b1 Ruimtelijke motivering Dungense Polder
Tekst van het document
17
Conclusie
langdurige periodes van droogte. Om wateroverlast door extreme neer-
de groennorm. Daarom kan een nadere uitwerking aan de hand van de
Het initiatief is in lijn met de ambities voor de Groene Delta.
slag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het onder meer van
groennorm achterwege blijven. Dit laat onverlet dat het planvoornemen
belang dat voldoende waterberging op eigen terrein wordt gerealiseerd.
voorziet in het toevoegen van kwalitatief aardevolle groenelementen en
Daarom is in de verordening onder meer de verplichting opgenomen om
hierdoor wel aansluit bij de uitgangspunten en ambities, die in de veror-
De Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021 is door
hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarbij een hemelwatervoor-
dening zijn geformuleerd.
de gemeenteraad vastgesteld op 9 maart 2021. Deze verordening be-
ziening met een bepaalde capaciteit moet worden gerealiseerd.
4.4.4
Verordening Bomen, Water en Groen (2021)
4.4.5
staat uit drie onderdelen: bomen, water en groen en behoort bij de visie
Hoogwater Aanpak Brabant Oost (HoWaBo)
's-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig. In de verordening worden
Groen
HoWaBo is een initiatief om ’s-Hertogenbosch en omgeving te bescher-
regels gesteld over het vellen van houtopstanden (bomen), het lozen
In de verordening is een groennorm opgenomen voor plannen waarbij
men tegen overstromingen veroorzaakt door extreem hoogwater en he-
van hemelwater en grondwater en het realiseren van groen. Het doel
meer dan 500 m² nieuwe/ vernieuwde verharding wordt gerealiseerd.
vige neerslag. Door klimaatverandering neemt de frequentie van dergelijke periodes toe, waardoor er behoefte is aan een structurele aanpak.
hiervan is het beperken van de gevolgen van klimaatverandering. Door de gevolgen van klimaatverandering wordt de gemeente 's-Hertogen-
Doorwerking projectgebied
De betrokken partijen, waaronder waterschappen, gemeenten, de pro-
bosch kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neer-
Bomen
vincie en Rijkswaterstaat, werken samen aan een plan om de waterber-
slag. Ook is sprake van achteruitgang van de biodiversiteit. Met de re-
In het projectgebied zijn geen bomen aanwezig. Direct grenzend aan
gingscapaciteit te vergroten. Dit omvat maatregelen zoals het vasthou-
gels in de verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering be-
het projectgebied, ten westen van de Bosscheweg, zijn diverse bomen
den van water in hoger gelegen gebieden, het inrichten van polderge-
ter worden opgevangen en wordt een meer groene en blauwe inrichting
aanwezig. Deze worden behouden. Er gaan geen bomen verloren voor
bieden als opvang en het optimaliseren van bestaande waterbergingslo-
van de stad, wijken en dorpen geborgd.
de realisatie van het initiatief. Het landschappelijk inpassings- en inrich-
caties.
tingsplan voorziet in het realiseren van nieuw struweel en andere beBomen
planting. Het plan is niet strijdig met het Bomenbeleidsplan.
Voor bomen (houtopstanden) is aangesloten bij de uitgangspunten van het Bomenbeleidsplan 2017. Bomen dragen bij aan een betere waterop-
Naast technische oplossingen wordt ook samengewerkt met inwoners en bedrijven om duurzame en praktische maatregelen te ontwikkelen.
Water
De komende jaren worden elf mogelijke oplossingen (bouwstenen) on-
vang, leveren schaduw, een hogere luchtvochtigheid en dragen daar-
Dit onderdeel is uitgewerkt in de waterparagraaf in hoofdstuk 5. Hierin is
derzocht en uitgewerkt tot concrete acties. Dit is een cruciaal project
mee bij aan verkoeling. Ook dragen bomen bij aan een aantrekkelijke en
concreet ingegaan op de eisen die de verordening in dit opzicht stelt. De
voor de regio, aangezien de impact van hoogwater niet alleen economi-
gezonde leefomgeving en zijn bepaalde houtopstanden waardevol voor
compensatie voor de geringe toename aan verharding wordt gereali-
sche schade kan veroorzaken, maar ook het dagelijks leven van inwo-
de leefomgeving. Daarom zijn in de verordening regels opgenomen om
seerd door de oostelijke watergang te voorzien van een flauwe oever
ners raakt.
categorieën houtopstanden die voor de gemeente van belang zijn te be-
met beplanting. In de waterparagraaf is een principeprofiel hiervoor op-
schermen. Voor deze categorieën houtopstanden geldt onder meer een
genomen. Gezien de lengte van de watergang (circa 300 meter) wordt
Doorwerking projectgebied
vergunningplicht. Zonder een vergunning mogen deze houtopstanden
hiermee meer dan voldoende extra berging gerealiseerd. Hiermee sluit
Het projectgebied van de Dungense Polder is aangewezen als één van
niet worden geveld.
het initiatief aan bij de doelstelling van de verordening.
de 11 bouwstenen binnen HoWaBo die worden onderzocht om de regionale wateropgave op te lossen. Op dit moment ligt de NRD ter inzage en
Water
Groen
wordt de PlanMER HoWaBo opgesteld. Het doel is om eind dit jaar
Voor water gelden regels voor het lozen van grondwater en hemelwater.
Het initiatief voorziet slechts in beperkt nieuw verhard oppervlak. In to-
(2025) een Programma HoWaBo vast te stellen. De locatie krijgt dan
Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast
taal is in de toekomstige situatie circa 400 m² verharding voorzien. De
mogelijk een gebiedaanwijzing waaruit duidelijk wordt dat het
en overstromingen door extreme neerslag toe, maar ook de kans op
ontwikkeling blijft daarmee onder de 500 m² verharding, zoals gesteld in
gereserveerd is voor waterretentie.
Zonneweide Dungense Polder
18
Mocht voor realisatie onverhoopt toch blijken dat de HoWaBo in dit gebied gerealiseerd moet worden, dan zal er naar een oplossing worden gezocht of en hoe de zonneweide dan ingepast kan worden.
Zonneweide Dungense Polder
19
5 5.1 5.1.1
Milieuaspecten in de fysieke leefomgeving
b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkre-
Milieueffectrapportage (m.e.r.) Toetsingskader
Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, wordt conform artikel 16.43 van de Omgevingswet bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen waarvoor de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Daarnaast kan de m.e.r.-(beoordelings)plicht nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.
