Nota Zienswijzen Verbreding Schie
Tekst van het document
In het voornemen is bepaald dat in de planregels moet worden opgenomen dat bij het verladen en opslaan van zand, zandhopen dienen te worden bevochtigd ter voorkoming van stof/-stuifoverlast. Deze bepaling is – volgens indiener - nog onvoldoende duidelijk. Bepaald had moeten worden dat bij het opslaan en vooraf aan en tijdens het overslaan de zandhopen continu bevochtigd dienen te worden en dat de grijper pas in de silo mag worden geopend en niet erboven om verstuiving van zand en geluidsoverlast bij grind te voorkomen. Verder is indiener van mening dat opgenomen moet worden dat overslag enkel kan plaatsvinden bij bepaalde windsnelheden.
1. De bedrijfstijd van de kranen is op jaarbasis gekoppeld aan de doorzet. Met het maximaliseren van de doorzet zijn de bedrijfstijden van de kranen beperkt. Dit hoeft daarmee niet apart te worden opgenomen in het bestemmingsplan. 2. De motoremissie als gevolg van de vaarbewegingen is meegenomen in het onderzoek stikstofdepositie (circa 20 meter, wat feitelijk de route is vanaf het midden van het water naar de 28
aanlegplaats). In het onderzoek luchtkwaliteit was dit niet meegenomen, dit is in de nieuwe versie aangepast. Zodra het schip de inrichting aandoet (aanmeert), valt het onder de werksfeer van de algemene regels van het Bal. De zandhandel moet hiervoor maatwerk aanvragen (Bal 4.104). Dit houdt in dat verspreiding van stof moet worden beperkt. Omdat deze algemene regels rechtstreeks werkend zijn, hoeft dit niet nader te worden geregeld in het bestemmingsplan. 3. Net als in het bestemmingsplan op de huidige locatie van de zandhandel is in onderhavig bestemmingsplan geen definitie van zandhandel opgenomen. Ook is in de planregels geen voorschrift voor het type zand opgenomen. Dit is ook niet nodig, omdat het op- en overslaan van bulkgoederen in de buitenlucht aan algemene regels uit het Bal is gebonden. Deze zijn rechtstreeks van toepassing op de bedrijfsactiviteiten van de zandhandel en de openbare loswal. Naar aanleiding van zienswijze 3d-4 is het luchtkwaliteitsonderzoek aangepast aan de emissiekentallen volgens de NTA 8029+C1 van 2013. In de NTA 8029 worden de volgende klassen onderscheiden: 1. klasse manipulatie van mineralen 2. klasse verwaaiing van mineralen 3. klasse manipulatie agribulk (met onderverdeling in stuifgevoeligheid: S1, S2) 4.
klasse manipulatie agribulk (met onderverdeling in stuifgevoeligheid: S3, S4, S5) De overslag die bij de zandhandel plaatsvindt behoort tot de klasse: mineralen (zand). Daarom wordt uitgegaan van de emissie-kentallen voor verwaaiing en manipulatie van mineralen. De klasse agribulk is dus niet van toepassing, omdat deze te veel afwijkt van het materiaal dat hier wordt open overgeslagen. Bij de manipulatie en verwaaiing van mineralen wordt in de NTA geen onderscheid gemaakt in stofklassen. 4. Met bevochtigen neemt de emissiefactor verwaaiing van stof bij open opslag met een factor 10 af volgens de NTA 8029-publicatie, waarmee de stofemissie wordt gereduceerd tot 10% in plaats van de 5% die in het onderzoek is gehanteerd. Het onderzoek is hierop aangepast.
29
Daarnaast is er sprake van stofemissie bij handeling van het materiaal. Er kan ervoor worden gekozen de lading voorafgaand aan de handeling te bevochtigen. Een nevelgordijn creëren is eveneens mogelijk. Ook kan worden gewerkt met een sproei installatie op de kraan. Het is niet exact te kwantificeren wat het effect is van de laatste twee maatregelen (20-80% volgens https://iplo.nl/thema/lucht/milieubelastende-activiteiten-lucht/maatregelen-stofemissie-overslagbewerken-goederen/m01-bevochtigen-vernevelen/). In het onderzoek is nu uitgegaan van een beperking van 20% van de stofemissie bij handeling van zand. De overslag van zand is blijkens de historische gegevens over de bestaande openbare loswal en de bestaande zandhandel veruit het meest voorkomend en voor de milieuonderzoeken als representatief voor de activiteiten beschouwd. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken zijn in het bestemmingsplan specifieke gebruiksregels opgenomen, met name gericht op geluid en stof. Deze regels gelden ook als er andere stoffen of producten worden overgeslagen. Los daarvan zullen er in het milieuspoor regels gaan gelden, in het belang van de bescherming van het milieu. Die regels zullen ook gelden als er andere stoffen of producten worden overgeslagen. Artikel 4.3.2 sub b wordt gewijzigd vastgesteld.
De tekst komt als volgt te luiden: “tijdens op- of overslag van stuifgevoelige stoffen dienen deze stoffen te worden bevochtigd danwel dienen er vergelijkbare maatregelen getroffen te worden om verspreiding of morsing te voorkomen.” Er is aangesloten bij het Bal. De termen ‘zandhopen’ en ‘stuifoverlast’ komen dan ook niet meer voor. Voor het transport en lozingen op het water van (bulk)goederen over water gelden de regels van het Bal. 5. Het overslaan van bulkgoederen in de buitenlucht is aan algemene regels volgens het Bal gebonden. Overslag van stuifgevoelige goederen is verboden boven bepaalde windsnelheden (artikel 4.1066 Bal). Het is daarmee voldoende geregeld. Aanpassing
1. De zienswijze leidt niet tot aanpassingen 2. De zienswijze leidt uitsluitend tot aanpassing van het onderzoek:
30
a. In de berekening zijn de emissie van de scheepvaartbewegingen meegenomen (emissie gebruik motoren). b. De op- en overslag van zand uit het aangemeerde schip meegenomen in het onderzoek (emissie verwaaiing en overslag zand). 3. De zienswijze leidt niet tot aanpassingen. 4. De zienswijze leidt tot aanpassing van artikel 4.3.2 sub b De zienswijze leidt tot aanpassing van het onderzoek: a. Bij bevochtigen is een afname met factor 10 volgens de NTA 8029-publicatie meegenomen. b. Bij het creëren van een nevelgordijn en gebruik van een sproei installatie is een effect van 20% beperking van de stofemissie meegenomen. 5. De zienswijze leidt niet tot aanpassingen. 1ff
1gg
Verder stelt indiener dat de voorwaardelijke verplichting zijn doel niet kan bereiken als pas “tijdens het verladen en opslaan van zand” zandhopen worden bevochtigd en niet tevens “voor het verladen en opslaan van zand”. Verder dient – volgens indiener - in de planregel ook bepaald te worden dat “continu en voorafgaand aan de overslag” bevochtigd dient te worden. Dit betekent dat schepen die nog plaats in moeten nemen hier ook aan moeten voldoen. Beantwoording
Voor het transport van (bulk)goederen gelden de regels van het Bal die moeten worden opgevolgd. De gemeente kan in dit bestemmingsplan alleen gebruiksregels formuleren voor het opleggen voor de handeling op de loswal.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. Fijn zand is sterk stuifgevoelig (S2) en Zircon zand licht stuifgevoelig, niet bevochtigbaar (S3). Indiener geeft aan dat niet is uitgesloten dat de zandhandel voornoemde zandsoorten verhandeld. Zircon zand kan niet bevochtigd worden. Daardoor dient in de bestemmingsplanregels te worden opgenomen dat Zircon zand niet gebruikt mag worden. Verder blijkt uit het rapport van Arcadis ten aanzien van fijnstof dat voldaan wordt aan grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Alhoewel aan deze grenswaarden
31
voldaan wordt blijkt wel dat de achtergrondconcentratie (zonder zandhandel) wordt verdubbeld door de verplaatsing van de zandhandel. Beantwoording
Zie voor de beantwoording voor wat betreft de stuifklassen de beantwoording van zienswijze 1p, 1ee en 3h-20.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing.
