Was wordt tabel Verordening maatsch. onderst. Delft 2024
Tekst van het document
(zesde lid). De aanbieder van de maatschappelijke opvang en vrouwenopvang bepaalt zelf de hoogte van de eigen bijdrage en int deze ook zelf. (zevende lid). Als een cliënt in de opvang nog kosten heeft voor een woning waarvan hij hoofdbewoner dan betaalt hij minder eigen bijdrage. Een cliënt betaalt ook minder eigen bijdrage als hij met een partner en/of kinderen in de opvang blijft. (achtste lid). .
In deze toelichting is beschreven hoe de tarieven voortaan in de nadere regels zullen staan. De naam van het artikel is aangepast De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten
artikel 19. Hoogte bijdrage in de kosten Voor een algemene voorziening waarbij er geen duurzame hulpverleningsrelatie is, mag de gemeente de hoogte van de eigen bijdrage zelf bepalen. De eigen bijdrage is maximaal de kostprijs gemeente kiest ervoor bij de basisvoorziening hulp bij het huishouden een eigen bijdrage te heffen. De hoogte van de eigen bijdrage staat in de nadere regels. Vaststellen kostprijs De wet verplicht de gemeente de kostprijs vast te stellen van: - een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet); - een bij verordening aangewezen algemene voorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet), en; - een algemene voorziening (artikel 2.1.4, zesde lid, van de wet).
De titel van het artikel is aangepast. De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten
zevende lid, onder a, en artikel 13, tweede lid (door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder). In artikel 18, zesde lid, onder b, is opgenomen dat de kostprijs van een voorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing ook bepaald wordt door de wijze van verstrekken van de voorziening te weten bruikleen, huur of eigendom. Het is van belang dat de eigen bijdrage van € 19,00 per maand de kostprijs van de voorziening niet te boven mag gaan. Dit zal zeker bij de voorzieningen waar een dienst wordt geleverd nooit het geval zijn. Het zou wel kunnen voorkomen bij een hulpmiddel of woningaanpassing. Wanneer deze in eigendom wordt verstrekt, kan er een moment komen dat de kostprijs is betaald. Het CAK ziet toe op het niet overschrijden van de kostprijs. De gemeente mag voor die voorziening dan geen eigen bijdrage meer heffen. Wanneer de voorziening in bruikleen of huur is verstrekt, kan de eigen bijdrage worden geheven zolang de cliënt van de voorziening gebruik maakt.
Hoofdstuk 6 Kwaliteit Artikel 20 artikel 20 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. In het eerste lid is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. GGD Haaglanden is aangewezen als toezichthouder kwaliteit Wmo. Om de kwaliteit van voorzieningen te kunnen toetsen is de kwaliteitsstandaard Wmo ontwikkeld (tweede lid). Het in het vierde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet. Artikel 21 artikel 21Kwaliteitseisen pgb De gemeente is geen contractpartner bij de verstrekking van een PGB, maar is wel vanuit de wet verantwoordelijk voor de kwaliteit van de ondersteuning die wordt geboden. Om deze kwaliteit te kunnen toetsen en erop te kunnen handhaven is in artikel 21 een lijst met kwaliteitseisen opgenomen waaraan de PGB gefinancierde aanbieder of zorgverlener
Dat kan op drie manieren; door een aanbesteding, na het raadplegen van de markt, of na overleg met de aanbieder. Die manieren zijn vastgelegd in artikel 12, zevende lid, onder a, en artikel 13, tweede lid. De kostprijs van een hulpmiddel, of woningaanpassing wordt ook bepaald door de manier waarop die wordt verstrekt. Dat kan zijn door huur, bruikleen, of eigendom. (Dit staat in artikel 18, zesde lid, onder b.) De eigen bijdrage voor een voorziening mag niet hoger zijn dan de kostprijs. Bij een hulpmiddel of woningaanpassing die in eigendom wordt gegeven kan na een tijd de eigen bijdrage optellen tot de kostprijs. Dan moet de eigen bijdrage stoppen. Het CAK let op wanneer de kostprijs is betaald. Het college moet dan stoppen met het innen van de eigen bijdrage. Dus als zonder de rolstoel een inwoner in en om zijn eigen huis niet zelfstandig kan bewegen. Als de voorziening in bruikleen of huur is verstrekt, kan de eigen bijdrage worden gevraagd zolang de cliënt van de voorziening gebruikt.
artikel 20 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning De wet zegt dat in de verordening moet staan welke kwaliteit voorzieningen moeten hebben. Dat staat in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet. In het eerste lid staan die kwaliteitseisen. De eerste eis is dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend. Deze geeft de gemeente de ruimte om kwaliteitsstandaarden voor ondersteuning te ontwikkelen. Dat gebeurt in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders. GGD Haaglanden is aangewezen als toezichthouder kwaliteit Wmo. De kwaliteit moet ook worden gecontroleerd. Om te kunnen weten of de kwaliteit voldoende is wordt gewerkt met de kwaliteitsstandaard Wmo (tweede lid). In het vierde lid staat het jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek. De wet verplicht dit. Dat staat in artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet.