Of een project, die voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn;
gen. Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie. 5.1.2
Onderzoek
Op basis van het Omgevingsbesluit kan een zonnepark (mogelijk) worden beschouwd als een:
Stedelijk ontwikkelingsproject;
Landinrichtingsproject;
Industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom, en warm water.
Op basis van de jurisprudentie (zie uitspraak ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770) is vastgesteld dat de realisatie van een zonnepark geen stedelijk ontwikkelingsproject dan wel een landinrichtingsproject of een industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water. Ook is een zonnepark niet opgenomen in de lijst van energie-industrie onder C van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Er is daarmee geen algemene maatregel van bestuur, zoals bedoeld in artikel 16.43 van de Omgevingswet, waarin zonnepaken als m.e.r.-plichtige of m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit zijn aangemerkt. Een zonnepark heeft gezien de aard van de activiteit ook geen aanzienlijke milieu- en/of hindereffecten. Tevens betreft een zonneweide geen object met een hoge infrastructurele waarde. Op basis van het voorgaande is er geen sprake van een
5.1.3
Conclusie
Er is geen sprake van een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht.
5.2
Bodem
5.2.1
Toetsingskader
De Omgevingswet definieert bodem als ‘het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen’ (bijlage A bij artikel 1.1 Omgevingswet). Het nieuwe wettelijke instrumentarium voor bodem onder de Omgevingswet berust op drie pijlers (memorie van toelichting bij Aanvullingswet bodem Omgevingswet):
het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie);
het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (evenwichtige toedeling van functies aan locaties);
het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen).
Elke pijler kent zijn eigen instrumenten die ontleend worden uit de Omgevingswet. Zo worden nieuwe verontreinigen en aantastingen in/aan de bodem voorkomen door gebruik van de zorgplicht en algemene regels voor burgers en bedrijven. Het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, krijgt vorm in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. In gevallen waarin de bodem van mindere kwaliteit is, biedt dit de instrumenten om keuzes te maken en om een balans te vinden tussen risico’s en maatschappelijk gewenste activiteiten. De provincie en gemeenten krijgen daarmee een belangrijke rol. Zij krijgen de primaire verantwoordelijkheid voor de bodemkwaliteit met veel moge-
m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit.
Zonneweide Dungense Polder
20
lijkheden voor eigen beleid. Lokale en regionale regels kan de ge-
meente dus vastleggen in het omgevingsplan en de provincie in een omgevingsverordening om onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid en het milieu te voorkomen (artikel 2.29, lid i Omgevingswet).
een meldplicht voor aanvang van de bouwactiviteit met bodemon-
voeren. Dit zijn bijvoorbeeld gebieden die voldoende schoon worden ge-
derzoek;
acht of gebieden waarvoor al bodemonderzoek is uitgevoerd.
een informatieplicht voor ingebruikname van een gebouw op een dergelijke locatie.
Meldplicht Een omgevingsplan regelt dat het verboden is om het bouwen van een
Ook is het belangrijk om verstandig om te gaan met resterende histori-
Toelaatbare kwaliteit van de bodem
bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, die niet ver-
sche verontreinigingen, zodat de gezondheid van mensen, planten en
De gemeente stelt in het omgevingsplan een waarde vast voor de toe-
gunningplichtig is op grond van het omgevingsplan, te verrichten zonder
dieren worden beschermd.
laatbare kwaliteit van de bodem in het omgevingsplan, die het meest
dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden (artikel 5.89, lid
recht doet aan alle belangen die lokaal een rol spelen, zoals de huidige
l Bkl). Dit is uiteraard niet van toepassing wanneer een overschrijding
Bodemgevoelige locatie en bodemgevoelig gebouw
bodemkwaliteit, het ambitieniveau voor het gebied, mogelijke gezond-
van de toelaatbare kwaliteit van de bodem is uit te sluiten.
De regels in het omgevingsplan hebben betrekking op het bouwen op
heidsrisico’s, de bouwopgave, kosteneffectiviteit, energietransitie, ruim-
verontreinigde bodem. Niet elke bouwactiviteit valt onder het toepas-
telijke kwaliteit, en andere belangen van de fysieke leefomgeving (artikel
Informeren voor ingebruikname
singsbereik. Er moet sprake zijn van een bodemgevoelige locatie, dus
5.89, lid i Bkl). De gemeente kan gebruik maken van de waarden, be-
De initiatiefnemer heeft, als uit onderzoek blijkt dat de toelaatbare
een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar
doeld bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving. De gemeente
waarde is overschreden, een informatieplicht voordat het bodemgevoe-
personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen
kan ook per stof een andere waarde vaststellen. Deze waarde mag niet
lig gebouw in gebruik wordt genomen.
zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit.
hoger zijn dan de waarde die correspondeert met een blootstelling hoger dan het maximaal toelaatbaar risiconiveau, zoals opgenomen in bij-
5.2.2
De regels zijn alleen van toepassing op vergunningplichtige gebouwen
lage VA en de waarden voor toelaatbare concentraties in lucht en geur-
Een zonneweide betreft geen gebouw en valt derhalve niet onder het
Onderzoek
op grond van het omgevingsplan.
waarden, zoals opgenomen in bijlage VB en moet per locatie worden
bereik van artikel 5.89 lid g van het Bkl. Het betreft ook geen bodemge-
berekend.
voelige locatie zoals bedoeld in artikel 5.89 sub h Bkl. Verder betreft een zonneweide ook geen bodembedreigende functie. Ook is er slechts zeer
Omgevingsplan Het belangrijkste instrument voor gemeenten om bouwen op verontrei-
Bodemonderzoek
beperkt sprake van bodemroerende werkzaamheden. Zorgvuldigheids-
nigde bodem te reguleren is het omgevingsplan. Een omgevingsplan
Het toelaten van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit bestaande uit
halve is niettemin een bodemonderzoek uitgevoerd om de huidige situa-
bevat, op grond van een aantal instructieregels van het Rijk (artikel 2.24
een bouwactiviteit (bodemgevoelig gebouw) op een bodemgevoelige lo-
tie van de bodem (nulsituatie) in beeld te brengen. Dit onderzoek is op-
Omgevingswet), voor bodemgevoelige locaties en de gemeentelijke am-
catie is het aangrijpingspunt om een bodemonderzoek uit te voeren en
genomen in bijlage 5.
