CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Was wordt tabel Verordening maatsch. onderst. Delft 2024

Raadsvergadering 16 mei 2024, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake Vaststellen Verordening maatschappelijke ondersteuning Delft 2024 (nr. 2414186)28.424 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2.De tegemoetkoming in de (meer)kosten kan worden verstrekt voor sportvoorziening, huurderving, woningsanering of een gehandicaptenparkeerplaats. 3.Het college legt in nadere regels de hoogte van de tegemoetkoming vast. 4.Het college kan in nadere regels bepalen in welke gevallen en in welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt aan personen die te maken hebben met meerkosten ingevolge een beperking of chronische ziekte.

verband houdende, aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2. De tegemoetkoming in de (meer)kosten kan worden verstrekt voor verhuiskostenvergoeding, taxikosten, sportvoorziening, huurderving, woningsanering of een gehandicaptenparkeerplaats. 3. Het college legt in nadere regels de hoogte van de tegemoetkoming vast. 4. Het college kan in nadere regels bepalen in welke gevallen en in welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt aan personen die te maken hebben met meerkosten ingevolge een beperking, of chronische ziekte.

Hoofdstuk 10 Artikel 34 Artikel 34. Tariefswijziging/ indexatie 1. Indien met aanbieders contractueel afspraken zijn gemaakt inzake de indexatie van maatwerkvoorzieningen in natura, wordt dezelfde indexatie toegepast bij de pgb’s, met uitzondering van de pgb’s voor het sociaal netwerk. 2. Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen. Artikel 36 artikel 36. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.De Verordening maatschappelijke ondersteuning Delft 2020 wordt ingetrokken per de dag van inwerkingtreding van deze verordening. 2.Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van een eerdere verordening, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen op basis van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Delft 2022. 3.Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke ondersteuning Delft 2022, tenzij deze verordening nadeliger uitpakt. 4.Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020, wordt beslist met inachtneming van die verordening. Artikel 38

Artikel 34. Tariefswijziging/ indexatie 1. Als met aanbieders contractueel afspraken zijn gemaakt over de indexatie van maatwerkvoorzieningen in natura, wordt dezelfde indexatie toegepast bij de pgb’s, met uitzondering van de pgb’s voor het sociaal netwerk. 2. Als toepassing is gegeven aan het eerste lid, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen door deze te publiceren op de website van het zorgknooppunt H5.

Er zijn kleine verbeteringen in de leesbaarheid doorgevoerd. Daarbij is vermeld waar de tarieven online kunnen worden gevonden.

Artikel 36. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning Delft 2022 wordt ingetrokken per de dag van inwerkingtreding van deze verordening. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van een eerdere verordening, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen op basis van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Delft 2024. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2022 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke ondersteuning Delft 2024 tenzij deze verordening nadeliger uitpakt. 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2022, wordt beslist met inachtneming van die verordening.

Bij vaststelling van deze verordening wordt de oude verordening uit 2020 ingetrokken. Alle genoemde jaartallen worden bijgewerkt waar nodig

artikel 38. Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2022. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Delft 2022

Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt op de dag na bekendmaking in werking en werkt terug tot en met 1 januari 2024. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Delft 2024.

Deze bepaling wordt aangepast aan de nieuwe situatie. Omdat de verordening na 1 januari zal worden vastgesteld, zal hij met terugwerkende kracht in werking treden vanaf 1 januari 2024

Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: wet). De wet maakt onderdeel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Deze taken zijn destijds toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Een van de uitgangspunten hierbij was en is dat er telkens wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociale netwerk. Vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening, of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.

De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten

Toelichting Algemeen Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: wet). De wet maakt onderdeel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Deze taken zijn destijds toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Een van de uitgangspunten hierbij was en is dat er telkens wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociale netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.

Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg of met hulp van zijn sociale netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de wet valt. De wet en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom [in hoofdlijnen] vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure, die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan

Er moet altijd een zorgvuldige toegangsprocedure worden doorlopen. Hierin wordt onderzocht wat de hulpvraag van de cliënt is, wat zijn behoeften zijn en welke resultaten hij wil halen. Ook wordt uitgezicht wat de de cliënt op eigen kracht kan. Of wat hij, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg, of met hulp van zijn sociale netwerk, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren. Dat wil zeggen wat kan de cliënt zonder speciale ondersteuning van de overheid doen om zelf gezond te blijven en onderdeel te zijn van de maatschappij. Als blijkt dat hulp nodig is, wordt gekeken of dat met een algemene voorziening kan. Kan het niet met een algemene voorziening dan is maatwerk nodig.,Het kan ook zo zijn dat er hulp nodig is die niet gegeven kan worden op basis van de WMO. . De wet en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom [in hoofdlijnen] vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Dat betekent dat met een zorgvuldige procedure altijd een goed antwoord moet worden gevonden. Dat antwoord moet als resultaat hebben dat er ondersteuning wordt geboden waar ondersteuning

betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De wet en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Op grond van artikel 2.6.3 van de wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter alleen mandateren aan een aanbieder. Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan nietondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten daarnaast ook aan ondergeschikten mandateren.

Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Artikel 1 artikel 1 Dit artikel bevat de begripsomschrijvingen. Daarbij is ervoor gekozen om de wettelijke begripsbepalingen niet over te nemen, maar te verwijzen naar het wetsartikel. 1. d: de budgetbeheerder is de persoon die het geld van het pgb beheert, de administratie daarover voert, regie voert op de inzet van de zorg en daarbij de kwaliteit bewaakt. Als de cliënt ervoor kiest zijn ondersteuning te willen ontvangen via een pgb, dan is hij in principe ook de budgetbeheerder. Is hij minderjarig of handelingsonbekwaam, dan treedt een wettelijk vertegenwoordiger op als budgetbeheerder. 1. f: het ondersteuningsplan is het plan dat de toegangsorganisatie Delft Support namens de gemeente in afstemming met de cliënt opstelt. Het plan is de opdracht voor de zorgaanbieder waarin staat welke resultaten behaald moeten worden.

