Rapport verbreed GRP
Tekst van het document
De visie op het zorg dragen voor de inzameling en het transport van afvalwater richt zich op de volgende doelen: • Het waarborgen van het doelmatig functioneren van de riolering, de gemalen en persleidingen en daarmee de inzameling, verwerking, en het transport van het afvalwater. • Het voorkomen dat de inwoners in aanraking komen met afvalwater of van de inzameling en het transport van afvalwater overlast ondervinden. • Het zoveel mogelijk beperken van riooloverstortingen op het oppervlaktewater. • Het terugdringen van het aandeel rioolvreemd water. • Het vergroten van het inzicht in- en monitoring op het (toekomstige) afvalwateraanbod dat is verbonden aan de woningbouwprogrammering en nieuwe arbeidsplaatsen.
Bij nieuwe aanleg wordt het huishoudelijke en bedrijfsmatige afvalwater zoveel mogelijk afzonderlijk van hemel- en grondwater ingezameld en afgevoerd naar een zuivering. De gemeente streeft er naar schoon hemelwater zoveel mogelijk lokaal vast te houden en terug te brengen in het milieu (zijnde de bodem of het oppervlaktewater).
5.1.2 Lozingen vanuit warmte koude opslag systemen (WKO’s) In Delft worden in toenemende mate WKO’s toegepast. Bij de aanleg en bij het spoelen van deze installaties komt (afval)water vrij dat moet worden geloosd. Het ontwikkelingswater dat niet in de bodem mag worden geloosd mag, na goedkeuring door de gemeente, worden geloosd op de riolering. Proceslozingen of onderhoudslozingen mogen niet op de riolering plaatsvinden. Op basis van toenemende inzichten in en ervaring met de kwaliteit, het volume en het debiet van het geloosde water is vastgesteld dat o.a. de hoeveelheid zout daarin de gemeentelijke systemen aantast en dat volumes en debieten zodanig zijn dat deze het functioneren van de gemeentelijke afvoersystemen in verschillende situaties belemmeren. De ontwikkelingen op het gebied van WKO-technieken, boor- en spoelwater worden
De verantwoordelijkheid voor de zorgplicht voor inzameling van het (stedelijk) afvalwater ligt volledig bij de gemeente. De gemeente registreert daartoe alle aangesloten en niet-aangesloten percelen. De gemeente heeft een resultaatsverplichting om het geproduceerde afvalwater in te zamelen en af te voeren naar een overnamepunt (hoofdrioolgemaal). De ontvangst en zuivering van het door de gemeente ingezamelde (stedelijke) 20
door de gemeente gevolgd en op basis van aanvragen en monitoringsprogramma’s bijgehouden.
kaart gebracht. Op basis van inspecties zal dit beeld sluitend worden gemaakt. De gemeente plaatst (eist de realisatie van) en onderhoud vetputten en bestrijdt het aandeel vet met microben. Via de afvalwaterverordening, activiteitenbesluiten en/of de instrumenten van de Omgevingswet worden eisen aan lozingen uit horecagelegenheden opgenomen.
Belangrijk is dat wordt vastgesteld dat de betreffende lozingen géén nadelige gevolgen hebben voor het functioneren van het gemeentelijke afvoersysteem en de rioolwaterzuivering. In het kader van vergunningaanvragen en/of meldingen behandelt de Omgevingsdienst Haaglanden het wettelijke kader en wordt de ontdoener op het zorgplichtkader gewezen. Binnen het zorgplichtkader maken de ontdoener en de gemeente afspraken over de datum van lozen, het debiet, het totale volume, de weersomstandigheden waarbij mag worden geloosd, de kwaliteit van het lozingswater, het lozingspunt enzovoorts.
5.1.4 Lozingen vanuit gemeentelijke stelsels In het kader van het Besluit Lozingen Buiten Inrichtingen (artikel 3.14) zijn lozingen op het watersysteem vanuit de gemeentelijke stelsels in principe toegestaan, mits alle lozingspunten zijn vastgelegd in het bij het vGRP gevoegde overzicht van ‘voorzieningen. De gemeente behoudt daarbij wel een eigen verantwoordelijkheid voor het voorkomen van nadelige gevolgen van de lozingen. De lozingen vanuit de TU en DSM vergen in dit kader nadere aandacht. Een volledig overzicht van de lozingspunten van de gemeentelijke stelsels is opgenomen in bijlage A4 onderdeel B2.
In de afvalwaterverordening en/of de instrumenten van de Omgevingswet worden eisen aan lozingen uit WKO’s opgenomen.
5.1.3 Lozingen vanuit horeca De riolering verwerkt een substantiële hoeveelheid vet en aan horeca gerelateerde afvalstoffen. Er bestaat nog geen sluitend beeld van de situatie en nog niet alle probleemgebieden zijn in
De gemeente heeft in de afgelopen jaren verbetermaatregelen aan de riolering getroffen om in het bijzonder de vuiluitworp naar het oppervlaktewater te verminderen. In de komende 21
planperiode zal als onderdeel van of op basis van de OAS-Harnaschpolder worden bepaald welk effect met deze maatregelen is bereikt. Ook zal o.a. gekoppeld aan de KRW-doelstellingen voor de derde KRW-planperiode (2022-2027) worden bepaald welke aanvullende maatregelen nog noodzakelijk zijn om de vuiluitworp naar het oppervlaktewater (verder) te beperken.
van de oorzaak van een eventueel falen (bijvoorbeeld het gebruik van andere materialen bij aansluitpunten van persleidingen op de vrijvervalriolering). In dit vGRP introduceert de gemeente het stapsgewijs toewerken naar een meer risico-gestuurde benadering op basis van de bovengenoemde criteria voor zowel investeringen als beheer. Binnen deze risico-gestuurde benadering krijgt ook de relatie tussen riolering, de inrichting van de bovengrondse ruimte en de ruimteclaim op de ondergrond, bijvoorbeeld ruimte voor bomen en andere ondergrondse systemen, een plaats. De gemeente is voornemens in de nieuwe planperiode daarin de eerste concrete stappen te zetten. Binnen het NAD is de ambitie op het gebied van risicomanagement in de rioleringszorg nader uitgewerkt. Deze ambitie zal voor de gemeente richtinggevend zijn. Ook zal het NAD het gezamenlijk onderhoud van het transportsysteem, het onderhoud van gemalen, en het gezamenlijk oppakken van storingen verder onderzoeken, uitwerken, inrichten en professionaliseren.
Toetsingsnorm milieutechnisch functioneren Sinds de Waterwet en het vervallen van de Wvo-vergunning (Wet verontreiniging oppervlaktewater) in 2009 moet een gemeente nog wel alle lozingslocaties (overstorten en hemelwateruitlaten) opnemen in het GRP, maar hoeft zij de emissie uit deze overstorten en uitlaten niet meer te bepalen. Omdat emissiebepalingen nog steeds nuttig en nodig zijn, bijvoorbeeld om te onderzoeken of de emissie een potentieel waterkwaliteitsprobleem oplevert in het ontvangende oppervlaktewater. Wanneer nodig brengt de gemeente in samenwerking met het HHD het milieutechnische functioneren van de gemengde stelsels in beeld door het uitvoeren van een (emissie-) berekening met een 10-jarige regenreeks. Daarmee kan worden onderzocht of de emissie een potentieel waterkwaliteitsprobleem oplevert in het ontvangende oppervlaktewater.
Strategie voor de vrijvevalriolering
Gecombineerd met praktijkervaringen en een actueel inzicht in meldingen en klachten geeft dit inzicht in de aanwezige knelpuntlocaties binnen de gemeente. Daarbij bepaalt de gemeente welke risico’s zij nog acceptabel vindt en wanneer maatregelen gewenst zijn. Op basis van de verkregen resultaten maakt de gemeente een afweging waar welke maatregelen gewenst en doelmatig zijn (in de riolering, openbare ruimte, watersysteem). Vuilwaterstelsels worden zodanig worden ontworpen dat bij normaal functioneren, dus uitgezonderd incidenten, geen overstortingen naar oppervlaktewater zullen plaatsvinden.
5.1.5 Beheer, renovatie en vervanging Risicoafweging bij beheer, renovatie en vervanging
Rioolvervanging leent zich vooral voor een integrale aanpak, zodat de overlast voor omwonenden beperkt blijft, koppelkansen optimaal kunnen worden benut, recht gedaan kan worden aan karakteristieke kenmerken van gebieden en de investeringskosten per strekkende meter lager zijn door schaalvoordeel.
Relinen of vervangen In plaats van het vervangen van een aangetast (betonnen) riool kan in bepaalde situaties een rioolbuis ook worden voorzien van een nieuwe kunststofbekleding aan de binnenzijde van de buis. Deze (renovatie)techniek wordt relinen genoemd. Gezien het potentiële kostenvoordeel van relinen voor de ontwikkeling van de rioolheffing kan het toepassen van deze techniek een kostenbesparing opleveren. Daarom wordt bij elke rioolvervanging waar bij géén hydraulische verbetermaatregelen of -knelpunten meespelen de afweging tussen relinen en vervangen gemaakt. Hierbij gaat relinen waar dat mogelijk is voor opgraven van de leiding.
Ten behoeve van de instandhouding van de aanwezige rioleringsvoorzieningen maakt de gemeente een afweging tussen beheermaatregelen, renovatie en vervanging. Daarbij weegt de gemeente de risico’s af ten aanzien van de onderstaande niveaus: • Het object: de technische staat van de rioolbuis, het gemaal, de persleiding, de drukriolering, de bijzondere voorzieningen waaronder waterdoorlatende verharding enzovoorts; • Het systeem: het hydraulisch functioneren van het rioolsysteem; • De omgeving: de beoogde kwaliteit, de maatschappelijke kosten en baten van de maatregel.
Relinen wordt vooral ingezet om de risico’s op instorten van leidingen te verminderen en is geschikt om van geïsoleerde leidingen met veel schades de levensduur te verlengen. Incidentele schades worden met een deelreparatie verholpen om instortingen voor te zijn. Uit landelijk onderzoek door RioNed blijkt dat veel gemeenten een instorting per jaar acceptabel vinden. Ten behoeve van dit onderzoek meldt de gemeente elke instorting aan RioNed via de website van deze stichting.
De huidige situatie wordt op de bovenstaande niveaus beoordeeld op kans van falen en de ernst van de gevolgen daarvan. De keuze voor de te treffen maatregel hangt daarbij mede af 22
Strategie voor de huisaansluitingen In de aansluitverordening riolering Delft zijn de regels vastgelegd over de aansluiting op de openbare gemeentelijke riolering en het beheer van die aansluiting. Op het perceel is de perceeleigenaar verantwoordelijk voor het beheer, onderhoud, herstel of vervanging van de huisaansluiting, de werkzaamheden die in dat kader plaatsvinden en de daarmee gemoeide kosten. Uitzondering hierop vormen de situatie waarin noodzakelijk herstel of vervanging aantoonbaar is veroorzaakt door: • Het inspoelen van vuil vanuit de riolering door (hogedruk) reiniging van riolen die ten opzichte van het perceel hoog in het wegprofiel liggen. • Het inspoelen van vuil vanuit de riolering door het ontstaan van tegenschot in de huisaansluitingen na of in verband met aanpassingen aan of vervanging van de riolering. De gemeente is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de huisaansluitingen en de kosten voor herstel, vervanging of aanpassing van de huisaansluiting gelegen in de openbare ruimte. Dit betreft het gedeelte van de huisaansluiting tussen de perceelgrens (het ontstoppingsstuk) en de aansluiting op de gemeentelijke riolering. Uitzondering hierop is wanneer noodzakelijk herstel of vervanging is veroorzaakt door verkeerd gebruik van de huisaansluiting. In dat geval is de eigenaar aansprakelijk voor de te maken kosten.
keurd. Wanneer door derden binnen de gemeentegrenzen van Delft, riolering wordt aangelegd (bijvoorbeeld als onderdeel van een ontwikkellocatie) dient deze aantoonbaar te voldoen aan de eisen die de gemeente daaraan stelt. Zonder deugdelijke opleveringsinspectie kan geen overdracht van de riolering naar de gemeente plaatsvinden.
Reiniging De gemeente reinigt de riolering en persleidingen om het functioneren daarvan te waarborgen, de vuiluitworp naar het oppervlaktewater te beperken en hinder van stank en ongedierte te voorkomen. De reiniging van de riolering heeft een cyclisch verloop, loopt voor de rioolinspecties uit, is afgestemd op een eventuele afwijkende toestand en de mate van vervuiling. Ook wordt rekening gehouden met de jaargetijden (bladval) en wordt afstemming gezocht met het straatveegregime. Uitgaande van de beheervisie geldt voor veegvuilbeheersing niveau c. Een strategie voor het reinigen van persleidingen, drainage en DIT-riolen zal in deze planperiode worden uitgewerkt. De gemiddeld gehanteerde reinigingsfrequenties zijn weer gegeven in de onderstaande tabel:
Tabel 5-1 Reinigingsfrequenties Activiteit
Reinigingsfrequentie
5.1.6 Reiniging & inspectie Inspectie
Schoonspuiten gemalen
1x per jaar
Kolken zuigen
1x per jaar, binnenstad 2x per jaar
Rioolinspecties vinden planmatig, periodiek, voorafgaand aan de renovatie en/of vervanging van de riolering en de openbare ruimte, op basis van leeftijd en afgestemd op eerder gesignaleerde schades, aantasting of andere risico’s plaats. De inspecties omvatten alle vitale onderdelen en locaties in de riolering, waaronder ook gemalen, geurfilters, ontluchters en afsluiters.
Reiniging infiltratieriolen
1x per 8 jaar, binnenstad 1x per 2 jaar
Reinigen drainage Ø125/160 mm
Bepalen o.b.v. onderzoek in planperiode
Hogedruk reiniging riolen DWA
1x per 8 jaar
Hogedruk reiniging riolen HWA
1x per 16 jaar
Hogedruk reinigen DIT riolen
Bepalen o.b.v. onderzoek in planperiode
Inspectie vinden per gebied met een frequentie van eenmaal per acht jaar plaats. Daarnaast is er een lijst beschikbaar van ‘zwakke plekken’ in het rioleringssysteem. Vitale onderdelen in de riolering, zwakke plekken of risicolocaties worden in principe niet frequenter geïnspecteerd. Eventuele maatwerk inspectiefrequenties worden afgestemd op de kans en het gevolg van een risico. Vitale onderdelen in de riolering of locaties waarin risico’s zijn gesignaleerd voor het functioneren van de riolering of veiligheids-/gezondheidsrisico’s voor de omgeving (bezwijken en/of in contact raken met afvalwater) worden met een hogere frequentie geïnspecteerd. De frequentie is maatwerk en afgestemd op de kans en het gevolg van het risico.
Reinigen persleidingen
1x per 20 jaar
Als onderdeel van rioleringswerkzaamheden die onder verantwoordelijkheid van de gemeente worden uitgevoerd worden opleveringsinspecties uitgevoerd. Op basis daarvan worden uitgevoerde werkzaamheden geaccepteerd of afge23
5.1.7 Meten & monitoren
vingen Stedelijk Water (voorheen BRP), zal op basis van kaartmateriaal geïnventariseerd worden waar zich foutaansluitingen bevinden. Op basis van het monitoringsplan en metingen zal dit inzicht verder worden verfijnd.
Binnen het project ‘Samen meten en monitoren’ werkt de gemeente in NAD-verband aan een gezamenlijke aanpak voor meten en monitoren. Deze aanpak bestaat op hoofdlijnen uit twee sporen: een technisch spoor en een procesmatig spoor.
5.1.8 Gegevensbeheer Technisch spoor
De gemeente wil de komende jaren toegroeien naar een nog meer professioneel gegevensbeheer. Deze groei wordt gezien als de eerste en ook noodzakelijke stap op het traject naar risico gestuurd beheer (en onderhoud). Deze eerste stap betreft “de basis op orde”. Bij het zetten van deze stap wordt er ook op ingezet dat de gebied specifieke, soms versnipperde, en bij enkele personen beschikbare informatie wordt verzameld en centraal beschikbaar komt. Daarmee wordt geborgd dat gegevens en kennis behouden blijven binnen de gemeentelijke organisatie.
De technische monitoring is gericht op de verzameling, verwerking en analyse van systeem gegevens. Dit bestaat o.a. uit: • Monitoren van de toestand van het systeem; ∙ Inspecties. ∙ Constructief onderzoek. • Monitoren van het functioneren van het rioolsysteem. ∙ Het op basis van 25 meetpunten monitoren van het overstortgedrag van de riolering, het aandeel rioolvreemd water en het presteren van de gemalen. ∙ Het toepassen van Real Time Control (RTC) op het transportsysteem. ∙ Het verbinden van modelstudies aan meetdata en meldingen.
In het kader van gestandaardiseerd gegevensbeheer en uniforme gegevensuitwisseling werkt de gemeente volgens het GWSW (gegevens woordenboek stedelijk water) Binnen het NAD werkt de gemeente samen met de buurgemeenten toe naar een gezamenlijk gegevensbeheer.
Procesmatig spoor Een ander deel van de monitoring richt zich op de voortgang van de gestelde samenwerkingsdoelen voor kwaliteit, kwetsbaarheid en kosten. • Het NAD monitort de gestelde doelmatigheidswinsten aan de hand van de lokale lasten afgezet tegen de prognose van de riool- en zuiveringsheffing. Hiermee worden de effecten van de samenwerking voor de burger/belastingbetaler direct zichtbaar gemaakt. • Daarnaast monitort het NAD de ontwikkeling van de kwetsbaarheid aan de hand van een jaarlijkse vragenlijst over hoe de kwetsbaarheid in de eigen organisatie wordt ervaren.
Hoe gaan we te werk? In het kader van het (gezamenlijk) meten en monitoren bepalen we eerst het doel van de meting, de gegevens die we nodig hebben, de meetnauwkeurigheden die daarbij horen en de informatie die we uit de metingen willen halen. Aan de hand daarvan stellen we als gemeente in 2021/2022 gebied dekkende of locatie specifieke meetplannen op, die we vervolgens realiseren en onderhouden. De meetdata die we oogsten passen we o.a. toe bij het toetsen van onze systemen, het analyseren van incidenten, en het ontwerpen van verbetermaatregelen.
Op het spoor van professioneel gegevens beheer worden de volgende stappen gezet: • Het gegevensbeheersysteem wordt GWSW-proof gemaakt en bevat volgens, in overeenstemming met deze standaard alle actuele gegevens en informatie die nodig zijn voor het rioleringsbeheer. Dit betreft: • Het rioleringssysteem. • Grondwatervoorzieningen. • Oppervlaktewatervoorzieningen. • Meetnetten (riolerings- en grondwatermeetnet). • Na werkzaamheden aan de systemen worden: • Revisies tijdig verwerkt in het beheersysteem. • Worden opleveringsinspecties uitgevoerd en wordt de inspectieresultaten ingevoerd in het beheersysteem. • De gegevens zijn actueel en beschikbaar voor de WIBON (Wet Informatie-uitwisseling Bovengrondse en Ondergrondse Netten en netwerken). • Actuele versies van plannen, visies, strategieën, afspraken enz. worden vastgelegd in een documentmanagementsysteem (DMS). Achterhaalde versies worden als zodanig gemarkeerd en/of vervangen. • Het aanleggen van projectdossiers waarin gemaakte keuzes en/of het gemotiveerd afwijken van standaarden of uitgangspunten wordt vastgelegd.
Foutaansluitingen Foutaansluitingen kunnen leiden tot zowel waterkwaliteitsknelpunten in het watersysteem (lozing van vuilwater op hemelwaterriool) als hydraulische knelpunten in de riolering of op de afvalwaterzuivering (lozing van hemelwater op vuilwaterriool). Als onderdeel van de periodiek te actualiseren Systeembeschrij24
Op het spoor van risico gestuurd beheer en onderhoud werkt de gemeente eerst een strategie en plan van aanpak uit. Op operationeel niveau zal worden ingezet op het verkennen van quick-wins waarmee de riolering in samenhang met andere assets in de openbare ruimte meer integraal kan worden
Foutieve aansluitingen
benaderd en projecten in samenhang met elkaar kunnen worden gepland, voorbereid en uitgevoerd. Het doel hiervan is om binnen het “van gevel-tot-gevel”-principe mee-koppelkansen inzichtelijk te maken en zo optimaal mogelijk te benutten. Om dit te faciliteren zal er via o.a. uniform gegevensbeheer, inspectie, onderzoek en meten en monitoring worden voortgebouwd aan betrouwbare datasets waarop adequate (risico gestuurde en/of data gedreven) afwegingen mogelijk zijn.
De gemeente zet erop in om gekoppeld aan de vervangingsplanning zoveel mogelijk foutieve aansluitingen op de riolering op te heffen. Voorafgaand zal de gemeente, eventueel in overleg met perceeleigenaren, woningbouw, beheerders of VVE’s e.d. een doelmatigheidsafweging maken. Ten aanzien van foutieve aansluitingen hanteert de Gemeente twee sporen die met het ODH zullen worden geëvalueerd: • Meldingen van foutieve aansluitingen worden vastgelegd, waarna er gekoppeld aan vervangingsopgaven op zal worden geanticipeerd. • Op foutieve aansluitingen wordt niet gehandhaafd. Het behoort tot de aandachtsgebieden van de rioleringszorg.
5.1.9 Controle & handhaving Controle en handhaving is tweerichtingsverkeer. Het betekent enerzijds ‘in control’ zijn door tijdig op te hoogte te zijn van nieuwe ontwikkelingen, prognoses daarop af te stemmen en met de systemen tijdig op deze prognoses te kunnen anticiperen. Anderzijds betreft dit zowel het toezien en handhaven op de geplande bouw (zijn de ontwikkelingen volgens de prognoses) als het handhaven op de lozingen gedurende de gebruiksfase.
5.1.10 Meldingen Meldingen zijn voor ons de thermometer om te toetsen of wij ons werk goed uitvoeren. Daarom is het belangrijk dat wij zorgvuldig en accuraat met meldingen (en eventueel klachten) omgaan. Zeker wanneer die een structureel karakter krijgen.
Organisatie Milieuzaken zijn door de gemeente gedelegeerd aan de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH). Jaarlijks worden er werk- / contractuele afspraken gemaakt tussen de Gemeente en het ODH over o.a. de scope van de werkzaamheden. In de planperiode wordt ingezet op het maken en periodiek evalueren van prestatieafspraken tussen de Gemeente en het ODH. Ook wordt ingezet op het stroomlijnen van het handhavingstraject tussen Gemeente, Omgevingsdienst en Hoogheemraadschap.
Nieuwe aansluitingen Particuliere huishoudens en bedrijven zijn verplicht bij het afvoeren van afvalwater gebruik te maken van, en aangesloten te zijn op het gemeentelijk riool. De gemeente beschrijft in de aansluitverordening riolering Delft de kaders die de gemeente stelt voor de aanleg, vervanging en de verwijdering van rioolaansluitingen, en ook voor het beheer en onderhoud van bestaande rioolaansluitingen.
Op het gebied van meldingen over het (dis)functioneren van de riolering, water-op-straat, wateroverlast of vragen over riolering gerelateerde thema’s biedt de gemeente de volgende middelen: • Via internet, telefoon of schriftelijk kunnen inwoners en bedrijven meldingen doen. De meldingen en afhandeling daarvan worden geregistreerd en bijgehouden in een meldingen systeem. • Op meldingen wordt zo snel en klantgericht mogelijk gereageerd. • Het meldingen systeem is zodanig gestandaardiseerd (conform SUF-meld) dat de melding-gegevens geschikt zijn voor analyse en als zodanig kunnen worden meegenomen in strategie en planvorming. Derhalve het realiseren van bronmaatregelen. • Voor stedelijk water gerelateerde (advies)vragen biedt de gemeente via de website een loketfunctie.
Naleving lozingsvergunningen De gemeente is bevoegd gezag voor (handhaving op) lozingen op de riolering en op de bodem. De taken vanuit de Waterwet ten aanzien van het toezicht op de indirecte lozingen zijn in 2013 door de Gemeente en de Provincie overgedragen aan de Omgevingsdienst Haaglanden. De gemeente verzorgt met hun specialistische (systeem)kennis het zorgplichtkader rond vergunningen en meldingen.
De gemeente streeft de komende planperiode naar het opzetten van een systeem voor meldingen dat bijdraagt aan een meer effectgerichte manier van werken. Binnen het Netwerk Afvalwaterketen Delfland zal dit samen met andere deelnemers in gezamenlijkheid worden opgepakt.
Naleving aansluitverordening Via plantoetsing, toezicht tijdens de realisatie, steekproeven op as-built dossiers en rioolinspecties wordt er gehandhaafd op de naleving van de riool aansluitverordening Delft. Wanneer dat noodzakelijk blijkt zal de riool aansluitverordening worden geactualiseerd en/of afgestemd op de nieuw op te stellen hemelwater-/grondwaterverordening. 25
5.2 Hemelwater De gemeente gaat op een zorgvuldige en planmatige manier om met het hemelwater dat op de stad valt. Door het treffen van een combinatie van ondergrondse- en bovengrondse maatregelen passend bij de betreffende gebieden wordt gestreefd naar klimaatbestendigheid. Regenwater wordt zo veel als mogelijk lokaal vastgehouden. Water dat toch tot afstroming komt wordt lokaal geborgen, om overbelasting van riolering en het oppervlaktewater te voorkomen. Als de grondslag het toelaat, kan het water vanuit de berging worden geïnfiltreerd. Een overschot aan hemelwater kan vertraagd afgevoerd worden op de riolering en het oppervlaktewater. De gemeentelijke zorgplicht treedt dan in werking. De visie op het zorg dragen voor de verwerking van hemelwater richt zich op de volgende doelen: • Het voorkomen van economische schade door hemelwateroverlast in woningen en bedrijfspanden als gevolg van instroming vanuit de openbare ruimte. • Het toepassen van de volgende leidende principes voor de afvoer van hemelwater: ∙ Schoonhouden, scheiden, schoonmaken (waterkwaliteit) ∙ Hergebruiken, vasthouden, bergen en afvoeren (waterkwantiteit). • Het waar mogelijk benutten van de sponswerking (opvangen, vasthouden en gedoseerd afvoeren) van de bestaande stad en het zoveel mogelijk benutten van de sponswerking bij nieuwbouw en herontwikkeling.
• Het aan de voorkant van ontwikkelingen duidelijke uitgangspunten scheppen en de dialoog met partijen aangaan om tot doelmatige oplossingen te komen De visie op het voorkomen van wateroverlast als gevolg van een veranderend klimaat en een klimaat adaptieve verwerking van hemelwater richt zich op de volgende doelen: • Het in beeld krijgen van het DNA van gebieden, het vastleggen van de kansen die wijken bieden om wateroverlast, hitte en droogte het hoofd te bieden en het benutten van deze kansen bij het uitvoeren van projecten. • Het inzichtelijk krijgen van de wateroverlastgevoelige gebieden en kwetsbare objecten. • Het betrekken van de wateroverlast risico’s als gevolg van extreme neerslag in de planvorming van alle ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij de risico’s veroorzaakt door klimaatverandering en ruimtelijke ontwikkelingen voor het bestaande stedelijke gebied beperkt blijven. Via de watertoets, toekomstige hemelwaterverordening, vergunningverlening en handhaving wordt hierop toegezien. • Het meer ruimte geven aan water en groen in nieuwe en bestaande gebieden en het borgen van dit principe in het beleid, en ruimtelijke plannen.
Tabel 5-2 Omgang met hemelwater
De verantwoordelijkheid voor de zorgplicht voor inzameling en verwerking van het afvloeiende hemelwater ligt bij de gemeente. De gemeente heeft de plicht om in die gevallen dat van degene bij wie afstromend hemelwater vrijkomt niet redelijkerwijs kan worden gevergd om hemelwater in de bodem of het oppervlaktewater te brengen, een voorziening aan te bieden, waarmee hemelwater afgevoerd kan worden vanaf particuliere percelen. De gemeente heeft echter beleidsvrijheid in de keuze van de aard en omvang van de voorziening. Hier dient een doelmatigheidsafweging gemaakt te worden, opdat de kosten van maatregelen enerzijds en de positieve effecten daarvan (waaronder het voorkomen van schade en hinder) anderzijds in evenwicht zullen zijn.
Waterkwantiteit
Waterkwaliteit
Hergebruiken Vasthouden
Schoonhouden
Bergen
Scheiden
Afvoeren
Schoonmaken
Hemelwaterverordening Om doelmatiger om te kunnen gaan met hemelwater en om te kunnen anticiperen op o.a. klimaatverandering wordt in de planperiode een hemelwater-/grondwater verordening opgesteld. Waar dat doelmatig is wordt aansluiting gezocht bij de riool aansluitverordening en/of bij activiteitenbesluiten en de handhaving die daarop plaatsvindt. Ingezet wordt op een goede balans tussen algemene eisen die vastgelegd worden in de verordening en specifieke eisen die als maatwerk kunnen gelden.
5.2.1 Duurzame omgang met hemelwater In navolging op het landelijke beleid vastgesteld in de Wet Milieubeheer (art.10. 29a), het Nationaal Bestuursakkoord Water en Waterbeheer 21e eeuw hanteren gemeenten en waterschap de volgende tritsen voor de omgang met hemel water: 26
Verantwoordelijkheden particulier
Voor inbreidingsprojecten en nieuwe bedrijventerreinen geldt evenals voor nieuwbouwlocaties de eis tot het realiseren van een volledig gescheiden stelsel. Hiervan wordt alleen afgeweken wanneer een gescheiden stelsel gecombineerd met het type inbreiding of bedrijf of het type transport over het terrein een risico vormt voor het oppervlaktewater of het grondwater.
Perceeleigenaar is primair verantwoordelijk voor het afkoppelen en verwerken van hemelwater op eigen terrein. Pas als de perceeleigenaar het hemelwater redelijkerwijs niet zelf kan verwerken, treedt de zorgplicht voor de gemeente in werking. In gescheiden gerioleerde wijken en bij nieuwbouw zal de particulier het hemelwater vertraagd en gescheiden van het afvalwater moeten aanbieden. In drukrioleringsgebieden en bij gebruik van een IBA dient de particulier het hemelwater op zijn perceel zelf te verwerken.
Nieuwbouw Onder nieuwbouw worden zowel uitbreidingen verstaan alsook inbreidingslocaties en renovatie-herinrichting van bestaande bouw. Alle situaties zijn volgens de wet- en regelgeving Omgevingsvergunning plichtig. Hierbij hanteren Gemeente en Hoogheemraadschap het uitgangspunt dat zij nieuwbouwsituaties onderling afstemmen volgens de systematiek van de watertoets. Dit betreft onder andere advisering over en/of verificatie van: • Vloerpeilen die door de daarvoor verantwoordelijke ontwerpen/bouwer zijn vastgesteld en afgestemd op de hoogte van grondwaterstanden; • De benodigde hoeveelheid waterberging die is afgestemd op de hoeveelheid te realiseren verharding en de toepassing van de Watersleutel • De wijze waarop het gebied wordt gerioleerd; • Waterveiligheid; • Drinkwaterbesparing. Het hemelwaterbeleid van Delfland gaat met inachtneming van de KNMI-scenario’s uit van het stand-still beginsel voor ruimtelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat de kans op wateroverlast niet mag toenemen als gevolg van een ingreep in het watersysteem of een handeling die invloed heeft op het functioneren van het watersysteem. In lijn met de voorkeursvolgorde voor verwerking van hemelwater streeft de gemeente bij nieuwbouw naar een volledig gescheiden inzameling en verwerking van afval- en hemelwater, zolang de lokale situatie dit toelaat. Dit is als volgt uitgewerkt: 1.
Verwerken van hemelwater op eigen terrein (hergebruiken, vasthouden, bergen en hergebruiken of in de bodem brengen). 2. Het integraal inpassen van voorzieningen voor de berging en verwerking van hemelwater in de inrichting van de openbare ruimte. 3. Overtollig hemelwater vertraagd en gescheiden van het vuilwater aanleveren op het watersysteem of op de riolering (afkoppelen). 27
Voor wat betreft de inrichting van nieuwe openbare ruimte geldt het streven dat er alleen functionele verharding wordt aangebracht en er ten minste een gemotiveerde balans tussen verharde, half verharde en onverharde vlakken wordt gerealiseerd. Ten aanzien van waterbergingsvoorzieningen geldt dat er een gemotiveerde afweging wordt gemaakt tussen droogvallende of permanent watervoerende voorzieningen, borging van de waterkwaliteit in de voorzieningen en het voorkomen van overlast door insecten. Het toepassen van duurzame materialen en het realiseren van een groene inrichting zijn een pré.
Bestaande openbare ruimte In de bestaande situatie wordt hemelwater ingezameld en via gemengde riool overstorten of direct via gescheiden riolering afgevoerd naar het oppervlaktewater. In bestaande situaties zal steeds een afweging gemaakt worden of het actief scheiden van waterstromen de meest doelmatige en duurzame wijze van hemelwaterverwerking is. In beginsel geldt dat de openbare ruimte en de voorzijde van daken wordt afgekoppeld. Met name investeringsmomenten zoals vervangings- en renovatiewerkzaamheden zijn een logisch moment om de riolering duurzamer in te richten. Ook mogelijkheden om mee te liften met andere werkzaamheden in de openbare ruimte kunnen hiertoe aanleiding geven. Afkoppelen op basis van een (integrale) afkoppelvisie wordt daarbij gezien als een middel om knelpunten te voorkomen en/ of ambities te behalen – bijvoorbeeld vanuit afspraken voor de Kaderrichtlijn Water. Het verkrijgen en behouden van een actueel overzicht van de aanwezige (hydraulische) knelpunten in het stelsel en in de afvalwaterketen is daarvoor essentieel. Afkoppelen is altijd noodzakelijk (maar niet altijd mogelijk), omdat het de enige manier is om de overstortvolumes te beperken.
Zo zijn gebieden (polder of peilvak) met een bergingstekort kansrijk, omdat de investering een kans biedt om ook de waterberging te vergroten, en om de afname van het in de oude situatie naar de RWZI verpompte water te compenseren. Voor het maken van een goede afweging kan de gemeente gebruikmaken van het afwegingskader voor hemelwater zoals opgenomen in het Convenant Klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland.
In gebieden waar de voorkant van woningen wordt afgekoppeld geldt na toestemming van de eigenaar het volgende: • Regenwateraansluitingen vanaf het RWA-riool tot aan de erfgrens (erfaansluitpunt) worden gerealiseerd en betaald door de gemeente. De regenwaterleiding vanaf de erfgrens verder het perceel op wordt gerealiseerd en betaald door de perceeleigenaar. • Wanneer de erfgrens gelijkligt met de gevel van de woning realiseert en betaalt de gemeente de regenwateraansluiting vanaf het RWA-riool tot aan de aansluiting. De uitvoering vindt plaats in overleg. De risico’s worden verdeeld over gemeente en eigenaar. Tegelijkertijd vindt een gebiedsaanwijzing plaats waarin de plicht tot afkoppelen geregeld is. Deze werkwijze is erop gericht de maatschappelijke investeringskosten, administratieve en handhavingskosten zo beperkt mogelijk te houden. In geval van het (onder aanwijzing) afkoppelen van het hemelwater ontvangen de particulieren in deze gebieden actief voorlichting over mogelijkheden en de werking van stelsels voor afkoppelen. Daarbij wordt gekeken of afkoppelen gecombineerd kan worden met andere werkzaamheden in de openbare ruimte.
5.2.2 Beperken hemelwateroverlast De riolering kan veel water verwerken, water-op-straat treedt in beperkte mate op en overlast vindt incidenteel plaats en is van korte duur. Toch worden de grenzen van de capaciteit van rioolstelsels een keer bereikt, waardoor water-op-straat tijdens hevige neerslag onvermijdelijk is.Bij zware regenbuien kan dit leiden tot wateroverlast en vuilemissie via gemengde riool overstorten. Het is de verwachting dat dergelijke zware buien in de toekomst vaker zullen voorkomen. Vaker zal water-opstraat komen te staan en zal dit water tijdelijk hinder veroorzaken. Bewoners accepteren een incidentele hinder of overlastsituatie wanneer het extreem regent of geregend heeft, maar de acceptatie is aan grenzen gebonden.
Toetsingsnorm De gangbare manier om de hydraulische capaciteit van een stedelijk watersysteem te toetsen, is het systeem doorrekenen met “kunstmatige” ontwerpbuien. Dit wordt ook in Delft gedaan.
Maatgevende afvoersituatie Allereerst is er de toetsing van een maatgevende afvoersituatie. Deze toetsing door het doorrekenen van het rioolstelsel4 met een toetsbui heeft als doel om na te gaan of het ondergrondse stelsel “groot genoeg” is. Het stelsel moet de vooraf vastgestelde bui met een bekende theoretische herhalingstijd5 kunnen verwerken, zonder dat (langdurig) water-op-straat situaties ontstaan.
Toetsing bij overbelasting Als tweede vindt een toetsing plaats met een bui die een grotere intensiteit heeft dan de toetsbui voor de maatgevende afvoersituatie. Deze toetsing heeft als doel om te bepalen hoe het systeem functioneert bij overbelasting. De overbelasting zal veelal leiden tot water-op-straat. Met een 2D rekenmodel (officieel: een modelconcept rioleringsmodel met stroming over maaiveld of maaiveldmodel met een rioleringsmodel) kan worden bepaald hoe bij water-op-straat afstroming over het maaiveld plaats vindt en of er risico bestaat op overlast. Dit risico kan worden verkleind door maatregelen aan het rioolstelsel te nemen, maar vooral ook door bovengrondse maatregelen.
Stresstest voor extreme situaties Door klimaatverandering neemt de kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe. Stortbuien en langdurige neerslag kunnen wateroverlast veroorzaken. Dat levert risico’s op voor onze economie, gezondheid en veiligheid. Om lokale en regionale kwetsbaarheden voor klimaatveranderingen in beeld te brengen worden klimaatstresstesten uitgevoerd. Daarbij wordt een systeem belast met één of meer van de zeven door STOWA en RIONED speciaal gestandaardiseerde stresstestbuien of een werkelijk gevallen bui.
De gemeente spreekt van regen- of afvalwateroverlast wanneer: • Als gevolg van water vanuit het rioleringssysteem materiële schade aan gebouwen of objecten in de openbare ruimte optreedt. • Hemelwater (gemengd met verdund vuilwater) op straat komt te staan of vanuit de openbare ruimte gebouwen binnenstroomt, met waterschade en gezondheidsrisico’s bij contact met vuilwater tot gevolg. • Water-op-straat het verkeer op belangrijke gebieds ontsluitingswegen langdurig belemmert.
De invulling van de toetsingsnorm voor nieuwe en voor bestaande stelsels voor Delft is als volgt.
Er is sprake van overlast vanuit het oppervlaktewater wanneer water vanuit (binnenstedelijke) grachten of waterlopen het verkeer op aangrenzende wijk- en gebiedsontsluitingswegen langdurig belemmert en/of gebouwen instroomt.
4 Aandachtspunt is dat bij toetsing van bijvoorbeeld wadi’s met grote berging deze toetsingsbuien niet geschikt zijn. Kennisbank stedelijk water adviseert in dat geval een neerslagreeks van De Bilt 1955-1979 toe te passen of composietbuien. 5 Kanttekening is dat deze herhalingstijd als gevolg van klimaatverandering niet exact overeenkomt met de herhalingstijd die volgt uit de STOWA regenduurlijnen.
28
Nieuwe stelsels
kritisch worden gekeken naar het nut en de noodzaak om verharde oppervlakken op de riolering aan te sluiten.
Voor het ontwerp en de toetsing van nieuwe stelsels wordt in plaats van de Leidraad-buien gebruik gemaakt van composietbuien. Het gebruik van composietbuien betekent een belangrijke verbetering ten opzichte van de standaardneerslaggebeurtenissen uit de Leidraad riolering, module C2100 uit 2004. De herhalingstijden komen voor de Leidraadbuien niet overeen met de IDF-neerslagstatistieken. En bij het doorrekenen van een rioolstelsel met een composietbui is de statische berging van het stelsel op het moment van de piekintensiteit volledig gevuld, waardoor gevoelige locaties beter in beeld komen.
Bestaande stelsels Veel rioolstelsels binnen de gemeente zijn ooit ontworpen op basis van een theoretische neerslag belasting. Dit betreft van oudsher een inloop van 20 mm/uur of 30 mm/uur en na 1994 een neerslag van Bui08, Bui09 en Bui10 vanuit de Leidraad Riolering. De hierbij gehanteerde uitgangspunten kunnen in de loopt der jaren echter zijn gewijzigd, bijvoorbeeld ten gevolge van bodemdaling of de toename van verharding, ook op particulier terrein. Ook de introductie van nieuwe berekeningsbuien waarin het huidige en het verwachte klimaat in 2050 zijn verwerkt zorgen voor een aanleiding om uitgevoerde toetsen periodiek te herhalen.
Het ontwerp van nieuwe stelsels moet hydraulisch voldoen aan een belasting met composietbui T=2 scenario 2050 laag vanuit de Kennisbank Riolering zonder dat er water-op-straat situaties ontstaan. Hierbij dient er een minimale waking van 20 cm aanwezig te zijn. Daarnaast vindt een toetsing op overbelasting plaats aan de hand van de zwaardere controlebuien composietbui T=5 scenario 2050 laag en T=10 scenario 2050 laag vanuit de Kennisbank Riolering. Bij een belasting met voornoemde composietbuien T=10 mag er geen water in panden worden berekend.
Periodiek brengt de gemeente het hydraulische en milieutechnische functioneren van de bestaande stelsels in beeld. Vertrekpunt daarbij zijn de oorspronkelijke toetsingsnormen: géén water-op-straat en 20 cm waking bij belasting met Bui08, géén water-op-straat op gebiedsontsluitingswegen bij belasting met Bui09 en géén water in panden of schade bij belasting met Bui10. Gecombineerd met praktijkervaringen, uitkomsten uit stresstesten en risicodialogen, een actueel inzicht in meldingen en klachten en de ten tijde daarvan werkelijk gevallen neerslag geeft dit inzicht in de aanwezige knelpuntlocaties binnen de gemeente. Daarbij bepaalt de gemeente welke risico’s zij nog acceptabel vindt en wanneer (aanvullende) maatregelen gewenst zijn. Op basis van de verkregen resultaten maakt de gemeente een afweging waar welke maatregelen gewenst en doelmatig zijn (in de riolering, de openbare ruimte en/of het watersysteem).
Bij aanleg dient de ontwikkelaar te anticiperen op eventuele effecten van bodemdaling zodat het systeem ook op lange termijn in overeenstemming met de gestelde eisen blijft functioneren. Het volume en de intensiteit van composietbuien zijn groter dan bij de leidraadbuien met dezelfde herhalingstijd. Dit kan leiden tot grotere leidingdiameters en een grotere ondergrondse ruimteclaim. Bij het ontwerp van riolering moet daarom
Tabel 5-3 Toetsingsnorm Toetsingsnorm
Nieuwe stelsels
Bestaande stelsels
Maatgevende afvoer
Composietbui T=2 scenario 2050 laag vanuit de Kennisbank Riolering 37,9 mm in 10 uur. Piek 6,4 mm in 5 min.
Vertrekpunt: Bui 08 Kennisbank riolering. Waking 20 cm.
Geen water op straat. Waking minimaal 20 cm. Toetsing overbelasting
Rioleringsmodel met stroming over maaiveld Composietbui T=5 en T=10 scenario 2050 laag vanuit de Kennisbank Riolering Geen schade of water in panden
Rioleringsmodel met stroming over maaiveld Bui 09 en bui 10 Kennisbank riolering. Composietbui Geen schade of water in panden
Stresstest
70 mm in 1 uur blok-bui. 70 mm in 1 uur met verloop in de tijd (piek op 35 min.) Herhalingstijd T=100 Uitkomsten bespreken in risicodialoog.
70 mm in 1 uur blok-bui. 70 mm in 1 uur met verloop in de tijd (piek op 35 min.) Herhalingstijd T=100 Uitkomsten bespreken in risicodialoog
29
5.2.3 Anticiperen op klimaatverandering
In overeenstemming met het Deltabesluit Ruimtelijke Adaptatie zal de gemeente de komende planperiode de strategie voor de klimaatbestendige stad verder uitwerken. Naar verwachting zal de nadruk komen te liggen op droogte, hitte en verhoging van het zeeniveau en minder op wateroverlast. De impact daarvan op de rioleringszorg zal verder in beeld worden gebracht en in het beleid en/of regels worden verankerd. Dit onderwerp wordt ook regionaal opgepakt: in het NAD en binnen de klimaattafel Zuidelijke Randstad.
Om meer inzicht te verkrijgen in de gevolgen van klimaat verandering brengt de gemeente de komende planperiode ook de effecten van toekomstig zwaardere buien in beeld. Hierbij wordt uitgegaan van twee klimaatbuien, namelijk de blokbui T=100 (duur 1 uur, 70 mm, klimaat 2050) en de bui met dezelfde herhalingstijd, duur en hoeveelheid, maar dan met een verloop in de tijd (piek op 35 minuten) vanuit de Kennisbank Riolering. Het rioleringsstelsel is ontworpen om bij normale neerslag hemelwater (en verdund vuilwater) af te voeren. Op extreme neerslag is het stelsel niet ontworpen. Als er extreme neerslag optreedt is er sprake van overmacht en kan er wateroverlast optreden. Vooral in de volledig verharde en lagergelegen gebieden in de stad moeten perceel- en pandeigenaren rekening houden met dit vaker voorkomen van extreme neerslag. Onder andere door de inrichting van en voorzieningen op het eigen terrein, het treffen van inpandige maatregelen en/of het aanbrengen van dorpels kan wateroverlast veelal worden beperkt of voorkomen. Omdat klimaatverandering een geleidelijk verloop heeft, grijpt de gemeente wijkrenovaties aan om werkend vanuit een gebiedsgerichte aanpak en aandacht voor prioritaire gebieden het openbare stedelijke gebied stap voor stap op de klimaatverandering aan te passen.
Dit vergt tijd en in gevallen ook de medewerking van perceeleigenaren die hun verantwoordelijkheid nemen.
Innovaties Binnen de NAD-samenwerking zullen proefprojecten worden uitgevoerd en ervaringen worden opgedaan met (innovatieve) oplossingen op het gebied van vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren van water tijdens (hevige) neerslag. Een voorbeeld hiervan is het brengen van regenwater in de bodem door middel van een pomp om daarmee tekorten en grondwater op te vangen. Daarnaast zal ook ervaring worden opgedaan en uitgewisseld over de wijze waarop en de frequentie waarmee de voorzieningen moeten worden onderhouden en de mate waarin deze blijven functioneren. Innovatie is voor Delft ook het vinden samen samenhang tussen de inrichting van de bovengrondse en de ondergrondse ruimte en het inzichtelijk maken van de ‘drukte’ in de bodem.
Klimaat Vanuit de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie (september 2014) is afgesproken dat klimaatbestendig en water robuust inrichten in Nederland een vanzelfsprekend onderdeel moet zijn bij ruimtelijke (her)ontwikkelingen. Het doel van het deltaprogramma is dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en water robuust moet zijn. Uitgangspunten voor gemeenten en waterschap is om te anticiperen in werkzaamheden op de verwachte klimaatverandering en risicolocaties voor wateroverlast in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen. Het klimaatbestendig handelen dient in 2020 te zijn verankerd in gemeentelijk beleid zodat steden in 2050 daadwerkelijk zoveel mogelijk klimaatbestendig kunnen zijn. Omdat water slechts één van de thema’s binnen de klimaatbestendige stad vormt zal er een integrale visie binnen de gemeente nodig zijn om echt invulling te geven aan de Deltabeslissing. Daarnaast zijn oplossingsrichtingen in de openbare ruimte onderling sterk met elkaar verweven waardoor een breed gedragen visie voor ontwerp, uitvoering en financiering van maatregelen vereist is.
30
5.3 Grondwater De gemeente streeft naar het voorkomen van structureel nadelige gevolgen voor de gebruiksfunctie en de aan een gebied gegeven bestemming. Gestreefd wordt naar een grondwaterpeil dat voldoende laag is om structurele nadelige gevolgen door een te hoge grondwaterstand te voorkomen en voldoende hoog is om structurele schade aan funderingen of door verzakkingen tegen te gaan. De gemeente doet dit samen met het Hoogheemraadschap van Delfland. Perceeleigenaren hebben hun eigen verantwoordelijkheid. De visie op het zorg dragen voor het voorkomen van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan een gebied gegeven bestemming richt zich op de volgende doelen: • Het vergroten van het inzicht in de regionale/lokale grondwaterdynamiek. • Het inzichtelijk maken, duidelijk communiceren en transparant hanteren van de verantwoordelijkheden rond de grondwaterzorgplicht. • Het invullen van een regisseurs/adviseursrol bij het aanpakken van grondwaterproblemen of wanneer eigenaren hun eigen verantwoordelijkheid nemen. • Het nemen van doelmatige maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand te voorkomen. ∙ Het voorkomen van te hoge grondwaterstanden met overlast tot gevolg. ∙ Het voorkomen van te lage grondwaterstanden met onderlast en zettingen tot gevolg.
• Het volgen van klimaatontwikkelingen met impact op de grondwaterstand om daarop te kunnen anticiperen en/of door daarvoor verantwoordelijke partijen in staat te stellen hun verantwoordelijkheid te nemen en tijdig zelf maatregelen te treffen.
De grondwaterstand is, zeker in bebouwd gebied, niet volledig te sturen. Daarom heeft de gemeentelijke grondwaterzorgplicht het karakter van een inspanningsverplichting en niet van een resultaatsverplichting. Dit betekent dat de gemeente aanspreekbaar is voor grondwaterproblemen, maar niet dat zij daarvoor ook aansprakelijk is. In de grondwatervisie is de aanpak met betrekking tot grondwateroverlast omschreven.
De gemeente kan op op drie manieren iets betekenen voor bewoners die te maken hebben met grondwateroverlast of grondwateronderlast: • Door op te treden als aanspreekpunt en adviseur; • Door overtollig grondwater van bewoners in ontvangst nemen op het gemeentelijk stelsel; • Door de grondwaterstand op openbaar terrein doelmatiger te gaan beheersen.
Het plaatje hiernaast geeft een overzicht van de verdeling van verantwoordelijkheden ten aanzien van het grondwater. Deze verantwoordelijkheden worden in het navolgende kader nader uitgewerkt. 31
Verantwoordelijkheden grondwater Een visie op de verantwoordelijkheden van de perceeleigenaar: • De perceeleigenaar is primair verantwoordelijk voor het tegengaan van grondwaterlast op eigen terrein. Dit geldt ook voor funderingsproblemen. • De eigenaar moet zorgen dat voldaan wordt aan de bouwkundige regelgeving, o.a. zodat ondergrondse gebruiksruimtes van panden, zoals een kelder of een souterrain, volgens de bouwregelgeving vochtdicht zijn. Ook het Hoogheemraadschap en de Provincie spelen (indirect) een rol op het gebied van het stedelijk grondwater. • De provincie Zuid-Holland, het hoogheemraadschap van Delfland en de ODH verlenen vergunningen voor grondwateronttrekkingen; • Het ODH verleent namens de provincie Zuid-Holland vergunningen; • Het Hoogheemraadschap beheert daarnaast het peil van het oppervlaktewater. Dit kan lokaal de grondwaterstanden beïnvloeden. • Gemeenten geven toestemming voor lozing van bronneringswater of spoelwater van WKO’s op de riolering.
In 2018 is een meetnetanalyse uitgevoerd. Daarbij zijn de meetgegevens uit het grondwatermeetnet en archiefgegevens vertaald naar inzicht in het grondwatersysteem en weergegeven in themakaarten. Deze themakaarten hebben een praktische insteek en worden door de gemeente gebruikt in de dagelijkse uitvoering van de gemeentelijke zorgplichten op het gebied van stedelijk water en grondwater. Dit betreft o.a. de watertoets, omgaan met grondwateronderlast en -overlast, onderzoek, benoemen van risicogebieden en het vaststellen van maatregelen.
5.3.1 Ontwateringsdiepte bij nieuwbouw Bij de inrichting van een nieuw te ontwikkelen gebied wordt van grotere schaal naar een kleinere schaal gewerkt. Globaal worden de volgende planfasen onderscheiden: 1. Opstellen Omgevingsplan (is het oude bestemmingsplan). 2. Opstellen ontwerp- en inrichtingsplan. 3. Opstellen bouwplannen per kavel. Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient door de initiatiefnemer de Watertoetsprocedure te worden doorlopen, dit is verplicht bij bestemmingsveranderingen.
Nul-situatie Als onderdeel van deze procedure dient de “nul situatie” voor het grondwater te worden vastgelegd vóórafgaand aan de ontwikkeling. De initiatiefnemer kan zich hierbij baseren op het gemeentelijke grondwatermeetnet, maar vaak zijn ontwikkelgebied specifieke aanvullende metingen onmisbaar. Deze metingen beslaan ten minste één volledig hydrologisch jaar.
Veranderingen Vervolgens dient de initiatiefnemer de effecten van de ontwikkeling en/of ondergrondse objecten op het grondwater en de omgeving vergeleken met de vastgelegde nul-situatie in beeld te brengen. Daarbij dient ook te worden aangegeven welke maatregelen de initiatiefnemer neemt om deze veranderingen het hoofd te bieden en om overlast in de toekomst te voorkómen. 32
Watertoets Bij het opstellen van een ontwerp- inrichtingsplan werkt de initiatiefnemer de voorgenomen maatregelen tot in detail uit. De Gemeente en het Hoogheemraadschap “toetsen” de uitwerking van deze maatregelen (via de watertoets) en zijn op deze wijze vooraan in het planproces betrokken. Door het grondwater tijdens de hierboven genoemde planfasen en werkstappen nadrukkelijk in de besluitvorming mee te nemen, wordt in theorie grondwateroverlast voorkómen. De controle en sturing op ontwerpen en een vakbekwame uitvoering ervan zijn echter essentiële onderdelen van een duurzaam grondwatersysteem. De exploitatie overeenkomst volgens de Grondexploitatiewet (nieuwe Wet Ruimtelijke Ordening) of een entrepreneursovereenkomst vormen daarvoor het middel. Ook kunnen in bestemmingsplannen regels opgenomen worden met betrekking tot de omgang met grondwater. De gemeente streeft bij nieuwbouwplannen naar de ontwateringsdieptes zoals opgenomen in onderstaande tabel. Vanzelfsprekend is het beter om grondwater-problemen te voorkómen dan om de ontstane overlast of onderlast te moeten beperken.
Tabel 5-4 Ontwateringseisen nieuwbouw Bestemming
Ontwateringsdiepte bij GHG*
Over- en onderscheidingsfrequentie
Woningen met kruipruimte
0,70 m
O.b.v. meetnetanalyse
Woningen zonder kruipruimte of met dampdichte vloer
0,70 m
O.b.v. meetnetanalyse
Woningen met houten paalfunderingen
0,70 m
O.b.v. meetnetanalyse
Groenvoorzieningen
0,35 m
O.b.v. meetnetanalyse
Secundaire wegen en woonstraten
0,70 m
O.b.v. meetnetanalyse
Primaire wegen
0,70 m
O.b.v. meetnetanalyse
Bedrijventerreinen
0,55 m
O.b.v. meetnetanalyse
* Ontwateringsdiepte = maaiveldhoogte – gemiddeld hoogste grondwaterstand of ander gehanteerd uitgangspunt
In overleg met de Gemeente en het Hoogheemraadschap zal aanvullend op de bovenstaande eisen getoetst worden in hoeverre voor individuele nieuwbouwlocaties geanticipeerd moet worden op: • Effecten van eventuele bodemdaling over 20 – 50 jaar; • Effecten van klimaatverandering op grondwaterstanden.
in heeft, de melding of klacht zorgvuldig af volgens de onderstaande stappen. 1. Beoordelen en uniform registreren van melding of klacht; 2. Beoordelen of er sprake is van structurele grondwateroverlast of -onderlast 3. (zie hinder of structurele overlast/-onderlast); 4. Indien, ja: 5. Nader (laten) onderzoeken van de situatie; 6. Doelmatigheidsafweging maken (mate van overlast, hoeveel bewoners ervaren overlast, wat zijn de mogelijkheden om overlast te verminderen); 7. Gebiedsgerichte aanpak voor treffen van eventuele (maatwerk) maatregelen.
Om te voldoen aan de ontwateringseisen zijn verschillende oplossingen denkbaar. Niet alle oplossingen zijn echter even gewenst. De initiatiefnemer dient bij het ontwerp en uitvoering de onderstaande voorkeursvolgorde aan te houden: 1. Aanleg van (extra) open water, waarbij een voorkeur geldt voor diepe greppels, omdat een goede waterkwaliteit in smalle ondiepe sloten niet haalbaar is. 2. Integraal ophogen van het gebied, binnen de grenzen van de draagkracht van de ondergrond, inclusief een risicobeoordeling op de omliggende omgeving. 3. Grondverbetering. 4. Aanpassing bouwwijze of gebruik. 5. Het toepassen van robuuste ontwateringsmiddelen (zowel particulier als openbaar), zoals drainage, en het uitvoeren van een risicobeoordeling op de omliggende bestaande bebouwing.
De gemeente regisseert een zorgvuldige afhandeling, maar is daarmee niet verantwoordelijk voor het oplossen van alle meldingen. Ook zal de particulier zijn eigen verantwoordelijkheid behouden in het onderzoeken van de situatie (bijvoorbeeld het inventariseren van overlast bij de buren).
Hinder of structurele overlast Er is sprake van structurele grondwateroverlast wanneer: • de gewenste ontwateringsdiepte voor het betreffende gebied in de openbare ruimte niet wordt gehaald, én • ten gevolge hiervan er overlast optreedt in relatie tot een bestemming van particulier of openbare terrein, én • de overlast structureel van aard is: in een periode van 8 jaar vaker voorkomt dan nagestreefd en in een aaneengesloten periode van minimaal 28 dagen voortduurt, én • er geen andere (bouwkundige) oorzaken zijn voor de ondervonden overlast.
In het uitzonderlijke geval dat er niet aan de voorkeursmethode kan worden voldaan, kan de initiatiefnemer in contact treden met de gemeente met de vraag of er een mogelijkheid tot maatwerk is. Het lozen van ondiep grondwater op het oppervlaktewater is in principe mogelijk. Bij bodemverontreinigingen of wanneer het diep grondwater betreft heeft het lozen op oppervlaktewater niet de voorkeur.
Bij grondwateroverlast op het eigen terrein, bijvoorbeeld problemen met natte tuinen, is de perceeleigenaar aan zet om dit op te lossen. Vaak zijn deze problemen tijdelijk als gevolg van hevige neerslag. Hierbij moet wel duidelijk zijn dat de grondwateroverlast niet veroorzaakt wordt door grondwaterdruk vanuit het openbaar gebied.
5.3.2 Omgaan met grondwateroverlast en grondwateronderlast De gemeente voorziet in een loketfunctie voor vragen en/of meldingen over grondwater en adviseert over waar de verantwoordelijkheid ligt (gebruiker, eigenaar, Gemeente, Hoogheemraadschap, derden). Vervolgens handelt de gemeente, in het geval de gemeente daar zelf een verantwoordelijkheid
33
Hinder of structurele onderlast
Gebieden met zowel te hoge als te lage grondwaterstand onderzoekt de gemeente de mogelijkheden om klimaat bestendig in te richten waarbij er wordt gekeken naar het toepassen van actief grondwaterbeheer om het grondwaterpeil zoveel mogelijk rond een gewenst niveau te houden en pieken en dalen in de grondwaterstand te vermijden.
Er is sprake van structurele grondwateronderlast wanneer: • de gewenste grondwaterstanden voor het betreffende gebied in de openbare ruimte niet op peil kunnen worden gehouden, én • ten gevolge hiervan in droge perioden beplantingen van onvoldoende water kunnen worden voorzien, houten paalfunderingen onvoldoende kunnen worden beschermd of schade aan openbare verhardingen of kabels en leidingen ontstaat, én • de onderlast structureel van aard is: in een periode van 8 jaar vaker voorkomt dan nagestreefd en in een aaneengesloten periode van minimaal 28 dagen voortduurt, én • er geen andere (bouwkundige) oorzaken zijn voor de ondervonden onderlast. In het kader van het voorkómen van grondwater onderlast voert de gemeente binnen de mogelijkheden van het eigen riolerings-/drainage-/infiltratiesysteem voldoende (hemel- en/ of oppervlakte) water aan om de grondwaterstanden zoveel als mogelijk is op peil te houden in droge perioden, om de beplanting van voldoende water te voorzien, en houten paalfunderingen zo veel mogelijk te beschermen. Grondwateronderlast in de vorm van droogstand van houten paalfunderingen treedt vaak onopgemerkt op, vaak jarenlang zonder zichtbare schade. Het probleem wordt meestal pas zichtbaar als vaak grote en onomkeerbare schade al is opgetreden. Als er meldingen komen, is het dus vaak al te laat en zijn ingrijpende maatregelen nodig.
Daarom vindt de gemeente meldingen van grondwateronderlast geen goede maatstaf om grondwateronderlast als structureel te beschouwen. De gemeente beschouwt daarom grondwateronderlast als structureel als er structureel te lage grondwaterstanden optreden en uit projectmatig onderzoek blijkt dat de gebruiksfunctie hierdoor wordt aangetast.
De gemeente voert een maatregel alleen uit wanneer deze doelmatig is. Een maatregel is doelmatig wanneer de maatregel nut heeft èn wanneer de maatregel kosteneffectief is. Een maatregel heeft nut wanneer de structureel nadelige effecten worden voorkomen of in voldoende mate worden beperkt. Een maatregel is kosteneffectief wanneer de investerings- en beheerkosten in verhouding zijn met het effect van de maat regel en in verhouding tot de kosten van maatregelen op particulier terrein of de te verwachten kosten van schade als gevolg van de structureel nadelige effecten.
Risicogebieden De gemeente heeft de grondwatersituatie onderzocht en de gebieden waar grondwateroverlast wordt ervaren in kaart gebracht. Gebieden waar de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) zich nu of in de toekomst minder dan 70 cm onder maaiveld bevindt zijn aangemerkt als risico gebieden In de meetsysteemanalyse van Delft is onderstaande tabel opgenomen om een gebied te classificeren als zeker wel een knelpunt of zeker geen knelpunt. Daarbij wordt ook de RHG gehanteerd.
Tabel 5-5 Gebiedsclassificatie knelpunten
Onderzoek In gebieden met te hoge grondwaterstanden onderzoekt de gemeente de mogelijkheden, als er geen andere maatregelen (bouwkundig, maaiveldverhoging) mogelijk zijn, om duurzame ontwateringsmiddelen in openbaar gebied aan te leggen om overtollig grondwater af te voeren, voor zover dit niet nadelig is voor nabij gelegen houten funderingen. In gebieden met te lage grondwaterstanden onderzoekt de gemeente de mogelijkheden van actief grondwaterbeheer om de grondwaterstand (in droge periodes) te verhogen.
34
Doelfunctie
Punt van 70% doel realisatie GHG ontwateringdiepte [cm]
Stedelijk bebouwd gebied
0,70 m
Bedrijventerreinen
0,55 m
Openluchtrecreatie & openbaar groen
0,32 m
Sportvelden (gras en kunstgras)
0,35 m
Wegen, tram- & spoorwegen
0,80 m
Bij het bepalen van de ontwateringsdiepte moeten ook de ontwateringsmiddelen mee beschouwd worden. Bestaande gebieden worden geclassificeerd naar deze tabel waarna bepaald wordt waar er maatregelen moeten worden genomen.
Bodemdaling In de regio Delfland is bodemdaling (a.g.v. zetting, oxidatie van veen, tektoniek) op lange termijn van belang. Lokaal kan dit leiden tot maatregelen zoals bemaalde drainage, echter de verschillen tussen de NAD- gemeenten zijn groot. Bodemdaling is een brede maatschappelijke uitdaging, die op regionaal niveau moet worden opgepakt. De oplossingen voor bodemdaling moeten breed worden gezocht in allerlei domeinen, waarvan water & riolering slechts een onderdeel is. Ook zal bodemdaling meegenomen moeten worden in de gemeentelijke strategie ten aanzien van ruimtelijke adaptatie. In bijlage A4 onderdeel B5 wordt de Delftse bodemdaling nader in beeld gebracht.