CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving

Gemeenteraad 7 mei 2025, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Wensen en bedenkingen tijdelijke Omgevingsvergunning AZC-Kruithoorn (behandeling 8 mei 2025)25.650 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

22 | 23

Witteveen+Bos | 138388/25-000.552 | Definitief 02

6 REFERENTIES 1 2

Besluit Kwaliteit Leefomgeving, Geconsolideerde Staatsbladversie 10-10-2023. Het Europees Parlement en De Raad Van De Europese Unie, 2000 - Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad. 3 Rijksoverheid, 2023 - Omgevingswet. 4 Rijksoverheid, 2016 - Nationaal Waterprogramma 2022-2027. 5 Rijksoverheid, 2024 - Deltaprogramma 2024. 6 Waterschap Aa en Maas, 2021 - Waterbeheerplan 2022-2027. 7 Waterschap Aa en Maas, 2024 - Legger 8 Waterschap Aa en Maas, 2024 - Waterschapsverordening 9 Waterschap Aa en Maas, 2024 - Hydrologische uitgangspunten bij de regels van de Waterschapsverordening voor het afvoeren van hemelwater 10 Waterschap Aa en Maas, 2024 - Kaarten Waterschapsverordening - gevoeligheidsfactor (https://aaenmaas.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=6a38a5106b6a4a86949377c3038 83fa1) 11 Provincie Noord-Brabant, 2020 - Visie Klimaatadaptatie 12 Gemeente ’s-Hertogenbosch, 2022 - Plan water en riolering 13 AHN, 2024 - AHN4 - DTM 0.5 m (https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/) 14 DINOloket, 2024 - boringen & grondwatermetingen (https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens) 15 Grondwatermodel, 2016 - Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand, GHG & Gemiddelde Laagste Grondwaterstand, GLG (https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/kaartviewer)

23 | 23

Witteveen+Bos | 138388/25-000.552 | Definitief 02

www.witteveenbos.com

II BIJLAGE: SOORTENONDERZOEK (REFERENTIE 138388/24-012.972 D.D. 10 SEPTEMBER 2024)

Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Bijlage II | Definitief

AZC Den Bosch - A2 (Poeldonkweg) Aanvullend onderzoek ecologie

Centraal Orgaan opvang asielzoekers 10 september 2024

Project Opdrachtgever

AZC Den Bosch - A2 (Poeldonkweg) Centraal Orgaan opvang asielzoekers

Referentie

Aanvullend onderzoek ecologie Definitief 10 september 2024 138388/24-012.972

Projectcode

138388

Document Status Datum

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Stationsweg 5 Postbus 3465 4800 DL Breda +31 (0)76 523 33 33 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding en doel

5

1.2

Leeswijzer

5

2

PLANGEBIED EN WERKZAAMHEDEN

6

3

SOORTGERICHT ONDERZOEK 2024

8

3.1

Alpenwatersalamander

8

3.2

Vleermuizen

9

3.3

Grondgebonden zoogdieren

10

4

RESULTATEN

13

4.1

Alpenwatersalamander

13

4.2

Vleermuizen

13

4.2.1

15

4.3

Overzicht: belang van het plangebied voor vleermuizen

Grondgebonden zoogdieren

15

4.3.1 4.3.2

15 17

Resultaten onderzoek Overzicht: belang van het plangebied voor marterachtigen

5

CONCLUSIE EN DOORKIJK VERVOLG

19

5.1

Overzicht

19

5.2

Alpenwatersalamander

19

5.3

Vleermuizen

19

5.4

Marterachtigen

20

6

LITERATUUR

21

Laatste pagina

21

Bijlage(n) I

Wettelijk kader

Aantal pagina's 3

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding en doel

Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) is voornemens om een asielzoekerscentrum (AZC) te realiseren ter plaatse van het bedrijventerrein De Kruithoorn, gelegen aan de Poeldonkweg 5 - 33 te ’s-Hertogenbosch. Op deze locatie zullen, naast opvangplaatsen, ook kantoren voor het COA worden gerealiseerd en overige voorzieningen worden aangelegd, zoals sportvelden en parkeerplaatsen. De beoogde locatie voor het AZC betreft in de bestaande situatie een grotendeels braakliggend terrein centraal gelegen binnen het bedrijventerrein. Het terrein wordt in de bestaande situatie gebruikt door een hondenuitlaatservice en als educatief veld waar het strijdtoneel van de Eerste Wereldoorlog is nagebootst. Voor de realisatie van ontsluitingsroutes naar het nieuwe AZC is het verwijderen van bomen en vegetatie noodzakelijk. Er worden geen gebouwen gesloopt. Ten behoeve van het plan is reeds een Quickscan flora en fauna uitgevoerd [lit. 1]. Doel van deze Quickscan was om inzichtelijk te maken welke functies voor onder de Omgevingswet beschermde flora en fauna op en nabij het plangebied verwacht kunnen worden. Uit de Quickscan komt naar voren dat negatieve effecten ten aanzien van vleermuizen, marterachtigen (steenmarter, bunzing, wezel, hermelijn) en alpenwatersalamander niet op voorhand zijn uit te sluiten, en dat de aanwezigheid van deze soorten daarom nader onderzocht moet worden.

Nader soortgericht onderzoek is nodig om na te gaan of beschermde soorten en functies aanwezig zijn binnen de invloedssfeer van het voornemen, op basis waarvan beoordeeld kan worden of en in welke mate het voornemen leidt tot negatieve effecten ten aanzien van deze beschermde soorten. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan worden bepaald of en welke verdere vervolgstappen noodzakelijk zijn. Voorbeelden van mogelijke vervolgstappen zijn het verkrijgen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit en/of het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen waarmee negatieve effecten op beschermde soorten worden voorkomen en/of verminderd. Totdat duidelijkheid bestaat over aanwezige beschermde functies en op welke manier negatieve effecten ten aanzien hiervan worden gemitigeerd en/of gecompenseerd, mogen de werkzaamheden niet aanvangen. Het soortgericht onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode april - augustus 2024 en is uitgevoerd door ecologen van Witteveen+Bos. Voorliggend rapport beschrijft de aanpak, resultaten en conclusies van dit onderzoek. Daarbij geeft het inzicht in de consequenties hiervan ten aanzien van de Omgevingswet.

1.2

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft het plangebied en de geplande werkzaamheden. In hoofdstuk 3 wordt de gehanteerde methodiek voor het soortenonderzoek toegelicht. De resultaten van het onderzoek zijn weergegeven in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden de conclusies beschreven en wordt een doorzicht gegeven naar het vervolg. Hoofdstuk 6 bevat een overzicht van de gebruikte literatuur. Het geldende toetsingskader is opgenomen in bijlage I.