nodig is. De cliënt kan in bezwaar gaan als hij het met dat antwoord niet eens is. Bijvoorbeeld als hij vindt dat hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening wordt gegeven. Als hij vindt dat de gegeven voorziening niet genoeg helpt om zijn zelfredzaamheid en, of deelname aan de maatschappij te verbeteren. Als hij vindt dat hem geen opvang of beschermd wonen wordt geboden wanneer dat we zou moeten. Als een bezwaar niet het resultaat geeft dat de cliënt wil, kan hij daarna in beroep gaan. De rechter zal dan bekijken of de gemeente de procedure goed heeft doorlopen en of de bezwaren van de cliënt gegrond zijn. Dat wil zeggen of er inderdaad reden is om het college te dwingen een ander besluit te nemen. De wet en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid mandateren (een andere aanwijzen die namens het college bepaalde besluiten mag nemen) aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

artikel 1 In dit artikel staat wat verschillende woorden en begrippen betekenen in deze verordening. Van woorden die ook in de wet staan en in de wet zijn uitgelegd is niet nogmaals in deze verordening de beschrijving gegeven. Lid 2 onder a. andere voorziening: Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 2 onder b. bijdrage: Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 2 onder c. budgetbeheerder: De budgetbeheerder is de persoon die het geld van het pgb beheert, de administratie daarover voert, regie voert op de inzet van de zorg en daarbij de kwaliteit bewaakt. Als de cliënt ervoor kiest zijn ondersteuning te willen ontvangen via een pgb, dan is hij in principe ook de budgetbeheerder. Is hij minderjarig of handelingsonbekwaam, dan treedt een wettelijk vertegenwoordiger op als budgetbeheerder. Lid 2 onder d. budgetplan: Deze bepaling spreekt voor zich.

De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten

Lid 2 onder e. ondersteuningsplan: Het ondersteuningsplan is het plan dat de toegangsorganisatie Delft Support namens de gemeente in afstemming met de cliënt opstelt. Het plan is de opdracht voor de zorgaanbieder waarin staat welke resultaten behaald moeten worden. Lid 2 onder f. pgb: Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 2 onder g. wet: Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 2 onder h. zorgplan: Deze bepaling spreekt voor zich. Hoofdstuk 2 TOEGANGSPROCEDURE HOOFDSTUK 2 TOEGANGSPROCEDURE In eerdere versies van de verordening zijn ook stappen in de toegangsprocedure vermeld die ook in de wet zijn opgenomen. Het gaat dan om de stappen: melding, onderzoek en ondersteuningsplan. Zoals deze in de Wet zijn opgenomen, worden ze ook uitgevoerd. Het is niet nodig ze nader te verankeren in de verordening. Artikel 2 artikel 2. Aanvraag In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet eerder kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken. De wet bepaalt verder dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid, van de wet). In artikel 2 is aangegeven dat de aanvraag via een aanvraagformulier kan worden gedaan, maar dat dit ook elektronisch bijvoorbeeld via de email kan plaatsvinden.

Daarbij kan de cliënt of zijn vertegenwoordiger ook het ondersteuningsplan aanmerken als aanvraag. Een aanvraag die niet op een van deze manieren is ingediend hoeft niet in behandeling genomen te worden. Artikel 3 artikel 3 Advisering Aan het onderzoeksproces zitten allerlei zorgvuldigheidseisen vast. Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Het college dient ervoor zorg te

HOOFDSTUK 2 TOEGANGSPROCEDURE In eerdere versies van de verordening stonden stappen in de toegangsprocedure genoemd die ook in de wet zijn opgenomen. Het gaat dan om de stappen: melding, onderzoek en ondersteuningsplan. Zoals deze in de wet zijn opgenomen, worden ze ook uitgevoerd. Omdat ze al in de wet staan, zijn ze niet ook in de verordening gezet.

De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten

artikel 2. Aanvraag Artikel 2.3.2, negende lid, van de wet zegt dat een aanvraag niet zomaar kan worden gedaan. Eerst moet er onderzoek worden gedaan. Dat onderzoek is naar aanleiding van de melding. Als het onderzoek niet binnen zes weken wordt afgemaakt, kan de aanvraag toch worden gedaan. De wet zegt ook dat het college als de aanvraag heeft gekregen er binnen twee weken op moet reageren. Reageren betekent in dit geval dat er beschikking moet worden afgegeven (artikel 2.3.5, tweede lid, van de wet). Artikel 2 zegt dat de aanvraag via een aanvraagformulier kan worden gedaan. Ook kan het elektronisch. Bijvoorbeeld via e-mail. Een cliënt, of zijn vertegenwoordiger kan ook zeggen dat het ondersteuningsplan als aanvraag moet worden gezien. Een aanvraag die niet op een van deze manieren is ingediend hoeft niet in behandeling genomen te worden.

De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten

artikel 3 Advisering Aan het onderzoeksproces zitten meerdere zorgvuldigheidseisen vast. Het onderzoek moet bepalen welk hulp nodig is. Dat kan ook jeugdhulp zijn. Soms is daarvoor specifieke deskundigheid nodig. Als dat zo is dan moet die ook gebruikt worden. Voor de verschillende stappen van onderzoek is vaak verschillende deskundigheid nodig. Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid ook wordt ingezet. Ook moet het college duidelijk maken welk

De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten

dragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. Artikel 4 artikel 4 Inhoud beschikking Als de cliënt een aanvraag bij het college indient (artikel 6), dan dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen, waartegen de cliënt desgewenst bezwaar en beroep op grond van de Awb kunnen indienen. [Het eerste lid bevestigt de regeling van deze onderwerpen in de wet en de Awb en is hier opgenomen in het belang van burgers om hen in de verordening een zo compleet mogelijk beeld te geven van hun rechten en plichten.] Derde lid Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een budget. Derde lid, onder a, en vierde lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Derde lid, onder b, en vierde lid, onder e: onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven. Vijfde lid Het vijfde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen.

Zie artikel 18 en artikel 2.14, zesde lid, van de wet, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een pgb wordt vastgesteld geïnd door het CAK.

Hoofdstuk 3 Artikel 5 artikel 5: Criteria voor maatwerkvoorzieningen In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. Daar is in dit artikel uitvoering aan gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening altijd op maatwerk aankomt. Tweede lid In de memorie van toelichting is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de wet (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, p. 148) opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is:

deskundigheid op welk onderdeel is ingezet. En het college moet aangeven dat de deskundigheid die is ingezet voor elke stap de juiste is.

artikel 4 Inhoud beschikking Eerste en tweede lid Als de cliënt een aanvraag bij het college doet dan moet het college een schriftelijke beschikking opstellen. De cliënt kan tegen deze beschikking in bezwaar als hij het niet eens is met de inhoud. Dat kan op grond van de Awb. Het recht om bezwaar te maken is ook geregeld in de wet en de Awb. Het is ook in de verordening gezet om te zorgen dat het recht op bezwaar duidelijk is.

