CConstaterende dat's-Hertogenbosch
Koppel je AI →
Document · PDF

058db5cc-810e-429b-a828-44517efd1647

Commissie OMGEVING 30 september 2021, gemeente 's-HertogenboschBij agendapunt: Bestemmingsplan Vinkelsestraat 135, 139 en 139a Vinkel21.551 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

28

volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van die bevoegdheid: a) er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c) een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d) een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder sub c van voornoemde voorwaarden en de daarbij behorende ‘Regeling NIBM’. Op basis hiervan vormen luchtkwaliteitseisen dus geen belemmering om het onderhavige bestemmingsplan door de gemeenteraad te laten vaststellen. Vervolgens zijn er twee mogelijkheden om aannemelijk te maken, of een project leidt tot een toename van de luchtverontreiniging die de NIBM-grens (3% van de jaargemiddelde grenswaarde van NO2 en PM10. In praktijk een jaargemiddelde bijdrage van 1,2 µg/m³) wel/niet overschrijdt: 1. Aannemelijk maken dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM. 2.

Als een project niet behoort tot een aangewezen categorie: op een andere manier aannemelijk maken dat een project niet leidt tot een toename groter dan de 3% grens. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project boven de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM uitkomt, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan de tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Ad 1: De Regeling NIBM geeft invulling aan de volgende categorieën: a. woningbouw- en kantoorlocaties, en ook een combinatie daarvan Woningbouw ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg ≤ 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling Kantoorlocaties ≤ 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg ≤ 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling Combinatie van woningen en kantoren, bij 1 ontsluitingsweg: 0,0008 *aantal woningen + 0,000012 *bruto vloeroppervlak kantoren in m2 ≤ 1,2 Combinatie van woningen en kantoren, bij minimaal 2 ontsluitingswegen: 0,0004 *aantal woningen + 0,000006 *bruto vloeroppervlak kantoren in m2 ≤ 1,2 b. inrichtingen. Hieronder vallen landbouwinrichtingen en spoorwegemplacementen. Inrichtingen 29

• •

akkerbouw- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt. inrichtingen die alleen of in hoofdzaak bestemd zijn voor witloftrek of teelt van eetbare paddestoelen of andere gewassen in een gebouw. • permanente en niet-verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen • permanente en verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen, mits niet groter dan 2 hectare. • kinderboerderijen. spoorwegemplacementen: de toename van het aantal dieseltractie-uren bedraagt niet meer dan 7500 uur op jaarbasis, als gevolg van de aanleg of uitbreiding van en spoorwegemplacement of door een wijziging van de activiteiten op het spoorwegemplacement Als een project past binnen de (getalsmatige) grenzen van één van de voornoemde categorieën uit de ‘Regeling NIBM’, dan is het project in ieder geval NIBM. Onderhavig project valt onder het ‘3% criterium’ op basis van de categorie: ‘Woningbouw: de realisatie van < 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg. De ontwikkeling is dan niet in betekende mate van invloed op de omgeving. Dat betekent, dat een luchtkwaliteitsonderzoek niet noodzakelijk is en er voor wat betreft luchtkwaliteit geen belemmeringen zijn voor de voorgestane ontwikkeling.

Om te bepalen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat is de achtergrondwaarde voor fijnstof en stikstofdepositie bepaald met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN). In tabel 1 zijn de achtergrondwaarden en de normen weergegeven. Tabel 1: Achtergrondwaarden en normen op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland ter plaatse van het plangebied.

2016 2025 Norm

Totale concentratie (µg/m³) NO2 17.6 11.8 40

Totale concentratie (µg/m³) PM10 18.55 17.16 40

Totale concentratie (µg/m³) PM2,5 11.76 10.19 25

Uit tabel 1 blijkt dat nu en in de toekomst de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) ruim beneden de norm liggen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied nu en in de nabije toekomst aanvaardbaar is. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van de functieverandering van bedrijfswoningen naar burgerwoningen en de realisatie van één ruimte-voor-ruimtewoning valt onder de in de Regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. De ontwikkeling is dan ook niet in betekenende mate van invloed op de kwaliteit van de lucht. De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland tonen daarnaast aan dat de achtergrondwaarden nu en in de toekomst ruim beneden de norm blijven. Daarmee kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied aanvaardbaar is. 30

5.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd en vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven. De wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (in dit geval een Ruimte-voor-Ruimtewoning en de bedrijfs/plattelandswoningen (waaronder woningen aangeduid als functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voormalige bedrijfswoning vallen) die worden omgezet naar een burgerwoning).

De geurbelasting wordt berekend en getoetst met een verspreidingsmodel. In de Wgv is een definitie opgenomen voor geurgevoelige objecten. Deze definitie in combinatie met verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State[1] heeft tot gevolg dat gesteld kan worden dat alle bebouwing waar mensen kunnen verblijven en ook als zodanig bestemd is als gevoelig object beschouwd kunnen worden. Hierdoor kan gesteld worden dat de te realiseren Ruimte-voor-Ruimtewoning, de om te zetten bedrijfswoning en de om te zetten woningen die is aangeduid als functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voormalige bedrijfswoning (in burgerwoningen) als geurgevoelig aangemerkt kan worden. In dit geval worden er drie geurgevoelige objecten toegevoegd. Voor de bestaande bedrijfswoning (#135) en de woning aangeduid als functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voormalige bedrijfswoning (#139) geldt artikel 3 lid van de Wgv met vaste afstandseisen. Hierin wordt aangegeven dat de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij ten minste 50 meter dient te bedragen indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor de ruimte-voor-ruimtewoning geldt in dit geval artikel 14 van de Wgv omdat deze woning op een kavel wordt gerealiseerd dat in gebruik was als veehouderij, de veehouderij geheel buiten werking wordt gesteld en de sloop van bedrijfsgebouwen die onderdeel uitmaakten van de veehouderij plaats gaat vinden. Hierdoor geldt voor de ruimte-voor-ruimtewoning tevens een vaste afstandseis van 50 meter. Om te waarborgen dat de belangen van omliggende veehouderijen niet onevenredig worden geschaad, dient te worden voldaan aan deze vaste afstandseisen

