BP Maria Duystlaan (toelichting regels bijlagen bij de regels)
Tekst van het document
Grondwaterzorgplicht De verantwoordelijkheden van de gemeente op het gebied van grondwater zijn genuanceerder dan de andere twee zorgplichten: er geldt een inspanningsverplichting ('zoveel mogelijk') in plaats van de resultaatverplichting (afvalwater) of de inspanningsverplichting (hemelwater) wanneer perceeleigenaren hemelwater redelijkerwijs niet kúnnen afvoeren naar het oppervlaktewater of de bodem (hemelwaterzorgplicht). In het kort stelt de grondwaterzorgplicht de gemeente niet verantwoordelijk voor de grondwaterstand. De perceeleigenaar is primair verantwoordelijk voor het tegengaan van grondwaterlast op eigen terrein. Dit geldt ook voor funderingsproblemen. Wel is de gemeente in sommige gevallen verantwoordelijk voor het zo veel mogelijk beperken van structurele nadelige gevolgen van grondwateroverlast (te hoge) of -onderlast (te lage grondwaterstand). De gemeente is verplicht haar grondwaterzorgplicht na te komen om structurele nadelige gevolgen van grondwateroverlast zo veel als mogelijk te beperken. Zij kan hierop worden aangesproken. Toepassing van het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026 vindt plaats bij de uitwerking van de voorgenomen ontwikkeling. 3.3.11 Duurzaam- en natuurinclusief bouwen Delft Energieneutraal 2050 Bij nieuwbouw of herontwikkelingen gelden de doelstellingen uit het Delftse klimaatbeleid.
De basis hiervoor is de nota Delft Energieneutraal 2050. Uitgangspunt is dat voor een nieuwe woon- of bedrijfsbestemming de ambitie voorligt om een scherpere energieprestatie te realiseren dan de landelijke normen. Hiervoor hanteert Delft de Trias energetica: 1. het verminderen van de vraag door energiebesparing bij eindgebruikers; bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 23
bestemmingsplan Maria Duystlaan 2. het toepassen van duurzame bronnen; 3. het (verder) optimaliseren van de toepassing van fossiele bronnen naar energie-efficiency en betrouwbaarheid. Beleid duurzaam bouwen Het gemeentelijk duurzaam bouwen beleid geeft op gebouwniveau ambities voor verantwoord materiaalgebruik, waterbesparing, gezondheid en flexibel ruimtegebruik. Voor het thema energie zijn de ambities in de nota Delft energieneutraal 2050 vastgelegd. De duurzaamheidsambitie van een gebouw worden volgens de GPR (Gemeentelijke Praktijk Richtlijn) methodiek uitgedrukt. Dit is een prestatiegerichte werkwijze, waarmee de markt wordt vrijgelaten om zelf invulling te geven aan duurzaamheid van een gebouw zolang maar aan de doelstellingen wordt voldaan. De gemeentelijke GPR ambities worden periodiek aangescherpt als gevolg van landelijke ontwikkelingen en aanscherping van wet- en regelgeving en de doelstellingen per ruimtelijke ontwikkeling zijn in een anterieure overeenkomst vastgelegd. Visie op weg naar een circulair Delft in 2050 Met een groeiende wereldbevolking en consumptie per persoon groeit ook het belang om grip te krijgen op alle producten en grondstoffen die we gebruiken. Er moet minder of anders gebruik gemaakt worden van de voorraden en natuurlijke hulpbronnen die we tot onze beschikking hebben.
Daarom is het van belang dat ook in Delft wordt toegewerkt naar een circulaire economie. Een circulaire economie is een economisch systeem van gesloten kringlopen, waarin grondstoffen, onderdelen en producten hun waarde zo min mogelijk verliezen en hernieuwbare energiebronnen worden gebruikt. De belangrijkste ambitie is een 100% circulaire economie in 2050, gelijk aan de landelijke ambitie uit het Rijksbreed programma Circulaire Economie. In deze visie is de ambitie uiteengezet in ambities per prioritaire keten'. Dit gaat om Bouw, Biomassa & voedsel, Kunststoffen, Maakindustrie en Consumptiegoederen. Voor de uitvoering van de Visie op weg naar een circulair Delft in 2050, wordt nog een Uitvoeringsplan Circulaire Economie opgesteld. Besluit bodemenergiesystemen De toepassing van bodemenergie, een techniek om woningen en gebouwen energiezuinig te maken, levert een bijdrage aan de realisatie van de gemeentelijke klimaatdoelstellingen. Door de snelle groei kunnen belangen tussen diverse bodemenergiesystemen onderling en andere belangen met elkaar in conflict komen. Bij de aanleg van een open bodemenergiesysteem dient te worden voldaan aan de Waterwet. Bij de aanleg van een gesloten systeem moet worden voldaan aan het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen en de Verordening en Beleidsregel gesloten bodemenergiesystemen gemeente Delft 2015.
Kader Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen Op 30 september 2021 is het Kader Natuurinclusief bouwenen ontwikkelen door de gemeenteraad vastgesteld. Om de kwaliteit van de stedelijke omgeving te behouden en te versterken is een integrale aanpak op het gebied van leefbaarheid, gezondheid, economie en natuur noodzakelijk, dat moet leiden tot een natuurinclusieve stad. Een natuurinclusieve stad is een dynamische groene, gezonde en levendige stad voor mens, dier en plant. Om natuurinclusief bouwen en ontwikkelen in Delft vorm te geven is gekozen om een concreet kader te ontwikkelen voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen in samenhang met klimaatadaptieve maatregelen. Overigens blijft de wet Natuurbescherming met inbegrip van de zorgplicht gelden voor elk project. De natuurinclusieve maatregelen gelden zowel bij nieuwbouw als bij renovatie. De maatregelen kunnen worden door vertaald naar diverse schaalniveaus en elementen. Er is onderscheid gemaakt in: Het inbouwen van specifieke voorzieningen voor specifieke (plant- en dier) soorten (bv. nestkasten voor mussen, insectenstenen) Gebouw gebonden ingrepen (bv. groene daken en gevels) Gebouw gebonden omgeving/buitenruimte (bv. (collectieve) tuinen op eigen perceel). De omgeving bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 24
bestemmingsplan Maria Duystlaan betreft de niet-bebouwde ruimte of buitenruimte, behorend bij de ontwikkeling en een zone van 50 cm tot 2 meter rondom de ontwikkeling of binnentuin. Bij gebiedsontwikkelingen kunnen maatregelen eventueel ook gekoppeld worden aan de openbare ruimte. Openbare ruimte (bv. pocketparks, natuurspeelplaatsen, bermen, wegen, taluds etc.). De ambities voor duurzaam- en natuurinclusief bouwen zijn uitgewerkt in paragraaf 4.14. 3.3.12 Klimaatadaptatie Strategie In 2019 is de Klimaatadaptatie Strategie vastgesteld door de gemeenteraad. De strategie is vooral een visie op Klimaatadaptatie in Delft. De strategie uit 2019 gaat over heel Delft en over alle domeinen, dus zowel over de openbare ruimte als over private percelen (inclusief bebouwing). In de Delftse strategie zijn de volgende 2 inhoudelijke speerpunten geformuleerd: 1. Een veerkrachtig systeem met maximale sponswerking 2. Geen toename van hittestress In 2018 heeft Delft het Convenant Klimaatadaptieve Bouwen getekend. Partners in het convenant zijn onder andere de provincie Zuid-Holland, het Hoogheemraadschap van Delfland, de meeste gemeenten, maatschappelijk organisaties en projectontwikkelaars.
