CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving

Gemeenteraad 7 mei 2025, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Wensen en bedenkingen tijdelijke Omgevingsvergunning AZC-Kruithoorn (behandeling 8 mei 2025)25.650 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

31 | 41

Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief

4.9

Geluid

In het kader van een BOPA dient het aspect geluid beoordeeld te worden. Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van een geluidsbronsoort (zoals wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds en bestemmingen die een zekere mate van rust nodig hebben (zoals woningen, scholen en ziekenhuizen) anderzijds. Ruimtelijke plannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Omgevingswet, via het gemeentelijke Omgevingsplan, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en onderliggende besluiten en regelingen.

4.9.1

Toetsingskader

Artikel 22.3.4 van de Bruidsschat (onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan) bevat de regels over geluid door een activiteit op of in een geluidsgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In artikel 22.57 van de Bruidsschat zijn de geldende waarden bepaald, met daarin onderscheid in: - activiteiten anders dan door windturbines en windparken (paragraaf 22.3.4.2); - geluid door windturbines en windparken (paragraaf 22.3.4.4). In afdeling 3.5 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die van toepassing zijn op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De Omgevingswet maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde en bronnen met basisgeluidemissie. Het is aan het bevoegd gezag om het geluidsniveau van wegen, spoorwegen en industrieterreinen te beoordelen conform artikel 3.20 van het Bkl. Het Rijk stelt voor een aantal aangewezen geluidsgevoelige gebouwen en stiltegebieden specifieke regels op. Voor geluidgevoelige functies zoals wonen, onderwijs of zorg is artikel 3.20 van het Bkl bepalend. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming op basis van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.

Bij het toelaten van een tijdelijk geluidgevoelig gebouw langs een (spoor)weg of nabij een industrieterrein met een geluidproductieplafond (gpp), moet de gemeente rekening houden met het geluid door de bron. De regels gelden alleen voor geluidgevoelige gebouwen die voor meer dan 10 jaar zijn toegelaten (art. 5.78 lid 2 Bkl).

4.9.2

Resultaten

Gezien de ligging van het plangebied nabij een drukke weg en een industrieterrein heeft Witteveen+Bos een akoestisch onderzoek (bijlage IV) uitgevoerd waar de volgende bepalingen zijn verricht. Dit akoestisch onderzoek is gebaseerd op een eerdere terreinindeling. Echter gaat het om een kleine verandering ten opzichte van het huidige ontwerp waardoor de resultaten van het akoestisch onderzoek ook representatief zijn voor het huidige ontwerp zoals weergegeven in deze onderbouwing. Uit het akoestisch onderzoek is te zien dat het geluid op de gevels ten gevolge van de gemeentelijke wegen ten hoogste 55 dB bedraagt. Dit is 2 dB hoger dan de standaardwaarde uit het Bkl en ruim lager dan de grenswaarde van 70 dB. Het geluid op de gevels ten gevolge van de provinciale wegen bedraagt ten hoogste 47 dB. Dit is onder de standaardwaarde van 50 dB. Het geluid ten gevolge van de rijksweg bedraagt ten hoogste 60 dB. Dit is 10 dB hoger dan de standaardwaarde uit het Bkl, maar overschrijdt de grenswaarde van 60 dB niet. Het gezamenlijke geluid van wegverkeer op gevels bedraagt ten hoogste 61 dB.

32 | 41

Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief

Het gezamenlijke geluid van industrie is op basis van expert judgement geschat op 56 dB(A) in een worst-case scenario. Het hoogste gecumuleerde geluid bedraagt dan 63 dB. Het woon- en leefklimaat krijgt de classificatie ‘Tamelijk slecht’. Ondanks dat het geluid op de gevels relatief hoog zijn kan er sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Om voor alle slaapvertrekken een prettig woon- en leefklimaat te creëren dient de gevelisolatie voldoende te zijn zodat er een leefbaar binnenniveau aanwezig is. Het binnenniveau bedraagt ten hoogste 39 dB. De grenswaarde van 43 dB voor het binnenniveau voor tijdelijke bouwwerken voor een periode van maximaal 10 jaar wordt niet overschreden. Hierom kan gezegd worden dan een acceptabel woon- en leefklimaat wordt gewaarborgd.

4.9.3

Conclusie

Gezien de urgentie van de situatie en de tijdelijkheid van het initiatief, samen met de waarborging van het binnenniveau, kan worden gezegd dat het leefklimaat acceptabel is voor de tijdelijke opvang.

4.10

Geur

4.10.1 Toetsingskader Regels over geur zijn onderverdeeld in de verschillende Amvb’s van de Omgevingswet. Het verschilt per inrichting en activiteit waar de regels zijn opgenomen. Indien er geen aanpassingen hebben plaatsgevonden in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, gelden de regels uit hoofdstuk 22 van het omgevingsplan, die met de Bruidsschat onderdeel zijn geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. De regels voor milieubelastende activiteiten staan opgenomen in hoofdstuk 3 van het Bal. In het Bkl staan de algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de geurhinder aanvaardbaar is gelet op het Bkl en het omgevingsplan.

4.10.2 Resultaat Op het industrieterrein Milieupark, waar het plangebied ook op ligt, staan vier bedrijven. Een houtzagerij, een interieurinrichter, een magazijn en een educatief experience center over de eerste wereldoorlog. Volgens artikel 3 van het Bal zijn geen van deze bedrijven een milieubelastende activiteit die geuremissie veroorzaken. Daarnaast is de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie zelf geen milieubelastende activiteit.

4.10.3 Conclusie In de directe omgeving worden geen activiteiten uitgevoerd die mogelijk een geuremissie veroorzaken. Daarnaast is de beoogde tijdelijke opvanglocatie zelf geen milieubelastende activiteit. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.

4.11

Bodemkwaliteit

Op grond van de instructieregel uit artikel 5.89i Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moeten de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van bodemgevoelig gebouwen op een bodemgevoelig locatie voor de in bijlage XIIIa aangewezen stoffen die de gezondheid bedreigen worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of gebruiksfunctie verschillen. Op grond van het Bkl dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid op de projectlocatie. Met andere woorden: is de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemming(en)/functie(s)?

33 | 41

Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief

Is er bodemverontreiniging die de functiedoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico’s, ecologische risico’s of verspreidingsrisico’s op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is, dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet, zoals door graafwerkzaamheden.

4.11.1 Toetsingskader In het geval dat de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie bepaalt de Omgevingswet dat de grond functiegericht gesaneerd moet worden. Dit betekent dat de grond zodanig gesaneerd moet worden dat de grond kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie. Nieuwe functies dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd en bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. De toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan conform artikel 5.89i van het Bkl.

4.11.2 Resultaten Voor de tijdelijke opvanglocatie heeft Witteveen+Bos een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in september 2024 (bijlage V). Uit het vooronderzoek bleek dat verkennend bodemonderzoek benodigd is. Uit dit verkennend bodemonderzoek blijkt de volgende conclusie: - westelijk en centraal westelijk deel: · de boven- en ondergrond voldoet aan kwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’; - noordoostelijk deel: · de bovengrond voldoet aan kwaliteitsklasse ‘Industrie’. De ondergrond betreft kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’. De interventiewaarde bodemkwaliteit voor koper wordt overschreden; · uit de separate analyse van de deelmonsters en de onderliggende lagen van de betreffende boringen blijkt dat tot minimaal 1,25 m-mv de grond kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’ betreft. De interventiewaarde bodemkwaliteit voor koper en kobalt wordt overschreden. Plaatselijk wordt alleen voor koper de interventiewaarde bodemkwaliteit overschreden. Centraal op het noordoostelijk deel betreft de tussenlaag bodemkwaliteitsklasse ‘Wonen’ tot ‘Industrie’; · de sterke verontreiniging met koper en kobalt wordt toegeschreven aan het voormalig gebruik van de locatie (wapen- en munitiefabriek ‘De Kruithoorn’). Kobalt werd en wordt als grondstof in hoogwaardige staalsoorten toegepast.