1hh
1ii
Volgens indiener blijkt uit het luchtkwaliteitsonderzoek dat bepaalde waarden toch worden overschreden ter plaatse van het pand van indiener. Verder blijkt – volgens indiener - uit het rapport van Arcadis dat enkel ten aanzien van Combi Ster uitgebreid onderzoek is verricht. Gesteld is dat Combi Ster HEPA-filters heeft en dat de concentratie fijn stof in het gebouw daardoor niet zal toenemen. Niet is onderzocht of andere bedrijven en het pand van cliënt HEPA-filters hebben en of de concentratie fijn stof niet zal toenemen. Ook zou de levensduur als gevolg van de HEPA-filters verkort kunnen worden, hetgeen nader onderzocht zou moeten worden. De raad had – volgens indiener moeten onderzoeken of voor het gebruik van de zandhandel HEPA-filters bij omliggende bedrijven als voorwaardelijke verplichting hadden dienen te worden opgenomen. In dit kader merkt indiener ook op dat onvoldoende de windrichting inzichtelijk is gemaakt en het effect van water op de wind en de verspreiding van stoffen. Beantwoording
Tijdens de uitwerking van het ontwerp en de voorbereiding van het bestemmingsplan is met diverse bedrijven gesproken en zijn er geen meldingen gedaan van het gebruik van HEPA-filters door andere bedrijven. Verder blijkt uit het onderzoek dat bij het inzetten van de juiste maatregelen de verspreiding binnen de normen blijft.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. Verder merkt indiener op dat voor grof stof in het onderzoek is aangegeven dat maatregelen getroffen dienen te worden om stofpluimen tegen te gaan. Van nader onderzoek is niet gebleken en niet is bepaald in het voornemen dat nadere maatregelen getroffen dienen te worden.
32
Beantwoording
Met de voorgestelde maatregelen worden ook stofpluimen tegengegaan.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing.
1jj
1kk
Voorts stelt indiener dat op de openbare loswal geen sproei-installatie gerealiseerd wordt en de zandhopen en zand bij het verladen en opslaan daarvan niet bevochtigd hoeven te worden. Hiervoor geeft Arcadis de verklaring dat op de loswal de emissiefactor voor stuifklasse S3 van toepassing is. Deze classificatie laat - volgens indiener - onverlet dat tijdens het verladen en opslaan van zand stofemissie kan plaatsvinden (vooral ook bij bepaalde windsnelheden) en dat op de openbare loswal ook de gevolgen die bij de zandhandel optreden kunnen optreden nu de zandhandel gebruik kan maken van de openbare loswal. Het is voor indiener niet duidelijk hoe dit standpunt in verhouding staat met artikel 3.49 van de Activiteitenregeling milieubeheer. Volgens indiener is sprake van strijd met het artikel. Beantwoording
Bij gebruik van de openbare loswal zijn de regels volgens het Bal van toepassing. Als er zand of bulkgoederen wordt overgeslagen, zal de emissie van stof moeten worden beperkt. Daar zijn niet per se vaste installaties voor nodig. Dit kan ook met losse sproeiers en een dompelpomp, of afgeschermde mobiele transportbanden en storttrechters. Ondanks dat er geen vaste installatie is, kunnen er wel maatregelen worden getroffen wanneer overslag van bulkgoederen plaats vindt. Verder kan in de gebruiksregels van de openbare loswal worden opgenomen dat bij op- en overslag van bulkgoederen de emissie moet worden beperkt, bijvoorbeeld door het plaatsen van een tijdelijke sproei installatie.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. Volgens indiener is het vaste jurisprudentie dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan onderzocht dient te worden of het plan niet zulke risico’s voor de volksgezondheid meebrengt dat het woon- en leefklimaat onaanvaardbaar verslechtert en daardoor niet dient te worden vastgesteld (zie bijvoorbeeld ABRvS 3 juli 2019, ELCI:NL:RVS:2019:2215). Het bevochtigen is als verplichting in het bestemmingsplan opgenomen. Voor het bevochtigen wordt afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen goederen, zoveel als mogelijk gebruikt (art. 3.32 Activiteitenbesluit). De stofemissie wordt weliswaar beperkt door de bevochtiging, maar als gevolg van de bevochtiging kan nevel ontstaan en legionella verspreid worden naar de omgeving (zie RIVM, 33
“Mogelijke verspreiding van legionella naar de omgeving door natte lucht- en gaswassers”). Hier is – volgens indiener - geen onderzoek naar verricht. Beantwoording
Binnen het ruimtelijke spoor is er, mits deugdelijk gemotiveerd, ruimte om gezondheidsrisico’s voor omwonenden mee te wegen. Dit kan alleen als de volksgezondheid ruimtelijk relevant is. Risico’s voor de volksgezondheid worden – behoudens externe veiligheid – niet als vanzelfsprekend onderzocht en ruimtelijk relevant geacht. Dit zou anders zijn als er sprake zou zijn van een verslechtering van het woon- en leefklimaat als gevolg van gezondheidsrisico’s. In casu is er sprake van de vestiging van de zandhandel – zonder gezondheidsrisico’s - op een industrieterrein. De publieke gezondheidszorg is hierbij niet in het geding. De overslag van zand ter plaatse van de Schie is een functie die heel goed op een industrieterrein met watergebonden bedrijvigheid past. Het is onduidelijk waarom deze ontwikkeling een risico voor de volksgezondheid oplevert. Indiener heeft hier ook geen onderbouwing voor aangeleverd.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing.
1ll
In het kader van de goede ruimtelijke ordening dienen – volgens indiener - ook de lichteffecten en lichthinder van het ontwerpbestemmingsplan onderzocht te worden. De raad heeft voornoemde aspecten niet onderzocht en zich niet ervan vergewist dat geen onaanvaardbare lichthinder optreedt bij de bedrijfswoningen en het kantoor van cliënt, terwijl deze functies wel lichtgevoelig zijn (nu zij ook geur- en geluidsgevoelig zijn). In de toelichting van het voornemen is over lichthinder enkel als voorwaarden genoemd dat werkzaamheden bij daglicht uitgevoerd moeten worden en dat geen gebruik moet worden gemaakt van bouwlampen om te voorkomen dat vleermuizen lichthinder ondervinden tijdens het foerageren. Deze maatregelen zijn niet als voorschrift opgenomen in de planregels of bij de omgevingsvergunning. Beantwoording
Het bestemmingsplangebied ligt al in een omgeving met een behoorlijke lichtuitstraling. De rij met populieren en overige bosschages maken vanwege de geïsoleerde ligging, lichtuitstraling vanuit de omgeving en beperkte lengte/omvang geen onderdeel uit van een vliegroute en vormen geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Het betreft geen essentieel foerageergebied en voldoende vergelijkbaar alternatief is in de directe omgeving aanwezig. Het verstoren van vliegroutes 34
door nachtelijke verlichting en/of bomenkap kan tot negatieve effecten leiden. De openbare loswal noch de zandhandel zullen ’s nachts werkzaam zijn. Derhalve moet in de aanlegfase een aantal maatregelen in acht worden genomen waaronder de maatregel om alleen te werken tussen zonopkomst en zonondergang en geen gebruik te maken van bouwlampen. Deze maatregel is gedekt vanuit de algemene zorgplicht in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming en hoeft derhalve niet te worden opgenomen in de regels van het bestemmingsplan of als voorschrift aan de omgevingsvergunning. Aanpassing 1mm
2a
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. Ten slotte geeft indiener aan dat niet is onderzocht, afgewogen en kenbaar gemaakt door de raad in het ontwerpbestemmingsplan hoe de planregels en voorgaande overwegingen worden gehandhaafd, ontbreken eisen en voorwaarden in de planregels (met voorwaardelijke verplichtingen) ten behoeve van de handhaafbaarheid van het bestemmingsplan en is niet inzichtelijk gemaakt welke maatregelen (besluit hogere grenswaarden, maatwerkvoorschriften, etc.) dienen te worden getroffen. Zo is niet inzichtelijk hoe vervoersbewegingen en het maximum aan doorzet gehandhaafd zal worden.
BedrijvenKring Schieoevers
Beantwoording
De handhaving binnen dit plangebied zal niet anders verlopen dan binnen de andere plangebieden in de gemeente. Daarom is de standaard handhavingsparagraaf opgenomen. Voor het overige wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 1w.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing.
