2. Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving
Tekst van het document
Tijdelijke opvang Poeldonkweg ‘s-Hertogenbosch Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving
Centraal Orgaan opvang asielzoekers 16 januari 2025
Project
Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Adres
Tijdelijke opvang Poeldonkweg ‘s-Hertogenbosch Centraal Orgaan opvang asielzoekers
Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Definitief 16 januari 2025 138388/25-000.554
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Stationsweg 5 Postbus 3465 4800 DL Breda +31 (0)76 523 33 33 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toest emming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Projectlocatie
6
1.2.1 1.2.2
Ligging projectlocatie Begrenzing projectlocatie
6 7
Van bestemmingsplan naar omgevingsplan
8
1.3.1
8
1.3
Toetsing vigerend omgevingsplan
1.4
Overige delen omgevingsplan
8
1.5
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit
9
1.6
Leeswijzer
9
2
BESCHRIJVING PROJECTLOCATIE
10
2.1
Huidige situatie
10
2.2
Toekomstige situatie
11
3
BELEIDSKADER
13
3.1
Rijksbeleid
13
3.1.1 3.1.2
13 14
3.2
3.3
Omgevingswet Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Provinciaal beleid
14
3.2.1 3.2.2
14
Omgevingsvisie provincie Noord-Brabant Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant (vastgesteld 5 december 2023)
14
Gemeentelijk beleid
15
3.3.1
15
Ontwerp Bossche Omgevingsvisie
4
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
16
4.1
Milieueffectrapportage
16
4.1.1 4.1.2 4.1.3
16 17 18
Toetsingskader Resultaten Conclusie
4.2
4.3
4.4
4.5
4.6
4.7
Ladder voor duurzame verstedelijking
18
4.2.1 4.2.2 4.2.3
18 18 18
Duurzaamheid
19
4.3.1 4.3.2 4.3.3
19 19 19
4.9
20
4.4.1 4.4.2 4.4.3
20 20 20 20
4.5.1 4.5.2
21 23
4.12
Toetsingskader en resultaten Conclusie
Weging van het waterbelang
23
4.6.1 4.6.2 4.6.3
23 23 24
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Natuur
25 Toetsingskader Resultaten Conclusie
25 27 29
Luchtkwaliteit
29
4.8.1 4.8.2 4.8.3
29 30 31
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Geluid
32 Toetsingskader Resultaten Conclusie
Geur 4.10.1 4.10.2 4.10.3
4.11
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Verkeersgeneratie en -afwikkeling en parkeren
4.9.1 4.9.2 4.9.3 4.10
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Gezondheid
4.7.1 4.7.2 4.7.3 4.8
Toetsingskader Resultaten Conclusie
32 32 33 33
Toetsingskader Resultaat Conclusie
33 33 33
Bodemkwaliteit
33
4.11.1 4.11.2 4.11.3
34 34 34
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Omgevingsveiligheid
35
4.12.1 4.12.2 4.12.3
35 36 36
Toetsingskader Resultaten Conclusie
4.13
4.14
4.15
Archeologie en cultuurhistorie
36
4.13.1 4.13.2
37 37
Resultaten Conclusie
Activiteiten en zonering
37
4.14.1 4.14.2 4.14.3
38 38 38
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Sociale veiligheid
38
4.15.1 4.15.2
39 39
Resultaten Conclusie
5
MAATSCHAPPELIJKE EN ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
40
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid en participatieproces
40
5.2
Participatie
40
5.3
Financiering
40
5.4
Beheer en onderhoud
40
5.5
Handhaving
41
Laatste pagina
41
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Weging van het waterbelang (referentie 138388/25-000.552 d.d. 16 januari 2025)
24
II
Soortenonderzoek (referentie 138388/24-012.972 d.d. 10 september 2024)
26
III
Stikstofdepositie onderzoek (referentie 138388/24-015.936 d.d. 31 oktober 2024)
24
IV
Akoestisch onderzoek (referentie 138388/24-007.167 d.d. 16 mei 2024)
66
V
135
VI
Vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek (referentie 138388/24-012.902 d.d. 10 september 2024) Notulen participatiemomenten
VII
Gespreksverslagen inloopmomenten
31
29
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding
Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) is landelijk bezig om zo spoedig mogelijk tijdelijke opvangplaatsen te realiseren. Hiervoor worden onder andere tijdelijke opvanglocaties ingericht. Binnen de asielketen worden momenteel alle zeilen bijgezet om koste wat kost te voorkomen dat er een situatie ontstaat waarin crisisopvang nodig is. Dit gaat gerealiseerd worden ter plaatse van het bedrijventerrein De Kruithoorn, gelegen aan de Poeldonkweg 5 - 33 te ’s-Hertogenbosch. Op deze locatie staan naast opvangplaatsen, ook kantoren die voor het COA worden gerealiseerd en overige voorzieningen worden aangelegd, zoals sportvelden en parkeerplaatsen. De beoogde locatie voor het AZC betreft in de bestaande situatie een grotendeels braakliggend terrein centraal gelegen binnen het bedrijventerrein. Op deze opvanglocatie is plaats voor maximaal 350 personen voor een periode van maximaal 10 jaar. Het gebruik past niet binnen het vigerende omgevingsplan, bestemmingsplan ‘Zuid’ van de gemeente ’s-Hertogenbosch (onherroepelijk d.d. 30 augustus 2011). Hierdoor dient er een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aangevraagd te worden. Voor deze aanvraag dient er een onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving gemaakt te worden, waarin wordt aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderhavig rapport voorziet in deze onderbouwing.
1.2
Projectlocatie
1.2.1
Ligging projectlocatie
De projectlocatie ligt aan de Poeldonkweg 5 in ‘s-Hertogenbosch in de wijk Zuidoost. De percelen zijn kadastraal bekend bij de gemeente onder de nummers HTGOO-S-1366 en HTG00-S-1365 aangegeven in afbeelding 2.2. De globale ligging is aangegeven op afbeelding 1.1.
6 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
Afbeelding 1.1 Globale ligging projectlocatie (rood omcirkeld)
1.2.2
Begrenzing projectlocatie
Deze onderbouwing ten aanzien van de effecten op de fysieke leefomgeving heeft betrekking op de rood gemarkeerde vlakken in afbeelding 1.2. De rode markering geeft de projectlocatie weer waar afgeweken wordt van het omgevingsplan ten behoeve van de tijdelijke opvanglocatie aan de Poeldonkweg 5 ‘s-Hertogenbosch.
Afbeelding 1.2 Begrenzing projectlocatie
7 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
1.3
Van bestemmingsplan naar omgevingsplan
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn de bestemmingsplannen van gemeenten van rechtswege onderdeel geworden van het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan (artikel 4.6 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet). Het overgangsrecht van de Omgevingswet regelt de overgang van onder andere de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) naar de Omgevingswet (Ow). Onder de Omgevingswet spreken we niet meer van bestemmingen, maar van functies en activiteiten.
