058db5cc-810e-429b-a828-44517efd1647
Tekst van het document
Bestemmingsplan Vinkelsestraat Toelichting 135, 139 en 139a Herontwikkeling Vinkelsestraat 135, 139 en 139a gemeente ’s-Hertogenbosch
Gemeente ‘s-Hertogenbosch
1
Colofon Rapport: Rapportnummer: 2018.0221 Status: ontwerp Datum: 2-6-20212 juni 2021
Projectlocatie Vinkelsestraat 135, 139 en 139a 5383 KK Vinkel Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland-AvD
© juni 2021 Reland Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.
2 2
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding ................................................................................................................ 1 1.1
Aanleiding ............................................................................................................ 1
1.2
Begrenzing plangebied ........................................................................................ 2
1.3
Leeswijzer ............................................................................................................ 2
Hoofdstuk 2 Huidige situatie omgeving .................................................................................... 4 2.1
Inleiding ................................................................................................................ 4
2.2
Beschrijving locatie en ligging in de gemeente ‘s-Hertogenbosch ...................... 4
2.3
Ruimtelijke structuur ............................................................................................ 6
2.5
Functionele structuur ........................................................................................... 7
2.6
Geldend bestemmingsplan .................................................................................. 7
Hoofdstuk 3 Planbeschrijving ................................................................................................... 9 3.1
Ontwikkeling ......................................................................................................... 9
3.2
Mogelijkheden bestemmingsplan ...................................................................... 11
3.3
Landschappelijke inpassing ............................................................................... 13
HOOFDSTUK 4 Beleidskader ................................................................................................ 16 4.1
Rijksbeleid .......................................................................................................... 16
4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ............................................................ 16 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening .................................................. 17 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking ............................................................. 17 4.2
Provinciaal beleid ............................................................................................... 18
4.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Noord-Brabant ....................................... 18 4.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ................................................ 20 4.3
Gemeentelijke beleid ......................................................................................... 23
4.3.1 Structuurvisie Buitengebied Gemeente Maasdonk 2009 ................................. 23 HOOFDSTUK 5 Omgevingsaspecten .................................................................................... 27 5.1
Milieu .................................................................................................................. 27
5.1.1 M.e.r. plicht ....................................................................................................... 27 5.1.2 Bodem .............................................................................................................. 27 5.1.3 Lucht ................................................................................................................. 28 5.1.4 Geur ................................................................................................................. 31 5.1.5 Geluid ............................................................................................................... 34 5.1.6 Externe veiligheid ............................................................................................. 34
3
5.1.7 Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 35 5.1.8 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen .................................................. 36 5.1.9 Kabels en leidingen .......................................................................................... 40 5.2
Water.................................................................................................................. 41
5.3
Natuur ................................................................................................................ 43
5.3.1 Gebiedsbescherming ....................................................................................... 43 5.3.2 Soortenbescherming ........................................................................................ 44 5.3.3 Zorgplicht .......................................................................................................... 45 5.3.4. Eindconclusie en advies .................................................................................. 46 5.4
Archeologie ........................................................................................................ 49
5.5
Landschap en cultuurhistorie ............................................................................. 50
5.6
Verkeer............................................................................................................... 51
5.6.1 Mobiliteit ........................................................................................................... 51 5.6.2 Parkeren ........................................................................................................... 52 5.7
Energie & duurzaamheid ................................................................................... 52
HOOFDSTUK 6 Uitvoerbaarheid ............................................................................................ 53 6.1
Economische uitvoerbaarheid ........................................................................... 53
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 53
6.2.1 Inspraak en vooroverleg ................................................................................... 53 6.2.2 Omgevingsdialoog............................................................................................ 56 6.2.3 Ontwerp bestemmingsplan .............................................................................. 56
Bijlage I Bijlage II Bijlage III Bijlage IV Bijlage V Bijlage VI Bijlage VII Bijlage VIIa Bijlage VIII Bijlage VIIIa Bijlage IX Bijlage X Bijlage XI
Landschappelijke inpassing Bewijsstuk RvR Verkennend bodemonderzoek Akoestisch onderzoek optredende voorgrondbelastingen QuickScan externe veiligheid Waterparagraaf QuickScan flora en fauna 2019 QuickScan flora en fauna 2021 Toelichting Stikstofdepositieonderzoek Stikstofdepositieberekening Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek Omgevingsdialoog Advies Veiligheidsregio Externe veiligheid Vinkelsestraat 135, 139 en 139a te Vinkel
4
Hoofdstuk 1.1
1 Inleiding
Aanleiding Aan de Vinkelsestraat 135 en 139a zijn twee agrarische bedrijven gelegen. Voor beide adressen is een agrarisch bouwvlak met een aanduiding ‘Intensieve veehouderij’ opgenomen. Voor de woning op het adres Vinkelsestraat 139 is een functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voormalige bedrijfswoning’ opgenomen. De woning is daardoor onderdeel van de agrarische inrichting, gevestigd op Vinkelsestraat 139a. De bewoners van de woning op Vinkelsestraat 139 zijn echter niet de eigenaar van het agrarisch bedrijf, waardoor sprake was van een strijdige situatie (bewoning van een bedrijfswoning door derden). De woning is in 2012 in het bestemmingsplan aangeduid als ‘specifieke vorm van agrarisch - voormalige bedrijfswoning’, gebaseerd op de wet plattelandswoning. Door het opnemen van deze aanduiding is bewoning van de woning door derden mogelijk. Desondanks blijft de woning onderdeel uitmaken van de agrarische inrichting, gevestigd op het agrarische bouwvlak aan Vinkelsestraat 139a. Er is sprake van één agrarisch bouwvlak met twee eigenaren, één eigenaar van de woning en één eigenaar van het overige (bedrijfsmatige deel) van het bouwvlak. De eigenaar van het agrarische bedrijfsgedeelte van het bouwvlak op de locatie Vinkelsestraat 139a is dezelfde eigenaar als het agrarisch bedrijf gevestigd op Vinkelsestraat 135.