De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten

Derde en vierde lid De wet gaat ervan uit dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Als de cliënt dat wil, is het ook mogelijk om een budget (hoeveelheid geld) toe te kennen. Derde lid, onder a, en vierde lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Voor de beoordeling van de omvang van de voorziening kan gebruik worden gemaakt van het Normenkader. Onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven. Vijfde lid Het vijfde lid is er alleen om de cliënt informatie te geven. Het college neemt de hoogte van de bijdrage in de kosten niet in de beschikking op. Dat loopt namelijkvia het CAK. Ook de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 18 en artikel 2.14, zesde lid, van de wet. Die artikelen zeggen dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening, ofeen pgb wordt vastgesteld geïnd door het CAK.

artikel 5: Criteria voor maatwerkvoorzieningen Artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet zegt dat de gemeenteraad in de verordening duidelijk moet maken op basis van welke voorwaarden het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voo in aanmerking komt. Dat gebeurt in dit artikel. Wel is het zo dat het geven van een maatwerkvoorziening ook maatwerk is. Of een maatwerkvoorziening wordt gegeven, is dus altijd afhankelijk van de situatie. Tweede en derde lid In de memorie van toelichting is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de wet (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, p. 148) staat dat de

De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten

“Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.” Deze passage in het bijzonder – maar gelezen in samenhang met de verdere parlementaire geschiedenis – biedt een onderbouwing om het begrip ‘voorzienbaarheid’ in individuele gevallen een rol te laten spelen bij de afwijzing van een maatwerkvoorziening.

Zoveel volgt ook uit de passages in de parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever aan heeft willen sluiten bij de huidige rechtspraak op dit punt (zie in het bijzonder de nadere memorie van antwoord, Kamerstukken I 2013-14, 33841, nr. J, p. 18). Hieruit volgt verder dat nadrukkelijk geen (verkapte) inkomenstoets is – of kan worden – beoogd. Ook op grond van de wettekst en blijkens de parlementaire geschiedenis is hiervoor namelijk uitdrukkelijk geen ruimte gelaten (zie verder de nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 34, p. 24). Gelet op artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de wet, de genoemde wetsgeschiedenis en de huidige jurisprudentie1 is het van belang een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Het vijfde lid voorziet in een dergelijke grondslag. Gelet op de noodzaak tot een individuele beoordeling is de weigeringsgrond als ‘kan-bepaling’ vormgegeven; het college van burgemeester en wethouders is daarmee altijd gegeven een inhoudelijke afweging te maken bij iedere individuele aanvraag. Vierde lid Het vierde lid kan er bijvoorbeeld toe leiden dat als maatwerkvoorziening niet een woningaanpassing wordt verstrekt maar een verhuiskostenvergoeding.

De woningaanpassing kan dermate kostbaar zijn dat het college het primaat van verhuizing hanteert. 1

maatwerkvoorziening de oplossing is die alleen wordt ingezet als alle andere oplossing niet werken.: “Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.” Deze tekst zegt dat "voorzienbaarheid” een rol mag spelen bij de beslissing van het college om een maatwerkvoorziening te geven. De tekst moet gelezen worden in samenhang met “de parlementaire geschiedenis” Dat kun je ook lezen in de parlementaire geschiedenis.

Daar wordt duidelijk dat de tweede kamer (de wetgever) hiermee wil aansluiten bij uitspraken die hierover door rechters zijn gedaan. (zie in het bijzonder de nadere memorie van antwoord, Kamerstukken I 2013-14, 33841, nr. J, p. 18). Hier staat ook dat er geen inkomenstoets mag worden gedaan. (Ook op grond van de wettekst en blijkens de parlementaire geschiedenis is hiervoor namelijk uitdrukkelijk geen ruimte gelaten (zie verder de nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 34, p. 24). Gelet op artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de wet, de genoemde wetsgeschiedenis en de huidige jurisprudentie1 is het van belang een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Het vijfde lid voorziet in een dergelijke grondslag. Gelet op de noodzaak tot een individuele beoordeling is de weigeringsgrond als ‘kan-bepaling’ vormgegeven; het college van burgemeester en wethouders is daarmee altijd

Zie in dit kader ook de uitspraak van de CRvB van 22 augustus 2018, waarin de CRvB oordeelt dat de Wmo 2015, evenals de Wmo deed, ruimte biedt om van burgers te eisen dat zij bij het doen van een aanschaf of bij een verhuizing rekening houden met de al aanwezige beperkingen en de redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling hiervan. De Wmo 2015 biedt echter evenmin als de Wmo ruimte, zo stelt de CRvB verder, om van de burger te eisen dat hij preventief maatregelen treft en investeringen doet die tot doel hebben te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden leiden tot een beroep op deze wet. De op deze uitleg gebaseerde overwegingen in het bestreden besluit zijn daarom ondeugdelijk (ECLI:NL:CRVB:2018:2603).

gegeven een inhoudelijke afweging te maken bij iedere individuele aanvraag.) Vierde lid Het vierde lid zegt dat als er meer dan een oplossing is, de goedkoopste oplossing wordt gekozen. Bijvoorbeeld een verhuizing in plaats van een woningaanpassing. Artikel 6 artikel 6 Voorwaarden en weigeringsgronden Op grond van rechtelijke uitspraken moeten in de verordening ook toegangscriteria en weigeringsgronden worden opgenomen. Eerste lid a De wet bevat geen bepaling, zoals artikel 2 Wmo, die regelt dat een aanspraak op grond van een andere wet voorgaat. Daarom is een dergelijke bepaling in de verordening opgenomen. Ook regelt de verordeningsbepaling, vergelijkbaar aan artikel 15 van de Wet werk en bijstand, dat kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt, niet worden vergoed. Daarbij valt te denken aan rollators die niet meer vergoed worden via de basiszorgverzekering. Derde lid De interventie Powerful ageing is in de pilotfase nog hybride tussen een algemene- en maatwerkvoorziening, in. Om die reden is ze opgenomen in de verordening. Powerful ageing zien we als voorliggend op andere maatwerkvoorzieningen zoals ondersteuning bij het huishouden en een scootmobiel, omdat Powerful ageing de inzet van deze maatwerkvoorzieningen uitstelt.