1.3.1
Toetsing vigerend omgevingsplan
De beoogde locatie voor de tijdelijke opvang ligt binnen het omgevingsplan van de gemeente ‘s-Hertogenbosch. Ter plaatse geldt het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bestemmingsplan ‘Zuid’. Volgens de regels heeft de projectlocatie de bestemming ‘Bedrijventerrein’. Op de bestemming ‘Bedrijventerrein’ geldt er een maximale bouwhoogte van 6 m, een maximum bebouwingspercentage van 35 %, en dient er binnen het bouwvlak gebouwd te worden. De tijdelijke opvanglocatie van het COA is een maatschappelijke functie die niet past binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein’.
Afbeelding 1.3 Uitsnede plankaart tijdelijk deel omgevingsplan ‘s-Hertogenbosch, bestemmingsplan ‘Zuid’
1.4
Overige delen omgevingsplan
Op de projectlocatie gelden daarnaast ook nog de volgende besluiten/plannen die onderdeel zijn van het tijdelijke deel van het omgevingsplan ’s-Hertogenbosch: - TAM-voorbereidingsbesluit (kleinschalige) bedrijfsunits, opslag- en garageboxen (vastgesteld d.d. 10 september 2024); - Omgevingsplan gemeente ’s-Hertogenbosch (Bruidsschat-regels) (vastgesteld d.d. 19 juni 2024);
8 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
-
Paraplubestemmingsplan bezorgfuncties, afhaalzaken en ondersteunende horeca (vastgesteld d.d.10 oktober 2023); Paraplubestemmingsplan woningsplitsing, verkameren en parkeren (vastgesteld d.d. 10 oktober 2024)
Voor deze onderbouwing zijn bovengenoemde overige delen niet van toepassing, omdat in deze regels geen sprake is van veranderingen die spelen op de tijdelijke opvanglocatie.
1.5
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit
De tijdelijke opvanglocatie kan planologisch mogelijk worden gemaakt middels een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA). Een BOPA is een activiteit die niet voldoet aan of in strijd is met het (tijdelijke) omgevingsplan. Het bevoegd gezag mag de vergunning voor een BOPA alleen verlenen als de activiteit voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 1, Besluit kwaliteit leefomgeving). De initiatiefnemer moet aantoonbaar maken c.q. onderbouwen dat wordt voldaan aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de provinciale en waterschapsverordening en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een BOPA-aanvraag geldt in principe de reguliere procedure met een beslistermijn van 8 weken met een mogelijkheid van verlenging met 6 weken. In afstemming met de gemeente is dit verandert naar de uitgebreide procedure met een beslistermijn van 6 maanden. Bij de uitgebreide procedure is het mogelijk om zienswijzen in te dienen tegen het ontwerpbesluit. Na het definitieve besluitberoep mogelijk. De procedurebepalingen staan in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1.6
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt een nadere beschrijving van de projectlocatie gegeven. Zowel de huidige situatie als de toekomstige situatie worden geschetst. Hoofdstuk 3 omvat een toetsing van de voorgenomen tijdelijke opvang aan relevante ruimtelijke beleidskaders van Rijk, provincie, en gemeente. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 voor alle relevante milieu- en omgevingsaspecten beschouwd wat de effecten zijn van de tijdelijke opvang. In hoofdstuk 5 wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid, het participatieproces de financiële uitvoerbaarheid, het beheer en onderhoud en handhaving besproken.
9 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
2 BESCHRIJVING PROJECTLOCATIE In dit hoofdstuk wordt het project beschreven. Allereerst wordt ingegaan op de huidige situatie op de projectlocatie en vervolgens wordt ingegaan op de toekomstige situatie op de projectlocatie.
2.1
Huidige situatie
De projectlocatie ligt aan de Poeldonkweg 5 in ‘s-Hertogenbosch in de wijk Zuidoost, en specifiek op de percelen kadastraal bekend bij de gemeente onder de nummers in afbeelding 2.2. De projectlocatie bevindt zich op een braakliggend gedeelte van het bedrijventerrein. Op afbeelding 2.1 is een luchtfoto weergegeven met een rode contour waarbinnen het braakliggend terrein valt.
Afbeelding 2.1 Luchtfoto projectlocatie
In afbeelding 2.2 is de kadastrale situatie van de projectlocatie weergegeven. Het rode kader geeft de begrenzing weer waar wordt afgeweken van het (tijdelijk deel) omgevingsplan.
10 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
Afbeelding 2.2 Overzicht kadastrale situatie
2.2
Toekomstige situatie
Het COA wil op de projectlocatie maximaal 350 personen opvangen voor een periode van maximaal 10 jaar. In afbeelding 2.3 staat het stedenbouwkundig plan voor de projectlocatie. Tekening wordt ook bij de vergunningaanvraag toegevoegd. Op de locatie komen 4 kleine woonunits te staan die allemaal 3-laags zullen zijn, en 3 grote woonunits die allemaal 2-laags zullen zijn. Daarnaast komen er nog de volgende gebouwen: faciliteitengebouw met leslokalen en activiteitenruimten, opslag/werkplaats, wasruimte en een dienstencentrum. Deze rapportage is bedoeld om de effecten van de tijdelijke opvanglocatie voor de fysieke leefomgeving te onderbouwen. Op basis hiervan kan de beslissing worden opgenomen op de vergunningaanvraag.
11 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
Afbeelding 2.3 Stedenbouwkundig plan projectlocatie
12 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
3 BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden voor de voorgenomen te ontwikkelen tijdelijke opvanglocatie relevant ruimtelijk beleid van het Rijk, de provincie Noord-Brabant en de gemeente ‘s-Hertogenbosch beschreven. Aangegeven wordt wat de relatie is tussen het project en het beleid. Daarnaast wordt getoetst of het project in overeenstemming is met het geldende beleid.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Omgevingswet
De Omgevingswet is in werking getreden op 1 januari 2024. De Omgevingswet betreft een wet die een verregaande vereenvoudiging van het stelsel van wetgeving door tientallen wetten en honderden regels te bundelen in 1 nieuwe wet. De wet betekent een aanzienlijke inhoudelijke reductie van regels op het terrein van water, lucht, bodem, natuur, infrastructuur, gebouwen en cultureel erfgoed. Het overgangsrecht in de Invoeringswet Omgevingswet (IOw) en het Invoeringsbesluit Omgevingswet regelt de verhouding tussen nieuwe en bestaande regelgeving. Paragraaf 11.2 van de IOw bevat het overgangsrecht voor de kerninstrumenten van de Ow: de omgevingsvisie, programma’s, het omgevingsplan, de omgevingsverordening en waterschapsverordening, algemene Rijksregels, de omgevingsvergunning, het projectbesluit en instructieregels. Het is sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer mogelijk om het bestemmingsplan te wijzigen, ook niet op ondergeschikte punten. Artikel 22.6 lid 1 van Omgevingswet heeft betrekking op de ruimtelijke plannen die van rechtswege onderdeel zijn geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit artikel bepaalt dat de ruimtelijke regels die onderdeel zijn geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, alleen ‘alle tegelijk’ kunnen vervallen.