Deze eigenaar is voornemens om de agrarische bedrijven te staken en te saneren. De huidige bedrijfsbebouwing op beide bouwvlakken zal voor het grootste deel worden gesloopt en gesaneerd. De bedrijfswoning (135) en de huidige woning (specifieke vorm van agrarisch - voormalige bedrijfswoning) op nummer 139 blijven behouden. Omdat de agrarische bedrijfsbestemming verdwijnt dienen de beide woningen voorzien te worden van een nieuwe passende bestemming. In dit geval is dat de bestemming ‘wonen’. Om een deel van de kosten voor sloop en sanering te kunnen dragen wenst de initiatiefnemer een woning te realiseren op het perceel aan de Vinkelsestraat 139a, nadat de hier aanwezige stal gesloopt is. Om een woning te kunnen realiseren dient de bestemming gewijzigd te worden. De gemeente ’s-Hertogenbosch heeft aangegeven dat zij medewerking wenst te verlenen aan de sloop en sanering van de veehouderijbedrijven en de realisatie van een nieuwe woning ter plaatse van de stal aan Vinkelsestraat 139a. Om een woning in het buitengebied te kunnen realiseren dient deel te worden genomen aan de Ruimte-voor-Ruimteregeling. In ruil voor de sloop en sanering van een varkensof pluimveehouderij, kan op een “planologisch aanvaardbare plek” een woning worden gebouwd. De gemeente ’s-Hertogenbosch heeft beoordeeld dat de woningbouwlocatie planologisch aanvaardbaar is.
Echter voldoet het huidig aanwezige agrarische bedrijf niet aan de voorwaarden voor de Ruimte-voor-Ruimteregeling. Ondanks het feit dat het huidige agrarische bedrijf moet stoppen om de woning mogelijk te maken, dient elders een Ruimte-voor-Ruimtetitel te worden verworven. Op een andere plek in Brabant is voldaan aan de Ruimte-voor-Ruimtevoorwaarden en is een bouwtitel gecreëerd. Die titel wordt op deze plek ingezet als onderdeel van de procedure. 1
De ontwikkeling ziet er concreet als volgt uit: -
-
Het agrarisch bedrijf ter plaatse van Vinkelsestraat 135 en 139a wordt gestaakt; ter plaatse van Vinkelsestraat 139 wordt de woning met de aanduiding specifieke vorm van agrarisch - voormalige bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning; ter plaatse van Vinkelsestraat 139a wordt de huidige bedrijfsbebouwing gesloopt en wordt op de plek van de huidig aanwezige stal, een nieuwe burgerwoning, middels de ruimte-voor-ruimteregeling, gerealiseerd; Het agrarisch bouwvlak aan Vinkelsestraat 139/139a komt te vervallen; De bedrijfsbebouwing van het agrarische bedrijf aan Vinkelsestraat 135 wordt gesloopt; Het agrarische bouwvlak komt te vervallen en ter plaatse van de bedrijfswoning wordt de bestemming ‘wonen’ opgenomen.
Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient een bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen. Onderliggend document betreft de ruimtelijke onderbouwing, die als toelichting aan het bestemmingsplan wordt toegevoegd. In dit document wordt het plan toegelicht, gemotiveerd en onderbouwd.
1.2
Begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente ’s-Hertogenbosch, op circa 1 kilometer ten oosten van de kern Vinkel. Het plangebied is in figuur 1 op de volgende pagina weergegeven.. Het plangebied omvat de percelen aan de Vinkelsestraat 139 (in figuur 1 aangegeven als: A), 139a (in figuur 1 aangegeven als: B) en 135 (in figuur 1 aangegeven als: C) te Vinkel. Kadastraal staat het plangebied bekend als gemeente Nuland, sectie E, nummers 2061, 2062, 2461 (gedeeltelijk) en 2462. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van circa 24.000 m 2.
1.3
Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan bestaat uit zes hoofdstukken en enkele bijlagen. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie. In hoofdstuk 3 wordt de gewenste situatie beschreven. Vervolgens is in hoofdstuk 4 een toets op het relevante Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid beschreven. Hoofdstuk 5 beschrijft de milieutechnische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Tot slot voorziet hoofdstuk 6 in de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
2
1a
Vinkel
1b Figuur 1: Uitsnede luchtfoto met kadastrale percelen. (plangebied rood omcirkeld in figuur 1a) – (plangebied blauw gearceerd in figuur 1b).
3
Hoofdstuk 2.1
2 Huidige situatie omgeving
Inleiding In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de omgeving waarin het plangebied zich bevindt. De beschrijving richt zich op de huidige structuren, kenmerken, functies en waarden van de omgeving van het plangebied.
2.2
Beschrijving locatie en ligging in de gemeente ‘s-Hertogenbosch Het plangebied is, zoals eerder aangegeven, gelegen aan Vinkelsestraat 135, 139 en 139a te Vinkel in de gemeente ’s-Hertogenbosch. Het plangebied ligt in het oosten van de gemeente ’s-Hertogenbosch. Het plangebied ligt tussen de kern Vinkel en de kern Heesch (gemeente Bernheze). In figuur 2 is de ligging van het plangebied in de gemeente ’s-Hertogenbosch weergegeven.
Figuur 2 Ligging plangebied binnen de gemeente 's-Hertogenbosch
In feite is het plangebied te verdelen in de locatie Vinkelsestraat 135, welke direct aan de hoofdweg wordt ontsloten en Vinkelsestraat 139 en 139a die via een doodlopende weg (welke onderdeel is van de Vinkelsestraat) aansluiting vinden bij de Vinkelsestraat. Op de locatie Vinkelsestraat 135 is een mestkalverenbedrijf met bedrijfswoning gevestigd. Ter plaatse van het agrarisch bouwvlak aan Vinkelsestraat 139 en 139a is een intensieve veehouderij aanwezig, welke reeds al langere tijd is gestaakt, maar waarvan de bebouwing nog aanwezig is. De bedrijfswoning ter plaatse van Vinkelsestraat 139 is echter niet in gebruik als bedrijfswoning, maar wordt bewoond door derden (mensen die niet werkzaam zijn op het agrarisch bedrijf). Naast de woning zijn op het perceel enkele stallen aanwezig. Het plangebied bestaat in feite uit drie 4
delen. Hieronder worden deze drie delen afzonderlijk toegelicht. In figuur 1 en 3 zijn de drie delen onderscheiden op kaart. Vinkelsestraat 139, 5383KK Vinkel (Locatie A – zie figuur 3) De woning ter plaatse van de Vinkelsestraat 139 betrekt het perceel dat bekend staat als gemeente Nuland, sectie E, nummer 2061. Het perceel heeft een oppervlakte van 3.575 m2. De woning is gebouwd in 1906 (na een brand herbouwd in 1947) en de bedrijfsgebouwen komen uit respectievelijk 1955, 1973 en 1976 1. Vinkelsestraat 139a, 5383KK Vinkel (Locatie B – zie figuur 3) Dit perceel staat bekend als gemeente Nuland, sectie E, nummer 2062 en 2630 en heeft een oppervlakte van 8.745 m2.. Op het perceel is een in 1975 gebouwde stal aanwezig. Vinkelsestraat 135, 5383KK Vinkel (Locatie C – zie figuur 3) Het bedrijf inclusief bedrijfswoning op deze locatie betrekt twee percelen die kadastraal bekend staan als gemeente Nuland, sectie E, nummers 2462 (2.998 m²) en gedeeltelijk 2461 (21.452 m²). Deze percelen hebben gezamenlijk een oppervlakte van 24.450 m 2, echter is het bouwvlak beperkt tot 11.663 m². De bedrijfswoning is gebouwd in 1933. De bedrijfsgebouwen komen uit respectievelijk 1983, 1984, 1984 en 1996.A
Figuur 3 Percelen en bebouwing planlocatie.