[1]

Waaronder Zaaknr:200909701/1/R1, Datum:1 september 2010

31

van 50 meter voor de verschillende geurgevoelige objecten. In de directe omgeving van het plangebied is slechts één veehouderij gelegen, welke een kleinschalige veehouderij betreft met een klein aantal zoogkoeien en een aantal volwassen paarden en paarden in opfok. In figuur 15 zijn de afstanden van de verschillende geurgevoelige objecten tot deze dichtstbijzijnde veehouderij weergegeven. Uit de afbeelding en de daarop weergegeven afstanden kan geconcludeerd worden dat wordt voldaan aan de minimale vaste afstandseisen van 50 meter en de omliggende veehouderij niet onevenredig wordt geschaad in haar belangen.

146 m

246 m

282 m

Figuur 15: Afstanden veehouderij Vinkelsestraat 102 en nieuwe gevoelige objecten.

Naast toetsing op basis van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen (Wgv), dient er in het kader van een goede ruimtelijke ordening (Wro) tevens beoordeeld te worden of er ter plaatse van de geurgevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heerst. In figuur 16 is een uitsnede weergegeven van de regionale geurkaart (opgesteld 01-072019 door de Omgevingsdienst Brabant Noord), met daarop de achtergrondbelasting. Ter plaatse van het plangebied geldt er, volgens de regionale geurkaart, een achtergrondbelasting variërend van 5 tot 15 OUE/m3.

32

Figuur 16. Uitsnede regionale geurkaart – achtergrondbelasting (plangebied rood omcirkeld).

De Interim omgevingsverordening legt de grens voor een aanvaardbaar woonleefklimaat, voor wat betreft de achtergrondbelasting op een geurgevoelig object, op maximaal 20% binnen het concentratiegebied waarin het plangebied is gelegen. Bij een geurhinderpercentage van 20% binnen concentratiegebied hoort een 3 achtergrondbelasting van 20 OUE/m volgens bijlagen 6 en 7 van de Wgv. De GGDrichtlijn geurhinder (figuur 17) geeft aan dat een geurhinderpercentage van 20% leidt tot een matig woon- leefklimaat. De situatie binnen het plangebied ligt tussen de 5 en 15 OUE/m3, waardoor hier op dit moment gesproken kan worden van een redelijk goed woon- en leefklimaat.

Figuur 17. GGD-richtlijn geurhinder (Wgv).

Daarnaast zijn op de regionale geurkaart beide agrarische bedrijven nog opgenomen, die vanwege de in deze toelichting beschreven bestemmingsplanwijziging komen te vervallen. Door deze twee veehouderijen op deze plek te saneren zal het woon- en leefklimaat ter plekke sterk verbeteren, immers zijn dit de enige bedrijven met een significante geuruitstoot in de omgeving van het plangebied. Hierdoor kan gezegd 33

worden dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied / de vier geurgevoelige objecten aanvaardbaar zal zijn. Conclusie De ontwikkeling zorgt niet voor een belemmering van veehouderijbedrijven in de omgeving. Daarnaast kan op basis van de regionale geurkaart geconcludeerd worden dat ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het aspect geur zorgt niet voor een belemmering van dit bestemmingsplan. 5.1.5 Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, aangetoond dient te worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect akoestiek. Wanneer dat aan de hand is dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met een uitzondering van: − −

Wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

In dit geval wordt er een nieuw geluidsgevoelig object toegevoegd, namelijk een burgerwoning (139a). Er is dan ook een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hieronder is de conclusie van dit onderzoek opgenomen. Het volledige rapport van dit onderzoek is te vinden in bijlage IV (Akoestisch onderzoek optredende gevelbelastingen Vinkelsestraat 139a te Vinkel - Rapportnr. M19 070.401). Conclusie De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 32 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Er is dus sprake van een acceptabel woon- leefklimaat wat betreft het aspect geluid ter plaatse van het plangebied. 5.1.6 Externe veiligheid Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang te kijken naar risicovolle inrichtingen in of in de nabijheid van het plangebied die gevaarlijke situaties kunnen opleveren. Daartoe moeten de risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten in beeld worden gebracht. Het aspect externe veiligheid beschrijft risico’s die ontstaan als gevolg van opslag van, of handelingen met, gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing.

Ten aanzien van het aspect ‘externe veiligheid’ is door Tritium advies een QuickScan externe veiligheid uitgevoerd. In bijlage V (QuickScan externe veiligheid Vinkelsestraat 139, 139a en 135) is het volledige rapport van dit onderzoek opgenomen. Hieronder worden de belangrijkste conclusies weergegeven.

34

Conclusie Het plangebied met betrekking tot de beoogde ontwikkelingen ligt binnen het invloedsgebied van buisleiding A-527. Ten aanzien van ontwikkeling B, het realiseren van een nieuwe burgerwoning, verandert de huidige situatie. Het groepsrisico neemt zeer beperkt toe en zal gelet op de omgeving van het plangebied beduidend lager zijn dan 10% van de oriëntatiewaarde. Het planvoornemen draagt geen significante bijdrage aan het groepsrisico. Wel is de verantwoordingsplicht voor ontwikkeling B beperkt ingevuld. De Veiligheidsregio is tevens om advies gevraagd. Dit advies is hieronder opgenomen. Het uitgebreider rapport van de Veiligheidsregio is terug te vinden in bijlage X ‘Advies Veiligheidsregio Vinkelsestraat 135, 139a en 139a te Vinkel’. Advies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio heeft de ontwikkeling van onderhavig bestemmingsplan beoordeeld en van advies voorzien. Uit de beoordeling blijkt dat, door de ligging nabij de hoge druk aardgasleiding, er een kleine kans is op een ‘fakkelbrand’. Dit brengt bepaalde groepsrisico’s met zich mee. Het advies in het kader van deze mogelijke fakkelbrand, het daarbij horende groepsrisico en de zelfredzaamheid van mensen in de omgeving luidt: “Informeer de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief over het aanwezige risico. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen.

Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid.” Het advies van de Veiligheidsregio is in bezit van de initiatiefnemers / c.q. toekomstige bewoners en wordt daarnaast als bijlage X toegevoegd aan het bestemmingsplan. Hiermee rekening houdende vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het planvoornemen. 5.1.7 Bedrijven en milieuzonering Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNGpublicatie “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009.

Volgens de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” gelden de genoemde richtafstanden tussen milieugevoelige functies en milieubelastende functies voor het omgevingstype “rustig buitengebied”. Wanneer sprake is van het omgevingstype “gemengd gebied” mag de richtafstand met een stap worden teruggebracht. Voor activiteiten in een gemengd

35

gebied met een milieucategorie 2 geldt dan een richtafstand behorend bij milieucategorie 1. Een (nieuwbouw)woning is geen milieubelastende functie. Een uitwaartse zonering hoeft dan ook niet te worden bepaald. Voor wat betreft inwaartse zonering is er in de nabijheid van het plangebied één inrichting gelegen, waar rekening mee dient te worden gehouden op basis van de VNG richtlijn. In tabel 2 zijn de bedrijven in de directe nabijheid van het plangebied weergegeven. Naam

Aard inrichting

Richtafstand (m)

Minimum afstand tot plangebied (m)

Schoones Transport

Transportbedrijf

30

185

Het bedrijf ‘Schoonus transport’ is gespecialiseerd in het transport van levende laanbomen met behulp van vrachtwagens. Het bedrijf heeft in de omgeving van Vinkel meerdere vestigingen, waarvan die aan de Vinkelsestraat 143 een kleinschalige betreft voor de opslag van volumineuze goederen. Volgens de VNG richtlijn hoort bij een opslaggebouw (verhuur opslagruimte) SBI-code 52109 en milieucategorie 2 en is geluid het bepalende aspect voor de richtafstand, welke in dit geval 30 meter bedraagt. Het dichtstbijzijnde geluidsgevoelige object binnen het plangebied ligt op een afstand van 185 meter en betreft de woning op nummer 139. Daarnaast zijn er meerdere maatgevende/bestaande woningen gelegen op een kortere afstand van het bedrijf. Conclusie Op basis van de bovenstaande gegevens kan worden gesteld dat geen van de milieuzones over het plangebied ligt en ter plaatse sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.1.8 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Nederland is een land waar mensen en vee dicht op elkaar leven. Het RIVM doet op verschillende manieren onderzoek naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid, voor bijvoorbeeld omwonenden van veehouderijen, gezinnen van veehouderijen en mensen die op veehouderijen werken.

Pluimvee- en varkenshouderijen In 2016 zijn verschillende onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stofemissie afkomstig van veehouderijen. Op basis van het Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 Een stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is Definitieve versie mei 2018’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico ten aanzien van pluimveeen varkenshouderijen. Om dat te kunnen beoordelen is in het rapport een stappenplan opgenomen dat doorlopen dient te worden om te bekijken of aanvullend GGD advies noodzakelijk is of niet.

36

Stappenplan 2.0: Beoordeling of advisering vanuit de GGD door het OT geadviseerd wordt 1. Endotoxine (varkens-/pluimveehouderijen): Omgevingsdienst beoordeelt aan de hand van het endotoxine toetsingskader 1.0 dat de ontwikkeling NIET voldoet aan de endotoxine ‘richt-afstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming. Het ja bevoegd gezag en ondernemer komen in een dialoog niet tot een goede oplossing om een beperking van de berekende endotoxine-afstand te realiseren. Overige bedrijven: ga verder naar stap 2. OPVRAGEN ADVIES GGD Nee 2. Emissies; de ontwikkeling leidt tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Een toename van geur, fijnstof en/of ammoniak (via vorming van secundair fijnstof) kan mogelijk leiden tot een negatief effect op de volksgezondheid. Nee

ja

3a. Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader Ja I. de ontwikkeling valt onder de Wgv en Verordening ruimte In de beoogde situatie wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan, maar blijft er sprake van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond en/of achtergrond)

% geur-gehinderden 12% (woonkern) 20% ((buitengebied)

Geurbelasting in concentratiegebied voorgrond achtergrond 5 OU/m³ 10 OU/m³ 10 OU/m³ 20 OU/m³

II. voor dieren zonder emissiefactor: In de beoogde situatie wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan, maar de afstand vanaf de rand van een bedrijf tot de gevel van de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming is kleiner dan 100 meter (in een kern), 50 meter (in het buitengebied) of de in het gemeentelijk beleid genoemde afstand.

Ja

Nee 3b. Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. gezondheidskundige advieswaarde Ja I. voor dieren met emissiefactor: de voor- en/of achtergrondgeurbelasting is hoger dan de odour-unit waarden uit het onderzoek van Geelen et al. (2015) % geur-gehinderden 12% (woonkern) 20% ((buitengebied)

Geurbelasting voorgrond achtergrond 2 OU/m³ 5 OU/m³ 5 OU/m³ 10 OU/m³

II. voor dieren zonder emissiefactor: de afstand vanaf de rand van een bedrijf tot de gevel van de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming is kleiner dan 100 meter.