artikel 6 Voorwaarden en weigeringsgronden In de verordening moeten toegangscriteria (op welke voorwaarden heb je recht op een voorziening) en weigeringsgronden (in welke gevallen mag de gemeente een voorziening weigeren) worden opgenomen. Dat is door meerdere rechters bepaald. Eerste lid onder a a De wet zegt dat als iets vanuit een andere wet wordt gedaan het niet op basis van deze wet ook moet. Dat wordt geregeld met dit artikel. Als een voorziening vanuit een andere wet kan worden geregeld, of betaald, wordt dat niet op basis van de Wmo verordening gedaan. Eerste lid onder b Dit gaat over een situatie waarbij een cliënt een voorziening zelf koopt, of regelt en daarna aan de gemeente vraagt om de kosten te betalen. Als de cliënt dat heeft gedaan voordat er een melding is gedaan, heeft hij zelf gezorgd dat de beperking is opgelost. De gemeente hoeft dan niet meer te compenseren. Dat geldt niet als de client voor de melding schriftelijk toestemming heeft gekregen om de voorziening zelf te organiseren. Eerste lid onder c Van een cliënt mag worden verwacht dat hij bij verhuizingen of de aanschaf van voorzieningen rekening houdt met zijn beperkingen. Doet hij dat niet, dan kan het college een voorziening om die reden afwijzen. Bijvoorbeeld als een cliënt die al moeilijk loopt, verhuist van een woning zonder trappen naar een woning met trappen.

Dan had de cliënt kunnen voorzien dat dit problemen zou kunnen geven. Die problemen had hij zelf kunnen voorkomen door niet te verhuizen. Het college kan dan een voorziening weigeren. Dit is wel altijd afhankelijk van de persoonlijke situatie van de cliënt en het college zal moeten uitleggen waarom de voorziening niet wordt gegeven. Eerste lid onder d Denk bij behandelingen aan een behandeling van een fysiotherapeut, ergotherapeut, diëtist, etc. Operaties vallen hier niet onder. De gemeente mag cliënten niet dwingen tot een operatie.

Artikel 6 is uitgebreid. Daarom is op allee onderdelen van dit artikel een toelichting gegeven. De bestaande toelichting is herschreven om de leesbaarheid te verbeteren

Eerste lid onder e . De gemeente wil dat inwoners zelfstandig kunnen functioneren. Als dat niet lukt, helpt de gemeente. We willen helpen op een manier die inwoners weer zelfstandig maakt. Dus niet dingen doen voor mensen, maar hen helpen het zelf te kunnen. Die manier maakt mensen zelfstandiger, gezonder en hun kwaliteit van leven beter. Dat zorgt er ook voor dat ze mee kunnen doen in de samenleving. Lid 2 Een Wmo maatwerkvoorziening is een laatste redmiddel. Dat betekent dat inwoners zelf moeten doen wat ze kunnen om geen maatwerkvoorziening nodig te hebben. Bijvoorbeeld door met sporten onder begeleiding hun conditie te verbeteren.

Artikel 7 artikel 7 Resultaatgebieden binnen de maatwerkvoorziening maatschappelijke ondersteuning Resultaatsturing betekent dat de te behalen resultaten centraal staan en niet de producten die ingezet worden om het resultaat te behalen. De gemeente stuurt op het te behalen resultaat. De resultaten zijn gericht op het vergroten of behouden van zelf- (en samen) redzaamheid van de cliënten. Naast keuzevrijheid is het vooral van belang dat de inwoner zelf invloed heeft op de wijze waarop de ondersteuning wordt ingevuld. Gecontracteerde aanbieders stellen daarom samen met de inwoner het zorgplan op. Door resultaatsturing krijgen inwoner en aanbieder meer ruimte en flexibiliteit voor het invullen van de ondersteuning. Het college (Delft Support) bepaalt samen met de inwoner wat de gewenste resultaten zijn; de aanbieder bepaalt samen met de inwoner hoe de ondersteuning plaatsvindt om dit resultaat te kunnen behalen.

Artikel 8 artikel 8 Beschrijving van de algemene voorziening “basisvoorziening hulp bij het huishouden” De algemene voorziening ‘’basisvoorziening hulp bij het huishouden’’ is een laagdrempelige vorm van hulp bij het huishouden die beschikbaar wordt gesteld aan een specifieke doelgroep. Inwoners die voldoen aan de voorwaarden kunnen zonder indicatie hulp bij het huishouden inkopen bij een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder van het resultaatgebied regie en ondersteuning bij het huishouden. Deze algemene voorziening heeft niet als doel om een duurzame hulpverleningsrelaties aan te gaan. Met “duurzaam” wordt over het

artikel 7 Resultaatgebieden binnen de maatwerkvoorziening maatschappelijke ondersteuning Resultaatsturing betekent dat het resultaat belangrijk is. Niet wat wordt gedaan om dat resultaat te behalen. In de beschikking wordt een resultaat omgeschreven. Niet welke producten worden ingezet.

De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten. Er is een toelichting op het derde lid toegevoegd om duidelijk te maken dat dit kan gelden voor hulp bij het huishouden en begeleiding.

Het is belangrijk dat inwoners kunnen kiezen hoe ze hulp krijgen. Daarom stellen de zorgaanbieders samen met de inwoner een zorgplan op. Daarin staat welk resultaat moet worden bereikt. De inwoners bepaalt met Delft Support (namens het college) wat het resultaat moet zijn. De inwoner bekijkt daarna met de zorgaanbieder hoe dat resultaat gehaald moet worden. Daarbij maken ze een keuze uit meerdere mogelijkheden. De inwoner heeft dus iets te kiezen. Derde lid In dit lid wordt geregeld hoe een indicatie vanuit een andere gemeente wordt toegepast wanneer een cliënt naar Delft verhuist. Dit geldt voor indicaties voor huishoudelijke hulp en begeleiding. artikel 8 Hulp bij het huishouden De algemene voorziening ‘’basisvoorziening hulp bij het huishouden’’ is hulp bij het huishouden die wordt georganiseerd en betaald door de gemeente. Dat is wordt alleen gedaan in speciale situaties. Inwoners die voldoen aan de voorwaarden kunnen hulp bij het huishouden inkopen bij bepaalde zorgaanbieders. Dat kan zonder indicatie. De zorgaanbieders die kunnen worden ingezet hebben een contract met de gemeente. Ze hebben een contract op het resultaatgebied regie en ondersteuning bij het huishouden.