1
Bron: www.planviewer.nl
5
2.3
Ruimtelijke structuur Het plangebied is gesitueerd op circa 1 kilometer ten oosten van de kern Vinkel, in het buitengebied van de gemeente ’s-Hertogenbosch (zie figuur 4). De Vinkelsestraat, waar het plangebied aan gelegen is, loopt vanuit het westen bij de kern Vinkel richting het oosten / noordoosten naar de kern Heesch.
Figuur 4 Topografische ligging van het plangebied (rood omkaderd).
De Vinkelsestraat is de dorpsverbindingsweg tussen de kernen Vinkel en Heesch. Daarnaast ontsluit de Vinkelsestraat enkele zijwegen richting achterliggend landelijk gebied. De Vinkelsestraat heeft een landelijk en redelijk groen karakter met aan de zuidzijde een groenstrook met bomen grenzend aan het agrarische land en aan de noordzijde een groenstrook met een lage heg en een fietspad welke ook grenst aan agrarisch land. Langs de gehele Vinkelsestraat ligt bebouwing met diverse doorzichten naar het achterliggende landschap. Hierdoor ontstaat een afwisselend beeld van open en gesloten, wat kenmerkend is voor het landelijk karakter van de Vinkelsestraat.
6
2.5
Functionele structuur De Vinkelsestraat wordt gekenmerkt door voornamelijk bebouwing ten behoeve van wonen (zie figuur 3) op het platteland, een voetbalclub, niet-agrarische bedrijven en agrarische bedrijfsbebouwing.. De bebouwing aan de Vinkelsestraat bestaat uit een mix van (voormalige) bedrijfswoningen, agrarische bedrijven met bijbehorende bebouwing en nieuwbouwwoningen. De bestaande woningen in de omgeving variëren sterk van omvang, welke kan oplopen tot 1000 m3.
Figuur 5 Functies rondom het plangebied. (groen = agrarisch, geel = wonen en paars = bedrijf).
2.6
Geldend bestemmingsplan Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Maasdonk 2012’, vastgesteld op 29 januari 2013, van de gemeente Maasdonk vigerend. Conform dit bestemmingsplan is het hele plangebied bestemd als ‘Agrarisch met waarden – landschapswaarden’ (zie figuur 6). Ter plaatse is sprake van twee bouwvlakken met voor beide de aanduiding ‘intensieve veehouderij’. De gronden mogen gebruikt worden voor de exploitatie van agrarische bedrijvigheid. In dit geval specifiek voor intensieve veehouderij (vleeskalverhouderij). De bedrijfsbebouwing mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht. Daarnaast mag per agrarisch bedrijf een bedrijfswoning worden gerealiseerd of aanwezig zijn. Bedrijfswoningen mogen in principe alleen bewoond worden door mensen die werkzaam zijn op het bedrijf. Wanneer de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voormalige bedrijfswoning’ is opgenomen, mag de woning door derden (mensen die niet werkzaam zijn op het bedrijf) worden bewoond. Er geldt dan een ander beschermingsregime ten opzichte van een burgerwoning. De woning blijft onderdeel van de inrichting. Op de woning aan Vinkelsestraat 139 is een deze aanduiding van toepassing.
7
Figuur 6 Uitsnede bestemmingsplan met percelen plangebied omkaderd.
8
Hoofdstuk 3.1
3 Planbeschrijving
Ontwikkeling De initiatiefnemer heeft het voornemen om het agrarische bedrijf ter plaatse van de Vinkelsestraat 135 en 139a te beëindigen. De bedrijfswoning die bij de locatie Vinkelsestraat 135 hoort wensen zij dan ook om te zetten naar een burgerwoning, hierbij wordt de overtollige bebouwing gesloopt en gesaneerd. Door de beëindiging van dit agrarische bedrijf zal ook de woning aan Vinkelsestraat 139 met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voormalige bedrijfswoning’ omgezet moeten worden naar een burgerwoning zodat de huidige eigenaren en tevens bewoners hier kunnen blijven wonen. Daarnaast zijn de initiatiefnemers voornemens om een woning in het kader van de Ruimte-voor-Ruimteregeling te realiseren ter plaatse van de huidige stal aan de Vinkelsestraat 139a. De nieuwe situatie betreft 3 burgerwoningen met bestemmingsvlak ‘wonen’. In figuur 7 is het voorstel van de nieuwe situatie weergegeven. Concreet betekent dit het volgende: - Voor Vinkelsestraat 139 is een bestemmingsvlak ‘wonen’ opgenomen van circa 2.420 m² - locatie A; - Voor Vinkelsestraat 139a is een bestemmingsvlak ‘wonen’ van circa 1.500 m² opgenomen – locatie B; - Voor Vinkelsestraat 135 is een bestemmingsvlak ‘wonen’ opgenomen van circa 2.462 m² - locatie C. In figuur 8 en 9 is aangegeven welke gebouwen behouden blijven en welke gebouwen gesloopt gaan worden.
9
Figuur 7. Voorstel nieuwe situatie.
Woning Bijgebouw Te slopen bebouwing
3
Figuur 8. Te behouden en te slopen bebouwing Vinkelsestraat 135. (C)
10
Woning Bijgebouwen Te slopen bebouwing
Figuur 9. Te behouden en te slopen bebouwing Vinkelsestraat 139(A) en 139a.(B)
Ter plaatse van de Vinkelsestraat 135 wordt 1.012 m2 aan bedrijfsgebouwen gesloopt. Ter plaatse van de Vinkelsestraat 139a zal 333 m2 aan gebouwen gesloopt worden. In totaal komt de te slopen oppervlakte aan bedrijfsbebouwing op 1.345 m2. Bij de bestaande woningen aan Vinkelsestraat 135 en 139 blijven bijgebouwen behouden. Naast de te behouden bebouwing wordt een ruimte-voor-ruimte woning gerealiseerd met een maximale inhoud van 750 m3 en een bijbehorend bijgebouw ter grootte van 100 m2 ter plaatse van de te slopen stal van Vinkelsestraat 139a.
3.2
Mogelijkheden bestemmingsplan Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden om een nieuwe woning te realiseren. Om die reden is het noodzakelijk een zogenaamde buitenplanse (bestemmingsplan) procedure te doorlopen. In het bestemmingsplan is wel een mogelijkheid opgenomen om een agrarische bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning. In artikel 31.2 is aangegeven onder welke voorwaarden het mogelijk is om de bedrijfswoningen om te zetten naar een burgerwoning. Onderstaand zijn deze voorwaarden opgenomen. Burgemeester en wethouder zijn bevoegd (voormalige) bedrijfswoningen te wijzigen in de bestemming 'Wonen', met dien verstande dat: a. de wijziging niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied'; Het plangebied is gelegen binnen de aanduiding ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
11
b. voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 20; Artikel 20 heeft betrekking op de bestemming ‘Wonen’. Aan de regels van de bestemming ‘wonen’ wordt voldaan met dit plan. c. overtollige bebouwing dient te worden gesloopt, met dien verstande dat indien het gezamenlijke oppervlak van vrijstaande bijgebouwen meer bedraagt dan 100 m2 mag, bij sloop van de vrijstaande bijgebouwen, de toegestane oppervlakte aan bijgebouwen worden verhoogd met 50% van de te slopen oppervlakte aan bijgebouwen. Het maximaal toegestaan gezamenlijk oppervlak van vrijstaande bijgebouwen bedraagt, na sloop, 200 m2 per woning; In figuur 8 en 9 is aangegeven welke bebouwing wordt gesloopt. Ter plaatse van het agrarisch bouwvlak van Vinkelsestraat 139A wordt 333 m 2 gesloopt. De bebouwing die als bijgebouwen toebehoort aan de woning aan Vinkelsestraat 139 blijft behouden. Ter plaatse van het agrarische bouwvlak aan Vinkelsestraat 135 wordt 1.012 m2 aan bedrijfsbebouwing gesloopt en blijft circa 60 m2 aan bijgebouwen behouden. In totaal wordt 1.345 m2 gesloopt. Op basis van de surplusregeling uit het bestemmingsplan kan er in totaal 400 m 2 bijgebouwen worden toegestaan. Hiervan wordt 250 m2 planologisch toegekend aan nr. 139 en 150 m2 aan nr. 135. Voor de ruimte-voor-ruimte woning geldt een eigen regime en wordt 100 m2 opgenomen. d.
de agrarische dan wel niet-agrarische bedrijvigheid is beëindigd; Ter plaatse worden twee agrarische bedrijven beëindigd. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. e. indien sprake is van een voormalige boerderij, mag de agrarische verschijningsvorm van de voormalige boerderij niet wezenlijk worden aangetast; Er worden geen bouwkundige aanpassingen gedaan aan de huidige bedrijfswoningen, waardoor de huidige verschijningsvorm ongewijzigd blijft. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. f. indien de gronden zijn voorzien van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' gehandhaafd dient te worden; Er is geen sprake van een aanduiding cultuurhistorische waarden’. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. g. de belangen van omliggende agrarische bedrijven mogen door de wijziging niet worden aangetast; In het kader van de haalbaarheid van het plan zijn diverse onderzoeken uitgevoerd, waarmee is aangetoond dat de ontwikkeling niet zorgt voor een belemmering van omliggende agrarische bedrijven. In hoofdstuk 5 is dit per onderdeel toegelicht. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. h. uit onderzoek is gebleken dat sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat voor wat betreft het aspect geur;
12
In paragraaf 5.1.4 van onderhavige bestemmingsplan zijn de resultaten van het geuronderzoek opgenomen, waaruit blijkt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. i. uit akoestisch onderzoek is gebleken dat kan worden voldaan aan het gestelde bij of krachtens de Wet geluidhinder ten aanzien van de geluidsbelasting op de gevel van de gesplitste woningen; In hoofdstuk 5 is de conclusie van het akoestisch onderzoek opgenomen. Daaruit blijkt dat de geluidsbelasting op de gevel conform de Wgh acceptabel is. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. j. uit milieukundig en cultuurhistorisch bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik; Ten aanzien van deze ontwikkeling is een bodemonderzoek uitgevoerd. Uit de resultaten van dat onderzoek blijkt dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. k. het aantal woningen mag niet worden vermeerderd; Doordat er één woning wordt toegevoegd (Vinkelsestraat 139a) kan geen gebruik worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid. Voor Vinkelsestraat 135 zou dit wel het geval kunnen zijn. Desondanks wordt aan alle andere voorwaarden voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de ontwikkeling acceptabel is en in combinatie met het positieve principebesluit een buitenplanse procedure doorlopen kan worden.
3.3
Landschappelijke inpassing In deze paragraaf wordt de landschappelijke inpassing van het initiatief in de omgeving beschreven. In bijlage I is het volledige rapport waarin de landschappelijke inpassing wordt beschreven opgenomen, in deze paragraaf is enkel een visualisatie opgenomen.
13
Figuur 10 landschappelijke inpassing
14
Beeldkwaliteit In de regels van het bestemmingsplan zijn maatvoeringregels opgenomen ten aanzien van de nieuw op te richten bebouwing. Het gaat daarbij om goot- en nokhoogte, inhoud en nokrichting. Voor de nieuw op te richten bebouwing (de Ruimte-voor-Ruimtewoning aan Vinkelsestraat 139a) geldt dat deze in de vorm van een schuurwoning wordt opgericht. De schuurwoning kenmerkt zich door eenvoud en functionaliteit. Dit vertaald zich in een sobere vormgeving en detaillering. Het materiaalgebruik is streekeigen met bij voorkeur de gevels in aardetinten en donkere daken. Het bijgebouw is ondergeschikt aan de woning.
15
HOOFDSTUK 4.1
4 Beleidskader
Rijksbeleid 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze structuurvisie wordt een samenhangende visie gegeven op het Nederlands Rijk tot 2040. Kernwoorden in het SVIR zijn concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De belangrijkste verandering is het terugtreden van de Rijksoverheid op het gebied van ruimtelijke ordening. Lagere overheden, waaronder provincies en gemeenten krijgen een grotere rol volgens het principe ‘decentraal, tenzij…’. De gebruiker moet weer centraal komen te staan. Het Rijksbeleid richt zich daarom op het vereenvoudigen van de regelgeving. Hierdoor zal de bestuurlijke druk afnemen en ontstaat ruimte voor regionaal maatwerk. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. Het Rijk versterkt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit. Het Rijk heeft drie streefdoelen geformuleerd waaraan 13 nationale belangen zijn gekoppeld. Het Rijk heeft voor heel Nederland twee nationale doelen gesteld (nummer 4 en nummer 8).