Uit dit artikel volgt dus dat het niet mogelijk is om regels uit de voormalige ruimtelijke plannen aan te passen. Ook is het niet mogelijk om per locatie alleen een deel van de daar op grond van het ruimtelijk plan geldende regels van het tijdelijke deel te laten vervallen. Bij een vaststellingsbesluit kunnen alleen alle voor een locatie geldende regels van het tijdelijke deel vervallen. Bij een wijziging van regels in het tijdelijke deel, zullen dus alle regels voor de betrokken locatie (ook de regels die op zichzelf niet gewijzigd hoeven te worden) opnieuw vastgesteld moeten worden en met inachtneming van de regels van de Omgevingswet in het nieuwe deel van het omgevingsplan vastgelegd moeten worden. Het verlenen van een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit is een alternatief om projecten planologisch mogelijk te maken zonder het omgevingsplan te wijzigen. Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is op projectbasis mogelijk, zonder het wijzigen van het omgevingsplan. Wel dient een verleende BOPA na 5 jaar verwerkt te worden in het omgevingsplan. Relatie met de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling Gezien de aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit na 1 januari 2024 wordt ingediend is de wet- en regelgeving conform de Omgevingswet van kracht.
De vergunning kan enkel verleend worden als voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voorliggend rapport dient als onderbouwing hiervan.
13 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
3.1.2
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI verving de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in 4 prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 sterke en gezonde steden en regio’s; 4 een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Relatie met de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling Gezien het hoge abstractieniveau van de nationale belangen uit de NOVI, heeft het NOVI geen directe implicaties voor de ontwikkeling en kan de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling in algemene zin bijdragen aan de belangen uit het NOVI. Het NOVI heeft geen consequenties voor de voorgenomen tijdelijke opvang.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie provincie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant heeft in 2018 de Brabantse omgevingsvisie vastgesteld voor het jaar 2050. Met de omgevingsvisie stelt de provincie Noord-Brabant hun ambities. De omgevingsvisie agendeert en nodigt gemeenten uit om hier mee aan de slag te gaan. De omgevingsvisie sluit aan bij de hoofdopgave van het Rijksbeleid, Europees beleid en mondiale doelstellingen. De omgevingsvisie bevat één basisopgave en vier hoofdopgaven. Met deze basisopgave en de hoofdopgaven geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van Noord-Brabant. Basisopgave: - werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Hoofdopgave: - werken aan de Brabantse energietransitie; - werken aan een klimaatproof Brabant; - werken aan de slimme netwerkstad; - werken aan een concurrerende duurzame economie. Relatie met de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling Gezien het abstractieniveau waarop de ambities en opgaven in de omgevingsvisie zijn geformuleerd heeft de visie geen directe implicaties. Door de realisatie van de tijdelijke opvang wordt bijgedragen aan de oplossing van een urgent sociaal-maatschappelijk probleem.
3.2.2
Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant (vastgesteld 5 december 2023)
De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie provincie Noord-Brabant zijn verankerd in de Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. De omgevingsverordening vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking op de leefomgeving hebben, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) en de Waterverordening.
14 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
Afbeelding 3.1 Aanduiding projectlocatie omgevingsverordening provincie Noord-Brabant
Op de projectlocatie bevinden zich de volgende aanduidingen: - diep grondwaterlichaam; - geen attentiezone waterhuishouding; - beperking grootschalige logistiek; - stedelijk gebied; - stalderingsgebied; - afwijkende norm wateroverlast stedelijk gebied; - ambtsgebied provincie Noord-Brabant. Relatie met voorgenomen tijdelijke ontwikkeling De gebiedsaanduidingen die vanuit de Omgevingsverordening gelden in het gebied van de projectlocatie, vormen gezien de aard van de voorgenomen ontwikkeling - een tijdelijke functiewijziging niet binnen bestaande bebouwing - geen belemmering.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Ontwerp Bossche Omgevingsvisie
De omgevingsvisie van ‘s-Hertogenbosch ligt per 13 januari 2025 6 weken ter inzage. In de visie komen verschillende ’ontwikkellijnen aan bod die voor de gemeente belangrijk zijn. De volgende ontwikkellijnen zijn opgenomen in de ontwerp omgevingsvisie: - groots vergroenen; - bouwen aan generaties; - welvarend welzijn; - vorstelijk verbinden. Relatie met de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling De opvanglocatie is van tijdelijke aard. De ontwerp omgevingsvisie van de gemeente ‘s-Hertogenbosch biedt geen relevante aanknopingspunten ten aanzien van deze tijdelijke ontwikkeling. Echter staat het voornemen de ruimtelijke opgaven die beschreven worden in de ontwerp omgevingsvisie ook niet in de weg. De ontwerp omgevingsvisie vormt geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie.
15 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een omgevingsvergunning voor een BOPA door middel van een integrale ruimtelijke benadering rekening te worden gehouden met de consequenties van het project voor de omgeving. Het bevoegd gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Het beginsel van de Omgevingswet, een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is van toepassing op alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de behandeling van de voor de ontwikkeling relevante milieu- en omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen, en hiermee wordt de uitvoerbaarheid van het project aangetoond. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Daarbij wordt getoetst aan wet- en regelgeving met de volgende thematische onderverdeling: - milieueffectrapportage; - ladder voor duurzame verstedelijking; - duurzaamheid; - gezondheid; - verkeersgeneratie, afwikkeling en parkeren; - weging van het waterbelang; - natuur; - luchtkwaliteit; - geluid; - geur; - bodemkwaliteit; - omgevingsveiligheid; - archeologie en cultuurhistorie; - activiteiten en milieuzonering; - sociale veiligheid.
4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1
Toetsingskader
Een onderdeel van de beoordeling of een aanvraag van een BOPA volledig is, is toetsen aan de regels omtrent milieueffectrapportage. Deze staan opgenomen in de Omgevingswet paragraaf 16.4.2 en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Het besluit of de activiteit is mer-beoordelingsplichtig wanneer het opgenomen staat in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Artikel 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit geeft een nadere onderbouwing hiervan.
16 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
4.1.2
Resultaten
Het vestigen van een tijdelijke opvang staat niet in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Echter, is uit jurisprudentie gebleken dat in specifieke gevallen het vestigen van tijdelijke opvang kan worden gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit hangt echter af van de aard, omstandigheden en plaatselijke situatie. In onderhavige situatie is sprake van een tijdelijke opvang in een nog niet bestaand gebouw, met een beperkte omvang van maximaal 350 personen voor een beperkte periode van maximaal 10 jaar. Uit vaste rechtspraak1 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het begrip stedelijk ontwikkelingsproject ruimte voor interpretatie laat. Het antwoord op de vraag of sprake is van (een wijziging van) een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.