De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten
artikel 21 Kwaliteitseisen pgb De gemeente is geen contractpartner bij de verstrekking van een PGB. Wel is de de gemeente verantwoordelijk voor de kwaliteit van de ondersteuning die wordt geboden. De wet geeft de gemeente die verantwoordelijkheid. In artikel 21 staat een lijst met kwaliteitseisen. De gemeente kan met deze lijst controleren of de zorg goed genoeg is. Is de zorg niet goed genoeg dan handhaaft de gemeente (grijpt de gemeente in). De eisen aan een instelling
De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten
moet voldoen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een “instelling”, een zelfstandige zorgverlener en de zorgverlener uit het eigen netwerk. Artikel 22 artikel 22 Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden Algemeen Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, van de wet, in artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 gestelde nadere regels. Dat artikel bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen. Gemeenten kunnen meer zaken hieromtrent regelen; een uitputtende regeling is in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 niet bedoeld.
De regels hebben tot doel dat een vaste prijs of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die in opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur (artikel 2.1.1 van de wet) en de gecontracteerde aanbieders (artikel 3.1 van de wet). Er wordt gerefereerd aan het begrip voorziening dat op grond van artikel 1.1.1 van de wet zowel een algemene voorziening als maatwerkvoorziening kan betekenen. Daarnaast ziet dit artikel enkel op diensten als onderdeel van een voorziening. Dat betekent een beperking van de reikwijdte. De eis voor de continuïteit, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 ziet enkel op diensten die in het kader van een maatwerkvoorziening wordt geleverd. Dit volgt uit artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet. Voor de volledigheid wordt vermeld dat het artikel alleen toeziet op overeenkomsten die het college sluit met derden over opdrachten in het kader van de uitvoering van deze wet. Het toekennen van een subsidiebeschikking is niet het sluiten van een overeenkomst voor een opdracht voor een dienst. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en artikel 20 zien dan ook niet toe op subsidies.
Denk hierbij aan veelal kleine welzijnssubsidies die een gemeente verstrekt aan bewoners of vrijwilligersorganisaties. Vanzelfsprekend kan het college bij de bepaling van het toe te kennen subsidiebedrag wel gebruik maken van de genoemde kostprijselementen. Op grond van artikel 5.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 dient het college voor het vaststellen van de vaste prijs of reële prijs rekening te houden met de vastgestelde kwaliteit van de dienst en de continuïteit in de relatie tussen cliënt en hulpverlener. Met het derde lid
zijn anders dan de eisen aan een zelfstandige zorgverlener, of een zorgverlener uit het eigen netwerk.
artikel 22 Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden Algemeen Het college kan de uitvoering van de wet door derden (aanbieders) laten doen. Alleen het vaststellen van de rechten en plichten van de cliënt moet het college zelf doen. Dat staat zo in de wet; (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Als een voorziening door aanbieders wordt geregeld, moet het college regels stellen. Die regels zorgen ervoor dat er een goede verhouding is tussen de prijs en de kwaliteit. Die regels worden vastgelegd in de verordening. Ook dat staat in de wet; (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Bij het stellen van die regels moet het college rekening houden met de deskundigheid van de beroepskrachten. Ook moet het college rekening houden met de arbeidsvoorwaarden van de aanbieders. Het college doet dat op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, van de wet, in artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 gestelde nadere regels. Dat artikel bepaalt de minimale eisen voor een goede prijs-kwaliteitverhouding. Gemeenten kunnen meer regelen dan de wet voorschrijft. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 heeft niet de bedoeling alle mogelijkheden te geven. De regels zijn bedoeld om een vaste prijs of reële (redelijke, of onderbouwde) prijs te bepalen voor de diensten die aanbieders verlenen in opdracht van het college.
Zo kan worden gegarandeerd dat de diensten goed beschikbaar zijn en de juiste kwaliteit hebben. Dit wordt gegarandeerd door het gemeentebestuur (artikel 2.1.1 van de wet) en de gecontracteerde aanbieders (artikel 3.1 van de wet). Als er het woord voorziening staat, kan dat een algemene voorziening zijn, maar ook een maatwerkvoorziening. Dat staat in artikel 1.1.1 van de wet. Dit artikel gaat alleen over die diensten die onderdeel zijn van een voorziening. De eis voor de continuïteit, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 gaat alleen over diensten die als onderdeel van een maatwerkvoorziening worden geleverd. Dat staat in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet. Het artikel gaat alleen over situaties waar het college een contract heeft met aanbieders en waar die aanbieders opdrachten uitvoeren voor het college om de wet uit te voeren. Als het college een subsidie geeft aan een aanbieder is dat geen contract. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en artikel 22 gaan daarom niet over subsidies. Het college moet bij het vaststellen van de prijs voor een dienst rekening houden met de kwaliteit ervan en met de relatie tussen de cliënt en de zorgverlener. Bijvoorbeeld of deze relatie al langer bestaat ook voor de
De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten
van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt een vaste prijs of reële prijs nader gedefinieerd en geconcretiseerd, zodat kan worden beoordeeld of in redelijkheid de kostprijselementen zijn verdisconteerd in een reële prijs. De kostprijselementen waar het college ten minste een vaste prijs of reële prijs op moet baseren staan hierin vermeld en zijn opgenomen in het derde lid van artikel 21. Het betreft de kosten van de beroepskracht, redelijke overheadkosten en overige kostprijselementen. Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht (derde lid, onderdeel a, - een beroepskracht is een natuurlijk persoon die de ondersteuning uitvoert; dit kan zowel een zelfstandige zonder personeel zijn als een werknemer), waaronder de loonkosten en overige kosten voortvloeiend uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en de overige kosten van wettelijke verplichtingen verbonden aan het leveren van een dienst. Het gaat hierbij onder meer om wettelijke verplichtingen als werkgeverspremies, wettelijke sociale verzekeringen en pensioenpremies, wettelijk verlof, wettelijke verplichtingen op het gebied van arbeidsomstandigheden en overige wettelijke verplichtingen die het leveren van de dienst met zich meebrengt.
Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden (de eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, zie artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet). Het college zal zich dus een beeld moeten vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing en daarmee gelden de bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector. Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer (immers de gemeente is al gebonden aan één kwaliteitsniveau) en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren.
Bij een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst kan bij een Europese aanbesteding hetzelfde niveau aan arbeidsvoorwaarden worden geëist. Immers via de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (Waga) waarmee de Europese Detacheringsrichtijn is omgezet in Nederlandse wetgeving, zijn de kernbepalingen van deze algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten ook van toepassing op gedetacheerde werknemers van dienstverleners uit andere EU-lidstaten die hier (tijdelijk) werken. Indien er geen sprake is
zorgrelatie er was. Dat staat in artikel 5.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Met het derde lid van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt een vaste prijs of reële prijs beter beschreven. Hierdoor kan worden bekeken of de kostprijs elementen goed zijn verwerkt. De kostprijselementen die het college in ieder geval moet gebruiken om een vaste prijs of reële prijs vast te stellen staan in het derde lid van artikel 22. Het gaat om de kosten van de beroepskracht, redelijke overheadkosten en overige kostprijselementen. Een vaste prijs of reële prijs is opgebouwd uit meerdere onderdelen. Een van die onderdelen is de kosten van de beroepskracht. (derde lid, onderdeel a, een beroepskracht is een natuurlijk persoon die de ondersteuning uitvoert; dit kan zowel een zelfstandige zonder personeel zijn als een werknemer). De kosten voor de beroepskracht bestaan uit loonkosten en alle andere kosten die betaald moeten worden omdat de wet, of de CAO (collectieve arbeidsovereenkomst) dat zegt. In juridische taal: waaronder de loonkosten en overige kosten voortvloeiend uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en de overige kosten van wettelijke verplichtingen verbonden aan het leveren van een dienst.
Het gaat hierbij onder meer om wettelijke verplichtingen als werkgeverspremies, wettelijke sociale verzekeringen en pensioenpremies, wettelijk verlof, wettelijke verplichtingen op het gebied van arbeidsomstandigheden en overige wettelijke verplichtingen die het leveren van de dienst met zich meebrengt. De wet gaat ervanuit dat de beroepskrachten worden ingezet tegen de arbeidsvoorwaarden (bijvoorbeeld de hoogte van het salaris) die passen bij de vaardigheden die nodig zijn om de dienst goed uit te voeren. (de eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, zie artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet). Het college moet dus ongeveer weten welke vaardigheden voor welke dienst nodig zijn en welke kosten daarbij horen. Het college bepaalt de prijs op basis va de CAO die geldt voor de sector die het werk uitvoert. (In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing en daarmee gelden de bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector. Van het college wordt verwacht dat ze een reële kostprijs gebruiken. Dus een kostprijs die gebaseerd is op arbeidsvoorwaarden die op de sector van toepassing zijn. Ook als er geen CAO is (bijvoorbeeld bij buitenlandse werknemers, of zelfstandigen.
Het college moet ook de opbouw van de kostprijs uitleggen. Bij een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst kan bij een Europese aanbesteding hetzelfde niveau aan
van een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst en de werkgever geen partij is bij een afgesloten bedrijfstak-cao gelden de wettelijke minimumnormen zoals opgenomen in de Wet minimumloon en vakantiebijslag. Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten (derde lid, onderdeel b), een voor de sector reële mate van niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg (derde lid, onderdeel c), reis- en opleidingskosten (derde lid, onderdeel d), indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst (derde lid, onderdeel e) en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen (derde lid, onderdeel f). Vanuit het oogpunt van kostenbeheersing kunnen colleges en derden afspraken maken om bepaalde kostenverhogende activiteiten die niet aan de directe dienstverlening zijn gerelateerd zoals gemeentelijke rapportageverplichtingen niet meer te doen of de administratieve lasten terug te brengen. Dergelijke afspraken tussen het college en derden kunnen een reële prijs verlagen. Het vaststellen van een reële prijs door het college sorteert pas effect als duidelijk is voor welk proces het college die prijs dient te gebruiken.