Koper wordt met name toegepast bij de productie van munitie (hulzen)); - zuidoostelijk deel: · de bovengrond voldoet aan kwaliteitsklasse ‘Industrie’, de ondergrond aan kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. Uit het verkennend bodemonderzoek wordt aanbevolen op een aantal plekken aanvullend bodemonderzoek uit te voeren gezien de omvang van de verontreiniging of de aanwezige begroeiing. Dit aanvullende onderzoek wordt aan de aanvraag toegevoegd zodra deze gereed is. Dit is naar verwachting in week 8 van 2025.

4.11.3 Conclusie Op basis van de resultaten van het uitgevoerde onderzoek zijn de vooraf gestelde doelen gerealiseerd en zijn onderstaand toegelicht. De actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is vastgesteld, voldoet aan het huidige gebruik van de locatie en worden risico’s voor de volksgezondheid niet aannemelijk geacht. Risico’s voor het milieu kunnen op voorhand niet worden uitgesloten.

34 | 41

Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief

Er zijn, vanuit milieuhygiënisch perspectief bezien, belemmeringen om de voorgenomen werkzaamheden uit te voeren. Hiervoor wordt aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd waaruit blijkt of eventuele sanering benodigd is.

4.12

Omgevingsveiligheid

Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico’s met zich mee door de

mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke lading vrij kan komen. De discipline omgevingsveiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Daarnaast horen bij omgevingsveiligheid de risico’s volgend uit het in werking hebben van windturbines en luchthavens. Het Nederlandse omgevingsveiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Dit worden ook wel de risico-ontvangers genoemd. In het kader van het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen zoals een omgevingsplan of afwijking van een omgevingsplan moet worden getoetst of het realiseren van het plan een onacceptabel omgevingsveiligheidsrisico oplevert. Hiertoe wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het groepsrisico wordt onder de Omgevingswet vaak ingevuld door aandachtsgebieden. In deze paragraaf wordt eerst het toetsingskader beschreven met de daarbij behorende definities van het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en aandachtsgebieden. Daarna komen de risicobronnen die zich in het gebied bevinden aan de orde en is getoetst aan de geldende wet- en regelgeving.

4.12.1 Toetsingskader Het doel van het omgevingsveiligheidsbeleid is tweeledig: a de bescherming van personen middels borgen van voldoende afstand tussen (beperkt) kwetsbare objecten & locaties en risicobronnen; b het mogelijk maken om te werken met gevaarlijke stoffen. De gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen: a stationaire bronnen, zoals een fabriek of een lpg-vulpunt; b mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen en door leidingen. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen' van belang. Regeling Basisnet blijft geldend, ook onder de Omgevingswet. Hieruit volgt ook dat de Handleiding Risicoberekeningen Bevt (hierna: HART) geldend blijft. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10 -6 (1 op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen zeer kwetsbare objecten, of kwetsbare objecten en locaties (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of voorzien worden. Er wordt anders omgegaan met het groepsrisico onder de Omgevingswet dan voorheen.

Aandachtsgebieden maken zichtbaar waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dit dient als een beginpunt om na te denken over veiligheid en maatregelen. Binnen een (explosie-, brand- en gifwolk) aandachtsgebied kan een gemeente voorschriftgebieden aanwijzen, welke worden opgenomen in het omgevingsplan. In de voorschriftgebieden gelden aanvullende bouweisen voor nieuwbouw volgens artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

35 | 41

Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief

Echter, blijft het groepsrisico (GR) nog wel parallel in gebruik. Het GR is de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

4.12.2 Resultaten De voorgenomen opvanglocatie van het COA leidt niet tot de realisatie van een nieuwe risicobron. Daarom leidt de opvang vanuit het aspect omgevingsveiligheid niet tot een eventueel knelpunt voor omliggende (beperkt) kwetsbare objecten. Risicobronnen binnen en buiten het plangebied kunnen tevens gevolgen hebben voor de ontwikkeling. Risicobronnen buiten het plangebied kunnen namelijk een risicocontour hebben die over het plangebied heen valt. Om dit inzichtelijk te maken is Atlasleefomgeving geraadpleegd. Een uitsnede hiervan is weergegeven in afbeelding 4.8. Hierin is te zien dat zich geen risicobronnen in de omgeving van de projectlocatie met een contour die over de projectlocatie valt.

Afbeelding 4.8 Uitsnede Atlas Leefomgeving rondom projectlocatie (geraadpleegd 9 december 2024)

4.12.3 Conclusie Met de tijdelijke opvanglocatie wordt geen nieuwe risicobron gerealiseerd. Daarnaast bevinden zich in de omgeving geen risicobronnen die een contour hebben die over de projectlocatie heen ligt. Het thema omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie en daarmee wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.13

Archeologie en cultuurhistorie

Voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning BOPA dient inzicht te zijn verkregen in bekende en te verwachten archeologische en cultuurhistorische waarden op de projectlocatie en in de omgeving, en wat de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het project rekening dient te worden gehouden. In de Omgevingswet staan de regels ter bescherming van de archeologische en cultuurhistorie waarden benoemd in artikel 5.130 van het Bkl.

36 | 41

Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief

4.13.1 Resultaten Voor de realisatie van de opvanglocatie vinden grondroerende werkzaamheden plaats. Het terrein heeft op de meest actuele verwachtingskaart een hoge archeologische verwachting (zie afbeelding 4.9). Deze verwachting is gebaseerd op de oorspronkelijke geomorfologie/bodemopbouw en landschappelijke ligging. Inmiddels is er sprake van een ophogingspakket van naar schatting 3,0 m. Doordat er geen ingrepen gaan plaatsvinden die dieper gaan dan 3,0 m is de archeologische bestemming niet van belang. Daarnaast zijn er geen nabijgelegen monumentale of cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig. Ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen tijdelijke opvang.

Afbeelding 4.9 Archeologische verwachtingskaart projectlocatie (rood)

4.13.2 Conclusie Ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie, omdat er geen monumentale of cultuurhistorisch waardevolle objecten in de omgeving aanwezig zijn en de bodem niet dieper dan 3,0 m wordt geroerd.

4.14

Activiteiten en zonering

Het doel van milieuzonering is een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies (zoals wonen en recreëren) anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

37 | 41

Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief

4.14.1 Toetsingskader De voormalige VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009) wordt niet meer door de VNG geactualiseerd en Milieuzonering Nieuwe Stijl 2019 biedt een nieuwe aanpak van hoe je bedrijfsmatige activiteiten. In de publicatie is een lijst opgenomen die inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld kan worden. Het instrument heeft een integrale benadering. Per bedrijf is in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De milieucategorie wordt bepaald op de maatgevende (grootste) afstand. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. Deze regels en normen worden gesteld in het belang van een gezonde en veilige en fysieke leefomgeving, ten behoeve van een optimaal en doelmatig grondgebruik. Het gaat hierbij om regels in het bestemmingsplan verbrede reikwijdte die vanuit dit belang naast de bestaande milieuregelgeving gelden.