bitie in ieder geval:
af te wegen of er eventuele maatregelen nodig zijn (paragraaf 5.2.2
waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor locaties
Bal). Dit bodemonderzoek bestaat minimaal uit een vooronderzoek. Al-
Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem blijkt, dat er geen sprake
waar een bouwactiviteit is toegelaten (bijlage IIA Bal);
leen als uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie verdacht is op het
is van bodembelasting, anders dan een regionale of landelijke diffuse
verplichte maatregelen als de toelaatbare kwaliteit van de bodem
voorkomend van een bodemverontreiniging en deze niet eerder onder-
achtergrondbelasting in de grond en het grondwater. Op de locatie wor-
wordt overschreden; (dit komt neer op een bouwverbod, omdat het
zocht zijn, is verder (fysiek) bodemonderzoek nodig.
den geen verontreinigende stoffen verwacht in gehalten boven de lande-
lijk of regionaal geldende achtergrondwaarde voor grond en/of de streef-
bouwen zonder die maatregelen in strijd is met het omgevingsplan en dus een omgevingsplanactiviteit is, die op grond van de wet ver-
Als de bodemkwaliteit van een bepaald gebied of locatie al voldoende
waarde voor grondwater. Dit geldt zowel voor natuurlijke achtergrondge-
boden is zonder omgevingsvergunning);
bekend is, kan de gemeente in het omgevingsplan aangeven dat afge-
halten als voor "antropogene" achtergrondgehalten, waarvan de oorzaak
zien kan worden van de verplichting om een bodemonderzoek uit te
niet eenduidig is aan te wijzen.
Zonneweide Dungense Polder
21
Relatie planvoornemen t.o.v. cultuurhistorische waarden
Het is mogelijk dat daar waar grondverzet zal plaatsvinden, een verken-
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefom-
nend bodemonderzoek gewenst is, volgens de strategie "onverdacht,
geving (Bal) en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen bevat-
niet lijnvormig" (ONV-NL). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoeks-
ten gezamenlijk de wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van
Uit een confrontatie met de plannen is naar voren gekomen dat, gezien
hypothese dat de bodem niet verontreinigd is, bijvoorbeeld ter plaatse
cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Op basis hiervan is het
de huidige toestand van het gebied in relatie tot de belangrijkste, hier-
van een transformatorstation.
verplicht om de vijf elementen van cultureel erfgoed mee te nemen in de
voor genoemde waarden, de aantastingen in het geval van Dungense
afweging van belangen.
Polder niet onevenredig groot zijn.
kwaliteit een belemmering zal vormen voor de realisatie van de plannen.
5.3.2
Bij Dungense Polder bestaat er reeds een visuele blokkade in het ge-
Nader onderzoek voor de onderhavige procedure is niet nodig.
Uit de erfgoed- en monumentenkaarten van de gemeente ’s-Hertogen-
Gelet op bovenstaande is geen aanleiding te verwachten dat de bodemOnderzoek
bied, en de toevoeging van de zonneweide verandert daar niet veel aan.
bosch volgt dat het projectgebied niet behoort tot van gemeentewege
Ook omdat de zichtlijnen vanaf de hooggelegen dijk niet danig worden
aangewezen cultuurhistorisch waardevolle gebieden of objecten. Het
verstoord, en de zichtlijnen richting ’s-Hertogenbosch al reeds verstoord
Het aspect bodem levert geen belemmering voor de realisatie van het
projectgebied behoort wel tot een cultuurhistorisch waardevol gebied
zijn door de komst van de A2, kan de toevoeging van de zonneweide
plan op.
volgens de provinciale omgevingsverordening. Er is daarom door RAAP
naar ons idee geen onevenredige aantasting van de geborde karakteris-
een onderzoek uitgevoerd naar de cultuurhistorische waarden i.r.t. de
tiek ‘openheid’ worden genoemd.
5.2.3
Conclusie
5.3
Cultuurhistorie
5.3.1
Toetsingskader
Onder de Omgevingswet wordt een samenhangende benadering van diverse belangen beoogd. Eén van die belangen is cultureel erfgoed. Sinds 2016 is de regelgeving met betrekking tot het behoud en beheer van cultureel erfgoed ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Omgevingswet zorgt deze wet voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten. Provincies en gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om cultureel erfgoed te be-
voorgenomen ontwikkeling voor zowel de Dungense Polder als het projectgebied Kloosterstraat. Navolgend worden de belangrijkste conclusies
Advies
beschreven, voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage 10.
Ten aanzien van de dijken en het al aanwezige opgaande groen rond de Meerse Plas die aan het gebied grenst staat het cultuurhistorisch argu-
Historisch-landschappelijke ontwikkeling
ment de aanleg van de zonneweide niet in de weg. De aantasting van
Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat we te maken hebben met
de belangrijkste kwaliteiten van dit gebied, oftewel de openheid, is op
open landschappen uit de middeleeuwen, waarvan de landschapsstruc-
deze plek niet groot genoeg om van een onevenredige aantasting te
tuur door ontwikkelingen in de tweede helft van de 20e eeuw is veran-
spreken. De beoogde beplanting en de hoogte van de zonnepanelen in
derd. De openheid is hier echter nog wel gaaf. Beide plangebieden,
de plannen garanderen dat de zichtlijnen over de zonneweide naar de
Dungense Polder en Kloosterstraat, hebben een middenwaarde – de
rand met opgaand groen rond de Meerse Plas en over de rest van het
laatstgenoemde scoort wat hoger dan de eerste. Hoewel het landschap
Bossche Broek blijven bestaan.
een hoge ouderdom heeft, is het door de beschreven ontwikkelingen vanaf de jaren 50 sterk gewijzigd. De bewoning van dit gebied lijkt veel
5.3.3
verder in de tijd terug te gaan.
De ontwikkeling levert geen onevenredige aantasting van cultuurhistori-
schermen via hun omgevingsplannen. Hierbij worden de instructieregels in de artikelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (rijksmonumenten en werelderfgoed) in acht genomen.
Conclusie
sche waarden op. Daarbij voorkomt een zonneveld andere ruimtelijke Aanwezige cultuurhistorische kwaliteiten
ontwikkelingen (zoals in het verleden beoogd) als industrieterreinen en
De omgeving van het onderzoeksgebied is sinds de middeleeuwen ver-
woningen. Waarmee indirect de openheid wordt gewaardborgd, gezien
anderd door herverkavelingen, nieuwbouw en herinrichting. Het open
de tijdelijke karakter (25 jaar) van de zonneweide. Voor versterking van
karakter van het Bossche Broek is nog aanwezig en herinnerd aan het
de waarden zullen informatieborden over o.a. opgravingen, voormalig
eens natte landschap.
klooster Eikendonk en Linie van 1629 geplaatst worden. Met behulp van augmented reality kunnen verloren ontwikkelingen juist weer tot leven komen.