Daarin wordt gesteld dat efficiënt gebruik van de ondergrond van belang is (zorgvuldig ruimtegebruik) en het verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water), bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. De overige doelen en belangen zijn geografisch weergegeven in de Nationale hoofdstructuur. Het plangebied is binnen een onderdeel van de Nationale Hoofdstructuur gelegen. Hierdoor zijn in dit geval naast de algemene regels, ook de aanvullende regels vanuit dit nationaal belang van belang. De planlocatie ligt in dit geval binnen het ‘Radar verstoringsgebied’, hierdoor zijn er in dit gebied beperkte mogelijkheden voor windmolens en hoge gebouwen. Conclusie Met de realisatie van de ruimte-voor-ruimtewoning, de herbestemming, de bedrijfswoning en de herbestemming van de woning met de aanduiding ’specifieke vorm van agrarisch – voormalige agrarische bedrijfswoning’ twee bedrijfswoningen en het slopen van de overtollige bebouwing dienen de regels met betrekking tot zorgvuldig ruimtegebruik in acht te worden genomen. De provincie en de gemeente ’sHertogenbosch hebben in die lijn beleidsregels vastgesteld waarbinnen mogelijkheden zijn om een ruimte-voor-ruimtewoning te ontwikkelen en de herbestemming te voltrekken. Wanneer de ontwikkeling conform die regels wordt gerealiseerd is deze in overeenstemming met de SVIR.
Voor een deel vindt er hergebruik van de bebouwing plaats en wordt de overtollige bebouwing gesaneerd, daarnaast wordt er een ruimtevoor-ruimte woning opgericht ter plaatse van een te saneren stal. De woning zal door het saneren van de stal, landschappelijke- en stedenbouwkundige inpassing in relatie staan tot de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen hoogbouw welke 16
van invloed zou kunnen zijn op het ‘radar verstoringsgebied’ waarbinnen het plangebied ligt. Dit nationale belang wordt dus geborgd en vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'neetenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. In dit geval wordt gebruik gemaakt van een buitenplanse procedure, de ontwikkeling wordt buiten het bestemmingsplan om mogelijk gemaakt doordat de ontwikkeling passend is binnen het provinciale beleid.
Voor het overige worden er geen toevoegingen of overwegingen gemaakt om extra mogelijkheden of een gradatie in mogelijkheden op te nemen. Het Barro is dan ook niet relevant voor deze ontwikkeling. Conclusie Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt in onderhavig bestemmingsplan die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Daarnaast is de ontwikkeling van kleinschalige aard waardoor verdere toetsing aan het Barro niet noodzakelijk is. 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4, efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik. De Ladder is ervoor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik.
17
In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en zelfs in sommige gevallen kwantitatief kan zijn. Planologische gebruikswijzigingen zonder een toename van bouwmogelijkheden kwalificeren in deze niet als Ladderplichtige stedelijke ontwikkelingen. De gebruikswijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning kwalificeert in dit geval dus niet als een ladderplichtige stedelijke ontwikkeling. Ook de realisatie van één enkele ruimte-voor-ruimtewoning is niet Ladderplichtig. ruimte-voor-ruimteregelingen hebben namelijk geen extra verstedelijking tot gevolg, maar reduceren of verplaatsen bebouwing, waardoor dit niet gezien wordt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. Daarnaast rekent de Ladder voor stedelijke ontwikkeling een ontwikkeling van woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen als een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is, dit is voor de ontwikkeling van één woning dus niet het geval. Conclusie Op basis van twee punten is geconcludeerd dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling; 1. Met het omzetten van bedrijfswoningen naar burgerwoning is sprake van een functiewijziging die niet substantieel is en geen extra ruimtebeslag tot gevolg heeft; 2.
Door middel van gebruikmaking van de Ruimte-voor-Ruimteregeling is elders een substantiële afname van bebouwing. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet relevant voor deze ontwikkeling.
4.2
Provinciaal beleid 4.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Noord-Brabant Op 1 oktober 2010 hebben Provinciale Staten de structuurvisie ruimtelijke ordening voor de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Sinds de vaststelling van de Structuurvisie RO in 2010 hebben PS diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn nu vertaald in de ‘Structuurvisie RO 2010 – partiële herziening 2014’ welke op 7 februari 2014 is vastgesteld. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De Structuurvisie is een uitvloeisel van de Wro en is één van de vier strategische plannen van de provincie. Hierin worden de provinciale ruimtelijke belangen benoemd en de wijze waarop de provincie deze belangen behartigt. Ook de instrumenten die de provincie inzet om deze doelen te bereiken, staan in de structuurvisie beschreven. De provincie heeft in de structuurvisie 14 ruimtelijke belangen geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Regionale contrasten; Een multifunctioneel landelijk gebied; Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; Een betere waterveiligheid door preventie; Koppeling van waterberging en droogtebestrijding; Duurzaam gebruik van de ondergrond; 18
7. Ruimte voor duurzame energie; 8. Concentratie van verstedelijking; 9. Sterk stedelijk netwerk: BrabantStad; 10. Groene geledingszones tussen steden; 11. Gedifferentieerd aanbod aan goed bereikbare recreatieve vrijetijdsvoorzieningen; 12. Economische kennisclusters; 13. (Inter)nationale bereikbaarheid; 14. Beleefbaarheid stad en land vanaf de hoofdinfrastructuur. De ruimtelijke belangen zijn voor een groot deel geografisch gevisualiseerd in de structurenkaart waardoor helder wordt welke belangen de provincie op welke plek plaatst. Structurenkaart Onderhavige locatie is op de structurenkaart behorende bij de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gelegen binnen de hoofdzone ‘Landelijk gebied’. De zone landelijk gebied is onderverdeeld in twee perspectieven, namelijk het ‘gemengd landelijk gebied’ en het ‘accentgebied agrarische ontwikkeling’. Uit de structurenkaart komt naar voren dat het plangebied gelegen is binnen het ‘Gemengd landelijk gebied’ (zie figuur 11).
Figuur 11: Uitsnede structurenkaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant. (plangebied rood omkaderd).
De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties et cetera. Dit kan door verbreding van
19
agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen. Ontwikkelingen zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme, passen qua aard, schaal en functie bij de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten. 4.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In de structuurvisie is het provinciale belang voor de verschillende gebieden en functies in de provincie Noord-Brabant aangegeven. Deze provinciale belangen worden geborgd door de regels die opgenomen zijn in de Interim omgevingsverordening NoordBrabant. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgesteld op 25 oktober 2019. Onderliggend plan is getoetst aan deze omgevingsverordening. Allereerst gelden er voor ieder plan de algemene regels uit artikel 3 uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Artikel 3 voorziet in een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (3.5), zorgvuldig ruimtegebruik (3.6), meerwaardecreatie (3.8) en kwaliteitsverbetering van het landschap (3.9).