Zienswijze
Indiener is meerdere malen in de gelegenheid gesteld om input te geven op het plan, maar indiener geeft aan dat een belangrijk deel van de input niet is verwerkt.
Beantwoording
Het klopt dat gedurende het proces betrokkenen de gelegenheid is gegeven om te reageren op de voorgenomen ontwikkeling. Dit heeft in sommige gevallen geleid tot aanpassing of nadere onderbouwing van de plannen. Echter, niet alle aangedragen input is (om uiteenlopende redenen) verwerkt.
35
Aanpassing 2b
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. Indiener geeft aan dat de ambitie om Schieoevers Zuid intensiever en efficiënter te gebruiken moeilijk te combineren is met de ambitie om de verbinding stad-buitengebied te optimaliseren en te intensiveren. Indiener had graag een heldere keuze in het plan opgenomen gezien en adviseert om die reden om het fietsverkeer zo veel mogelijk langs de Schieweg en/of het spoor gerealiseerd willen hebben en vrachtverkeer in de zone direct langs de Schie en kruisend vracht- en langzaam verkeer zo veel als mogelijk te beperken. Indiener verzoekt om het bestemmingsplan hierop aan te passen.
Beantwoording
De gemeente en de Provincie hebben meerdere ambities die in dit gebied samenkomen. Zowel de verbinding met het buitengebied en het realiseren van een groen, verbonden en duurzaam bedrijventerrein als het beter benutten en intensiveren van het bedrijventerrein (zie ook 1b en 1c). Met dit plan worden beide ambities gecombineerd. Op dit moment wordt er gewerkt aan een visie voor Schieoevers Zuid waar deze en andere ambities nader worden uitgewerkt. Delft is een groeiende stad waar binnen het bestaande stedelijke gebied steeds meer mensen werken, wonen en recreëren. Dit vraagt een efficiënt ruimtegebruik en inpassing van verschillende functies dichtbij elkaar. De westelijke oever van de Schie is een belangrijke stad-landverbinding en deze wil de gemeente graag behouden en versterken. Naast het fietspad wordt daarom ook een apart voetpad gerealiseerd (zie het bij de ontwerp omgevingsvergunning behorende Totaaloverzicht verbreding Schie). Naast de stedelijke betekenis van deze verbinding, heeft deze ook gebruikswaarde voor werkenden op Schieoevers Zuid, bijvoorbeeld als wandelroute tijdens de lunch.
Aanpassing 2c
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. In het ontwerpbestemmingsplan is aangegeven dat de gemeente voornemens is om de klinkerverharding te vervangen door asfalt. Indiener verzoekt de gemeente om als onderdeel van de besluitvorming over het bestemmingsplan de financiering voor de herinrichting van de Marconiweg te regelen en deze vooruitlopend op de herinrichting van de oever te realiseren.
36
Beantwoording
De kosten voor de aanpassing van de Marconiweg zijn gedekt. Voor de borging van de verzwaring en asfaltering van de Marconiweg is een voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing.
2d
Indiener geeft aan graag een tweede ontsluiting van Schieoevers Zuid te willen. De realisatie van de Farayabrug over de Schie zou volgens indiener een tweede ontsluiting betekenen, maar indiener ziet dat de ruimtereservering hiervoor is losgelaten. Daarnaast wordt de realisatie van de Energiebrug – volgens indiener - door het de ligplaatsen in het ontwerpbestemmingsplan bemoeilijkt. Beantwoording
In het door de raad vastgestelde Mobiliteitsplan Delft (hierna: “MPD”) is de Faradaybrug niet opgenomen. Daarbij is de Faradaybrug voor zover deze in de toekomst aan de orde is, niet voorzien als auto verbinding, maar als fietsverbinding. Er vindt nog een bredere afweging plaats wat de beste locatie voor een fietsbrug in Schieoevers Zuid.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing.
2e
2f
Indiener verzoekt de gemeente om als onderdeel van de besluitvorming over het bestemmingsplan financiering voor de benodigde compensatie van de waterberging te realiseren en deze vooruitlopend op de herinrichting van de oever te realiseren. Beantwoording
Dit deel van het project wordt gefinancierd door de Provincie Zuid-Holland. De extra waterberging zal vooruitlopend op de herinrichting van de oever worden gerealiseerd. Dit is ook een voorwaarde van Hoogheemraadschap van Delfland. Het voornemen is om vrijkomende grond te gebruiken bij de aanleg van de nieuwe waterkering en eventuele ophoging van het terrein. Om dit te borgen is een voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen.
Aanpassing
De zienswijze leidt tot aanpassing. Indiener verzoekt de gemeente om in het bestemmingsplan zoveel mogelijk rekening te houden met de bedrijfsvoering van betrokken bedrijven (zandhandel en Combi-ster) en – indien nodig – middelen vrij te maken voor het realiseren van een situatie waarin betrokken bedrijven hun bedrijfsvoering kunnen voortzetten. 37
3a
Beantwoording
Bij het opstellen van het bestemmingsplan zijn diverse gesprekken gevoerd met omliggende bedrijven en zijn onderzoeken uitgevoerd om de effecten op de bedrijfsvoering in beeld te brengen. Dit heeft geleid tot een aantal maatregelen.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing.
Combi-Ster
Indiener heeft begrepen dat door het bevoegd gezag wordt aangegeven dat opmerkingen van omliggende bedrijven zijn verwerkt in het definitieve ontwerp. Indiener is van mening dat dit volgens haar niet het geval is. Beantwoording
Gedurende het ontwerptraject en bij het opstellen van het bestemmingsplan zijn gesprekken gevoerd met omliggende bedrijven. Sommige opmerkingen hebben hierbij een plek gekregen in het ontwerp of het bestemmingsplan. Niet alle opmerkingen zijn hierbij (om uiteenlopende redenen) verwerkt.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing.
3b
3c
Indiener is van mening dat tijdens de overleggen onvoldoende is ingegaan op haar vragen inzake VO/DO, onderzoek geluid, lucht en trilling en verkeersafwikkeling. Ook is indiener van mening dat haar zorgen en aanwijzingen onvoldoende terugkwamen in de van de gesprekken gemaakte notulen. Beantwoording
In diverse overleggen en ook schriftelijk zijn veel vragen van de zijde van de indiener beantwoord. Momenteel vinden er nog gesprekken met indiener plaats. Gezocht wordt naar manieren om stof-, trilling- en privacy hinder zoveel als mogelijk te beperken. Gesprekken en onderzoeken blijven de komende tijd plaatsvinden – ook na de vaststelling van dit bestemmingsplan - met als doel een werkbare oplossing te vinden voor alle partijen. Dit gebeurt buiten het bestemmingsplan om.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. Indiener constateert dat de locatiekeuze voor de loswal niet zorgvuldig is gebeurd maar is gebaseerd op een quickscan. Voorts geeft indiener aan dat de locatie uit de quickscan (tegenover Avalex) is losgelaten en voor de locatie tegenover Combi-Ster is gekozen, waarbij het voor indiener onduidelijk is of op de gekozen locatie de verkeersafhandeling op orde gebracht kan worden, zeker in combinatie met de verkeersstroom van indiener zelf. Indiener geeft aan dat de projectgroep zelf ook twijfels heeft bij de locatie en nut en noodzaak van de verplaatsing van de zandhandel niet goed kan onderbouwen.