Ja

Nee 4a Binnen één veehouderij (1 adres of 1 ondernemer) worden bedrijfsmatig meerdere diersoorten gehouden, namelijk: a) varkens en pluimvee; of b) rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten); of

Ja

37

c)

kleine herkauwers onderling.

4b De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt in de nieuwe situatie minder dan 100 meter.

Ja

Nee 5a. Geitenhouderij: binnen een afstand van 2 kilometer liggen woon- en verblijfsruimten van derden. 5b. Pluimveebedrijven: binnen een afstand van 1 kilometer liggen woon- en verblijfsruimten van derden. 5c. Overige veehouderijen: binnen een afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom.

Ja OPVRAGEN ADVIES GGD

Nee 6. Er is sprake van mestbe- of ververwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit.

Ja

Nee 7. Bij omwonenden is sprake van ongerustheid over de volksgezondheid; Dit blijkt uit de gevoerde dialoog en/of de klachtenregistratie omgevingsdienst/gemeente. Nee

van

de

Ja

Advisering door GGD wordt niet geadviseerd Bevoegd gezag vraagt GGD advies aan. Hierbij wordt het door of namens de inrichtinghouder ingevulde 'Ontvankelijkheid voor gezondheidstoets' (bijlage 1) meegeleverd. Het bevoegd gezag neemt het advies van de GGD mee in haar overwegingen of medewerking kan worden verleend aan een ontwikkeling en of zo nodig extra voorschriften moeten worden opgenomen.

Voor dit plan zijn de gegevens van de dichtstbijzijnde veehouderijbedrijven in beeld gebracht, het gaat hier om twee varkensbedrijven, Gelegen op een afstand van respectievelijk 600 meter en 1.000 meter vanaf het plangebied, waardoor voldaan wordt aan de aan te houden afstanden conform bovenstaand stappenplan. Er zijn geen pluimveehouderijen in de directe omgeving (binnen 1 kilometer van het plangebied). alle vragen, met uitzondering van vraag 5a kunnen met “nee” worden beantwoord. Ten aanzien van geitenhouderijen is onderstaand gemotiveerd waarom in dit specifieke geval sprake is van een verantwoorde situatie. Vinkelsestraat 84: De fijnstofemissie (PM10) voor deze varkenshouderij bedraagt 129 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 60 meter. De werkelijke afstand tot de veehouderij bedraagt 600 meter waardoor kan worden voldaan aan de aan te houden afstand. Holtkampstraat 3: De fijnstofemissie (PM10) voor deze varkenshouderij bedraagt 731 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 164 meter. De werkelijke afstand tot de veehouderij bedraagt 1000 meter waardoor kan worden voldaan aan de aan te houden afstand. 38

Geitenhouderijen Uit het VGO-2 en VGO-3 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet bij mensen die woonachtig zijn in de directe omgeving van geitenhouderijen. Met onderhavig plan wordt één burgerwoning toegevoegd en twee woningen veranderen van status (bedrijfswoning/de wonign die is aangeduid als functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voormalige bedrijfswoning naar burgerwoning). Gesteld kan worden dat sprake is van een gevoelige functie in het kader van geitenhouderijen en volksgezondheid, waardoor deze onderzoeken relevant zijn voor deze ontwikkeling. Het is daarom van belang om te weten of binnen een straal van 2 kilometer geitenhouderijen aanwezig zijn, en waar deze zijn gelegen ten opzicht van het plangebied. Binnen een straal van 2 kilometer van het plangebied zijn twee geitenhouderijen gelegen. Namelijk: Weerscheut 19 te Vinkel 1600 meter ten noordwesten van het plangebied. Bleekseweg 7 te Heesch 770 meter ten zuiden van het plangebied. De stoffen die vrijkomen uit een geitenhouderij worden door de lucht verplaatst, waardoor kan worden gesteld dat de wind van invloed is op de effecten van geitenhouderijen. In verband met deze verwaaiing is de overheersende windrichting van belang.

Vanuit Meetstation Volkel (dichtstbijzijnde meetstation) blijkt dat de zuidwestelijke windrichting, de meest voorkomende is (bron: windfinder, zie figuur 21). Op de luchtfoto in figuur 22 is de windrichting geprojecteerd op de situatie. Op basis van de windrichting, de afstand en de ligging ten opzichte van het plangebied kan gesteld worden dat de kans dat stoffen die vrijkomen bij de geitenhouderijen neerkomen ter plaatse van het plangebied gering is. Gezondheidsrisico’s nemen daardoor af, waardoor de gemeenteraad verantwoord kan besluiten om af te wijken van het voorzorgsbeginsel om 2 kilometer ten opzichte van gevoelige functies aan te houden.

39

Figuur 1. Overheersende windrichting, meetstation Volkel,

Figuur 19. Windrichting en geitenhouderijen situatie Vinkelsestraat

zuidwestelijke richting (bron: windfinder.com).

(plangebied geel omcirkeld, geitenhouderijen blauw gearceerd).

5.1.9 Kabels en leidingen Voor zover op basis van het bestemmingsplan en de risicokaart bekend, zijn er in het plangebied geen kabels of leidingen aanwezig die een mogelijke belemmering vormen voor het initiatief. De dichtstbijzijnde leiding ligt op 320 meter (zie figuur 20). Ten aanzien van de gewenste ontwikkeling bieden kabels en leidingen geen bezwaren voor de ontwikkeling.

40

330 meter

Figuur 20 Leidingen

5.2

Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. Werd in het verleden het water en de waterlopen voornamelijk gevormd en veranderd naar de wensen van inrichters en gebruikers, blijkt de laatste jaren steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan gedacht worden aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen ten aan zien van droogte en extreme regenbuien. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In dit kader is er dan ook een waterparagraaf opgesteld door Tritium Advies. In bijlage VI – Waterparagraaf Vinkelsestraat 135, 139 en 139a Vinkel (1901/141/JOW-07) is de op 17 april 2020 opgestelde waterparagraaf terug te vinden. In deze paragraaf is enkel de conclusie van het rapport opgenomen.

Conclusie Uit het vorenstaande blijkt voor onderhavig plangebied vanuit het beleid van het waterschap dat er geen sprake is van een compensatieverplichting. Uit de hemel- en grondwaterverordening van de gemeente blijkt dat er voor iedere m² verharding die vervangen wordt en/of wordt aangelegd, 60 mm hemelwaterberging per m² dient te 41

worden gerealiseerd. Het plan dient hydrologisch neutraal te worden bewerkstelligd. Voor de Vinkelsestraat 135 en Vinkelsestraat 139a wordt een toename en/of vernieuwing van de verharding gerealiseerd. Ten zuiden van de Vinkelsestraat 135 ligt een oude greppel die gebruikt zal worden om water op te vangen. Voor de Vinkelsestraat 139a wordt gebruik gemaakt van halfverharding. Naast de bebouwing zouden watervasthoudende plantenbakken of regentonnen gebruikt kunnen worden om het hemelwater mee vast te houden. In het groen zou verder gedacht kunnen worden aan tijdelijke regenwaterbuffers, in de vorm van een wadi en/of verlagingen in het groen. Daarnaast bergt de beplanting op het terrein alsmede eventueel lager gelegen delen mogelijk hemelwater. Er zijn voldoende kansen om aan de bergingsopgaven van 16,74 m³ en 32,82 m³ te voldoen. Het plangebied is gelegen in een kwelgebied. Voor onderhavig plangebied geldt echter dat de extreme neerslag met name in de zomer optreedt. In deze periode zal de grondwaterstand relatief laag zijn. Derhalve valt grondwateroverlast niet te verwachten. De exacte locatie, dimensionering en uitwerking van de maatregelen is in samenspraak met de gemeente ’s-Hertogenbosch bepaald. De definitieve voorzieningen dienen bij de aanvraag van de omgevingsvergunningen op tekening te worden gezet (locatie en maten) met daarbij de hemelwateropgave.

Voor alle oplossingsrichtingen geldt sowieso dat het vuilwater naar het gemeentelijk riool in de straat wordt afgevoerd. Hier mag geen (overtollig) hemelwater op worden afgevoerd. Het (overtollig) hemelwater wordt volledig op eigen terrein verwerkt. Tot slot zijn er binnen het plangebied categorie B watergangen van toepassing (figuur 21). Deze categorie B, betekend dat er een schouw op zit. Deze watergangen zijn direct aangesloten op het regionale watersysteem, waardoor de regels van de Keur van toepassing zijn. In het geval dat deze bijvoorbeeld worden gedempt o.i.d. dienen deze 1 op 1 gecompenseerd te worden. Het aspect water vormt met het bovenstaande in acht nemende geen belemmering voor het planvoornemen.

Figuur 21. Watergangen binnen het plangebied.

42

5.3

Natuur In opdracht van Reland locatieontwikkeling heeft Tritium advies een QuickScan flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied. Deze QuickScan bestaat uit een literatuuronderzoek en een veldbezoek, welke op 19 februari 2019 heeft plaatsgevonden. Het volledige rapport is terug te vinden in bijlage VII - QuickScan flora en fauna Vinkelsestraat 135, 139 en 139a Vinkel (1901/141/JOW-01). Op 3 maart 2021 heeft vanwege de tijd een herijking van het flora- en faunaonderzoek plaatsgevonden. dit onderzoek is als bijlage VIIa opgenomen in deze rapportage. In deze toelichting zijn in onderstaande paragrafen de conclusies uit de QuickScan flora en fauna opgenomen. 5.3.1 Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die is vastgelegd in Natuur Netwerk (Nationaal netwerk van verbinden van natuurgebieden) en Natura2000 gebieden (Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk. De provincie NoordBrabant hanteert geen externe werking als het gaat om NNB (Natuur Netwerk brabant).

In Natura 2000-gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Welke gebieden onder Natura 2000 vallen, staat in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland hebben zijn ruim 160 van deze Natura2000-gebieden aangewezen. De provincies zijn verantwoordelijk voor het natuurbeleid en de uitvoering daarvan. Bij nieuwe ontwikkelingen dient aangetoond te worden dat er geen sprak is van een significant negatief effect op Natura2000 gebieden. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is met circa 12 kilometer op relatief grote afstand gelegen. Gezien deze afstand en de aard van de ingreep, sloop van een deel van de agrarische bebouwing en de bouw van een nieuwe woning, valt een significant negatief effect niet te verwachten. Echter is met betrekking tot stikstofdepositie op Natura2000 gebieden significant negatieve effecten op voorhand niet uit te sluiten. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) moet de hoeveelheid stikstof omlaag brengen in die gebieden. Het programma zorgt in natuurgebieden voor natauurbehoud. En daarnaast krijgen economische activiteiten rondom Natura 2000-gebieden meer ruimte. De PAS trad op 1 juli 2015 in werking.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft op 29 mei 2019 (ECLI:RVS:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:RVS:NL:RVS:2019:1604) beslist dat het Programma Aanpak Stikstof niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Voor het project dient aangetoond te worden of relevante stikstofdeposities (> 0,00 mol per ha/jaar) kunnen optreden ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000 gebieden. Met AERIUS calculator kan de stikstofdepositie voor een ruimtelijke

43

ontwikkeling ter plaatse van Natura2000 gebieden in kaart worden gebracht. Uitkomsten tot 0,00 mol per ha/jaar zijn de basis om te kunnen concluderen dat het plan niet vergunningsplichtig is voor de Wet natuurbescherming (Wnb), wat betreft het onderdeel stikstof. Uit de berekening (zie bijlage VII) volgt dat de ontwikkeling een resultaat van 0,00 mol/ha/jaar tot gevolg heeft. Daardoor wordt geconcludeerd dat het initiatief geen significant negatief effect op omliggende Natura2000 gebieden. Gezien uit de worstcase AERIUS berekening (zie bijlage VIII) volgt dat geen (0,00 mol/ha/jaar) stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden plaatsvindt als gevolg van de ontwikkeling. 5.3.2 Soortenbescherming Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. QuickScan flora en fauna 23 april 2019 (bijlage VII) Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde soorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten.

Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels Er zijn twee jaarrond beschermde vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Op de oostelijke erfgrens van de Vinkelsestraat 139 hangen in de hoge eiken twee nestkasten voor de steenuil (Athene noctua). Hiervan is er één kast bezet door een paartje kauwen (Corvus monedula). De andere kast en de stal (nr. 3) zijn afwisselend in gebruik door een paartje steenuilen. Aan de Vinkelsestraat 139 werden tenminste tien huismussen (Passer domesticus) aangetroffen. Deze vogelsoort waarvan de verblijfsplaatsen jaarrond beschermd zijn, maakt vermoedelijk ook gebruik van het pannendak van deze woning. De eerder genoemde stal blijft samen met de woning, de andere bijgebouwen en het omringende leefgebied dat o.a. in gebruik is als paardenweide, behouden. Hierdoor blijft het leefgebied van de steenuil en de huismus behouden. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied.

Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden.

44

Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden.

In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van weilanden en akkers en tuinen van woningen. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de bouw- en sloopwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen. 5.3.3 Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht.

Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren

45

in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. -

Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). 5.3.4. Eindconclusie en advies In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: • de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen; • om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen bouw- en sloopwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd; • nader onderzoek naar een categorie 5 vogelsoort is niet noodzakelijk, omdat in de directe omgeving voldoende alternatieven aanwezig zijn om een nest te bouwen, zoals in de te behouden bijgebouwen; • nader onderzoek naar soorten is niet noodzakelijk; • een ontheffing in het kader van de Wnb (soorten) is niet noodzakelijk; • voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als

het ruimtelijke ingrepen betreft. Checklist natuurvriendelijke maatregelen Bij het ontwerp van het nieuw te bouwen ruimte-voor-ruimtewoning met toekomstig bijgebouw wordt geadviseerd gebruik te maken van de checklist natuurvriendelijke maatregelen aan gebouwen van de Vogelbescherming. Diverse natuurbeschermingsinstanties en bedrijven geven hier meer informatie over. Erfbeplanting Indien er een erfbeplanting is gepland of wordt vernieuwd, adviseren wij deze met inheemse en streekeigen soorten bomen en struiken te realiseren. Informeer hiervoor bij uw provincie of gemeente. QuickScan flora en fauna 3 maart 2021 (bijlage VIIa) Soorten Vogelrichtlijn

46

Vogels met jaarrond beschermde nesten Het plangebied is niet geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten, namelijk de huismus, gierzwaluw, steenuil en kerkuil. Naderonderzoek naar het voorkomen/ gebied gebruiksfuncties van deze soorten wordt niet nodig geacht. Nader onderzoek naar boombewonende soorten welke volgens de vogelrichtlijn beschermd dienen te worden wordt niet nodig geacht door het ontbreken van een geschikt habitat. Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) Het plangebied (de te slopen bebouwingen) is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet jaarrond beschermde nesten, waaronder boerenzwaluw, spreeuw, koolmees, pimpelmees en zwarte roodstaart. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn.

Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. Tijdelijke schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt dient men voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle op de aanwezigheid van nesten uit te voeren. Wanneer nesten aanwezig zijn, dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot de jonge vogels uitgevlogen zijn. Bij twijfel te allen tijde een ecoloog inschakelen. Algemene broedvogels Het plangebied is potentieel geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Zij kunnen nestelen in de bomen en struiken welke aanwezig zijn binnen het plangebied. Schadelijke effecten op algemene broedvogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt dient men voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle op de aanwezigheid van nesten uit te voeren.

Wanneer nesten aanwezig zijn, dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot de jonge vogels uitgevlogen zijn. Bij twijfel te allen tijde een ecoloog inschakelen. Soorten Habitatrichtlijn

47

Vleermuizen De voorgenomen ontwikkelingen kunnen niet leiden tot een negatief effect op vleermuizen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb niet worden overtreden. Aanvullend onderzoek wordt niet nodig geacht. Overige habitatrichtlijnsoorten Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van geschikte habitat. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Nationaal beschermde soorten In het plangebied zijn geen nationaal beschermde soorten aanwezig, waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt, door het ontbreken van een geschikt habitat. Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Noord-Brabant een vrijstelling geldt als egel, konijn en (spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op egel en (spits)muizen zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden.

Aanbevelingen/ natuur-inclusief bouwen Door niet alleen te kijken naar ‘wat er niet is’, is het juist belangrijk om te kijken naar mogelijkheden voor flora en fauna voor- en na de bouw van het nieuwe woonhuis. Er zijn altijd mogelijkheden om (nieuwe)soorten een kans te geven zich te vestigen of in stand te houden in het gebied door kleine aanpassingen. Zo kun je denken aan het ophangen van nestkasten voor onder andere huismussen, maar ook voor mezen, en andere soorten is van alles te verkrijgen. Om vleermuizen een mogelijkheid te bieden zich te vestigen/ in stand te houden in het gebied kunnen vleermuiskasten opgehangen worden tegen de westgevel van de bestaande woning, of er kunnen speciale ‘vleermuispannen’ aangebracht worden. Er zijn speciale vleermuiskasten te koop via internet: www.vivara.nl. Voor de vleermuizen kunnen ook ruimtes open gelaten worden in de overstek welke toegang bieden tot de spouw, zodat ze zich in de spouw kunnen schuilhouden en voortplanten. Het is ook mogelijk nestkasten voor gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen in te metselen in de spouw. Dit heeft geen negatief effect op de isolatiewaarde maar wel een positief effect op de aanwezige soorten in de omgeving. Ook kan ervoor gezorgd worden dat vogels zich onder de nieuwe dakpannen kunnen vestigen, door vogelschroot weg te laten.