De vastgestelde reële prijs dient daartoe zijn plaats te krijgen in de aanbestedingsprocedure en in de overeenkomst met de derde. Er moet na gunning nog een overeenkomst met de betrokken ondernemer worden gesloten. De mededeling van de gunningsbeslissing betekent immers nog niet dat een overeenkomst tot stand is gekomen (zie ook artikel 2.129 van de Aanbestedingswet 2012). Het college dient op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet, de overheidsopdracht te gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving. Overigens kan het college in afwijking van artikel 2.114, tweede lid, van de Aanbestedingswet 2012 een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4, derde lid, van de wet). Het college moet bij het criterium “economisch meest voordelige inschrijving” in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria hij toepast met het oog op de toepassing van dat criterium (artikel 2.115 van de Aanbestedingswet 2012). Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen. De toepassing van het criterium “prijs” betekent dat de inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium.
De vastgestelde reële prijs wordt opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis zodat een inschrijving geen prijs bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs. De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open. Aan dit besluit moet een zorgvuldige afweging ten grondslag liggen (artikel 3:4 van de
arbeidsvoorwaarden worden geëist. Dat is vastgelegd in de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (Waga) waarmee de Europese Detacheringsrichtijn is omgezet in Nederlandse wetgeving. Die zegt dat een Nederlandse CAO ook geldt voor buitenlandse werknemers (uit de EU) die in Nederland werken. Als er geen COA is (geen algemeen verbindende en de werkgever heeft geen bedrijfstak-CAO) dan gelden de wettelijke minimale normen die staan in de Wet minimumloon en vakantiebijslag. Naast de kosten van de beroepskracht bestaat een reële prijs ook uit andere kosten. Namelijk de redelijke mate van overheadkosten (derde lid, onderdeel b), een voor de sector reële mate van niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg (derde lid, onderdeel c), reis- en opleidingskosten (derde lid, onderdeel d), indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst (derde lid, onderdeel e) en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen (derde lid, onderdeel f). Het college en de aanbieder kunnen afspraken maken om de kosten te verlagen. Bijvoorbeeld door afspraken over hoe de aanbieder rapporteert over het werk dat is gedaan. Ze kunnen geen afspraken maken over het verlagen van kosten die te maken hebben met de directe dienstverlening.
Het vaststellen van een reële prijs door het college heeft alleen nut als duidelijk is voor welke handeling die prijs geldt.. De vastgestelde reële prijs moet daarom een plek krijgen in de aanbiedingsprocedure en de overeenkomst met de derde. Na een aanbesteding wordt er gegund. Een aanbieder krijgt het werk. Op dat moment moet met die aanbieder ook een overeenkomst worden gesloten. (zie ook artikel 2.129 van de Aanbestedingswet 2012). Het college dient op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet, de overheidsopdracht te gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving. In normaal Nederlands ook wel de laagste prijs genoemd. Het college kan ook gunnen op basis van andere voorwaarden. Dat kan alleen als die voorwaarden duidelijk zijn genoemd in de aanbesteding. Elke aparte voorwaarde telt voor een bepaalde hoeveelheid mee in de uiteindelijke keuze. Pijs kan ook als criterium (voorwaarde) meedoen. De inschrijving met de laagste prijs scoort dan het hoogst op dat onderdeel. De door het college bepaalde reële prijs is daarbij een eis die wordt meegenomen. Een inschrijver kan nooit lager bieden dan de bepaalde reële prijs. Als een aanbieder dat toch doet wordt die inschrijving buiten de aanbesteding gehouden. Deze kan dan niet meer winnen.
De reële prijs moet daarom goed worden onderbouwd. Hij speelt immers een grote rol in het bepalen van aanbieders met behulp van aanbestedingen. De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het
Awb). De inschrijvingen die niet voldoen aan de eis van de reële prijs zijn ongeldig. Het college dient ongeldige inschrijvingen ter zijde te leggen, de betrokken ondernemers komen niet meer in aanmerking voor de gunning. Het artikel vormt dus een toetsingskader voor het gunnen van de overheidsopdracht voor maatschappelijke ondersteuning en vult deze bevoegdheden op grond van de Aanbestedingswet 2012 nader in op grond van de artikelen 2.6.4 en 2.6.6 van de wet. Het is dus van belang om de reële prijs goed en objectief te onderbouwen. Deze artikelen vormen een lex specialis ten opzichte van de algemene bevoegdheden van de Aanbestedingswet 2012. Artikel 5.4 van de Aanbestedingswet 2012 maakt geen onderscheid tussen diensten in het kader van een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening. Eerste lid In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen.
Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. Tweede lid Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. Derde lid Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend. De gemeente kan er elementen aan toevoegen. Vierde lid De cliënt kiest een zorgaanbieder waarmee hij/zij samen afspraken maakt over hoe de gewenste resultaten behaald kunnen worden. Deze afspraken worden vastgelegd in het integraal zorgplan.