De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten

algemeen verstaan langer dan 6 maanden en/of algemene voorzieningen waarop de cliënt, vanwege de aard van de beperkingen, langdurige een beroep zou moeten doen. Artikel 9 t/m 15 artikel 9 t/m 15 Aanvullend op artikel 5 en 6 zijn, op grond van jurisprudentie, voor specifieke maatwerkvoorzieningen toegangscriteria geformuleerd. Een deel hiervan stond voorheen in de beleidsregel(s). Artikel 9 artikel 9 Vervoer Dit artikel regelt wanneer men in aanmerking komt voor de Regiotaxi en wat de maximale omvang van de voorziening is.

Artikel 10 artikel 10 Woonvoorzieningen en woningaanpassingen Dit artikel bevat enkele weigeringsgronden die verband houden met wonen (het normale gebruik van de woning en/of het zich verplaatsen in en om de woning).

Het is de bedoeling dat deze hulp bij het huishouden alleen voor korte perioden wordt ingezet. Dat wil zeggen niet langer dan 6 maanden achter elkaar.

artikel 9 t/m 15 In deze artikelen staan voorwaarden voor een aantal maatwerkvoorzieningen. Sommige van deze voorwaarden stonden eerst in de beleidsregel(s).

De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten

artikel 9 Vervoer Dit artikel regelt wanneer iemand de regiotaxi mag gebruiken op kosten van de gemeente. Het artikel regelt ook voor welke afstanden de regiotaxi mag worden gebruikt.

De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten

artikel 10 Woonvoorzieningen en woningaanpassingen Dit artikel beschrijft gevallen waarin geen woonvoorziening, of woningaanpassing wordt gegeven.

De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten. Er wordt toegelicht dat bij een aanvraag van een maatwerkvoorziening na een verhuizing de voorwaarde geldt dat de verhuizing nodig was vanwege een probleem met participatie of zelfredzaamheid. Hierbij wordt waar nodig maatwerk toegepast afhankelijk van de individuele situatie.

In geval van verhuizing moet deze verhuizing nodig zijn vanwege een probleem met zelfredzaamheid of participatie. Of er moet vooraf overleg zijn met het college en toestemming zijn gegeven. Hierbij geldt dat er altijd gekeken wordt naar de individuele situatie en waar nodig maatwerk wordt toegepast.

Artikel 11 artikel 11 Rolstoel Het gaat om verplaatsingen die betrokkene maakt in of direct vanuit de woning, m.a.w. hij is voor deze alledaagse verplaatsingen aangewezen op een rolstoel. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende rolstoelvoorzieningen: • handmatig voortbewogen rolstoel; • elektrisch voortbewogen rolstoel; • aanpassingen aan de rolstoel. Met aanpassingen wordt bedoeld: extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten, maar wel noodzakelijk zijn voor de cliënt. Accessoires zijn doorgaans niet noodzakelijk, maar wenselijk en worden daarom niet vergoed. Grenzen aan de verstrekking Richtlijn voor de verstrekking is de goedkoopst adequate voorziening.

artikel 11 Rolstoel Een inwoner krijgt alleen een rolstoel als die nodig is om te bewegen in en om het huis. Dus als zonder de rolstoel een inwoner in en om zijn eigen huis niet zelfstandig kan bewegen. Er zijn 3 soort rolstoelvoorziening: • handmatig voortbewogen rolstoel; • elektrisch voortbewogen rolstoel; • aanpassingen aan de rolstoel. Aanpassingen zijn: extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten, maar de inwoner wel nodig heeft. Accessoires zijn extra opties die handig, of prettig zijn, maar niet echt nodig. Daarom worden die niet vergoed. Grenzen aan de verstrekking De richtlijn voor de verstrekking zegt dat de goedkoopste voorziening die het resultaat bereikt, wordt vergoed. Wil een inwoner een andere rolstoel die duurder is dan moet de inwoner zelf het verschil betalen.

De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten.

Wenst zorgvrager een “luxere” uitvoering dan komen de meerkosten voor zijn rekening. Aanpassingen aan, dan wel accessoires voor een rolstoel horen bij de verstrekking voor zover die noodzakelijk zijn voor het te bereiken resultaat. In het geval van verhuizing van de zorgvrager naar Delft, kan de gemeente diens rolstoel overnemen tegen de vast te stellen restwaarde, en voor zover deze is opgenomen in het kernassortiment van de gemeente. In het omgekeerde geval kan de rolstoel ook door een andere gemeente worden overgenomen. Kosten van onderhoud, keuring, verzekering en reparatie van een rolstoel worden geheel vergoed tenzij sprake is van schade door verwijtbaar gedrag van zorgvrager of zijn gezinsleden. Kosten voor het opladen van de accu van een elektrische rolstoel worden niet vergoed. Artikel 12 artikel 12 Sportvoorziening Een sportvoorziening is een voorziening voor sportbeoefening die als maatwerkvoorziening of als een tegemoetkoming verstrekt kan worden. Sporten is een manier om medemensen te ontmoeten en sociale verbanden aan te gaan. Een sportrolstoel is een voorziening om te kunnen sporten. Wanneer een cliënt niet kan sporten zonder specifieke sportrolstoel kan hiervoor een voorziening worden toegekend. De cliënt moet lid zijn van een (gehandicapten)sportvereniging waar hij of zij regelmatig traint dan wel de sport beoefent.

Wanneer de sportvereniging beschikt over rolstoelen die cliënt kan gebruiken hoeft geen sportrolstoel te worden toegekend. De sportrolstoel is bedoeld voor recreatieve sportbeoefening. Waar het gaat om professionele of topsport kan er van uit gegaan worden dat cliënt beschikt over geschikte voorzieningen. Artikel 13 artikel 13 Kortdurend verblijf Kortdurend verblijf, ook wel logeeropvang genoemd, is tijdelijke verblijfszorg die wordt geboden ter ontlasting van de mantelzorg. De zorg omvat de benodigde begeleiding, bescherming, alarmering en servicekosten (inclusief maaltijden). Bij kortdurend verblijf woont een cliënt thuis maar logeert hij/zij voor korte periodes in een instelling. Kortdurend verblijf kan worden ingezet als het noodzakelijk is de persoon te ontlasten die normaal gesproken (mantel) zorg aan de cliënt levert. Daarnaast moet de cliënt zijn aangewezen op zorg met permanent toezicht. Kortdurend verblijf wordt aan de hand van het ondersteuningsplan en het zorgplan geïndiceerd waarbij een aantal etmalen wordt vastgelegd voor