Om te beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject kunnen de volgende aspecten een rol spelen (ECLI:NL:RBLIM:2021:7327): - de aard en de omvang van de voorziene wijziging; - de wijziging van opzet en vormgeving (eventuele uitbreiding bebouwde oppervlakte); - de vraag of het project is gelegen in bestaand stedelijk gebied; - mogelijke gevolgen voor het milieu; - veranderingen van het woon- en leefklimaat (door bijvoorbeeld verkeersaantrekkende werking). Aard en omvang van voorziene wijziging Uit het plan volgt dat de aard en omvang van voorziene wijziging beperkt zijn. Het gaat namelijk om een tijdelijke opvang van 350 personen voor een periode van maximaal 10 jaar. Het voornemen leidt tot een toename bebouwd oppervlak, echter is dit een tijdelijke toename van het bebouwd oppervlak en worden groenvoorzieningen gerealiseerd waar mogelijk. Enkel de paden om de verschillende units te bereiken worden verhard. Dit is ook weergegeven in afbeelding 2.3. Na afloop van de vergunde termijn wordt alles gedemonteerd en teruggebracht in huidige staat. Het initiatief is daarmee omkeerbaar zonder definitieve gevolgen. Wijziging van opzet en vormgeving Het huidige gebruik van het terrein van de beoogde tijdelijke opvanglocatie bestaat uit een educatief veld voor de Eerste Wereldoorlog, een hondenuitlaatservice, braakliggend terrein en bestaande verharding.
De bestaande verharding beslaat een oppervlakte van ongeveer 840 m 2. Het overgrote deel van het terrein is niet verhard/bebouwd in de huidige situatie. De tijdelijke units van de voorgenomen opvanglocatie beslaan een oppervlak van ongeveer 3.600 m2, de tijdelijke verharding middels stelconplaten omvat 5.000 m2. De omvang van groen/onverhard terrein is circa 5.200 m2. Een aanzienlijk deel van de ontwikkeling bestaat uit groenvoorziening waardoor de tijdelijke ontwikkeling past bij de kenmerken van de huidige omgeving: bebouwing in een groene omgeving. Daarbij is de opvanglocatie tijdelijk van aard, te weten 10 jaar, en wordt deze na het aflopen van de termijn hersteld in huidige staat. Bestaand stedelijk gebied De opvanglocatie is gelegen in bestaand stedelijk gebied, namelijk op bedrijventerrein De Poeldonk. Dit bedrijventerrein ligt naast de woonwijken Gestelse Buurt, Bazeldonk en Zuid en bedrijventerrein Pettelaarpark. De tijdelijke opvanglocatie grenst in het oosten aan de A2, en in het zuiden aan het Golf Parc De Pettelaar en de voetbalvereniging sv BLC. Het bedrijventerrein de Poeldonk bestaat uit Minitopia (een circulaire woonlocatie voor innovatieve, compacte zelfbouwwoningen), 50 flexwoningen (per 2021 in gebruik) een houtzagerij, een milieupark, een aantal opslagloodsen en een bedrijfsverzamelgebouw.
1
Zie de uitspraak van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, de uitspraak van 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2747 en de uitspraak van 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3055.
17 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
De tijdelijke opvanglocatie past binnen het huidig bestaand stedelijk gebied met een mix van bedrijven en (tijdelijke) woningen. De units van de tijdelijke opvanglocatie worden ook niet hoger dan de huidige omliggende bebouwing en passen daarmee in het aanzicht van het bedrijventerrein. Mogelijke gevolgen voor het milieu Om te bepalen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject worden ook de mogelijke gevolgen voor het milieu beoordeeld. De relevante milieuthema’s worden in dit hoofdstuk getoetst. In onderstaande paragrafen is te lezen dat de tijdelijke opvanglocatie geen significant negatieve gevolgen voor het milieu heeft. Veranderingen van het woon- en leefklimaat Tot slot worden de veranderingen van het woon- en leefklimaat beoordeeld om te bepalen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. De relevante thema’s worden in dit hoofdstuk beoordeeld. Zo is sprake van een beperkte verkeersaantrekkende werking van ongeveer 41 auto’s per dag en wordt de invloed op omliggende woonwijken zoveel mogelijk beperkt door het voorzien in een wandelroute naar Pettelaarpark langs de golf- en voetbalclub. Uit dit rapport blijkt dat er geen sprake is van significant negatieve effecten voor de omgeving en veranderingen van het woon- en leefklimaat.
Deze ontwikkeling kan onzes inziens niet worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in categorie J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit.
4.1.3
Conclusie
De voorgenomen tijdelijke functiewijziging is niet opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Gezien de aard, omstandigheden en plaatselijke situatie is onderhavig plan niet mer-beoordelingsplichtig.
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.2.1
Toetsingskader
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Het doel van het instrument is zorgvuldig ruimtegebruik in Nederland te waarborgen. Onder de Omgevingswet kent de ladder een nieuwe wettelijke verankering in het Bkl artikel 5.129g. Artikel 5.129g Bkl is een instructieregel voor het omgevingsplan en een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, en stelt dat de Ladder moet worden toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
4.2.2
Resultaten
De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op stedelijke ontwikkelingen bestaande uit de ontwikkeling of uitbreiding een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. In artikel 5.129g van het Bkl zijn geen grenzen opgenomen van wat aangeduid kan worden als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Paragraaf 4.1.2 toont aan dat de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie geen stedelijk ontwikkelingsproject is.
4.2.3
Conclusie
De voorgenomen tijdelijke opvanglocatie voorziet niet in een substantiële uitbreiding waardoor geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarmee hoeft de laddertoets niet uitgevoerd te worden.
18 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
4.3
Duurzaamheid
4.3.1
Toetsingskader
Doelen van de Ow zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p Ow). Met het oog op die doelen moet het project aan het omgevingsaspect duurzaamheid worden getoetst. De gemeente ’s-Hertogenbosch heeft de Nota Duurzaam ’s-Hertogenbosch mei 2019 vastgesteld. Deze nota geeft aanvulling aan de lokale opgave in ’s-Hertogenbosch om de woonomgeving gezond en leefbaar te houden. De eisen zijn uitgewerkt in de volgende punten: 1 gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente; 2 CO2- neutrale gemeente; 3 waardebehoud van grondstoffen; 4 duurzame mobiliteit. Van deze eisen zijn alle punten van toepassing op de nieuwbouw van de tijdelijke opvanglocatie. Voor een gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente wil de gemeente ’s-Hertogenbosch genoeg groen in de stad houden, veilige watersystemen behouden en een goed functionerend natuurnetwerk aanbieden met een hoge biodiversiteit. Om een CO2- neutrale gemeente te worden gaan de daken in de gemeente grotendeels gevuld worden met zonnepanelen, zijn huizen en bedrijven beter geïsoleerd en zorgen bedrijven ervoor dat ze CO2- neutraal produceren.