Hierdoor kunnen bijvoorbeeld huismussen zich vestigen onder het nieuwe dak. Alles wat hierboven benoemd wordt is geen verplichting of iets wat opgelegd wordt, maar dit zou voor de vogels en vleermuizen in het gebied een welkome verandering zijn en voor ons als mens een kleine moeite!

48

Conclusie Op basis van bovenstaande informatie welke uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, is er geen aanleiding om direct een aanvullend flora- of faunaonderzoek uit te voeren. Er kan op dit moment zonder voorziene problemen begonnen worden de geplande werkzaamheden, het slopen van de stal buiten het broedseizoen. Tijdens werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient te allen tijde een ecoloog ingeschakeld te worden.

5.4

Archeologie Het plangebied ligt volgens de geactualiseerde Archeologische beleidskaart van de gemeente ’s-Hertogenbosch in een zone met een middelhoge archeologische verwachting. De archeoloog van de gemeente ‘s-Hertogenbosch heeft aangegeven dat ter plaatse een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd dient te worden. In opdracht van Reland heeft Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, d.m.v. boringen uitgevoerd op de locatie Vinkelsestraat 139a te Vinkel. In bijlage VIII van deze onderbouwing is het rapport opgenomen dat het archeologisch onderzoek beschrijft – Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, d.m.v. boringen Vinkelsestraat 139a te Vinkel (AM19027). In deze paragraaf zijn enkel de conclusie en aanbevelingen opgenomen. Algemene conclusie Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan het volgende worden gesteld. De aangetroffen gliede(-achtige) laag op het laat-Pleistoceen dekzand kan wijzen op een nu verdwenen veenpakket. Misschien heeft zich een veenpakket gevormd dat later is afgegraven voor de turfwinning. Tot het opbrengen van het bouwlanddek in de 18e of 19e eeuw zal het terrein te vochtig zijn geweest voor een ander landgebruik dan als grasland.

In het mesolithicum en mogelijk ook nog in het neolithicum zal het gebied droog genoeg zijn geweest voor bewoning en landgebruik en was er nog geen sprake van veenvorming. Echter zijn alleen losse vondsten te verwachten in het bouwlanddek. Eventuele archeologische resten in situ kunnen voorkomen in de top van het pakket dekzand. De archeologische verwachting is laag voor resten uit het mesolithicum en neolithicum vanwege hun zeldzaamheid en doordat de top van de bodem in een groot deel van het plangebied in ieder geval oppervlakkig is omgewerkt. Hiermee zullen eventuele vuursteenconcentraties zijn verstoord. Op basis van deze gegevens blijft de lage verwachting uit het bureauonderzoek voor vuursteenvindplaatsen uit de periode laatpaleolithicum tot en met het mesolithicum gehandhaafd. Voor latere landbouwende samenlevingen geldt een lage tot zeer lage archeologische verwachting, aangezien het terrein te nat zal zijn geweest voor bewoning. De middelhoge verwachting uit het bureauonderzoek voor nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met de nieuwe tijd kan op basis van deze gegevens worden bijgesteld naar laag.

o

Beantwoording specifieke onderzoeksvragen Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten? Binnen het plangebied is sprake van laat-Pleistoceen dekzand (Laagpakket van Wierden van de Formatie van Best). Er is een zwakke bodemontwikkeling en als gevolg

49

van vernatting heeft zich direct op dit dekzand gliede-achtig veen gevormd (Formatie van Nieuwkoop). De oorspronkelijke bodem is nergens behouden. Tot het opbrengen van een bouwlanddek in de 18e of 19e eeuw zal het terrein te vochtig zijn geweest voor een ander landgebruik dan als grasland of weiland. Aangezien de top van het dekzand bovendien is omgewerkt, zullen geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. o

In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten? Er is sprake van een zwakke ontwikkeling van de bodem, de top van het dekzand is omgewerkt en er heeft zich veen gevormd op het dekzand. Er is zodoende geen sprake van (intacte) archeologische lagen.

o

Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen? Gezien de afwezigheid van potentieel aanwezige archeologische lagen, zullen de voorgenomen bodemingrepen geen belemmering vormen. Aanbevelingen Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat binnen het plangebied sprake is van een zwakke bodemontwikkeling. Als gevolg van vernatting heeft zich direct op dit dekzand veen gevormd. Het gebied zal te vochtig zijn geweest voor bewoning. Ook is sprake van omwerking in het verleden van de top van het dekzand. Op basis hiervan geldt een lage archeologische verwachting voor alle perioden. Voor het plangebied wordt zodoende geen vervolgonderzoek geadviseerd.

5.5

Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. De naam Vinkel duidt op een vochtige bodem. Deze natte omgeving is een belangrijke reden waarom in Vinkel geen intensieve bewoning is ontstaan in de Middeleeuwen. Pas met de ontginningen in de 19e eeuw nam de bevolking van Vinkel iets in aantallen toe. De bebouwing in Vinkel kenmerkt zich vooral als lintbebouwing langs de grootste doorgaande wegen door het gebied. Hierbij zijn er grote intervallen tussen de afzonderlijke gebouwen. Navolgend figuur geeft de bebouwing in de omgeving van het plangebied weer van rond 1900 (zie figuur 22). Hierop is te zien dat de huidige woning die is aangeduid als functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voormalige bedrijfswoning ter plaatse van Vinkelsestraat 139 zou dateren uit de periode 1906-1908 en dus cultuurhistorisch waardevol zal zijn, echter is deze herbouwd in 1980.