38
Beantwoording
Door middel van een trechterproces is er gekomen tot de locatiekeuze voor de Zandhandel. Hierbij is er vanuit de diverse beleidsvisies gekomen tot een alternatieve locatie. Vervolgens is er binnen dit alternatieve gebied een verkennende studie uitgevoerd naar meerdere varianten voor een geschikte locatie. Dit op basis van enkele criteria. Alternatieve locatie gebied De huidige loswal (waaronder de zandhandel) en ligplaatsen in Schieoevers-Noord moeten weg om ruimte te maken voor de aanleg van de Gelatinebrug en voor de realisatie van Kabeldistrict. De keuze voor Schieoevers-Zuid als alternatieve locatie ligt voor de hand, enerzijds omdat er weinig ruimte is binnen Delft voor dergelijke functies en anderzijds omdat de gemeente de visie heeft om SchieoeversZuid als bedrijventerrein met zware bedrijvigheid beter te gaan benutten de komende periode. Variant Vervolgens is door Arcadis in 2018 een verkennende studie uitgevoerd naar de mogelijkheden voor het realiseren van een loswal en ligplaatsen op de locatie Schieoevers Zuid aan de westoever van de Delftse Schie. In de verkenning heeft een beoordeling plaatsgevonden van een aantal mogelijke locaties op basis van een aantal criteria: realiseerbaarheid, inpasbaarheid, kosten, duurzaamheid, veiligheid. Daaruit is de locatie bij de loswal t.h.v. Avalex/Rojo naar voren gekomen. Variant aangepast t.g.v.
voortschrijdend inzicht In het ontwerpproces is iets afgeweken van de locatie voor de loswal zoals deze uit het locatieonderzoek naar voren is gekomen. Dit heeft vooral te maken met later in het proces toegevoegde ambities (fietspad, voetpad, groen) aangewezen door de Standsbouwmeester in 2020 vanwege de groene corridors langs de Schie. Dit in relatie tot de beperkte ruimte op deze locatie. Daarnaast heeft in de tussentijd de komst van de Faradaybrug een lagere prioriteit gekregen. Daarom is besloten een deel van de ruimtereservering voor de Faradaybrug in te zetten om extra ruimte te creëren voor inpassing van de loswal.
Aanpassing 3d
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. In de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan en de verschillende onderzoeken van Arcadis worden – volgens indiener - niet dezelfde uitgangspunten gehanteerd. Bovendien missen – volgens indiener - gegevens die noodzakelijk zijn om een goede beoordeling van het plan te kunnen
39
maken: 1. In het rapport Luchtkwaliteit worden de activiteiten op het terrein van de zandhandel en de openbare loswal gezamenlijk beschouwd, terwijl in het akoestisch onderzoek alleen activiteiten op het terrein van de zandhandel worden beschouwd. 2. In de aanmeldingsnotitie m.e.r. wordt in paragraaf 3.7.1.2 met betrekking tot het aspect geluid andere geluidniveaus genoemd dan in het akoestisch onderzoek zijn opgenomen. Dit betreft zowel het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) als het maximale geluidniveau (LAmax).
3. De in het akoestisch rapport omschreven bedrijfssituaties zijn niet volledig en zijn niet uitvoerbaar met de geprojecteerde lay-out van de inrichting. Voor de geprojecteerde layout van de inrichting is uitgegaan van de tekeningen DO-15 d.d. 27-1-2021 en DO-16 d.d. 27-1-2021 en DO-18 d.d. 28-1-2022 van Arcadis met projectnummer 30104723. Tevens is uitgegaan van tekening DO-16 d.d. 19 mei 2021 van Arcadis met projectnummer C03061.000602 (met aanpassingen gemeente/JB 02-06-2021): Situatieoverzicht loswal zuid met 2 losplaatsen/afmeerpockets. 4. De emissiefactoren voor de overslag uit het TNO rapport R 86/205 d.d. 10 april 1987 gebruikt. Dit is zwaar verouderde data. De stofemissie dient berekend te worden de "NTA 8029+C1: Bepaling en registratie van industriële fijnstof emissies", d.d. maart 2013. Uit de NTA 8029 volgt bijvoorbeeld dat de emissie van de open opslag reduceert met een factor 10 indien de goederen worden bevochtigd en niet de door Arcadis gehanteerde factor 20. Deze waarde voor de reductie geldt bovendien niet voor de overslag van zand (om de stofemissie tijdens de overslag van zand te beperken zou een nevelgordijn toegepast moeten worden terwijl artikel 4.3.2 van de regels van het ontwerpbestemmingsplan slechts spreekt van 'bevochtigen'). 5.
In de bestemmingsplanregels is in artikel 4.3.1 opgenomen dat op het terrein van de zandhandel (bestemming 'Verkeer' met functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijfzandhandel') maximaal 250.000 m3 zand mag worden verwerkt. In de bestemmingsplanregels 40
is opgenomen dat op het terrein van de openbare loswal (bestemming 'Verkeer' met functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf loswal') maximaal 150.000 m3 zand mag worden verwerkt. In het akoestisch onderzoek wordt in de worst case situatie uitgegaan van de verwerking 400.000 m3 op het terrein van de zandhandel. 6. Het ontwerpbestemmingsplan spreekt van bedrijfstijden van de zandoverslag van 07:00 uur tot 16:00 uur (maandag tot en met vrijdag). Dit zijn 9 uren per werkdag. (Ontwerpbestemmingsplan H 4.10, pagina 45). Het akoestisch onderzoek van Arcadis noemt de periode "06:00 tot 18:00 uur op doordeweekse dagen". Dit zijn 12 uren per werkdag. (Akoestisch onderzoek zandhandel & overslagbedrijf van der Waal B.V. Arcadis, 18 februari 2022, H2.1, pagina 5.). 7. In de tabel opgenomen in artikel 4.3.1 onder c zijn in de kolom 'Lnight' twee waarden opgenomen, onduidelijk is aan welke waarde de bedrijven moeten voldoen. 8. Een duidelijke inrichtingstekening ontbreekt, terwijl in de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan wordt vermeld dat met het bestemmingsplan en de gecoördineerde omgevingsvergunning de uitvoering van het gehele plan mogelijk wordt gemaakt. 9. Een duidelijk plan met tekening van de vervoersafwikkeling ontbreekt. 10.
In de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan (paragraaf 4.10) wordt verwezen naar een verkeersonderzoek 'Verkeerstelling en bepaling restcapaciteit, dtv-consultants', dit onderzoek is echter niet als bijlage bij het ontwerpbestemmingsplan gevoegd. 11. De AERIUS-berekening uitvoeringsfase voor verbreding Schie, aanleg loswal Van der Waal en openbare loswal, en natuur- en watercompensatie (afgraven ruimte voor 2.500 m2 extra oppervlaktewater in het Abtswoudse Bos) mist. Beantwoording
1. De bestemmingsplanwijziging gaat over het verplaatsen van de zandhandel, de openbare ligplaatsen en de loswal. De onderliggende onderzoeken moeten de effecten daarvan in beeld brengen. Het gebruik van de loswal en de zandhandel is in het ontwerpbestemmingsplan gemaximeerd, zie hoofdstuk 4.3 Specifieke gebruiksregels. In het akoestisch onderzoek is het gebruik van de openbare loswal door derden anders dan de zandhandel niet beschouwd. Het is niet zo dat het akoestisch onderzoek het gebruik niet in beeld heeft gebracht. Als maximale situatie (maatgevende dag) is gekeken naar een drukke dag bij de zandhandel, waarbij deze ook gebruik maakt van de openbare loswal. Het is de vraag in hoeverre er nog ruimte is voor gebruik door derden op een dag dat de zandhandel de openbare loswal in gebruik heeft. Het onderzoek geeft hier geen uitsluitsel over. Wel is het zo dat in het akoestisch onderzoek niet is gekeken naar gebruik van de openbare loswal in de avondperiode, terwijl het bestemmingsplan gebruik in de avondperiode niet uitsluit. 41
2. 3.
4.
5. 6.
7.
In het akoestisch onderzoek dient alleen de representatieve situatie onderzocht te worden. In deze situatie is het uitgangspunt dat er geen activiteiten in de avond plaatsvinden. Incidenteel kan de openbare loswal gebruikt worden tijdens de avonduren. Dit hoeft niet te worden meegenomen in het akoestisch onderzoek aangezien dit slechts enkele keren per jaar zal plaatsvinden. In het rapport is dit verduidelijkt. De m.e.r. aanmeldnotitie wordt aangepast naar aanleiding van de conclusies van de laatste versie van de onderzoeken. In het akoestisch rapport is uitgegaan van de maatgevende bedrijfssituatie (zandhandel). Hierbij is uitgegaan van een representatief scenario en een maximaal scenario. Met het maximale scenario is de maximale situatie die deze plek kan verwerken doorgerekend. Uit de rapportage blijkt dat beide scenario’s passen. In de NTA 8029+C1 van 2013 worden de emissiekentallen - volgens een onderzoek uitgevoerd door Peutz uit 2006 (FR 4897-2, dec 2006) en 2007 (FL 18612-1, dec 2007) - gehanteerd. Het hanteren van de NTA 8029+C1 is alleen verplicht voor bedrijven die vallen onder de Richtlijn Industriële Emissies (RIE). Daar valt het bedrijf en de openbare loswal niet onder. Met het hanteren van de emissiekentallen volgens de NTA 8029+C1 wordt wel verdere discussie over de emissiekentallen voorkomen.