5 | 21

Witteveen+Bos | 138388/24-012.972 | Definitief

2 PLANGEBIED EN WERKZAAMHEDEN Het plangebied is gelegen op het bedrijventerrein De Kruithoorn, gelegen aan de Poeldonkweg 5 - 33 in de wijk De Meerendonk te ’s-Hertogenbosch (afbeelding 2.1). Het bedrijventerrein wordt aan de noordzijde begrensd door de Poeldonkweg en direct daarachter de Zuid-Willemsvaart, aan de oostzijde door Gronddepot Kloosterdonk, aan de zuidzijde door een golfbaan (Golf Parc de Pettelaar) en aan de westzijde door woningbouwlocatie Minitopia Poeldonk. Het bedrijventerrein De Kruithoorn deed voorheen dienst als munitiefabriek. Momenteel worden de verschillende bedrijfshallen gebruikt door particulieren, kleine bedrijven en als atelier voor kunstenaars. Een aantal loodsen is leegstaand en/of verkeert in slechte staat. Op het terrein bevindt zich daarnaast een oude bunker met ondergronds gangenstelsel. De bestaande bebouwing wordt met de realisatie van het AZC niet aangetast. De beoogde locatie voor het AZC betreft een grotendeels braakliggend terrein centraal gelegen binnen het bedrijventerrein. Het terrein wordt in de bestaande situatie gebruikt door een hondenuitlaatservice en als educatief veld waar het strijdtoneel van de Eerste Wereldoorlog is nagebootst. Naar het AZC worden drie mogelijke toegangswegen voorzien.

Het gaat om routes; (1) via de Poeldonkweg, (2) via Minitopia en de golfbaan en (3) via voetbalclub sv BSC en de golfbaan (afbeelding 2.2): - de route via de Poeldonkweg volgt grotendeels de bestaande wegen en infrastructuur, met uitzondering van kort stuk (circa 50 m) direct aan de oostzijde van het AZC. Hier dient een nieuwe verbinding gerealiseerd te worden, waarvoor het verwijderen van bomen en vegetatie noodzakelijk is; - de route via Minitopia en de golfbaan volgt vanaf de bestaande infrastructuur in de woonwijk ten westen van het plangebied, tot aan het sportveldje aan de Henriette R. Holstlaan. Voor de realisatie van de route moet vanaf hier een nieuwe verbinding van ruim 100 m worden gemaakt, waarvoor het verwijderen van vegetatie noodzakelijk is. Deze nieuwe verbinding kan aansluiten op een bestaand verhard pad, dat in de bestaande situatie de grens vormt tussen het bedrijventerrein en de golfbaan; - ter plaatse van de route via de voetbalclub en golfbaan bevindt zich geen bestaande infrastructuur. Voor de realisatie van de route is het dus noodzakelijk deze aan te leggen door de bestaande golfbaan, voetbalvelden en ruigtevegetaties aan de zuidzijde van het AZC.

6 | 21

Witteveen+Bos | 138388/24-012.972 | Definitief

Afbeelding 2.1 Ligging van het plangebied

Afbeelding 2.2 De beoogde locatie voor het AZC, inclusief een drietal mogelijke ontsluitingsroutes

7 | 21

Witteveen+Bos | 138388/24-012.972 | Definitief

3 SOORTGERICHT ONDERZOEK 2024 Het soortgericht onderzoek in 2024 heeft zich toegespitsts op alpenwatersalamander, vleermuizen en marterachtigen. De gehanteerde methodiek per soort(groep) wordt in de hiernavolgende paragrafen toegelicht. Naast de onderzochte soort(groep)en, kan tevens de aanwezigheid van de volgende beschermde soorten binnen het plangebied niet worden uitgesloten: - algemene soorten amfibieën waarvoor binnen provincie Noord-Brabant een vrijstelling geldt (bijvoorbeeld bruine kikker, kleine watersalamander en gewone pad); - algemene soorten grondgebonden zoogdieren waarvoor binnen provincie Noord-Brabant een vrijstelling geldt (bijvoorbeeld egel, konijn, haas, ree en verschillende muizensoorten); tijdens het soortgericht onderzoek zijn vos, ree, konijn, egel en gewone bosmuis in het plangebied aangetroffen (zie par. 3.3); - algemene broedvogels. Naar deze soorten is geen gericht onderzoek uitgevoerd. Wel zijn toevallige waarnemingen tijdens het onderzoek genoteerd. Bij een ruimtelijke ingreep dient met deze soorten rekening gehouden te worden door specifieke maatregelen in acht te nemen. Voor de meeste van de bovengenoemde soorten gelden minder zware beschermingsregimes en/of vrijstellingen, waardoor negatieve effecten kunnen worden voorkomen met algemene maatregelen en geen actueel beeld nodig is van het voorkomen van deze soorten in het plangebied.

3.1

Alpenwatersalamander

Het onderzoek naar alpenwatersalamander is uitgevoerd conform de methodiek beschreven in het soorteninventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus [lit. 2]. Watergangen in de directe omgeving van het plangebied zijn bemonsterd met schepnetten. Op deze manier is onderzocht of de betreffende watergangen in gebruik zijn als voortplantingsbiotoop van alpenwatersalamander, waarmee tevens inzicht wordt verkregen in het belang van het plangebied als landbiotoop voor de soort. Daarnaast is liggend (plaat)materiaal in het plangebied omgedraaid op zoek naar individuen van alpenwatersalamander.

Tabel 3.1 Overzicht veldbezoeken onderzoek alpenwatersalamander Bezoek

Datum en tijd

Weersomstandigheden Temp (°C)

Wind (Bft)

Bewolking en neerslag

1

25 april 2024, 9.00 - 11.30 uur

7

2 ZW

volledig bewolkt, buien

2

5 juni 2024, 8.30 - 12.00 uur

16

2W

lichtbewolkt, droog

8 | 21

Witteveen+Bos | 138388/24-012.972 | Definitief

3.2

Vleermuizen

Het vleermuisonderzoek op het bedrijventerrein De Kruithoorn te Den Bosch is uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2021 [lit. 3]. De inventarisaties zijn daarbij afgestemd op de te verwachten soorten en functies. Het gaat om de mogelijke aanwezigheid van belangrijke (onderdelen van) foerageergebieden en vliegroutes van in de omgeving voorkomende soorten (tabel 3.3). Het onderzoek heeft zich niet specifiek gericht op mogelijke verblijfplaatsen in bebouwing en/of bomen. Reden hiervoor is dat vleermuisgeschikte bebouwing binnen het plangebied met het voornemen niet direct wordt aangetast, en zich hier ook geen vleermuisgeschikte boomholtes bevinden (deze zijn tijdens de quickscan noch tijdens de veldinventarisaties voor het aanvullend onderzoek aangetroffen). Op basis van verspreidingsgegevens en habitatvereisten kunnen de volgende vleermuissoorten in het plangebied worden verwacht: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, meervleermuis en watervleermuis.

