is een overlaatsysteem dat eeuwenlang het landschap en bodemgebruik heeft bepaald. Tal van dijken, kaden weteringen en sluizen herinneren aan de wateroverlast, die vrijwel ieder jaar plaatsvond. De Beerse Overlaat en De Baardwijkse Overlaat, die er deel van uitmaakte, was het grootste overlaatsysteem in Nederland. De overlaat is pas gesloten in 1942.

Afbeelding 17 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart uit 2016 met ligging plangebied (blauw gearceerd)

Het Heeseind wordt beschouwd als historische stedenbouw met een hoge cultuurhistorische waarde. Het bebouwingsbeeld is eenlaags en vrijstaand, met de nok parallel aan de straat. De rooilijn is ongelijkmatig doordat de bebouwing doorgaans verspreid van de straat ligt. De relaties tussen de lintbebouwing en de omringende, open landbouwgronden zijn grotendeels intact en leveren vooral aan de noordzijde van de bebouwing sterke zichtrelaties over een open en nagenoeg leeg land op. Verder is het groen aan het Heeseind ook van hoge cultuurhistorische waarde. Het is een bijzondere combinatie van een dijk met oude bomen en relicten van oud bos daterend uit de periode 1850-1915.

Bestemmingsplan “ Heeseind 35a en 37 te Nuland”

De ontwikkelingsstrategie voor deze regio is als volgt: Planologische bescherming van de waarden en kernmerken.

43

Daarnaast is er een indicatieve archeologische waarde met hoge trefkans gekenmerkt aan de noordoostelijke kant van het plangebied. Deze is reeds besproken. Voor het overige zijn in de directe omgeving van het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen danwel Rijksmonumenten aanwezig. In het kader van onderhavige ontwikkeling wordt aangesloten bij de cultuurhistorische waarden van het landschap door toepassing van een landschappelijk inpassingsplan. Voor meer informatie zie paragraaf 2.4. Daarnaast wordt in het kader van zorgvuldig ruimtegebruik met het plan binnen de huidige grenzen van het bouwvlak gebleven, waardoor negatieve invloeden op omliggende cultuurhistorische waarden zoveel mogelijk tot het minimum worden beperkt. De uiteindelijke sloop van de verouderde stal betreft geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Conclusie Vanuit archeologie en cultuurhistorie bestaan er geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.

4.2.2 Ecologie Wetgeving

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Nationaal Natuurnetwerk (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13813917/1