Daarom wordt het rapport aangepast en de emissiekentallen volgens de NTA 8029 gehanteerd. Dit sluit het beste aan bij de Nederlands Wet- en regelgeving. Het akoestisch onderzoek en de oplegnotitie zijn hierop aangepast. Voor het akoestisch onderzoek is uitgegaan van de periode dat geluid geproduceerd kan worden door activiteiten op de locatie. Deze zijn verkregen uit informatie van de zandhandel en zijn van belang voor het bepalen van of de geluidsactiviteiten die in de dag, avond of nacht periode plaatsvinden. Voor elke periode gelden andere normen. De zandhandel is geopend tussen 6 en 18 uur. Er wordt echter tussen 7 en 16 uur zand overgeslagen. Dat laatste is dan ook uitgangspunt geweest voor de verkeersbewegingen, zoals omschreven in de toelichting. De tabel in artikel 4.3.1 sub d is aangepast aan tabel 5 van de oplegnotitie Akoestisch onderzoek.
Beoordelingspunten
Lden
Lnight
Nummer
[dB]
[dB]
omschrijving
42
Zonebewakingspunten Z09
Zonebewakingspunt
34
25
Z10
Zonebewakingspunt
39
30
Z11
Zonebewakingspunt
31
21
Z12
Zonebewakingspunt
32
24
MTG-punten (woningen in de geluidzone) W55\01
Woning Rotterdamseweg 416
34
26
W57\01
Woning Rotterdamseweg 414
35
26
W59\01
Woning Rotterdamseweg 189
32
24
8. Bij de stukken behorende bij de omgevingsvergunningsaanvraag bevindt zich een situatietekening. 9. Deze wordt als bijlage bij de toelichting toegevoegd. 10. Deze wordt als bijlage bij de toelichting toegevoegd. 11. De Aerius-berekening van de uitvoeringsfase is opgesteld en wordt als bijlage bij de toelichting gevoegd.
Aanpassing
1. Paragraaf 4.9 van de toelichting is tekstueel aangepast. Het akoestisch onderzoek is tekstueel verduidelijkt op het punt van de representatieve situatie. 2. Aanmeldnotitie Mer wordt geactualiseerd. 3. De zienswijze leidt niet tot aanpassing. 4. Het luchtkwaliteitsonderzoek is aangepast aan de emissiekentallen volgens de NTA 8029+C1 van 2013. 5. Het akoestisch onderzoek en de oplegnotitie zijn aangepast aan de toegestane hoeveelheid overslag. 6. De zienswijze leidt niet tot aanpassing. 43
7. De tabel in artikel 4.3.1 sub d is aangepast aan tabel 5 van de oplegnotitie Akoestisch onderzoek. 8. De zienswijze leidt niet tot aanpassing. 9. De tekening met de vervoersafwikkeling is als bijlage bij de toelichting gevoegd. 10. De verkeerstelling is als bijlage bij de toelichting gevoegd. 11. De Aeriusberekening voor de uitvoeringsfase is als bijlage bij de toelichting gevoegd. 3e
Indiener stelt dat de omvang van de overslag van de Zandhandel niet duidelijk is. De overslag is in het ontwerpbestemmingsplan gemaximeerd op 250.000 m3 zand. Echter, indiener is van mening dat dit op geen enkele wijze te controleren is en hierop dus ook niet zal kunnen worden gehandhaafd.
44
Als de hoeveelheden van bovenstaande weken worden opgeteld wordt – volgens indiener uitgekomen op een gemiddelde van 14.361 m3 en bij een exploitatie van 50 werkweken (zie paragraaf 4.10 toelichting ontwerpbestemmingsplan) op een overslag van 718.050 m3. Bij de maximale overslagcapaciteit is dat – volgens indiener -zelfs 875.000 m3. Door in het bestemmingsplan de maximering van 250.000 m3 voor de zandhandel en 400.000 m3 in totaal op te nemen en daar in de
45
onderzoeken vanuit te gaan lijkt sprake van een onderschatting van de feitelijke bedrijfssituatie en daarmee van de overslagactiviteiten en de vaar- en verkeersgeneratie. Beantwoording
De overslag in Delft wordt vooraf (voorgenomen hoeveelheden) en achteraf (daadwerkelijk overgeslagen hoeveelheden) opgegeven aan de havendienst. Dit gebeurt op basis van de Verordening Kadegelden. Er zijn dus twee controlemomenten. De hoeveelheden van 250.000m3 ter plaatse van ‘bedrijf – zandhandel’ en 150.000 m3 ter plaatse van ‘openbare loswal’ zijn tot stand gekomen op basis van de jaarlijkse overslaggegevens uit het verleden (periode 2005-2021). Hierbij is de maximale hoeveelheid van 400.000m3 zandoverslag (hoeveelheid ter plaatse van openbare loswal en terrein zandhandel gezamenlijk) niet bereikt. Het feit dat er meer capaciteit is, wil niet zeggen dat deze maximaal benut wordt. De aantallen in bovenstaand overzicht betreffen slechts enkele weken. Deze zijn niet representatief aangezien het voorjaar vaak een drukkere periode betreft dan bijvoorbeeld de winter. Zoals aangegeven zijn de gehanteerde aantallen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen gebaseerd op de gegevens van de afgelopen jaren. Hieruit komt een gemiddelde van ongeveer 250.000 m3 per jaar naar voren.
Aanpassing 3f
3g
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. Indiener is van mening dat de verkeersgeneratie wordt onderschat doordat enkel uitgegaan wordt van laden en lossen per vrachtwagen, terwijl ook met personenwagens met aanhangers e.d. gereden wordt. Indiener stelt dat het ontwerpbestemmingsplan in de huidige vorm niet kan worden vastgesteld.
Beantwoording
De gemiddelde omvang per vracht is bepaald aan de hand van de geregistreerde gegevens van de huidige zandhandel. Dit omvat daarmee zowel alle kleine vrachten (per aanhanger bijvoorbeeld) als grotere vrachten (met verschillende typen vrachtwagens). De hoeveelheid verkeer omvat dus alle vrachten/verkeersbewegingen.
Aanpassing
De zienswijze leidt tot een tekstuele verduidelijking van het luchtkwaliteitsonderzoek. Trillingen
46
1. Indiener vindt het een onwenselijke situatie dat ingevolge het rapport van Arcadis matige hinder ontstaat voor personen en dat de referentiewaarden voor de aanwezige gevoelige apparatuur wordt overschreden 2. Indiener heeft het onderzoek van Arcadis laten toetsen door Fugro en Fugro is van mening dat de overschrijdingen van de referentiewaarden veel groter zijn dan in het rapport van Arcadis is opgenomen. 3. Indiener is van mening dat bij een nieuwe ontwikkeling altijd moet worden voldaan aan de normen van trillingen, met name omdat indiener al decennia ter plaatse is gevestigd. 4. Indiener is van mening dat het onderzoek van Arcadis niet representatief is, aangezien enkel van de bestaande situatie van de zandhandel is uitgegaan en niet van de openbare loswal. 5. Voor de openbare loswal is niet aangegeven welke goederen gelost mogen worden. Dat betekent dat er zeer zware producten kunnen worden overgeslagen. 6. Het bestemmingsplan staat toe dat er 10.000 trafo’s van 100 ton worden overgeslagen op de openbare loswal. Het rapport is volgens indiener dan ook niet compleet, aangezien dit gaat over het overslaan van zand. 7. De trillingsmetingen zijn volgens indiener niet representatief, aangezien de metingen plaatsvonden op 22 december 2021 en het op dat moment volgens indiener rustig is.