Tabel 3.2 Overzicht onderzochte soorten en functies vleermuisonderzoek 2024 Soort/functie

Zomer- en/of kraamverblijfplaats

Paarverblijfplaats

Winterverblijfplaats

Vliegroutes en foerageergebieden

gewone dwergvleermuis

x

ruige dwergvleermuis

x

laatvlieger

x

rosse vleermuis

x

meervleermuis

x

watervleermuis

x

In de periode 15 april - 15 september is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen. Het onderzoek bestond uit twee inventarisatieronden, die beiden in de avond zijn uitgevoerd, vanaf zonsondergang tot 2 uur en 15 minuten daarna. Het eerste bezoek is uitgevoerd tijdens de kraamperiode van vleermuizen. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de data en tijdstippen waarop het vleermuisonderzoek is uitgevoerd, inclusief de weersomstandigheden tijdens het onderzoek.

Tabel 3.3 Overzicht veldbezoeken vleermuisonderzoek Bezoek

Doel

Datum en tijd

Zon op/onder

Aantal personen

Temp (°C)

Wind (Bft)

Bewolking en neerslag

1

vliegroutes en foerageergebied

29 mei 2024, 21.47 - 00.02 uur

21:47

2

12

2W

helder, droog

2

vliegroutes en foerageergebied

1 augustus 2024, 21.:29 - 23.44 uur

21:29

2

17

1 NO

halfbewolkt, droog

9 | 21

Witteveen+Bos | 138388/24-012.972 | Definitief

Alle inventarisatieronden zijn uitgevoerd door twee vleermuisdeskundigen van Witteveen+Bos (V.A. van Os MSc en S.F. Apperloo MSc). Bij de inventarisaties is gebruik gemaakt van zogenaamde batdetectors en batloggers. Wij werken standaard met de Petersson D100 en D240x batdetectors, en de Elekon Batlogger M. Een batdetector vangt de ultrasone geluiden van vleermuizen op en maakt ze hoorbaar voor het menselijk gehoor. Een batlogger neemt de geluiden op, zodat deze achteraf geanalyseerd kunnen worden (met het softwarepakket BatExplorer). Enkele soorten zijn namelijk zeer moeilijk te determineren in het veld.

3.3

Grondgebonden zoogdieren

Het onderzoek naar grondgebonden zoogdieren heef zich specifiek toegespitst op de marterachtigen steenmarter, boommarter, bunzing, wezel en hermelijn. Het onderzoek is uitgevoerd middels het plaatsen van zes cameravallen, bestaande uit twee losse wildcamera’s, twee wildcamera’s in marterboxen en twee wildcamera’s in zogenaamde struikrovers (afbeelding 3.1). De losse wildcamera’s zijn voorzien van lokvoer, en zijn met name geschikt voor het waarnemen van grotere marterachtigen (steenmarter, boommarter). Een marterbox of mostela is een houten cameravalkist die speciaal ontworpen is om een camera in te plaatsen en zo kleine marterachtigen vast te leggen. De kist is toegankelijk middels een tunnel en is aan de binnenkant voorzien van lokvoer. Een struikrover is een speciale buis waarmee eveneens marterachtigen op camera vastgelegd kunnen worden. De struikrover bestaat uit een korte PVC-buis waarin een wildcamera is geplaatst, en een lokmiddel (bijvoorbeeld een blik sardientjes).

10 | 21

Witteveen+Bos | 138388/24-012.972 | Definitief

Afbeelding 3.1 Impressie geplaatste cameravallen te Den Bosch. Linksboven: marterbox, rechtsboven: struikrover, linksonder: losse wildcamera

De wildcamera’s zijn geplaatst op kansrijke locaties binnen het plangebied (afbeelding 3.2) en zijn actief geweest in de periode van 5 juni 2024 tot en met 31 juli 2024. Tijdens de benodigde veldbezoeken voor het plaatsen, controleren en weghalen van de camera’s is tevens gezocht naar sporen van marterachtigen. Middels deze onderzoeksopzet is voldaan aan de richtlijnen uit het Kennisdocument kleine marterachtigen [lit. 4].

Tabel 3.4 Overzicht veldbezoeken onderzoek marterachtigen Datum

Werkzaamheden

5 juni 2024

plaatsen camera’s

3 juli 2024

tussentijdse controle camera’s

31 juli 2024

weghalen camera’s

11 | 21

Witteveen+Bos | 138388/24-012.972 | Definitief

Afbeelding 3.2 Overzicht locaties cameravallen in het te onderzoeken gebied

12 | 21

Witteveen+Bos | 138388/24-012.972 | Definitief

4 RESULTATEN 4.1

Alpenwatersalamander

Tijdens het onderzoek zijn geen alpenwatersalamanders of andere beschermde amfibiesoorten aangetroffen. Op basis van deze onderzoeksresultaten kan met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat het plangebied van belang is als leefgebied voor alpenwatersalamander of andere beschermde amfibiesoorten.

4.2

Vleermuizen

Op basis van het veldonderzoek is vastgesteld dat het plangebied en haar directe omgeving onderdeel uitmaken van het leefgebied van vijf vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en watervleermuis. Het belang van het gebied is niet voor al deze soorten hetzelfde. In de onderstaande paragrafen worden de aangetroffen functies per soort beschreven. Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis is verreweg de meest waargenomen soort in het plangebied. Tijdens beide veldbezoeken werden verspreid over het gebied meerdere individuen van gewone dwergvleermuis waargenomen. Gewone dwergvleermuizen maakten gebruik van de groenstructuren en bebouwing in het plangebied als vliegroute en foerageergebied. Het gaat in het plangebied en de directe omgeving naar verwachting om enkele tientallen individuen. Alhoewel het gehele plangebied in meer of mindere mate door gewone dwergvleermuizen wordt gebruikt, ligt het zwaartepunt van de waarnemingen ter plaatse van de groenstructuren aan de oost- en westzijde van De Kruithoorn (afbeelding 4.1). Op 29 mei werd gewone dwergvleermuis voor het eerst circa 25 minuten na zonsondergang waargenomen (22.10 uur). Gezien deze relatief late start van de vleermuisactiviteit, lijkt het erop dat geen verblijfplaatsen aanwezig waren in de directe omgeving.