De Interim omgevingsverordening maakt onderscheid in een aantal instructieregels voor gemeenten voor bepaalde thema’s, namelijk: -
Stedelijke ontwikkeling en erfgoed; Natuur en stiltegebieden; Grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging; Basiskaart Landelijk gebied; Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen.
Om deze instructieregels voor gemeenten duidelijk weer te geven voor locaties, zijn er bijbehorende kaarten opgesteld. Ook voor de beleidsbeoordeling van onderhavig plangebied en bijbehorende ontwikkelingen zijn deze kaarten van belang. Voor het plangebied zijn de kaarten behorende bij ‘stedelijke ontwikkeling en erfgoed’, ‘natuur en stiltegebieden’ en ‘grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging’ niet relevant, omdat voor deze thema’s in dit gebied geen aanduidingen zijn opgenomen. Wel zijn er ontwikkelingsrichtingen en aanduidingen opgenomen op de kaarten behorende bij ‘Landelijk gebied’ en ‘Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’. Landelijk gebied Op de basiskaart Landelijk gebied is te zien dat het plangebied is gelegen binnen het Landelijk gebied. Daarnaast valt het plangebied onder de subzone ‘gemengd landelijk gebied’ (zie figuur 12). Op de kaart specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen
20
is tevens aangegeven dat het plangebied valt binnen het ‘stalderingsgebied’ en de aanduiding ‘beperkingen veehouderijen’.
Figuur 12. Uitsnede basiskaart Landelijk gebied behorende bij de Interim omgevingsverordening (plangebied rood omcirkeld).
Binnen het gemengd landelijk gebied is ruimte voor een menging van functies. Zo zijn hier naast agrarische ontwikkelingen tevens ontwikkelingen op het gebied van natuur, recreatie, wonen en bedrijvigheid mogelijk. De voorgenomen ontwikkeling betreft die van het staken van een vleeskalverenbedrijf, de bijbehorende sanering van overtollige bebouwing, het omzetten van de bedrijfswoningen naar burgerwoningen en het realiseren van een ruimte-voor-ruimte woning. Het betreft hier geen uitbreiding van een agrarisch bedrijf waardoor de aanduidingen ‘beperking veehouderijen’ niet van toepassing is op de voorgenomen ontwikkelingen. Vanwege de ligging binnen de aanduiding stalderingsgebied, kunnen de stallen ingezet worden voor staldering. De stallen die worden ingezet voor staldering zullen moeten voldoen aan de regels en voorwaarden zoals opgenomen in de Interim Verordening ruimte onder artikel 2.74. Om deze stallen te saneren met behulp van deze provinciale regeling, zal een afzonderlijke stalderings-aanvraag doorlopen worden. Onderhavig bestemmingsplan zal voorzien in het bewijs dat er een passende herbestemming heeft plaatsgevonden.
Binnen het landelijk gebied kan een bestemmingsplan, volgens artikel 3.69 ‘afwijkende regels wonen (in landelijk gebied)’ van de Interim omgevingsverordening NoordBrabant, voorzien in het gebruik van een woning, aangeduid als functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voormalige bedrijfswoning, als burgerwoning, als is verzekerd dat: er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; overtollige bebouwing wordt gesloopt. Met de ontwikkeling worden de voormalige bedrijfswoning en de woning met de ’specifieke vorm van agrarisch – voormalige agrarische bedrijfswoning’ omgezet naar burgerwoningen. Hierbij wordt de bedrijfsbebouwing behorende bij het vleesstierenbedrijf gesaneerd. Er vindt geen splitsing in meerdere woonfuncties plaats. Met het omzetten van de voormalige bedrijfswoning en de woning met de
21
functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voormalige bedrijfswoning naar burgerwoning, worden de twee intensieve veehouderijen gesaneerd. Het saneren van intensieve veehouderijen past binnen de provinciale doelstellingen voor dit gebied. Naast het omzetten van bestaande bedrijfswoningen naar burgerwoningen wordt ook nieuwvestiging van woningen in het landelijk gebied mogelijk gemaakt, onder bepaalde voorwaarden, door de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. In artikel 3.80 ‘ruimte-voor-ruimte’ is namelijk beschreven dat een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in een ruimte-voor-ruimtekavel ten behoeve van de bouw van één woning, indien: er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit; de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd; er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen ‘Verstedelijking afweegbaar’. De ruimte-voor-ruimtewoning wordt ontwikkeld op de locatie aan Vinkelsestraat 139a. Hiervoor wordt een ruimte-voor-ruimtetitel aangeschaft, welke staat voor de bedoelde winst van de omgevingskwaliteit (sanering intensieve veehouderij).
De locatie is gelegen binnen een bebouwingsconcentratie, daarnaast toont hoofdstuk 5 aan dat het een planologisch aanvaardbare plek betreft. De woning zal landschappelijk worden ingepast conform het inrichtingsplan zoals beschreven in hoofdstuk 3 en bijlage 1. Het toevoegen van één woning geeft door de gekozen situering aan het einde van de doodlopende weg geen aanzet voor een stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling van de ruimte-voor-ruimtewoning op deze plek voldoet hiermee aan de voorwaarden behorende bij artikel 3.80 van de Interim omgevingsverordening ruimte. Naast de specifieke regels voor ontwikkelingen zoals bijvoorbeeld artikel 3.69 en 3.8, zijn ook algemeen regels van toepassing die voor elke ontwikkeling gelden. Deze regels zijn opgenomen in artikel 3.5 t/m 3.9. het gaat daarbij om zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit , zorgvuldig ruimtegebruik, de lagenbenadering, meerwaarde creatie en ruimtelijke kwaliteitsverbetering. in ieder geval betekent dit dat de ontwikkeling landschappelijk ingepast dient te worden. De zorgvuldige landschappelijke inpassing is in hoofdstuk 3 opgenomen. daarmee is in ieder geval invulling gegeven aan artikel 3.9.
omdat in dit geval de sloop en sanering van een agrarisch bedrijf gekoppeld kan worden aan de realisatie van een Ruimte-voor-Ruimtewoning, vindt niet alleen een flinke meerwaarde voor de directe omgeving plaats, maar in het kader van de Ruimte-voor-Ruimteregeling wordt ook bijgedragen aan de transitie van de intensieve veehouderij. Daardoor kan gesteld worden dat sprake is van een meerwaarde. De sloop van de stallen, is per definitie een kwaliteitsverbetering voor de directe omgeving. met de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met de lagenbenadering en zijn nog extra elementen toegevoegd aan het landschap, die de ruimtelijke situatie verbeteren. Geconcludeerd wordt dat ook voldaan wordt aan de algemene regels zoals verwoord in artikel 3.5 t/m artikel 3.9.