De waarde van de grondstoffen worden behouden doordat bedrijven producten ontwikkelen en gebruiken die hernieuwbaar, biologisch afbreekbaar of herbruikbaar zijn. De gemeente ’s-Hertogenbosch zorgt voor duurzame mobiliteit aan de hand van een autoluwe binnenstad en een toename van elektrisch verkeer. Bij duurzaamheid gaat het ook om milieuprestatie gebouwen (MPG), energieprestaties renovatie, verbouw en nieuwbouw. De eisen met betrekking tot de milieuprestatie en energiezuinigheid van gebouwen zijn opgenomen in afdeling 4.4, artikelen 4.148 tot en met 4.160 (Duurzaamheid) van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
4.3.2
Resultaten
Het betreft een tijdelijke opvang op een braakliggend terrein. De gebouwen die gemaakt worden zijn herbruikbare units die niet worden aangesloten op het gas. Op de opvanglocatie worden zonnepanelen geplaatst om te voorzien in energiebehoefte. Daarnaast beschikken de bewoners van de opvanglocatie niet over een auto. Verplaatsing vindt hoofdzakelijk te voet, met de fiets of het OV plaats. Dit sluit aan bij het duurzaamheidsdoel van de gemeente ’s-Hertogenbosch.
4.3.3
Conclusie
Als de gebouwen gebouwd worden binnen de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving en de eisen van de gemeente zijn er voor het thema duurzaamheid geen belemmeringen voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie.
19 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
4.4
Gezondheid
4.4.1
Toetsingskader
Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden moet worden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Gemeente ’s-Hertogenbosch heeft het Programmaplan Samen Gezond ’s-Hertogenbosch 2024 opgesteld met daarin hoe de gemeente samen met partners de gezondheidsverschillen in ’s-Hertogenbosch wil verkleinen. Het programmaplan heeft vier programmalijnen opgesteld: - inwoners aan zet; - integrale en domein overstijgende samenwerkingen; - een prettige en gezonde leefomgeving; - kennisknooppunt: innoveren, experimenteren en leren.
In het omgevingsplan van de gemeente ’s-Hertogenbosch staan de volgende punten over gezondheid die invloed hebben op de verwachte ontwikkeling: artikel 22.11 bepaalt dat, om de gezondheid te beschermen, een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk moet worden aangesloten op het distributienet voor drinkwater, mits de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of als de aansluitafstand groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m; - artikel 22.12 stelt dat, om de gezondheid te beschermen, een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie moet liggen; - artikel 22.16 geeft aan dat, met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners, een woning niet door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte mag worden bewoond.
4.4.2
Resultaten
Gezien het abstractieniveau waarop de ambities en opgaven in het programmaplan zijn geformuleerd, heeft dit document geen directe implicaties voor de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie. Wel zijn de regels uit het omgevingsplan van toepassing en waaraan gehouden dient te worden bij de tijdelijke opvanglocatie. Desondanks zijn in dit rapport alle relevante milieuaspecten bekeken die een impact kunnen hebben op het aspect gezondheid. De resultaten hiervan zijn in onderhavig hoofdstuk te vinden en daaruit blijkt dat er uit de desbetreffende relevante milieuaspecten geen belemmering naar voren komt.
4.4.3
Conclusie
In onderhavig rapport zijn relevante milieuaspecten bekeken die een impact kunnen hebben op het aspect gezondheid. Hieruit komt naar voren dat er geen belemmeringen zijn voor het thema gezondheid ten aanzien van de tijdelijke opvang.
4.5
Verkeersgeneratie en -afwikkeling en parkeren
In deze paragraaf worden de effecten van de voorgenomen tijdelijke functiewijziging op verkeer en parkeren besproken.
20 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
4.5.1
Toetsingskader en resultaten
Verkeersgeneratie De ervaring leert dat personen van de tijdelijke opvanglocatie geen auto hebben en zich te voet, per fiets of door middel van het openbaar vervoer verplaatsen. De dichtstbijzijnde bushalten bevinden zich op de Gestelseweg (17 minuten lopen) en aan de Zuiderparkweg (17 minuten lopen). De bussen die deze haltes aandoen zorgen beide voor een directe verbinding met ’s-Hertogenbosch centraal station en Aawijk. Aankomende en vertrekkende personen op de opvanglocatie worden per bus door het COA vervoerd. Op de tijdelijke opvanglocatie zijn ook medewerkers van het COA aanwezig. Daarnaast kunnen er enkele ondersteunende diensten zoals Vluchtelingenwerk aanwezig zijn en is er vervoer door leveranciers en bijvoorbeeld onderhoudsdiensten. Het personeel, bezoekers en leveranciers komen met de auto of openbaar vervoer, hierbij gaat het om 41 auto’s per dag. Ook wordt ervan uitgegaan dat de medewerkers niet allemaal tegelijk gebruik maken van de parkeerplekken. Afwikkeling van het terrein De hoofdverkeersontsluiting vindt vanaf de Poeldonkweg plaats via de Gestelseweg met een directe verbinding naar de A2 op zo’n 4 km afstand van de projectlocatie. Zowel de Maastrichtseweg als de N279 hebben twee rijstroken per rijrichting en worden gescheiden door een middenberm. De Gestelseweg bestaat uit één rijstrook.
Deze ontsluitingen zullen in geen geval onder druk te komen te staan door de opvang. Parkeren Auto’s In het document Nota parkeernormering 2021 gemeente ’s-Hertogenbosch heeft de gemeente uitgangspunten met betrekking tot parkeren opgenomen. Daarbij is het primaire uitgangspunt uit hoofdstuk 2.1 dat bij ontwikkelingen en projecten in het bestaand stedelijk gebied parkeren op eigen terrein geldt. Uit hoofdstuk 3 wordt vergeleken dat de opvang het meest overeenkomt met de woninggrootte van kamerverhuur waar een parkeernorm van 0 op staat. Zoals hiervoor is benoemd, beschikken de personen van de opvanglocatie niet over een eigen auto. Daarom hoeft hier met betrekking tot de parkeerbehoefte geen rekening mee worden gehouden. Het personeel, bezoekers en leveranciers komen met de auto of openbaar vervoer, hierbij gaat het om 41 auto’s per dag. Op eigen terrein is parkeergelegenheid gerealiseerd zoals te zien is op afbeelding 4.1 waar 43 parkeerplekken ingetekend zijn. Dit zijn dus voldoende parkeerplekken om te kunnen voorzien in de parkeervraag.