De vleermuizen hadden wat tijd nodig om vanuit hun verblijfplaats het plangebied te bereiken om hier te foerageren. De activiteit was het minst bij de start van de inventarisatie, en nam gedurende de inventarisatie toe. Op 1 augustus 2024 werd de soort voor het eerst circa 5 minuten na zonsondergang waargenomen. Ook werden foeragerende gewone dwergvleermuizen nabij de gevel van een gebouw waargenomen. Dit kan duiden op de aanwezigheid van een verblijfplaats van de soort in deze en/of andere gevels in de directe omgeving van het plangebied. Ondanks de timing van het bezoek tijdens de paarperiode van vleermuizen, werd geen baltsgedrag waargenomen. Ruige dwergvleermuis Tijdens beide veldinventarisaties werd binnen het plangebied één waarneming gedaan van een ruige dwergvleermuis. Het betrof in beide gevallen een foeragerend individu aan de westzijde van De Kruithoorn. Rosse vleermuis Tijdens beide veldinventarisaties werd rosse vleermuis enkele keren waargenomen. Het gaat naar schatting om 1 tot 3 individuen. Het betrof uitsluitend hoog boven het plangebied foeragerende individuen. De activiteit werd in alle delen van het plangebied waargenomen, waarbij het zwaartepunt aan de westzijde van het gebied lijkt te liggen. Binding van de soort met de bebouwing of groenstructuren binnen het plangebied werd niet vastgesteld.

13 | 21

Witteveen+Bos | 138388/24-012.972 | Definitief

Van rosse vleermuis is bekend dat het foerageergebied sterk wisselt, afhankelijk van het voedselaanbod [lit. 5]. Vanwege de hoge vlieghoogte zijn rosse vleermuizen niet direct gebonden aan landschapselementen, zoals andere vleermuizen. Rosse vleermuizen zijn daarom voor hun foerageergebied niet van het plangebied afhankelijk. Laatvlieger Laatvliegers werden bij beide veldinventarisaties waargenomen. Op 29 mei 2024 ging het om slechts één waarneming van een passerend individu aan de westzijde van het plangebied. Op 1 augustus 2024 werd de soort beduidend vaker waargenomen, waarbij de waarnemingen zich concentreerden aan de oostzijde buiten het plangebied. Het gaat naar schatting om 2 tot 5 individuen. De eerste waarneming van de soort op 1 augustus 2024 werd circa 45 minuten na zonsondergang gedaan. Laatvlieger gebruikte de bestaande bomenrij langs de Poeldonkweg en groenstrook op het talud van de A2 als vliegroute en foerageergebied (afbeelding 4.1). Deze groenstructuren bevinden zich buiten het plangebied. Watervleermuis Watervleermuis is één keer waargenomen tijdens de veldinventarisatie van 1 augustus 2024. De waarneming werd gedaan ter hoogte van de oostelijke uitsluiting van De Kruithoorn op de Poeldonkweg (afbeelding 4.1). Overige vleermuissoorten Gedurende het vleermuisonderzoek zijn in of nabij het plangebied geen waarnemingen gedaan van andere vleermuissoorten.

Het is daarmee uitgesloten dat het plangebied een belangrijke waarde vervult als foerageergebied of vliegroute voor deze soorten.

Afbeelding 4.1 Overzicht relevante waarnemingen vleermuizen

14 | 21

Witteveen+Bos | 138388/24-012.972 | Definitief

4.2.1

Overzicht: belang van het plangebied voor vleermuizen

Verschillende groenstructuren en gebouwen op het bedrijventerrein De Kruithoorn en in de directe omgeving hiervan bieden geschikte foerageergebieden en/of vliegroutes aan vleermuizen, en worden ook als zodanig gebruikt. Gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis komen hier regelmatig en in redelijke aantallen voor, ruige dwergvleermuis en watervleermuis zijn sporadisch aanwezig. Bestaande groenstructuren zowel aan de west- als oostzijde buiten het plangebied zijn van essentieel belang als vliegroute en foerageergebied voor gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Binnen het plangebied geldt dit alleen voor het oostelijke gedeelte, en alleen voor gewone dwergvleermuis. Ten aanzien van andere delen van het plangebied en andere vleermuissoorten geldt dat foeragerende en overvliegende vleermuizen wel zijn aangetroffen, maar in relatief lage aantallen, waardoor geen sprake is van een essentieel foerageergebied en/of essentiële vliegroute(s). Waarnemingen van laatvlieger concentreren zich buiten het plangebied. Rosse vleermuizen foerageren voornamelijk op grotere hoogte, en zijn daarom niet afhankelijk van groenstructuren in het plangebied. Ruige dwergvleermuis en watervleermuis zijn slechts sporadisch waargenomen, waarmee is uitgesloten dat het plangebied van essentieel belang is voor deze soorten.

De onderstaande tabel geeft een overzicht van de aanwezige functies voor vleermuizen in het plangebied en het belang daarvan.

Tabel 4.1 Beschermde functies voor vleermuizen in het plangebied De Kruithoorn Omgevingswet

Soort Nederlandse naam/ Wetenschappelijke naam

Functie

art. 11.46 Bal

gewone dwergvleermuis/ Pipistrellus pipistrellus

vliegroute

10 - 30

essentieel

foerageergebied

10 - 30

essentieel

ruige dwergvleermuis/ Pipistrellus nathusii

vliegroute

1

niet-essentieel

foerageergebied

1

niet-essentieel

art. 11.46 Bal

Rosse vleermuis/ Nyctalus noctula

foerageergebied

1-3

niet-essentieel

art. 11.46 Bal

Laatvlieger/ Eptesicus serotinus

vliegroute

2-5

niet-essentieel*

foerageergebied

2-5

niet-essentieel*

Watervleermuis/ Myotis daubentonii

vliegroute

1

niet-essentieel

foerageergebied

1

niet-essentieel

art. 11.46 Bal

art. 11.46 Bal

Schatting aantal individuen

Belang plangebied

* Essentiële groenstructuren zijn wel aanwezig op korte afstand van het plangebied

4.3

Grondgebonden zoogdieren

4.3.1

Resultaten onderzoek

Tabel 4.2 geeft een overzicht van de waargenomen soorten grondgebonden zoogdieren tijdens het onderzoek. In totaal zijn 9 soorten aangetroffen: steenmarter, vos, ree, konijn, egel, bruine rat, gewone bosmuis, huisspitsmuis en huiskat. Van de waargenomen soorten zijn steenmarter, vos, ree, konijn, egel en gewone bosmuis beschermd onder het beschermingsregime ‘Andere soorten’ van de Omgevingswet. Voor deze soorten, met uitzondering van steenmarter, geldt echter binnen provincie Noord-Brabant een vrijstelling van artikel 11.54 van het Bal (doden van dieren of beschadigen/vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen). Voor steenmarter geldt deze vrijstelling niet. Bruine rat, huisspitsmuis en huiskat zijn onder de Omgevingswet niet beschermd.

15 | 21

Witteveen+Bos | 138388/24-012.972 | Definitief

Van de waargenomen soorten grondgebonden zoogdieren is steenmarter dus de enige ten aanzien waarvan mogelijk een overtreding van verbodsbepalingen van de Omgevingswet te verwachten is. Steenmarter Steenmarter werd in totaal drie keer op camera vastgelegd, en uitsluitend door camera #5 (afbeelding 3.2, tabel 4.2). Deze waarnemingen werden gedaan op 7 juli 2024, 17 juli 2024 en 19 juli 2024 (afbeelding 4.3). Op basis van de ecologie van de steenmarter is aannemelijk dat het plangebied een klein deel vormt van een territorium van één individu, dat zich verder uitstrekt buiten de grenzen van het bedrijventerrein. Steenmarters zijn nachtactief en leggen per nacht gemiddeld 3 tot 5 km af. De territoriumgrootte van steenmarters in Nederland varieert van circa 80 - 700 ha en is afhankelijk van de kwaliteit van het leefgebied. In steden, waar de voedselsituatie gunstiger is, komen ook kleinere territoria voor. Het bedrijventerrein De Kruithoorn is met een totale oppervlakte van circa 15 ha echter te klein om een volledig territorium te huisvesten. Steenmarters leven solitair, waarbij het territorium van een mannetje dat van meerdere vrouwtjes overlapt. Boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, zolders, kruipruimtes, schuurtjes, spouwmuren, ruimtes onder dakbedekkingen en nestkasten worden als schuil- en/of verblijfplaats gebruikt.

Binnen een territorium kunnen tientallen van dergelijke verblijfplaatsen aanwezig zijn [lit. 6].

Tabel 4.2 Overzicht waarnemingen grondgebonden zoogdieren per cameraval. De nummers corresponderen met de nummers in afbeelding 3.2 Nr.

Type

Waargenomen soorten

Opmerkingen

1

Mostela

egel, bruine rat

geen beelden gemaakt na 9 juli 2024, dus 5 weken actief geweest in plaats van 8 weken

2

Mostela

huisspitsmuis

3

Struikrover

egel, gewone bosmuis, huisspitsmuis, huiskat

4

Struikrover

konijn, gewone bosmuis, huiskat

5

Losse camera

steenmarter, vos, ree, konijn, huiskat

6

Losse camera

vos, ree, konijn, huiskat

Afbeelding 4.2 Enkele beelden gemaakt tijdens het onderzoek. Linksboven: vos, rechtsboven: reeën, linksonder: egel, rechtsonder: gewone bosmuis

16 | 21

Witteveen+Bos | 138388/24-012.972 | Definitief

Afbeelding 4.3 Eén van de gemaakte beelden van de steenmarter (camera #5)

4.3.2

Overzicht: belang van het plangebied voor marterachtigen

Het plangebied heeft een functie als foerageergebied voor steenmarter. Daarnaast kunnen zich hier mogelijk verblijfplaatsen van de soort bevinden, bijvoorbeeld onder takkenhopen of dichte struwelen. Ondanks dat het plangebied naar verwachting slechts een klein deel van het gehele leefgebied van de steenmarter vormt, kan het wel van essentieel belang zijn voor de lokale staat van instandhouding. In de directe omgeving van De Kruithoorn bevinden zich relatief weinig groenstructuren die vergelijkbaar zijn met het groen in de zuidoostelijke hoek van het bedrijventerrein (waar de steenmarter is aangetroffen) (afbeelding 4.4). Dergelijke groenstructuren zijn specifiek van belang omdat ze voldoende beschutting, rust en voedsel bieden. Anders soorten marterachtigen zijn tijdens het onderzoek niet aangetroffen, waarmee is uitgesloten dat het plangebied een belangrijke functie vervult voor deze soorten.

Tabel 4.3 Overzicht belang van het plangebied voor verschillende soorten marterachtigen Omgevingswet

Soort Nederlandse naam/ Wetenschappelijke naam

Belang plangebied

art. 11.54 Bal

Steenmarter/ Martes foina

essentieel leefgebied

art. 11.54 Bal

Boommarter/ Martes martes

geen (niet aanwezig)

art. 11.54 Bal

Bunzing/ Mustela putorius

geen (niet aanwezig)

art. 11.54 Bal

Wezel/ Mustela nivalis

geen (niet aanwezig)

art. 11.54 Bal

Hermelijn/ Mustela erminea

geen (niet aanwezig)

17 | 21

Witteveen+Bos | 138388/24-012.972 | Definitief

Afbeelding 4.4 Inschatting ligging optimale leefgebieden voor steenmarter in het plangebied en wijdere omgeving

Afbeelding 4.5 Essentieel leefgebied steenmarter binnen het bedrijventerrein De Kruithoorn, en ligging ten opzichte van plangebied en toegangswegen AZC

18 | 21

Witteveen+Bos | 138388/24-012.972 | Definitief

5 CONCLUSIE EN DOORKIJK VERVOLG 5.1

Overzicht

5.2

Alpenwatersalamander

Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan van alpenwatersalamander of andere beschermde amfibiesoorten. Op basis van deze resultaten kan met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat het plangebied een belangrijke functie vervult voor beschermde amfibiesoorten. Ten aanzien van deze soortgroep bestaan vanuit de Omgevingswet geen verdere verplichtingen. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht (art. 11.27 Bal).

5.3

Vleermuizen

Op basis van het onderzoek is vastgesteld dat het oostelijke gedeelte van het plangebied van essentieel belang is als foerageergebied en vliegroute voor de gewone dwergvleermuis. Het gaat hierbij specifiek om de hier aanwezige verhogingen in het terrein en opgaande vegetatie/bomenrijen (afbeelding 4.1). Ook bevindt zich in de nabijheid, doch buiten het plangebied een essentieel foerageergebied en essentiële vliegroute voor laatvlieger. Het voornemen kan in de aanlegfase leiden tot verstoring en/of vernietiging van deze functies, en in de gebruiksfase eveneens tot verstoring, hetgeen een overtreding is van de Omgevingswet (art. 11.46 Bal). Vernietiging van essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van vleermuizen kan worden voorkomen door de desbetreffende (groen)structuren te behouden. Omdat het voornemen daarnaast zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase kan leiden tot verstoring van in de omgeving foeragerende en/of passerende vleermuizen, als gevolg van verstoring door geluid of licht, dienen maatregelen in acht genomen te worden waarmee een dergelijke verstoring van vleermuizen wordt voorkomen.

Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de volgende maatregelen: - werkzaamheden overdag uitvoeren, wanneer vleermuizen geen gebruik maken van de foerageergebieden/vliegroutes; - gebruikmaken van vleermuisvriendelijke verlichting; - kunstmatig licht enkel daar richten waar het ook daadwerkelijk nodig is (doelgericht); - gebruikmaken van armaturen die het licht door middel van een scherpe bundeling één bepaalde kant (en weg van het foerageergebied/de vliegroute) richten; - gebruikmaken van aangepaste armaturen die verstrooiing van licht minimaliseren; - het aantal lampen, de lichtintensiteit en het gebruik van hoge lichtmasten met veel lichtverstrooiing beperken.

