BP Maria Duystlaan (toelichting regels bijlagen bij de regels)
Tekst van het document
Er wordt namelijk een kinderdagverblijf gerealiseerd. Bij het relevante scenario (toxisch) zijn voldoende mogelijkheden tot zelfredzaamheid. Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De verschillende scenario's vragen allen een ander aanvalsplan. De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). Ten aanzien van de bestrijdbaarheid is door de gemeente Delft in het kader van de ruimtelijke procedure advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Haaglanden. Toxisch scenario Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Advies Veiligheidsregio In het kader van het vooroverleg is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Haaglanden. Hieronder is een samenvatting opgenomen, de volledige reactie is opgenomen in Bijlage 5. Het plangebied ligt in de nabijheid van risicobronnen van transport van gevaarlijke stoffen alsmede MPM International Oil Company. Door onderhavige ontwikkeling nemen de risico's toe.
Gezien de afstand tot de risicobronnen zal de ontwikkeling echter niet leiden tot een significante verandering van het groepsrisico. Om de effecten van incidenten te beperken en de zelfredzaamheid van de aanwezigen te verbeteren, worden maatregelen geadviseerd met betrekking tot effectbeperking, het verhogen van de zelfredzaamheid en maatregelen ten behoeve van hulpverlening: A. B. C. D. E. F.
Afschakelbare ventilatie; Vluchtweg van risicobron af; Voorbereiding interne organisatie; Risicocommunicatie; Bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen; Brandveilige parkeergarage.
In het advies worden de maatregelen uitgebreid beschreven. Specifiek aandacht wordt hierbij gevraagd voor de bereikbaarheid voor hulpdiensten en aandacht voor de brandveiligheid van de parkeerkelder in verband met voorzieningen voor elektrisch aangedreven voertuigen.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 41
bestemmingsplan Maria Duystlaan 4.5.3
Conclusie
Uit de analyse ten aanzien van het aspect externe veiligheid blijkt dat het invloedsgebied van de Rijksweg A13 reikt tot het plangebied. Er wordt voor deze transportroute voldaan aan de grens- en richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico. De hoogte van het groepsrisico behoeft niet nader beschouwd te worden (afstand tot transportroutes bedraagt meer dan 200 meter). Vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de A13 zijn elementen ter verantwoording van het groepsrisico aangedragen. Deze elementen kan het bevoegd gezag (de gemeente Delft) betrekken bij de besluitvorming in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling. Het plan is in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de Veiligheidsregio. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
4.6
Kabels en leidingen
Aan de westzijde van het plangebied loopt een gasleiding onder de Stalpaert van der Wieleweg. Hiervoor is een dubbelbestemming opgenomen met een beschermingsregime. De leiding ligt niet onder een bouwvlak. In het plangebied zijn verder geen kabels en leidingen aanwezig die planologisch beschermd dienen te worden. Met overige kabels en leidingen wordt rekening gehouden in de uitvoeringsfase. Het aspect 'kabels en leidingen' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
4.7
Licht
Er is geen wettelijk kader in het ruimtelijk spoor dat lichtgevoelige functies definieert. De bescherming gaat via de invulling van een goede ruimtelijke ordening. Bij hinder door licht zal het feit dat mogelijk mensen langdurig aanwezig zijn, bepalend zijn of een bestemming als gevoelig kan worden beschouwd. Ook kunnen weggebruikers die langsrijden hinder ondervinden van verlichting. Vaak worden de richtlijnen van NSVV (Nederlandse stichting voor verlichtingskunde) als basis gebruikt. Er is een maximale zichtrelatie tussen het sporten en buiten. Dat vraag om een slimme positionering van de sportzalen en kleedruimtes en gevelopeningen. Het is een gunstig gegeven dat de voorgevel aan de noordzijde ligt i.v.m. eventuele lichthinder. De woonvlakken in het onderhavige bestemmingsplan kunnen als gevoelige bestemming worden gezien, net als de woonfuncties in de omgeving. Het bestemmingsplan maakt functies mogelijk die passen binnen een bestaand stedelijk gebied. Bij de uitwerking van het plan wordt rekening gehouden met de waarden opgenomen in de NSVV-richtlijnen. Hiermee wordt de kans op lichthinder zo laag mogelijk gehouden. Bij het ecologisch onderzoek wordt gekeken naar het effect van lichtbronnen op beschermde soorten. Lichthinder t.o.v .van beschermde soorten wordt bij een omgevingsvergunning beoordeeld in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb).
Het aspect 'lichthinder' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
4.8
Flora en fauna
4.8.1
Kader
De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het 'Natuurnetwerk Nederland' (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen).
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 42
bestemmingsplan Maria Duystlaan 4.8.2
Toets
In het kader van onderhavige ontwikkeling is een Natuurtoets uitgevoerd door Antea Group (2021), het volledige rapport is meegenomen als Bijlage 6. Beschermde gebieden Het plangebied is geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of een Weidevogelleefgebied. Ook ligt de ontwikkeling niet binnen de invloedssfeer van deze beschermde gebieden. Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen', aangewezen sinds 2013, ligt op circa 10 km afstand. Op basis van de aard en omvang van de werkzaamheden, in combinatie met de reeds aanwezige verstoring in de huidige situatie kunnen directe negatieve effecten worden uitgesloten. Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurherstel in werking getreden. Vanaf dan zijn waren alle tijdelijke bouw- en sloopactiviteiten en alle activiteiten die hiermee samenhangen (onder andere aan- en afvoer) voor wat betreft stikstofdepositie vrijgesteld van de Wnb-vergunningplicht. Naar aanleiding van de recente vernietiging van deze landelijke vrijstelling voor stikstofdepositie behorende bij bouwactiviteiten door de Raad van State, is nu ook een berekening van de realisatiefase benodigd, evenals voor de gebruiksfase van het planvoornemen, Hiervoor is een AERIUS-berekening uit gevoerd. Zie ook Tabel 4.2. Tabel 4.5: Overzicht conclusies en vervolgstappen gebiedsbescherming
* voor tijdelijke bouwwerkzaamheden is op grond van jurisprudentie nu ook een Aerius-berekening nodig. Voor de effecten van zowel de realisatiefase als de gebruiksfase is er een Aerius-berekening uit gevoerd. Stikstofdepositie In het kader van de nieuwe ontwikkeling is door Antea Group een AERIUS-berekening (versie 2022) uitgevoerd waarin gekeken is naar de stikstofdepositie als gevolg van het plan voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 7 van de toelichting. Uit de berekeningen van de realisatiefase en de gebruiksfase is gebleken dat het voornemen niet leidt tot een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar op omliggende Natura 2000-gebieden. Significante gevolgen voor de habitats in Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase zijn daarmee uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie staat verdere besluitvorming derhalve niet in de weg. Beschermde soorten Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat (leefgebied van) de volgende in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied. In Tabel 2 is aangegeven welke gevolgen de aanwezigheid van (het leefgebied van) deze soorten heeft voor het voorliggende plan.
Aangegeven is of er sprake is van een overtreding van de Wet Natuurbescherming en onder welke voorwaarden het plan uitvoerbaar is. Tabel 4.6: Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 43
bestemmingsplan Maria Duystlaan
Nader onderzoek moet uitwijzen of in het plangebied daadwerkelijk nest- en verblijfplaatsen voor vogels en vleermuizen aanwezig zijn. Indien benodigd wordt een ontheffing aangevraagd met bijbehorend activiteitenplan. Dit is in de regels vastgelegd middels een voorwaardelijke verplichting. Naar verwachting wordt deze ontheffing verkregen. 4.8.3
Conclusie
De ontwikkeling voldoet aan de randvoorwaarden m.b.t. gebieds- en soortbescherming. Er wordt richting het vast te stellen bestemmingsplan nog een stikstofberekening uitgevoerd in de nieuwe versie van AERIUS, dan wordt ook de bouwfase meegenomen.
4.9
Water
4.9.1
Kader
Sinds 2003 is het doorlopen van de watertoets wettelijk verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg met de initiatiefnemer en de waterbeheerder, aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. In het kader van het onderhavige bestemmingsplan is door Antea Group (2022) een Watertoets opgesteld. Het volledige rapport is opgenomen in Bijlage 8. 4.9.2
Huidige situatie
Maaiveldhoogte Om de maaiveldhoogtes in het plangebied te analyseren is de AHN-viewer geraadpleegd. De hoogte van het maaiveld ligt in het plangebied tussen de ca. NAP -0,50 m (noordzijde) en NAP + 0,50 m (zuidzijde). Bodemopbouw Om de bodemopbouw ter plaatse van het plangebied te analyseren zijn de grondboringen en sonderingen van het DINOloket geraadpleegd. Nabij het plangebied zijn twee boringen aanwezig met een boordiepte van 6,5 en 8 m. Uit de boorprofielen blijkt dat de ondiepe bodem voornamelijk bestaat uit klei, tussen 3 en 4 m-mv bevindt zich een zandlaag. De sonderingen ten westen van het plangebied reiken tot en met het eerste watervoerende zandpakket. Deze begint op ca. 15 m-mv. In onderstaande tabel is de schematische bodemopbouw weergegeven in een tabel vorm. Tabel 4.7: Schematische bodemopbouw (Bron: Dinoloket)
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 44
bestemmingsplan Maria Duystlaan
Grondwater In de regio Haaglanden worden peilbuisgegevens beheerd door vanEssen. Op de bijhorende website zijn waterstandsgegevens openbaar gemaakt door beheerders van grondwatermeetnetten. In de directe omgeving van het plangebied is één bruikbare peilbuis aanwezig. De peilbuis staat op circa 100 m ten westen van het plangebied (peilbuis nr. 12-1.11h). In de onderstaande tabel relevante statistische grondwaterstanden weergegeven. Tabel 4.8: Grondwaterstanden nabij plangebied (Bron: www.diver-hub.com/public/)
*Afkortingen staan voor Gemiddeld Grondwater (GG), Gemiddeld Hoog Grondwater (GHG) en Gemiddeld Laag Grondwater (GLG). Watersysteem Binnen het plangebied bevindt zich geen oppervlaktewater. Aan de noordzijde van het plangebied, aan de andere kant van de Maria Duystlaan, ligt een secundaire watergang. Aangrenzend aan de zuidzijde van het plangebied ligt een primaire watergang, deze staat in directe verbinding met het Rijn-Schiekanaal. Het plangebied ligt in peilvak BBP 1 met een vast peil van NAP -1,50 m. Het peilvak loost op het Rijn-Schiekanaal (peilvak BZM 1) via een gemaal dat ca. 250 m ten noorden van het plangebied ligt. Het waterpeil in het Rijn-Schiekanaal bedraagt NAP -0,43 m. Vuil- en hemelwater In het plangebied is een gescheiden rioolsysteem aanwezig. Het hemelwaterriool loost op de secundaire watergang ten noorden van het plangebied. Hier is tevens een overstort voor het gemengd riool. Waterveiligheid Uit de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland blijkt dat het zuidelijk deel van het plangebied zich in de kern- en beschermingszones van een waterkering bevindt. Deze kering vormt de scheiding tussen peilvak BBP 1 en de boezem. 4.9.3
Toekomstige situatie
Grondwater De grondwaterstand in het plangebied schommelt jaarlijks tussen NAP -1,00 m (GLG) en NAP -0,75 m (GHG) en is gemiddeld NAP -0,85 m. Het maaiveld in het plangebied varieert tussen de ca. NAP -0,5 m en +0,5 m. Hierin is het noordelijk deel van het plangebied het meest laaggelegen deel. Bij een GHG-situatie kan de grondwaterstand daar oplopen tot 0,25 m -mv. Binnen de gemeente Delft dient bij nieuwbouw een minimale ontwateringsdiepte van 0,7 m -mv. gehanteerd te worden voor stedelijk gebied inclusief wegen. Onder openbaar groen geldt een minimale ontwateringsdiepte van 0,35 m -mv. Aan deze eisen wordt niet direct voldaan in het plangebied. Om aan de vereiste ontwateringsdiepte te komen dient, indien nodig, het maaiveld lokaal verhoogd te worden: Bebouwing en wegen: maaiveldhoogte van ca. NAP -0,05 m of hoger Openbaar groen: maaiveldhoogte van ca. NAP -0,40 m of hoger bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 45
bestemmingsplan Maria Duystlaan Het hoogheemraadschap van Delfland adviseert bij nieuwbouw rekening te houden met een drooglegging van 1,2 m, met een minimum van 1,0 m. Het oppervlaktewaterpeil in het plangebied heeft een vast peil van NAP -1,50 m. Voor nieuwbouw wordt dus een maaiveldhoogte aanbevolen van NAP -0,30 m. De gemeentelijke norm voor ontwateringsdiepte is in deze situatie strenger (NAP -0,05 m), de hiervoor aan te houden maaiveldhoogte is dus maatgevend. Tabel 4.9: Maaiveldhoogte i.r.t. grondwater en oppervlaktewater
Ook kan het toepassen van drainage helpen om grondwaterpieken af te vlakken. Indien voor drainage gekozen wordt, is nadere afstemming met het waterschap noodzakelijk, aangezien dit wordt beschouwd als een grondwateronttrekking. Onder de sport-zwemlocatie is een verdiepte parkeergarage voorzien. De parkeergarage dient waterdicht te worden uitgevoerd om intrede van grondwater te voorkomen. Voor het constructief ontwerp van deze locatie is voldoende data van de grondwaterdynamiek noodzakelijk. Gedurende langere tijd dient te grondwaterstand te worden gemonitord. Het wordt aanbevolen hier vroegtijdig peilbuizen nabij de locatie te plaatsen. Bij de nieuwbouw dient rekening met een drooglegging van 1,2m, met een minimum van 1,0 m gehouden te worden. De verdiepte parkeergarage kan een effect hebben op het grondwater. Wanneer watervoerende lagen worden afgesloten, leidt dit tot opstuwing omdat het water een andere weg moet zoeken. Wanneer een watervoerende laag deels is afgesloten, dan treedt dit effect op in beperkte mate. De ondiepe bodem bestaat ter plaatse van het plangebied tot ca. 15 m-mv hoofdzakelijk uit slecht doorlatende klei- en veenlagen. Op ca. 3 tot 4 m-mv bevindt zich een dunne zandlaag, de onderkant van de parkeergarage zal deze laag (voor een deel) doorsnijden. In deze zandlaag worden grondwaterstromingen dus belemmerd.
Het is echter niet duidelijk hoe sterk grondwaterstromingen zijn in deze zandlaag, de verwachting is dat deze beperkt zijn. Als er een negatief effect wordt verwacht, kan dit worden gemitigeerd door rondom (onder en/of naast) de parkeergarage grondverbetering toe te passen, zoals een goed waterdoorlatende zandlaag. Watersysteem Waterpeil Het plangebied is gelegen in peilgebied BBP 1 en heeft een vast peil van NAP -1,50 m. Dit peil mag niet aangepast worden. Verhard- en onverhard oppervlak De verhouding verhard en onverhard oppervlak neemt in de toekomstige situatie toe. Het verhard oppervlak neemt met 134 m2 toe, het onverhard oppervlak neemt met 134 m2 af. Waterbergingsopgave Om te bepalen of watercompensatie noodzakelijk is, is de watersleutel van het hoogheemraadschap ingevuld. De watersleutel splitst de benodigde watercompensatie in twee delen. Het eerste deel betreft de wateropgave om de effecten van de ontwikkeling op het watersysteem te compenseren. Het tweede deel betreft wateropgave om de effecten van klimaatverandering voor het plangebied te compenseren. Op basis van de watersleutel blijkt dat ten behoeve van de ontwikkeling door een toename van verhard oppervlak er een watercompensatie van 26 m2 wateroppervlak of 15,5 m3 berging noodzakelijk is.
Om effecten van klimaat te compenseren dient op basis van de watersleutel 134 m2 oppervlaktewater of 80,5 m3 waterberging te worden gerealiseerd. Totaal betreft dit 160 m2 oppervlaktewater of 96 m3 waterberging. Vanuit het 'Convenant Klimaatadaptief Bouwen', getekend door het hoogheemraadschap en de bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 46
bestemmingsplan Maria Duystlaan gemeente, volgen zwaardere eisen voor waterberging, deze zijn dan ook maatgevend. Deze worden behandeld in de volgende paragraaf. Klimaatadaptatie In het kader van klimaatadaptatie is het 'Convenant Klimaatadaptief Bouwen' opgesteld. Zowel het hoogheemraadschap als de gemeente hebben dit convenant ondertekend. Het convenant stelt verplichtingen aan de te realiseren waterberging bij een ontwikkeling. In het convenant is ten aanzien van het voorkomen van wateroverlast opgenomen dat ten minste tussen de 40 en 70 mm van een korte hevige bui (70 mm in 1 uur) dient te worden vastgehouden op privaat terrein. De randvoorwaarde hierbij is dat dit water niet eerder dan 24 uur afgevoerd mag worden en de berging binnen 48 uur weer beschikbaar dient te zijn. Op aangeven van de gemeente wordt voor het bestemmingsplan uitgegaan van 70 mm berging. In de onderstaande tabel is per deelgebied de benodigde waterberging weergegeven, het gaat totaal om 544 m3 berging voor de volledige ontwikkeling. Dit is meer berging dan wordt vereist in de watersleutel, derhalve is de waterberging t.b.v. het convenant maatgevend. Tabel 4.10: Benodigde waterberging bij 70 mm o.b.v. Beleidsregel Klimaatadaptief Bouwen
Opties waterberging Waterberging wordt ingericht volgens de trits “vasthouden – bergen – afvoeren”. Hiermee wordt het oppervlaktewatersysteem minder zwaar belast waardoor de kans op wateroverlast wordt verkleind. Gezien de ondiepe grondwaterstanden is ondergrondse waterberging (bijvoorbeeld infiltratiekratten) minder geschikt. Wel kan worden gedacht aan het realiseren van een groenblauw dak of retentie/-waterdak boven op het gebouw. Hierbij dient wel rekening te worden gehouden met de sterkte van de constructie. De bebouwing dient het gewicht van het groenblauwe dak aan te kunnen. Tevens dient het groenblauwe dak over voldoende bergingscapaciteit te beschikken. Het water mag niet eerder dan 24 uur afgevoerd worden en de berging dient binnen 48 uur weer beschikbaar te zijn. In het openbaar gebied kan een wadi worden ingericht waarin afstromend wegwater kan worden opgevangen en langzaam infiltreren. Aandachtspunt is dat de bodem bestaat uit (slecht doorlatende) klei, waardoor de wadi niet snel leeg zal lopen. Middels een overstort kan overtollig water worden geloosd in een HWA. Een eventuele resterende wateropgave kan worden gezocht in het verbreden van de waterpartij ten noorden van het plangebied. In een nadere uitwerking van het inrichtingsplan wordt verder ingegaan op de waterberging voor de ontwikkeling.
Hieronder is wel een eerste schets opgenomen van de maatregelen, deze wordt nog nader afgestemd met het hoogheemraadschap.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 47
bestemmingsplan Maria Duystlaan
Figuur 4.3: Eerste indicatie waterberging. De kaart is in groot formaat opgenomen in de Watertoets. Vuil- en hemelwater Het grondwater staat in de huidige situatie relatief dicht aan het maaiveld. Indien voor de nieuwbouw het maaiveld niet (voldoende) wordt opgehoogd, dient het te ontwikkeling terrein te worden voorzien van DT-riolering (drainage-transport). Het toepassen van drainage sluit niet aan bij de wens om water vast te houden, zoals hierboven beschreven bij klimaatadaptatie. Aangezien dit juist voor een versnelde afvoer van grondwater zorgt. Daarnaast moet het te ontwikkelen gebied gescheiden gerioleerd worden, dus vuil water en hemelwater worden afzonderlijk afgevoerd. Waterkwaliteit In de toekomstige situatie mag de waterkwaliteit niet verslechteren. Derhalve dient gewerkt te worden met niet-uitlogende materialen. Waterveiligheid Uit de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland blijkt dat het plangebied zich in de beschermingszones van een waterkering bevindt. Bouwen is hier niet direct mogelijk, er is namelijk een vergunning nodig van het Hoogheemraadschap van Delfland. Voor het verkrijgen van deze vergunning dient de gemeente schriftelijk advies in te winnen van het Hoogheemraadschap. Tevens wordt aangeraden tijdig een vooroverleg te voeren met de afdeling Regulering en Planadvisering van het hoogheemraadschap.
Er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het veilig en doelmatig functioneren van de waterkering. bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 48
bestemmingsplan Maria Duystlaan Voor een verdere uitwerking biedt het document “Beleidsregel Medegebruik waterkeringen” van het Hoogheemraadschap van Delfland handvaten. 4.9.4
Conclusie
De waterberging is geborgd in de regels van het onderhavige bestemmingsplan. De mogelijkheden voor waterberging worden nog verder uitgewerkt bij het bouwplan en afgestemd met het hoogheemraadschap. Bij het bouwen in de waterkering gelden randvoorwaarden vanuit het hoogheemraadschap, deze zijn geborgd door middel van een watervergunning. Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.10
Bodem
4.10.1 Kader Volgens artikel 3.1.6., van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde nieuwe functie. In 2020 en 2022 zijn bodemonderzoeken uitgevoerd om zowel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en veiligheidsklasse vast te stellen en de kwaliteitsklasse van de grond te bepalen. De bodemonderzoeken zijn in Bijlagen 9, 10 en 11 bij dit bestemmingsplan opgenomen. Indien er grond wordt toegepast moet voldaan worden aan het Besluit bodemkwaliteit en de Nota bodembeheer van de gemeente Delft. Aanvullend hierop geldt dat voor gevoelige bodemgebruiksvormen (zoals kinderspeelplaatsen, wonen met tuin en evt moestuinen) het gehalte aan lood moet voldoen aan de gezondheidskundig voldoende bodemkwaliteit zoals opgenomen in de Beleidsregel van de provincie Zuid-Holland van 14 januari 2020. 4.10.2 Toets De onderzoeken zijn langs de randen van de bebouwing uitgevoerd, aangezien het niet mogelijk was om inpandig boringen te plaatsen. Uit de onderzoeken A (Bijlage 9) en B (Bijlage 10) blijkt het volgende: Er is een ophooglaag aanwezig met zwak tot sterke bijmengingen met bodemvreemd materiaal (o.a. puin en baksteendeeltjes).
Er is op twee plaatsen asbestverdacht materiaal in de bovengrond aangetroffen. De in de grond aangetroffen asbestverdachte fragmenten bleken inderdaad asbesthoudend te zijn. De asbest die in de grond gemeten is, blijft onder het criterium voor naderonderzoek. 10 van de 18 boringen zijn gestaakt op een ondoordringbare laag. In de grond zijn licht verhoogde concentraties zware metalen, polycyclische aromatisch koolwaterstoffen en polychloorbifenylen (PCB's) gemeten. Aan de westzijde van het pand is de concentratie PCB's in de bovengrond sterk verhoogd. Uit het nader onderzoek blijkt dat een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is in de bodemlaag 0-0,5 m-mv aan de westzijde van de bebouwing (PCB's). De verontreiniging heeft een oppervlakte van circa 90 m2 en een volume van circa 45 m3. In de bovengrond zijn PFOS en PFOA aangetoond. De aangetroffen gehalten liggen onder de hergebruiksnormen uit het Handelingskader. Het grondwater is hooguit licht verontreinigd met barium.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 49
bestemmingsplan Maria Duystlaan
Figuur 4.4: Onderzoekslocatie bodemonderzoeken A en B Uit onderzoek C (Bijlage 11) blijkt het volgende: In de metselpuinhoudende laag die in de ondergrond (0,5-1 m-mv) op het zuidoostelijke deel van de locatie is aangetroffen zijn matig tot sterk verhoogde gehalten aan lood en zink gemeten. Op basis van de resultaten wordt verwacht dat de metselpuinhoudende laag heterogeen verontreinigd is met zink en lood. Op basis van het aanvullend onderzoek wordt de omvang geschat op meer dan 25 m3 en op basis daarvan is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In de overige grond zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan PCB, PAK en enkele zware metalen gemeten. In de grond is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. De grond voldoet op basis van de gemeten gehalten aan PFAS aan bodemkwaliteitsklasse wonen. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan barium en molybdeen gemeten en er is geen PFAS aangetoond in het grondwater.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 50
bestemmingsplan Maria Duystlaan
Figuur 4.5: Onderzoekslocatie bij bodemonderzoek C Aanbevelingen Voorafgaand aan de werkzaamheden in de verontreinigde grond (bij sloop en de herontwikkeling) dient de verontreinigde grond te worden verwijderd. Deellocatie met PCB (zuidwest) Hiervoor kan geen BUS-melding worden ingediend bij het bevoegd gezag want PCB is één van de stoffen waarvoor onder de huidige wet geen BUS-melding kan worden aangevraagd. Hiervoor dient een saneringsplan te worden opgesteld waardoor de procedure tijd geen 5 maar 15 weken is. Deellocatie met lood en zink (zuidoost) Indien werkzaamheden dieper dan 0,5 m -mv worden uitgevoerd op het zuidoostelijk deel van het terrein dient een BUS melding in het kader van de Wet bodembescherming te worden ingediend. De saneringswerkzaamheden dienen uitgevoerd te worden door een BRL7000 gecertificeerde aannemer, onder milieukundige begeleiding (BRL6000). Omdat er in onderzoek A in 10 van de 18 boringen ondoordringbare lagen zijn aangetroffen dient tevens rekening te worden gehouden met bodemvreemde materialen (al dan niet verontreinigd). De aangetoonde licht verhoogde gehalten in de bodem (grond en grondwater) vormen verder geen belemmering voor de sloop van de opstallen. Herontwikkeling In het kader van de herontwikkeling is het gebied tussen de Stalpaert van der Wieleweg en het zwembad (toekomstige woningen) nog een punt van aandacht.
De algemene milieuhygiënische bodemkwaliteit is hier in onvoldoende mate vastgelegd. In het nader onderzoekb) zijn alleen de parameters koper en PCB onderzocht en er is geen onderzoek naar asbest gedaan in de (zwak) betonhoudende boven- en ondergrond (zie onderstaande figuur). De beschikbare onderzoeken bieden voor de betreffende parameters onvoldoende informatie om een uitspraak te doen over de bodemkwaliteit ter plaatse van de toekomstige woningen. De volgende onderzoeken worden daarom ter uitvoering voorgeschreven: Verkennend bodemonderzoek NEN5740. bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 51
bestemmingsplan Maria Duystlaan Verkennend onderzoek asbest in grond NEN5707. Doordat het niet mogelijk was om inpandig boringen te plaatsen zijn de boringen langs de randen van de bebouwing geplaatst. Doordat de boringen hierdoor in mindere mate ruimtelijk zijn verdeeld is het onderzoek minder representatief. In het kader van de voorgenomen herontwikkeling wordt aanbevolen om het onderzoek na sloop van de aanwezige bebouwing te worden aangevuld.
Figuur 4.6: Onderzoekslocatie A en B 4.10.3 Conclusie Het vervolgonderzoek vindt plaats bij de vergunningenfase. Voorafgaand aan de werkzaamheden vindt de benodigde sanering plaats. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingplan.
4.11
Archeologie
4.11.1 Kader Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Delft het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan. Hiervoor hanteert Archeologie Delft sinds 2012 een archeologische beleidskaart voor de gehele gemeente. Deze kaart is gebaseerd op gedetailleerde kennis van de lokale landschapsontwikkeling, cultuurhistorie en het bodemarchief. Op de beleidskaart worden de verschillende archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeente gekoppeld aan vrijstellingsgrenzen. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. Door middel van het hanteren van een gedifferentieerd vrijstellingenbeleid wordt binnen de gehele gemeente gezocht naar een goede balans tussen de verwachte aanwezigheid van archeologische resten en de voorwaarden die worden verbonden aan bodemverstorende activiteiten. 4.11.2 Onderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Archeologie Delft (2021) een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het bureauonderzoek heeft als doel een archeologische verwachting op te stellen om inzicht te krijgen in de mogelijk aanwezige archeologische waarden in het plangebied. Het volledige rapport is meegenomen in Bijlage 12, hieronder worden de conclusies en aanbevelingen besproken.
Uit het bureauonderzoek is gebleken dat er geen archeologische verwachting geldt voor archeologische resten uit het Neolithicum. Daarnaast geldt er een lage archeologische verwachting voor archeologische resten uit de Late IJzertijd tot en met de Nieuwe tijd in het zuidelijk deel van het plangebied. Er geldt bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 52
bestemmingsplan Maria Duystlaan een middelhoge verwachting voor archeologische resten uit de Nieuwe tijd in het noorden van het plangebied. Uit historisch kaartmateriaal is gebleken dat de noordzijde van het plangebied zich mogelijk ter hoogte van een historisch erf met bebouwing bevindt. Een deel van het noordelijke plangebied zal verstoord zijn met de aanleg van de bestaande Jan Vermeerschool, riolering, kabels en leidingen. De mate van verstoring in dit deel van het plangebied is onbekend. Voor het zuidelijk deel van het plangebied geldt een lage verwachting voor archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De historische kaarten geven aan dat het plangebied tot het recente verleden alleen in gebruik is geweest als weiland. Daarnaast is de kans groot dat de bodem in dit deel van het plangebied geheel is verstoord door de aanleg van het sportcentrum met zwembad. Om de archeologische verwachting te toetsen en om inzicht te krijgen in de bodemopbouw van het plangebied wordt geadviseerd een verkennend booronderzoek uit te voeren in het noordelijke deel van het plangebied. Het verkennend booronderzoek heeft als doel om de gespecificeerde archeologische verwachting te toetsen, aan te vullen en om inzicht te krijgen in de bodemopbouw en de verwachte archeologische waarden van het plangebied.
De uiteindelijke beslissing hierover ligt bij het bevoegd gezag, de Gemeente Delft.
Figuur 4.6: Advies vervolgonderzoek (bron: Archeologisch bureauonderzoek, Archeologie Delft) 4.11.3 Conclusie Op basis van het archeologisch bureauonderzoek wordt geadviseerd een verkennend booronderzoek uit te voeren voor het noordelijk deel van het plangebied. Daar is een middelhoge verwachting voor archeologische resten. In de regels van het voorliggend bestemmingsplan is de dubbelbestemming gehandhaafd. Op het binnenplein is de huidige dubbelbestemming overgenomen. Voor het zuidelijk deel van het plangebied is een lage verwachting en deze is vrijgegeven. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 53
bestemmingsplan Maria Duystlaan
4.12
Cultuurhistorie
4.12.1 Kader Cultuurhistorische waarden zijn beschermd onder de Erfgoedwet. Dit betreft onder meer monumentale panden, maar ook landschappelijke waarden. Het niveau van bescherming verschilt per soort erfgoed, zo komen in Delft zowel rijks- als gemeentelijk beschermde gebouwde monumenten voor. Landschappelijke waarden heeft de gemeente niet specifiek beschermd. De provincie Zuid-Holland heeft een cultuurhistorische hoofdstructuur waarin waardevolle gebieden, ensembles en elementen zijn weergegeven. Voor deze Cultuurhistorische hoofdstructuur streeft de provincie naar behoud en herkenbaarheid. 4.12.2 Toets De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Delft toont geen gemeentelijke monumenten of rijksmonumenten in het plangebied. Ook bevinden er zich geen waardevolle groengebieden, beschermde stadsgezichten, wederopbouwgebieden of cultuurhistorische structuren binnen het plangebied. Op de cultuurhistorische waardenkaart is wel een cultuurhistorisch waardevol object aangemerkt direct naast het plangebied (zie Figuur 4.5). Dit heeft echter geen invloed op het plan.
Figuur 4.6: Cultuurhistorische waardenkaart met waardevolle objecten (bron: Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Delft). De cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Zuid-Holland toont enkel de Erfgoedlijn 'Trekvaarten' in de nabijheid van het plangebied. Dit heeft echter geen invloed op het plan en verdere besluitvorming. Zoals aangegeven in paragraaf 3.3.15 valt het plangebied wel binnen het Bijzonder en Globaal Welstandsniveau zoals opgenomen in de Welstandsnota Delft. De Stalpaert van der Wieleweg is in de Welstandsnota aangewezen als hoofdroute van Delft en valt daarmee onder het Bijzonder Welstandsniveau. Een deel van het plangebied dat direct aan deze weg grenst, valt daarmee ook onder dit niveau en moet daarmee voldoen aan de criteria zoals gesteld in de Welstandsnota. In het ontwikkelingsplan is aangesloten op de criteria uit de Welstandsnota. 4.12.3 Conclusie In het plangebied bevinden zich geen waardevolle cultuurhistorische objecten. Het plangebied valt wel binnen het Bijzonder en Globaal Welstandsniveau zoals opgenomen in de Welstandsnota Delft. Daarmee vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 54
bestemmingsplan Maria Duystlaan
4.13
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.13.1 Kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Milieu van het Rijk en per eind 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening. Overheden moeten op grond van het Bro alle nieuwe stedelijke ontwikkelingen motiveren aan de hand van de Ladder. Om de herontwikkeling aan de Maria Duystlaan te Delft mogelijk te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking onderbouwd, de volledige memo is opgenomen in Bijlage 13. 4.13.2 Toets De resultaten van de Ladder zijn als volgt: Voorliggend bestemmingsplan intensiveert het bestaande ruimtegebruik en breidt het ruimtebeslag uit en is daarmee 'ladderplichtig' voor de realisatie van 70 woningen, de sporthal van 1.887 m2 en het zwembad van 675 m2. Er moet daarom worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Het onderzoeksgebied is afgebakend op basis van het samenwerkingsverband Haaglanden, waarin regionale afspraken op het gebied van wonen worden gemaakt. Tussen 2022-2032 is er vraag naar 80.900 woningen in het onderzoeksgebied. In Delft is er tot 2031 vraag naar 8.927 woningen. In het onderzoeksgebied zijn er voor 28.933 woningen aan toekomstige harde plannen. In Delft zijn er harde plannen voor 3.266 woningen. Als de vraag afgezet wordt tegen de harde plancapaciteit dan blijkt er in het onderzoeksgebied een behoefte aan 51.967 woningen tot 2032.
In Delft is er een behoefte aan 5.661 woningen. Er is een kwantitatieve behoefte aan woningen in het onderzoeksgebied en Delft. In het onderzoeksgebied concentreert de kwalitatieve woningvraag zich hoofdzakelijk op koopeengezinswoningen (30%) en huurappartementen (36%). Aan alle prijssegmenten van koopwoningen is een sterke behoefte. Volgens de Woonmonitor 2020 Delft is vooral het aandeel (koop)woningen in het midden en hogere segment ondervertegenwoordigd. De beoogde ontwikkeling van 70 koopappartementen speelt daarmee in op de vraag naar hogere segment koop appartementen in het onderzoeksgebied en gemeente Delft. De ontwikkeling van de sporthal voorziet in de kwantitatieve behoefte naar binnensportruimte van nabijgelegen scholen en sportverenigingen. Daarnaast voorziet het in de kwalitatieve behoefte omdat de sporthal zal voldoen aan de ideale minimale afmetingsnormen voor bewegingsonderwijs, dicht bij basisscholen is gelegen en voorziet in multifunctioneel gebruik door onderwijs en verenigingen. De beoogde ontwikkeling voorziet in een nieuw zwembad van ca. 675 m2. Het betreft een sloop-nieuwbouw ontwikkeling, waarin het aantal gebouwd m2 aan zwembad niet zal toenemen. De ontwikkeling voorziet daarmee niet in een toename van zwembad oppervlak, maar wel in een kwalitatieve behoefte naar een hoogwaardig en nieuw zwembad. De locatie is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied.
4.13.3 Conclusie De Ladder motiveert dat het plan bijdraagt aan de kwalitatieve woningvraag van Delft, de kwantitatieve behoefte aan binnensportruimte en kwalitatieve behoefte naar een nieuw en hoogwaardig zwembad. Daarmee voldoet de herontwikkeling aan de Maria Duystlaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 55
bestemmingsplan Maria Duystlaan
4.14
Duurzaam- en natuurinclusief bouwen
4.14.1 Kader De gemeente zet in op het vergroten van de kansen voor flora en fauna door het uitwerken van een kader voor natuurinclusieve maatregelen in en aan gebouwen en de directe omgeving van deze gebouwen. Het doel is de stad te vergroenen en klimaatadaptief te maken. Denk hierbij aan groene daken, gevelbegroeiing en nestgelegenheid voor vogels en insecten. Doel hiervan is een biodiverse en klimaatadaptatieve stad waar het fijn leven is voor mens en dier. Om natuurinclusief bouwen en ontwikkelen in Delft vorm te geven is gekozen om een concreet kader te ontwikkelen voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen in samenhang met klimaatadaptieve maatregelen. Ook bij renovatie moet rekening worden gehouden met planten en dieren en de kansen voor het versterken van soorten worden benut. Om een gezonde, toekomst-bestendige leefomgeving voor mens, plant en dier te creëren en te behouden, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen in ontwikkeling van de stad. Door natuurinclusieve maatregelen mee te nemen in (gebieds)ontwikkelingen kan de stad zich gezond ontwikkelen en draagt elk project bij aan de biodiversiteit in de stad, een prettig woonmilieu en een gezond functioneel stedelijk ecosysteem.
Het toevoegen van beplanting op en aan gebouwen, op binnenterreinen en in de openbare ruimte draagt, naast positieve effecten voor biodiversiteit, ook bij aan bijvoorb eeld het vasthouden van water en het verminderen van wateroverlast of hittestress. Hiermee wordt ook invulling gegeven aan de uitgangspunten van het convenant Klimaatadaptief bouwen dat de gemeente, samen met partners heeft ondertekend. Om biodiversiteit in de stad te versterken moet bij elk project en/of gebiedsontwikkeling een onderbouwing worden aangeleverd op welke wijze invulling wordt gegeven aan de eisen die voor de desbetreffende ontwikkeling worden gesteld. Een puntensysteem vormt de basis voor toepassingen op alle (nieuw)bouwprojecten, gebiedsontwikkelingen en renovatieprojecten binnen de gemeente Delft. Het kan daarbij gaan om een grootschalige stedenbouwkundige herstructurering, het realiseren van een woongebouw of brug of het renoveren van een gebouw. Het puntensysteem biedt richting en houvast, maar tegelijkertijd moet er ruimte zijn/blijven voor de creativiteit en keuzevrijheid van architecten en ontwikkelaars. Om die reden is een (dynamische) lijst van maatregelen opgesteld waaruit de ontwikkelende partij of initiatiefnemer zelf een keuze kan maken.
4.14.2 Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen in het bestemmingsplan Het kader natuurinclusief bouwen en ontwikkelen maakt onderscheid in kleine, middelgrote en grote projecten en heeft daarnaast de categorie gebiedsontwikkeling. De Maria Duystlaan behelst een gebiedsontwikkeling. In tabel 4.10 wordt aangegeven hoeveel punten behaald moeten worden bij de verschillende aspecten. Tabel 4.10: Categorieën projecten. Bron: Kader natuurinclusief bouwen en ontwikkelen.
Tabel 4.11: Te behalen aantal punten per categorie project. Bron: Kader natuurinclusief bouwen en ontwikkelen. bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 56
bestemmingsplan Maria Duystlaan
4.14.3 Energietransitie Het zwembad heeft een grote warmtevraag. Het zwembad heeft 365 dagen per jaar warmte nodig. Er is onderzoek gedaan naar mogelijke duurzame warmtebronnen, waaronder warmte uit het riool. Uit nader onderzoek is gebleken dat het riool onvoldoende capaciteit heeft om het zwembad te verwarmen. In de ontwerpfase zal onderzocht worden hoe het zwembad, het sportcentrum en de woningen van duurzame warmte kunnen worden voorzien. 4.14.4 Circulaire economie In de Visie op weg naar een circulair Delft in 2050 zijn voor vijf sectoren de navolgende ambities/ doelstellingen opgesteld: Bouw: er wordt gebouwd zoals met lego, modulair, losmaakbaar en flexibel. Bouwmaterialen zijn hergebruikt, gerecycled en recyclebaar, of biobased. Biomassa & voedsel: voedselverspilling wordt teruggedrongen en organische reststromen worden zo hoogwaardig mogelijk verwerkt. Kunststoffen: het gebruik van eenmalige plastics wordt teruggedrongen, er worden zoveel mogelijk gerecyclede en biobased plastics gebruikt en de inzameling en recycling wordt verbeterd, bijvoorbeeld op evenementen. Maakindustrie: bedrijven worden gestimuleerd om hun producten of diensten circulair te maken of hun productieprocessen te vernieuwen, bijvoorbeeld innovatieve toepassingen voor ingezameld plastic.
Consumptiegoederen: producten worden langer en effectiever gebruikt, bijvoorbeeld door ze te repareren of te delen. Afgedankte producten worden goed ingezameld en zo hoogwaardig mogelijk hergebruikt. 4.14.5 Conclusie De maatregelen voor duurzaam- en natuurinclusief bouwen worden uitgewerkt bij de nog op te stellen bouwplannen en het inrichtingsplan. De kaders zijn in de regels van het onderhavige bestemmingsplan geborgd. Daarmee vormt het aspect duurzaam- en natuurinclusief bouwen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
4.15
Klimaatadaptatie
4.15.1 Kader Een toekomstbestendige stad is ook een klimaatadaptieve stad. Natuurinclusieve maatregelen zoals vergroening en watergerichte maatregelen dragen ook bij aan het klimaatadaptief maken van de stad. Het toevoegen van beplanting op en aan gebouwen, op binnenterreinen en in de openbare ruimte draagt, naast positieve effecten voor biodiversiteit, ook bij aan bijvoorbeeld het vasthouden van water en het verminderen van wateroverlast of hittestress. Hiermee wordt ook invulling gegeven aan de uitgangspunten van het convenant Klimaatadaptief bouwen dat de gemeente, samen met partners heeft ondertekend (zie ook de toelichting in paragraaf 4.14). Om de warmte-accumulatie in de stad te beperken wordt ernaar gestreefd zo min mogelijk oppervlak te verharden (zowel op percelen van derden als in de openbare ruimte) en zoveel mogelijk water op te nemen en door een groene inrichting te laten verdampen. Verdamping kan en mag ook op andere bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 57
bestemmingsplan Maria Duystlaan manier, maar die van groen heeft een meerwaarde bijvoorbeeld voor de biodiversiteit en het opnemen van CO2. Om groen ook in de drogere zomerperiode te kunnen laten functioneren is voldoende watervoorraad nodig (spons). De stad als spons heeft als hoofddoel om het regenwater op te vangen waar het valt en daar ook vast te houden, zodat het door middel van verdamping (meestal en bij voorkeur door planten) wordt teruggegeven. Dit beperkt het watertekort bij droogte en gaat door verdamping hittestress tegen. Daarnaast is meer groen ook van belang voor de gewenste biodiversiteit. 4.15.2 Ambities onderhavige ontwikkeling Het is van belang dat de nieuwbouw ontwikkeling (met inbegrip van de inrichting van het onbebouwde deel van een perceel) hieraan een bijdrage levert. Voor het bouwproject gelden op het gebied van klimaatadaptatie de volgende drie ambities: afkoppelen van regenwater en daarmee de spons maximaal gebruiken maximale verdamping ten behoeve van koeling, waarbij geen kraanwater nodig is maximale vergroening, minimale verharding. Op basis van de strategie en het convenant zijn de volgende eisen voor deze ontwikkeling te stellen: Er dient 70 mm water per m2 vastgehouden te kunnen worden. Dit water kan lokaal verwerkt worden of anders vertraagd worden afgevoerd. Het maaiveld wordt zodanig ingericht dat bij grote buien geen schade optreedt.
Van het perceel wordt 50% met intensief groen worden ingericht, dit kan op maaiveld, op daken en aan gevels. Voor het groen op het perceel wordt regenwater vastgehouden om voldoende regenwater voor droge, warme periode beschikbaar te hebben (200 liter/m2 groen). Materiaalkeuze (lage adsorptiewaarden gevel en dak) en gebouwpositionering zodanig kiezen dat hittestress niet optreedt. Aanbrengen van schaduw om hittestress tegen te gaan door vergroening, bij voorkeur met bomen. 4.15.3 Conclusie De maatregelen voor klimaatadaptief bouwen worden uitgewerkt bij het bouwplan. De borging van de waterberging vindt plaats via de regels van het onderhavige bestemmingsplan. De klimaatadaptieve ambities worden meegenomen in het nog op te stellen inrichtingsplan en het nog op te stellen definitief ontwerp bouwplan. Daarmee vormt het aspect klimaatadaptatie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
4.16
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
4.16.1 Kader De milieueffectrapportage-procedure (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of vergunning. De wettelijk eisen ten aanzien van m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. In de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D-activiteiten). Tabel 4.12: Kolom D11.2 van m.e.r.-plichtige activiteiten uit Wet Milieubeheer en Besluit m.e.r.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 58
bestemmingsplan Maria Duystlaan
Voor de activiteiten die wel in onderdeel D van het Besluit m.e.r. genoemd staan, maar waar de aantallen uit het betreffende plan of besluit onder de drempelwaarden liggen dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Hierbij wordt, net als bij de m.e.r.-beoordeling getoetst, of er mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen op kunnen treden. Het planvoornemen valt onder de in D gestelde drempelwaarde. 4.16.2 Beoordeling en conclusie In het kader van de onderhavige ontwikkeling is op basis van de uitgevoerde onderzoeken een aanmeldnotitie opgesteld (zie Bijlage 14 ). Voor de getoetste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving. Op basis van de aanmeldnotitie heeft het bevoegd gezag besloten dat er geen noodzaak is voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en het opstellen van een milieueffectrapport (MER) voor de voorgenomen ontwikkeling.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 59
bestemmingsplan Maria Duystlaan
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Verantwoording planvorm
Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemming in het plangebied is aangegeven, planregels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemming zijn opgenomen en een toelichting waarin de achtergronden en de doorvoor uitgevoerde onderzoeken van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook beschreven wat het vigerend beleid inhoudt en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden. Er is gekozen voor een op de ontwikkeling van het plangebied gericht bestemmingsplan. Het onderhavige bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) en de Delftse systematiek c.q. handboek.
5.2
Systematiek bestemmingen
5.2.1
Inleidende regels
Begrippen In dit artikel zijn de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. In de begrippen is 'bevoegd gezag' opgenomen (als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang met artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hoofdstuk 3 van het Besluit omgevingsrecht). Als hoofdregel geldt dat het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag is, tenzij een ander orgaan is aangewezen zoals Gedeputeerde Staten van de provincie indien het een project van provinciaal belang betreft of een minister voor projecten van nationaal belang. Wijze van meten Het onderhavige artikel geeft aan hoe de hoogte- en andere maten, die bij het bouwen in acht moeten worden genomen, gemeten moeten worden. 5.2.2
Bestemmingsregels
Gemengd Deze bestemming is bedoeld om een sporthal, zwembad, ondersteunende horeca en woningen toe te laten. Via een aanduiding is een parkeergarage toegestaan. Binnen deze bestemming zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen natuurinclusief bouwen en maatregelen die benodigd zijn t.b.v. industrielawaai. Tuin Deze bestemming is bedoeld voor een tuin en staat activiteiten toe ten dienste van de bestemming van de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Verkeer Deze bestemming ligt op de ontsluitingsmogelijkheden van het gebied en de interne verkeersstructuur. De bestemming kan ook ingezet worden voor groen en water. Wonen Deze bestemming is bedoeld voor woningen. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen plint' zijn tevens maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening en bedrijven t/m milieucategorie 1 toegestaan. Binnen deze bestemming zijn verplichtingen opgenomen natuurinclusief bouwen en bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 60
bestemmingsplan Maria Duystlaan maatregelen die benodigd zijn t.b.v. industrielawaai. Leiding - Gas In het plangebied ligt de beschermingszone van een gasleiding. De belangen, verbonden aan deze leidingen, zijn in de regels beschermd via de dubbelbestemming 'Leiding - Gas'. Op grond van deze bestemmingen is voor activiteiten waarbij gegraven wordt, zoals bouwen en een aantal specifiek genoemde werken en werkzaamheden, een omgevingsvergunning nodig. Het verlenen van de omgevingsvergunning is slechts mogelijk indien de belangen (veiligheid) van de leiding niet onevenredig worden geschaad. Waarde - Archeologie I, en Waarde - Archeologie III Deze gebieden hebben op basis van de archeologische verwachtingskaart mogelijk archeologische waarde. Bouwen is op deze gronden uitsluitend toegestaan met een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels of nadat uit archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn of door middel van een wijzigingsbevoegdheid de bestemming archeologisch waardevol gebied is verwijderd. Per dubbelbestemming is een vrijstellingsgrens opgenomen voor oppervlakten waarvoor het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk is. Waterstaat - Waterkering Ten zuiden van het plangebied komt een waterkering voor. Hiervoor is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. De waterkering ligt langs de Schie.
Ter plaatse van deze waterkeringen geldt een beschermende bestemming. Het uitvoeren van werken en werkzaamheden of het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de andere voor die gronden geldende bestemmingen zijn slechts toelaatbaar met een omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning wordt verleend als de waterkeringsbelangen hierdoor niet onevenredig worden geschaad. Het bevoegd gezag wint advies in bij de beheerder van de waterkering, voordat zij beslist op het verzoek om een omgevingsvergunning. 5.2.3
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Dit zou bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn ingeval (onderdelen van) bebouwingsstroken van verschillende eigenaars zijn. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn nadere bepalingen ten aanzien van het parkeren opgenomen. Algemene gebruiksregels In dit artikel is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen. Aangegeven is welk gebruik in ieder geval verboden is en welk gebruik hieronder niet wordt verstaan. Tevens is het maximum aantal woningen in het plangebied vastgelegd. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt aangegeven in hoeverre en in welke gevallen bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bouwregels ingeval van geringe afwijkingen van de bouwregels. 5.2.4
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht Dit artikel bevat de overgangsregels met betrekking tot het bouwen en het gebruik van gronden. In afwijking van de bouwregels blijven enige bouwmogelijkheden bestaan voor die gebouwen die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan afwijken van het plan en die zijn of worden gebouwd bij of krachtens de Woningwet of Wabo. Bestaande afwijkingen mogen in principe niet worden vergroot. Het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat het in werking treedt, mag worden voortgezet. Het overgangsrecht is echter niet van toepassing op gebruik dat al in strijd was met het voorgaande plan. Wijziging van het afwijkend gebruik bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 61
bestemmingsplan Maria Duystlaan is slechts toegestaan, indien de afwijking hierdoor in mindere mate strijdigheid met dit bestemmingsplan oplevert. Slotregel Hierin is de naam van het onderhavige bestemmingsplan opgenomen.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 62
bestemmingsplan Maria Duystlaan
Hoofdstuk 6
Handhaving
Toezicht en handhaving is iets dat door betrokkenen als onprettig wordt ervaren. De gemeente doet het omdat we in een veilige, gezonde, aantrekkelijke en duurzame omgeving willen wonen, werken en leven. Soms kan het gedrag van individuele burgers of bedrijven dit streven bedreigen en een risico opleveren voor de leefomgeving. Deze risico's willen wij beheersbaar houden. Er is echter altijd een grens aan de middelen die de gemeente daarvan kan en wil inzetten. De rode draad in het gemeentelijke beleid is dat de inschatting van de risico's voor de gebruikers en voor de leefomgeving doorslaggevend is voor de prioriteiten die gesteld worden bij het stimuleren en/of afdwingen van het naleefgedrag. Daarbij wordt prioriteit gegeven aan onderwerpen en gevallen waarin de risico's van niet-naleving het grootst zijn. De concrete doelstellingen en speerpunten worden elk jaar vastgesteld in een jaarplan. De gemeente heeft verschillende instrumenten om het naleefgedrag te beïnvloeden en zo nodig naleving af te dwingen. Het begint met heldere regels waar draagvlak voor is en die bekend zijn bij degenen die door de regels worden geraakt. Daarnaast wordt er risicogestuurd toezicht gehouden.
Indien toezichtactiviteiten leiden tot de constatering van een illegale situatie, bijvoorbeeld omdat de regels van het bestemmingsplan niet worden nageleefd, dan wordt beslist of en in hoeverre en met toepassing van welke sanctiemiddelen de gemeente zich zal inspannen om de overtreder te dwingen deze illegale situatie op te heffen. De kaders hiervoor zijn vastgelegd in de (regionale) handhavingsstrategie. Uitgangspunt daarbij is de 'beginselplicht tot handhaving'. Gelet op de beperkte beschikbare capaciteit is het echter niet mogelijk en ook wenselijk - om tegen alle overtredingen handhavend op te treden. Afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding, het gedrag van de overtreder en de overige omstandigheden van het geval zal een passende reactie en aanpak worden bepaald. Dat kan onder meer zijn een legalisatietraject, afzien van handhaving, waarschuwing of het toepassen van een bestuursrechtelijk sanctiemiddel. Bij zeer ernstige overtredingen kan ook sprake zijn van een strafrechtelijk traject. Strafrechtelijke vervolging is afhankelijk van en gebeurt door het Openbaar Ministerie. In de tweede helft van 2019 zijn de omwonenden betrokken bij onderhavige ontwikkeling.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 63
bestemmingsplan Maria Duystlaan
Hoofdstuk 7
Maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid
7.1
Participatie, wettelijk vooroverleg en ambtelijke wijzigingen
7.1.1
Participatie
Dit proces heeft drie stappen doorlopen: een informatieavond (19 juni 2019), een enquête en een meedenksessie (31 oktober 2019). Tijdens de twee avonden en vanuit de enquête is veel informatie opgehaald. Op onderdelen bestond consensus en op een aantal onderwerpen lopen belangen en wensen uiteen. Het is niet altijd mogelijk om aan alle wensen tegemoet te komen. Waar mogelijk zijn deze opmerkingen meegenomen in het ontwikkelplan. Onderwerpen die in een later stadium belangrijk zijn zullen worden meegenomen in de verdere ontwikkeling. In bijlage 1 van het door het college vastgestelde 'Ontwikkelplan Maria Duystlaan e.o. Delft, april 2021' (zie Bijlage 1) waarmee de gemeenteraad vervolgens heeft ingestemd middels vaststelling van de grondexploitatie, is de opzet van de participatie alsmede zijn de aanpassingen en aandachtspunten als gevolg van de participatie weergegeven. Op 3 november 2020 heeft er (digitaal) een participatieavond plaatsgevonden over het (toen nog) schetsontwerp van de nieuwe Jan Vermeerschool. Het ontwerp werd met enthousiasme ontvangen en is verder uitgewerkt naar een omgevingsvergunningsaanvraag. Op 1 november 2022 is wederom een informatieve avond voor de omgeving georganiseerd.
De ongeveer 50 bezoekers konden aan 3 thematafels informatie ophalen en vragen stellen over het bestemmingsplan, het nieuwe zwem- en sportcentrum en de nieuwbouw van de Jan Vermeerschool. Vragen zijn zowel tijdens de avond beantwoord als later via een brochure met beantwoording onder bewoners verspreid. Vervolgens is op 17 januari 2023 (tijdens de ter inzage termijn) een inloopbijeenkomst voor eenieder georganiseerd. Tijdens de avond zijn 6 (2 duo's en twee individuele) belangstellenden aanwezig geweest. Er zijn tijdens deze avond geen mondelinge zienswijzen opgenomen. De vragen van deze bewoners hadden niet allemaal betrekking op het bestemmingsplan, maar op de uitvoering van het bouwplan. Twee vragen hadden wel betrekking op het bestemmingsplan. Eén vraag betrof het uitzicht van een specifieke woning (vraag is ter plaatse beantwoord) en de andere vraag betrof de geluidsbelasting op een specifiek woonblok. Deze vraag is nader uitgezet bij de geluidsspecialist en vervolgens per email beantwoord. Naar aanleiding van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan heeft één indiener schriftelijke zienswijzen ingediend. De zienswijzen geven geen aanleiding om het ontwerpbestemmingsplan bij vaststelling te wijzigen, daar de zienswijzen met name uitvoeringsaspecten van de herontwikkeling betreffen.
Bij de nadere uitwerking/uitvoering worden de zienswijzen wel - in overleg met de omgeving betrokken. Kortheidshalve verwijzen wij u naar de inhoud van de Nota Zienswijzen. Op 12 april 2023 is nogmaals een informatieavond georganiseerd, waarbij de vijf architecten die een visie hebben opgesteld voor het zwembad/sportcentrum met woningen aan de Maria Duystlaan, hun visie aan belangstellenden hebben gepresenteerd. Na de presentatie hebben belangstellenden via een formulier aan kunnen geven wat zij van de visies vonden. De formulieren zijn overhandigd aan de selectiecommissie, die de opmerkingen zal meewegen in de uiteindelijke keuze. 7.1.2