21 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
Afbeelding 4.1 Parkeersituatie projectlocatie
Fiets Voor de fietsparkeerplekken wordt er rekening gehouden met 1 fietsrek per 2 personen voor de reguliere opvang. Voor het personeel wordt rekening gehouden met ongeveer 10 % van het totaal aantal fietsenrekken. In de Nota Parkeernormering 2021 Gemeente ’s-Hertogenbosch staat dat er per grondgebonden woningen 2 fietsparkeerplekken beschikbaar dienen te staan. Hier wijkt de opvang af van de nota van gemeente ’s-Hertogenbosch. Echter blijkt uit ervaring dat 1 fietsrek per 2 personen voor voldoende parkeergelegenheid zorgt voor reguliere opvang. Voor de tijdelijke opvanglocatie betekent dus dat er 175 fietsenrekken benodigd zijn voor een reguliere opvang van 350 personen. Voor personeel is rekening gehouden met 18 fietsenrekken. In totaal zijn er 193 fietsenrekken benodigd voor de tijdelijke opvanglocatie. In afbeelding 4.1 is te zien dat hiervoor ruimte is getekend op de projectlocatie waar plaats is voor ongeveer 200 fietsen. Hiermee zijn er ruim voldoende fietsparkeerplekken op de tijdelijke opvanglocatie aanwezig. Wandelen Om een verbinding te creëren tussen de voorgenomen opvanglocatie aan de Poeldonkweg en de bestaande opvanglocatie Pettelaarpark wordt een wandelroute gerealiseerd. Op onderstaande afbeelding weergegeven met een gele lijn. Deze wandelroute loopt langs de golf- en voetbalclub, en niet direct langs de nabijgelegen huizen om eventuele overlast te beperken.
Door deze nieuwe verbinding wordt ervoor gezorgd dat de bewoners van beide opvanglocaties niet via de wijk naar de andere opvanglocatie hoeven.
22 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
Afbeelding 4.2 Wandelroute verbinding Pettelaarpark en Poeldonkweg
4.5.2
Conclusie
De verkeersaantrekkende werking van de tijdelijke opvanglocatie is beperkt. Ook is het mogelijk om op eigen terrein alle benodigde parkeerbehoefte te accommoderen. Bewoners beschikken niet over een eigen auto en verplaatsen zich hoofdzakelijk te voet, per fiets of met het OV. Er wordt een directe verbinding met de opvanglocatie Pettelaarpark gerealiseerd langs de golf- en voetbalclub. Het aspect verkeersgeneratie en afwikkeling en parkeren vormt hierdoor geen belemmering voor de tijdelijke opvang.
4.6
Weging van het waterbelang
4.6.1
Toetsingskader
Het watersysteem en de ruimtelijke inrichting van een gebied zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een goede afstemming tussen de waterbelangen en ruimtelijke ordening is daarom essentieel. Om dit te waarborgen is wet- en regelgeving opgesteld. De watertoets vormt het instrument om wet- en regelgeving op het gebied van waterbelangen te borgen in ruimtelijke plannen en projecten. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt ook voor het afwijken van een omgevingsplan met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (zie artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving). Doordat er op de projectlocatie verhardoppervlakte wordt toegevoegd is er een weging van het waterbelang opgesteld om een goede weging van het waterbelang te krijgen (bijlage I).
4.6.2
Resultaten
Effecten op de afstroming van hemelwater Door het toevoegen van verhard oppervlak in het plangebied zal hemelwater versneld afstromen naar het oppervlaktewatersysteem waardoor de piekbelasting toeneemt. Om te zware piekbelasting van het systeem te voorkomen heeft het waterschap als eis dat er wordt gecompenseerd bij een grote verhardingstoename.
23 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
De hoeveelheid verharding neemt met 8.300 m 2 toe. Hiermee valt de toename onder de algemene rekenregel van het waterschap. Deze gaat uit van 60 mm compensatie in stedelijk gebied, gerealiseerd met een wadi, poel, geïsoleerde greppel, ondergrondse bergingskratjes, doorlatende verharding, infiltratieriool of gewoon een verlaagd maaiveld. De opgave voor dit project bedraagt 498 m 3. Het COA vult deze watercompensatieopgave in middels een wadi. De precieze locatie en omvang wordt in een later stadium bepaald. Effecten op het grondwater Op de planlocatie neemt het verhard oppervlak toe. Dit leidt in beginsel plaatselijk tot minder infiltratie en meer afstroming van hemelwater, waardoor er lokaal sprake is van minder grondwateraanvulling. Het COA zet in op het vasthouden van hemelwater middels een wadi. Indien hemelwater kan afstromen naar greppels of omliggend gebied van de projectlocatie, kan het water infiltreren en kan er grondwateraanvulling plaatsvinden. Indien het oppervlak wordt aangesloten op een hemelwaterriool zal er minder grondwateraanvulling zijn ten opzichte van de huidige situatie. Door het goed doorlatende zandpakket ondergrondse uitwisseling van water zal het effect op grondwater in beide gevallen beperkt zijn. Effecten op oppervlaktewater Watersysteem In de omgeving van het plangebied ligt een A-watergang, afgescheiden van het plangebied met een aarden wal.
Er zal waarschijnlijk geen afstroming van hemelwater naar deze watergang plaatsvinden en daarom is er geen invloed op het watersysteem. Het COA zet in op het vathouden van hemelwater middels een wadi. Oppervlaktewaterkwaliteit Het plangebied is niet in directe verbinding met een watergang, effecten op oppervlaktewater worden daarom niet verwacht. Afvalwater zal aangesloten worden op de gemeentelijke riolering. Hier zijn nog geen afspraken over bekend. De ontwikkeling van het plangebied tot opvanglocatie kent mogelijke negatieve effecten op de waterkwaliteit. Verontreinigingen kunnen zich ophopen op het terrein. De verontreinigingen kunnen worden meegevoerd door afstromend hemelwater. Echter gezien de tijdelijkheid van de ontwikkeling is het risico op vervuiling van het oppervlaktewater beperkt. Effecten op afvalwater Gezien de tijdelijke aard van de opvanglocatie en de locatie nabij stedelijk gebied is de te verwachten extra belasting op te vangen door het gemeentelijk riool. De grootte van de afvalwaterstroom als gevolg van de realisatie van de COA-locatie en ook de timing zal wel moeten worden afgestemd met de gemeente en het waterschap. Effecten op keringen Er zijn in het plangebied geen keringen aanwezig.
4.6.3
Conclusie
Het planvoornemen is niet vergunningplichtig op grond van de Waterschapsverordening van waterschap Aa en Maas, mits de toename aan verharding wordt gecompenseerd volgens de rekenregel van het waterschap. Daar voldoet het plan nu nog niet aan. Het COA verwerkt deze compensatieopgave in een verdere uitwerking van het ontwerp. Daarnaast moeten hemelwaterafvoer en de afvoer van afvalwater worden afgestemd met gemeente en waterschap.