19 | 21

Witteveen+Bos | 138388/24-012.972 | Definitief

Indien het niet mogelijk is het voornemen uit te voeren met inachtneming van de bovenstaande maatregelen, is voor het verwijderen of verstoren van de (groen)structuren die van essentieel belang zijn voor gewone dwergvleermuis een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig. In het bij de vergunningaanvraag benodigde activiteitenplan worden mitigerende en compenserende maatregelen beschreven, waarmee de negatieve effecten zoveel mogelijk worden verzacht en/of gecompenseerd. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het compenseren van foerageergebied door bestaande vegetatie in de directe omgeving van het plangebied op te waarderen of daar nieuwe vegetatie te realiseren. Een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit kan daarnaast alleen worden verleend als de activiteiten worden uitgevoerd in het kader van een goedgekeurd wettelijk belang en als er geen reële alternatieven voorhanden zijn waarmee minder schade wordt gedaan aan beschermde natuurwaarden.

5.4

Marterachtigen

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt ervan uitgegaan dat de groenstructuren aan de oost- en zuidoostzijde van De Kruithoorn van essentieel belang zijn als foerageergebied voor de steenmarter (zie afbeelding 4.4). Tevens kan niet worden uitgesloten dat hier verblijfplaatsen van de soort aanwezig zijn. Werkzaamheden waarbij de groenstructuren aan de oost- en zuidoostzijde van het bedrijventerrein De Kruithoorn worden aangetast, kunnen zonder aanvullende maatregelen leiden tot overtreding van art. 11.54 van het Bal ten aanzien van de steenmarter. Een overtreding wordt echter voorkomen indien de groenstructuren die van belang zijn als leefgebied voor de steenmarter, geheel worden behouden. In dat geval zijn geen verdere vervolgstappen nodig. Indien de groenstructuren aan de oost- en zuidoostzijde van het bedrijventerrein gedeeltelijk of geheel worden verwijderd, is hiervoor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig. In het bij de vergunningaanvraag benodigde activiteitenplan worden in dat geval mitigerende en compenserende maatregelen beschreven, waarmee de negatieve effecten zoveel mogelijk worden verzacht en/of gecompenseerd. Maatregelen waaraan bijvoorbeeld gedacht moet worden: - het uitvoeren van de werkzaamheden buiten de meest kwetsbare periode van de steenmarter; - de realisatie van compenserend leefgebied.

Dit kan bijvoorbeeld door het verbeteren van habitat in bestaand leefgebied, of door de realisatie van nieuw leefgebied.

20 | 21

Witteveen+Bos | 138388/24-012.972 | Definitief

6 LITERATUUR a. Idverde Advies (2023). Quickscan Wet natuurbescherming De Kruithoorn, Poeldonkweg 5-33, ’sHertogenbosch. 722230219. Idverde Advies, ’s-Hertogenbosch, 29 november 2023. b. Netwerk Groene Bureaus, werkgroep ‘Standaarden en protocollen’ (2023). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, versie november 2023. Geraadpleegd via netwerkgroenebureaus.nl/werken-aankwaliteit/soortinventarisatieprotocollen/protocollen-vis-amfibie-reptiel-vogel c. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2021). Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. d. BIJ12 (2024). Kennisdocument Kleine marterachtigen Bunzing - Hermelijn - Wezel. Versie 1.1, juli 2024. Geraadpleegd via bij12.nl/wp-content/uploads/2024/01/Kennisdocument-kleine-marterachtigen-v1-12.pdf e. BIJ12 (2017) Kennisdocument Rosse vleermuis Nyctalus noctula. Versie 1.0, juli 2017. Geraadpleegd via bij12.nl/wp-content/uploads/2023/11/Kennisdocument-Rosse-Vleermuis.pdf f. zoogdiervereniging.nl

21 | 21

Witteveen+Bos | 138388/24-012.972 | Definitief

Bijlage(n)

I BIJLAGE: WETTELIJK KADER I.1

Omgevingswet: Flora- en fauna-activiteit

Onder de Omgevingswet bestaat de flora- en fauna-activiteit uit drie beschermingsregimes: een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (§ 11.2.2 Bal), Habitatrichtlijnsoorten (§ 11.2.3 Bal) en ‘Andere soorten’ (§ 11.2.4 Bal). Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. In de onderstaande tabel zijn de verbodsbepalingen waaraan getoetst wordt, weergegeven. In de navolgende paragrafen worden de verbodsbepalingen nader toegelicht.

Tabel I.1 Overzicht verbodsbepalingen Beschermingsregimes Vogelrichtlijn (art. 11.37 Bal)

Habitatrichtlijn (art. 11.46 Bal)

‘Andere soorten’ (art. 11.54 Bal)

Artikel 11.37, lid 1 sub a

Artikel 11.46, lid 1 sub a

Artikel 11.54, lid 1 sub a

Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.

Artikel 11.37, lid 1 sub b

Artikel 11.46, lid 1 sub b

Artikel 11.54, lid 1 sub b

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Artikel 11.37, lid 1 sub c

Artikel 11.46, lid 1 sub c

Artikel 11.54, lid 1 sub c

Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.

Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

Het is verboden planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Artikel 11.37, lid 1 sub d

Artikel 11.46, lid 1 sub d

Het is verboden vogels opzettelijk te verstoren, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. Artikel 11.46, lid 1 sub e Het is verboden planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te

Witteveen+Bos | 138388/24-012.972 | Bijlage I | Definitief

Beschermingsregimes Vogelrichtlijn (art. 11.37 Bal)

Habitatrichtlijn (art. 11.46 Bal)

‘Andere soorten’ (art. 11.54 Bal)

verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Vogelrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten heeft betrekking op de soorten zoals aangeduid in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Dit betreft alle van nature in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied. Voor vogelsoorten gelden de volgende verbodsbepalingen (art. 11.37 Bal): - het is verboden opzettelijk vogels te doden of te vangen; - het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten weg te nemen; - het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; - het is verboden vogels opzettelijk te storen. Het laatste verbod is echter niet aan de orde indien kan worden onderbouwd dat de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het bepalen of sprake is van een wezenlijke invloed is per soort en per situatie maatwerk. De meeste vogelsoorten maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de hiervoor beschreven verbodsbepalingen van de Omgevingswet. Voor deze soorten is geen omgevingsvergunning nodig bij werkzaamheden buiten het broedseizoen.

Buiten het broedseizoen mogen deze nesten worden verwijderd of verplaatst, tenzij in specifieke situaties er een ecologisch zwaarwegend belang is om nesten die normaliter niet jaarrond beschermd zijn toch jaarrond te beschermen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer door een ingreep een groot deel van de nestgelegenheid van een bepaalde populatie dreigt te verdwijnen. Voor het verstoren van vogels (in het broedseizoen) is het verkrijgen van een omgevingsvergunning in principe niet mogelijk omdat bijna altijd een alternatief voorhanden is, namelijk werken wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn. De Omgevingswet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De verbodsbepalingen van de Omgevingswet zijn altijd relevant voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten.