4.14.2 Resultaten Een opvang van het COA wordt niet genoemd in de VNG-publicatie. De toekomstige tijdelijke vorm van gebruik is echter vergelijkbaar met de functie wonen. Deze functie kent geen zonering op grond van de VNG-publicatie. Gezien de tijdelijkheid van de locatie (maximaal 10 jaar) hoeft er geen rekening gehouden te worden met de richtafstanden uit de VNG-publicatie. Echter, om een goed woon- en leefklimaat te kunnen onderbouwen is de feitelijke situatie toch beoordeeld. Planologisch toegestaan Volgens het ter plaatse geldende omgevingsplan 's-Hertogenbosch, onderdeel bestemmingsplan ‘Zuid’, zijn in de omgeving van de projectlocatie bedrijfsactiviteiten toegestaan in de milieucategorieën tot een met 3.2. Dit betekent dat er zogenoemde maximale ‘richtafstanden’ gelden van 100 m. Feitelijke situatie Op het industrieterrein zijn een aantal bedrijven aanwezig waaronder een houtzagerij, een interieurinrichter, een magazijn en een bedrijvencentrum met verschillende kantoren. De houtzagerij heeft een maximale richtafstand voor geluid van 100 m. De afstand tot de opvanglocatie is meer dan 100 m, namelijk 120 m. Een groothandel voor overige consumentenartikelen heeft een maximale richtafstand voor geluid van 30 m.

Planologisch versus feitelijke situatie Voor de planologische situatie worden de richtafstanden van ter plaatse toegestane activiteiten in categorie 4.2 overschreden. In feitelijke situatie worden echter geen richtafstanden overschreden. Daarmee is er geen aanleiding om te verwachten dat de aanwezige bedrijven door de komst van de opvang belemmerd worden in hun milieurechten. Ook worden de toekomstige gebruikers van de tijdelijke opvanglocatie niet belemmerd in hun recht op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.14.3 Conclusie Activiteiten en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke opvang.

4.15

Sociale veiligheid

Naast een aantrekkelijke en aanpasbare fysieke leefomgeving moet een leefomgeving ook (sociaal) veilig in het gebruik zijn. Het gaat erom dat mensen zich veilig voelen en dat zoveel mogelijk daadwerkelijk zijn. Factoren die kunnen bijdragen aan (het gevoel van) meer veiligheid zijn onder andere: a informeel toezicht op de openbare ruimte; b persoonlijke controle over de ('eigen') omgeving; c het imago van het (totale) gebied.

38 | 41

Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief

4.15.1 Resultaten Maatregelen die het COA neemt voor beheer in en rond de opvang zijn onder andere: 24/7 beveiliging en toegangsbeheer op de locatie, 7 dagen per week aanwezigheid van COA-medewerkers op de locatie, huisregels hanteren en toezien op naleving, eventuele signalen over spanningen tussen bewoners oppakken, dagbesteding verzorgen, informeren over gedragsregels in Nederland, wanneer nodig opschalen naar of assistentie vragen aan politie, deelname aan veiligheidsoverleg met gemeente, politie en indien nodig andere betrokkenen, 24/7 bereikbaarheid voor omwonenden. Samen met gemeente en politie is het COA verantwoordelijk voor de leefbaarheid buiten de opvanglocatie. De gemeente is daarbij verantwoordelijk voor het monitoren van de effecten van de opvang in de omgeving en zo nodig in overleg met het COA en de politie (aanvullende) maatregelen te treffen. Daarbij wordt een leefbaarheidsplan opgesteld. De politie is verantwoordelijk voor het handhaven van de openbare orde, onder gezag van de burgemeester en de opsporing bij eventueel gepleegde strafbare feiten onder gezag van het Openbaar Ministerie. De opvanglocatie is voorzien van meerdere afvalbakken. Tevens wordt het terrein schoongehouden door de medewerkers en bewoners. Hier worden onderlinge afspraken op locatie over gemaakt. Verder wordt regelmatig vuil afgevoerd van de locatie.

Mocht blijken dat er aanvullende voorzieningen getroffen moeten worden, dan worden die door het COA uitgevoerd.

4.15.2 Conclusie Er wordt een pakket aan maatregelen getroffen om de sociale veiligheid in de omgeving van de planlocatie te waarborgen en heeft hierover afstemming met de gemeente. Ook wordt een leefbaarheidsplan opgesteld. Door het nemen van deze maatregelen vormt het aspect sociale veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.

39 | 41

Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief

5 MAATSCHAPPELIJKE EN ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid en het participatieproces.

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid en participatieproces

Bij het aanvragen van een BOPA dient de initiatiefnemer aan te geven of er aan participatie is gedaan, in welke vormen, en wat de resultaten hiervan zijn. Dit betekent in essentie niet dat participatie (altijd) een verplichting is, maar wel dient het bovenstaande te worden omschreven. Daarnaast dient een ruimtelijk plan maatschappelijk uitvoerbaar te zijn.

5.2

Participatie

Vanaf januari 2024 tot september 2024 is er maandelijks een omwonendenoverleg Pettelaarpark geweest waar omwonenden werden voorzien van een update vanuit de gemeente en het COA over de voorgenomen opvanglocatie aan de Kruithoorn. Omwonenden waren hier in de gelegenheid om vragen te stellen of zorgen te uiten. De notulen van deze overleggen zijn toegevoegd in bijlage VI. In oktober 2024 zijn verschillende gesprekken gevoerd met onder andere bewoners van Minitopa, ondernemers op de Kruithoorn en omwonenden. Op 14 en 15 oktober 2024 zijn er nog inloopmomenten geweest. De gespreksverslagen van deze momenten zijn terug te vinden in bijlage VII. Sinds de opening van de opvanglocatie aan Pettelaarpark blijkt het verwachtingspatroon over de gevolgen van de komst van de opvang niet geheel te kloppen en is deze positiever. In algemene zin is de conclusie dat er geen toename is van overlast en onveiligheid, en zeker niet als gevolg van de komst van de opvanglocatie.

5.3

Financiering

Het COA is verantwoordelijk voor de financiering van de uitvoering tijdens de exploitatieduur. De projectlocatie wordt gehuurd door het COA. Het COA voert een maatschappelijke taak uit in opdracht van het Rijk en wordt ook als zodanig gefinancierd voor het realiseren van de opvang.

5.4

Beheer en onderhoud

De gemeente ’s-Hertogenbosch en het COA verzorgen in samenwerking het beheer en onderhoud van de bebouwing en het terrein gedurende het gebruik ten behoeve van de tijdelijke opvang. Als de opvang is beëindigd, kan de locatie weer gebruikt worden conform de geldende enkelbestemming uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente ’s-Hertogenbosch. Het tijdelijk gebruik van de locatie door het COA leidt niet tot onomkeerbare gevolgen die het toekomstig gebruik conform de geldende enkelbestemming in het tijdelijke deel van het omgevingsplan verhinderen.

40 | 41

Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief

5.5

Handhaving

De omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente ’s-Hertogenbosch vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van handhaving zal afstemming met gemeente en politie plaatsvinden.