Op basis van de gemeentelijke klimaatadaptatiestrategie (2019) en het provinciale convenant (2018) heeft de gemeente Delft de ambities en regels voor klimaatadaptief bouwen uitgewerkt in de 'Beleidsregel Klimaatadaptief bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkeling en herstructurering' (2022). Daarmee is het beleidsthema klimaatadaptatie voor nieuwbouw, gebiedsontwikkeling en herstructurering in het beleid van de gemeente Delft verankerd. Het doel van de beleidsregel is het verminderen van (1) wateroverlast, (2) hittestress, (3) droogte en (4) bodemdaling en daarnaast het vergroten van de biodiversiteit (5). Onderdeel (6) "overstromingen" is niet nader uitgewerkt in de beleidsregel want dit is belegd bij het Hoogheemraadschap van Delfland. Ambities en regels klimaatadaptief bouwen In oktober 2022 is door het college het beleid 'Ambities en regels klimaatadaptief bouwen, Beleidsregel Klimaatadaptief bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkeling en herstructurering' vastgesteld. In deze beleidsregel zijn de ambities en regels voor klimaatadaptief bouwen voor de gemeente Delft aangegeven. Bij onderhavige ontwikkeling wordt voor het klimaatadaptief inrichten van de locatie als richtlijn het vasthouden en bergen van een bui van 70 mm per m2 aangehouden. Dit kan als waterberging maar ook als alternatieve vasthoudmaatregelen.
De toetsing aan het convenant met betrekking tot het watersysteem vindt plaats in paragraaf 4.9. Op de overige aspecten binnen klimaatadaptatie wordt ingegaan in paragraaf 4.15 . 3.3.13 Warmteplan Delft In december 2021 heeft de gemeenteraad van Delft de Transitievisie Warmte (Warmteplan Delft 2021) vastgesteld. Het Warmteplan is een visie document en geeft voor de bestaande bebouwde omgeving een eerste inzicht in de mogelijkheden voor aardgasvrij verwarmen per buurt. Per CBS buurt is door CE Delft met behulp van het model CEGOIA het warmte alternatief met de laagste nationale kosten berekend. Het CEGOIA-model berekent de nationale kosten van duurzame warmteopties. Dit is een eerste modelmatige benadering op basis van kentallen. Op basis van deze modelberekeningen komt voor dit plangebied all-electric na 2030 als voorkeurstechniek voor de bestaande situatie naar voren. De warmtetechniek voor de bestaande bebouwing van een buurt is niet per se de meest logische oplossing voor de nieuwbouw in diezelfde buurt. Voor de nieuwbouw ontwikkelingen in dit plangebied zijn bodemenergiesystemen eventueel in combinatie met thermische energie uit afvalwater het meest geëigende en duurzame alternatief voor verwarming en koeling zonder aardgas.
De mogelijkheden voor aardgasvrij verwarmen van de voorgenomen ontwikkeling staan beschreven in het ontwikkelplan (zie Bijlage 1) en worden uitgewerkt in het bouwplan.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 25
bestemmingsplan Maria Duystlaan 3.3.14 Monumentenbeleid 2007-2017 Een belangrijk onderdeel in het gemeentelijke monumentenbeleid zoals opgenomen in de beleidsnota Monumentenbeleid 2007-2017 is het in de ruimtelijke planvorming benoemen en waar mogelijk beschermen van cultuurhistorische waarden: van gebouwen, objecten en (deel)structuren. Het beleid voor de periode vanaf 2017 moet nog opgesteld worden, maar zal wat betreft ruimtelijke ordeningsaspecten zoveel mogelijk het huidige beleid voortzetten. De toetsing met betrekking tot cultuurhistorie wordt gedaan in paragraaf 4.12. 3.3.15 Welstandsnota Delft De Woningwet (2003) verplicht gemeenten om eigen welstandsbeleid te formuleren. Welstandsoordelen mogen volgens die wet alleen gebaseerd zijn op criteria die worden genoemd in een door de gemeenteraad vastgestelde welstandsnota. Het doel van de Welstandsnota Delft (maart 2021) is: het plaatsen van de welstandsbeoordeling binnen een door de gemeenteraad vastgesteld inhoudelijk kader waarmee de rechtszekerheid voor de burger wordt gediend; het verhogen van de kwaliteit van de welstandsadvisering; meer samenhang bieden in het beleid dat zich richt op het uiterlijk van de stad. De welstandsnota wil vooral duidelijkheid scheppen over de inhoud van de welstandstoets. De toets is gebaseerd op 3 algemene criteria, namelijk: A. Stedenbouwkundige samenhang; B. Evenwichtig gevelbeeld; C.
Passende detaillering, materiaal- en kleurgebruik. Daarnaast worden drie welstandsniveaus onderscheden, die variëren van bijzonder welstandsniveau tot welstandsluw niveau. Deze niveaus corresponderen met drie verschillende gebieden van Delft (zie Figuur 3.1). Deze niveaus betreffen: 1. Bijzonder Welstandsniveau; 2. Globaal Welstandsniveau; 3. Welstandsluw Niveau.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 26
bestemmingsplan Maria Duystlaan
Figuur 3.1: Toepassingsgebieden Welstandskaart (bron: Welstandsnota Delft) Op bovenstaande Welstandskaart is te zien dat een deel van het plangebied grenzend aan de Stalpaert van der Wieleweg onder het 'Bijzonder Welstandsniveau' valt. Het overige deel van het plangebied valt binnen het 'Globaal Welstandsniveau'. Voor het Bijzonder Welstandsniveau geldt dat alle criteria A, B en C van toepassing zijn. Maatgevend bij het bepalen van het lichtpaarse gebied is: alle beschermd stads- en dorpsgezichten; alle monumenten en cultuurhistorisch waardevolle gebouwen; bebouwing langs hoofdwegen, langs historische routes en zichtlocaties; hoogbouw met een bouwhoogte van 30 meter of meer. Voor het Globaal Welstandsniveau gelden enkel criteria A en B. Maatgevend bij de keuze van het blauwe gebied is: gebieden en zones rond het historisch gebied van Delft. In dit gebied zijn zones langs hoofdwegen en historische routes op de kaart gearceerd. Binnen deze zones geldt voor naar de weg gekeerde gevels van hoofdgebouwen dat daarvoor teven criteria C van toepassing is. bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 27
bestemmingsplan Maria Duystlaan De toetsing van het plan aan de Welstandsnota is nader uitgewerkt in paragraaf 4.12.