Jaarrond beschermde nesten zijn: - nesten die buiten het broedseizoen worden gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld steenuil); - nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop (bijvoorbeeld roek, gierzwaluw en huismus); - nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing (bijvoorbeeld ooievaar, kerkuil en slechtvalk); - vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd en ransuil). Habitatrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Habitatrichtlijnsoorten heeft betrekking op in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn. De verbodsbepaling voor flora heeft betrekking op soorten (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) uit bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern (art. 11.46 Bal).

Witteveen+Bos | 138388/24-012.972 | Bijlage I | Definitief

Voor deze fauna en flora van de Habitatrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden dieren opzettelijk te verstoren; - het is verboden eieren opzettelijk te vernielen of te rapen; - het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; - het is verboden planten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Als deze verbodsbepalingen voor deze soorten worden overtreden, moet een omgevingsvergunning floraen fauna-activiteit worden aangevraagd. ‘Andere soorten’ Het beschermingsregime voor de ‘Andere soorten’ (ook wel: ‘soorten van nationaal belang’) heeft betrekking op de soorten uit bijlage IX onder A en B bij het Bal. Hierin zijn lijsten met overige plant- en diersoorten opgenomen die, buiten de Vogel- en Habitatrichtlijn om, nationaal beschermd worden. Voor deze soorten gelden de volgende verbodsbepalingen (art.

11.54 Bal): - het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; - het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voorplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder A; en, - het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. Binnen de soortenlijsten in bijlage IX onder A en B bij het Bal is geen onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar beschermde soorten. Zowel het Ministerie van LNV als de provincies zijn bevoegd om binnen deze lijsten soorten aan te wijzen waarvoor een vrijstelling geldt of waarvoor aangepaste voorwaarden gelden in het geval van een vergunningaanvraag. Als er sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van deze soorten is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig. Zorgplicht In artikel 11.27 Bal is een specifieke zorgplicht beschreven: Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd of die gevolgen te voorkomen; b.

voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. De zorgplicht geldt altijd.

Witteveen+Bos | 138388/24-012.972 | Bijlage I | Definitief

www.witteveenbos.com

III BIJLAGE: STIKSTOFDEPOSITIE ONDERZOEK (REFERENTIE 138388/24-015.936 D.D. 31 OKTOBER 2024)

Witteveen+Bos | 138388/25-000.554 | Bijlage III | Definitief

NOTITIE

Onderwerp Project Opdrachtgever Projectcode Status Datum Referentie

Stikstofdepositie onderzoek tijdelijke opvang ‘s-Hertogenbosch COA ’s-Hertogenbosch Poeldonkweg Centraal Orgaan opvang asielzoekers 138388 Definitief 31 oktober 2024 138388/24-015.936

Bijlage(n)

I II

Aan

Centraal Orgaan opvang asielzoekers -

Kopie

1

AERIUS - aanlegfase AERIUS - gebruiksfase

INLEIDING

Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) is voornemens om aan de Poeldonkweg 5 te ‘s-Hertogenbosch in totaal maximaal 350 asielzoekers tijdelijk op te vangen in unitbouw voor een periode van maximaal 10 jaar. Gedurende de aanleg- en gebruiksfase van de opvang komen stikstofemissies vrij, die mogelijk leiden tot stikstofdepositie toename op omliggende Natura 2000-gebieden. Witteveen+Bos heeft, in opdracht van het COA, een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd naar de aanleg- en gebruiksfase van de opvang. Onderhavige notitie geeft verslag van de uitgangspunten en de resultaten van dit onderzoek. In afbeelding 1.1 is de globale ligging van de projectlocatie weergegeven en in afbeelding 1.2 is een luchtfoto van de bestaande situatie opgenomen.

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Stationsweg 5 | Postbus 3465 | 4800 DL Breda | +31 (0)76 523 33 33 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751

Afbeelding 1.1 Globale ligging projectlocatie voor tijdelijke opvang ‘s-Hertogenbosch

Afbeelding 1.2 Luchtfoto bestaande situatie projectlocatie ‘s-Hertogenbosch

2|8

Witteveen+Bos | 138388/24-015.936 | Definitief

2

WETGEVING MET BETREKKING TOT STIKSTOF

Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder e van de Omgevingswet is een vergunning vereist voor een project waar op voorhand significante negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. Specifiek voor het aspect stikstof geldt dat sinds de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 1 de ecologische gevolgen van iedere berekende depositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar beoordeeld moet worden. Deze voorwaarde geldt voor zowel de aanlegfase als voor de gebruiksfase van een plan of activiteit. De berekening moet uitgevoerd worden met de meest actuele versie van het rekeninstrument AERIUS Calculator. Kader vergunningverlening stikstof Momenteel geldt het volgende kader voor de vergunningverlening in het kader van de gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden: - er is een vergunning vereist voor projecten die een significant gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied2. Dit is dus niet het geval indien significante gevolgen op voorhand zijn uit te sluiten.

Dit is voor stikstof bijvoorbeeld het geval indien er volgens de stikstofberekeningen geen toename van stikstofdepositie plaatsvindt naar aanleiding van het te realiseren plan/activiteit of indien significante gevolgen kunnen worden uitgesloten in de voortoets (bijvoorbeeld door interne saldering); - indien niet op voorhand kan worden uitgesloten dat mogelijke significante gevolgen optreden, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn. In een Passende Beoordeling mogen ook mitigerende maatregelen (zoals externe saldering) betrokken worden. De vergunning kan worden verleend indien (eventueel met toepassing van deze mitigerende maatregelen) de voorgenomen activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten3; - als uit de Passende Beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, kan een vergunning enkel worden verleend indien de ADC-toets succesvol wordt doorlopen: · A: er zijn geen alternatieve oplossingen; · D: het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang; · C: door middel van compenserende maatregelen wordt gewaarborgd dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft4.

Besluit bouwwerken leefomgeving (stikstofemissiereductie) Bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden dient een initiatiefnemer adequate maatregelen te treffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken, zo volgt uit artikel 7.19a Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De wetgever dwingt initiatiefnemers hiertoe om de emissie van stikstof te voorkomen, ook als significante negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Het betreft activiteiten voor de bouw van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een melding als bedoeld in artikel 2.18, lid 1 Bbl nodig is en op het slopen van een bouwwerk waarvoor een melding als bedoeld in artikel 7.10, lid 1 Bbl is vereist omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m 3 bedraagt. Bij 'adequaat' gaat het om maatregelen die doeltreffend, doelmatig en proportioneel zijn. De verplichting geldt voor de bouwfase op de bouwplaats en niet voor vervoersbewegingen van en naar de bouwplaats of voor de gebruiksfase. Het Bevoegd Gezag kan met een maatwerkvoorschrift een invulling geven van de regel over het nemen van stikstofbeperkende maatregelen (artikel 7.5, lid 4 Bbl).

1

ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL: RVS:2019:1603.

2

Artikel 5.1 Omgevingswet.

3

Artikel 16.53c lid 1 Omgevingswet. Artikel 8.74b Besluit kwaliteit leefomgeving.

4

Artikel 10.24 Besluit kwaliteit leefomgeving.

3|8

Witteveen+Bos | 138388/24-015.936 | Definitief

3

UITGANGSPUNTEN

Voor de aanleg- en gebruiksfase zijn stikstofdepositie berekeningen uitgevoerd. In onderstaande paragrafen worden de uitgangspunten van deze berekeningen uiteengezet. Daarbij wordt vermeld dat de input voor de berekeningen is aangeleverd door en afgestemd met de opdrachtgever (COA).

3.1

Aanlegfase

Bij de berekening voor de aanlegfase is rekening gehouden met de werkzaamheden, waarbij stikstofemissies vrijkomen door bouwverkeer. De bouwwerkzaamheden vinden volgens planning plaats in 2025 en zodoende is 2025 als rekenjaar gehanteerd. Voor de inzet van het materieel is gebruik gemaakt van vergelijkbare opvanglocaties. De bouwwerkzaamheden bestaan o.a. uit grondverzet van het braakliggende terrein en het plaatsen van de units.

3.1.1

Emissies van mobiele werktuigen

Rekenmethodiek Conform de instructie gegevensinvoer AERIUS1 worden emissies van mobiele werktuigen berekend via de AUB-methode2. Deze methode is door TNO uitgewerkt en beschikbaar gesteld voor AERIUS. Voor de emissieberekeningen zijn drie gegevens nodig: het AdBlue-verbruik in liters per jaar, het aantal draaiuren per jaar en het brandstofverbruik in liters per jaar. Aan de hand van het bouwjaar en het maximale motorvermogen kan aan de hand van de publicatie van TNO3 een inschatting gemaakt worden van het brandstofverbruik in liters per uur. Voor de hoeveelheid AdBlue per werktuig voor STAGE IV materieel is conform de aanwijzing van de Instructie gegevensinvoer uitgegaan van circa 6 % van het totale brandstofverbruik per werktuig. Materieelinzet De materieelinzet is voor 2025 weergeven in de onderstaande tabel. De uitgangspunten van de materieelinzet zijn aangeleverd en afgestemd met de opdrachtgever (COA).

Tabel 3.1 Materieelinzet Materieel

Stage klasse

Vermogen (kW)

Draaiuren (u/jaar)

Dieselverbruik (l/jaar)

AdBlueverbruik (l/jaar)

telekraan

IV

325

96

3.016

181

tractor

IV

100

16

161

10

graafmachine

IV

15,6

16

32

-

De stikstofemissies afkomstig van de mobiele werktuigen zijn in AERIUS Calculator ingevoerd als oppervlaktebron 1 ‘Mobiele werktuigen - Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning’. Hierbij is aangesloten bij de standaardwaarden voor de emissiehoogte, spreiding, warmte-inhoud en de temporele variatie.

1

Expertiseteam Stikstof en Natura 2000 van BIJ12. (oktober 2024). Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2024. Versie 1.

2

AUB = AdBlue-verbruik, Uren, Brandstofverbruik.

3

TNO rapport 2021 R12305.

4|8

Witteveen+Bos | 138388/24-015.936 | Definitief

3.1.2

Emissies van bouwverkeer

Verkeersbewegingen Rekenmethodiek en modellering De wegverkeersbewegingen van het bouwverkeer worden in AERIUS Calculator gemodelleerd als lijnbron 2 ‘Wegverkeer - Binnen bebouwde kom (doorstromend)’ op de openbare weg buiten het terrein en de vervoersbewegingen op het eigen terrein worden gemodelleerd als lijnbron 5 ‘Wegverkeer - Binnen bebouwde kom (normaal)’. Op basis van de afstand, de intensiteiten en het type voertuigen berekent AERIUS de bijbehorende emissies. De verkeersbewegingen zijn gemodelleerd tot aan de Gestelseweg, het punt waar deze opgaan in het heersende verkeersbeeld. Dit is het punt waarop het bouwverkeer zich door zijn snelheid én intensiteit verhoudingsgewijs niet meer onderscheidt van het reeds aanwezige verkeer op de weg1. Berekening De opdrachtgever heeft het aantal voertuigen per jaar aangegeven die de projectlocatie aandoen. De bewegingen zijn ingetekend als enkele lijn, waarbij elk voertuig 2 bewegingen maakt (heen en weer). Zie voor de aantallen vervoersbewegingen onderstaande tabel 3.2.

Tabel 3.2 Vervoersbewegingen projectlocatie aanlegfase Categorie

Aantal voertuigen/ jaar

Aantal vervoersbewegingen/ jaar

licht verkeer

420

840

zwaar vrachtverkeer

103

206

Emissie NOx (kg/jaar)

Emissie NH3 (kg/jaar)

1,9

0,04

totale emissie

Stationair draaien Bij de aan- en afvoer van materialen en materieel is voor het stationair draaien van vrachtwagens op de locatie extra emissie toegevoegd (bron 3 van de berekening). Om deze emissie te berekenen, is aangenomen dat iedere vrachtwagen gedurende de laad- en/of lostijd 15 minuten stationair draait met een NOx-/NH3emissiefactor voor middelzwaar verkeer, type stad stagnerend voor het jaar 20252. Door aan te sluiten bij de emissiefactoren NOx en NH3 uit bijlage 1 van de Instructie Gegevensinvoer AERIUS3 resulteert dit in 23,1 g NH3/j en 2,4 kg NOx/j voor middelzwaar verkeer. De berekening is opgenomen in onderstaande tabel.

Tabel 3.3 Emissies bij laden/lossen door stationair draaien van vrachtwagens Verkeerscategorie

Totaal aantal vrachtwagens (jaar)

zwaar vrachtverkeer

103

Totaal aantal uur stationair draaien (uur/jaar)

Emissiefactor NOx (g/uur)

Emissiefactor NH3 (g/uur)

Emissie NOx (kg/jaar)

Emissie NH3 (kg/jaar)

25,75

92,4864

0,8976

2,4

0,02

1

BIJ12, Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2024, d.d. oktober 2024, versie 1.

2

BIJ12, Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2024, d.d. oktober 2024, versie 1.

3

BIJ12, Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2024, d.d. oktober 2024, versie 1.

5|8

Witteveen+Bos | 138388/24-015.936 | Definitief

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15287254/1