Zonneweide Dungense Polder
22
5.4
Archeologie
5.4.1
Toetsingskader
nog, met name diepere, archeologische sporen aanwezig zijn, mogelijk ook op de delen van de dekzandrug Eikendonk, die in de jaren 1960-
2.
scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet.
1970 zijn vergraven. Uit het booronderzoek is namelijk niet duidelijk in
Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als
hoeverre (het midden van) deze dekzandrug is vergraven.
voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving.
telijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt:
In de gebieden met een lage archeologische verwachting (het noorde-
5.5.1
de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te
lijke deel van het plangebied) is geen vervolgonderzoek nodig en kun-
Het is van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige
worden bewaard;
nen de gronden worden vrijgegeven.
functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke
In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruim-
er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie.
5.4.2
Onderzoek
Toetsingskader
leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: In de gebieden met een hoge archeologische verwachting, namelijk het
1. Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het
zuiden en de westelijke rand, kunnen nog archeologische waarden in
kan én gewenst is.
situ in de bodem aanwezig zijn. Bij de geplande aanleg van het zonne-
2. Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar
In het zuidwesten van het projectgebied geldt de dubbelbestemming
park zal de bodem echter in zeer geringe mate verstoord worden. De
het moet.
‘Waarde – Archeologie 1’ volgens het tijdelijke omgevingsplan. Binnen
zonnepanelen zullen op palen geplaatst worden met een klein opper-
deze dubbelbestemming zijn geen bouwwerkzaamheden toegestaan,
vlakte van circa 45 cm². Deze palen hebben een onderlinge afstand van
Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als
die een grondoppervlakte betreffen groter dan 1 m² en meer dan 50 cm
minimaal 4,4 meter. De kans op het verloren gaan van archeologische
voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving.
beneden maaiveld. Deze drempelwaarden worden overschreden.
resten is zeer klein. Deze is op basis van het palenplan voor dit project
Daarom is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit on-
kleiner dan bij het uitvoeren van onderzoek. Indien er binnen de gebie-
Daarbij moet worden voldoen aan de instructieregels uit het Besluit
derzoek is opgenomen in bijlage 8. Voor de uitgangspunten en resulta-
den met een hoge archeologische verwachting toch bodemverstorende
Kwaliteit leefomgeving (Bkl) ten aanzien van geluid, geur en trilling door
ten van het onderzoek wordt verwezen naar de betreffende bijlage.
ingrepen zullen plaatsvinden, waaronder het aanleggen van onder-
activiteiten. Met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan
grondse leidingen of het uitgraven van nieuwe watergangen, kunnen de
plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en
Uit het onderzoek blijkt het volgende. Op basis van de landschappelijke,
eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. Alleen
milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten
historische en archeologische gegevens geldt voor het zuiden en zuid-
in dat geval is een archeologisch proefsleuvenonderzoek noodzakelijk.
met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte
westen van het plangebied een hoge archeologische verwachting voor
van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een spe-
alle periodes vanaf het (Laat-)Paleolithicum tot en met de Vroege-Mid-
5.4.3
deleeuwen. Voor het noordelijke deel geldt een lage verwachting voor
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het plan.
Conclusie
deze periodes. Voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd geldt een hoge archeologische verwachting voor de zuidwestelijke hoek en de
5.5
Activiteiten en milieuzonering
westelijke rand van het plangebied, voor de rest van geldt een lage ver-
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ar-
wachting.
tikel 4.2 Omgevingswet) is het van belang dat activiteiten met gebruiks-
cifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige functie in dat gebied. De term ‘activiteiten met gebruiksruimte’ kan dus ook worden gebruikt voor activiteiten die het milieu belasten, maar niet specifiek zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De term is dus ruimer dan de veelgebruikte term ‘milieubelastende activiteiten’.
ruimte en milieugevoelige activiteiten worden toebedeeld in de fysieke Op basis van een verkennend booronderzoek uit 2004 blijkt dat de top
leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren:
van de bovengrond grotendeels is verploegd en de bodemopbouw over
1.
het algemeen bestaat uit een AC-profiel. Toch kunnen er in de bodem
Zonneweide Dungense Polder
menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is;
Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd. Dat
23
5.6
Elektromagnetische straling
aanzien van de zonnepanelen zelf kan redelijkerwijs worden gesteld, dat
5.6.1
Toetsingskader
net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet
geen milieuhinder (geluid, geur of stof) te verwachten is. Voor de bijbe-
Elektromagnetische velden
op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er
horende transformators kan enige geluidproductie overdag worden ver-
Magnetische velden ontstaan bij het transport en het gebruik van elektri-
sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving.
wacht. Op basis van bijlage A5 van de handreiking kan de beoogde
citeit/stroom. Voorbeelden van voorzieningen die zorgen voor elektro-
nieuwe functie worden ingeschaald in ten hoogste zone 2. Het project-
magnetische velden zijn antennes, hoogspanningslijnen, mobiele tele-
Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’
gebied is gelegen langs de A2, aan de overzijde van het bedrijventerrein
foons en elektrische apparaten. De kracht van het elektromagnetische
De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de VNG biedt onder
‘De Brand’. In de directe omgeving van het gebied is weinig bebouwing
veld kan per voorziening verschillen. In het kader van de planologie zijn
de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en ver-
aanwezig. De meest dichtbijgelegen woning ligt aan de overzijde van de
met name antennes en hoogspanningslijnen van belang, aangezien dit
vangt daarmee de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de ou-
A2 aan de Henriette R. Holstlaan, op een afstand van circa 950 meter.
vaste objecten zijn.
de wetgeving. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van
Ten zuiden/zuidoosten van het projectgebied zijn enkele agrarische be-
activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling code
drijfspercelen met een bedrijfswoning gesitueerd. Ook deze liggen op
In het kader van gezondheid en milieu is het bij nieuwe ontwikkelingen,
(SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daarvan
ruime afstand, namelijk ten minste 200 meter.
