Nota Zienswijzen Verbreding Schie
Tekst van het document
Nota Zienswijzen
Zienswijze en beantwoording zienswijzen
Bestemmingsplan Verbreding Schie NL.IMRO.0503.BP0071.2001
Gemeente Delft Ruimte Advies
Zienswijzen Van 13 december 2022 tot en met 24 januari 2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen op het Stadskantoor, via bekendmakingen.nl en op ruimtelijkeplannen.nl (de landelijke voorziening).
6 maart 2025
De schriftelijke zienswijzen zijn hieronder weergegeven. De NAW-gegevens worden niet weergegeven omdat deze beschermd zijn op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens. De zienswijzen hebben daarom een nummer gekregen. Daarnaast is de datum en het registratienummer weergegeven van de ingekomen reactie. Nr. 1 2 3 4 5 6 7 8 9
Djumanummer 5419686 5418465 5420260 5419694 5419703 5407936 5395823 5418123 5484960
A&A Delft Beheer B.V. BedrijvenKring Schieoevers Combi-Ster Omwonenden (1) Van den Berg transport Beheer B.V. Stedin Tennet Omwonenden (2) Zandhandel & Overslagbedrijf Van der Waal B.V.
In dit onderdeel zijn de Zienswijzen samengevat en van een reactie voorzien. Hierbij wordt ook steeds aangegeven of de reactie leidt tot een aanpassing van het bestemmingsplan. De reacties zijn – met uitzondering van de reacties van rechtspersonen - geanonimiseerd in verband met privacy. Hieronder worden de zienswijzen besproken. 1a
A&A Delft Beheer B.V.
Zienswijze
Volgens indiener zijn pand, kantoor en de bedrijfswoningen niet betrokken in de beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Volgens indiener wordt het bestaan van de bedrijfswoningen ontkent. Indiener is van mening dat bedrijfswoningen geluid-, geur- en stankgevoelige functies zijn.
2
Datzelfde geldt volgens indiener voor kantoren. In het voornemen is het voorgaande – volgens indiener - niet onderzocht. Beantwoording
Kantoren zijn geen geluidsgevoelige functies (zie hiervoor artikel 1 Wet geluidshinder). Bovendien gelden geluidsnormen niet op gevoelige objecten die zijn gelegen op een geluidgezoneerd industrieterrein. Gevoelige objecten, die in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet op een gezoneerd industrieterrein thuishoren, krijgen dus geen bescherming tegen inrichtingen die onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit vallen. Kantoren, bedrijfswoningen en ook nagenoeg alle bedrijfsgebouwen zijn geurgevoelig in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij en daarmee ook geurgevoelig in de zin van het Activiteitenbesluit. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen of eventuele geurhinder ter plaatse van dit soort gebouwen aanvaardbaar is. Vanwege de ligging op een gezoneerd industrieterrein zal er niet snel sprake zijn van onaanvaardbare geurhinder. Zo er al sprake is van relevante geuremissies. De activiteiten van de zandhandel veroorzaken geen geurhinder. Daarbij komt dat de zandhandel valt in de milieucategorie 4.2, aangezien de opslag plaatsvindt in 4 opslagbunkers met een oppervlakte kleiner dan 2.000m2. De bijbehorende richtafstand voor geur is voor een rustige woonwijk 30 meter en in gemengd gebied 10 meter. Er is hier sprake van een gemengd gebied, zodat de richtafstand 10 meter is.
De bedrijfswoning van indiener ligt op 90 meter afstand van de plangrens waardoor er aan de richtafstand wordt voldaan. Overigens zijn de richtafstanden niet zonder meer van toepassing op gevoelige functies zoals bedrijfswoningen op een bedrijventerrein. Het gaat hierbij immers om gevoelige functies die bewust op een bedrijventerrein of industrieterrein zijn gesitueerd zoals bedrijfswoningen. Deze situaties vallen buiten de kaders van de standaardzones.
1b
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing.
Zienswijze
Volgens indiener is het ontwerpbestemmingsplan in strijd met het conserverende karakter van het bestemmingsplan Schieoevers Zuid. Dat het plangebied ligt binnen het bedrijventerrein Schieoevers Zuid maakt volgens indiener vanwege het conserverende karakter van het bestemmingsplan dat de ontwikkeling niet past in de ruimtelijke structuur van het gebied. Waar de laad- en loswallen zijn 3
geprojecteerd is er nu sprake van een fietspad met uitzicht op de Schie en van een lange strook openbaar groen. De bestemming “Verkeer”, “Groen” en “Water” en verwachte ontwikkelingen dienen volgens indiener conform het conserverende karakter van het bestemmingsplan te worden uitgelegd. Indiener is van mening dat nieuwe bedrijven in het plangebied niet zijn toegelaten.
1c
Beantwoording
Het is in lijn met vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2015:4025 en ECLI:NL:RVS:2014:3805) dat aan een geldend plan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Het industrieterrein is uitermate geschikt voor bedrijven in de hogere milieucategorie (HMC). Hiermee valt het volgens de definitie van de provincie Zuid-Holland onder zware bedrijvigheid. Dat het bestemmingsplan voorheen niet mogelijk maakte dat op deze locatie binnen de bestemmingen ‘Groen’ en ‘Verkeer’ een bedrijf zou worden gevestigd, wil niet zeggen dat hier een recht is ontstaan dat nooit kan worden gewijzigd. Daarbij komt dat op veel gronden binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ bedrijven uit milieucategorie 4 zijn toegestaan. Een wijziging van het bestemmingsplan voor onderhavige ontwikkeling is passend binnen de omgeving en ambitie van de gemeente. Schieoevers Zuid is een gemengd bedrijventerrein (verschillende soorten bedrijven zijn ter plaatse mogelijk). Daarnaast past de wijziging ook binnen de afspraken die de gemeente Delft samen met omliggende gemeenten en de provincie Zuid-Holland heeft gemaakt in het woon-werkakkoord. Eén van de doelen van het woon-werkakkoord is om voldoende ruimte te borgen voor bedrijvigheid.
In dit kader is afgesproken om bestaande bedrijventerreinen beter te benutten door onder andere bedrijven te verplaatsen, ruimte efficiënter te gebruiken en hogere milieucategorieën toe te staan. Deze afspraken betreffen voornamelijk milieucategorie 3.1, 3.2 en 4 bedrijvigheid en daarnaast zien de afspraken op het ruimte bieden aan watergebonden bedrijvigheid. Door het verplaatsen van de zandhandel wordt voldaan aan de ambitie om het bedrijventerrein beter te benutten en beter te intensiveren door de vestiging van een watergebonden bedrijf in een hogere milieucategorie.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing.
Zienswijze
Indiener geeft aan dat zijn pand op korte afstand van de toekomstige zandhandel is gevestigd en is volgens indiener niet verenigbaar met zijn bedrijfsvoering, de bedrijfswoningen en de bestaande functies. Indiener verwijst hiervoor naar de uitspraak ABRvS 9 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK5836, r.o. 2.3.4 en 2.3.5. 4
Daarnaast is indiener van mening dat de verplaatsing van de zandhandel niet past binnen de gemeentelijke ambitie voor Schieoevers Zuid om het bedrijventerrein beter te benutten en zo bij te dragen aan Delft als stad van techniek en innovatie en de waardenketen te sluiten. Beantwoording
In de door indiener aangehaalde uitspraak overweegt de Afdeling dat de raad op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden kan vaststellen. Voorts overweegt de Afdeling dat bij een bestemmingsplan in beginsel wel bestaande rechten dienen te worden gerespecteerd, met name indien concreet uitzicht bestond op de uitoefening daarvan. Door de verplaatsing van de Zandhandel wijzigt de bestemming en het gebruik van het bedrijf en de bedrijfswoning van indiener niet. Bestaande rechten worden dan ook gerespecteerd.
Figuur 1 verbeelding ecosysteem uit Ontwikkelplan Schieoevers Noord pagina 12
Delft zet zich hierbij in om zich te versterken als stad van techniek en innovatie en daarmee bij te dragen aan de agglomeratiekracht van de regio. In de ruimtelijk economische visie 2030 is omschreven dat in dat licht Schieoevers Zuid moet verduurzamen door intensiever en efficiënter gebruik van het 5
bedrijventerrein. Ruimtelijk vertaalt dit zich onder andere door ruimte toe te voegen voor bedrijvigheid. Ook in het ontwikkelplan Schieoevers Noord uit 2019 staat benoemd dat Schieoevers Zuid wordt ontwikkeld tot het gebied voor de zwaardere, meer klassieke bedrijvigheid. Door dit profiel nader aan te scherpen wordt gewerkt aan een economisch veerkrachtig ecosysteem. Daarnaast is Schieoevers Zuid in de Omgevingsverordening gecategoriseerd als terrein waar activiteiten met een hoge milieucategorie kunnen plaatsvinden. Zie voor het overige de beantwoording bij 1b.
1d
1e
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing.
Zienswijze
Indiener is van mening dat de trillings- en geluidhinder voor de omgeving door de voorgenomen ontwikkeling per saldo zal toenemen. Nu rijdt daar geen zwaar vrachtverkeer van en naar de voorgenomen nieuwe locatie voor de zandhandel. Ook hier geldt dat bij de gewenste toename van de overslag per jaar door de zandhandel (van 250.000 m3 naar 400.000 m3) op Schieoevers Zuid de hinder van zwaar vrachtverkeer verder toe zal nemen.
Beantwoording
De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op een gezoneerd industrieterrein. Deze terreinen zijn bedoeld voor bedrijven die vallen in hogere milieucategorieën. Het is daarom ook logisch om een functie als (zand)overslag op een dergelijk terrein een plek te geven. Immers op deze terreinen worden hogere trillings- en geluidwaarden geaccepteerd, sterker nog, er gelden geen normen voor. De toename van geluid- en/of trillingen als gevolg van de verplaatsing valt hierbinnen. De in de zienswijze gestelde ‘gewenste toename’ is niet bedoeld als eind- of wenshoeveelheid. Met het maximum van 400.000m3 zand stelt de gemeente een bovengrens aan de hoeveelheid die zij verantwoord acht om op deze plek te verwerken. Hiermee wil de gemeente juist duidelijkheid bieden aan de omgeving.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. Indiener stelt dat de ontwikkeling afbreuk doet aan dat deel van Schieoevers Zuid als bedrijventerrein dat ook voor kantoren bestemd is. In zoverre is de ontwikkeling – volgens indiener - niet passend in de 6
ruimtelijke structuur van de omgeving, blijft de ruimtelijke kwaliteit per saldo niet ten minste gelijk, is van inpassing geen sprake, is sprake van een wijziging op structuurniveau die niet passend is binnen gebiedsintensiteit en aard en schaal van gebied en wordt geen rekening gehouden met relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit nu de ruimtelijke kwaliteit niet conform eisen van bestaande ondernemers en sectoren (zoals bedrijfswoningen en kantoren) behouden en verbeterd en is sprake van strijd met artikel 6.9 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland en de NOVI (Nationale Omgevingsvisie). Gedane investeringen (op basis van bestemmingsplan “Schieoevers Zuid”) kunnen – volgens indiener door het voornemen niet renderen. Hiervoor acht indiener de gemeente aansprakelijk.
1f
Beantwoording
In bestemmingsplan Schieoevers Zuid zijn de bestaande zelfstandige kantoren als zodanig bestemd. De zelfstandige kantoren zijn maar beperkt toegestaan en alleen daar waar dit op de verbeelding met een aanduiding is aangegeven. Voor nieuwe zelfstandige kantoren is op het industrieterrein geen plaats. Schieoevers Zuid is een gezoneerd industrieterrein dat juist bedoeld is voor bedrijven die vallen in hogere milieucategorieën. De ontwikkeling sluit aan bij de gebiedsidentiteit van bedrijvigheid langs de Schie. De ontwikkeling is zorgvuldig ingepast in de bestaande ruimtelijke structuur van Schieoevers Zuid met bijzondere aandacht voor de bereikbaarheid vanaf land en behoud van de bestaande groenstructuur langs de Schie die recreatieve en erfgoedwaarde heeft. Er is dan ook geen sprake van strijd met artikel 6.9 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Indiener maakt niet duidelijk waarom er strijdigheid met de Nationale Omgevingsvisie zou zijn. De Nationale Omgevingsvisie gaat immers uit van het optimaliseren van het ruimtegebruik bij industrie- en havenfuncties door compacter ruimtegebruik.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. Indiener merkt op dat de waarde van zijn pand en bedrijfsmogelijkheden enorm worden aangetast en geeft aan voornemens te zijn een planschadeverzoek in te dienen bij het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. In dit kader merkt indiener op dat niet duidelijk is gemaakt of planschade is meegenomen in de afspraken met de provincie en of hiervoor financiële middelen en draagkracht bestaat.
7
Beantwoording
Voor zover indiener van mening is dat sprake is van een beperking in de huidige bedrijfsvoering staat de mogelijkheid open om na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan een beroep te doen op planschade op grond van artikel 6.1 e.v. van de Wet ruimtelijke ordening. De gemeente Delft en de provincie Zuid-Holland zijn gezamenlijk opdrachtgever voor deze ontwikkeling. Ter uitvoering van de verschillende onderdelen van deze ontwikkeling hebben gemeente en provincie voldoende financiële middelen gereserveerd en beschikbaar.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing.
1g
Volgens indiener worden de in de aanmeldnotitie m.e.r. genoemde waarborgen niet allen nageleefd. Erkend wordt dat de tonnage wordt gewijzigd. De opmerkingen uit deze zienswijze zijn niet onderzocht in de aanmeldnotitie, waardoor de conclusie dat er geen nadelige effecten zijn niet zonder meer gevolgd kan worden. Het aspect gezondheid lijkt niet te zijn meegenomen en afgewogen in de notitie. Daarbij is ten onrechte bij de toename van geluid, trillingen en hinder, etc. gekeken naar het bedrijventerrein als geheel in plaats van de effecten binnen het bedrijventerrein voor gevoelige functies inzichtelijk te maken en af te wegen. Beantwoording
Indiener maakt niet concreet welke waarborgen er niet zouden worden nageleefd. In de aanmeldnotitie m.e.r. is opgenomen dat geen toename van het aantal schepen of de tonnage van de schepen in de Delftse Schie wordt verwacht. Wel worden er meer bedrijfsactiviteiten verwacht op de openbare loswal en loswal als gevolg van de komst van de Zandhandel. Dit betekent niet dat de bedrijfsactiviteiten van de zandhandel worden uitgebreid. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat er geen sprake is van een vergunningplichtige (milieukundige) inrichting. Onderhavig plan heeft geen relevante emissie van gevaarlijke/verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid. De gebouwen zijn formeel niet geluid- of trillingsgevoelig, vanwege de ligging op een gezoneerd industrieterrein. Het vigerende bestemmingplan kent geen bestemmingen waarvoor, gezien de zeer specifieke aard van de bedrijfsvoering, in het plan een op die activiteiten toegesneden planregeling is opgenomen. In artikel 2.23 van het Activiteitenbesluit zijn geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten 8
gelegen op een gezoneerd industrieterrein uitgezonderd van toetsing aan de trillingswaarden in de SBR-richtlijn. In het bestemmingsplan geldt voor de bestaande gronden de classificering ‘bedrijventerrein’, met een algemene toelating van bedrijven tot maximaal milieucategorie 4. Dit kunnen ook trillingveroorzakende bedrijven zijn. De bedrijven die in de trillingsrapportage zijn beschouwd zijn bedrijven gelegen op een gezoneerd industrieterrein en behoeven bij de toepassing van het Activiteitenbesluit niet getoetst te worden aan de trillingswaarden in de SBR-richtlijn (en logischerwijs evenmin bij een eventuele milieuvergunningverlening). Aanpassing 1h
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. Door het afgemeerd liggen van schepen is er geen zicht meer op de Schie. Indiener geeft aan dat voor en door begeleiders van roeiers er geen zicht meer zal zijn op roeiers op de Schie. Dit levert volgens indiener een gevaarlijke situatie op door de vrachtschepen die door de verbreding sneller zullen varen. Indiener geeft vervolgens aan dat er nauwelijks tot geen controle op de vaarsnelheden op de Delftse Schie is en indiener ziet in de plannen geen verbeteringen. Daarnaast is indiener van mening dat de wijziging van het gebied voor fietsers een onveilige situatie oplevert doordat ze in de avond en in de nacht over een verlaten bedrijventerrein moeten fietsen. Voorts staat in het NOVI dat kruisende fietsen wandelroutes en de recreatievaart zo veel mogelijk in stand dient te worden gehouden en dient te worden verbeterd. Er is volgens indiener sprake van strijd met de NOVI.
Beantwoording
De vaarsnelheid wordt hier in de nieuwe situatie gelijk aan overige delen van de Schie waar ook vrachtschepen en roeiers van dezelfde vaarweg gebruik maken. De provincie handhaaft op het juiste gebruik van de vaarweg binnen (en buiten) het plangebied. Het zicht op de Schie wordt slechts over een lengte van maximaal 140 meter belemmerd, waarbij er overigens doorzichten blijven naar het water. De route van fietsers wijzigt niet wezenlijk ten opzichte van de huidige situatie, aangezien de bedrijven (en daarmee kruisend verkeer) in de avond gesloten zijn. Door verlichting toe te voegen wordt de situatie in de avond veiliger dan in de huidige situatie. Daarnaast wordt er ten opzichte van de huidige situatie naast het fietspad een apart voetpad toegevoegd aan de Schiezijde. Dit voetpad biedt ruimte voor coaches om te stoppen en instructies te geven aan roeiers op het water.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing.
9
1i
1j
Indiener geeft aan voornemens te zijn om zonnepanelen te plaatsen op het pand. Volgens indiener blijkt uit de onderzoeken dat zandoverlast niet is uit te sluiten, waardoor de zonnepanelen (door bedekt te zijn met zand) niet goed kunnen functioneren en vaak onderhouden moeten worden. Beantwoording
Uit het luchtkwaliteitsonderzoek blijkt dat alle onderzochte stoffen in de representatieve situatie voldoen aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen. Ook in het worstcasescenario wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen met uitzondering van de 24-uurgemiddelde concentratie. Wel wordt in dit scenario het aantal toelaatbare overschrijdingsdagen van de 24-uurgemiddelde PM10-concentratie overschreden (>35x). De stofemissie kan flink worden gereduceerd door tijdens het verladen, maar ook tijdens de opslag, het zand te bevochtigen en/of door het treffen van andere stof reducerende maatregelen. Het nemen van stuifreducerende maatregelen is als regel opgenomen in het bestemmingsplan en derhalve verplicht. De stofemissie maar ook de immissie wordt hierdoor met circa 95% gereduceerd. Door deze stofreductie wordt ook in het worstcasescenario aan de grenswaarde voor de 24-uurgemiddelde concentratie voldaan en kunnen eventuele nadelige effecten voor bedrijfsvoering van omliggende bedrijven worden uitgesloten. Door leveranciers van zonnepanelen wordt voor optimaal functioneren en rendement aangeraden om de panelen jaarlijks te laten reinigen.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. Indiener merkt op dat de raad zich niet ervan heeft vergewist dat alternatieve locaties meer geschikt zijn voor de zandhandel. Uit de Aanmeldnotitie m.e.r. blijkt volgens indiener niet dat alternatieven zijn onderzocht. Volgens de gebiedsvisie zou ten zuiden van de Faradayweg een geschikte locatie zijn voor de zandhandel. Daarnaast zou ook de locatie bij Rataplan geschikt zijn. De huidige gekozen locatie is volgens indiener ongeschikt omdat er geen nieuwe binnenhaven wordt aangelegd en de schepen bij de bestaande haven zullen moeten blijven keren (op enige afstand van de nieuwe locatie van de zandhandel), hetgeen onnodig milieugevolgen oplevert. Daarnaast zal sprake zijn van een toename aan scheepverkeer langs het pand van cliënte. Ook hier is geen rekening mee gehouden in de afweging van het plan. De Marconiweg is volgens indiener niet geschikt voor de verkeersafhandeling.
10
Beantwoording
Afwegingen omtrent de locatie van de zandhandel zijn door Arcadis gerapporteerd in ‘VERKENNING VERPLAATSING LOSWAL DELFTSE SCHIE Schieoevers-Zuid Definitief 19 OKTOBER 2018’. Deze verkenning is als bijlage bij de toelichting gevoegd. Door de verbreding van de Schie deed de situatie zich voor om ‘werk met werk’ te maken (verbreding + verplaatsing zandhandel). De locatie bij Rataplan biedt onvoldoende ruimte om de loswal te realiseren. Ten aanzien van de locatie ten zuiden van de Faradayweg met name tussen de Bellweg en de Marconiweg wordt de vaarweg verbreed waardoor hier te weinig ruimte (dwars op de oever) overblijft om de zandhandel te situeren. In het verleden is ook gekeken naar de mogelijkheid voor een extra keervoorziening, maar dit bleek ruimtelijk en financieel niet inpasbaar. De bedrijfsvoering blijft ongewijzigd, waardoor er geen toe- of afname van het aantal schepen wordt voorzien. Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie maken de schepen gebruik van de keervoorziening in de Nieuwe Haven. In de toelichting wordt het aantal verkeersbewegingen toegelicht. Hieruit blijkt dat er sprake is van zeer beperkte aantallen, welke voor de Marconiweg geen enkel afwikkelingsprobleem opleveren. Ook de aansluiting met de Schieweg biedt voldoende capaciteit om het verkeer af te handelen, zo blijkt uit verkeerstellingen en restcapaciteitsbepaling.
In de bijlagen had een rapportage met telling en berekening van de restcapaciteit moeten worden opgenomen. Deze wordt alsnog toegevoegd.
Aanpassing
1k
Aan de bijlagen bij de toelichting wordt de rapportage toegevoegd met de verkeerstellingen en restcapaciteitsbepaling en de VERKENNING VERPLAATSING LOSWAL DELFTSE SCHIE Schieoevers-Zuid Definitief 19 OKTOBER 2018’. Indiener stelt dat door de versmalling van de Schie ter hoogte van de beoogde locatie van de zandhandel er een waterdruk ontstaat waardoor schade aan de kade optreedt. Een toename van het aantal schepen of tonnage van schepen wordt als gevolg van veiligheidsmaatregel niet verwacht. Versmalling zou juist het doel zijn. Ter plaatse van de locatie van de Zandhandel wordt de kade juist smaller. Hierdoor blijft er minder ruimte over voor schepen om te varen en zal onder andere door waterdruk schade aan de kade van de zijde van het pand van indiener worden veroorzaakt. De kade is tevens in eigendom van indiener. 11
Beantwoording
Bij de locatiekeuze en de uitwerking het ontwerp van de loswal is rekening gehouden dat de aangemeerde schepen niet in de vaarstrook maar deels in de beleidsvrije zone en deels in de veiligheidszone van de vaarweg blijven en daarmee geen belemmering vormen voor de langsvarende schepen. Dit is een verbetering ten opzichte van de huidige locatie die door de zandhandel wordt gebruikt. Tevens wordt de Schie ter hoogte van de loswal verbreed waardoor de vaarweg de gewenste breedte krijgt, ook dit is een verbetering van de huidige situatie.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing.
1l
Voorts geeft indiener aan dat uit de watertoets van Arcadis blijkt dat water moet worden gecompenseerd als gevolg van de toename van verhard oppervlak. Indiener is van mening dat deze compensatie-eis als voorwaardelijke verplichting in de regels dient te worden opgenomen. Datzelfde geldt volgens indiener voor de voorzorg- en beheersmaatregel die Arcadis voorstelt. Beantwoording
Op grond van de Keur van de waterbeheerder is het zonder vergunning verboden in het beheersgebied gebouwen, bouwwerken e.d. te plaatsen, onbebouwde/onverharde grond te verharden en werkzaamheden te verrichten als gevolg waarvan neerslag versneld tot afvoer komt. De verplichtingen voortkomend uit het dempen van een watergang en het verharden van oppervlak worden via de waterbeheerder middels watervergunning(en) geregeld. Ook de peilbuizen zijn een voorwaarde die in de watervergunning wordt opgenomen om de werkzaamheden (dempen watergang met name) mogelijk te maken. Vooruitlopend op de aanvraag om een watervergunning zijn in overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland peilbuizen geplaatst om zo een beter inzicht te krijgen in de huidige grondwatersituatie. Voor de waterberging is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Aanpassing 1m
De zienswijze leidt tot aanpassing. Verder geeft indiener aan dat er geen duidelijkheid is over de maximumsnelheid en het optreden daartegen. De gemeente heeft - volgens indiener - niet onderzocht of het scheepvaartverkeer een maximumsnelheid dient te hebben. 12
Beantwoording
De maximumsnelheid van de scheepvaart wordt niet vastgelegd in een bestemmingsplan. Het betreft namelijk geen ruimtelijke afweging. De maximumsnelheid op de Schie bedraagt 12 km/uur ter hoogte van de planlocatie en is opgenomen in het “Besluit tot vaststelling van de maximum vaarsnelheden op provinciale scheepvaartvaarwegen” d.d. 28 november 1995 met besluitnummer VV 86264.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing.
1n
Indiener stelt dat er geen goede tekeningen zijn met maatvoeringen, terreinindeling etc., zodat de daadwerkelijke afstanden, hoogten, etc. niet helder zijn en ook geen goede afweging kan worden gemaakt van de ruimtelijke effecten van het voornemen. Beantwoording
De tekeningen behorende bij de omgevingsvergunningaanvraag zijn duidelijk en voorzien van maatvoeringen (zie hiervoor bijvoorbeeld ARC-VDS-DO-01-Totaaloverzicht verbreding Delftse Schie, ARC-VDS-DO-01-Totaaloverzicht_verbreding_Schie_versie_21-11-2022, ARC-VDS-DO-02Situatieoverzicht_loswal_zuid en ARC-VDS-DO-03-Situatieoverzicht_loswal_noord). Deze maatvoeringen – behoudens de hoogten van bouwwerken, bestemmings- en bouwvlakken – worden niet in een bestemmingsplan opgenomen.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing.
1o
Volgens indiener wordt ten onrechte gesteld dat enkel sprake is van een zandhandel. Er is sprake van een zandhandel en overslag en een dergelijk bedrijf zit in een hogere milieucategorie, zodat naar de mening van indiening de uitgangspunten van de verrichte onderzoeken onjuist zijn. Beantwoording
Op de bedrijfslocatie lost het bedrijf binnenvaartschepen met zand met behulp van een kraan. Het zand wordt opgeslagen in 4 opslagbunkers. Het opgeslagen zand wordt afgevoerd met behulp van vrachtwagens. De vrachtwagens worden geladen vanuit de opslagbunkers. De toekomstige locatie zal het zand met behulp van een kraan op de wal uit het schip worden gehaald en in de trechters of de voorraadbunkers worden gedaan. In de publicatie van Bedrijven en Milieuzonering (VNG 2009.) zijn twee activiteiten opgenomen die op de locatie van Zandhandel & Overslagbedrijf Van Der Waal B.V. plaatsvinden: • Groothandel in zand en grind (SBI 46735). • Laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. binnenvaart van ertsen en mineralen (SBI 52242). 13
In de eerdergenoemde publicatie Bedrijven en Milieuzonering wordt voor de activiteit groothandel in zand en grind onderscheid gemaakt in bedrijven met een bedrijfsoppervlak (bebouwd en onbebouwd) kleiner dan 200 m2 of groter dan 200 m2. - De activiteit groothandel in zand en grind kleiner dan 200 m2 is ingedeeld in milieucategorie 2 met en richtafstand van 30 meter - De activiteit groothandel in zand en grind groter dan 200 m2 is ingedeeld in milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 100 meter. In de lijst wordt voor de activiteit Laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. binnenvaart onderscheid gemaakt de overslag van onder meer ertsen en mineralen met een opslag oppervlak kleiner 2000 m2 of groter dan 2000 m2. - De activiteit Laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. binnenvaart kleiner dan 2000 m2 is ingedeeld in milieucategorie 4.2 met een richtafstand van 300 meter - De activiteit Laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. binnenvaart groter dan 2000 m2 is ingedeeld in milieucategorie 5.2 met een richtafstand van 700 meter. De opslag vindt plaats in 4 opslagbunkers met een totaal oppervlak kleiner dan 2000 m2, waardoor het bedrijf daarmee in categorie 4.2 valt met een richtafstand van 300 meter. De richtafstanden gelden voor de afstand tot een rustige woonwijk. Voor de afstand tot een gemengd gebied gelden richtafstanden van een lagere categorie, te weten 200 meter.
De richtafstand voor activiteit Laad-, losen overslagbedrijven t.b.v. binnenvaart is gebaseerd op het aspect geluid. Omdat de zandhandel wordt gevestigd op een voor geluidgezoneerd bedrijventerrein is de bescherming van gevoelige functies voor het aspect geluid verzekerd door de vastgestelde zonering. Met het oog hierop wordt de relevante afstand tot gevoelige functies bepaald door het aspect stof. De richtafstand voor stof bedraagt 200 meter ten opzichte van een rustige woonwijk en 100 meter ten opzichte van een gemengd gebied. Overigens zijn de richtafstanden niet zonder meer van toepassing op gevoelige functies zoals bedrijfswoningen op een bedrijventerrein. Het gaat hierbij immers om gevoelige functies die bewust op een bedrijventerrein of industrieterrein zijn gesitueerd zoals bedrijfswoningen. Deze situaties vallen buiten de kaders van de standaardzones.
14
Aanpassing 1p
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. Indiener stelt dat ter plaatse van de bestemming “Verkeer” een zandhandel is toegestaan (art. 4.1 onder i), maar dat niet is omschreven wat onder het begrip “zandhandel” dient te worden verstaan en welke activiteiten bij de zandhandel zijn toegestaan. Binnen de bestemming “Verkeer” is volgens indiener een hoofdrijbaan toegelaten. Op grond van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) is het toegestaan om op de rijbaan te laden en te lossen. Door in het bestemmingsplan te bepalen dat “laden en lossen” is toegelaten binnen de aanduiding “loswal” en door dit niet te bepalen voor de aanduiding “zandhandel”, lijkt het volgens indiener alsof laden en lossen bij de zandhandel niet is toegelaten. Voorts stelt indiener dat niet is onderzocht en uitgesloten dat de zandhandel naast zand ook andere stoffen kan verwerken, zoals grind, grond, argex, verharding, etc. Indiener is van mening dat ook andere materialen moeten worden genormeerd in het bestemmingsplan. Deze kunnen immers even goed geluid-, stof- en geurhinder veroorzaken. Dit geldt volgens indiener ook voor de openbare loswal (aansluiten 150.000 m3).
Beantwoording
Net als in het bestemmingsplan Schieoevers Noord is voor de nieuwe locatie van de zandhandel in onderhavig bestemmingsplan geen definitie van zandhandel opgenomen. Het is duidelijk dat een zandhandel handelt in zand en daarbij hoort tevens op- en overslag. Hoewel de zandhandel nagenoeg alleen zand verhandelt, is het onnodig en te beperkend om dit in een definitie op te nemen. De op- en overslag van andere goederen wordt immers geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De WVW 1994 betreft een ander juridisch kader, omdat het strekt ter bescherming van de verkeersbelangen, waaronder de verkeersveiligheid. Een bestemmingsplan regelt niet aan welke verkeersregels er binnen de bestemming ‘Verkeer’ moet worden voldaan. En de WVW 1994 regelt niet hoe de gronden binnen de bestemming ‘Verkeer’ mogen worden gebruikt. Wanneer een locatie voor laden en lossen in een bestemmingsplan wordt aangewezen, is dat een ruimtelijke afweging. Ter verduidelijking zal een definitie van ‘loswal’ opgenomen worden en is de tekst ‘laden en lossen’ in artikel 4.1 vervangen door ‘loswal’. De overslag van zand is blijkens de historische gegevens over de bestaande openbare loswal en de bestaande zandhandel veruit het meest voorkomend en voor de milieuonderzoeken als representatief voor de activiteiten beschouwd. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken zijn in het bestemmingsplan
15
specifieke gebruiksregels opgenomen, met name gericht op geluid en stof. Deze regels gelden ook als er andere stoffen of producten worden overgeslagen. Los daarvan zullen er in het milieuspoor regels gaan gelden, in het belang van de bescherming van het milieu. Die regels zullen ook gelden als er andere stoffen of producten door de Zandhandel worden overgeslagen. Als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan is een overzicht opgenomen met daarin het type overslag dat de afgelopen jaren op de openbare loswal heeft plaatsgevonden. Uit het overzicht blijkt dat andersoortige overslag dan zand op de openbare loswal voorkomt, maar moeilijk te voorspellen is. Het type (bulk)goederen loopt uiteen van een trafo tot basaltsteen ten behoeve van het spoor. Hierdoor is geen eenduidig onderzoek te doen naar de milieu-effecten van andersoortige overslag dan zand. Maar de gemeente heeft wel een goed beeld van de goederen die zijn overgeslagen. Voor het aspect stofhinder is zand maatgevend. Dat blijkt ook uit het overzicht van de overgeslagen goederen op de openbare loswal in de afgelopen jaren. Onderzoek naar de overige goederen is dan ook niet nodig. Op basis van de Verordening kadegelden en Verordening openbaar gemeentewater Delft kan uitsluitend van de openbare loswal gebruik worden gemaakt na aanmelding bij en instemming door de havendienst. Aanpassing
1q
Er zal een begrip ‘openbare loswal’ (Openbare loswal: openbare laad- en losvoorziening voor laden en lossen vanaf de weg/wal en laden en lossen vanaf schepen) aan artikel 1 van het bestemmingsplan worden toegevoegd en er zal een lijst met overgeslagen goederen op de openbare loswal als bijlage bij de toelichting worden toegevoegd. Vervolgens stelt indiener dat voor de openbare loswal het aantal vervoersbewegingen is opgenomen, maar voor de zandhandel niet (totaal m3: 15 m3 x 2 = aantal bewegingen), terwijl dit als uitgangspunt is genomen in de onderzoeken en in de toelichting. Hierbij plaatst indiener de opmerking dat meer bewegingen plaats kunnen vinden als met kleinere vrachtwagens wordt gewerkt. Dat is volgens indiener in de praktijk het geval. Dit betekent volgens indiener dat de maximale vervoersbewegingen van 55.000 geen worst case inschatting is en de uitgangspunten van de onderzoeken niet juist zijn en de berekende effecten daarom ook niet.
Beantwoording
De gemiddelde omvang per vracht is bepaald aan de hand van de geregistreerde gegevens van de zandhandel uit 2021. In dat jaar waren er 16.276 vrachten met gezamenlijk een volume van 250.262 m3. Dit omvat daarmee zowel alle kleine vrachten (per aanhanger bijvoorbeeld) als grotere vrachten 16
(met verschillende typen vrachtwagens). De hoeveelheid verkeer omvat dus alle vrachten/verkeersbewegingen. Om dit te verduidelijken wordt vracht tussen haakjes gezet in (na vernummering) artikel 4.3.1 c. Aanpassing 1r
1s
De zienswijze leidt tot aanpassing van artikel (na vernummering) artikel 4.3.1 c in de zin dat vracht tussen haakjes wordt gezet. Indiener geeft aan dat uit alle onderzoeken blijkt dat voor de representatieve bedrijfssituatie en voor het oordeel dat sprake is van een aanvaardbaar woon-/werk-/ en leefklimaat uit is gegaan van 750 uren bedrijfstijd. Dit is volgens indiener niet opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan, zodat de uitgangspunten van de onderzoeken en de toelichting niet gewaarborgd zijn. In dit kader is het volgens indiener ook relevant dat niet afdoende is gespecificeerd binnen welke tijden de zandhandel geopend kan zijn, welke tijden de zandhandel in bedrijf kan zijn, welke tijden de vrachtwagens rondrijden, welke tijden de vrachtschepen mogen liggen, aanmeren en dienen te vertrekken.
Beantwoording
Voor de onderzoeken is uitgegaan van de representatieve bedrijfssituatie om na te gaan of de voorgenomen activiteit past binnen de milieuruimte van het gezoneerde bedrijventerrein. Het gaat dan om de representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Daarbij is het uitgangspunt 50 werkweken bedrijfsvoering per jaar geweest en geen 750 uren. In het bestemmingsplan wordt vervolgens aan de hand van onder andere de onderzoeken de ruimtelijke inpassing van de activiteit geregeld. De feitelijke kaders voor de bedrijfsactiviteiten worden niet vastgelegd in het bestemmingsplan. Dit is ook niet nodig.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. In onderzoeken worden zeeschepen uitgesloten en wordt enkel de binnenvaart genoemd. In het ontwerpbestemmingsplan is niet bepaald dat zeeschepen niet ter plaatse mogen komen, zodat onder meer de onderzochte geluid- en geurbelasting onjuist zijn en ook anders (en meer) kunnen zijn. De raad heeft niet vastgesteld dat zeeschepen redelijkerwijs niet ter plaatse kan komen, zodat de maximale planologische mogelijkheden niet zijn onderzocht en afgewogen.
17
Beantwoording
De schepen die op deze vaarweg varen vallen in de vaarwegklasse die de vaarwegbeheerder voor deze vaarweg heeft vastgesteld (Uitvoeringsregeling vaarwegprofielen Zuid-Holland 2015, prov. Blad 2016, nr. 389). De klasse van een vaarweg wordt bepaald door het grootste standaardschip, dat die vaarweg kan bevaren. Voor de binnenvaartschepen wordt het internationale klassificatiesysteem van de Conférance Européenne des Ministres des Transports (CEMT) als uitgangspunt gebruikt. Voor het huidige traject Delftse Schie betreft het CEMT III/M4. Aansluitend is in het ´ ”Afmetingenbesluit provinciale vaarwegen Zuid-Holland” vastgesteld op 12 mei 2012 (kenmerk PZH-2012- 335338768) per vaarweg de maximum toegestane afmetingen en diepgang van schepen vastgesteld. Zeeschepen zijn gewoonweg te groot om op de Delftse Schie te varen. Derhalve is hier geen onderzoek naar gedaan.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing.
1t
Indiener stelt dat de openbare loswal volgens de toelichting bestemd is voor overslag door derden (onder 4.4) en niet voor de zandhandel. In artikel 4.3.1 onder c is bepaald dat de geluidbelasting vanwege de zandhandel ter plaatse van de aanduiding “openbare loswal” niet hoger mag zijn dan in de bijbehorende tabel is aangegeven. De zandhandel kan dus tevens gebruik maken van de openbare loswal. Dat is volgens indiener in strijd met de toelichting. Daarbij vraagt indiener zich af hoe voorkomen wordt dat geen opslag plaats vindt op de kade/het terrein bij de openbare loswal. Als er geen silo’s zijn waar het materiaal in kan worden opgeslagen, dan zijn daar ook effecten aan verbonden. Indiener stelt dat hiermee lijkt alsof toestemming is gegeven aan de zandhandel om de openbare loswal te gebruiken. Daarbij is indiener van mening dat de voorwaardelijke verplichting dat zand moet worden bevochtigd niet van toepassing is op de openbare loswal. Zodat geen aanvaardbaar woon-, werk- en bedrijfsklimaat gegarandeerd kan worden. Dit is volgens indiener ook in strijd met het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Beantwoording
In paragraaf 4.4 van de toelichting is opgenomen dat de openbare loswal ruimte biedt voor overslag door derden. Dit sluit het gebruik door de zandhandel van de openbare loswal niet uit. Uit de 18
paragrafen 4.6, 4.7, 4.9 en 4.10 blijkt duidelijk dat de zandhandel de openbare loswal mede zal gebruiken. Onduidelijk is waarom indiener van mening is dat er strijdigheid tussen de toelichting en artikel 4.3.1 onder c bestaat. Op grond van de bestemmingsbeschrijving is ter plaatse van de aanduiding ‘openbare loswal’ in principe geen opslag mogelijk. Er is hier sprake van een openbare loswal. Deze valt onder het begrip weg, waarbij de plaatsing van voorwerpen wordt geregeld in Afdeling 5 van Hoofdstuk 2 van de Algemene plaatselijke verordening. De gebruiksregel voor het bevochtigen van stuifgevoelige materialen of het treffen van vergelijkbare maatregelen om verspreiding of morsing te voorkomen zal ook worden opgenomen ten behoeve van de openbare loswal. Aanpassing
1u
1v
De gebruiksregel ten aanzien van het bevochtigen van stuifgevoelige stoffen danwel het treffen van vergelijkbare maatregelen om verspreiding of morsing te voorkomen zal ook van toepassing worden op de openbare loswal. Indiener geeft aan dat de voorwaardelijke verplichting ten aanzien van het maximale bronvermogen van 100 dB(A) van de kraan ook zou moeten gelden voor de openbare loswal. In de onderzoeken is ook uitgegaan van dit bronvermogen bij de loswal.
Beantwoording
In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van twee verschillende kranen met beiden een bronvermogen van 100 dB(A). Het bronvermogen zal voor zowel voor de zandhandel als voor de openbare loswal in de vorm van een gebruiksregel worden opgenomen.
Aanpassing
Artikel 4.3.2 wordt tevens van toepassing op aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - loswal' Volgens indiener ontbreekt een voorschrift in de planregels dat afgemeerde schepen de motoren uit dienen te schakelen om geluids-, geur- en trillingshinder te voorkomen bij omwonenden en in de buurt gelegen bedrijven.
19
Beantwoording
In het ontwerp voor de ligplaatsen en de overslaglocaties zijn walstroomkasten opgenomen. De walstroomkasten zijn op de overzichtstekeningen horende bij de omgevingsvergunning terug te vinden. Deze zijn de gebruikers verplicht te gebruiken. Dit uitgangspunt is ook in de onderzoeken meegenomen.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing.
1w
Ook voldoet volgens indiener het vereiste van toestemming van de Havenmeester niet aan de rechtszekerheid. Niet is bepaald onder welke omstandigheden al dan niet toestemming kan worden verleend door de Havenmeester en in het kader van welke belangen de Havenmeester toestemming dient te verlenen of onthouden. Beantwoording
Deze toestemming is nodig om te kunnen sturen op de hoeveelheid die wordt overgeslagen. Omdat de ontheffing is geregeld in de ‘Verordening openbaar gemeentewater Delft’ en deze middels een formulier, waarin de hoeveelheid en soorten goederen (zand-, bagger, stukgoederen) moet worden ingevuld, bij de Havenmeester kan worden aangevraagd en er kadegelden op basis van de Verordening kadegelden worden geheven, wordt al voorzien in de mogelijkheid tot sturing en handhaving. De toestemming van de Havenmeester, zoals deze is opgenomen in artikel 4.3.1 onder b lid 2 zal daarom komen te vervallen.
Aanpassing
Naar aanleiding van deze zienswijze vervalt artikel 4.3.1 onder b lid 2.
1x
Indiener is van mening dat het belang van de ‘vrijwaringszone – vaarweg’ onvoldoende is beschermd in de planregels. Een zandsilo is geen gebouw maar kan wel vergelijkbaar zijn met hoogopgaande beplantingen, waardoor zichtlijnen van bemanning en navigatieapparatuur alsnog worden aangetast. Tegelijkertijd is het op dit moment niet helder of gebouwen van de zandhandel zoals het kantoorgebouw binnen de vrijwaringszone worden geplaatst. Beantwoording
De vrijwaringszone van de vaarweg is in deze situatie voldoende geborgd. Bij het vaststellen van de Richtlijnen Vaarwegen is rekening gehouden met de mogelijkheid dat loswallen en ligplaatsen soms langs de vaarweg liggen. In de onderliggende nota “De langs de vaarwegen benodigde vrije ruimte” 20
(RWS, 2004) is hierover het volgende opgenomen: Het aan de loswal of ligplaats gelegen schip moet geheel buiten de vaarweg liggen, dus buiten de vaarwegbegrenzing. Bovendien is een veiligheidsstrook van 5 meter tussen het gemeerd liggende schip en de vaarwegbegrenzing aan te bevelen. Het is in het algemeen wel acceptabel als zich nabij loswallen en ligplaatsen voorzieningen bevinden voor het laden en lossen van schepen. De schepen liggen gedeeltelijk in de veiligheidsstrook, dus aan die aanbeveling is niet geheel tegemoetgekomen; de vaarwegbeheerder heeft de gekozen inrichting van de loswal positief beoordeeld. Aanpassing 1y
1z
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. Indiener stelt dat bij de ontwerp omgevingsvergunning geen tekeningen zijn gevoegd. Hier is volgens indiener in de omgevingsvergunning ook niets over overwogen waardoor niet kan worden getoetst of de aanvraag omgevingsvergunning inderdaad voldoet aan het bestemmingsplan (anders dan het college stelt dat hieraan voldaan wordt). Van (verslagen inzake) overleg met de vaarwegbeheerder is ook niet gebleken.
Beantwoording
Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, wordt gebruik gemaakt van de ‘Coördinatieverordening gemeente Delft 2018’. Dit maakt een gebundelde ruimtelijke procedure mogelijk voor het ontwerpbestemmingsplan en de ontwerp omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning (zonder bijbehorende stukken) is ook op www.ruimtelijkeplannen.nl geplaatst. Dit was voor 1 juli 2023 wettelijk niet verplicht. De volledige omgevingsvergunning met bijbehorende stukken konden tijdens terinzagelegging worden ingezien in het Stadskantoor. Dit was opgenomen in de bekendmaking van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan Verbreding Schie.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. Indiener vreest geluidsoverlast als gevolg van de verplaatsing van de zandhandel, de bedrijfsactiviteiten en de activiteiten op de openbare loswal. De geluidsbelasting ter plaatse van het kantoor en de bedrijfswoningen van indiener had moeten worden onderzocht. Indiener merkt op dat de geluidsbelasting ter plaatse van bedrijfswoningen binnen een geluidszone van een industrieterrein hoogstens 50 dB(A) bedraagt (art. 44 Wgh). Uit het onderzoek van Arcadis wordt 21
een bedrijfswoning van cliënt wel genoemd en blijkt ook dat de waarden die gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau worden overschreden (zie BW10b). Er zijn geen hogere waarden gesteld (art. 45 Wgh). In het bestemmingsplan zijn wel MTG-punten (woningen in geluidszone) opgenomen (art. 4.3.1 onder c). De bedrijfswoningen van indiener zijn hier niet in genoemd, terwijl de geluidsbelasting in het oosten, ter plaatse van de bedrijfswoningen, juist hoog is volgens het onderzoek en de bedrijfswoningen van indiener op kortere afstand liggen dan de voorgestelde MTG-punten. Verder is indiener van mening dat een kantoor volgens de Wet geluidhinder geen geluidgevoelig object is, maar dat bedrijfsruimten waar gedurende een langere periode van de dag personen verblijven die een zekere bescherming tegen onaanvaardbare geluidhinder behoeven, als geluidgevoelig dienen te worden aangemerkt. Daarbij dient de raad zich – volgens indiener – ook af te vragen of door verruiming van de geluidszone de aanduiding “Kantoor” ter plaatse wel een goede ruimtelijke ordening oplevert (ABRvS 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0443, r.o. 2.6.2). De raad dient zich er – volgens indiener -van te vergewissen dat het plan ook voor het kantoorgebouw niet tot onaanvaardbare geluidhinder zal leiden (ABRvS 9 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2150, r.o. 21.3).
In dit verband merkt indiener ook op dat het kantoor en de bedrijfswoningen op de rand van het bedrijventerrein/ de geluidszone zijn gelegen, zodat hier extra belang in dient te worden gevonden. Beantwoording
De eerste uitspraak (ABRvS 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0443, r.o. 2.6.2) gaat over een kantoor dat nabij een geluidgezoneerd industrieterrein ligt, maar waarbij de vergroting van de geluidzone mogelijk wordt gemaakt. Het gaat in deze uitspraak dus niet om een kantoor op een geluidgezoneerd industrieterrein. Bovendien wordt – anders dan in de uitspraak het geval was - de geluidzone niet groter door deze ontwikkeling. De tweede uitspraak (ABRvS 9 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2150, r.o. 21.3) gaat over het geluid van verkeerstoename op een kantoorfunctie. Hier gaat het dus niet om industrielawaai. Het gaat in beide gevallen om kantoren die niet zijn gelegen op een geluidgezoneerd industrieterrein. Schieoevers Zuid is een geluidgezoneerd industrieterrein. Op een geluidgezoneerd industrieterrein zijn (bedrijfs)woningen of andere ruimten, waarin mensen voor een langere periode verblijven, niet beschermd tegen geluid. Wel kan in het kader van het milieuspoor (milieubelastende activiteit en zorgplicht) nagegaan worden welke maatregelen redelijkerwijs toegepast kunnen worden om geluidhinder bij (bedrijfs)woningen of kantoren te beperken. Hier wordt de 22
vergelijking gemaakt met geluidhinder bij geluidgevoelige gebouwen op een geluidgezoneerd industrieterrein. Voor “normale” woningen, die als woning in het bestemmingsplan bestemd zijn en binnen de geluidszone van een gezoneerd industrieterrein aanwezig zijn, maar niet op het gezoneerde bedrijventerrein zelf liggen, zijn MTG-waarden (maximaal toelaatbare geluidsbelasting) vastgesteld. (Bedrijfs)woningen worden uitgesloten van toetsing, indien deze op een gezoneerd industrieterrein liggen, zie hiervoor artikel 2.17 lid 1 onder g van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het maakt overigens niet uit waar de (bedrijfs)woning op het bedrijventerrein aanwezig is, of dit aan de rand of midden op het terrein is. De woning van indiener ligt op het industrieterrein en is daarom niet geluidgevoelig in de zin van de Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit. Aanpassing 1aa
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. Indiener stelt dat uit het onderzoek, en vastlegging daarvan in de planregels, niet blijkt dat de cumulatieve geluidsbelasting van de Atlas en Liebherr-kraan zijn berekend, dat het bestaande geluid afkomstig van het industrieterrein, de beschikbare geluidsruimte, stationair draaiende motoren van vrachtwagens en schepen en het opnieuw starten van motoren zijn betrokken in het onderzoek. Ook lijkt geluid van schepen buiten beschouwing te zijn gelaten, terwijl het geluid van de schepen zich nu ter plaatse gaat concentreren (en dat onder het oude bestemmingsplan niet het geval was). In dit geval is het voor indiener onduidelijk vanaf welke plek het geluid is gemeten (op het water of op het land).
Beantwoording
Bij de geluidberekeningen wordt de ontwikkeling en de te verwachten situatie zo goed als mogelijk in een prognosemodel (bij een inrichting die nog niet aanwezig is) verwerkt. Daarbij zijn kentallen gebruikt voor het in te zetten materieel zoals kranen. Dit kunnen meetgegevens zijn van soortgelijke kranen bij andere bedrijven of meetgegevens gebaseerd worden op specificaties/geluidgegevens van de leverancier van het in te zetten materieel. In het model worden het materieel, apparatuur en activiteiten die akoestisch relevant worden geacht gezamenlijk (cumulatief) berekend. In voorliggende situatie zijn dat niet alleen de Atlas en Liebherr-kraan, maar ook de vrachtwagenbewegingen. Het ‘nestgeluid’, afkomstig van installaties op binnenvaart- en zeeschepen en varende schepen maakt geen onderdeel uit van de geluidsbronnen op het gezoneerde terrein. Om deze reden wordt het 23
nestgeluid dan ook niet meegenomen in de beoordeling van het geluid afkomstig van het individuele industrieterrein. Het (extra) geluid van varende schepen is naar verwachting ook niet zodanig hoog dat dit geluid in het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden onderzocht en afgewogen. Het ‘nestgeluid’ (geluid van een stroomgenerator van aangemeerde schepen die gelost worden) kan normaal gesproken een belangrijke bron van hinder zijn, echter hiervoor geldt dat ter plaatse van de kade walstroom wordt aangelegd, die ook verplicht gebruikt dient te worden. Het brongeluid van de stationair draaiende motoren van vrachtwagens is van ondergeschikt belang ten opzichte van de kranen, gezien het lagere bronvermogen (ca. 7 dB lager) en de korte duur. De afstand tussen de kranen en de vrachtwagens is kort genoeg om de stationair draaiende motoren niet mee te nemen in het akoestisch onderzoek. Aanpassing 1bb
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. Indiener merkt op dat de geluidruimte van de bedrijven in de geluidszone is vastgelegd met geluidnormen per bedrijf op een vaste afstand van de terreingrens van dat bedrijf (zoals de zandhandel). Het is het doel van de gemeente om bestaande gevoelige functies strak te begrenzen en beheren. Verder blijkt - volgens indiener - uit het onderzoek van Arcadis dat de geluidsgrenswaarden van het Activiteitenbesluit in oostelijke richting van de zandhandel met 4 dB(A) wordt overschreden in de dag en nacht. De omgevingsdienst zou dit volgens Arcadis met een maatwerkvoorschrift moeten inpassen. Indiener is van mening dat het ontwerpbestemmingsplan niet uitvoerbaar is zolang de overschrijding niet wordt weggenomen. Dat betekent – volgens indiener - niet wachten op een maatwerkvoorschrift, want dat is onzekere toekomstige kwestie en maakt dat het bestemmingsplan op onrechtmatige wijze een nader toetsingsmoment krijgt. Indiener stelt dat de raad moet bepalen dat de zandhandel pas kan worden gebruikt als deze overschrijding is weggenomen door specifiek te bepalen welke maatregel dient te worden getroffen.
Beantwoording
Op de gevel van de woning Rotterdamseweg 189 neemt de geluidbelasting vanwege het industrieterrein toe van 52 dB(A) tot 53 dB(A). Dit komt door afrondingsverschillen, de bijdrage door de verplaatste zandhandel is met 39 dBA) namelijk klein. Voor de meeste bestaande woningen in de geluidzone geldt een wettelijke grenswaarde van tenminste 55 dB(A). Dit geldt echter niet voor de
24
woning Rotterdamseweg 189, die eerder als gevolg van een geluidzoneverruiming binnen de geluidzone is komen te liggen. Daarbij is verzuimd een hogere grenswaarde vast te stellen, zodat de grenswaarde Wet geluidhinder 50 dB(A) bedraagt. Daaraan wordt nu al niet voldaan. In het kader van de herzonering van industrieterrein Schieoevers (bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven)) is die grenswaarde voor de Rotterdamseweg 189 verhoogd middels een separaat Besluit hogere waarden. Hier geldt nu een hogere waarde van 53 dB(A). Het maatwerkvoorschrift, waarbij meer geluid (max 4dB(A) aan de zandhandel kan worden toegekend, kan pas worden vastgesteld als er een melding is gedaan door het bedrijf voor de nieuwe locatie. Dit is nog niet gebeurd. Nu de gemeente via de ODH (Omgevingsdienst Haaglanden) voornemens is het maatwerkvoorschrift vast te stellen en dit maatwerkvoorschrift redelijkerwijs vastgesteld kan worden, is het niet nodig het maatwerkvoorschrift voorafgaand aan de vaststelling van dit bestemmingsplan vast te stellen. Aanpassing 1cc
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. Indiener vreest geuroverlast als gevolg van de verplaatsing van de zandhandel, de bedrijfsactiviteiten en de activiteiten op de openbare loswal. De geurbelasting ter plaatse van het kantoor en de bedrijfswoningen van indiener is niet onderzocht, getoetst en afgewogen. Indiener geeft aan dat scheepvaart weliswaar onder het oude bestemmingsplan was toegelaten, maar het aanleggen/afmeren, lossen en verladen van schepen, stationair draaien, aan- en uitschakelen van motoren en zandwagens met 2 kranen, etc. niet. Bij de toets is ten onrechte de cumulatieve geurbelasting (waarbij andere bedrijven die geur uitstoten) niet meegenomen (zoals Avalex). De raad heeft zich er – volgens indiener - niet van vergewist dat de geurbelasting ter plaatse van het pand van indiener een goede ruimtelijke ordening oplevert. Kantoren en bedrijfswoningen op een bedrijventerrein kunnen naar de mening van indiener als geurgevoelig object worden gezien (ABRvS 24 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG3812). Voorts is er volgens indiener niet getoetst aan de VNG-handreiking milieuzonering en/of artikel 2.7a Activiteitenbesluit. Enkel in een oud onderzoek van een overlaadstation Delftse Schie over het verwerken van afval is een geuronderzoek gedaan.
Indiener geeft aan dat niet is toegelicht hoe dat zich verhoudt tot dit bestemmingsplan (al kunnen we wel bedenken dat afval natuurlijk meer geuroverlast geeft dan zand) en dat de maatregelen die daarin zijn 25
opgenomen ook niet als voorschrift in het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning zijn opgenomen.
1dd
Beantwoording
Indiener verwijst naar uitspraak ABRvS 24 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG3812. Dit moet zijn ABRvS 24 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG8312. Voor de beantwoording van deze zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 1a.
Aanpassing
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. Indiener vreest trillingen als gevolg van de verplaatsing van de zandhandel (waaronder de aanleg van de kade, etc.), de bedrijfsactiviteiten en de activiteiten op de openbare loswal en overlast en schade als gevolg van die trillingen. Indiener geeft aan dat geluidsgevoelige objecten op een gezoneerd industrieterrein niet getoetst hoeven te worden aan het Activiteitenbesluit en de SBR-richtlijn (art. 2.23 Activiteitenbesluit), maar naast het Activiteitenbesluit dient – volgens indiener - een aanvullende toets naar de goede ruimtelijke ordening te worden verricht. Volgens indiener is niet gebleken dat de raad zich ervan vergewist heeft dat ter plaatse van het pand niet sprake is van onaanvaardbare trillingen. Uit het onderzoek blijkt niet dat het pand van indiener met gevoelige functies is meegenomen in het onderzoek, terwijl het op korte afstand ligt tot de zandhandel. Daarnaast wordt zonder nadere onderbouwing door Arcadis gesteld dat de watergang tussen de zandhandel en het pand van indiener “trilling verstorend” is. Tegelijkertijd noemt Arcadis maatregelen om trillingen te voorkomen en te beperken. De door Arcadis genoemde maatregelen zijn niet opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Verder is wel het standpunt ingenomen dat Rotterdamseweg 402A trillingshinder en -schade zal ondervinden.
Voornoemd adres ligt naast het pand van indiener 402-D t/m 402-Z en ligt op grotere afstand (en verder van het water af) dan het pand van indiener, terwijl het pand van indiener niet is onderzocht. Als gevolg van heien en plaatsen van damwanden zal in ieder geval wel hinder en schade ontstaan bij het pand van cliënte. In de kantoren en bedrijfswoningen kan dan niet gewerkt worden. De druk op de damwand aan de zijde van het pand van cliënte zal door het heien ook vergroten, hetgeen grote schade kan veroorzaken. Datzelfde heeft te gelden voor schade aan bestrating/ verzakkingen rondom het pand. Bij het voornemen is geen heiplan aangeleverd.
26
Beantwoording
Voor de gebruiksfase is, in het kader van dit bestemmingsplan, een onderzoek uitgevoerd naar trillingen. Uit dit onderzoek komt naar voren dat er geen sprake is van trillingshinder aan de overzijde van de Schie. De constructieve stukken (waaronder gegevens met betrekking tot het heiwerk) mogen later aangeleverd worden. Ten tijde van de terinzagelegging van de ontwerp omgevingsvergunning (en het ontwerpbestemmingsplan) ontbraken deze stukken. Inmiddels zijn er wel constructieve gegevens ontvangen die bij de definitieve omgevingsvergunning zullen worden gevoegd. Voorafgaand aan de bouwfase wordt onderzoek gedaan naar trillingsoverlast die kan optreden in de bouwfase, zo nodig dient de aannemer zijn werkwijze daarop aan te passen, zodat schade voorkomen wordt en overlast beperkt blijft. Voorafgaand aan de heiwerkzaamheden zal de aannemer een bouwkundige opname (zogenaamde nulmeting) laten uitvoeren in het omliggende mogelijke risicogebied. Per bedrijf en bedrijfswoning zal alles schriftelijk en fotografisch worden vastgelegd. Dit resulteert in een rapportage bouwkundige opname. Die rapportage wordt met belanghebbende gedeeld. De damwand zal drukkend worden aangebracht om hinder en kans op schade te minimaliseren.
Er worden door Arcadis geen negatieve trillingseffecten (schade/hinder) verwacht ter plaatse van de Rotterdamseweg ten gevolge van de ingebruikname van de zandhandel/loswal. Zie Rapportage beschouwing Rotterdamseweg 402A5. Het inbrengen van de damwand zal niet lijden tot een toename van actieve dan wel passieve gronddruk op de damwand, enige constructieve gevolgen op de stabiliteit/draagkracht of vervormingen van de damwand ter plaatse van de Rotterdamseweg 402A zijn dan ook niet te verwachten.
Aanpassing 1ee
De zienswijze leidt niet tot aanpassing. 1. Indiener constateert dat de raad Arcadis onderzoek heeft laten verrichten naar de luchtkwaliteit. In het ontwerpbestemmingsplan zijn de uitgangspunten van het luchtkwaliteitsonderzoek – volgens indiener - niet volledig overgenomen, zodat de uitgangspunten van het onderzoek/ de bescherming die het onderzoek poogt te geven, niet wordt gewaarborgd. Enkel de doorzet per jaar, het volume van de vrachtwagen en het aantal transportbewegingen zijn als planregels overgenomen uit het
27
2.
3.
4.
5. Beantwoording
rapport van Arcadis. De bedrijfstijd van de kranen is echter niet overgenomen in de bestemmingsplanregels. Indiener stelt dat Arcadis in diens onderzoek enkel de stofemissie als gevolg van op- en overslag van materialen, mobiele werktuigen en bewegingen van zwaar verkeer (vrachtverkeer) heeft betrokken. Vervolgens stelt indiener dat de stofhinder als gevolg van bewegingen van de binnenvaart in het onderzoek betrokken had moeten worden en is - volgens indiener - ook niet bepaald hoe bijvoorbeeld de schepen het zand dienen aan te leveren (gesloten ruimte) en dat de zandhopen op de schepen bevochtigd dienen te worden. Verder stelt indiener dat Arcadis ervan uitgaat dat zand licht stuifgevoelig is en wordt geclassificeerd als S4 (bijlage 3 Activiteitenbesluit). Arcadis gaat – volgens indiener - enkel uit van S4-zand in het onderzoek. Niet is bepaald in de planregels dat fijn zand niet gebruikt mag worden. Bij fijn zand, sterk stuifgevoelig, (S2) geldt mogelijk ook een andere emissiefactor totaal stof en fijne stof, zodat de onderzoeksresultaten die nu uitgaan van licht stuifgevoelig (S4) hierdoor ook anders kunnen zijn. Dit is - volgens indiener - niet betrokken door Arcadis in het onderzoek. Arcadis stelt dat door bevochtiging van zandhopen de stofemissie kan worden gereduceerd tot 5% en dat overslag enkel is toegelaten bij bepaalde windsnelheden.