Het kan gebeuren dat iemand naar Delft verhuist en al een rolstoel vanuit de Wmo heeft. Dan kan de gemeente de rolstoel kopen van de gemeente waar de persoon vandaan komt. Dat kan alleen als de rolstoel in het kernassortiment van Delft voorkomt. De gemeente Delft betaalt dan de restwaarde. Als een inwoner verhuist naar een andere gemeente kan de rolstoel aan de andere gemeente worden verkocht. Kosten van onderhoud, keuring, verzekering en reparatie van een rolstoel worden geheel vergoed tenzij sprake is van schade door verwijtbaar gedrag van zorgvrager of zijn gezinsleden. Kosten voor het opladen van de accu van een elektrische rolstoel worden niet vergoed.

artikel 12 Sportvoorziening Een sportvoorziening is een voorziening waardoor de inwoner kan sporten. Dit kan als maatwerkvoorziening, of als een tegemoetkoming (geld) worden gedaan. Sporten is een manier om mensen te ontmoeten en sociale contacten te leggen. Als een cliënt niet kan sporten zonder specifieke sportvoorziening kan hiervoor een voorziening worden toegekend. Bijvoorbeeld een speciale rolstoel, of een zit-ski. Iedere cliënt die regelmatig wil sporten, zowel alleen als in teamverband kan in aanmerking komen voor een sportvoorziening. Als de sportvereniging voorzieningen heeft die de cliënt kan gebruiken dan is een sportvoorziening niet nodig. De sportvoorziening is niet bedoeld voor topsport, of professioneel sporten. In die gevallen verwachten we dat dat de cliënt de nodige voorzieningen al heeft. Of dat de professionele vereniging die voorzieningen regelt.

De leesbaarheid is verbeterd. Ook is het iets anders opgeschreven, zodat ook mensen die alleen sporten deze voorziening kunnen krijgen

artikel 13 Kortdurend verblijf Als mantelzorgers tijdelijk of permanent niet meer in staat zijn om mantelzorg te bieden, zal een maatwerkvoorziening kortdurend verblijf of logeeropvang nodig zijn. Voor de beoordeling of er sprake is van een noodzaak maakt de gemeente gebruik van de Handreiking respijtzorg. In de Handreiking respijtzorg staat welke mogelijkheden de gemeente heeft om de mantelzorger in een situatie van (dreigende) overbelasting te ontlasten.

De toelichting is helemaal herschreven. Er wordt nu onder andere verwezen naar het gebruik van de handreiking respijtzorg

een daarbij afgesproken periode. De cliënt mag over de periode van maximaal een jaar de geïndiceerde etmalen opsparen. Dit is van belang om bijvoorbeeld een iets langere periode van de voorziening gebruik te maken om zo de mantelzorger op vakantie te laten gaan. De omvang van kortdurend verblijf bedraagt maximaal 3 etmalen per week, anders is er sprake van opname waarbij een Wlz-indicatie nodig is. Artikel 14 artikel 14 Ontmoetingscentra De ontmoetingscentra richten zich op ondersteuning van mantelzorgers en mensen in een sociaal isolement, gebrek aan regie, met somatische klachten en mensen met dementie, om overbelasting te voorkomen en mensen langer thuis te laten wonen. Middels de ontmoetingscentra moet een soepele overgang naar de Wlz mogelijk zijn zonder van locatie te hoeven veranderen. Er wordt gewerkt volgens de effectieve interventie. De ondersteuning vanuit ontmoetingscentra bestaat uit: • Wenperiode en ondersteuning van de mantelzorger: Kennis maken met het gebruik van de ontmoetingscentra. De kennismaking is tijdelijk, minimaal 2 en maximaal 6 weken en maximaal 10 dagdelen. • Reguliere deelname: Na beoordeling reguliere deelname aan de ontmoetingscentra.

Artikel 15 artikel 15 Beschermd wonen en Beschermd thuis Delft voert namens de regiogemeenten Westland, Midden-Delfland en Pijnacker-Nootdorp de toegang tot de maatwerkvoorzieningen Beschermd wonen en Beschermd thuis, uit. Deze maatwerkvoorzieningen betreffen inwoners met psychische en psychiatrische problematiek die niet zelfstandig kunnen wonen dan wel zeer beperkt zijn in hun zelfredzaamheid.

HOOFDSTUK 4 PERSOONSGEBONDEN BUDGET Artikel 16 artikel 16 Regels voor PGB In het eerste lid is een verwijzing opgenomen naar het centrale pgbartikel (2.3.6) van de wet. Dit lid is opgenomen teneinde in de verordening een compleet beeld van rechten en plichten van de cliënt te geven. In het eerste lid is verankerd dat het college op grond van artikel

artikel 14 Ontmoetingscentra De ontmoetingscentra ondersteunen mantelzorgers en mensen met problemen. Bijvoorbeeld: een sociaal isolement, gebrek aan regie, lichamelijke klachten en dementie. De ondersteuning voorkomt overbelasting. Overbelasting wordt vastgesteld door een dokter. Zo kunnen mensen langer thuis wonen.De ontmoetingscentra zijn plekken waar ook Wlz-zorg gegeven wordt. Daardoor is een soepele overgang naar die zorg mogelijk. Het is dan niet nodig dan een cliënt naar een andere plek gaat. Er wordt gewerkt volgens de effectieve interventie. De ondersteuning vanuit ontmoetingscentra bestaat uit: • Wenperiode en ondersteuning van de mantelzorger: Kennis maken met het gebruik van de ontmoetingscentra. De kennismaking is tijdelijk, minimaal 2 en maximaal 6 weken en maximaal 10 dagdelen. • Tot en met zes dagdelen per week is de voorziening ontmoetingscentra een algemene voorziening en hierdoor zonder indicatie toegankelijk. • Reguliere deelname: Deelname vanaf zeven dagdelen per week. Hiervoor is een beoordeling nodig.

De leesbaarheid is verbeterd. Ook is dit artikel aangepast omdat het ontmoetingscentrum een algemene voorziening is geworden. Toegevoegd is dat overbelasting wordt bepaald door een dokter.

artikel 15 Beschermd wonen, beschermd thuis en beschermd thuis geclusterd Delft voert de toegang tot de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen, beschermd thuis en beschermd thuis geclusterd uit. Delft doet dat namens de regiogemeenten Westland, Midden-Delfland en Pijnacker-Nootdorp. Deze maatwerkvoorzieningen zijn er voor inwoners met psychische- en psychiatrische problemen die niet zelfstandig kunnen wonen, of die weinig zelfredzaam zijn.

