CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

De Staal vastgesteld 1 Toelichting Regels en Bijlagen Regels

Commissie Ruimte en Verkeer 2 december 2021, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake bestemmingsplan De Staal (nr. 2146882)37.984 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

46

bestemmingsplan "De Staal" (vastgesteld)

bestemmingsplan De Staal 'Wonen'. Het gaat om bedrijven, dienstverlenende functies en maatschappelijke voorzieningen. Bedrijven zijn tot maximaal categorie 2 uit Lijst van bedrijfstypen toegestaan. Het gaat om lichte, kleinschalige bedrijvigheid met een beperkte milieu-uitstraling. De bedrijfsactiviteiten zoals die mogelijk binnen het plan zijn voorzien zullen uitsluitend inpandig en hoofdzakelijk tijdens de dagperiode plaatsvinden. Het betreft activiteiten die in een gemengd gebied direct naast of onder woningen mogelijk zijn zonder dat ongewenste situaties ontstaan.Binnen de bestemming 'Woongebied' zijn daarnaast beperkt horeca-activiteiten toegestaan tot maximaal categorie 1b uit de Lijst van Horeca-activiteiten. Ook dit betreft vormen van horeca met een beperkte milieu-uitstraling, die in een gemengd gebied direct naast of onder woningen toelaatbaar zijn. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en dat in de omgeving geen bedrijven of instellingen aanwezig zijn die door de transformatie in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Door uitplaatsing van de gemeentewerf verbetert het woon- en leefklimaat in de woonbuurt ten westen en noorden van het plangebied.

4.8

Kabels en leidingen

Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: 1. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; 2. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; 3. defensiebrandstoffen; 4. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen aanwezig. Wel is op de verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'Noordoost' een straalpad door het plangebied aangegeven met hoogtebeperkingen van 69 meter (zuidelijke gedeelte) respectievelijk 70 meter (noordelijke gedeelte). KPN Mobiel heeft echter aangegeven dat dit straalpad niet meer van kracht is. Het recht hierop is afgeschaft zodat voor het plangebied niet langer hoogtebeperkingen vanwege straalpaden gelden. Aan de oostzijde van het plangebied ligt een ondergrondse hoogspanningsverbinding. De belangen, verbonden aan deze leiding, zijn in de regels beschermd via de bestemming 'Leiding - Hoogspanning'.

Op grond van deze bestemming is voor activiteiten waarbij gegraven wordt, zoals bouwen en een aantal specifiek genoemde werken en werkzaamheden, een omgevingsvergunning nodig. Het verlenen van de omgevingsvergunning is slechts mogelijk indien de belangen (veiligheid) van de leiding niet onevenredig worden geschaad.

4.9

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

bestemmingsplan "De Staal" (vastgesteld)

47

bestemmingsplan De Staal Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.

Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.

Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen zijn met een externe werking op het plangebied en dat er geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt via het spoor, het water of door buisleidingen. Wel vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats via Rijksweg A13. Deze transportroute ligt op circa 70 meter ten oosten van het plangebied. De A13 heeft een invloedsgebied van 4.000 meter. Wanneer een ontwikkeling betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk binnen 200 meter van een transportroute ligt, dient conform het Besluit externe veiligheid transportroutes Artikel 8.1 inzicht te worden in het groepsrisico. Hiervoor is een kwantitatieve risicoanalyse uitgevoerd waaruit blijkt dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden en de hoogte van het groepsrisico door de herontwikkeling met minder dan 10% toeneemt (zie bijlage 12). In dergelijke gevallen kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Verantwoording groepsrisico Bij de verantwoording van het groepsrisico dient inzicht te worden gegeven in de mogelijkheden voor rampbestrijding, hulpverlening en het vergroten van de zelfredzaamheid. Het plangebied wordt vanaf twee zijden ontsloten, wat belangrijk is met het oog op de bereikbaarheid bij een eventuele calamiteit. In het kader van het wettelijk vooroverleg is het bestemmingsplan voor advies worden voorgelegd aan de Veiligheidsregio Haaglanden. Over de Rijksweg A13 vinden transporten van brandbare vloeistoffen, brandbare gassen, giftige vloeistoffen en giftige gassen plaats. De ergst denkbare scenario's voor deze transporten zijn:  wen BLEVE van een tankwagen met brandbaar gas (Explosie van de tankwagen);  het volledig vrijkomen van de inhoud van een (tank)wagen met een giftige vloeistof;  het volledig vrijkomen van de inhoud van een (tank)wagen met giftig gas. Met het oog op de risicosituatie adviseert de Veiligheidsregio de vluchtwegen zodanig te situeren dat het mogelijk is om de gebouwen te ontvluchten via de van de A13 afgekeerde zijde. Ook wordt geadviseerd om bewoners en vaste gebruikers binnen het invloedsgebied te informeren over de 48

bestemmingsplan "De Staal" (vastgesteld)

bestemmingsplan De Staal verschillende risico's en gevaren van het transport van gevaarlijke stoffen. In het bijzonder voor de beoogde zorgwoningen (waar mensen met een beperkte zelfredzaamheid zullen verblijven) adviseert de Veiligheidsregio om het personeel, de begeleiding en/of BHV-organisatie voor te bereiden op incidenten met gevaarlijke stoffen. Tussen het bouwblok waar de zorgwoningen worden mogelijk gemaakt en de A13 zijn het groene talud en diverse gebouwen voorzien. De daarmee samenhangende afscherming ten opzichte van de risicobron heeft een positief effect op de risicosituatie ter plaatse van het blok waar het bestemmingsplan de zorgwoningen toestaat. In combinatie met de voorgenoemde maatregelen wordt de realisatie van zorgwoningen binnen het invloedsgebied van de A13 aanvaardbaar geacht. Binnen het hele plangebied dient rekening te worden gehouden met een toxisch scenario. Met het oog daarop adviseert de Veiligheidsregio om de toekomstige gebouwen te voorzien van een ventilatiesysteem dat met en eenvoudige handeling kan worden uitgeschakeld om zo de gevolgen bij het vrijkomen van giftige stoffen te beperken. Het scenario van een explosie (BLEVE) vormt vooral ter plaatse van de toren een aandachtspunt. Met bouwkundige maatregelen kunnen de effecten van een BLEVE (door overdruk en hittestraling) worden beperkt.

De voorgenoemde maatregelen worden niet vastgelegd in het bestemmingsplan, maar zullen bij de verdere uitwerking van de plannen worden meegenomen. Daarbij zal ook de Veiligheidsregio worden betrokken. Conclusie Het plangebied ligt in de nabijheid van Rijksweg A13 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd wat risico's met zich meebrengt. De QRA toont dat het groepsrisico slechts beperkt toeneemt (minder dan 10%) en dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Gezien het berekende groepsrisico in combinatie met de voorgenoemde maatregelen gericht op het vergroten van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid, wordt het groepsrisico aanvaardbaar geacht.

4.10

Water

Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Delfland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW);  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);  Waterwet. Provinciaal:  Provinciaal Waterplan;  Provinciale Structuurvisie;  Verordening Ruimte. Waterschapsbeleid In het Waterbeheerplan 5 (WBP 5) beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021.

Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop, de waterveiligheid, het waterbeheer, de waterkwaliteit en het zuiveren van afvalwater. Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtige manier zijn afgewogen.

bestemmingsplan "De Staal" (vastgesteld)

49

bestemmingsplan De Staal De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap:  In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden.  Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem.  Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven.  Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Het Hoogheemraadschap toetst nieuwe ontwikkelingen aan de provinciale norm voor wateroverlast (T=100 voor stedelijk gebied) en aan het standstillbeginsel (de ontwikkeling mag geen negatieve invloed hebben op de waterhuishouding) Gemeentelijk beleid De gemeente Delft en het Hoogheemraadschap van Delfland hebben samen het Waterplan Delft, een blauw netwerk (2000), opgesteld. Het plan richt zich op het realiseren van gezonde en veerkrachtige watersystemen.

Daarmee worden systemen bedoeld waarvan de waterkwaliteit en de ecologische kwaliteit past bij de (natuurlijke) situatie ter plaatse en dat verstoringen in het systeem relatief makkelijk kunnen worden opgevangen. De gemeente Delft en het Hoogheemraadschap van Delfland hebben gezamenlijk de Waterstructuurvisie (2005) opgesteld. Het doel van de Waterstructuurvisie is om het watersysteem van Delft over 25 jaar optimaal te laten functioneren. Hierbij wordt uitgegaan van de principes van duurzaam integraal waterbeheer. Daarnaast wordt in de Waterstructuurvisie een betere waterkwaliteit nagestreefd conform de ambities van het waterplan. In de Waterstructuurvisie zijn diverse maatregelen benoemd ter verbetering van de waterhuishouding. Voor het plangebied zijn, rekening houdend met de huidige functies, geen concrete voorstellen gedaan voor uitbreiding van het oppervlaktewater. Voor een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in de stad heeft gemeente Delft een strategie uitgewerkt, de duurzaamheidsstrategie 'Bouwen aan een duurzaam Delft, strategische keuzes voor 2040'. Deze strategie is vastgesteld door het college en ter kennisgeving aangeboden aan de raad (november 2017). In de duurzaamheidsstrategie worden randvoorwaarden geschetst voor een duurzaam en toekomstbestendig Delft.

Voor ruimtelijke ontwikkelingen wordt de strategie vormgegeven aan de hand van 4 pijlers:  Groen, blauw & gezond  Circulaire economie  Klimaatadaptief  Delft energieneutraal Ook heeft de gemeente Delft het convenant Klimaatadaptief bouwen ondertekend. De gemeentelijke watertaken op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater zijn uitgewerkt in het Gemeentelijk Riolerings Plan (GRP). Huidige situatie Het rapport in bijlage 18 vormt de basis voor deze waterparagraaf. Het rapport en (daarmee) deze paragraaf zijn tot stand gekomen in goed overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland. Het plangebied is gesitueerd langs de afrit Delft (afrit 9) van rijksweg A13 en wordt aan de noord- en oostzijde begrenst door de Staalweg, aan de westzijde door de wijk Vrijenban en aan de zuidzijde door de Oostpoortweg. Het plangebied is in de huidige situatie geheel verhard. Bodem en grondwater Vanwege de ligging van het plangebied in de bebouwde kom van Delft is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. In de nabije omgeving bestaat de bodem uit klei met homogeen profiel, veen op ongerijpte klei en klei op veen. Met betrekking tot het grondwater is sprake van grondwatertrap II. Dit wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) 40 centimeter onder maaiveld ligt.

De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) schommelt tussen de 50 en 80 centimeter onder maaiveld. In de omgeving van de locatie is slechts een langdurig gemeten peilbuis uit het gemeentelijk grondwater meetnet aanwezig. Dit betreft peilbuis 12-1.14 en deze staat ter hoogte van de Van Lodesteynstraat. De gemeten grondwaterstanden variëren hier veelal tussen 1,0 meter -NAP en 1,4 meter -NAP. De ontwateringsdiepte is in de bestaande situatie circa 0,8 meter onder maaiveld.

50

bestemmingsplan "De Staal" (vastgesteld)

bestemmingsplan De Staal Waterkwantiteit In het rapport in bijlage 18 wordt ingegaan op de bestaande waterhuishoudkundige situatie. Het plangebied maakt voor een groot deel onderdeel uit van de Bieslandse Bovenpolder. Het waterpeil is vastgesteld op 1,50 meter –NAP. Binnen het noordwestelijke deel van het plangebied is oppervlaktewater aanwezig in de vorm van 'de Staalhaven. Deze watergang staat in verbinding met de Delftse Schie en maakt onderdeel uit van de Delfslandse Boezem. Het peil van de boezem is 0.43 meter -NAP.

Figuur 4.6 Waterhuishoudkundige situatie Watersysteemkwaliteit en ecologie De Staalhaven ten noordwesten van het plangebied is aangewezen als KRW-lichaam (Kaderrichtlijn Water). Er bevinden zich geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering (zie figuur 4.7). Regionale waterkeringen bieden bescherming tegen overstroming(en) vanuit boezemwater of binnenboezem. Binnen de kern- en beschermingszone van de regionale waterkering gelden conform de Keur van Hoogheemraadschap van Delfland beperkingen voor bouwen en aanleggen om te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast. Voor werkzaamheden binnen deze zones dient een watervergunning te worden aangevraagd. Inlaatvoorziening Middels een inlaatvoorziening (inlaatwerk met leiding) staat de boezem, gereguleerd, in verbinding met de polder. Voor het wijzigen/verplaatsen van de inlaatvoorziening dient een watervergunning te worden aangevraagd.

bestemmingsplan "De Staal" (vastgesteld)

51

bestemmingsplan De Staal

Figuur 4.7 Zonering waterkering Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is in de huidige situatie aangesloten op het gemeentelijk gemengde rioolstelsel. Toekomstige situatie De beoogde ontwikkeling betreft de verlegging van de Staalweg naar het midden van het plangebied als nieuwe ontsluitingsweg en de realisatie van maximaal 346 woningen, gecombineerd met lichte bedrijvigheid en commerciële voorzieningen. De woningen zijn beoogd in de vorm van stadswoningen, grachtenwoningen, appartementen en een woontoren. Mede ten behoeve van het concept 'wonen aan het water' omvat de beoogde ontwikkeling tevens de verlegging van de regionale waterkering en de aanleg van nieuwe watergangen. De nieuwe waterkering zal globaal meelopen met de Nieuwe Staalweg waardoor een deel van de nieuwe bebouwing binnen hetzelfde peil- en beheergebied als de naastgelegen woningen komt te liggen en doorvaart mogelijk wordt. Bodem en grondwater De ontwateringsdiepte is in de bestaande situatie circa 0,8 meter onder maaiveld. In de toekomstige situatie zal in het polderdeel van de locatie een vergelijkbare grondwaterstand optreden. Weliswaar wordt de boezem verder landinwaarts verlegd, maar doordat deze een damwandconstructie krijgt zal de invloed van de boezem op de grondwaterstand in de omgeving beperkt zijn. Verder wordt in de toekomstige situatie het maaiveldniveau verhoogd.

Het boezemdeel van de ontwikkeling krijgt een drooglegging van circa 0,9 meter. De vloerpeilen liggen 1,1 meter boven boezempeil. Omdat er kruipruimteloos wordt gebouwd wordt hier geen grondwateroverlast verwacht. Waterkwantiteit Om de kans op wateroverlast te verkleinen, is het van belang om ervoor te zorgen dat het watersysteem optimaal functioneert en goed wordt onderhouden. Hiervoor hanteert Hoogheemraadschap van Delfland het 'stand-still' beginsel. Dit houdt in dat de kans op wateroverlast niet mag toenemen als gevolg van een ingreep in het watersysteem of een handeling die invloed heeft op het functioneren van het watersysteem. Gezien het feit dat het plangebied in de huidige situatie geheel verhard is, leidt de beoogde ontwikkeling niet tot een toename van het verhard oppervlak. Met het oog op de waterhuishouding is deze afname aan verhard oppervlak een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie (binnen de Bieslandse Bovenpolder). Daarbij is echter wel van belang dat het plangebied in de huidige situatie deel uit maakt van het poldersysteem van de Bieslandse Bovenpoldervan Delfgauw. Met de verlegging van de regionale waterkering wordt een gedeelte van het plangebied onderdeel van het boezemgebied en daarmee van het boezemsysteem waartoe ook de binnenstad van Delft behoort. Dit maakt dat nieuw land wordt toegevoegd aan de boezem, waardoor

52

bestemmingsplan "De Staal" (vastgesteld)

bestemmingsplan De Staal compenserende maatregelen noodzakelijk zijn. In het rapport in bijlage 18 is ingegaan op de gevolgen van de beoogde ingrepen voor het verhard oppervlak. Op boezemniveau is sprake van een toename aan verhard oppervlak. Binnen het plan wordt voldoende berging gerealiseerd, door middel van het graven van water en aanvullende vasthoudmaatregelen, om deze toename te compenseren. De precieze invulling van de compensatie wordt bepaald in overleg met Hoogheemraadschap van Delfland. Verder dient, conform de Keur van Hoogheemraadschap van Delfland, voor het graven van nieuwe watergangen een watervergunning te worden aangevraagd. Waterkwaliteit De Staalhaven ten noordwesten van het plangebied is aangewezen als KRW-lichaam (Kaderrichtlijn Water). Zowel bij de inrichting van het gebied en de bebouwing als bij de inrichting van het watersysteem wordt rekening gehouden met het aspect waterkwaliteit. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit negatief wordt beïnvloed worden geen uitlogende materialen toegepast in het plan. Op boezemniveau worden daarnaast natuurvriendelijke oevers gerealiseerd aan de zuidkant van het plan nabij de Oostpoortweg. Ten slotte worden door afkoppelen van verharde oppervlakken van de gemengde riolering bestaande gemengde overstorten beperkt.

Waterveiligheid De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een vervangende regionale waterkering. De ligging en de technisch uitvoering van de vervangende waterkering is in overleg met Delfland tot stand gekomen. Ten behoeve van de verlegging dient een watervergunning te worden aangevraagd. De oude waterkering wordt verlegd in overeenstemming met de gesprekken die gevoerd zijn met het Hoogheemraadschap. De nieuwe waterkering is vastgelegd op de verbeelding van het bestemmingsplan. In de planregels is een voorwaardelijke bepaling opgenomen waarmee is geborgd dat de bouwwerkzaamheden pas van start mogen nadat de waterkering is verlegd. Het vloerpeil van de woningen in het deel boezemland van het projectgebied ligt circa 1,1 meter boven boezempeil. Het maaiveld komt gemiddeld 0,9 meter boven boezempeil te liggen. Op gebied van waterveiligheid is de inrichting met deze hoogtes dusdanig dat geen overlast op kan treden. In omliggend gebied zijn de maaiveldpeilen en vloerpeilen lager dan in het plangebied. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw noodzakelijk een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.

Hemelwater wordt vertraagd afgevoerd naar het oppervlakte water overeenkomstig de volgende voorkeursvolgorde:  hemelwater vasthouden voor benutting,  (in-) filtratie van afstromend hemelwater,  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,  afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Voor de verwerking van hemelwater wordt in het gehele plan de voorkeursvolgorde aangehouden. In het rapport in bijlage 18 is uitgewerkt op welke wijze hier invulling aan wordt gegeven en hoe wordt voldaan aan de geldende normen en randvoorwaarden. Klimaatadaptatie Vergroening van de leefomgeving is één van de belangrijkste oplossingen voor het tegengaan van de opwarming van de stad. In het plangebied, aan de zijde van de rijksweg A13, wordt een brede groenstrook/talud voorzien welke wordt ingericht met een diversiteit aan grassen en beplanting. Naast het positieve effect tegen het opwarmen van de stad houdt de groenstrook ook hemelwater vast. Daarvoor zullen ook specifieke voorzieningen worden gerealiseerd onder het groene talud. Met vasthoudmaatregelen wordt invulling gegeven aan klimaatadaptief bouwen. Conclusie Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling dient op basis van de Keur van Hoogheemraadschap van Delfland een watervergunning te worden aangevraagd.

Er vinden diverse veranderingen aan het watersysteem plaats, die in nauw overleg met Hoogheemraadschap van Delfland zijn onderzocht en vormgegeven. In de regels van het bestemmingsplan zijn diverse zaken zoals de verlegging van de waterkering, de benodigde waterberging en het vasthouden van water in het plangebied geborgd. Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan

bestemmingsplan "De Staal" (vastgesteld)

53

bestemmingsplan De Staal

4.11

Flora en fauna

Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;  het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en  de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge

54

bestemmingsplan "De Staal" (vastgesteld)

bestemmingsplan De Staal de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Solleveld en Kapittelduinen ligt op circa 11 km ten westen van het plangebied.

Het dichtstbijzijnde onderdeel van Natuurnetwerk Nederland bevindt zich op circa 1,6 km van het plangebied. In figuur 4.7 is de ligging ten opzichte van deze gebieden weergegeven.

Figuur 4.7 Plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. De realisatie van het project en de toename van verkeer in de toekomstige situatie (zie paragraaf 4.5) zou kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in de omgeving. Om deze reden is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Het in het onderzoek gehanteerde uitgangspunt van gasloos bouwen, ook van de niet woonfuncties, is verankerd in de juridische regeling van dit bestemmingsplan. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 17. Uit de resultaten blijkt dat de ontwikkeling van De Staal in de gebruiksfase niet leidt tot een depositietoename op verzuringsgevoelige habitats binnen Natura 2000. Zeker als bij de realisatie wordt gekozen voor de inzet van recent (schoon) materieel, kan ook in de realisatiefase een depositiebijdrage worden uitgesloten. Daarbij is overigens uitgegaan van een hoog gemiddeld aantal draaiuren van zware machines gedurende de hele bouwperiode.

bestemmingsplan "De Staal" (vastgesteld)

55

bestemmingsplan De Staal Soortenbescherming Door Bureau Mertens is in april 2018 een quickscan beschermde planten- en diersoorten uitgevoerd (zie bijlage 13). Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat, in verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels, het noodzakelijk is om groen te rooien en het omvormen van de opstallen buiten het broedseizoen uit te voeren en/ of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen. Dit kan bijvoorbeeld door vogelverschrikkers te gebruiken. Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Daarnaast foerageren er mogelijk vleermuizen binnen en in de omgeving van het plangebied. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. De aanwezigheid van vleermuizen (verblijfplaatsen, vliegroutes) kan niet worden uitgesloten. Effecten op deze soortgroepen kunnen dan ook niet worden uitgesloten. Op grond hiervan is een gerichte veldinventarisatie van belang om eventuele effecten en maatregelen op een adequate manier in te kunnen schatten. Deze gerichte veldinventarisatie is uitgevoerd in de periode mei 2019 tot en met augustus 2019. Uit de resultaten van het onderzoek (zie bijlage 14) komt naar voren dat in en direct rond het gebied gewone dwergvleermuizen foerageren. Er zijn geen verblijfplaatsen vastgesteld.

Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze vleermuissoorten er blijven foerageren. In de omgeving zijn ook voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig. Negatieve effecten op de vleermuizen worden derhalve uitgesloten. Afhankelijk van het moment dat omgevingsvergunningen voor bouwen worden aangevraagd zal mogelijk nog aanvullend onderzoek nodig zijn om (wederom) aan te tonen dan ook dan geen negatieve effecten aan de orde zijn. Aanvullend op het voorgenoemde onderzoek uit 2019 is met het oog op de sloop de opstallen aan de Staalweg specifiek onderzoek uitgevoerd in verband met de aanwezigheid van open stootvoegen die in beginsel geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen (bijlage 21). In het onderzoek is ook een populier aan de oostzijde van de Staalweg meegenomen. Er zijn geen aanwijzingen van het voorkomen van vleermuizen vastgesteld. Ook hiervoor geldt dat afhankelijk van het moment van de daadwerkelijke sloop een actualisatie van het onderzoek noodzakelijk kan zijn. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en effecten op beschermde planten- en dierensoorten worden uitgesloten. Een gerichte veldinventarisatie heeft voor de sloop van de bestaande bebouwing uitgewezen dat er geen sprake is van verblijfplaatsen voor vleermuizen.

4.12

Conventionele explosieven

Toetsingskader Delen van de gemeente Delft zijn verdacht op het aantreffen van niet-gesprongen explosieven. Indien er werkzaamheden plaatsvinden in deze gebieden, wordt geadviseerd om vervolgstappen te ondernemen in de explosievenopsporing. Hiervoor zijn drie mogelijkheden: 1. Het laten uitvoeren van een Projectgebonden Risicoanalyse (PRA) voor het verdacht gebied. In de PRA wordt vastgesteld waar en welke (grond)werkzaamheden hebben plaatsgevonden binnen de grenzen van het verdachte gebied alsmede tot welke diepte de (water)bodem geroerd is geweest. Het uiteindelijke doel van de PRA is om te bepalen of het verdacht gebied door naoorlogse werkzaamheden of voor de uitvoer van de geplande werkzaamheden (nog) verdacht is. 2. Het laten uitvoeren van detectiewerkzaamheden. 3. Indien mogelijk kunnen de voorgenomen werkzaamheden worden verplaatst en uitgevoerd buiten de op Niet-gesprongen explosieven verdachte gebieden. Voor de overige delen in de gemeente Delft geldt dat er geen/onvoldoende aanwijzigingen zijn aangetroffen dat er oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden waardoor Niet-gesprongen explosieven in/op de (water)bodem zijn achtergebleven. Deze gebieden zijn onverdacht op het aantreffen van Niet-gesprongen explosieven. Onderzoek en conclusie Het plangebied bevindt zich in een gebied onverdacht op het aantreffen van conventionele explosieven.

Dit betekent dat alle werkzaamheden op deze locatie op een reguliere wijze kunnen worden uitgevoerd.

56

bestemmingsplan "De Staal" (vastgesteld)

bestemmingsplan De Staal

4.13

Bodem

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek Binnen het plangebied zijn in het verleden verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd. Omdat deze onderzoeken op onderdelen verouderd zijn en daarnaast delen van het plangebied niet of onvoldoende zijn onderzocht, is in het kader van het bestemmingsplan in 2020 een nieuw gebiedsdekkend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksgebied is groter dan het bestemmingsplangebied (zie figuur 4.8). Het betreft een verkennend en nader bodemonderzoek, inclusief verkennend onderzoek naar asbest en PFAS in de grond. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 7. Deze paragraaf geeft een samenvattend overzicht van de resultaten en conclusies.

Resultaten vooronderzoek Uit het vooronderzoek is het volgende gebleken:  de onderzoekslocatie is verdacht voor diffuse (lichte) bodemverontreiniging met zware metalen, minerale olie, PAK en PCB in de toplaag van de bodem;  de locatie is verdacht voor lokale verontreiniging met zware metalen in de ondergrond;  de locatie is verdacht voor lokale verontreiniging met minerale olie in de ondergrond;  de locatie is (beperkt) verdacht voor verontreiniging met asbest in de (puinhoudende) toplaag van de bodem;  de locatie is (beperkt) verdacht voor verontreiniging met PFAS in de bovengrond. Resultaten verkennend en nader onderzoek Diffuse verontreinigingen De bovengrond is over het algemeen ten hoogste licht verontreinigd met zware metalen, minerale olie, PAK en PCB. De inpandige zandige toplaag en de zintuigelijk meest verdachte zandige ondergrond zijn eveneens ten hoogste licht verontreinigd. De resultaten bevestigen de onderzoekshypothese verdacht voor diffuse lichte bodemverontreiniging. Omdat maximaal lichte verontreinigingen in de grond zijn vastgesteld zijn sanerende maatregelen of een nader onderzoek niet nodig. Lokale verontreinigingen In de lokaal op de onderzoekslocatie aanwezige kleiige ondergrond met brokken puin is sprake van matige tot sterke verontreinigingen met zware metalen (koper, lood en zink).

Er dient nader onderzoek te worden uitgevoerd om de ernst en omvang van deze verontreinigingen vast te stellen. Nader bodemonderzoek spot 3 (zware metalen) Wat betreft het nader onderzoek naar spot 3 bevestigen de resultaten de onderzoekshypothese verwacht wordt een omvang >25 m3 met sterke verontreiniging met zware metalen in de ondergrond. De omvang van de verontreiniging is nog niet vastgesteld. Wat betreft de maximale diepte van de sterke verontreiniging wordt de onderzoekshypothese niet bevestigd: de sterke verontreiniging is op de maximaal onderzochte diepte nog aanwezig. Er is aanvullend nader onderzoek nodig om de omvang van de verontreiniging in horizontale en verticale zin vast te stellen. Nader bodemonderzoek spot 4 (minerale olie) Wat betreft het nader onderzoek naar spot 4 bevestigen de resultaten de onderzoekshypothese verwacht wordt een kleine spot (<25 m3) met sterke verontreiniging met minerale olie in de ondergrond. In het onderzoek zijn geen sterk verhoogde gehalten aan minerale olie vastgesteld rond en ter plaatse van de in voorgaand vastgestelde sterke verontreiniging met minerale olie in de ondergrond. Er is geen verder onderzoek nodig.

Asbest in grond Uit de resultaten van het asbestonderzoek is gebleken dat in de actuele contactzone (in het onderzoek is de bovenste 1,0 meter van de bodem beschouwd) over het algemeen geen sprake is van verontreiniging met asbest. In één mengmonster is in de bovengrond een zeer licht verhoogd gehalte aan asbest vastgesteld als gevolg van de aanwezigheid van twee asbest deeltjes in de fijne fractie.

bestemmingsplan "De Staal" (vastgesteld)

57

bestemmingsplan De Staal De vastgestelde concentratie is ruimschoots lager dan de helft van de interventiewaarde, zodat er geen nader onderzoek asbest hoeft te worden uitgevoerd. De resultaten bevestigen de onderzoekshypothese verdacht voor verontreiniging met asbest in de grond. Aangezien ten hoogste een zeer licht verhoogd gehalte aan asbest is vastgesteld, is geen nader asbest onderzoek nodig. PFAS in grond De resultaten bevestigen de onderzoekshypothese verdacht voor verontreiniging met PFAS in de bovengrond. Afgezien van het noordoostelijke terreindeel en de bermen aan de buitenrand van de onderzoekslocatie, is in de bovengrond maximaal sprake van zeer licht verhoogde gehalten (die bovendien ruimschoots onder de maximale waarden voor Wonen/industrie liggen). In de ondergrond is maximaal sprake van zeer licht verhoogde gehalten, die ruimschoots onder de maximale waarden voor Landbouw/natuur (en daarmee automatisch ook voor Wonen/Industrie) liggen. In twee mengmonsters van de bovengrond (samengesteld met monsters van het noordoostelijke terreindeel van 'De Staal' en met monsters uit de bermen aan de buitenrand van de onderzoekslocatie) is een gehalte aan PFOS groter dan klasse Wonen/Industrie vastgesteld.

Indien ter plaatse van de aangetroffen verontreinigingen afvoer van grond gaat plaatsvinden, moet er rekening mee worden gehouden dat deze grond niet elders hergebruikt kan worden en dus moet worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Afhankelijk van de hoeveelheid grondverzet is mogelijk aanvullend onderzoek nodig. Grondwater Het grondwater is licht verontreinigd met barium. De herkomst hiervan is niet bekend. Aangezien het gaat om een lichte verontreiniging is geen nader onderzoek nodig.

Figuur 4.8 Onderzoekslocatie met boringen en spots met verontreinigingen Conclusie Uit de resultaten van het bodemonderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit binnen grote delen van het plangebied voldoende is voor de beoogde bestemmingen. Op een aantal locatie is nader bodemonderzoek noodzakelijk. Het betreft:  nader bodemonderzoek uit te voeren naar de matige tot sterke verontreinigingen met zware metalen (koper, lood en zink) in de lokaal aanwezige kleiige ondergrond met brokken puin (boringen 51 en B3) om de ernst en omvang van deze verontreinigingen vast te stellen;  aanvullend nader onderzoek ter plaatse van spot 3 (zware metalen) naar de horizontale en verticale omvang van deze verontreiniging;

58

bestemmingsplan "De Staal" (vastgesteld)

bestemmingsplan De Staal Indien ter plaatse van het noordoostelijke terreindeel of de bermen aan de buitenrand van het terrein afvoer van grond gaat plaatsvinden moet er rekening mee worden gehouden dat deze grond niet elders hergebruikt kan worden en dus moet worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Afhankelijk van de hoeveelheid grondverzet is mogelijk aanvullend onderzoek nodig om te bepalen hoeveel grond in potentie niet herbruikbaar is. Op basis van de resultaten van het aanvullend onderzoek zullen de vervolgstappen worden bepaald. Zo nodig zullen saneringsmaatregelen worden getroffen zodat de bodem geschikt is voor de beoogde functies. Met het oog op de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is van belang dat rekening wordt gehouden met de eventuele daarmee samenhangende kosten. De bodemkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.14

Archeologie

Toetsingskader Conform de Erfgoedwet beschermd de gemeente Delft het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan. Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen een archeologische (mede)bestemming. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen in greep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan. De gemeente Delft beschikt over een eigen archeologische beleidsadvieskaart. Een uitsnede van deze kaart is in figuur 4.9 weergegeven. Deze kaart toont op welke locaties archeologische resten kunnen worden verwacht en koppelt deze aan vrijstellingsgrenzen. Wettelijk gezien geldt landelijk een vrijstellingsgrens van 100 m2, gemeentes mogen echter zowel naar beneden als naar boven afwijken van deze grens, mits dat goed onderbouwd wordt.

Door middel van het hanteren van verschillende vrijstellingsgrenzen wordt binnen de gehele gemeente gezocht naar een goede balans tussen de verwachte aanwezigheid van archeologische resten en de voorwaarden die worden verbonden aan bodemverstorende activiteiten. Het archeologisch kaartbeeld is echter niet statisch. In de loop der tijd zal de kennis over het bodemarchief toenemen. De vrijstellingszones in het onderhavige bestemmingsplan zijn dan ook geen exacte weergave van de vastgestelde beleidskaart.

bestemmingsplan "De Staal" (vastgesteld)

59

bestemmingsplan De Staal

Figuur 4.9 Uitsnede van de Archeologische verwachtings- en beleidskaart (bron: Gemeente Delft) Op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart ligt het plangebied in een gebied met een lage archeologische verwachting. Hiervoor geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek tot bodemingrepen met een oppervlakte van 200 m2 en een diepte van 40 cm. Onderzoek Omdat de onderzoeksgrenzen worden overschreden is in opdracht van de gemeente Delft voor het plangebied archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 15, Delftse Archeologische Notitie 78). Op basis van dit onderzoek is geadviseerd om voor de zone waarin vanaf 1550 het gemeentelijke recycledepot heeft gelegen een booronderzoek uit te laten voeren. Voor de rest van het terrein is geen vervolgonderzoek geadviseerd. Een verkennend booronderzoek is uitgevoerd voor de depotzone (zie figuur 4.10). Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek (zie bijlage 16, Delftse Archeologische Notitie 83) wordt geadviseerd bij bodemingrepen dieper dan 1,10 m -NAP het plan opnieuw voor te leggen aan het bevoegd gezag. Indien vervolgonderzoek wordt vereist, zal dat in eerste instantie plaatsvinden in de vorm van inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. Ook bij de aanleg van water en het plaatsen van ondergrondse vuilcontainers dient rekening te worden gehouden met eventuele archeologische waarden.

60

bestemmingsplan "De Staal" (vastgesteld)

bestemmingsplan De Staal

Figuur 4.10 Ligging plangebied verkennend booronderzoek Conclusie Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden is de archeologische dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" opgenomen. Op basis van het uitgevoerde veldonderzoek, geldt voor deze gronden een vrijstelling van archeologisch onderzoek voor bodemingrepen die zich beperken tot -1,10 m -NAP (circa 1,60 m -maaiveld ten tijde van het uitgevoerde onderzoek). Het (gedeeltelijk) doorschuiven van de archeologische onderzoeksverplichting naar de vergunningfase staat vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. Aanvullend onderzoek zal worden uitgevoerd bij aanvraag omgevingsvergunning.

4.15

Cultuurhistorische waarden

Binnen het plangebied zijn geen Rijks- en gemeentelijke monumenten of cultuurhistorisch waardevolle panden aanwezig. Wel ligt het plangebied in de relatieve nabijheid van de historische binnenstad van Delft. De historische binnenstad is op 11 september 1978 door het Rijk definitief aangewezen als beschermd stadsgezicht. De contour van het beschermde gebied is door het Rijk vastgesteld en viel in principe samen met de ligging van de middeleeuwse omwalling. Het van rijkswege beschermde gebied is in 2011 uitgebreid. De aanwijzing als beschermd stadsgezicht heeft voornamelijk consequenties voor nieuwe ontwikkelingen in het gebied zelf. Dit is in de betreffende bestemmingsplannen geregeld. De gezichtsbescherming richt zich op de stedenbouwkundige en cultuurhistorische waardering van het gebied en wil het toekomstig functioneren daarvan veiligstellen. Omdat het plangebied op relatief korte afstand is gelegen, kan een 70 m hoge woontoren worden gezien als een mogelijke verstoring van de cultuurhistorische kwaliteiten. De mogelijkheden voor hoogbouw in de verschillende gebieden rond de historische binnenstad van Delft zijn onderzocht in de Beleidsnota bouwhoogten Delft (zie paragraaf 3.4). Hierin wordt geconcludeerd dat hoogbouw tot de mogelijkheden behoort onder voorbehoud van het opstellen van een Hoogbouw Effectrapportage.

Hieraan is invulling gegeven met de notities in bijlage 1, 2 en 3 van deze toelichting.

bestemmingsplan "De Staal" (vastgesteld)

61

bestemmingsplan De Staal

4.16

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:  de kenmerken van de projecten;  de plaats van de projecten;  de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is indien (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2):  de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer;  een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat;  een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 346 woningen met maximaal 6.350 m2 aan commerciële functies. Daarmee worden de drempelwaarden niet overschreden.

Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd, waarin is nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De m.e.r.-beoordelingsnotitie is opgenomen in bijlage 19 . Uit de m.e.r.-beoordeling blijkt dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Op onderdelen zijn er wel maatregelen noodzakelijk :  Wegverkeerslawaai: Vanwege de optredende geluidbelastingen door het wegverkeer zijn maatregelen noodzakelijk om te komen tot een aanvaardbare akoestische situatie. Onderdeel van het hogere waardenbesluit en het Stap 3-besluit is een toolbox waarin per akoestische woningcategorie de prestatie eisen zijn vastgelegd. Afhankelijk van de hoogte van de geluidbelasting in relatie tot de maximale grenswaarde en de aanwezigheid van een geluidluwe zijde, valt iedere woningen binnen het plan binnen één van de beschreven categorieën. Per woningcategorie is vastgelegd welke prestatie-eisen gelden. Van deze eisen is aangegeven in welk kader ze worden getroffen. Hetzij in het kader van stap 2 (maatregelen om te voldoen aan de Wet geluidhinder en het gemeentelijk beleid), dan wel in het kader van stap 3 (compenserende maatregelen gekoppeld aan het Stap 3-besluit op grond van de Interimwet Stad & Milieubenadering).

Compenserende maatregelen zijn hogere eisen (ten opzichte van Bouwbesluit 2012) ten aanzien van het binnenniveau, luchtgeluidisolatie en contactgeluidisolatie. Andere uitwerkingen zijn toegestaan mits het resultaat gelijkwaardig is aan de beschreven prestatie-eis. In de planregels is geborgd dat wordt voldaan aan de prestatie eisen zoals vastgelegd in de toolbox. Met de te treffen maatregelen is voor alle woningcategorieën sprake van een aanvaardbare akoestisch situatie.  Externe veiligheid: nabij het plangebied vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats over de A13. In lijn met het advies van de Veiligheidsregio zullen maatregelen worden getroffen die zijn gericht op het vergroten van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid bij een eventuele calamiteit. De gebouwen zullen worden voorzien van het ventilatiesysteem dat met en eenvoudige handeling kan worden uitgeschakeld om zo de gevolgen bij het vrijkomen van giftige stoffen te beperken. Vluchtwegen worden zodanig te situeren dat het mogelijk is om de gebouwen te ontvluchten van de A13 afgekeerde zijde. Verder zullen toekomstige bewoners en gebruikers worden geadviseerd hoe te handelen bij een incident met gevaarlijke stoffen.  Bodemkwaliteit: binnen het plangebied is sprake van bodemverontreinigingen.

Op basis van de resultaten van het nog uit te voeren nader bodemonderzoek zullen waar nodig maatregelen worden getroffen zodat de bodemkwaliteit ter plaatse geen belemmeringen oplevert voor de beoogde herontwikkeling. Voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan heeft het bevoegd gezag op basis van de informatie uit de m.e.r.-beoordelingsnotitie en rekening houdend met de te treffen maatregelen, besloten om in het kader van het bestemmingsplan voor De Staal geen m.e.r.-procedure te doorlopen. 62

bestemmingsplan "De Staal" (vastgesteld)

bestemmingsplan De Staal

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Systematiek bestemmingen

Het bestemmingsplan biedt een redelijk flexibel kader waarbinnen nog verschillende invullingen, uitvoeringen en inrichtingen mogelijk zijn. Zo is de exacte vorm van de bebouwing niet vastgelegd. zodat bij uitwerking van de bouwplannen nog kan worden ingespeeld op marktontwikkelingen en wensen van toekomstige bewoners. Van belang is echter ook dat het bestemmingsplan voldoende zekerheid moet bieden voor de omgeving. Daarom zijn in het bestemmingsplan wel de maximale grenzen aangegeven waarbinnen de ontwikkeling kan plaatsvinden. Binnen de bouwvlakken zijn de bouwmogelijkheden flexibel. Naar buiten toe biedt het nieuwe bestemmingsplan zekerheid. Op de verbeelding (de plankaart) zijn de bouwvlakken aangegeven waarbinnen mag worden gebouwd. De afstand tussen de bestaande bebouwing en de nieuwbouw ligt daardoor vast. Daarnaast is de maximale bouwhoogte vastgelegd. De maximale bouwmogelijkheden liggen daardoor vast. Dat geldt ook voor de gebruiksmogelijkheden. Naast wonen gaat het onder meer om bedrijvigheid, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen en horeca. Voor de functie wonen is een maximum aantal woningen vastgelegd (totaal maximaal 346 inclusief 2 groepswoningen voor begeleid wonen). De optelsom van het maximale aantal woningen binnen de verschillende bouwvlakken is echter groter. Dit is gedaan ten behoeve van de flexibiliteit in het woningbouwprogramma.

Zo kunnen woningaantallen binnen de verschillende bouwvlakken worden uitgewisseld zolang het totale aantal woningen niet boven de 346 uitkomt. Voor andere functies is een maximum oppervlak opgenomen, dat deels ook is verdeeld over verschillende bouwvlakken.

5.2

Opzet regels

De regels zijn gestructureerd in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de begrippen en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. De algemene regels (waaronder ook de parkeerregeling) zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 bevat de overgangsen slotregels. 5.2.1 Inleidende regels Begrippen In dit artikel zijn de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Wijze van meten Het artikel geeft aan hoe de hoogte- en andere maten, die bij het bouwen in acht moeten worden genomen, gemeten moeten worden. 5.2.2 Bestemmingsregels Gemengd De bestemming 'Gemengd' geldt voor het gedeelte van het plangebied waar het multifunctionele gebouw is beoogd. Ter plaatse van deze bestemming zijn woningen, bedrijven, dienstverlenende functies en maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Het grote groene talud maakt ook onderdeel uit van deze bestemming. Hier zal sprake zijn van een groen landschap dat grotendeels wordt "ondersteund"door gebouwde voorzieningen. Hiervoor is ook een specifieke regeling opgenomen.

Het multifunctionele gebouw is in eerste instantie bedoeld voor bedrijfsateliers: vernieuwende en ambitieuze bedrijven van beperkte omvang, vaak in de beginfase en veelal gericht op (creatieve) zakelijke dienstverlening en nieuwe opkomende technologieën. Deze bedrijfsateliers passen binnen de categorieën 1 en 2 uit de Lijst van bedrijfstypen die binnen de bestemming 'Gemengd' zijn toegestaan. Voor deze functies geldt een maximale oppervlaktemaat van 3.700 m2. Het totaal aantal woningen binnen het plangebied mag niet meer dan 346 bedragen wat betekent dat wanneer er bijvoorbeeld meer woningen binnen blok 6 komen, binnen andere bouwvlakken met de bestemming 'Woongebied' minder woningen gerealiseerd kunnen worden. Naast de genoemde functies is binnen blok 6 een parkeergarage toegestaan alsmede zaken als afvalvoorzieningen, groen en water. Met specifieke aanduidingen wordt verder geregeld dat delen van de bebouwing worden afgedekt met een groen dak/talud en dat op enkele locaties geen woningen zijn toegelaten. De maximaal toelaatbare bouwhoogte van gebouwen is op de verbeelding opgenomen.

bestemmingsplan "De Staal" (vastgesteld)

63

bestemmingsplan De Staal In deze bestemming en in de bestemming 'Woongebied' worden de relevante regels vanuit het Stap-3 Besluit Interimwet Stad- & Milieubenadering ook opgenomen, zodat de compenserende maatregelen uit de Interimwet geborgd zijn in het bestemmingsplan. Daarnaast bevat deze bestemming regels ten aanzien van gasloos bouwen voor niet-woonfuncties Groen De groenvoorziening inclusief de bermsloot aan de oostzijde van het plangebied langs de afrit van de A13 heeft de bestemming 'Groen' gekregen. Verkeer De bestemming 'Verkeer' heeft betrekking op de verkeersruimte in het gebied. De benodigde verkeersruimte ligt overigens deels ook binnen de bestemmingen 'Woongebied' en 'Gemengd' Water en waterberging Structuurbepalend water binnen het plangebied is voorzien van de bestemming 'Water'. Dit betreft de gracht rond blok 1 en 2 die in verbinding staat met de Delftse Schie. Daarnaast zijn in artikel 12.4 Waterberging specifieke regels opgenomen vanwege de klimaatopgave.Ter toelichting het onderstaande: Ten aanzien van de klimaatopgave dient in het plangebied compenserende waterberging te worden gerealiseerd en in stand gehouden. Deze dient effectief beschikbaar te zijn en blijven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10837541/1