24 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
4.7
Natuur
4.7.1
Toetsingskader
De Wet natuurbescherming is beleidsneutraal overgegaan in de Omgevingswet. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. De Omgevingswet regelt op hoofdlijnen 3 zaken: 1 bescherming van planten- en diersoorten; 2 bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden; 3 bescherming van bos en houtopstanden. Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming maakt de Omgevingswet onderscheid in 3 categorieën: a vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; b Habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag van Bern en bijlage II van het Verdrag van Bonn; c andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in het Besluit activiteiten leefomgeving. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving zoals foerageergebieden of vliegroutes) van beschermde soorten uit de eerste en tweede categorie mogen niet (opzettelijk) verstoord of vernietigd worden. Daarnaast mag geen enkele beschermde soort (opzettelijk) worden gedood of verwond. Bij vogels zijn daarnaast de nesten van belang.
Er zijn 5 categorieën broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1-4) of waarvan de nesten beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn (categorie 5). De categorie ‘andere soorten’ gaat om soorten die niet onder de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn vallen. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren beschermd moeten worden. De overige soorten uit deze bijlage worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee wordt door Nederland uitvoering gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te garanderen. Gebiedsbescherming Natura 2000 De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat de Omgevingswet de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt. Natura 2000-activiteit Activiteiten die invloed hebben op Natura 2000-gebieden worden onder de Omgevingswet Natura 2000-activiteiten genoemd.
Een Natura 2000-actitiviteit wordt gedefinieerd als ‘activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.’ Natura 2000-activiteiten zijn vergunningplichtig op grond van artikel 5.1 lid 1 sub e Ow. Dit artikel vormt de Nederlandse implementatie van artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Het is voorts verboden om te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit (artikel 5.5 lid 2 onder f Ow).
25 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
Activiteiten die geen significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied zijn niet vergunningplichtig. Daarnaast zijn er hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) nog andere gevallen aangewezen die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht. Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied, maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen effect hebben op het Natura 2000-gebied. Als deze effecten significant zijn dan is er vanwege de ‘externe werking van een Natura 2000-gebied’ ook sprake van een Natura 2000-activiteit. Passende Beoordeling In paragraaf 8.6.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is het toetsingskader voor een Natura 2000-activiteit opgenomen. Op grond van artikel 8.74b lid 1 Bkl wordt de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit alleen verleend als uit de Passende Beoordeling (als bedoeld in artikel 16.53c lid 1 Ow) de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Bij deze conclusie mag gebruik gemaakt worden van mitigerende maatregelen. Echter, wordt een Passende Beoordeling enkel opgesteld wanneer significante effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden.
Stikstofdepositie Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder e van de Omgevingswet is een vergunning vereist voor een project waar op voorhand significante negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. Specifiek voor het aspect stikstof geldt dat sinds de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 1 de ecologische gevolgen van iedere berekende depositie van 0,01 mol N/ha/jaar of meer beoordeeld moet worden. Deze voorwaarde geldt voor zowel de aanlegfase als voor de gebruiksfase van een plan of activiteit. De berekening moet uitgevoerd worden met de meest actuele versie van het rekeninstrument AERIUS Calculator. Kader vergunningverlening stikstof Momenteel geldt het volgende kader voor de vergunningverlening in het kader van de gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden: - er is een vergunning vereist voor projecten die een significant gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied2. Dit is dus niet het geval indien significante gevolgen op voorhand zijn uit te sluiten.
Dit is voor stikstof bijvoorbeeld het geval indien er volgens de stikstofberekeningen geen toename van stikstofdepositie plaatsvindt naar aanleiding van het te realiseren plan/activiteit of indien significante gevolgen kunnen worden uitgesloten in de voortoets (bijvoorbeeld door interne saldering); - indien niet op voorhand kan worden uitgesloten dat mogelijke significante gevolgen optreden, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn. In een Passende Beoordeling mogen ook mitigerende maatregelen (zoals externe saldering) betrokken worden. De vergunning kan worden verleend indien (eventueel met toepassing van deze mitigerende maatregelen) de voorgenomen activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten3; - als uit de Passende Beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, kan een vergunning enkel worden verleend indien de ADC-toets succesvol wordt doorlopen: · A: er zijn geen alternatieve oplossingen; · D: het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang; · C: door middel van compenserende maatregelen wordt gewaarborgd dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft4.
1
ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL: RVS:2019:1603.
2
Artikel 5.1 Omgevingswet.
3
Artikel 16.53c lid 1 Omgevingswet. Artikel 8.74b Besluit kwaliteit leefomgeving.
4
Artikel 10.24 Besluit kwaliteit leefomgeving.
26 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
Besluit bouwwerken leefomgeving (stikstofemissiereductie) Bij het verrichten van bouw- en/of sloopwerkzaamheden dient een initiatiefnemer adequate maatregelen te treffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken, zo volgt uit artikel 7.19a Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De wetgever dwingt initiatiefnemers hiertoe om de emissie van stikstof te voorkomen, ook als significante negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Het betreft activiteiten voor de bouw van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een melding als bedoeld in artikel 2.18, lid 1 Bbl nodig is en op het slopen van een bouwwerk waarvoor een melding als bedoeld in artikel 7.10, lid 1 Bbl is vereist omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m 3 bedraagt. Bij 'adequaat' gaat het om maatregelen die doeltreffend, doelmatig en proportioneel zijn. De verplichting geldt voor de bouwfase op de bouwplaats en niet voor vervoersbewegingen van en naar de bouwplaats of voor de gebruiksfase. Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift een invulling geven van de regel over het nemen van stikstofbeperkende maatregelen (artikel 7.5, lid 4 Bbl).
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS), zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones. Houtopstanden Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Omgevingswet. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben.
4.7.2
Resultaten
Soortenbescherming Op basis van de Quickscan van idverde Advies (d.d. november 2023) heeft Witteveen+Bos een ecologisch soortenonderzoek uitgevoerd (d.d. 10 september 2024), zie bijlage II. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen vergunningplicht geldt mits de mitigerende maatregelen in acht worden genomen voor vleermuizen (foerageergebieden en vliegroutes) en marterachtigen (steenmarters). Deze mitigerende maatregelen houden het volgende in: Vleermuizen (foerageergebieden en vliegroutes): - werkzaamheden overdag uitvoeren, wanneer vleermuizen geen gebruik maken van de foerageergebieden/vliegroutes; - gebruikmaken van vleermuisvriendelijke verlichting; - kunstmatig licht enkel daar richten waar het ook daadwerkelijk nodig is (doelgericht); - gebruikmaken van armaturen die het licht door middel van een scherpe bundeling één bepaalde kant (en weg van het foerageergebied/de vliegroute) richten; - gebruikmaken van aangepaste armaturen die verstrooiing van licht minimaliseren; - het aantal lampen, de lichtintensiteit en het gebruik van hoge lichtmasten met veel lichtverstrooiing beperken. Marterachtigen (steenmarters): - het uitvoeren van de werkzaamheden buiten de meest kwetsbare periode van de steenmarter; - de realisatie van compenserend leefgebied. Dit kan bijvoorbeeld door het verbeteren van habitat in bestaand leefgebied, of door de realisatie van nieuw leefgebied.