3.4
Hoogheemraadschap
3.4.1
Waterbeheersplan 2022-2027
Het Waterbeheerprogramma 2022-2027, 'Keuzes maken en kansen benutten' is het document waarin het Hoogheemraadschap van Delfland (hierna: Delfland) de ambities voor de komende jaren heeft vastgelegd. Het programma beschrijft de doelen voor het waterbeheer en de financiële consequenties daarvan. Delfland investeert de komende jaren volop in het vergroten van de veiligheid, het verbeteren van de waterkwaliteit, het tegengaan van wateroverlast en het optimaliseren van de zuivering van afvalwater. Klimaatverandering, zeespiegelstijging verzilting en nieuwe wetten en regels gaan het waterbeheer de komende decennia ingrijpend veranderen. Bovendien dwingen de complexiteit van het gebied en de omvang van de noodzakelijke investeringen tot het stellen van prioriteiten. Delfland spreidt daarom de maatregelen in de tijd, zodat het tempo aansluit bij de mogelijkheden van de organisatie en het gebied. Watertoets Delfland hanteert een Handreiking watertoets voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet.
In het kader van de watertoets vindt overleg plaats tussen de gemeente Delft en het hoogheemraadschap van Delfland. 3.4.2
Beleidsnota beperken en voorkomen wateroverlast (2014)
De beleidsnota 'Beperken en voorkomen wateroverlast' bevat het Delflandse beleid op hoofdlijnen voor het op orde brengen en houden van het watersysteem ten aanzien van wateroverlast. Het gaat daarbij zowel om het oplossen van bestaande knelpunten als om het voorkomen van nieuwe knelpunten. 3.4.3
Watervergunning
Voor sommige activiteiten is een watervergunning van het Hoogheemraadschap van Delfland nodig, bijvoorbeeld: graven of dempen van oppervlaktewater; bouwen binnen de beschermingszone van een waterkering; aanleg van ondergrondse leidingen. activiteiten binnen het waterstaatwerk en bouwen binnen de beschermingszone van een waterkering. 3.4.4
Handreiking watertoets
Delfland hanteert een Handreiking watertoets voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. De toets berust op twee uitgangspunten: 1. standstillbeginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; 2. verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. In het kader van de watertoets heeft overleg plaatsgevonden tussen de gemeente Delft en het Hoogheemraadschap van Delfland. Dit komt aan de orde in paragraaf 4.9.
3.5
Conclusie
De beoogde ontwikkeling past binnen de relevante ruimtelijke beleidskaders vanuit het rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 28
bestemmingsplan Maria Duystlaan
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten en onderzoek
4.1
Verkeer en parkeren
4.1.1
Kader
Door de transformatie van Maria Duystlaan verandert in vergelijking met de huidige situatie de parkeervraag en de verkeersgeneratie. De verandering in de verkeersaantrekkende werking van de ontwikkellocatie heeft ook effect op de omliggende wegen. Ten behoeve van de herontwikkeling en het effect hiervan op de infrastructuur is door Antea Group (2022) een mobiliteitsonderzoek uitgevoerd, het volledige rapport is meegenomen in Bijlage 2. 4.1.2
Verkeersgeneratie en -afwikkeling
De verkeersgeneratie bedraagt in de toekomstige situatie 1.214 motorvoertuigen per werkdag en 1.169,6 per weekdag. Hier is de Jan Vermeerschool (incl. kinderopvang) ook in meegenomen om de verkeersstromen goed in beeld te kunnen brengen. Voor de sporthal en het zwembad is een 'worst-case' scenario aangehouden met een hogere verkeersgeneratie dan verwacht op basis van de CROW-normen (respectievelijk opgehoogd met 50% en 100%). De verkeersafwikkeling geschiedt voor circa 50% van het verkeer via de Van Lodensteynstraat / Staalweg richting de A13. De andere helft wikkelt via de Maria Duystlaan af op de Stalpaert van der Wieleweg. Hiervan wikkelt 30% van de totale verkeersgeneratie af naar het zuiden via de Stalpaert van der Wieleweg en 20% naar het noorden via de Van Miereveltlaan. Voor het kruispunt Maria Duystlaan – Stalpaert van der Wieleweg is een kruispuntberekening uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de cyclustijd in zowel de ochtend- als avondspits slechts met 1 seconde toeneemt en de maatgevende wachtrijlengte in de spits met maximaal 1-2 auto's toeneemt. De ontwikkeling van het plangebied leidt hiermee niet tot verkeerskundige knelpunten op het kruispunt. 4.1.3
Parkeerbalans
Op het maatgevende moment (werkdagavond) bedraagt de parkeerbehoefte voor het zwembad, sporthal en de nieuw te bouwen woningen 143 parkeerplaatsen. Het tweede maatgevende moment is de zaterdag: 's middags 136 parkeerplaatsen en 's avonds 140 parkeerplaatsen indien zwembad dan open is. Voor het fietsparkeren blijkt dat voor het zwembad en de sporthal in totaal minimaal 183 fietsparkeerplaatsen benodigd zijn. Om het fietsgebruik te stimuleren kan meer stallingsruimte echter wenselijk zijn. Voor woningen geldt dat - in het geval van een gemeenschappelijke bergruimte - de bergruimte een oppervlak van 1,5 m2 per woonfunctie moet hebben. Voor de 70 nieuwe woningen gaat het dus om 105 m2 aan bergruimte zoals bedoeld in het Bouwbesluit 2012. In het overzicht van de parkeerbehoefte en restcapaciteit naar verschillende perioden in de week weergegeven. Uitgesplitst naar de vaste gebruikers en bezoekers van de ontwikkeling Maria Duystlaan is de maximale parkeerbehoefte van de vaste gebruikers 63 parkeerplaatsen, op de werkdag nacht. Voor de bezoekers gaat het om maximaal 94 parkeerplaatsen op de zaterdagmiddag. Tabel 4.1: Overzicht van de parkeerbehoefte en restcapaciteit in de toekomstige situatie.
De parkeercapaciteit van de nieuw te bouwen parkeergarage is nog onbekend. Uitgaande van de maximale parkeerbehoefte van vaste gebruikers, dient deze parkeergarage minimaal 63 parkeerplaatsen te bevatten, waarbij vaste gebruikers geen parkeervergunning krijgen voor parkeren op straat. Tevens kan er voor gekozen worden om de parkeergarage groter te dimensioneren en hier een aparte, openbare, gelegenheid te geven voor bezoekersparkeren. Dit is vooral nuttig voor de piekmomenten in het weekend, waarin de Marktgarage beperkte restcapaciteit kent en bezoekers moeten uitwijken naar bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 29
bestemmingsplan Maria Duystlaan het parkeerterrein aan het Bieslandsepad. De parkeeroplossingen worden nog per doelgroep afgewogen bij de uitwerking van het bouwplan. 4.1.4
Verkeersveiligheid
Een groot deel van Delft, en hiermee ook een groot deel van de bezoekers, kan het zwembad binnen 15 minuten met de fiets bereiken. Om het aantrekkelijk te maken om de fiets te pakken in plaats van de auto, is het van belang dat de omgeving van de ontwikkeling voorzien is van een veilig fietsnetwerk. Met name tijdens kinderzwemles, diploma zwemmen en familiezwemmen, zullen ook kinderen gebruik maken van de fietsinfrastructuur. Dit is een kwetsbare groep, waardoor verkeersveiligheid een belangrijke rol speelt. Indien er sprake is van een veilig fietsnetwerk is de kans groter dat bezoekers ervoor kiezen om de fiets te pakken i.p.v. de auto. Om het fietsgebruik te stimuleren, wordt aanbevolen om te onderzoeken hoe fietsvoorzieningen verbeterd kunnen worden in de omgeving met aandacht voor de aanrijroute (bijvoorbeeld vrijliggende fietspaden of duidelijk herkenbare en doorgetrokken fietsstroken) en het kruispunt Maria Duystlaan - Stalpaert van der Wieleweg (duidelijke en veilige oversteek). 4.1.5
Conclusie
In het verkeersrapport is aangegeven hoe aan de parkeerbehoefte kan worden voldaan, deze wordt verder uitgewerkt bij het bouwplan. De parkeernormen zijn daarnaast geborgd in de regels van het onderhavige bestemmingsplan. De verkeersafwikkeling is aanvaardbaar. Het aspect 'verkeer en parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
4.2.1
Kader
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht om in het kader van een goede ruimtelijke ordening aan te tonen dat (toekomstige) bewoners en gebruikers een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Daarnaast dient aangetoond te worden dat (bestaande) bedrijven niet in hun belangen worden geschaad. Hiertoe kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand wordt een milieuzone genoemd. Om te bepalen in hoeverre er voldoende afstand is tussen bedrijven en gevoelige objecten kan gebruik gemaakt worden van de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG, versie 2009. De VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) (hierna: VNG-brochure) geeft handreikingen voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving en voor de inpassing van gevoelige bestemmingen nabij bedrijven. Het is geen wet, maar een gangbare manier om milieuzonering toe te passen. In de VNG-brochure worden per bedrijfssoort en per milieuaspect indicatieve afstanden gegeven (hierna: VNG-afstanden) tot gevoelige objecten. Indien aan de VNG-afstand wordt voldaan, kan gesteld worden dat hinder niet te verwachten is. De VNG-brochure bevat specifieke regelingen voor "gemengde gebieden" en "gebieden met functiemenging".
Dit zijn gebieden waar bewust verschillende functies (wonen en bedrijvigheid) met elkaar worden gemengd, zoals (winkel)centra. Voor deze gebieden wordt een hogere milieubelasting aanvaardbaar geacht. Bij functiemengingsgebieden kan gedacht worden aan: stadscentra, dorpskernen en winkelcentra; horecaconcentratiegebieden; zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen; (delen van) woongebieden met kleinschalige of ambachtelijke bedrijvigheid. Wanneer er sprake is van functiemenging zijn de richtafstanden uit de VNG-publicatie voor bedrijfsactiviteiten die voldaan aan bepaalde voorwaarden niet van toepassing. In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) zijn in dit kader handreikingen opgenomen voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in gebieden met functiemenging. In bijlage 4 van de VNG-publicatie is een specifieke Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen voor gebieden met functiemenging. In deze lijst zijn bedrijfsactiviteiten gecategoriseerd in A, B en C bedrijven: Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden ingevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 30
bestemmingsplan Maria Duystlaan zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Categorie C: De activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden: het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid; productie en/of laad en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig; activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur. 4.2.2
Toets
Gebiedstype De omgeving rondom het plangebied kan geclassificeerd worden als een 'gemengd gebied'. De bebouwingsstrook tussen de Delftsche Vliet en A13 bestaat uit woonfuncties gecombineerd met maatschappelijke voorzieningen. Nabijgelegen bedrijvigheid en bijbehorende richtafstanden Rondom het plangebied bevinden zich enkele functies die bedrijvigheid mogelijk maken binnen het vigerende bestemmingsplan 'Noordoost 2017' (vastgesteld op 23 maart 2017): 1. 2. 3. 4. 5.
De enkelbestemming 'Maatschappelijk' ten noorden van het plangebied, hier zit o.a. de GGD. De enkelbestemming 'Horeca' aan de Bieslandsekade ten oosten van het plangebied. De enkelbestemming 'Gemengd' aan de Stalpaert van der Wieleweg ten westen van het plangebied. De enkelbestemming 'Horeca – Hotel' aan de Maria Duystlaan ten noorden van het plangebied. De enkelbestemming 'Maatschappelijk' ten oosten van het plangebied, hier ligt het Herman Broerencollege. 6. De enkelbestemming 'Maatschappelijk' aan de Bieslandsekade ten zuiden van het plangebied, hier wordt via een kruimelregeling de nieuwe Jan Vermeerschool gerealiseerd. Een deel van de maatschappelijke bestemming is opgenomen in het plangebied voor het schoolplein. Het maatschappelijke vlak boven het schoolplein blijft behouden voor de Herman Broerenschool. Voor deze functies dient bij een nieuw bestemmingsplan gekeken te worden naar de hinder van omliggende bedrijven t.o.v. de school en de nieuwe woningen. Voor de bovenste drie functies geldt dat er al woonfuncties op een kleinere afstand liggen dan de vlakken voor de gevoelige functies in het plangebied. De dichtstbijzijnde woonfuncties zijn maatgevend voor de beoordeling in het kader van 'bedrijven en milieuzonering'. De bedrijven dienen al te zorgen voor een goed woon- en leefklimaat voor deze dichterbij gelegen woonfuncties.
De woonfuncties in het plangebied vormen daarom geen belemmering voor de omliggende bedrijven en is er sprake van een goed woon- en leefklimaat in het plangebied. Er wordt voldaan aan de VNG-brochure voor 'bedrijven en milieuzonering'. Hotels en pensions vallen onder milieucategorie 1, hiervoor kan de richtafstand t.o.v. gemengd gebied terug naar 0 meter. Het plangebied ligt op circa 25 meter van de hotelbestemming aan de Maria Duystlaan. Er wordt voldaan aan de VNG-brochure voor 'bedrijven en milieuzonering'. Voor de scholen geldt bij gemengd gebied een richtafstand van 10 meter voor geluid. Het Herman Broerencollege ligt op meer dan 10 meter van de gevoelige functies in het plan. De geluidcontouren van de Jan Vermeerschool en Herman Broerenschool lopen over bestemming voor gevoelige functies in het plangebied. Deze scholen worden daarom meegenomen in de beoordeling per functie in het bestemmingsplan in de volgende paragraaf. Beoordeling functies in het plan Het bestemmingsplan maakt milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen mogelijk. Bij de milieubelastende functies wordt gekeken naar de hinder op gevoelige functies in de omgeving. Bij de gevoelige functies wordt de ligging t.o.v. milieubelastende functies inzichtelijk gemaakt. De eerste vier functies uit paragraaf 3.2 zijn niet meegenomen, hier is al geconcludeerd dat voldaan wordt aan de VNG-brochure.
Sport- en zwemcentrum bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 31
bestemmingsplan Maria Duystlaan De nieuwe sport- en zwemlocatie zorgt voor milieuhinder t.o.v. gevoelige functies in de omgeving. Voor zowel een sporthal als een zwembad geldt een richtafstand van 30 meter voor geluid. Binnen deze afstand liggen bestaande woningen (ten westen en ten oosten), de Herman Broerenschool (ten zuiden) en het schoolplein en de woonvlakken in het nieuwe bestemmingsplan (ten zuiden). Er is een akoestisch onderzoek benodigd naar de geluidhinder vanuit het zwem- en sportcentrum om na te gaan of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Woningen bij het sport- en zwemcentrum De woningen binnen het gemengde vlak liggen op meer dan 10 meter van de nieuwe Jan Vermeerschool (het gebouw en het schoolplein), hier wordt voldaan aan de richtafstand uit de VNG-brochure. De woningen liggen wel op minder dan 10 meter van de Herman Broerenschool. Hiervoor is een akoestisch onderzoek benodigd. Binnen het gemengde vlak worden de woningen gecombineerd met sport- en zwemcentrum. In de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging' valt een sporthal onder categorie B. Dit is mogelijk in combinatie met woningen, wel dient het sportcentrum bouwkundig afgescheiden te worden van de woningen. Een overdekt zwembad valt onder categorie C, in aanvulling op de eisen onder categorie B is een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur gewenst.
Door middel van de afwikkeling op de Maria Duystlaan en vervolgens de Stalpaert van der Wieleweg wordt hieraan voldaan. De functiemenging in het gemengde vlak is in lijn met de VNG-brochure voor 'bedrijven en milieuzonering'. Schoolplein Een school in combinatie met het bijbehorende schoolplein is zowel een milieugevoelige als een milieubelastende functie voor de omgeving. Het maatschappelijke vlak voor het schoolplein ligt binnen de richtafstand van het sport- en zwemcentrum. Er is daarom een akoestisch onderzoek benodigd. Op dit moment is het schoolplein al mogelijk binnen de huidige maatschappelijke bestemming. Er vindt daarom geen verslechtering plaats van het woon- en leefklimaat van gevoelige functies in de omgeving van het plangebied. Wel maakt het bestemmingsplan nieuwe woonvlakken mogelijk binnen de 10m contour. Het schoolplein vormt dus een mogelijke belemmering voor de nieuwe woningen. Hiervoor is een akoestisch onderzoek benodigd naar het geluid van het schoolplein in samenhang met de geluidhinder van het schoolgebouw. Woningen naast de school De woningen liggen binnen de richtafstand van het zwem- en sportcentrum, de Jan Vermeerschool en de Herman Broerenschool. Er wordt niet voldaan aan de richtafstand, daarom wordt een akoestisch onderzoek naar het geluid van de school (gebouw + plein) uitgevoerd om een goed woon- en leefklimaat te borgen.
Functiemenging woonvlak In de plint zijn niet-woonfuncties voorzien. Het betreft maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening, en bedrijven tot maximaal milieucategorie 1. Deze functies hebben geen richtafstand en zijn mogelijk in combinatie met woningen. 4.2.3
Conclusie
Binnen de maximale richtafstanden rondom de nieuwe Jan Vermeerschool en de bestaande Herman Broerenschool wordt woningbouw geprojecteerd. Daarnaast bevinden zich gevoelige functies binnen de hinderafstand rondom het sport- en zwemcentrum. In beide gevallen gaat het om de richtafstand voor geluid. Er dient daarom een akoestisch onderzoek naar de geluidhinder van de scholen en het sportcentrum op omliggende woningen uitgevoerd te worden. Er dient gekeken te worden naar zowel het schoolgebouw als het plein. Eventueel volgen hieruit maatregelen om de geluidhinder te mitigeren. Als uit het vervolgonderzoek volgt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vormt het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan. De combinatie van woningen met een sport- en zwemcentrum binnen het plangebied is mogelijk als aan de genoemde voorwaarden m.b.t. functiemenging wordt voldaan. In dat geval vormt het aspect 'bedrijven bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 32
bestemmingsplan Maria Duystlaan en milieuzonering' geen belemmering voor verdere besluitvorming.
4.3
Geluid
4.3.1
Kader
Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling met woningen, geluidsgevoelige gebouwen, nieuwe wegen en de reconstructie van bestaande wegen dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de Wet geluidhinder (Wgh) en dat er, op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast dient getoetst te worden aan het gemeentelijke geluidbeleid: het beleid hogere waarden Wet geluidhinder (zie ook paragraaf 3.3.6 in het beleidskader). De Wgh is alleen van toepassing binnen de wettelijk vastgestelde zone van een weg. Een akoestisch onderzoek in het kader van de Wgh is daarom alleen noodzakelijk wanneer de ontwikkeling plaatsvindt binnen een zone van een weg, spoor en gezoneerd industrieterrein en waarbij sprake is van geluidgevoelige bestemmingen. De voorgenomen ontwikkeling behelst de realisatie van een geluidsgevoelige functie (wonen) en het plangebied ligt binnen de geluidszone van gezoneerde wegen. 4.3.2
Wegverkeerslawaai
Door Antea Group (2022) is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd om de geluidbelasting op de nieuw te bouwen geluidgevoelige bestemmingen in beeld te brengen en te beoordelen of deze geluidbelasting voldoet aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3. Resultaten Gezoneerde wegen Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de gezoneerde Stalpaert van de Wieleweg op het maatgevende deel van het plangebied hoogstens 63 dB bedraagt (inclusief aftrek ex art. 110g Wgh). Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de gezoneerde Maria Duystlaan op het maatgevende deel van het plangebied hoogstens 56 dB bedraagt (inclusief aftrek ex art. 110g Wgh). Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de gezoneerde Rijksweg A13 op het maatgevende deel van het plangebied hoogstens 50 dB bedraagt (inclusief aftrek ex art. 110g Wgh). Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. De maximale ontheffingswaarde wordt echter niet overschreden. Gezien de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, dient te worden onderzocht of er maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn. 30 km/u wegen De overige wegen in het plangebied (Bieslandsekade, Van Lodensteynstraat en Oudraadtweg) zijn 30 km/uur wegen en dus niet gezoneerd.
De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van deze wegen op het plan bedraagt ten hoogste 51 dB zonder aftrek ex artikel 110g Wgh en 46 dB inclusief aftrek. V. De effecten zijn beoordeeld in lijn met de Wet geluidhinder. De geluidbelasting van ten hoogste 46 dB inclusief aftrek is lager dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB inclusief aftrek). Uit de resultaten blijkt dat de vastgestelde geluidbelasting valt binnen de marges die uit de Wet geluidhinder volgen. De geluidbelasting van ten hoogste 46 dB inclusief aftrek is lager dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB inclusief aftrek). Geluidbelastingen die voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB worden als aanvaardbaar beoordeeld. Hiermee is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Hogere waarden Uit de maatregelenoverweging blijkt dat bron- en overdrachtsmaatregelen hoofdzakelijk stuiten op bezwaren van financiële, technische, verkeerskundige en stedenbouwkundige aard. Onder voorwaarden (ingevolge het gemeentelijk geluidbeleid) is het mogelijk om hogere waarden vast te stellen: Woningen en andere geluidgevoelige gebouwen dienen altijd een geluidluwe zijde te hebben. De geluidbelasting op de geluidluwe zijde mag cumulatief niet meer bedragen dan 60 dB, exclusief bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 33
bestemmingsplan Maria Duystlaan aftrek conform artikel 110 van de Wet geluidhinder. Indien de gecumuleerde geluidbelasting op de hoogst belaste zijde 65 dB of minder bedraagt, bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting op de geluidluwe zijde maximaal 55 dB (excl. aftrek). Elke woning bevat ten minste 1 slaapkamer die niet aan de hoogst geluidbelaste zijde is gesitueerd. Aangezien het plan in de huidige versie nog geen invulling biedt aan de exacte situering van woningen ten opzichte van de geluidluwe zijde, en de indeling van de woningen ook nog niet vastligt, kunnen deze aspecten nog niet definitief niet beoordeeld worden in dit onderzoek. Bij de verdere uitwerking van het plan wordt rekening gehouden met de resultaten van dit onderzoek om zo aan het gemeentelijk geluidbeleid te kunnen voldoen. In het geval van eenzijdig georiënteerde zelfstandige wooneenheden biedt het geluidbeleid de mogelijkheid om af te wijken van de genoemde voorwaarden. Dan dient op gebouwniveau ten minste 50% van de woningen niet te zijn gesitueerd aan de hoogste geluidbelaste zijde. Wat betreft deze regeling, stelt de gemeente Delft dat dit geldt voor woningen met snelle doorstroming zoals studentenwoningen en niet ‘volwaardige’ woningen. Bij het laatste soort woningen is wel een geluidluwe gevel vereist.
Gezien het voorgaande, kan het college van burgemeester en wethouders overwegen om de volgende hogere waarden vast te stellen voor woonblok 1 (woningen het sport- en zwemcentrum) en woonblok 2 (losse woonvlak naast de nieuwe Jan Vermeerschool): Stalpaert van de Wieleweg Aanvraag hogere waarde voor ten hoogste 55 woningen van 63 dB voor woonblok 1 (afhankelijk van verdere planuitwerking). Aanvraag hogere waarde van ten hoogste 15 woningen van 63 dB voor woonblok 2 (afhankelijk van verdere planuitwerking). Maria Duystlaan Aanvraag hogere waarde voor ten hoogste 55 woningen van 56 dB voor woonblok 1 (afhankelijk van verdere planuitwerking). Rijksweg A13 Aanvraag hogere waarde voor ten hoogste 55 woningen van 50 dB voor woonblok 1 (afhankelijk van verdere planuitwerking). Aanvraag hogere waarde voor ten hoogste 15 woningen van 50 dB voor woonblok 2 (afhankelijk van verdere planuitwerking). Geluideffect verkeer van en naar het plan In 2032 rijden op de Maria Duystlaan 2.763 – 5.527 mvt/etmaal en op de Stalpaert van der Wieleweg 7.475 – 10.559 mvt/etmaal. De generatie van het plan zorgt naar verwachting niet voor een significante geluidtoename op bestaande woningen. 4.3.3
Industrielawaai
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening is in een akoestisch onderzoek door Antea Group (2022) bepaald of de geluidemissie veroorzaakt door de inrichtingen in het plan en daaromheen op bestaande en te bouwen geluidgevoelige bestemmingen past binnen een goede ruimtelijke ordening. Het rapport is meegenomen in bijlage 4. Geluidbelasting Langtijdgemiddelde Uit de rekenresultaten blijkt dat het gewenste langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 50 dB(A) op veel plaatsen wordt overschreden, met name ten gevolge van het nieuwe schoolplein van de Jan Vermeerschool en het nieuwe sportcentrum. Bij toepassing van een maximale streefwaarde van 55 dB(A) is er nog steeds sprake van overschrijding. Bij een overschrijding van dit geluidniveau, dient grondig onderzocht, onderbouwd, en gemotiveerd te worden wat de gevolgen van inpassing zullen zijn. Om deze reden zijn maatregelen onderzocht, om het bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 34
bestemmingsplan Maria Duystlaan plan beter inpasbaar te maken. De gecumuleerde geluidbelasting van alle onderzochte bronnen bedraagt ten hoogste 62 dB(A), op de nieuwe woningen nabij het beoogde schoolplein van de Jan Vermeerschool. Maximaal geluidniveau Uit de rekenresultaten blijkt dat het gewenste maximale geluidniveau van 70 dB(A) op veel plaatsen wordt overschreden, ten gevolge van het nieuwe schoolplein van de Jan Vermeerschool en het schoolplein van de bestaande Herman Broerenschool. Daarnaast leidt het dichtslaan van portieren tot een overschrijding bij de Herman Broerenschool en -college. Bij een overschrijding van dit geluidniveau, dient grondig onderzocht, onderbouwd, en gemotiveerd te worden wat de gevolgen van inpassing zullen zijn. Om deze reden worden in dit rapport maatregelen onderzocht, om het plan beter inpasbaar te maken. Maatregelen Zwem- en sportcentrum Wanneer de warmtepompen van het sportcentrum worden afgeschermd of worden verplaatst, kan het zwem- en sportcentrum aan het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 50 dB(A) op geluidgevoelige gebouwen voldoen.
Daarnaast bij het ontwerp moeten worden geborgd dat er geen sprake is van tonaliteit ter plaatse van de gevoelige omgeving, door bijvoorbeeld: Het geluidvermogenniveau van de warmtepompen te maximaliseren tot 80 dB(A); De afstand van de warmtepompen tot de woningen vergroten; Afscherming optimaliseren tot de waarneembaarheid van tonaliteit bij woningen niet meer waarneembaar is. Geluid scholen Om aan de grenswaarden voor een acceptabel woon- en leefklimaat van de Wet ruimtelijke ordening te kunnen voldoen, dienen verschillende maatregelen te worden getroffen. Wanneer de buitenspeeltijden en hoeveelheden kinderen die buiten spelen worden aangepast, én geluidschermen worden toegepast, kan aan de streefwaarden worden voldaan. Het plaatsen van geluidschermen wordt echter stedenbouwkundig als onwenselijk geacht door de gemeente. Vanuit maatschappelijk oogpunt wordt het beperken van buitenspeeltijden als onwenselijk gezien door de gemeente. Om een goed woon- en leefklimaat te garanderen dient elke gevel te beschikken over ten minste één te openen raam waarop (a) het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau niet hoger is dan 50, 45 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode en (b) het maximale geluidniveau niet hoger is dan 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.
Bij de bepaling van genoemde geluidniveaus wordt ook het stemgeluid van personen op het terrein van de inrichting beschouwd. Dit kan gerealiseerd worden door toepassing van bijvoorbeeld (gesloten) galerijen, geluidschermen aan de gevel of door rekening te houden met de indeling van de woning. 4.3.4
Conclusie
Voor wegverkeerslawaai zijn hogere waarden aangevraagd. Voor de hogere waarden en bijbehorende maatregelen is ook een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Voor de geluidhinder van de scholen en het zwem- en sportcentrum zijn maatregelen benodigd bij de nieuwbouw, deze zijn geborgd via een voorwaardelijke verplichting. Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Kader
De belangrijkste wet- en regelgeving voor het milieuaspect luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wm). In samenhang met Titel 5.2 zijn de grenswaarden voor luchtkwaliteit in bijlage 2 van de Wm opgenomen. In Titel 5.2 Wm is bepaald dat bestuursorganen een besluit, dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen nemen wanneer aannemelijk is dat aan één of meer van onderstaande grondslagen wordt voldaan: Er wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden; Het besluit leidt (per saldo) niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 35
bestemmingsplan Maria Duystlaan Het besluit draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2 ) en fijn stof (PM10); Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (ook wel NSL genoemd). Bij Titel 5.2 Wm horen uitvoeringsregels die zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en ministeriële regelingen. Het gaat daarbij onder andere om het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 en het Besluit gevoelige bestemmingen. Grenswaarden De (Europese) grenswaarden voor de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht zijn vastgelegd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Deze grenswaarden zijn gericht op de bescherming van de gezondheid van mensen en dienen op voorgeschreven data te zijn bereikt. Tabel 4.2: Grenswaarden uit de Wet milieubeheer
Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn de concentraties stikstofdioxide (NO2 ) en fijn stof (PM10) maatgevend. Voor deze stoffen is de kans het grootst dat de bijbehorende grenswaarden worden overschreden. Overschrijding van de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 (200 µg/m³) is, in relatie tot wegverkeer, redelijkerwijs uitgesloten. Dergelijke hoge concentraties doen zich niet voor langs wegen en uit metingen over een periode van 10 jaar blijkt dat overschrijding van de uurnorm voor NO2 niet meer aan de orde is. Net als voor de jaargemiddelde concentratie PM10 is voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5 ook een grenswaarde vastgesteld (25 µg/m³). PM2,5 is een deelverzameling van PM10; de PM10- en PM2,5-concentraties zijn dan ook sterk aan elkaar gerelateerd. Uitgaande van de huidige kennis over emissies en concentraties van PM2,5 en PM10 kan worden gesteld dat, als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarden voor PM2,5 zal worden voldaan. Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een plan/project niet in betekenende mate bijdraagt aan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10.
Een plan/project draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de jaargemiddelde concentraties in de buitenlucht van zowel NO2 als PM10 niet meer bedraagt dan 3% van de grenswaarde voor die stoffen. Dit komt voor beide stoffen overeen met een maximale toename van de jaargemiddelde concentraties met 1,2 µg/m3 . Plannen of projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, die onder het gelijknamige Besluit hangt, zijn categorieën van gevallen opgenomen die per definitie 'niet in betekenende mate' zijn. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een woningbouwontwikkeling van minder dan 1.500 woningen of een kantoorontwikkeling van minder dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlak. Deze ontwikkelingen hoeven dan niet nader onderzocht te worden op een eventuele bijdrage aan de luchtkwaliteit en hiervoor hoeft geen toetsing aan de grenswaarden plaats te vinden. 4.4.2
Toets
Deze ontwikkeling leidt tot een toename van het verkeer op de wegen in de directe omgeving van het plangebied. NIBM-toets Met de NIBM-tool (versie 23 april 2022) is daarnaast de maximale toename van de jaargemiddelde bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 36
bestemmingsplan Maria Duystlaan concentraties NO2 en PM10 berekend als gevolg van het extra verkeer door het toevoegen van woningen, maatschappelijke- en commerciële voorzieningen. De NIBM-tool gaat uit van de voor luchtkwaliteit meest ongunstige situatie en berekent daardoor het maximale effect. In onderstaande figuur is de berekening met de NIBM-tool opgenomen. De verkeersgeneratie bedraagt 1.169,6 per weekdag, worst-case is de naastgelegen Jan Vermeerschool en kinderdagopvang hierin meegenomen. Voor de NIBM-berekening is uitgegaan van 1,2% vrachtverkeer. Tabel 4.3: NIBM-berekening.
Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat de maximale bijdrage van het voorgenomen plan aan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 minder is dan 1,2 µg/m3. Op basis hiervan is aannemelijk dat het voorgenomen plan niet in betekenende mate bijdraagt. Hierdoor kan een onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit achterwege blijven en staat de luchtkwaliteit op grond van artikel 5.16, lid 1, onder c verdere besluitvorming niet in de weg. Gevoelige bestemmingen Binnen het plangebied ligt een schoolplein. Deze kan aangemerkt worden als een gevoelige bestemming (terrein bij een school/kinderopvang). Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van deze gevoelige bestemmingen in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. De A13 ligt op 350 meter afstand van het schoolplein. Hier wordt dus voldaan aan de afstandsnorm van 300 meter ten opzichte van rijkswegen. Er liggen geen provinciale wegen binnen 50 meter (dichtstbijzijnde N-weg ligt op ruim 2 kilometer afstand). De afstandsnormen voor scholen uit het Besluit gevoelige bestemmingen staan derhalve verdere besluitvorming niet in de weg. Goede ruimtelijke ordening Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is eveneens gekeken naar de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (zowel PM10 als PM2,5) ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling.
Om een goed beeld te krijgen van deze concentraties is gebruik gemaakt van de resultaten uit de NSL Monitoringstool (monitoringsronde 2021). Met de Monitoringstool wordt de luchtkwaliteit jaarlijks in beeld gebracht langs de drukste wegen in Nederland, zowel voor het gepasseerde jaar als voor de toekomst. De Monitoringstool wordt jaarlijks geactualiseerd op basis van de generieke invoergegevens van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de verkeersgegevens voor de rijkswegen en de wegen in beheer van provincies en gemeenten. De maximale concentraties ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling zijn in onderstaande tabel in beeld gebracht voor de meest kritische stoffen in Nederland: NO2, PM10 en PM2,5. Tabel 4.4: Jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in µg/m3 en toetsing aan de grenswaarden bij de dichtstbijzijnde rekenpunten aan de Maria Duystlaan, Clara van Sparwoudestraat en Stalpaert van der Wieleweg (ID 114428, 114430, 114436, 114904, 206578 en 206684).
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 37
bestemmingsplan Maria Duystlaan
* Bij een jaargemiddelde concentratie PM10 van meer dan 31,2 µg/m3 is sprake van meer dan 35 keer overschrijding van de grenswaarde voor de 24-uursgemiddelde concentratie PM10 (50 µg/m3) Op basis van de resultaten uit de NSL Monitoringstool kan worden geconcludeerd dat de concentraties ruim onder de maatgevende grenswaarden voor deze stoffen liggen en over het geheel gesproken naar de toekomst verder dalen. 4.4.3
Conclusie
De ontwikkeling draagt niet in betekende mate bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Hierdoor kan een onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit achterwege blijven en staat de luchtkwaliteit op grond van artikel 5.16, lid 1, onder c verdere besluitvorming niet in de weg. Het schoolplein binnen het plangebied ligt verder op voldoende afstand van rijks- en provinciale wegen, daarom vormt het Besluit gevoelige bestemmingen ook geen belemmering. Daarnaast kan op basis van resultaten uit de NSL Monitoringstool worden geconcludeerd dat de concentraties ruim onder de maatgevende grenswaarden voor deze stoffen liggen en naar de toekomst toe steeds verder dalen. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan een goede ruimtelijke ordening. Het aspect luchtkwaliteit staat verdere besluitvorming niet in de weg.
4.5
Externe veiligheid
4.5.1
Kader
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het relevante beleidskader, voor buisleidingen is dit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het beleid voor transportmodaliteiten staat in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats onbeschermd aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: Lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden.
Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): De afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.
bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 38
bestemmingsplan Maria Duystlaan
Figuur 4.1: Weergave plaatsgebonden risicocontouren, invloedsgebied en groepsrisicografiek met oriëntatiewaarde voor transport Verantwoordingsplicht In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij deze verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag op een juiste wijze de toename en ligging van het groepsrisico te onderbouwen en te verantwoorden. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. Bij de verantwoording van het groepsrisico dient het bevoegd gezag advies in te winnen bij de veiligheidsregio. De verantwoordingsplicht van het groepsrisico dient naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico, dat berekend wordt door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), tevens rekening te houden met een aantal kwalitatieve aspecten, zoals in onderstaand figuur weergegeven.
Figuur 4.2: Verplichte en onmisbare onderdelen van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico.. Het geeft aan dat je op alle verschillende schalen slecht (rood), gemiddeld (oranje/geel) tot goed (groen) kan scoren. De beoordeling van deze aspecten samen vormen de verantwoording van het groepsrisico door het bevoegd gezag. 4.5.2
Toets
Beschouwing risicobronnen Risicovolle inrichtingen Nabij het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen (Bevi) aanwezig. Op meer dan 1.000 meter bevindt zich de terreingrens van de BRZO-inrichting DSM Delft. Het plangebied ligt ruim buiten de PR 10-6/jaar-contour. Er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Op ca. 2.4 kilometer ligt MPM Oil Company, hiervoor is enkel het toxisch scenario (gifwolk) relevant. Transportroutes gevaarlijke stoffen Nabij het plangebied zijn transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig. Over de Rijkswegen A4 en A13 vindt het transport van gevaarlijke stoffen plaats. De A4 ligt op circa 3.200 meter afstand van het plangebied. Het invloedsgebied van de Rijksweg bedraagt 880 meter. Het plangebied valt dus niet binnen het invloedsgebied van de A4, daarom is een bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 39
bestemmingsplan Maria Duystlaan berekening van het groepsrisico niet verplicht. De A13 ligt op circa 280 meter afstand van het plangebied. Het invloedsgebied van de Rijksweg bedraagt 4.000 meter. Het plangebied ligt daarmee binnen het invloedsgebied van deze Rijksweg. Aangezien de planlocatie binnen het invloedsgebied van de Rijksweg is gelegen is een beperkte verantwoording van het groepsrisico benodigd. De relevante aspecten en veiligheidsmaatregelen worden hieronder behandeld. Hogedruk aardgastransportleidingen Nabij het plangebied zijn geen hogedruk aardgastransportleidingen aanwezig. Omgevingswet Veel wetgeving wordt samengevoegd in de Omgevingswet. Deze wordt naar verwachting 1 juli 2023 van kracht. De Omgevingswet introduceert aandachtsgebieden rondom risicobronnen. Hierdoor veranderen de voorgaande constateringen echter niet. Verantwoording groepsrisico Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is verplicht ten aanzien van MPM en de Rijksweg A13. In dit hoofdstuk worden elementen aangedragen voor de invulling van de verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag: de gemeenteraad van Delft. Deze elementen zijn afgeleid uit het Bevt en zijn tevens omschreven in de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico (VROM, 2007). Ter verantwoording van het groepsrisico dienen, naast de hoogte van het groepsrisico, enkele kwalitatieve elementen beschouwd te worden.
Algemene beschouwing veiligheidssituatie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een transportroute gevaarlijke stoffen. Bij deze risicobron kan een plasbrand, een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) of een toxisch scenario optreden. De gevolgen van deze scenario's zijn verschillend. Gezien de afstand van het plangebied tot de risicobron is enkel het toxisch scenario relevant. Toxisch scenario Een toxisch scenario ontstaat wanneer een tankwagen lek raakt en toxische stoffen ontsnappen. Toxische vloeistoffen kunnen verdampen waardoor een gaswolk ontstaat die over de omgeving uit kan waaien. Bij een deel van de aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Hoogte van het groepsrisico Het groepsrisico van de A13 hoeft vanwege de ligging ten opzichte van het plangebied (>200 meter afstand) niet te worden bepaald. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen.
Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Gerichte risicocommunicatie met aanwezigen (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten) en op welke wijze hieraan invulling kan worden gegeven. Bij de herontwikkeling van het plangebied zijn er voldoende mogelijkheden om externe vluchtwegen in risicoluwe richtingen (primair het westen) te realiseren (tevens meest voor de hand liggende vluchtrichting). Via de naastgelegen van Miereveltlaan, de Stalpaert van der Wieleweg en de Willem Naghelstraat is het mogelijk in meerdere richtingen de vluchten. Op haar website geeft de Veiligheidsregio Haaglanden onder 'Ken de risico's: Gevaarlijke stoffen' instructies wat iemand kan doen tijdens een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het is mogelijk om deze instructies te verwerken in een calamiteitenplan en/of actief te verstrekken aan huidige en toekomstige gebruikers van het gebied en hierover (bijvoorbeeld met de Veiligheidsregio) een bijeenkomst te organiseren. Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een toxisch scenario bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 40
bestemmingsplan Maria Duystlaan Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. In geval van een calamiteit met toxische stoffen op de weg is het van belang dat de bebouwing bescherming biedt. Van belang daarbij is dat - in dat geval - de (eventueel aanwezige) mechanische ventilatie centraal afgesloten kan worden (via een noodschakelaar). Dit voorkomt dat bij het optreden van een incident de ramen en deuren gesloten zijn, maar toch toxische stoffen via de ventilatie (versneld) tot het gebouw toetreden. Het is een goedkope maatregel die bij een calamiteit met giftige stoffen zeer effectief kan zijn. Onder de Omgevingswet dient een mechanisch ventilatiesysteem standaard te beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Besluit bouwwerken leefomgeving). Beperkt zelfredzame groepen Binnen het plangebied worden specifieke functies mogelijk gemaakt die de aanwezigheid van groepen beperkt zelfredzame personen faciliteren.