41 | 41

Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief

Bijlage(n)

I BIJLAGE: WEGING VAN HET WATERBELANG (REFERENTIE 138388/25-000.552 D.D. 16 JANUARI 2025)

Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Bijlage I | Definitief

AZC Den Bosch - A2 (Poeldonkweg) Weging van het waterbelang

Centraal Orgaan opvang asielzoekers 16 januari 2025

Project Opdrachtgever

AZC Den Bosch - A2 (Poeldonkweg) Centraal Orgaan opvang asielzoekers

Referentie

Weging van het waterbelang Definitief 02 16 januari 2025 138388/25-000.552

Projectcode

138388

Document Status Datum

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Stationsweg 5 Postbus 3465 4800 DL Breda +31 (0)76 523 33 33 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

2

VIGEREND BELEID

7

2.1

Europees beleid

7

2.2

Nationaal beleid

7

2.2.1 2.2.2 2.2.3

7 7 8

2.3

2.4

Omgevingswet Nationaal Waterprogramma Deltaprogramma

Regionaal beleid

8

2.3.1 2.3.2

8 11

Waterschap Aa en Maas Provincie Noord Brabant

Lokaal Beleid

11

2.4.1

11

Gemeente ‘s-Hertogenbosch

3

BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE

13

3.1

Situering en plangebied

13

3.2

Maaiveldhoogte

14

3.3

Geohydrologie en bodemopbouw

14

3.4

Oppervlaktewater

17

3.5

Afwatering

18

3.6

Keringen en waterstaatswerken

18

4

TOEKOMSTIGE SITUATIE

19

4.1

Geplande tijdelijke inrichting

19

4.2

Effecten op de afstroming van hemelwater

20

4.3

Effecten op het grondwater

20

4.4

Effecten op oppervlaktewater

21

4.5

Effecten op afvalwater

21

4.6

Effecten op keringen

21

5

CONCLUSIES EN AANDACHTSPUNTEN

22

6

REFERENTIES

23

Laatste pagina

23

Bijlage(n) -

Aantal pagina's

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

Momenteel is sprake van een grote instroom van asielzoekers in Nederland, terwijl er een tekort is aan opvangplaatsen. Daarom moet er met urgentie extra opvangplaatsen worden gerealiseerd. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) is landelijk bezig om zo spoedig mogelijk tijdelijke opvangplaatsen te realiseren. In opdracht van COA is door Witteveen+Bos een weging van het waterbelang uitgevoerd voor een beoogde opvanglocatie van asielzoekers aan de Poeldonkweg bij de A2 in Den Bosch. Het plangebied is weergegeven in afbeelding 1.1.

Afbeelding 1.1 Locatie projectgebied

5 | 23

Witteveen+Bos | 138388/25-000.552 | Definitief 02

1.2

Weging van het waterbelang

Het watersysteem en de ruimtelijke inrichting van een gebied zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een goede afstemming tussen water en ruimtelijke ordening is daarom essentieel. Om dit te waarborgen is weten regelgeving opgesteld. De weging van het waterbelang vormt het instrument om wet- en regelgeving op het gebied van water te borgen in de ruimtelijke plannen. Om af te wijken van het omgevingsplan is een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig (artikel 5.1, eerste lid onder a, Ow). Voor deze buitenplanse omgevingsplanactiviteit dient een weging van het waterbelang te worden uitgevoerd. Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van een omgevingsbelang de opvattingen van de waterbeheerder te betrekken (weging van het waterbelang). Dit volgt uit de instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3. van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) [1]. Voor een goede weging van het waterbelang dient de initiatiefnemer van een plan vroegtijdig af te stemmen met de waterbeheerder. De initiatiefnemer is in dit geval het COA; de waterbeheerder is het Waterschap Aa en Maas. Dit document vormt het resultaat van de weging van het waterbelang.

1.3

Leeswijzer

Het vervolg van deze waterparagraaf is als volgt gestructureerd: - hoofdstuk 2 beschrijft het vigerend beleid voor water op verschillende niveaus; - hoofdstuk 3 beschrijft de huidige waterhuishoudkundige situatie in en rond het plangebied; - hoofdstuk 4 beschrijft de effecten van het planvoornemen op de waterhuishoudkundige situatie; - hoofdstuk 5 sluit af met een korte samenvatting van de effecten en een conclusie.

6 | 23

Witteveen+Bos | 138388/25-000.552 | Definitief 02

2 VIGEREND BELEID Dit hoofdstuk geeft een beschrijving van het wettelijk kader en het vigerend beleid rondom water. De beschrijving is gestructureerd naar hiërarchie: achtereenvolgens Europees beleid, nationaal beleid, regionaal beleid en lokaal beleid.

2.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) [2] is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast gaat het Europees beleid uit van het ‘stand-still’ principe dat bij veranderingen de waterhuishoudkundige of ecologische situatie in een gebied enkel gelijk blijft of verbetert. Deze situatie mag dus niet verslechteren.

2.2

Nationaal beleid

2.2.1

Omgevingswet

Per 1 januari 2024 is een groot gedeelte van de Waterwet opgegaan in de Omgevingswet (Ow) [3]. In de Ow wordt het functioneren van het landelijk watersysteem beschreven en wordt de waterveiligheid geregeld. Ook wordt bepaald wie verantwoordelijk is voor welk watersysteem en welke taken daarbij horen. De Wet Milieubeheer is ook grotendeels geïntegreerd in de Ow. Het uitgangspunt daarbij is dat verreweg de meeste lozingen geregeld worden op gemeentelijk- en waterschapsniveau. De gemeentelijke zorgtaken voor hemel-, grond- en afvalwater worden ook beschreven in de Ow.

2.2.2

Nationaal Waterprogramma

Het nationaal beleid voor het beheer van Rijkswateren is uiteengezet in het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 [4]. Het Nationaal Waterprogramma beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswateren. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.

7 | 23

Witteveen+Bos | 138388/25-000.552 | Definitief 02

2.2.3

Deltaprogramma

In het Deltaprogramma 2024 [5] worden de onderwerpen waterveiligheid, zoetwater en ruimtelijke adaptatie beschreven. Klimaatverandering is ook een terugkerend thema in het Deltaprogramma 2024, waarbij in het nieuwe Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie in het bijzonder wordt benadrukt dat er aandacht is voor de preventie van overstroming, droogte dan wel wateroverlast. Ook het thema water- en bodem sturend en de opgaven in het landelijk gebied voor natuurherstel en duurzame landbouw worden benadrukt.

2.3

Regionaal beleid

Regionaal beleid wordt opgesteld door het Waterschap AA en Maas en de provincie Noord Brabant. Hierbij draagt de provincie de verantwoordelijkheid voor het diepe grondwater en het waterschap is verantwoordelijk voor het ondiepe grondwater, het watersysteem en het zuiveren van afvalwater.