Beschermd thuis geclusterd is opgenomen

artikel 16 Regels voor PGB In het eerste lid staat een verwijzing naar het centrale pgb-artikel van de wet (artikel 2.3.6). Dit lid is staat er om in de verordening duidelijk de rechten en plichten van de cliënt te geven. In het eerste lid staat dat het college op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb kan verstrekken. Het college is

De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten. Onderaan is toegevoegd wat wordt verstaan onder de voorwaarde dat zorg

De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten

2.3.6 van de wet een pgb kan verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103). Artikel 16, lid 2 tot en met 9 stonden voorheen in de beleidsregels. De wet biedt zorgvragers of hun wettelijk vertegenwoordigers de mogelijkheid om hun zorg in te kopen met behulp van een persoonsgebonden budget (pgb). Het pgb is een verstrekkingsvorm die bij uitstek geschikt is voor mensen die zelf de regie over hun leven kunnen voeren. Het pgb is per definitie ‘maatwerk’ en een goed alternatief voor cliënten die binnen de bestaande voorzieningen geen of onvoldoende passende zorg vinden. Bij de aanvraag van een maatwerkvoorziening kan de klant aangeven dat hij de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wenst. Vervolgens ontvangt hij schriftelijk informatie waarin wordt aangegeven de soort en omvang van de maatwerkvoorziening. Aan de hand van die informatie moet hij een budgetplan opstellen en bij de gemeente indienen.

Daarna vindt de beoordeling van het budgetplan plaats. Aan het verstrekken van een pgb is wel een aantal voorwaarden verbonden. Deze zijn in artikel 16 opgenomen.

Artikel 17 artikel 17 Hoogte PGB In artikel 17 is de wijze waarop de hoogte van een pgb door het college wordt vastgesteld vastgelegd (zoals verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet). Het betreft de substantiële materiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s, die iedere keer als uitgangspunt genomen wordt. Een op basis van deze berekeningswijze vastgesteld budget moet de cliënt in staat stellen de diensten, hulpmiddelen,

zelfs verplicht een pgb te verstrekken, als aan de voorwaarden is voldaan. Het is belangrijk dat alleen een pgb wordt verstrekt als de cliënt dit gemotiveerd vraagt. Dat wil zeggen vraagt en toelicht. (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b). De eis om toe te lichten is er zodat het duidelijk is dat de aanvrager zelf kiest voor een pgb. (Zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103). Artikel 16, tweede lid tot en met negende lid De wet biedt zorgvragers, of hun wettelijk vertegenwoordigers, de mogelijkheid om hun zorg in te kopen met een persoonsgebonden budget (pgb). Het pgb is per definitie ‘maatwerk’. Het is daarom handig voor cliënten die geen, of onvoldoende passende zorg vinden in de bestaande voorzieningen. Bij de aanvraag van een maatwerkvoorziening kan de cliënt aangeven dat hij een pgb wenst. De cliënt ontvangt dan schriftelijk informatie waarin staat wat de soort en omvang is van de maatwerkvoorziening. Met die informatie moet de cliënt een budgetplan opstellen. De cliënt dient dat plan daarna bij de gemeente in. Daarna vindt de beoordeling van het budgetplan plaats. Aan een pgb hangen voorwaarden. Deze staan in artikel 16.

structureel en van aanzienlijke omvang moet zijn. Er is een toelichting op het vijfde licht toegevoegd, Hierin wordt extra benadrukt dat het toepassen van artikel 16 maatwerk is, waarbij wordt gekeken naar de menselijke maat.

Daarmee garandeert de gemeente dat de inzet van een pgb doeltreffend is, zoals de wet voorschrijft. Vijfde lid In dit lid staat welke reden er kunnen zijn om een PGB niet af te geven, of in te trekken. In veel gevallen gaat het erom dat het college geen besluit kan nemen over een pgb als niet alle informatie er is die het college daarvoor nodig heeft. Het kan ook voorkomen dat een cliënt onbewust verkeerde informatie geeft. In dat geval is er gelegenheid voor de cliënt om de informatie aan te passen. In ieder geval geldt dat het college op basis van de Wet verplicht is ondersteuning te verlenen. Als een cliënt daarvoor niet de goede informatie geeft dan zal dat meer tijd kosten, maar het ontslaat het college niet van haar verplichting.

artikel 17 Hoogte PGB In artikel 17 staat hoe de hoogte van een pgb wordt bepaald (de wet zegt in dat dit in de verordening moet staan. Zie artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet). Het is een berekeningswijze die een koppeling houdt tussen de pgb en vergelijkbare zorg in natura. Met een budget dat op deze manier is vastgesteld, moet een cliënt alles wat hij nodig heeft kunnen inkopen. (dat staat ook in artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet). Het college kan altijd een pgb weigeren als de kosten hiervan

De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten. Ook staat opgenomen dat de tarieven voortaan in de Nadere regels staat

woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren van derden te betrekken (artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet). Met dien verstande dat het college een pgb kan weigeren voor zover de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura (artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder a, van de wet). Dit alles laat onverlet dat het college bevoegd is om een lager tarief te hanteren dan het gehanteerde tarief voor zorg in natura, mits dat tarief de cliënt maar in staat stelt om tijdig de noodzakelijke kwalitatief goede maatschappelijke ondersteuning van derden te betrekken. Een grond om een lager tarief te hanteren zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat de maatschappelijke ondersteuning zal worden betrokken van een solistisch (zelfstandig) werkende aanbieder met aanzienlijk lagere overheadkosten dan grotere aanbieders die namens het college de zorg in natura verlenen. Het is telkens aan het college om te onderbouwen hoe in de betreffende situatie de hoogte van het pgb is bepaald en om te onderzoeken of – en te onderbouwen dat – het budget inderdaad toereikend is om de benodigde maatschappelijke ondersteuning tijdig van derden te kunnen betrekken. Met andere woorden, de bewijslast met betrekking tot de ‘toereikendheid’ ligt bij de gemeente. Het is evenwel aan de betrokkenen om eventuele bijzonderheden aan te kaarten.