waar sprake is van gevoelige gebouwen zoals woningen, scholen en
betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek
getoetst of in de omgeving van het projectgebied functies voorkomen
te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die
die een belemmering kunnen vormen voor de nieuwe ontwikkeling. Ten
voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie,
kinderopvang, van belang dat er rekening wordt gehouden met mag-
wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van
Gelet op de ruime afstand tot woningen kan aangenomen worden dat er
neetvelden. Dergelijke projecten moeten buiten een magneetveldzone
geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende as-
geen verslechtering zal plaatsvinden van het woon- en leefklimaat. Er is
liggen. De sterkte van elektromagnetische velden is het grootst dichtbij
pect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke re-gels
geen sprake van geluidsoverlast vanwege de afstand van de zonne-
de bron en neemt af als de afstand tot de bron groter wordt.
voor geluid en geur in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzone-ring’
weide tot gevoelige objecten (circa 300m). De afstand is vele malen gro-
gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omge-
ter dan de richtafstand in tabel 5.2. De transformatoren zijn verder alleen
Voorzorgsbeleid magneetvelden
vingsplan van gemeenten.
actief als er zon is. ’s-Nachts zal er daarom geen geluidproductie plaats-
Door de minister voor Klimaat en Energie is (samen met de toenmalig
vinden. Van geluidsoverlast afkomstig van de transformatoren zal
minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en in afstem-
daarom geen sprake zijn.
ming met de staatssecretaris voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
5.5.2
Onderzoek
op 21 april 2023 een herijkt voorzorgsbeleid aan gemeenten, provincies
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient onderzocht te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon-
5.5.3
en leefklimaat bij het projectgebied.
De realisatie van de ontwikkeling levert geen onevenredige aantasting
Conclusie
van het woon- en leefklimaat in de omgeving op. Vanuit het milieuaspect Het beoogde zonnepark betreft geen milieugevoelige functie. Omlig-
activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toede-
gende milieubelastende bedrijven vormen daarmee geen belemmering
ling van functies aan locaties.
voor het oprichten van een zonnepark. Ook dient te worden onderzocht, of het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen (milieugevoelige functies) niet onevenredig wordt aangetast als gevolg van het zonnepark. Daarom dient te worden
Zonneweide Dungense Polder
24
en netbeheerders gezonden inzake de gezondheidsrisico’s van mag-
Gelet op de relatief ruime afstand van woningen tot het plangebied zal
neetvelden1. De kern van het herijkte voorzorgbeleid voor magneetvel-
er voor de omliggende woningen geen verslechtering plaatsvinden van
den is dat met de netbeheerders is afgesproken dat deze bronmaatre-
het woon- en leefklimaat.
gelen gaan treffen om de sterkte en grootte van magneetvelden zo veel
5.7.2
Milieuzonering van zonnepark
5.7.2.1
Toetsingskader
mogelijk te beperken. Het beleidsadvies is erop gericht om zoveel als re-
5.6.3
delijkerwijs mogelijk te voorkomen dat mensen langdurig worden bloot-
Vanuit het milieuaspect elektromagnetische straling is er sprake van een
In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te beschou-
gesteld aan magneetvelden die afkomstig zijn van elektriciteitsinfrastruc-
evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
wen in hoeverre een gewenste ontwikkeling inpasbaar is in de omgeving
tuur en die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla2. De
Conclusie
5.7.1.3 Conclusie Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
voor wat betreft het aspect geluid. Wanneer een milieubelastende func-
5.7
Geluid
5.7.1
(spoor)wegverkeer
van toepassing is bij bovengrondse hoogspanningslijnen. Daarnaast
5.7.1.1
Toetsingskader
wordt in het advies geadviseerd om bij een ligging nabij een boven-
Geluid door (spoor)wegen
vante toetsingskader gevormd door de handreiking ‘Activiteiten en mili-
grondse hoogspanningslijnen een magneetveldzone te berekenen. Op
Het Bkl bevat geluidsregels voor onder meer (spoor)wegen. De regels
euzonering 2023’ van de VNG.
basis van deze berekening kan worden bekeken hoeveel gevoelige be-
voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen
stemmingen in de magneetveldzone liggen.
geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing
waarde van 0,4 microtesla geldt als gemiddelde voor een heel jaar. Tijdens dat jaar kan de veldsterkte regelmatig boven en onder de waarde van 0,4 microtesla komen. Het is een waarde uit voorzorg, die alleen
van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe ge5.6.2
luidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.
Onderzoek
Uit onderzoek van het RIVM3 over gezondheid en elektromagnetische velden als gevolg van de aanwezigheid van transformatorstations is ge-
Geluidsgevoelige gebouwen
concludeerd dat de sterkte van de velden afneemt wanneer de afstand
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 van
tot de bron groter wordt. Uit het onderzoek blijkt dat 0,4 μT (jaargemid-
het Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte
delde) wordt bereikt op een afstand van 1,5 tot 4 meter van het transfor-
van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie
matorstation. Dit wordt door de Rijksoverheid als grenswaarde aangeno-
heeft.
tie mogelijk wordt gemaakt, dient te worden beschouwd in hoeverre sprake is van een acceptabele geluidssituatie ter plaatse van omliggende geluidsgevoelige objecten. Bij individuele milieubelastende functies, niet zijnde geluidsgezoneerde industrieterreinen, wordt het rele-
5.7.2.2
Onderzoek
Een zonnepark is een milieubelastende functie die zorgt voor de productie van geluid. Dit heeft te maken met de aanwezige transformatoren en het EOS. Daarom zal moeten worden verkend in hoeverre sprake is van een acceptabele geluidssituatie ten opzichte van omliggende geluidsgevoelige objecten ten aanzien van geluid afkomstig van de zonneweide met BESS en bijbehorende installatie. Aangezien wordt voldaan aan de richtafstanden (o.a. voor geluid) ten opzichte van omliggende milieugevoelige functies, is het niet noodzakelijk een akoestisch onderzoek indu-
men bij situaties van langdurige blootstelling. Aangezien er geen wonin-
strielawaai uit te voeren. Voor een verdere toelichting hierop wordt ver-
gen zijn gelegen op een afstand van minder dan 4 meter, maar de af-
5.7.1.2
Onderzoek
stand tot de woningen vele malen groter is, is nader onderzoek op elek-
Een zonneweide betreft geen geluidgevoelig gebouw of terrein. Het uit-
tromagnetische straling niet noodzakelijk.
voeren van een akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
wezen naar paragraaf 5.5 (activiteiten en milieuzonering). 5.7.2.3
Conclusie
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect geluid (industrielawaai).
1 2 3
https://www.kennisplatform.nl/verschil-tussen-limiet-100-microtesla-grens-0-4-microtesla/ https://www.infomil.nl/publish/pages/86406/beleidsadvies_vrom_2005_1.pdf https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/609300011.pdf
Zonneweide Dungense Polder
25
5.8
Geur
5.8.1
Toetsingskader
a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambi-
b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
ties en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten zoals de
c.
omgevingsvisie, omgevingsverordening en programma's.
Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl ‘Geur’, onderdeel
gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan;
d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevenge-
van paragraaf 5.1.4 ‘Beschermen van de gezondheid en van het milieu’.
bruiksfuncties daarvan.
Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroor-
5.9.2
Onderzoek
De gemeente heeft nog geen integrale Omgevingsvisie of specifiek gezondheidsbeleid met het oog op de fysieke leefomgeving vastgesteld.
zaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agra-
Echter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen,
Wel heeft de gemeente, in samenwerking met diverse partners, het pro-
rische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties.
zoals logiesgebouwen of gevangenissen, of gedeeltes daarvan als geur-
gramma Samen Gezond ‘s-Hertogenbosch opgezet, met onder meer het
gevoelig aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van men-
doel te zorgen voor een leefomgeving die uitnodigt om vaker gezonde
Voor een evenwichtige toedeling van geurhinder dient het aspect geur
sen (art. 5.91 lid 4 Bkl). Daarnaast wordt op grond van artikel 5.91 lid 3
keuzes te maken.
onderzocht te worden;
Bkl een nog niet bestaand gebouw, dat mag worden gebouwd op grond
indien geurveroorzakende activiteiten in de buurt van bestaande
van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buiten-
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een zonneweide, waar-
geurgevoelige gebouwen en/of locaties worden toegelaten.
planse omgevingsplanactiviteit, ook al als geurgevoelig gebouw be-
mee een duurzame energievoorziening wordt gerealiseerd. De realisatie
indien geurgevoelige gebouwen en/of locaties in de buurt van be-
schouwd.
van duurzame energievoorzieningen draagt bij aan een reductie (in de
staande geurveroorzakende activiteiten worden toegelaten.
vorm van emissies voor het opwekken van energie) van vervuiling en 5.8.2
Onderzoek
daarmee gepaard gaande schadelijke gezondheidseffecten, die door
Geurveroorzakende activiteiten
Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl wordt voor onderhavig project geen geur
niet-duurzame energievoorzieningen (kunnen) worden veroorzaakt. Een
Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geur-
veroorzakende activiteit noch geurgevoelig gebouw gerealiseerd. Er is
zonnepark heeft zelf ook geen gezondheid beperkende werking. De
belasting of afstand acceptabel wordt geacht:
dan ook geen sprake van langdurig verblijf. Tevens produceert het plan-
transitie naar duurzame energievoorzieningen draagt dus ook bij aan
Zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2)
voornemen geen geur. Nader onderzoek naar het aspect geur is niet
het creëren van een gezonde leefomgeving. Ook het omzetten van land-
Houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf
noodzakelijk.
bouwgrond naar een zonnepark met bijbehorende groenvoorzieningen
5.1.4.6.3)
past in dit beeld en betekent onder meer een reductie van geurhinder.
Enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4)
5.8.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig project. Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend, enkel de algemene bepalingen van
5.9
Gezondheid
5.9.1
Toetsingskader
activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Geurgevoelige gebouwen en locaties Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig ge-
zonneweide past eveneens bij het bereiken van een gezondere fysieke leefomgeving, in de vorm van emissies voor het opwekken van energie. 5.9.3
subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze
De realisatie van voldoende groen en waterberging in en rondom de
Gezondheid is een thema dat onderdeel uitmaakt van de belangenafwe-
Conclusie
Het initiatief levert een bijdrage aan het bereiken van een gezonde fysieke leefomgeving.
ging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties binnen de fysieke leefomgeving. Binnen de Omgevingswet hebben
bouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de volgende functies onderbrengt:
Zonneweide Dungense Polder
26
5.10
Duurzaamheid
5.10.1
Toetsingskader
De focus op duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkelingen is belangrijk om
In het Bbl staat beschreven dat een woonfunctie een milieuprestatie
de ecologische voetafdruk van de bouwsector te verminderen, een sec-
moet hebben van maximaal 0,8 bepaald volgens de bepalingsmethode
tor die historisch gezien veel grondstoffen verbruikt en bijdraagt aan ver-
van de MPG. Hoe lager de score is, des te beter het pand scoort op
vuiling van het klimaat.
duurzaamheid.
onze natuurlijke omgeving en hoe we ervoor zorgen dat we deze niet
De eisen met betrekking tot duurzaamheid zijn opgenomen in afdeling
Tot slot geeft het Bbl ook regels over de laadinfrastructuur van elektri-
uitputten voor onze toekomstige generaties. Er bestaat geen vast om-
4.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Van belang zijn de
sche auto. Deze regels zorgen ervoor dat er voldoende leidingdoorvoe-
schrijving of definitie voor de term duurzaamheid. Over het algemeen
BENG normen en de MPG waarden.
ren zijn voor eventuele oplaadpunten.
van de huidige generatie zonder de behoeften van toekomstige genera-
BENG Normen
5.10.2
ties, zowel hier als in andere delen van de wereld in gevaar te brengen
BENG staat voor Bijna energie neutrale gebouwen, en zijn geformuleerd
Met onderhavig initiatief wordt er een nieuw zonnepark mogelijk ge-
bedoeld.
met het doel om de CO2 uitstoot van nieuwbouw terug te dringen.
maakt. De realisatie van deze duurzame ontwikkeling zal logischerwijs
Duurzaamheid is een steeds belangrijker wordende kwestie voor onze samenleving. Het gaat hierbij om de manier waarop we omgaan met
wordt met duurzaamheid een ontwikkeling die voorziet in de behoeften Onderzoek
Er zijn drie verschillende manieren waarin BENG tot uitdrukking komt.
energie neutraal worden opgeleverd. Een zonnepark draagt op krach-
Duurzaamheid is een aspect dat zowel op de korte termijn als lange ter-
Dit zijn de volgende:
tige wijze bij aan duurzaamheid doordat het op grote schaal schone
mijn toegepast dient te worden. Er spelen diverse trends en ontwikkelin-
BENG 1-eis: Terugbrengen van de energiebehoefte;
energie opwekt zonder het milieu te belasten. Door een uitgestrekt ge-
gen op het gebied van duurzaamheid binnen nieuwbouw. Duurzaam-
BENG 2-eis: Beperken van het fossiele energiegebruik (Bijvoor-
bied te benutten voor zonnepanelen kan het zonnepark, met een ver-
beeld Gas en olie);
wachte opwek van ruim 9.000 MWh aan duurzame energie op jaarbasis,
BENG 3- eis: Benutten van hernieuwbare energie.
2.500 huishoudens van elektriciteit voorzien, zonder dat daarbij CO₂ of
heid bij nieuwbouw verwijst naar het ontwerpen, bouwen en onderhouden van gebouwen op een manier die zo min mogelijk impact heeft op
het milieu. Tegelijkertijd ook efficiënt en gezond is voor de mensen die
andere schadelijke stoffen vrijkomen. Dit maakt het een effectief alterna-
erin wonen of werken. Duurzaamheid is dus een breed begrip en omvat
Naast deze drie eisen is er nog één aanvullende eis die van belang is
tief voor fossiele energiebronnen, die niet alleen eindig zijn, maar ook
verschillende aspecten:
met name in samenhang met klimaatadaptatie, dit is de indicator voor
bijdragen aan klimaatverandering en luchtvervuiling. Bovendien zal het
Energie-efficiëntie: het verminderen van energieverbruik door ge-
verlaging van het risico op oververhitting van gebouwen genaamd TO-
zonnepark goed geïntegreerd worden in het landschap waardoor het
bruik te maken van duurzame energiebronnen, zoals zonne-energie
Juli).
niet alleen energie oplevert, maar ook ecologische waarde kan toevoe-
of windenergie;
gen.
Materialen: Het gebruik van duurzame en milieuvriendelijke materia-
De BENG eisen gelden alleen voor nieuwbouw, bestaande bebouwing
len, zoals gerecyclede of hernieuwbare materialen;
hoeft dus niet aan deze eisen te voldoen.
Gezondheid en comfort: het creëren van een gezonde binnen om-
Conclusie
Het initiatief houdt rekening met en levert een bijdrage aan het aspect
geving met goede ventilatie, natuurlijke verlichting en materialen die
MPG Waarden
de binnen kwaliteit verbeteren;
MPG staat voor Milieuprestatie gebouwen. Een MPG berekening toont
Levensduur en hergebruik: Het ontwerpen van gebouwen met een
aan wat de milieu impact van een nieuw te bouwen bouwwerk is. Zo
lange levensduur en de mogelijkheid tot aanpassing of hergebruik
worden de waarden waaraan voldaan dient te worden bepaald aan de
van materialen om de hoeveelheid afval te verminderen.
hand van de gebruiksfuncties van het bouwwerk.
Zonneweide Dungense Polder
5.10.3
duurzaamheid.
27
5.11
Lichthinder
5.11.1
Toetsingskader
die gevoelig zijn voor lichthinder. Ook worden er geen functies mogelijk
Bij de berekeningen is rekening gehouden met de landschappelijke in-
gemaakt, die tot lichthinder voor de omgeving leiden. Daarmee vormt dit
passing. Door het hoogteverschil tussen de weg en de zonneweide zal
aspect geen belemmering voor de ontwikkeling.
de reflectie niet volledig geblokkeerd worden, maar zullen weggebruikers over de inpassing heen het zonnepark kunnen zien liggen.
Er zijn diverse locaties met kunstmatige verlichting, waaronder (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuin-
5.11.3
bouwbedrijven en sportterreinen.
Vanuit het milieuaspect lichthinder is er sprake van een evenwichtige
gebruiker moet dus 37° naar rechts te kijken om recht naar de rand van
toedeling van functies aan locaties.
de zone te kijken waar de reflectie optreed, terwijl de bocht naar links
Conclusie
Deze verlichting kan verschillende negatieve effecten veroorzaken. Zo
5.12
Lichtreflectie
hebben, bijvoorbeeld om te kunnen rusten of slapen. Licht van objecten
5.12.1
Toetsingskader
langs (rijks)wegen, zoals een reclamezuil, kan ook hinder veroorzaken
Zonnepanelen worden vaak in verband gebracht met reflectie van licht.
en daarmee onveilige situaties creëren. Verder kan kunstmatige verlich-
Moderne zonnepanelen hebben echter niet veel reflecties om de een-
ting in de nacht het gedrag van dieren beïnvloeden, met mogelijke ge-
voudige reden dat licht dat gereflecteerd wordt niet effectief is voor het
volgen zoals desoriëntatie, afstoting of aantrekking, wat kan leiden tot
opwekken van elektriciteit.
kunnen mensen hinder ondervinden wanneer ze zich niet kunnen ont-
De minimale hoek waarbinnen de reflectie optreed is 37°. De weg-
gaat waar de weggebruiker in principe naar kijkt. De kans dat de bestuurder veel van de reflectie mee krijgt neemt hierdoor af.
trekken aan het aanwezige kunstlicht, terwijl ze daar wel behoefte aan
uitputting en sterfte. Kunstmatige verlichting kan ook fungeren als barrière voor dierlijke verplaatsingen. Deze negatieve effecten hebben niet alleen individuele gevolgen maar kunnen ook de instandhoudingsdoelstellingen van bepaalde soorten aantasten. Daarnaast kan kunstmatige verlichting leiden tot horizonvervuiling of het verminderen van de don-
5.12.2
Onderzoek
Zorgvuldigheidshalve is voor onderhavig project een reflectie-onderzoek uitgevoerd vanwege de ligging direct nabij de A2. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 7.
Advies Om weggebruikers van de A2 geen hinder te laten ondervinden als gevolg van de reflectie wordt geadviseerd om de hellinghoek en/of oriëntatie ten opzichte van het noorden aan te passen. Hierbij kan gedacht worden aan een oriëntatie van 100° – 120° ten opzichte van het noorden bij een hellingshoek van 15°. Bij minder gehelde panelen zullen de panelen oostelijker georiënteerd moeten worden; bij een hellingshoek van 10° wordt een oriëntatie van 100° – 110° geadviseerd. Daarnaast is er de mogelijkheid om te kiezen voor diep getextureerd glas met antireflectiecoating.
kerte op grotere afstanden, zoals het zichtbaar zijn van verlichte objecten in een open landschap tot wel 5 à 10 kilometer en boven zee tot maximaal 15 kilometer.
Uit het onderzoek blijkt dat er in zuidelijke rijrichting (richting knooppunt Vught) geen hinderlijke reflectie wordt ondervonden bij de keuze voor licht getextureerd glas met anti-reflectiecoating, maar in noordelijke rij-
Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen.
richting (richting knooppunt Hintham) wel.
opgenomen in artikel 4.790 van het Bal.
Conclusie
Gedurende een beperkt gedeelte van het jaar treedt gedurende een beperkte periode van de dag enige reflectiehinder voor weggebruikers op de A2 vanuit één richting op. De kans op daadwerkelijke hinder is gezien de omstandigheden ter plaatse gering en middels een aanpassing
Het Bkl bevat daarom geen Rijksinstructieregels voor lichthinder, met uitzondering van rijksregels voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen,
5.12.3
Wenselijk voor de verkeersveiligheid is dat alle reflectie in het groene bereik (groene, niet hinderlijke reflectie) van de modeluitkomsten ligt, of
in het ontwerp zelfs volledig te verhelpen. De realisatie van de zonneweide wordt daarom aanvaardbaar geacht.
dat er geen reflectie wordt waargenomen. Dat is in noordelijke rijrichting 5.11.2
niet het geval. Van begin april tot begin september zal in de ochtend tus-
Onderzoek
In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich de rijksweg A2,
sen 6.45 uur en 8.30 uur (zomertijd) hinderlijke reflectie waar te nemen
die een bron van lichthinder voor de omgeving betekent. In het project-
zijn. Dit houdt maximaal 35 minuten per dag aan.
5.13
Luchtkwaliteit
5.13.1
Toetsingskader
gebied zelf zijn geen functies en voorzieningen aanwezig, die lichthinder
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter be-
veroorzaken. Onderhavig initiatief maakt geen nieuwe functies mogelijk
scherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden
Zonneweide Dungense Polder
28
zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-
Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van pro-
grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening vol-
jecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, die-
doende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een een-
nen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een
Aandachtsgebieden
voudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt
voortoets. Projecten en activiteiten die een significant negatief effect
De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aan-
aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als
hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn ver-
dachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concen-
aanvulling op de NIBM-tool.
gunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te ver-
traties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10
wachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In
staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor
Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit
dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, be-
alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een
Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via
perkt, of ongedaan gemaakt worden.
aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht ne-
het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
men (artikel 5.51 Bkl). 5.13.2
Onderzoek
Conform artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedepu-
Niet in betekende mate
In dit geval is er sprake van het oprichten van een zonneweide. Een
teerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instand-
De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtsgebied vindt niet
zonneweide kent een zeer lage verkeersaantrekkende werking. Er zal
houding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd
altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bij-
uitsluitend sprake zijn van sporadisch verkeer ten behoeve van onder-
‘Natuur-netwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebie-
draagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomge-
houd, controle en beheer. Op voorhand kan daarom met zekerheid wor-
den aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland
vingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het
den gesteld dat het initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan de ver-
(NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen
Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de lucht-
slechtering van de luchtkwaliteit. Omdat er geen sprake is van een ge-
natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes
kwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is
voelige functie, is een onderzoek naar de achtergrondwaarden in het ka-
van het Natuurnet-werk loopt via het traject van de provinciale ruimte-
dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemid-
der van het woon- en leefklimaat niet aan de orde. Het projectgebied ligt
lijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Bra-
delde concentraties.
bovendien niet binnen een aandachtsgebied luchtkwaliteit.
bant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecolo-
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project
5.13.3
binnen de NIBM-grens blijft:
Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige
gebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszo-
1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een
toedeling van functies aan locaties.
nes met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omrin-
gische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe
aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
Conclusie
5.14
Natuur en landschap
5.14.1
Toetsingskader
Wettelijke gebiedsbescherming De Omgevingswet heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als
mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kern-
gende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform Omgevingswet, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting
Zonneweide Dungense Polder
29
die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom
soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de
door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een
(bebouwingscontour houtkap). Wanneer houtopstanden worden geveld,
Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bij-
alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan
niet vallende onder artikel 11.111, lid 2 Bal, geldt een meldingsplicht bij
lage 1 Verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogel-
plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal een ontheffing / omgevings-
Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 11.126 Bal).
richtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen vergun-
vergunning voor een flora- en fauna-activiteit met schadelijke handelin-
Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht ar-
ningplichtige activiteiten. De regels voor vogels en overige Europese
gen aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk be-
tikel 11.129 Bal om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de
soorten zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en
lang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde
houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten.
de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten gel-
soorten niet in het geding komt. De ontheffing / vergunning kan dan on-
Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstan-
den regels die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige
der voorwaarden worden verleend.
den die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
opzichten minder streng zijn. 5.14.2
Onder de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor houtop-
Onderzoek
standen (artikel 11.116 Bal). Indien natuurbescherming, instandhouding
De Ow regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te be-
Voor onderhavige ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitge-
bosareaal of bescherming landschappelijke waarden in het geding komt,
schermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De
voerd. De quickscan betreft een actualisatie tot een quickscan natuur-
geldt een verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken
soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het alge-
waarden onder de omgevingswet op basis van een eerder uitgevoerde
of ongedaan te maken, of achterwege te laten.
meen gelden voor alle drie de categorieën de activiteiten met schade-
quickscan (d.d. 15 februari 2022). De actualisatie is opgenomen als bij-
lijke gevolgen. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal be-
lage 2 opgenomen in onderhavige ruimtelijke motivering. Hieronder wor-
Soortenbescherming
schermde soorten (art. 11.54 Bal) met een lichte toets verleend. Voor de
den de belangrijkste conclusies beschreven. Voor de volledige rappor-
Conform de Omgevingswet is een flora- en fauna-activiteit een ‘activiteit
vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het
tage met bevindingen wordt verwezen naar de bijlagen.
met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of
verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde
planten’. Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten, en
soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen.
Gebiedsbescherming Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat
hiervoor geldt de specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). Er geldt een vergunningsplicht wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd zo-
Onder de Omgevingswet is een specifieke zorgplicht opgenomen voor
aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura
als beschreven in paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal.
alle ‘flora- en fauna-activiteiten’ (11.27 Bal). Hierin wordt gesteld dat na-
2000-gebied ‘Bossche Broek Moerputten en Vlijmens Ven, bevindt zich
delige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen, beperkt of onge-
op ca. 2,5 kilometer ten westen van het projectgebied. Indien er sprake
De Ow heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in
daan gemaakt. Dit geldt voor alle beschermde soorten, alsmede soorten
zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van sto-
Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen
van de rode lijsten, en voor die soorten belangrijke leefgebieden of na-