De aanbieder beschrijft samen met de inwoner hoe de ondersteuning plaatsvindt om de gewenste resultaten te kunnen behalen. In het zorgplan wordt concreet beschreven wat er gedaan wordt om het resultaat te bereiken: 1. welke activiteiten moeten worden verricht, 2. hoeveel tijd nodig is om het resultaat te bereiken, 3. met welke frequentie de activiteiten moeten worden verricht.
college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open. Eerste lid Dit artikel bepaalt dat het college een vast prijs, of een reële prijs bepaalt. Die prijs geldt als ondergrens voor de levering van een dienst door een aanbieder. Als het college een reële prijs vaststelt, mogen aanbieders een hogere prijs vragen. Ze mogen geen lagere prijs vragen dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, geldt die prijs. Tweede lid Bij het vaststellen van de prijs moet het college rekening houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst. Daaronder vallen de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Dat betekent dat de zorg zoveel mogelijk hetzelfde moet blijven voor de persoon die zorg krijgt. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht eerst uitvoerde. Doel van dat overleg is het overnemen van het personeel.
Doordat er een reële prijs wordt betaald, moet het makkelijker zijn om personeel over te nemen tussen aanbieders. Derde lid Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen (onderdelen waaruit de kostprijs is opgebouwd). De opsomming in dit lid is niet uitputtend. De gemeente kan elementen toevoegen. Vierde lid In het ondersteuningsplan staat welke resultaten behaald moeten worden. De cliënt kiest dan een zorgaanbieder om die zorg te verlenen. De cliënt spreek met de aanbieder af hoe die resultaten gehaald worden. Deze afspraken worden in het zorgplan gezet. Daarbij wordt tenminste opgeschreven: 1. welke acties moeten worden uitgevoerd, 2. hoeveel tijd nodig is om het resultaat te bereiken, 3. hoe vaak de acties worden uitgevoerd. De eerste aanbieder kan ook andere partijen (bv welzijnswerk of andere aanbieders) inzetten om het resultaat te bereiken. De eerste aanbieder moet dan wel zorgen dat elke partij het juiste doet. Deze aanbieder noemen we de coördinerende aanbieder. De coördinerende aanbieder schrijft een integraal zorgplan per cliënt en beschrijft wat er gedaan wordt om het gevraagde resultaat te behalen.
De coördinerende aanbieder kan ook andere partijen (bv welzijnswerk of andere aanbieders) inzetten om het resultaat te bereiken. De coördinerende aanbieder schrijft een integraal zorgplan per cliënt en beschrijft wat er gedaan wordt om het gevraagde resultaat te behalen. Binnen tien werkdagen na het ontvangen van een ondersteuningsplan levert de zorgprofessional een getekend zorgplan aan bij de gemeente. Het zorgplan wordt ondertekend door de cliënt en de zorgaanbieder. De ondersteuning van cliënten start vijf werkdagen na het ontvangen van de definitieve opdracht van de gemeente. Hoofdstuk 7 Toezicht en handhaving Artikel 23 artikel 23 Maatregelen onterecht toegekende voorzieningen. Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb. Aan het ‘bestrijden’ van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s gaat als het goed is echter een poging dit te ‘voorkomen’ vooraf. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de cliënt en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen.
Op grond van artikel 2.3.10 van de wet kan het college een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of een pgb intrekken of herzien als: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget is aangewezen, c. de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet meer toereikend is te achten, d. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden, e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt. Het tweede lid bevat een uitwerking van hetgeen al in artikel 2.3.10 van de wet is opgenomen. Herziening en intrekking van een voorziening zijn geformuleerd als een ‘kan’-bepaling. Het college heeft de bevoegdheid maar niet de verplichting om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Of daarvan gebruik wordt gemaakt wordt beoordeeld op basis van de omstandigheden van het geval. Artikel 24 Artikel 24 Maatregelen bij misbruik Met deze regeling wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, en wordt beoogd misbruik van maatwerkvoorzieningen en
De aanbieder die door de cliënt gekozen is, levert een getekend zorgplan in bij de gemeente. Dat gebeurt binnen 10 dagen nadat de aanbieder het ondersteuningsplan heeft gekregen. Het zorgplan wordt ondertekend door de cliënt en de zorgaanbieder. De ondersteuning van cliënten start binnen vijf werkdagen na het ontvangen van de definitieve opdracht van de gemeente.
artikel 23 Maatregelen onterecht toegekende voorzieningen. In dit artikel is de verordeningsplicht uitgewerkt. Die staat in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet. Daarin staat dat de gemeente regels moet stellen om te bestrijden dat een client een maatwerkvoorziening, of pgb krijgt die hij niet nodig heeft. Bestrijden betekent in dit geval optreden als iemand een maatwerkvoorziening, of pgb krijgt die hij niet nodig heeft. Bestrijden betekent ook voorkomen dat die situatie ontstaat. Daarom is in het eerste lid van het artikel de informatieplicht opgenomen. Dat betekent dat de gemeente cliënten goed moet informeren over welke zorg en ondersteuning ze kunnen krijgen.