Ook kan er volgens indiener uit de metingen niet worden afgeleid of er sprake is van gevulde of van lege vrachtwagens en was de zandhandel volgens indiener op de hoogte van de metingen. 8. Volgens indiener hebben de beheersmaatregelen onvoldoende effect. Dit wordt tevens erkend in het rapport van Arcadis. 9. De betreffende gevoelige apparatuur van indiener is niet door Arcadis onderzocht waardoor het rapport onzorgvuldig tot stand is gekomen. Omdat de range van specificaties voor apparatuur zeer divers is, geeft SBR C geen toetswaarde, wel een werkwijze over hoe om te gaan met trillingen bij apparatuur. Doorgaans is een toetswaarde onbekend of geldt deze voor specifieke omstandigheden. 10. Volgens indiener is het gewicht op de openbare loswal niet gemaximeerd, waardoor het rapport van Arcadis onjuist is. 11. Indiener is van mening dat de gemeente een voorwaardelijke verplichting op moet leggen om zeker te stellen dat de te treffen maatregelen zijn gerealiseerd, voordat het bedrijf zich ter plaatse heeft gevestigd.
47
Beantwoording
1. In artikel 2.23 van het Activiteitenbesluit zijn geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten gelegen op een gezoneerd industrieterrein uitgezonderd van toetsing aan de trillingswaarden in de SBR-richtlijn. In het bestemmingsplan geldt voor de bestaande gronden de classificering ‘bedrijventerrein’, met een algemene toelating van bedrijven tot maximaal milieucategorie 4. Dit kunnen ook trillingveroorzakende bedrijven zijn. De bedrijven die in de trillingrapportage zijn beschouwd zijn bedrijven gelegen op een gezoneerd industrieterrein en behoeven bij de toepassing van het Activiteitenbesluit niet getoetst te worden aan de trillingswaarden in de SBR-richtlijn (en logischerwijs evenmin bij een eventuele milieuvergunningverlening). Het vigerende bestemmingplan kent geen bestemmingen waarvoor, gezien de zeer specifieke aard van de bedrijfsvoering, in het plan een op die activiteiten toegesneden planregeling is opgenomen. Een dergelijke planregeling zou ertoe kunnen leiden, dat met dit nieuwe bestemmingsplan vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening toch rekening gehouden zou moeten worden met een specifieke bescherming tegen trillingen. Omdat een dergelijke planregeling ontbreekt, ligt toetsing van bestaande activiteiten aan de trillingswaarden uit de SBR-richtlijn niet voor de hand.
Dit geldt ook voor de waarden in tabel C van de SBR-richtlijn over storingen in apparatuur. Wel kan in het kader van het milieuspoor (milieubelastende activiteit en zorgplicht) nagegaan worden welke maatregelen redelijkerwijs toegepast kunnen worden om trillinghinder en storingen in apparatuur bij bestaande activiteiten te beperken. Hier wordt de vergelijking gemaakt met geluidhinder bij geluidgevoelige gebouwen op een geluidgezoneerd industrieterrein. Hierbij wordt nadrukkelijk niet getoetst aan de streef-of grenswaarden, zodat overschrijding daarvan niet kan leiden tot weigering van de vergunning. Ter ondersteuning van bovenstaande uitgangspunten wordt verwezen naar de uitspraak 201100127/1/R2 van de Raad van State van 8 augustus 2012. In die uitspraak overweegt de Afdeling in rechtsoverweging 2.4.2 dat “de raad zich terecht op het standpunt stelt dat het RDW-terrein - nu dit onderdeel uitmaakt van een gezoneerd industrieterrein - geen geluidgevoelig gebouw of terrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) is. In verband met het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder is het verrichten van akoestisch onderzoek op grond van de Wgh dan ook niet verplicht.
Het voorgaande neemt niet weg dat in dit geval - gezien de zeer specifieke aard van de bedrijfsvoering van RDW en gezien het feit dat in het onderhavige plan voor het terrein van RDW ook is voorzien in een op de bestaande activiteiten toegesneden planregeling - een te 48
hoge mate van geluidbelasting op het RDW-terrein aantoonbaar een belemmering voor de bedrijfsvoering kan vormen, omdat dit de betrouwbaarheid van de testmetingen negatief kan beïnvloeden.” De omstandigheden in de uitspraak van 8 augustus 2012 doen zich in bestemmingsplan “Verbreding Schie” niet voor. Er is een algemene bedrijfsbestemming en – anders dan in de vorengenoemde uitspraak – zijn nu al bedrijven tot maximaal milieucategorie 4 toegelaten. De bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de zandhandel en de openbare loswal brengt daarin geen wezenlijke veranderingen. Dat betekent ook dat het al dan niet representatief zijn van de trillingsrapportage primair van belang is bij de zorgplicht in het kader van de Omgevingswet, niet in het kader van dit bestemmingsplan. Ondanks dat hier sprake is van een geluid gezoneerd industrieterrein waar activiteiten niet hoeven te worden getoetst aan trillingswaarden, wordt toch rekening gehouden met mogelijke trillingshinder. Gezocht wordt naar manieren om stof- en trilling hinder zoveel als mogelijk te beperken. Gesprekken en onderzoeken blijven de komende tijd plaatsvinden – ook na de vaststelling van dit bestemmingsplan - met als doel een werkbare oplossing te vinden voor alle partijen. Dit gebeurt echter buiten het bestemmingsplan om. 2. De situatie wijziging is inderdaad niet correct meegenomen.
De nieuwe bron zorgt inderdaad voor een nieuwe situatie. Dit leidt bij toepassing van de factor 1,8 vanwege de bron op het industrieterrein tot de volgende streefwaarden (conform richtlijn SBR-B-Hinder voor personen): - 0,27 wonen - 0,18 kantoor - 0,1 kritische werkruimte (blijft gelijk) Marconiweg 18 betreft een kantoorruimte/bedrijfswoning. De bevindingen blijven gelijk. 3. Voor trillingen zijn er in deze situatie geen normen maar richtlijnen. Aan deze richtlijnen zijn de voorgenomen activiteiten getoetst. Zie verder de beantwoording bij zienswijze 3g-1. De gemeente is voornemens om maatregelen te nemen om hinder of schade te minimaliseren. 4. Dit is niet correct, in het onderzoek zijn beiden beschouwd. Er is geprobeerd de toekomstige situatie na te bootsen door het te verwachten materieel (zowel leeg als vol) op de nieuwe locatie (Marconiweg) te laten passeren, te laten remmen en op te trekken. Gelijktijdig zijn metingen uitgevoerd om het effect van deze (toekomstige) handelingen vast te stellen. Aan de hand hiervan is een inschatting gedaan van de te verwachten trillingen bij ingebruikname van zowel de loswal als zandhandel. 49
5. Als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan wordt een overzicht opgenomen met daarin het type overslag dat de afgelopen jaren op de openbare loswal heeft plaatsgevonden. Uit het overzicht blijkt dat andersoortige overslag dan zand op de openbare loswal voorkomt, maar moeilijk te voorspellen is. Het type (bulk)goederen loopt uiteen van een trafo tot basaltsteen ten behoeve van het spoor. Hierdoor is geen eenduidig onderzoek te doen naar de milieu-effecten van andersoortige overslag dan zand. Maar de gemeente heeft wel een goed beeld van de goederen die zijn overgeslagen. In de verschillende onderzoeken is uitgegaan van een product dat het meeste impact heeft op de milieubelasting voor de omgeving en dat is in dit geval zand. Onderzoek naar de overige goederen is dan ook niet nodig. Op basis van de Verordening kadegelden en Verordening openbaar gemeentewater Delft kan uitsluitend van de openbare loswal gebruik worden gemaakt na aanmelding bij en instemming door de havendienst. 6. Opgemerkt wordt dat het overslaan van 10.000 trafo’s van elk 10 ton moeilijk als representatief kan worden aangemerkt voor de maximale mogelijkheden van dit bestemmingsplan. Voor het overige zie de beantwoording bij zienswijze 3g-1 en 3g-5. 7. Er is gereden met zowel volle als lege vrachtwagens. Het onderzoek is hierop aangepast.