Met het hanteren van de in de verordening neergelegde berekeningswijze, dan wel tarieven wordt de hoogte van een pgb in belangrijke mate bepaald door wat het de gemeente zou kosten als het de betreffende maatwerkvoorziening in natura zou verstrekken (‘de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura’). De tarieven die de gemeente hiervoor overeen is gekomen met aanbieders – evenals de tariefdifferentiatie – kunnen opgenomen worden in de beleidsregel, maar uitdrukkelijk als uitgangspunt. Niet als ‘harde’ vaststaande tarieven. Dat strookt immers enerzijds niet met het karakter van de beleidsregel en anderzijds niet met het uitgangspunt dat er telkens maatwerk geleverd moet worden. Als in een individueel geval aantoonbaar is dat berekeningswijze van de verordening – met toepassing van deze tarieven – leidt tot een pgbhoogte waarmee de cliënt niet in staat is de benodigde maatschappelijke ondersteuning van derden te betrekken, dan wordt er in dat geval van de tarieven afgeweken. Uiteraard nog steeds met de kanttekening dat het college een pgb kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de maatschappelijke ondersteuning van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura.

Achtste lid Een kleinschalig wooninitiatief betreft een woonvoorziening waarbij minimaal 3 en maximaal 26 bewoners op 1 adres, of binnen een straal van 100 meter wonen, waarin ten minste één gemeenschappelijke verblijfsruimte aanwezig is die geschikt is voor het ontplooien van gezamenlijke activiteiten. HOOFDSTUK 5 BIJDRAGE IN DE KOSTEN

hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura (artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder a, van de wet). Het college mag een lager bedrag voor een pgb geven. Dat mag alleen als de cliënt met dat bedrag wel de zorg kan inkopen die hij nodig heeft. Een lager bedrag kan bijvoorbeeld als de zorg wordt geleverd door een ZZP’er. Die heeft minder kosten dan een grotere zorgorganisatie. Het is de verantwoordelijkheid van het college om te bewijzen dat de hoogte van het pgb voldoende is om de zorg in te kopen. De bewijslast ligt bij het college. De cliënt, of de zorgverlener moeten het aangeven als zij vinden dat een pgb niet voldoende is. Door deze manier van berekenen te gebruiken wordt de hoogte van een pgb vooral bepaald door wat het alternatief in natura kost. De tarieven die de gemeente met aanbieders heeft afgesproken kunnen in de Nadere regels worden gezet. Ook de verschillen tussen verschillende tarieven (de tariefdifferentiatie) wordt in de Nadere regels gezet. Wat wordt opgeschreven zijn uitgangspunten. Geen vaststaande tarieven. Dat is logisch omdat het gaat om maatwerk. Het kan gebeuren dat de hoogte van het pgb niet voldoende is. Dat is het geval als de cliënt kan laten zien dat hij niet alle zorg kan inkopen die hij nodig heeft. In dat geval wordt de hoogte van het pgb aangevuld, zo dat dit wel kan.

Ook als dat betekent dat afgeweken wordt van de tarieven. Het college kan het pgb weigeren als het met zorg in natura goedkoper kan.

Artikel 18 artikel 18 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb’s Bijdrage in de kosten De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s, bij verordening aangewezen algemene voorzieningen waarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de hulpverlener (hierna: bij verordening aangewezen algemene voorzieningen) enerzijds en algemene voorzieningen waarbij geen sprake is van een dergelijke duurzame hulpverleningsrelatie anderzijds. Wanneer de gemeente ervoor kiest om een eigen bijdrage te heffen, geldt voor maatwerkvoorzieningen en pgb’s en voor bij verordening aangewezen voorzieningen het abonnementstarief van in totaal maximaal € 19,00 per maand. Het CAK stelt de eigen bijdrage vast en int deze. Welke voorzieningen bij verordening worden aangewezen moet worden opgenomen in de verordening (derde lid). De wet maakt een uitzondering voor de kosten van (collectief) vervoer, zowel in de vorm van een maatwerkvoorziening als in de vorm van algemene voorziening. De gemeente moet in de verordening aangeven of het (collectief) vervoer wel of niet onder het abonnementstarief valt (vijfde lid). De gemeente moet in de verordening opnemen hoe de kostprijs van een voorziening wordt bepaald.

De kostprijs wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling (bruikleen/lease, huur of koop (zesde lid). Voor de eigen bijdrage voor maatschappelijke- en vrouwenopvang kan de gemeente een andere instantie aanwijzen dan het CAK (zevende lid). Als een cliënt die zich in de opvang bevindt ook nog steeds financiële verplichtingen heeft t.a.v. een woning en/of met een partner en/of kinderen in de opvang verblijft, wordt een lagere eigen bijdrage vastgesteld (achtste lid). Dit gebeurd tweejaarlijks middels de Normenkaart BVT-KCC. Artikel 19 artikel 19 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen Voor een algemene voorziening waarbij geen sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie mag de gemeente de hoogte van de eigen bijdrage zelf bepalen tot maximaal de kostprijs. De gemeente moet van iedere algemene voorziening waarvoor een eigen bijdrage wordt gevraagd de hoogte van deze eigen bijdrage in de verordening opnemen. De gemeente heeft ervoor gekozen voor de basisvoorziening hulp bij het huishouden een eigen bijdrage te heffen van € 5,- per uur. Vaststellen kostprijs De wet verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet), een bij verordening aangewezen algemene voorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet) en een algemene voorziening (artikel 2.1.4, zesde lid, van de wet).

Dat kan op drie manieren en deze zijn vastgelegd in artikel 12,

artikel 18 Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen Bijdrage in de kosten De wet kent 2 soorten bijdragen in de kosten. ., Voor een bij verordening aangewezen algemene voorzieningen waarbij er een duurzame hulpverleningsrelatie tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de hulpverlener (hierna: bij verordening aangewezen algemene voorzieningen) en voor een algemene voorzieningen waarbij er geen duurzame hulpverleningsrelatie is. Als de gemeente een eigen bijdrage van de cliënt eist, geldt voor maatwerkvoorzieningen en pgb’s en voor bij verordening aangewezen voorzieningen het abonnementstarief, zoals omschreven in artikel 2.1.4, 3e lid, en 2.1.4a, 4e lid, Wmo 2015. Het CAK stelt de eigen bijdrage vast en int deze zelf. In de verordening moet worden opgenomen welke voorzieningen worden aangewezen. Voor de kosten van (collectief) vervoer maak de wet maakt een uitzondering. Dat geldt voor vervoer als maatwerkvoorziening en voor vervoer als algemene voorziening. De gemeente moet in de verordening zetten of het (collectief) vervoer onder het abonnementstarief valt (vijfde lid). De gemeente moet in de verordening zetten hoe de kostprijs van een voorziening wordt bepaald. De kostprijs wordt onder andere bepaald door de manier waarop de voorziening beschikbaar wordt gesteld. Dat kan bijvoorbeeld zijn door bruikleen, lease, huur, of koop.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14004345/1