22
Conclusie Het plangebied ligt binnen het ‘gemengd landelijk gebied’, waar de nadruk ligt op een menging van functies. Ontwikkelingen zoals in dit geval de omzetting naar burgerwoningen en de realisatie van een ruimte-voor-ruimtewoning passen qua aard, schaal en functie bij de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten. Daarnaast worden er twee intensieve veehouderijen gesaneerd, dit sluit aan bij de provinciale doelstellingen voor dit gebied. De artikelen 3.69 ‘afwijkende regels wonen (in het landelijk gebied)’ maakt het mogelijk om onder voorwaarden bedrijfswoningen of woningen met de aanduiding ’specifieke vorm van agrarisch – voormalige agrarische bedrijfswoning’ om te zetten naar burgerwoningen en via de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 3.80 een woning in het kader van de ruimte-voor-ruimteregeling. In bijlage II van dit bestemmingsplan is het bewijsstuk opgenomen dat voldaan is aan de voorwaarden van de Ruimte-voor-Ruimteregeling. Het provinciaal beleid vormt hierdoor geen belemmering voor de ontwikkeling en biedt zelf handvatten.
4.3
Gemeentelijke beleid 4.3.1 Structuurvisie Buitengebied Gemeente Maasdonk 2009 De structuurvisie Buitengebied Gemeente Maasdonk 2009, is vastgesteld door de gemeenteraad van Maasdonk in december 2009. Het doel van deze structuurvisie is om sturing te geven aan nieuwe (economische) ontwikkelingen in het buitengebied, op een zodanige manier dat de bestaande omgevingskwaliteit blijft behouden en waar mogelijk versterkt en zonder dat dit ten koste gaat van ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande functies in de omgeving. De structuurvisie biedt een ruimtelijk casco, een visie geformuleerd op het plangebied. De ruimtelijke analyse van het gebied en het gemeentelijk beleid vormen de input voor deze structuurvisie. De structuurvisie formuleert de ontwikkelingskoers, beschrijft een streefbeeld voor de lange termijn en biedt een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkeling. De structuurvisie bestaat uit twee delen met bijbehorende kaarten, de functionele zonering en de landschappelijke zonering. De functionele zonering is primair gebaseerd op de indeling in het provinciale beleid van de ‘Groene Hoofdstructuur’ en de ‘Agrarische Hoofdstructuur’. Aanvullend is de hoofdzone ‘Bebouwingsconcentratie’ opgenomen, mede als invulling van het provinciale beleid ‘Buitengebied in ontwikkeling’ en invulling van het ‘beleid functieverandering’.
Indien een ontwikkeling past binnen de functionele zonering, is er vervolgens aan de orde op welke wijze deze ontwikkeling kan worden ingepast in het omringende landschap en kan bijdragen aan de kwaliteiten van het landschap. Hiervoor is de landschappelijke zonering opgesteld. De landschappelijke zonering is gebaseerd op de te onderscheiden en herkenbare landschappen in het buitengebied, met daarbij passende ontwerprichtlijnen en streefbeelden.
23
In figuur 13 is te zien dat het plangebied voornamelijk is gelegen binnen de hoofdzone ‘bebouwingsconcentraties – extensiveringsgebied’. Daarnaast ligt een klein deel van het plangebied binnen de hoofdzone ‘AHS – extensiveringsgebied’.
Figuur 13: Uitsnede Functionele-zonering, Structuurvisie Buitengebied Maasdonk 2009. (plangebied rood omkaderd).
Het ‘AHS-extensiveringsgebied’ betreft volgens de structuurvisie gebieden die een sterke verweving van functies kennen. In de zone rondom Vinkel ligt het accent op meer landelijke vormen van plattelandsvernieuwing. De zone ‘bebouwingsconcentraties’ betreft in de structuurvisie kernrandzones, bebouwingsclusters en bebouwingslinten. De voorgenomen ontwikkeling betreft het staken van vleeskalverenbedrijven, waarmee wordt aangesloten op de extensivering. Daarnaast worden twee bedrijfswoningen omgezet naar burgerwoningen en wordt er middels een ruimte-voor-ruimtetitel een nieuwe woning gerealiseerd binnen de aangewezen bebouwingsconcentratie. De ontwikkelingen sluiten aan bij de doelen zoals deze weergegeven zijn op de kaart ‘functionele zonering’. De ontwikkeling past binnen de functionele zonering, dus zal er vervolgens gekeken moeten worden naar de landschappelijke inpassing van deze ontwikkeling, de landschappelijke inpassing, welke is gebaseerd op de uitgangspunten van deze structuurvisie, is terug te vinden in hoofdstuk 3.3 van dit bestemmingsplan. In de structuurvisie is tevens een ontwikkelingsvisie opgenomen waarin per thema wordt besproken wat de doelen zijn voor de gemeente Maasdonk. Het thema ‘functieverandering’, dat van belang is voor de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied, wordt hieronder besproken.
Binnen het thema functieverandering ligt de nadruk op de toename van vrijkomende agrarische bebouwing en de hergebruiksmogelijkheden hiervan. Daarnaast hanteert de gemeente de versterking van de ruimtelijke kwaliteit bij een functieverandering als uitgangspunt. Dat betekent bijvoorbeeld dat er eisen worden gesteld aan de sloop van gebouwen en aan de landschappelijke inpassing. Voor de minder ingrijpende vormen van functieverandering is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen in het bestemmingsplan, zoals in dit geval voor de herbestemming van de bedrijfswoningen naar burgerwoningen. Belangrijk hierbij is dat de functieverandering niet alleen een 24
verbetering op moet leveren voor de initiatiefnemer, maar ook een verbetering voor de omgeving en geen of een aanvaardbare belemmering voor omliggende agrarische bedrijven. In de gebieden die aangemerkt zijn als ‘extensiveringsgebied’ wordt ruimhartiger omgegaan met de mogelijkheden voor functieverandering, met name wanneer deze in een bebouwingsconcentratie liggen zoals bij het plangebied het geval is (zie figuur 14) en er dus al meer menging van functies plaatsvindt. In grote lijnen zal moeten worden voldaan aan de volgende voorwaarden: -
-
-
-
-
-
-
functieverandering is alleen van toepassing op fysiek bestaande, legale vrijgekomen (en ook vrijkomende) voormalige bedrijfsgebouwen die zijn gelegen in het buitengebied (het betreffen bestaande bedrijfswoningen welke omgezet worden naar burgerwoningen en dus voldoen aan deze eis); met functieverandering van vrijkomende gebouwen in het buitengebied wordt bedrijfsontwikkeling van agrarische bedrijven in de omgeving niet onevenredig belemmerd (er liggen geen agrarische bedrijven meer in de buurt die onevenredig belemmerd zouden kunnen worden); uitgangspunt is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door sloop van overtollige bebouwing, met uitzondering van monumentale en karakteristieke gebouwen. Uitbreiding van de oppervlakte van gebouwen is in principe niet toegestaan (bij de functieverandering van de bedrijfswoningen naar burgerwoningen wordt in totaal 1.345m2 aan overtollige bebouwing gesloopt); uit een erfinrichtingsplan moet blijken dat een kwalitatief hoogwaardige invulling wordt gegeven aan de architectuur van het hoofdgebouw en de inrichting van omliggende terreinen in hun ruimtelijke samenhang. (zie landschappelijke inpassing in hoofdstuk 3.3 van deze toelichting); functieverandering mag niet leiden tot een evenredige toename van de verkeersbelasting.