Het feit dat het rustig is heeft geen invloed op de mate waarin trillingen optreden, wel op de frequentie waarin. Bij de metingen is een conservatieve benadering aangehouden. In deze conservatieve benadering is de conclusie dat de meeste trillingen worden veroorzaakt bij het slaan van de damwanden. Dit komt alleen in de aanlegfase voor, en is daarmee tijdelijk. De zandhandel was op de hoogte van de meting. 8. Uit de trillingsrapportage blijkt dat de maatregelen wel degelijk trillingshinder beperken. Voor trillingen op een gezoneerd industrieterrein milieucategorie 4 gelden geen wettelijke eisen. Zie hiervoor de beantwoording bij 3g-1. In het kader van de zorgplicht worden vanuit de gemeente redelijkerwijs maatregelen genomen om trillingshinder te beperken. De gemeente gaat ervan uit dat de asfaltering van de Marconiweg zal leiden tot voldoende reductie van de trillingen. 9. De specificaties en grenswaarden behorende bij de trillingsgevoelige apparatuur zijn opgevraagd. De grenswaarden behorende bij de trillingsgevoelige apparatuur zijn aan de hand van de geleverde stukken niet herleidbaar. Derhalve is een indicatieve grenswaarde gehanteerd. Deze indicatieve grenswaarde is verkregen middels raadpleging van SBR-C. Voor het overige wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijzen 3g-1.
De toename van trillingen zal voor een groot deel worden tenietgedaan door de asfaltering van de Marconiweg. 50
10. Er is uitgegaan van te verwachten (representatief) materieel. In het bestemmingsplan is onder artikel 4.3.4 een voorwaardelijke verplichting betreffende de asfaltering en verzwaring van de Marconiweg opgenomen. De Marconiweg zal worden geasfalteerd en verzwaard, voordat de zandhandel en de loswal in gebruik worden genomen. Aanpassing
3h
1. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing. 2. Deze zienswijze leidt tot aanpassing van het onderzoek. 3. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing. 4. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing. 5. Er wordt een lijst van de overslag op de openbare loswal toegevoegd 6. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing. 7. Deze zienswijze leidt tot aanpassing van het onderzoek. 8. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing. 9. Deze zienswijze leidt niet tot aanpassing. 10. Deze zienswijze leidt tot aanpassing. Luchtkwaliteit: 1. Indiener heeft het luchtkwaliteitsonderzoek van Arcadis laten toetsen door Peutz en de conclusie is dat het rapport van Arcadis is gebaseerd op onjuiste en onvolledige uitgangspunten. 2. Volgens indiener komt Arcadis zelf al tot de conclusie dat het aantal toelaatbare overschrijdingsdagen van 35 keer de 24-uursgemiddelde PM10-concentratie wordt overschreden (en ter plaatse van de woning aan de Rotterdamseweg 402 zelfs 71 keer. 3. Er wordt uitgegaan van worstcase van 400.000 m3 en de referentiesituatie van 250.000 m3. De referentiesituatie zou – volgens indiener - 400.000 m3 moeten zijn. 4. De emissiefactoren voor de overslag uit het TNO-rapport R 86/205 d.d. 10 april 1987 gebruikt. Dit is zwaar verouderde data. De stofemissie dient berekend te worden de "NTA 8029+C1: Bepaling en registratie van industriële fijnstof emissies", d.d. maart 2013.
Uit de NTA 8029 volgt bijvoorbeeld dat de emissie van de open opslag reduceert met een factor 10 indien de goederen worden bevochtigd en niet de door Arcadis gehanteerde factor 20. Deze waarde voor de reductie geldt bovendien niet voor de overslag van zand (om de stofemissie tijdens de
51
overslag van zand te beperken zou een nevelgordijn toegepast moeten worden terwijl artikel 4.3.2 van de regels van het ontwerpbestemmingsplan slechts spreekt van 'bevochtigen'). 5. De opslag van zand binnen de zandhandel is buiten beschouwing gelaten. 6. De opslag van zand op de boot is buiten beschouwing gelaten. 7. In de berekeningen is slechts rekening gehouden met één handeling bij de overslag. Echter blijkt uit de omschrijving dat er drie handelingen plaatsvinden: i. De eerste handeling betreft het overscheppen van 250.000 m3 zand naar de trechters of andere opslaglocaties; ii. De tweede handeling betreft het beladen van de vrachtwagens met 250.000 m3 zand vanuit de trechters; iii. Er is ook een derde (tussenstap) handeling mogelijk, namelijk van het overscheppen van de opslaglocaties in de trechters. 8. Indiener stelt dat transportbewegingen van personenauto’s niet zijn beschouwd. 9. Er is – volgens indiener - uitgegaan van stofklasse S3, terwijl de zandhandel aangeeft alle stofklassen over te slaan. 10. Volgens indiener moet er een nevelgordijn toegepast worden in plaats van het bevochtigen waarover artikel 4.3.2 van het bestemmingsplan spreekt. 11. De emissie van de scheepvaart is niet meegerekend. 12. De door Arcadis toegepast correctiefactor van 0,5 is – volgens indiener - onjuist.
De verwijzing voor het toepassen van deze correctiefactor naar het TNO-rapport 2006—R0290/B van oktober 2006 is niet correct, omdat in dit rapport dergelijke correctiefactoren niet zijn opgenomen. 13. In de toelichting is opgenomen dat een tijdelijke kraan op de openbare loswal kan worden geplaatst. Indiener stelt dat de tijdelijke kraan op de openbare loswal ten onrechte niet is meegenomen. 14. Het stationair draaien en manoeuvreren van vrachtwagens is – volgens indiener - niet meegerekend. 15. In het bestemmingsplan is 'zand' niet gedefinieerd en voor de openbare loswal is bovendien helemaal niet geregeld welke producten overgeslagen mogen worden. In een gesprek met Combi-Ster heeft Van der Waal overigens ook aangegeven dat 'alle stuifklassen' worden overgeslagen. Dit betekent dat de in het rapport van Arcadis gehanteerde emissiefactor S3 onjuist is en zeker niet 'conservatief', zoals Arcadis stelt. De conclusie die Arcadis trekt
52
"Daarnaast kunnen eventuele nadelige effecten voor de bedrijfsvoering van Combi-Ster en overige bedrijven worden uitgesloten” is volgens indiener onjuist. 16. Volgens indiener had ook rekening gehouden moet worden met stuifklasse S1/m S4. Dat is in het rapport niet gedaan. Ten aanzien van 'zand' is in de planregels (artikel 4.3.2 onder b) bepaald dat tijdens het verladen en opslaan van zand de zandhopen dienen te worden bevochtigd ter voorkoming van stof/stuifoverlast. Onduidelijk is wat 'zandhopen' zijn. Bovendien is niet bepaald dat het zand in de open boot en vrachtwagens bevochtigd moet worden, terwijl het daar ook stuift. Ook is niet bepaald wat 'stof/stuifoverlast' is en wanneer dus afgedwongen kan worden dat bevochtigd moet worden. 17. De conclusie m.b.t. de HEPA-filters is onjuist volgens Peutz. Volgens Peutz is bij een toename met een factor 2 de lucht meer vervuild. De lucht komt ook binnen via deuren en personen. Ook slaan de filters dicht wanneer ze de benodigde filtering niet meer kunnen realiseren. 18. Los van al het voorgaande is in het rapport van Arcadis reeds opgenomen dat ter hoogte van indiener de concentratie fijn stof op basis van de door Arcadis gehanteerde(onjuiste) uitgangspunten al toeneemt met 10 tot 20 µg/m3. Op een grenswaarde van 40 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie is dat een gigantische toename. 19.
Indiener stelt vervolgens dat Peutz concludeert dat door Arcadis ten onrechte het besluit Niet In Betekenende Mate is toegepast. Dit geldt op het moment dat de concentratie fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) minder is dan 3% van de grenswaarden. Aangezien de activiteiten ter plaatse van indiener al 10 tot 20 µg/m3 bijdragen aan de jaargemiddelde concentratie fijnstof en de grenswaarde 40 µg/m3 is, draagt deze dus wel in betekende mate mee aan de luchtkwaliteit. Er is dus wel een toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Beantwoording
1. Het onderzoek luchtkwaliteit is op enkele vlakken aangepast. De aanpassingen geven geen andere rekenresultaten die aanleiding geven voor het niet door kunnen gaan van de plannen. 2. Dit resultaat geldt voor het scenario 500.000 m3 zonder maatregelen, waarbij er geen bevochtiging van het zand plaats vindt. Deze situatie zal zich feitelijk niet voordoen, omdat de overslagcapaciteit in het bestemmingsplan is gemaximeerd tot 250.000 m3 voor de zandhandel en 150.000 m3 zand voor de openbare loswal, uitgevoerd door de zandhandel, of door derden.