27 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
De mitigerende maatregelen voor de vleermuizen kunnen in acht worden genomen. Voor de steenmarter is echter een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit benodigd van het bevoegde gezag, in dit geval de provincie Noord-Brabant. Voor deze aanvraag is een activiteitenplan opgesteld waarin plaatsen zijn aangewezen waar het leefgebied van de steenmarter gecompenseerd wordt. Deze aanvraag loopt gelijktijdig met de BOPA-procedure. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, te zien op afbeelding 4.3, is op zo’n 2 km het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ten opzichte van de projectlocatie. Uit een stikstofdepositieberekening moet blijken dat er geen sprake is van negatieve effecten gedurende de sloop-, aanleg- en gebruiksfase van de tijdelijke noodopvang op het Natura 2000-gebied.
Afbeelding 4.3 Ligging Natura 2000-gebieden ten opzichte van plangebied (rood omkaderd)
Stikstofdepositie In oktober 2024 is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase (opgenomen als bijlage III). Hieruit blijkt geen projecteffect (stikstofdepositie toename) van meer dan 0,00 mol/ha/jr op omliggende Natura 2000-gebieden. Op grond van de stikstofdepositieberekening zijn significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden tijdens de aanleg- en gebruiksfase op voorhand uit te sluiten. Hiermee wordt geconcludeerd dat voor de beoogde aanleg en het beoogde gebruik van de gebouwen geen vergunningplicht geldt voor de bescherming van Natura 2000 in het kader van de Omgevingswet.
28 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland gebied is ten noorden van het plangebied gelegen Zuid-Willemsvaart kanaal. Gezien dit NNN-gebied zich buiten het plangebied bevindt en het feit dat de werkzaamheden van tijdelijke aard zijn, worden geen negatieve effecten verwacht op het ecologische functioneren van het NNN-gebied.
Afbeelding 4.4 Natuurnetwerk Nederland (groene zone) nabij plangebied (rood omkaderd)
Houtopstanden Mogelijk worden voor de tijdelijke opvanglocatie enkele bomen gekapt welke verspreid over het plangebied staan. Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom. Afhankelijk van de omvang/aanduiding van de boom geldt een kapvergunningplicht.
4.7.3
Conclusie
De voorgenomen tijdelijke opvanglocatie betreft het in gebruik nemen van een braakliggend terrein. Mogelijk worden bomen gekapt tijdens de werkzaamheden. Afhankelijk van de omvang/aanduiding van de boom geldt een kapvergunningplicht. Voor de steenmarter is een omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit benodigd. Voor deze aanvraag is een activiteitenplan opgesteld waarin plaatsen zijn aangewezen waar het leefgebied van de steenmarter gecompenseerd wordt. Deze aanvraag loopt gelijktijdig met de BOPA-procedure. Gezien de afstand tussen Natura 2000-gebied en de stikstofdepositieberekening zijn de negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden uit te sluiten.
4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1
Toetsingskader
Om de gezondheid van de mensen te beschermen staan luchtkwaliteitseisen opgenomen in de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De eisen aan de kwaliteit van de buitenlucht oftewel luchtkwaliteit staan opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Voor deze regels gelden zogenoemde omgevingswaarden, waarbij stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) maatgevend zijn.
29 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
Activiteiten zijn toelaatbaar indien ze voldoen aan de volgende voorwaarden: a er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijving van een omgevingswaarde; b het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c het project draagt alleen niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is komen te vervallen bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het Bkl geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Bij ontwikkelingen dient getoetst te worden of de ontwikkeling ervoor zorgt dat omgevingswaarden worden overschreden. Deze omgevingswaarden liggen voor zowel NO 2 als PM10 op een jaargemiddelde van 40 microgram/m3. Onder de Omgevingswet staan aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit opgenomen. De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 van het Bkl. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgen de grenzen voor niet in betekende mate bijdraagt aan de lichtkwaliteit als de toename van de concentratie maatgevende stoffen niet hoger is dan 1.2 µg/m2.
4.8.2
Resultaten
De verkeersgeneratie die de tijdelijke opvang heeft is beperkt. De personen van de opvanglocatie hebben geen auto en verplaatsen zich hoofdzakelijk met het openbaar vervoer, lopend of met een bus. Het personeel, bezoekers en leveranciers komen met de auto of openbaar vervoer, maar dat gaat om 41 auto’s per dag. Daarnaast rijden enkele autobussen van en naar de locatie. De voorgenomen tijdelijke functiewijziging wordt voor dit geringe aantal vervoersbewegingen niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit blijkt op basis van de ingevulde NIBM-tool van het Kenniscentrum Infomil. De NIBM-tool is een spreadsheet waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen aan de luchtkwaliteit kan worden vastgesteld. In onderstaande afbeelding is het resultaat opgenomen voor de geplande tijdelijke opvang. Hierbij is uitgegaan van: - 27 extra voertuigbewegingen lichte voertuigen; - 13 extra voertuigbewegingen middelzware voertuigen; - 1 extra voertuigbeweging zware voertuigen.
Afbeelding 4.5 Resultaat NIBM-tool
30 | 41
Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Definitief
In het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is tevens gekeken naar de huidige achtergrondconcentraties in en rondom de projectlocatie, zie afbeeldingen 4.6 en 4.7. De achtergrondconcentraties voor NO2 en PM10 liggen rond de 17 microgram per m3. Voor NO2 en PM110 is 40 microgram/m3 als jaargemiddelde de wettelijke grenswaarde. Op basis hiervan kan gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Afbeelding 4.6 Luchtkwaliteit NO2 (opgehaald van www.atlasleefomgeving.nl d.d. 16 oktober 2024)
Afbeelding 4.7 Luchtkwaliteit PM10 (opgehaald van www.atlasleefomgeving.nl d.d. 16 oktober 2024)
4.8.3
Conclusie
Gezien er sprake is van een beperkte verkeersaantrekkende werking van de tijdelijke opvang ten opzichte van de bestaande situatie, draagt de voorgenomen tijdelijke functiewijziging niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Tevens liggen de huidige achtergrondconcentraties voor NO 2 en PM10 ruim onder de wettelijke grenswaarde van 40 microgram per m 3 waardoor sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt er expliciet gewezen op de tijdelijkheid van het beoogde voornemen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke opvang.