De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten
Het college kan een maatwerkvoorziening, of pgb intrekken. Ook als die al gegeven is. Het besluit tot verstrekking wordt dan ingetrokken. Dat gebeurt op grond van artikel 2.3.10 van de wet. Het besluit kan ook worden herzien (veranderd). Bijvoorbeeld de hoogte van een pgb kan worden veranderd. In het tweede lid is opgenomen in welke gevallen het college de beslissing kan veranderen en kan intrekken. Het college kan dit doen als: In het tweede lid staat uitgewerkt wat ook in artikel 2.3.10 van de wet staat. Herziening en intrekking (het stopzetten, of veranderen van een gegeven voorziening, of pgb) zijn geformuleerd als een ‘kan’-bepaling. Het college kan het doen, maar het moet niet. Het college kan dat besluit laten afhangen van de omstandigheden
Artikel 24 Maatregelen bij misbruik
De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten.
pgb’s te bestrijden. Als maatregel kan ook uitdrukkelijk terugvordering worden ingezet. In de artikelen 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ In artikel 24 is dan ook een bepaling opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom of in bruikleen verstrekte voorzieningen.
Artikel 25 Artikel 25 Opschorting betaling uit het pgb In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb gepast. Dat is in gevallen voorafgaan aan een mogelijke beëindiging of herziening van een toegekend pgb. Dit biedt ruimte voor nader onderzoek of herstelmaatregelen. Het college doet een verzoek tot opschorting aan de SVB op grond van artikel 2b, zesde lid onder g. van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 alleen als een ernstig vermoeden is gerezen dat: 1) de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, 2)
3)
de cliënt niet voldoet aan de aan het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden, of
de cliënt het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt. Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de cliënt niet langer voldoende in staat is op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen,
In dit artikel staat hoe het college doet wat staat in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet. Het doel is misbruik van een maatwerkvoorziening, of pgb te bestrijden. Het college kan ook geld terugeisen (terugvorderen). In de artikelen 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten (terugeisen van geld om gemaakte kosten mee te verrekenen) opgenomen. Hierin staat ook dat het college geld terug mag eisen als er een maatwerkvoorziening, of pgb onterecht is gegeven. Ook staat hier dat het college een dwangbevel kan gebruiken om het geld terug te eisen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ In artikel 24 staat daarom dat het college voorzieningen kan terugeisen. Dat kan als ze in bruikleen en in eigendom zijn gegeven. Hierbij kijkt het college nadrukkelijk naar de menselijke maat. Als er sprake is van fouten dan kunnen deze worden hersteld.
Als er door fouten van de cliënt geld door het college wordt teruggevraagd dan wordt daarbij gekeken naar een passende regeling om de betaling te doen. Artikel 25 Opschorting betaling uit het pgb In sommige situaties past het om de pgb betaling (tijdelijk) te stoppen. Dat past als een pgb bijna zal worden gestopt of veranderd. Het stoppen van de pgb betaling geeft ruimte om te onderzoeken wat er aan de hand is. Als duidelijk is wat er aan de hand is, kan het college een besluit nemen over de volgende stap. Het college vraag de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de betaling te stoppen. Het college doet dat op basis van artikel 2b, zesde lid onder g. van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. Het college doet dat alleen als ze goede reden hebben om te denken dat: 1) de cliënt niet de goed, of niet alle informatie heeft gegeven waar de gemeente om heeft gevraagd. En het college een ander besluit had genomen als wel de goede, of alle informatie was gegeven., 2) de cliënt geen recht heeft op een pgb omdat hij niet aan de voorwaarden voldoet, of 3) de cliënt het persoonsgebonden budget niet of voor iets anders gebruikt. Een cliënt heeft ook geen recht op een pgb op basis van punt 2 als hij niet in staat is een pgb goed te gebruiken. Dat betekent dat als de cliënt niet kan zorgen dat zorg op de juiste manier wordt ingekocht. Of als het de cliënt niet
Ook bij deze toelichting is extra toegevoegd dat het toepassen van dit artikel maatwerk is, waarbij wordt gekeken naar de individuele omstandigheden en zaken als proportionaliteit.
De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten
woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wlz. Op grond van het tweede lid kan het college de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 16, derde lid, onder d. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een cliënt tijdelijk geen gebruik van een maatwerkvoorziening of pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de maatwerkvoorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek.
(Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien.) Artikel 26 artikel 26 Onderzoek naar kwaliteit en recht- doelmatigheid Net als artikel 16 betreft deze bepaling grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Op grond van artikel 2.3.9 van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning van een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 2.3.9 van de wet biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is artikel 18 toegevoegd. Op grond van deze bepaling moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 2.3.9 van de wet ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is.
Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder
lukt de andere taken die bij een pgb horen goed uit te voeren. Een cliënt mag hierbij hulp krijgen van zijn sociale netwerk, of een vertegenwoordiger. Het college moet kunnen uitleggen waarom zij de SVB vragen de pgb stop te zetten, of aan te passen. De informatie die het college daarbij geeft moet zo goed zijn dat de SVB een goed besluit kan nemen. De betaling van de PGB kan maximaal 13 weken worden stopgezet. Er is voor maximaal 13 weken gekozen, omdat het ook maximaal 13 weken is in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wlz. Het tweede lid zegt ook dat het college de SVB kan vragen de PGB betaling stop te zetten als de cliënt in een zorginstelling verblijft. De cliënt moet daar dan minimaal 8 weken blijven. Dat staat in artikel 23, tweede lid, onder b.. Dit artikel is er omdat de cliënt zijn pbg misschien niet nodig heeft wanneer hij is opgenomen in een instelling. Het college moet wel duidelijk maken dat de PGB niet nodig is als de cliënt is opgenomen. Als het college de PGB stop wil zetten tijdens de opname stuurt het college de cliënt hierover een brief. (Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien.)