De bedrijfswoning aan Vinkelsestraat 135 betreft een gebouw dat dateert uit 1933. Op

50

figuur 23 is te zien dat er op en rondom het plangebied een aantal oude solitaire bomen aanwezig zijn. Deze bomen zullen worden behouden, daarnaast zullen oude cultuurhistorische elementen worden versterkt of teruggebracht.

Figuur 22: Uitsnede topografische kaart 1900 – Figuur 23: Uitsnede cultuurhistorische (plangebied rood omkaderd)

waardenkaart Provincie Noord-Brabant 2016 – (plangebied rood omkaderd)

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling en draagt zelfs bij aan het behoud van cultuurhistorisch waardevolle elementen. Bij de landschappelijke inpassing (zie hoofdstuk 3.3) is rekening gehouden met het behoud en terugbrengen van cultuurhistorische- en landschappelijke elementen.

5.6

Verkeer Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er op treden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. 5.6.1 Mobiliteit Het herbestemmen van de bedrijfswoningen naar burgerwoningen aan Vinkelsestraat 135 en 139 zal geen negatieve invloed hebben op het aantal verkeersbewegingen. Ter plaatse worden de agrarische bedrijven gestaakt en in de toekomst enkel gebruikt ten behoeve van wonen. Hierdoor zal per saldo het aantal verkeersbewegingen verlagen, doordat er geen leveranciers en andere bedrijf gerelateerde verkeersbewegingen meer plaatsvinden. Ter plaatse van de Vinkelsestraat 139a wordt een ruimte-voorruimtewoning gerealiseerd. Deze nieuwe vrijstaande woning heeft een verkeersaantrekkende werking van gemiddeld 7 motorvoertuigen per etmaal. Hiermee zal het aantal verkeersbewegingen dus licht stijgen. Echter kan gezien de kleinschaligheid van het initiatief de Vinkelsestraat dit aantal verkeersbewegingen verwerken en behoeft deze geen aanpassingen. Het aspect verkeer levert dan ook geen belemmeringen op voor onderhavig plan. 51

5.6.2 Parkeren Conform de ‘Nota parkeernormering 2016 – auto en fiets’ van de gemeente ’s-Hertogenbosch is er per woning ter grootte van 80 – 150 m2 in het buitengebied 1,9 parkeerplaatsen benodigd. Is een woning groter dan 150 m 2, dan wordt voor het buitengebied een parkeernorm van 2,1 parkeerplaatsen per woning gehanteerd. Parkeren dient hierbij te geschieden op eigen terrein. Voor onderhavig plan betekent dit dat ter plaatse van Vinkelsestraat 135 en 139a, 3 parkeerplaatsen per woning benodigd zijn. Ter plaatse van Vinkelsestraat 139, zijn 2 parkeerplaatsen benodigd. De kavels behorende bij de ontwikkelingen zijn voldoende groot om te voorzien in deze parkeerbehoefte. Het aspect ‘parkeren’ levert geen problemen op voor onderhavig plan.

5.7

Energie & duurzaamheid Binnen de gemeente ’s-Hertogenbosch is energiebeheer – binnen het begrip duurzaamheid - een belangrijk speerpunt. De gemeente ‘s-Hertogenbosch heeft doelen gesteld om te komen tot een klimaat neutrale gebouwde omgeving in 2035, met in 2050 een volledig klimaat neutrale gemeente. De gemeente neemt hierin verantwoordelijkheid om invulling te geven aan een belangrijke maatschappelijke opgave. De gemeentelijke energie-ambitie en -doelstellingen zijn vastgelegd in het ‘Energie-transitieprogramma 's-Hertogenbosch 2016-2020’, vastgesteld door de gemeenteraad op 31 januari 2017. Ook het recente bestuursakkoord (2018-2022) stelt dat de gemeente een flinke stap wil zetten in het verduurzamen van de gemeente. De ontwikkelingen aan de Vinkelsestraat 135, 139 en 139a dragen bij aan deze doelstellingen. De te realiseren ruimte-voor-ruimtewoning zal conform de duurzaamheidskenmerken en eisen van de gemeenten worden gerealiseerd (isolatie, 0-op de meter, zonnepanelen, gasloos, e.d.). Daarnaast wordt de woning zo gesitueerd dat de daken optimaal benut kunnen worden voor de opwekking van zonne-energie. Daarnaast worden de stallen gesloopt, wat een positief effect zal hebben op de omgevingskwaliteit en het milieu in de omgeving.

52

HOOFDSTUK

6 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

6.1

Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van één Ruimte-voor-Ruimtewoning en het omzetten van een agrarisch bedrijf naar twee woonbestemmingen. Vanwege de realisatie van de Ruimte-voor-Ruimtewoning is het plan exploitatieplanplichtig. In het onderhavige geval wordt het kostenverhaal anderszins verzekerd.

De gemeente ‘sHertogenbosch sluit met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst af, waarin de verantwoordelijkheid voor gemaakte kosten wordt vastgelegd. De exploitatie is op deze manier anderszins verzekerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing. Dit artikel geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 6.2.1 Inspraak en vooroverleg De wet regelt dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De gemeente ’s-Hertogenbosch zal het bestemmingsplan conform het wettelijk verplichte vooroverleg voorleggen aan het waterschap Aa en Maas en de provincie Noord-Brabant. 53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10609921/1