Het aantal verkeersbewegingen mag in beginsel niet meer toenemen dan door het gebied zonder structurele aanpassingen kan worden verwerkt (Door het verdwijnen van de agrarische bedrijven, neemt het aantal verkeersbewegingen af. In verkeerstechnisch opzicht is sprake van een verbetering van de situatie.); opslag van goederen buiten gebouwen wordt niet toegestaan (niet van toepassing); detailhandel wordt niet toegestaan, tenzij het detailhandel betreft in ter plaatse geproduceerde streekeigen producten (niet van toepassing); de functieverandering mag niet leiden tot onevenredige milieuhinder voor de omgeving. Alleen bedrijvigheid in de milieucategorieën 1 en 2 (of daarmee vergelijkbaar) is toelaatbaar (overeenkomstig de Staat van Bedrijfsactiviteiten van de VNG) (niet van toepassing); in geval van vrijgekomen gebouwen van een agrarisch bedrijf, dat is gestopt, dient de milieuvergunning te zijn ingetrokken (de milieuvergunning van het agrarisch bedrijf zal worden ingetrokken, dit is tevens een voorwaarde om met de stalderingsregeling mee te draaien).
25
Ook wordt binnen het thema ‘functieverandering’ de ruimte-voor-ruimteregeling apart beschreven. Overeenkomstig met het provinciaal beleid is de bouw van een extra woning in ruil voor de sloop van minimaal 1000 m2 aan gebouwen toegestaan, zolang deze woning maar gerealiseerd wordt binnen de bebouwde kom of in een bebouwingsconcentratie. Het initiatief voldoet hieraan. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidsuitgangspunten van de gemeente Maasdonk zoals die zijn vastgelegd in de visie structuurvisie buitengebied gemeente Maasdonk 2009. Bij de ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met een goede landschappelijke inpassing (zie hiervoor hoofdstuk 3.3).
Figuur 14: Uitsnede streefbeeld Vinkelsestraat – Structuurvisie Maasdonk 2009. (plangebied rood omkaderd)
26
HOOFDSTUK 5.1
5 Omgevingsaspecten
Milieu In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten en bekeken in hoeverre er sprake is van belemmeringen voor de voortgang van het plan. 5.1.1 M.e.r. plicht Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Drempelwaarden Lijst C en D In het plangebied wordt één woningbouwmogelijkheid toegevoegd. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om “bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”.
Aangezien in dit geval sprake is van een gebied dat aanzienlijk kleiner is dan 100 ha en het plan aanzienlijk minder dan 2.000 woningen omvat, is geen sprake van een m.e.r.beoordelingsplicht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. Woningbouw kan vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Het voorliggende initiatief betreft slechts de nieuwbouw van één Ruimte-voorRuimtewoning. Een dergelijk kleinschalig initiatief betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Als gevolg hiervan hoeft voor de ontwikkeling van de woning geen milieueffectrapport te worden opgesteld en hoeft ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. 5.1.2 Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijzing.
Omdat met de voorgestane ontwikkeling (ontwikkelen Ruimte-voor-Ruimtewoning) langer dan twee uur kan worden verbleven op deze plek, is in het kader van het aspect bodem, sprake van een gevoelige bestemming. Een bodemonderzoek dient aan te tonen dat sprake is 27
van een acceptabel kwaliteit van de bodem. In bijlage III van deze onderbouwing is het rapport opgenomen dat het bodemonderzoek beschrijft – Verkennend bodemonderzoek Vinkelsestraat 135, 139 en 139a te Vinkel (AM19027). In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen. Conclusie In opdracht van Reland heeft Aeres Milieu B.V. in februari en maart 2019 een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd op een locatie gelegen aan de Vinkelsestraat 139a. Tevens is er vooronderzoek gedaan op Vinkelsestraat 135 en Vinkelsestraat 139. Locatie A (Vinkelsestraat 139) en locatie C (Vinkelsestraat 135) Uit de verzamelde (historische) informatie is gebleken dat ter plaatse van de onderzoekslocaties geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Er bestaat geen aanleiding te vermoeden dat ter plaatse sprake is van een bodemverontreiniging. Gebaseerd op de verzamelde gegevens kunnen de locaties als “onverdacht” worden beschouwd. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt vooralsnog niet verwacht (niet verdacht). De resultaten van dit vooronderzoek in combinatie met de bodemkwaliteitskaart geven een voldoende beeld van de bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie. De verwachte bodemkwaliteit ter plaatse vormt geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning.
Locatie B (Vinkelsestraat 139a) Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met kwik en lood. In de ondergrond en het freatisch grondwater zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Tevens zijn in de bovengrond plaatselijk verhoogde asbestconcentraties aangetoond. De verhoogde asbestconcentraties liggen beneden de helft van de interventiewaarde (100 mg/kg d.s.) waardoor er geen aanleiding bestaat voor het uitvoeren van nader onderzoek. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. De aangetroffen lichte verontreinigingen in de grond kunnen wel bij grondafvoer beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik van de grond omdat dan veelal andere normen gelden. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Asbestverontreinigingen komen heterogeen verspreid voor in de bodem. Dit wil zeggen dat de aan‐ of afwezigheid van asbest per kubieke meter kan verschillen. Geadviseerd wordt daarom, bijvoorbeeld bij grondwerkzaamheden, alert te blijven op de aanwezigheid van (plaatselijke) asbestverontreinigingen.
5.1.3 Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen van de regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden uit lid 2 van dat artikel (waaronder het vaststellen van ruimtelijke plannen) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de