artikel 26 Onderzoek naar kwaliteit en recht- doelmatigheid Dit artikel is grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet. Daarin staat dat in de verordening moet staan hoe wordt voorkomen dat maatwerkvoorzieningen, of PGB's worden gegeven als dit niet nodig is. Of doordat cliënten misbruik maken van de wet. In artikel 2.3.9 van de wet staat dat het college om de zoveel tijd moet onderzoeken of het nodig is een gegeven maatwerkvoorziening, of PGB terug te nemen. Soms is het college niet zeker of de ondersteuning goed is, werkt en op de juiste manier is gegeven. Het onderzoek dat vanuit de wet (artikel 2,3,9,) kan worden gedaan helpt niet goed om dat te bekijken. Daarom is artikel 18 in de verordening gezet. Daarin staat dat het college ook moet onderzoeken of de maatwerkvoorzieningen en pgb's op de goede manier zijn aangevraagd en gegeven. Ook kan worden bekeken of ze worden gebruikt op de manier zoals ze zijn bedoeld. Ook kan worden bekeken of de kwaliteit goed is. Dit onderzoek kan kijken naar de cliënt, maar ook naar de zorgverlener. Het onderzoek kan bestaan uit bijvoorbeeld bezoeken aan de cliënt, bezoeken aan de plek waar de zorg wordt gegeven, gesprekken met de cliëtnt en gesprekken met de aanbieder.
De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten
meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en gesprekken met de aanbieder. Artikel 27 artikel 27 Tegengaan misbruik en oneigenlijk gebruik
artikel 27 Tegengaan misbruik en oneigenlijk gebruik In dit artikel staat wat het college doet, of laat doen tegen misbruik, of oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzeiningen en pgb's. Dit deed het college al, maar het stond nog niet in de verordening. Nu is dat erin gezet.
In dit artikel staat aangegeven welke maatregelen het college neemt of laat nemen om misbruik dan wel oneigenlijk gebruik, zowel bij Zorg in natura als PGB, tegen te gaan. Deze stappen werden in de praktijk eerder ook genomen. Ze waren echter nog niet vastgelegd in de verordening. HOOFDSTUK 8.BLIJK VAN WAARDERING EN TEGEMOETKOMING MEERKOSTEN Artikel 28 artikel 28 Blijk van waardering mantelzorgers artikel 28 Blijk van waardering mantelzorgers Mantelzorgers van cliënten in de gemeente komen in aanmerking voor Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen een jaarlijkse blijk van een jaarlijkse blijk van waardering (artikel 2.1.6 van de wet). Artikel 1.1.1 waardering krijgen (artikel 2.1.6 van de wet). Artikel 1.1.1 van de wet van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers melding is gedaan. Iemand kan dus mantelzorger zijn als een voorziening van cliënten die een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning wel is aangevraagd, maar nog niet is gegeven. Het maakt niet uit waar de hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen.
Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat mantelzorgen woont. Mantelzorgers voor cliënten die wonen in Delft kunnen het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten de waardering krijgen. Ook als ze zelf niet in Delft wonen. wonen. Hier is verder bepaald op welke wijze het college zorgdraagt voor de In artikel 28 staat ook hoe het college die waardering regelt. Een jaarlijkse blijk van waardering. Overeenkomstig de wet moet in de mantelzorger kan bij het college worden aangemeld voor een waardering. verordening in ieder geval een procedure vastgelegd worden die Dat kan door de mantelzorger zelf, of door iemand anders worden gedaan. waarborgt dat alle mantelzorgers, die voldoen aan de voorwaarden, voor Het college kan extra regels stellen over hoe die aanmelding werkt. het ontvangen van een blijk van waardering in aanmerking kunnen worden gebracht. Kort en goed komt het erop neer dat – met inachtneming van het bovenstaande – mantelzorgers van cliënten in de gemeente via een melding bij het college in aanmerking kunnen worden gebracht voor de jaarlijkse blijk van waardering (eerste lid). Onder andere ten aanzien van de meldingsprocedure kunnen het college nadere regels stellen (vierde lid).
Artikel 29 artikel 29 Tegemoetkoming (meer)kosten artikel 29 Tegemoetkoming (meer)kosten Mensen met een beperking, of chronische psychische of -psychosociale De wet geeft het college de mogelijkheid om een tegemoetkoming te problemen kunnen veel kosten hebben. Als kan worden bewezen dat de verstrekken, aan personen met een beperking of chronische psychische kosten het gevolg zijn van die beperking, of chronische aandoening dan kan of psychosociale problemen en die daarmee verband houdende het college deze mensen helpen met geld. Dat staat in de wet, aannemelijke meerkosten hebben. Voor wat betreft medische meerkosten kiest de gemeente niet voor de Wmo-route om deze cliënten tegemoet te komen. Delft biedt via de
De gemeente kiest ervoor deze mensen te helpen met bijzondere bijstand. Niet op basis van de Wmo. Deze mensen kunnen een collectieve
De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten
De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten
De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten
bijzondere bijstand de collectieve aanvullende zorgverzekering om deze cliënten in enige mate te compenseren. Dit artikel geeft de gemeente wel een grondslag om bepaalde hulp te verstrekken, anders dan een pgb of zorg in natura. Denk bijvoorbeeld aan taxikosten in bijzondere gevallen en verhuiskosten. De gemeente Delft hecht grote waarde aan de mogelijkheid van inwoners om te kunnen sporten. Als op grond van artikel 12 van deze verordening geen noodzaak is tot het verstrekken van een sportvoorziening, biedt dit artikel de ruimte om de cliënt hiervoor toch een tegemoetkoming te verstrekken. HOOFDSTUK 9.OVERIGE BEPALINGEN Artikel 30 artikel 30 Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.