53
3.
4. 5.
6. 7.
Door het toepassen van maatregelen zoals bevochtiging zijn de resultaten lager (zie bijlage 5 in het onderzoek luchtkwaliteit), waarmee volgens de rekenresultaten wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. De maximale situatie dient dus 400.000 m3 te zijn (250.000 m3 plus 150.000 m3). Het rapport wordt aangepast naar een maximum van 400.000 m3. De aanpassing van de rapportage is geen belemmerende factor voor het bestemmingsplan. Een overslag van 250.000 m3 zand is representatief voor de activiteiten van het zandoverslagbedrijf. De overslag fluctueert echter per jaar. De planologisch maximale situatie betreft een overslag van 250.000m3 via de bedrijfslocatie en 150.000 m3 via de openbare loswal. Die 150.000 m3 via de openbare loswal kan (deels) worden benut door de zandhandel, of (deels) door derden. Voor de berekening maakt dit geen verschil. Beide situaties zijn meegenomen in de onderzoeken geluid, luchtkwaliteit en stikstofdepositie. Voor het onderzoek luchtkwaliteit moet de maximale situatie nog aangepast worden van 500.000 m3 naar 400.000 m3. De referentiesituatie behoeft echter geen aanpassing. Zie beantwoording 3d-4. De zienswijze is correct. Dit is meegenomen in het onderzoek op basis van blootgesteld oppervlak over het jaar heen. Dit geldt dus zowel voor de opslag op de kade, als de opslag in schepen voor de kade (indien niet afgedekt).
En de opslag in de storttrechters. Zie onder 3h-5. Dit is meegenomen in het onderzoek op basis van blootgesteld oppervlak over het jaar heen. Op de openbare loswal vindt alleen directe overslag plaats. Ter plaatse van de zandhandel vindt directe en indirecte overslag plaats. In de als bijlage bij het ontwerpbestemmingsplan opgenomen berekening (afgeleid uit TNO-rapport Deeltjesgrootte van geëmitteerd fijn stof bij industriële bronnen’, kenmerk 2006-Ar0290/B d.d. oktober 2006) gelden de toe te passen emissiefactoren voor de totale overslag. Hierin is indirecte overslag voor het gebruik van een transportband opgenomen. Directe overslag is het overscheppen met de kraan of shovel zonder gebruik van een transportband:
54
Voor de verschillende stofklassen gelden de volgende emissiefactoren.
55
Dit houdt in dat de toegepaste factor van 0,01 voor de overslag van klasse S4 stoffen van toepassing is voor de handelingen onder i en ii. Voor iii geldt een emissiefactor van 0,015 0/00 volgens de TNO-methodiek. In het onderzoek luchtkwaliteit is abusievelijk uitgegaan van een emissiefactor van 0,05 0/00, een factor 5 hogere emissie in plaats van de aangegeven halveringsfactor van 0,5 voor de directe overslag van 250.000 m3 zand op de openbare loswal door de zandhandel en 150.000 m3 zand door derden. In het onderzoek is daarmee de handeling van stoffen overschat meegenomen in de berekening. Naar aanleiding van zienswijze 3d-4 is het luchtkwaliteitsonderzoek aangepast. In de aangepaste berekening ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit wordt de stofverspreiding berekend op basis van de kentallen conform de NTA 8029+C1 van 2013. De eerder gehanteerde stofklassen zijn door in het nieuwe onderzoek te rekenen met de kentallen conform de NTA 8029+C1 voor opslag en manipulatie van mineralen niet meer relevant. De NTA maakt namelijk geen onderscheid meer in stofklassen voor mineralen. 56
8. Het luchtkwaliteitsonderzoek is aangepast en transportbewegingen van personenauto’s zijn meegenomen. Er is een inschatting gedaan van het aantal bezoekende personen- en bestelwagens. Het effect is echter zeer beperkt tot verwaarloosbaar in relatie tot de transportbewegingen van vrachtwagens. 9. De opslag van stuifgevoelige stoffen is geregeld in het Bal. Deze regels zijn rechtstreeks geldend. Dit hoeft daarmee niet in een bestemmingsplan te worden geregeld. Voor het overige verwijzen we naar 1jj. 10. Artikel 4.3.2 sub b is aangepast naar aanleiding van zienswijze 9c. Hierdoor zijn naast bevochtigen ook andere maatregelen mogelijk om stofhinder te voorkomen. 11. De emissie van scheepvaart is ten onrechte niet meegenomen in het onderzoek luchtkwaliteit. De rapportage is daarop aangepast. In de nieuwe rapportage zijn de scheepvaartbewegingen meegenomen vanaf 400 meter voor het keerpunt in De Nieuwe Haven tot 400 meter na vertrek vanaf de openbare ligplaats of loswal tot 400 meter na vertrek vanaf de openbare loswal. 12. In beide onderzoeken is de vaarroute meegenomen in het onderzoek: vanaf het punt dat de snelheid wordt aangepast voor het aanmeren tot en met het keren in de zwaaikom en terugvaren tot het punt het dat het weer op kruissnelheid is (opgegaan in het overig vaarverkeer).
Omdat er walstroomvoorzieningen zijn op de nieuwe locatie, is het aannemelijk dat op de nieuwe locatie geen sprake is van het gebruik van de eigen generator van het schip voor neststroom. Het rapport is hierop aangepast. 13. In het onderzoek is het lossen van 150.000 m3 zand op de openbare loswal meegenomen. In de berekening is uitgegaan van het gebruik van de Atlaskraan. In plaats van zand is overslag van andere materialen of goederen mogelijk. Ook daarvoor kan de atlaskraan worden ingezet. Voor het lossen kan ook een andere kraan worden ingezet. De bedrijfstijd van de Atlaskraan neemt dan af, maar de inzet van een kraan van derden komt er dan bij. De Atlaskraan is relatief oud, wat leidt tot een overschatting van de emissies. In het onderzoek is daarmee uitgegaan van de worst-case situatie. 14. Het stationair draaien van vrachtwagenmotoren staat niet beschreven in de onderzoeken en het is daarmee niet uitgesloten dat het niet plaats vindt. Als stationair draaien van vrachtwagenmotoren plaatsvindt binnen de inrichting, moet het worden meegenomen in de berekening voor de aspecten luchtkwaliteit. Het stationair draaien van vrachtwagens is dan ook meegenomen in de rapportage. 15. Het overslaan van bulkgoederen in de buitenlucht is aan algemene regels volgens het Bal gebonden.
Overslag van stuifgevoelige goederen is verboden boven bepaalde windsnelheden (artikel 4.1066 Bal), zie ook zienswijze 1ee-3.
57
In het Bal (artikelen 4.1068 en 4.1069) staan erkende maatregelen om diffuse stofemissies te beperken. Voorbeelden zijn bevochtigen, gesloten systemen voor continu transport, afzuiging van storttrechters of afgesloten grijpers. Het bedrijf mag ook andere maatregelen nemen om hetzelfde doel te bereiken. Afwijken van een erkende maatregel hoeft het bedrijf niet van tevoren bij het bevoegd gezag te melden. Bij een controle moet het bedrijf wel kunnen aantonen hoe het bedrijf tot een andere dan de erkende maatregel is gekomen. Naar aanleiding van zienswijze 3d-4 is het luchtkwaliteitsonderzoek aangepast. In de aangepaste berekening ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit wordt de stofverspreiding berekend op basis van de kentallen conform de NTA 8029+C1 van 2013. De te hanteren emissiekentallen volgens de het TNO-rapport zijn daarmee niet meer relevant. De eerder gehanteerde stofklassen zijn door in het nieuwe onderzoek te rekenen met de kentallen conform de NTA 8029+C1 voor opslag en manipulatie van mineralen niet meer relevant. De NTA maakt namelijk geen onderscheid meer in stofklassen voor mineralen. 16. Zie ook de reactie onder punt 3h-15. De opslag van stuifgevoelige stoffen is geregeld in het Bal. Deze regels zijn rechtstreeks geldend. Dit hoeft daarmee niet in een bestemmingsplan te worden geregeld. 17.