2.3.1

Waterschap Aa en Maas

Waterschap Aa en Maas (WSAM) heeft zijn waterbeleid beschreven in het Waterbeheerplan (WBP) 2022-2027 [6]. Daarnaast kent het hoogheemraadschap een eigen Legger en Waterschapsverordening. Waterbeheerplan 2022-2027 In het WBP 2022-2027 heeft WSAM de doelen voor het watersysteem beschreven en uitgewerkt hoe de doelen worden bereikt. Daarnaast wordt beschreven hoe het waterschap inspeelt op klimaatverandering. De doelen en ambities zijn verdeeld in 3 programma’s: 1 Waterveiligheid: · dit programma richt zich op het verwezenlijken van bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. Daartoe worden de waterkeringen periodiek getoetst aan de veiligheidsnormen en waar nodig versterkt. De ambitie is dat in 2050 het volledige werkgebied van WSAM voldoende beschermd is tegen overstromingen; 2 Klimaatbestendig en gezond watersysteem: · dit programma richt zich op het klimaatbestendig inrichten van het watersysteem. Het streefbeeld voor 2050 is dat het watersysteem robuust en veerkrachtig is. Dat betekent dat het watersysteem uitstekend blijft functioneren in zeer droge en zeer natte situaties. Bovendien kent het watersysteem een goede waterkwaliteit en biodiversiteit; 3 Schoon water: · dit programma richt zich op de doelen en activiteiten van WSAM binnen de afvalwaterketen. Het zuiveren van afvalwater speelt daarin een centrale rol.

Het streefbeeld is dat in 2030 de zuivering van afvalwater energieneutraal is. In 2050 moet de zuivering bovendien klimaatneutraal en circulair zijn. Dat betekent dat de eigen energiebehoefte ook duurzaam wordt opgewekt. Tegelijkertijd worden er grondstoffen teruggewonnen en worden verontreinigingen zoveel mogelijk beperkt. Legger WSAM kent een Legger [7] waarin de ligging en eigenschappen van oppervlaktewateren en waterhuishoudkundige kunstwerken worden beschreven. Waterschapsverordening WSAM kent ook een eigen Waterschapsverordening [8] (tot 1 januari 2024: Keur) waarin ge- en verboden rondom het watersysteem worden geregeld. Daarbij hoort een toelichting van de hydrologische uitgangspunten [9]. Hieronder worden de relevante artikelen uit de Waterschapsverordening voor dit project beschreven:

8 | 23

Witteveen+Bos | 138388/25-000.552 | Definitief 02

Oppervlaktewaterlichamen De volgende activiteiten bij oppervlaktewaterlichamen zijn vergunningplichtig (Art. 2.2): - in een a-water, de daarbij behorende beschermingszone en in een b-water: · handelingen te verrichten; · werken te behouden, of; · vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven; - het is verboden zonder omgevingsvergunning een peilregulerend werk te verwijderen in een c-water binnen beschermd gebied, attentiegebied en wijstgebied; - het is verboden zonder omgevingsvergunning werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam; - het is verboden zonder omgevingsvergunning een oppervlaktewaterlichaam of ondersteunend kunstwerk aan te leggen; - het is verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam. Vergunningvrije gevallen voor het aanleggen, wijzigen of dempen van een oppervlaktewaterlichaam (Art.

2.104): - er is geen vergunning benodigd voor het aanleggen, verbreden of verdiepen van een c-water buiten de beschermingszone van een a-water of een ander beschermd gebied valt; - er is geen vergunning benodigd voor het aanleggen van een poel, als deze: · een oppervlakte heeft van maximaal 5.000 m2; · niet dieper is dan de gemiddeld laagste grondwaterstand; · maximaal 1,20 m diep is; · aan de noordzijde een taludhelling heeft van maximaal 1:5, en; · aan de andere zijden dan de noordzijde een taludhelling heeft van minimaal 1:3. Lozingen door toename verharding of bij ontwatering De volgende activiteiten ten aanzien van lozingen zijn niet vergunningplichtig (Art. 2.137): - het lozen van water op een oppervlaktewaterlichaam: · indien er maximaal 100 m3 water per uur wordt geloosd · een waterparagraaf in het omgevingsplan (na 1 januari 2019) met schriftelijke toestemming van waterschap, waarvan de maatregelen zijn uitgevoerd; · voor een toename of afkoppeling van verhard oppervlak, mits het verhard oppervlak toeneemt met maximaal 500 m2 of bestaat uit een groen dak; · voor een toename van verhard oppervlak < 10.000 m2, mits er compenserende maatregelen worden genomen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan.

De minimale capaciteit van de benodigde compensatie (in m3) bedraagt: toename verhard oppervlak (m2) x 0,06 m x ‘gevoeligheidsfactor’; · voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak < 10.000 m2. De activiteit dient minimaal 4 weken voor het begin van de lozing te worden gemeld (Art. 2.139). De ontvangende waterloop moet de lozing kunnen verwerken en moet geen overlast worden veroorzaakt (Art. 2.140). Vergunningsvrije gevallen voor lozen op oppervlaktewater van grondwater bij ontwatering (Art. 2.144): - als dat grondwater: · niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering, en; · geen drainagewater van grondgebonden teelt in een kas is; - met een emissiewaarde voor onopgeloste stoffen <50 mg/l, gemeten in een steekmonster; - dit niet van toepassing op het lozen van grondwater bij wonen.

9 | 23

Witteveen+Bos | 138388/25-000.552 | Definitief 02

Lozen van huishoudelijk afvalwater Huishoudelijk afvalwater lozen op oppervlaktewater is niet toegestaan (Art. 2.149): - bij meer dan 2000 inwonerequivalenten; - als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk dichtbij is: 1 40 m tot 10 inwonerequivalenten; 2 100 m tot 25 inwonerequivalenten; 3 600 m tot 50 inwonerequivalenten; 4 1.500 m tot 100 inwonerequivalenten; 5 3.000 m bij meer dan 100 inwonerequivalenten. De activiteit dient minimaal 4 weken voor het begin van de lozing van afvalwater te worden gemeld, met daarbij de volgende gegevens (Art. 2.152): - het aantal inwonersequivalenten; - de wijze van behandeling van afvalwater; - de verwachte datum van begin van de activiteit. Toelichting hydrologische uitgangspunten Het waterschap hanteert de volgende voorkeursvolgorde voor de afvoer van hemelwater: 1 hergebruik; 2 vasthouden/infiltreren; 3 bergen en afvoeren; 4 afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect); 5 afvoeren naar de riolering. Wanneer het waterschap niet heeft ingestemd met de waterparagraaf van een omgevingsplan en er sprake is van een toename van verhard oppervlak vanaf 500 m 2 tot en met 10.000 m2 wordt de rekenregel toegepast en bij toename van meer dan 10.000 m 2, of bij het niet voldoen aan de rekenregel, wordt de beleidsregel toegepast.

De rekenregel luidt dus als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m) Er kunnen verschillende typen compensatievoorzieningen worden toegepast. Deze voorziening kan bijvoorbeeld bestaan uit een wadi, poel, geïsoleerde greppel, ondergrondse bergingskratjes, doorlatende verharding, infiltratieriool of gewoon een verlaagd maaiveld. De afvoerconstructie moet ervoor zorgen dat de voorziening voldoende wordt benut, weer tijdig beschikbaar komt en dat versnelde afvoer wordt voorkomen. De diameter van 4 cm is op basis van ervaring gekozen als de praktische ondergrens voor een afvoerconstructie. Afhankelijk van kenmerken van het beïnvloedingsgebied wordt een gevoeligheidsfactor toegepast. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼, ½ en 1. De factor 0,06 m vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m 3/ha) die het verschil aangeeft tussen de hoeveelheid neerslag en enkele verliesposten op het maaiveld.

10 | 23

Witteveen+Bos | 138388/25-000.552 | Definitief 02

2.3.2

Provincie Noord Brabant

Visie klimaatadaptatie De Visie klimaatadaptatie [11] is een uitwerking van de hoofdopgave Brabant Klimaatproof uit de omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant - visie op de Brabantse leefomgeving'. Het is het eerste kaderstellende niveau onder de omgevingsvisie en alloceert financiële middelen. De bijlage 'Naar een klimaatproof Brabant' maakt integraal onderdeel uit van deze visie. Een verdere uitwerking van de watervraagstukken vindt plaats in het Regionaal Programma Water en Bodem 2022 - 2027. Klimaatadaptatie is ook en vooral een watervraagstuk. Deze watervraagstukken pakt de provincie op vanuit inspanningen gericht op veilig, voldoende en schoon water. Het betreft voor een groot deel (wettelijke) basistaken: - veilig tegen hoogwater; - voldoende (niet te veel en niet te weinig) diep en ondiep grondwater; - zoetwaterbeschikbaarheid; - waterverdeling in geval van extreme droogtes; - voorkomen van regionale wateroverlast bij extreme buien; - schoon grond- en oppervlaktewater. De visie bevat de volgende uitgangspunten waar rekening mee gehouden moet worden: - klimaatadaptatie is als vanzelfsprekend een vast onderdeel van de provinciale opgaven en geborgd in de provinciale programma's; - we gaan uit van een klimaatbestendig en robuust watersysteem.

Daarbij hanteren we de 5 principes: 1 niet meer gebruiken dan is aangevuld; 2 in hogere gebieden water infiltreren; 3 lagere gebieden zijn natter; 4 het systeem kan omgaan met extremen; 5 de waterkwaliteit is op orde; - op basis van een klimaatbestendig en robuust watersysteem wordt de overgang naar een nieuwe systematiek gemaakt voor wateroverlast en extreme buien; - er wordt voor gekozen om voorrang te geven aan de robuustheid van het watersysteem en niet aan individuele belangen; - er wordt gewerkt via een gebiedsgerichte en samenhangende aanpak; - via de gebiedsgerichte aanpak worden middelen in samenhang en waar mogelijk gebundeld ingezet.

2.4

Lokaal Beleid

2.4.1

Gemeente ‘s-Hertogenbosch

Plan water en riolering De gemeente ’s-Hertogenbosch heeft een eigen beleidsplan voor watergerelateerde thema’s: het Plan water en riolering (PWR) voor de periode 2023-2028 [12]. Het PWR geeft vervolg aan het Gemeentelijk rioleringsplan (GRP) 2016-2021. Het PWR beschrijft de visie en ambities omtrent het stedelijk watersysteem en bevat de strategie en uitvoeringsprogramma ten behoeve van het realiseren van de doelstellingen. In het PWR worden 4 belangrijke ambities beschreven. Deze worden hieronder benoemd met enkele speerpunten uit de strategie: 1 beschermen van de fysieke leefomgeving: · foutaansluitingen verminderen; · afkoppelen van meer verhard oppervlak; · samenwerken met het waterschap aan de KRW-doelstellingen;

11 | 23

Witteveen+Bos | 138388/25-000.552 | Definitief 02

2

3

4

beschermen van de volksgezondheid: · inzameling van het afvalwater borgen; · panden zonder riolering aansluiten; · verdere emissiereductie; · persleidingen onderzoeken en de verwerking van grijs water; bijdragen aan een klimaatbestendige en groene omgeving: · afkoppelen en scheiden van waterstromen; · bovengrondse berging van hemelwater realiseren, volgens de voorkeursvolgorde: 1 hergebruik; 2 bovengronds afvoeren/bergen; 3 ondergronds afvoeren/bergen; 4 afvoeren naar oppervlaktewater; 5 lozen op de riolering; · vergroenen van de openbare ruimte; · grondwateroverlast beperkt houden; bijdragen aan de energietransitie en circulaire economie: · scheiden van waterstromen; · real-time sturing wateraanvoer naar de RWZI.

Verordening Bomen, Water en Groen Naast het waterschap heeft ook de gemeente regels opgesteld voor de afvoer van hemelwater. Deze staan in de Verordening, Bodem Water en Groen (Gemeente 's Hertogenbosch, 2021). Het doel van deze verordening is het stellen van regels over houtopstanden, het lozen van grondwater en hemelwater en het verplicht realiseren van groen om de gevolgen van klimaatverandering te beperken en bepaalde houtopstanden te beschermen. Het lozen van grondwater en hemelwater Van toepassing op lozingen van grondwater op de gemeentelijke riolering of een gemeentelijke hemelwatervoorziening en het lozen van hemelwater. Het is zonder vergunning verboden om bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding hemelwater te lozen op de riolering of het openbaar terrein (Art. 4.15): - bij realiseren van nieuwe verharding van 500 m2 of meer, moet een hemelwatervoorziening van minimaal 60 mm voor de toename aan verharding worden gerealiseerd; - bij realiseren van nieuwe verharding van minder dan 500 m 2, moet een hemelwatervoorziening van minimaal 10 mm voor de toename aan verharding worden gerealiseerd; - de verplichting geldt niet als een groen dak wordt gerealiseerd met minimale bergingscapaciteit van 25 mm; - bij aansluiting op een drukriolering, moet de eigenaar hemelwater volledig op eigen terrein verwerken.

Het verplicht realiseren van groen Bij het realiseren van nieuwe verharding moet voldoen worden aan de groennorm (Art. 4.20): - bij een toename van verharding van 500 m2 of meer, moet voldaan worden aan de groennorm van het gebied (zie Groenkaart), en aan de minimale kwalitatieve biodiversiteitsscore.

12 | 23

Witteveen+Bos | 138388/25-000.552 | Definitief 02

3 BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE 3.1

Situering en plangebied

De projectlocatie is weergegeven in afbeelding 3.1. Het bevindt zich op een braakliggend terrein aan het einde van het bedrijventerrein aan de Zuid Willemsvaart in ‘s-Hertogenbosch. Het terrein ligt in de buurt van de A2 aan de Poeldonkweg. Het plangebied is in totaal circa 17.250 m2 groot. Het gebied aan de rand van de stad en ligt in de huidige situatie braak.

Afbeelding 3.1 Projectlocatie

13 | 23

Witteveen+Bos | 138388/25-000.552 | Definitief 02

3.2

Maaiveldhoogte

Voor de maaiveldhoogte is het AHN4 geraadpleegd [13]. De maaiveldhoogte in de omgeving van het projectgebied is weergegeven in afbeelding 3.2. In het westen van het projectgebied ligt het maaiveld tussen circa NAP +5,0 m en NAP +7,0 m. In het oosten ligt het maaiveld lager; hier ligt het tussen circa NAP +3,0 m en NAP +4,0 m. Waarschijnlijk is dit het originele maaiveld en is het bedrijventerrein opgehoogd. In de omgeving zijn ook het dijklichaam van de A2 en de Poeldonkweg, die ook de waterkering met de Zuid Willemsvaart vormt, duidelijk zichtbaar. Daarnaast is er een aarden afscheiding zichtbaar, die het plangebied scheidt van een watergang.

Afbeelding 3.2 Maaiveldhoogte in de omgeving van de projectlocatie volgens het AHN4 [ref. 19]

3.3

Geohydrologie en bodemopbouw

Bodemopbouw Om inzicht te krijgen in de lokale bodemopbouw is het DINO-loket geraadpleegd [14]. Eén boorprofiel in de buurt van het projectgebied is gebruikt om een indicatie te krijgen van de opbouw van de ondergrond zoals weergegeven in afbeelding 3.3. Een overzicht van verdere gegevens van het boorprofiel is weergegeven in tabel 3.1.

Tabel 3.1 Overzicht van de locaties en identificatie van de geraadpleegde boormonsterprofielen Boring ID

Locatie boring

A

Bedrijventerrein Poeldonk

14 | 23

Identificatie

Maaiveld ten opzichte van NAP m

Diepte ten opzichte van maaiveld m

B45D0049

3,50

-31,10

Witteveen+Bos | 138388/25-000.552 | Definitief 02

Vanuit het boormonsterprofiel kan geconcludeerd worden dat de bovenste 15 m uit fijn en midden grof zand bestaat. Vervolgens ligt er een veenlaag van circa 2,5 m daaronder weer een laag bestaande uit fijn zand met een dikte van circa 8 m. Hierna volgt een dunne laag klei van 1 m dik, een laag fijn zand van 2 m dik en de onderste laag in het profiel bestaat uit klei en is circa 4 m dik.

Afbeelding 3.3 Boormonsterprofiel nabij projectlocatie [14]

Grondwater Het DINO-loket is eveneens geraadpleegd om informatie te krijgen over de grondwaterstanden ter plaatse. In de directe omgeving van het plangebied is een peilbuis beschikbaar welke is gebruikt om een overzicht te krijgen van de grondwaterstand weergegeven in tabel 3.1 en afbeelding 3.4.

Tabel 3.2 Overzicht van de locaties en identificatie van de geraadpleegde peilbuizen Nummer peilbuis

Locatie peilbuis

1

Poeldonkweg

15 | 23

Witteveen+Bos | 138388/25-000.552 | Definitief 02

Identificatie

Lengte meetreeks

GLD000000013048

2020 tot 2023

Afbeelding 3.4 Freatische grondwaterstand gemeten door peilbuis GLD000000013048 gemeten als functie van de tijd [14]

Wat opvalt is dat het grondwaterpeil zich tussen NAP 2,4 en 2,9 m bevindt. Het maaiveld waar de peilbuis is geplaatst bevindt zich op NAP 7,44 m, wat betekent dat het grondwater zich tussen 5,04 en 4,54 m beneden maaiveld bevindt. De peilbuis laat een fluctuatie zien, waarbij de grondwaterstanden door de winter- en zomerseizoenen met circa 0,50 m fluctueren. De peilbuis staat relatief ver van de projectlocatie af en dicht bij het kanaal. Daarom is er ook gekeken naar het grondwatermodel uit de Klimaateffectatlas [15]. Hieruit blijkt een GHG ter plaatse van het plangebied van 1,5-2 m onder maaiveld, met aangrenzend een pixel met een GHG van 0,6-0,8 m. De GLG ligt ter plaatse van het plangebied meer dan 2 m onder maaiveld in het plangebied, de aangrenzende pixel 1-1,5 m onder maaiveld. Qua fluctuatie komt dit overeen met de peilbuis, maar het grondwater staat dichter aan de oppervlakte.

16 | 23

Witteveen+Bos | 138388/25-000.552 | Definitief 02

3.4

Oppervlaktewater

Watersysteem Informatie over de oppervlaktewatersystemen is opgehaald uit de Legger Wateren van Waterschap Aa en Maas. Uitsnedes van de Legger zijn weergegeven in afbeelding 3.5. De Legger geeft een goede indicatie van het watersysteem, maar is niet altijd feilloos. In de Legger staat informatie over wateren zoals de ligging, vorm, afmeting en constructie van wateren, zoals bijvoorbeeld weteringen, grote en kleine sloten. In de Legger staat ook wie welk water moet onderhouden. Er wordt in de Legger onderscheid gemaakt naar drie categorieën oppervlaktewaterlichamen: A, B en C. De status is van belang voor het verlenen van een watervergunning en het bepalen wie een onderhoudsplicht heeft voor een water in het kader van de jaarlijkse schouw watergangen. De te beheren wateren worden verdeeld in: - A-wateren: · van primair belang voor het waterbeheer en worden daarom door het waterschap onderhouden; - B-wateren: · van secundair belang voor het waterbeheer en dienen door de aangrenzende eigenaren te worden onderhouden; - C-wateren: · wateren die van tertiair belang zijn voor het waterbeheer waarvoor geen jaarlijkse onderhoudsplicht geldt. Afbeelding 3.5 laat een uitsnede uit de Legger rondom het plangebied zien. Het plangebied wordt met een aarden wal gescheiden van een A-watergang, die afwatert richting het hoofdwatersysteem van ’s-Hertogenbosch.

Dit gebeurt via twee gemalen, waarvan het eerste alleen wordt ingezet voor extra capaciteit bij hevige regenval. De overige watergangen in het gebied zijn C-wateren en worden dus niet onderhouden door het waterschap.

Afbeelding 3.5 Uitsnede legger en het projectgebied in het rood [7]

17 | 23

Witteveen+Bos | 138388/25-000.552 | Definitief 02

Ten noorden van het plangebied bevindt zich de Zuid Willemsvaart, deze is alleen verbonden met het lokale watersysteem via een duiker waarmee water kan worden ingelaten (regelbare stuw variërend in hoogte van NAP 3,58 - 3,83 m). Daarnaast is in het peilgebied nog een stuw aanwezig variërend in hoogte van NAP 0,87 - 2,06 m. Er zijn geen peilgebieden met vastgesteld peilbesluit in de omgeving van het plangebied. Waterkwaliteit Het Waterschap Aa en Maas kent een aantal KRW-lichamen, maar in of nabij het plangebied zijn geen KRW-waterlichamen aanwezig.

3.5

Afwatering

Het gehele plangebied is gelegen op een groen industrieterrein en naast een golfbaan. De verharding in de omgeving bestaat uit een aantal panden en wegen, verder is het oppervlak rond het plangebied met name groen. In onverhard gebied infiltreert het hemelwater door de gunstige bodemkundige situatie (zand) en de lage grondwaterstand. In het plangebied zelf zijn geen hemelwaterafvoer of structuren die hemelwater oppervlakkig afvoeren te vinden (zoals greppels).

3.6

Keringen en waterstaatswerken

Er zijn direct en rondom het projectgebied geen keringen aanwezig. Voor dit project zijn er in de nabijheid van de projectomgeving geen raakvlakken met waterstaatswerken.

18 | 23

Witteveen+Bos | 138388/25-000.552 | Definitief 02

4 TOEKOMSTIGE SITUATIE 4.1

Geplande tijdelijke inrichting

Afbeelding 4.1 toont het plangebied en de oppervlaktes van de verschillende delen ervan. In totaal is het plangebied ongeveer 1,4 ha groot.

Afbeelding 4.1 Ontwerp terreinindeling tijdelijke noodopvanglocatie A2 ‘s-Hertogenbosch

Hiervan wordt het plangebied ingedeeld zoals in afbeelding 4.1 weergegeven. De verdeling is als volgt: - gebouwen: woonunits en faciliteiten: circa 3.600 m2; - verharding: stelconplaten van 2 x 2 m voor een totaal van circa 5.000 m2; - groen: onverhard terrein circa 5.200 m2. De tijdelijke indeling van het plangebied betreft in totaal 8.800 m2 aan woonunits, faciliteiten en stelconplaten. De verhardingstoename betreft dus in totaal 8.800 m2.

19 | 23

Witteveen+Bos | 138388/25-000.552 | Definitief 02

Afbeelding 4.2 Verhardingen ontwerp versimpeld

4.2

Effecten op de afstroming van hemelwater

Door het toevoegen van verhard oppervlak in het plangebied zal hemelwater versneld afstromen naar het oppervlaktewatersysteem waardoor de piekbelasting toeneemt. Om te zware piekbelasting van het systeem te voorkomen heeft het waterschap als eis dat er wordt gecompenseerd bij een grote verhardingstoename. De hoeveelheid verharding neemt met 8.800 m2 toe. Hiermee valt de toename onder de algemene rekenregel van het waterschap en de regels van de gemeente over het lozen van hemelwater. Deze gaan beiden uit van 60 mm compensatie in stedelijk gebied, gerealiseerd met een wadi, poel, geïsoleerde greppel, ondergrondse bergingskratjes, doorlatende verharding, infiltratieriool of gewoon een verlaagd maaiveld. De opgave voor dit project bedraagt 528 m3. Het COA vult deze compensatieopgave in met een combinatie van wadi en infiltratieriool. Hiervoor voert het COA een infiltratieonderzoek uit. Dit zal in een latere fase moeten worden uitgewerkt met de algemene rekenregel als uitgangspunt. Bij het aanleggen van hemelwaterafvoer moet rekening worden gehouden met hoogteverschillen in het gebied. Daarnaast dient de voorkeursvolgorde van de gemeente te worden gevolgd (hergebruik bovengronds afvoeren/bergen - ondergronds afvoeren/bergen - afvoeren naar oppervlaktewater - lozen op de riolering).

Er is geen hemelwaterstelsel in de omgeving waar mogelijke hemelwaterafvoer op aangesloten kan worden, eventueel overtollig hemelwater dient bovengronds te worden aangeboden op de perceelgrens.

4.3

Effecten op het grondwater

Op de planlocatie neemt het verhard oppervlak toe. Dit leidt in beginsel plaatselijk tot minder infiltratie en meer afstroming van hemelwater, waardoor er lokaal sprake is van minder grondwateraanvulling. Het is niet bekend hoe het hemelwater wordt afgevoerd.

20 | 23

Witteveen+Bos | 138388/25-000.552 | Definitief 02

Indien hemelwater kan afstromen naar greppels of omliggend gebied van de projectlocatie, kan het water infiltreren en kan er grondwateraanvulling plaatsvinden. Indien het oppervlak wordt aangesloten op een hemelwaterriool zal er minder grondwateraanvulling zijn ten opzichte van de huidige situatie. Door het goed doorlatende zandpakket ondergrondse uitwisseling van water zal het effect op grondwater in beide gevallen beperkt zijn.

4.4

Effecten op oppervlaktewater

Watersysteem In de omgeving van het plangebied ligt een A-watergang, afgescheiden van het plangebied met een aarden wal. Er zal waarschijnlijk geen afstroming van hemelwater naar deze watergang plaatsvinden en daarom is er geen invloed op het watersysteem. Het is niet duidelijk hoe de afstroming in het plangebied geregeld is. Dit zal in een verdere fase uitgezocht moeten worden. Oppervlaktewaterkwaliteit Het plangebied is niet in directe verbinding met een watergang, effecten op oppervlaktewater worden daarom niet verwacht. Afvalwater zal aangesloten worden op de gemeentelijke riolering. Hier zijn nog geen afspraken over bekend. De ontwikkeling van het plangebied tot opvanglocatie kent mogelijke negatieve effecten op de waterkwaliteit. Verontreinigingen kunnen zich ophopen op het terrein. De verontreinigingen kunnen worden meegevoerd door afstromend hemelwater. Echter gezien de tijdelijkheid van de ontwikkeling is het risico op vervuiling van het oppervlaktewater beperkt.

4.5

Effecten op afvalwater

Het perceel ligt ver van de huidige riolering. Dit is een aandachtspunt. Gezien de tijdelijke aard van de opvanglocatie en de locatie nabij stedelijk gebied is de te verwachten extra belasting op te vangen door het gemeentelijk riool. De grootte van de afvalwaterstroom als gevolg van de realisatie van de COA-locatie en ook de timing zal wel moeten worden afgestemd met de gemeente en het waterschap.

4.6

Effecten op keringen

Er zijn in het plangebied geen keringen aanwezig.

21 | 23

Witteveen+Bos | 138388/25-000.552 | Definitief 02

5 CONCLUSIES EN AANDACHTSPUNTEN Het planvoornemen is niet vergunningplichtig op grond van de Waterschapsverordening van waterschap Aa en Maas, mits de toename aan verharding wordt gecompenseerd volgens de rekenregel van het waterschap. Daar voldoet het plan nu nog niet aan. Daarnaast moeten hemelwaterafvoer en de afvoer van afvalwater worden afgestemd met gemeente en waterschap. Hieronder worden per wateraspect enkele aandachtspunten voor het vervolg meegegeven. Afstroming van hemelwater Een toename van verharding van meer dan 500 m 2, moet worden gecompenseerd met voorzieningen. Volgens de algemene rekenregel bedraagt de opgave voor dit project 498 m3. De afwatering van hemelwater, waaronder compensatie is nog niet uitgewerkt. Dit moet in een volgende fase van het plan worden opgenomen. Grondwater Ten aanzien van het grondwater worden geen bijzonderheden verwacht. In de toekomstige situatie zal er zeer lokaal minder grondwateraanvulling zijn vanwege de verhardingstoename. Het is nog niet bekend hoe hemelwater wordt afgevoerd, maar vanuit het beleid van het waterschap wordt een voorkeur gegeven aan het vasthouden of infiltreren van water boven bergen of afvoeren van hemelwater. Het grondwater bevindt zich ver onder maaiveld bij de dichtstbijzijnde peilbuis (4-5 m), waarschijnlijk is dit in het plangebied meer richting 1-2 m onder maaiveld.

De maaiveldhoogte op die locatie is vergelijkbaar met het maaiveld van het westelijk deel van het plangebied (tussen NAP +5,0 tot +7,0 m). In het oosten ligt het maaiveld lager (NAP +3,0 m tot +4,0 m). Hier komt het grondwater mogelijk dicht bij de oppervlakte (0,6-1,5 m onder maaiveld), indien er niet wordt opgehoogd. Dit ligt in de buurt van de gangbare minimale ontwateringseisen (0,7-1 m onder maaiveld). Watersysteem Er wordt geen direct effect op het watersysteem verwacht, ook niet op de waterkwaliteit. Gezien de tijdelijkheid van de ontwikkeling is het risico op vervuiling van het oppervlaktewater beperkt. Afvalwater Er is nog niets bekend over de afvoer van afvalwater. Gezien de grootte van de ontwikkeling zal aansluiting op het gemeentelijk afvalwaternetwerk geen problemen opleveren. Hierover moet wel worden afgestemd met gemeente en waterschap. Keringen Er zijn geen keringen of beschermingszones van keringen in het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15287254/1