In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 15 dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen (eerste lid) en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld (derde lid). Artikel 31 artikel 31Klachtregeling Eerste lid Het eerste regelt het gemeentelijke klachtrecht in het kader van de wet. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan. Tweede lid In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet een regeling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. De aanbieder is ten aanzien van de hier in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet).
aanvullende verzekering krijgen die wordt betaald uit de bijzondere bijstand. Zo worden de kosten voor deze mensen een beetje beperkt. Het college kan artikel 29 gebruiken om andere kosten te dekken. Bijvoorbeeld taxikosten, of verhuiskosten. Ook vindt de gemeente sporten heel belangrijk. Het college kan met dit artikel mensen helpen door (een deel) van de kosten voor sporten te betalen.
artikel 30 Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de wet staat dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet altijd en zo snel mogelijk melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet staat dat het college personen aanwijst toezicht moeten houden op het nakomen van de wet. Dat is de toezichthouder.. Daarbij staat in artikel 30 dat het college regelt hoe een calamiteit, of geweld gemeld kan worden. Ook staat in artikel 30 dat de toezichthouder elke melding onderzoekt. De toezichthouder geeft het college advies om calamiteiten en geweld in de toekomst te voorkomen.
De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten
artikel 31 Klachtregeling Eerste lid In dit eerste stuk van het artikel staat dat het college regelt hoe je een klacht in kunt dienen. Dit staat kort in het artikel, omdat het recht een klacht in te dienen al uitgebreid is geregeld in de Awb. Tweede lid In dit lid staat dat ook aanbieders moeten zorgen dat klachten kunnen worden ingediend en dat er iets met die klachten wordt gedaan. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de
De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten
In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Derde lid In het derde lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de klachtregelingen door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
Artikel 32 artikel 32 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. Het gaat dus uitdrukkelijk om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. In het verleden moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (hierna: Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de hier in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. HOOFDSTUK 10.SLOTBEPALINGEN Artikel 33
kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Derde lid In het derde lid staat hoe het college kan zorgen dat aanbieders goed zorgen dat klachten kunnen worden ingediend en opgevolgd.
artikel 32 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Artikel 32 zegt voor welke voorzieningen medezeggenschap geldt. De wet verplicht het college dat te doen in artikel 2.1.3, tweede lid, onder e. Het gaat om medezeggenschap van cliënten bij besluiten van aanbieders. In de Wmo 2015 staat dat gemeenten regels mogen stellen over medezeggenschap. Dat heeft Delft gedaan in artikel 32. Daar staat in dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap moeten vaststellen. De aanbieder is ten aanzien van de hier in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). In het tweede lid staat hoe het college kan zorgen dat dit ook door aanbieders wordt gedaan.
De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten
artikel 33 Betrekken van ingezetenen bij het beleid In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmobeleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.
artikel 33 Betrekken van ingezetenen bij het beleid Het eerste lid verwijst naar de inspraakverordening die staat in artikel 150 van de Gemeentewet. Dit is een landelijke manier. Daardoor is inspraak op verschillende onderwerpen hetzelfde geregeld. Inspraak is een recht van iedereen die in de gemeente woont. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.
Met het derde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.
Met het derde lid wordt het aan het college overgelaten om in te vullen hoe die medezeggenschap precies wordt geregeld.
De tekst is op punten gewijzigd om de leesbaarheid te vergroten
Artikel 34 artikel 34 Tariefswijziging/indexatie Behoeft geen toelichting
artikel 34 Tariefswijziging/indexatie
Het college maakt met aanbieders afspraken over de tarieven voor de ingekochte zorg in natura. Daarbij worden ook afspraken gemaakt over indexering van deze tarieven. Deze tarieven en indexeringen vormen de basis voor het bepalen van de pgb-tarieven. Dit geldt niet voor de pgb-tarieven voor het sociaal netwerk. Deze tarieven kunnen worden bekeken op de website van het Zorgknooppunt H5 (www.zorgknooppunth5.nl/info) Artikel 35 artikel 35 Evaluatie De gemeente evalueert het Wmo beleid. Deze staat los van de landelijke evaluatie die de lokaal verzamelde gegevens daarvoor kan benutten.
Artikel 37 artikel 37 Hardheidsclausule Juist omdat het in de Wmo 2015 om maatwerk gaat, zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het om een zeer persoonlijke beoordeling. Als ondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule.