CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Maria Duystlaan (toelichting regels bijlagen bij de regels)

Raadsvergadering 15 juni 2023, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake bestemmingsplan Maria Duystlaan (nr. 2316218)38.271 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Maria Duystlaan

bestemmingsplan Maria Duystlaan

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Opbouw plan

4 4 4 5 6

Hoofdstuk2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie

7 7 7

Hoofdstuk3 Beleid 3.1 Rijk 3.2 Provincie en regio 3.3 Gemeente 3.4 Hoogheemraadschap 3.5 Conclusie

10 10 11 18 28 28

Hoofdstuk4 Omgevingsaspecten en onderzoek 4.1 Verkeer en parkeren 4.2 Bedrijven en milieuzonering 4.3 Geluid 4.4 Luchtkwaliteit 4.5 Externe veiligheid 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Licht 4.8 Flora en fauna 4.9 Water 4.10 Bodem 4.11 Archeologie 4.12 Cultuurhistorie 4.13 Ladder voor duurzame verstedelijking 4.14 Duurzaam- en natuurinclusief bouwen 4.15 Klimaatadaptatie 4.16 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

29 29 30 33 35 38 42 42 42 44 49 52 54 55 56 57 58

Hoofdstuk5 Juridische planbeschrijving 5.1 Verantwoording planvorm 5.2 Systematiek bestemmingen

60 60 60

Hoofdstuk6

63

Handhaving

Hoofdstuk7 Maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid 7.1 Participatie, wettelijk vooroverleg en ambtelijke wijzigingen 7.2 Proces bestemmingsplan 7.3 Financiële uitvoerbaarheid

bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 2

64 64 74 74

bestemmingsplan Maria Duystlaan

Toelichting

bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 3

bestemmingsplan Maria Duystlaan

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De gemeente Delft is voornemens een herontwikkeling mogelijk te maken aan de Maria Duystlaan te Delft. Op dit moment bevinden zich de Jan Vermeerschool en een zwem- en squashcentrum (reeds gesloopt) in het plangebied. Bij de herontwikkeling van het plangebied worden de nieuwe Jan Vermeerschool, een kinderopvang en ca. 15 woningen met voorzieningen in de plint gerealiseerd op de locatie van het voormalige zwem- en squashcentrum. Op de plek van de school komen een zwem- en sportcentrum en ca. 55 woningen met parkeervoorzieningen. Tot slot wordt het openbaar gebied heringericht, hier komt een groen ingericht plein. In onderstaand figuur is de toekomstige situatie van het gebied weergegeven.

Figuur 1.1: Impressie van de toekomstige situatie. Van het plein wordt 60% groen gerealiseerd. Het nieuwe schoolgebouw (paarse kader) doorloopt separaat een kruimelregeling. Voor de woningen bij de nieuwe Jan Vermeerschool, het zwem- en sportcentrum en de woningen bij het zwem- en sportcentrum is een bestemmingsplanwijziging nodig. Het nieuwe schoolgebouw is mogelijk binnen de huidige bestemming 'Maatschappelijk' na het toepassen van de kruimelregeling, deze wordt daarom niet meegenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Het schoolplein past binnen het huidige bestemmingsplan. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in het juridisch-planologisch kader voor de woningen, het zwem- en sportcentrum en het openbaar gebied. Het vervangt het huidige bestemmingsplan Noordoost 2017 (vastgesteld op 23 maart 2017).

1.2

Begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen ten zuiden van de Maria Duystlaan, ten noorden van de Bieslandsekade en ten oosten van de Stalpaert van der Wieleweg. De oostgrens wordt gevormd door de Clara van Sparwoudestraat.

bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 4

bestemmingsplan Maria Duystlaan

Figuur 1.2: Situering van het plangebied van het nieuwe bestemmingsplan.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

In het vigerend bestemmingsplan, Noordoost 2017 (onherroepelijk vastgesteld op 23-03-2017), is door de bestemming 'Maatschappelijk' geen ruimte voor de woningen en het zwem- en sportcentrum. Binnen het plangebied gelden de enkelbestemmingen 'Maatschappelijk', 'Verkeer' en 'Groen' voor de aangewezen gronden (zie figuur 1.3). Daarnaast kent het gehele plangebied een dubbelbestemming ter bescherming van archeologische waarden, het gaat zowel om 'Waarde - Archeologie I' en 'Waarde Archeologie III'. Voor het zuidelijke deel geldt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' en voor het noordwestelijke deel geldt de dubbelbestemming 'Leiding - Gas'.

Figuur 1.3: Vigerend bestemmingsplan 'Noordoost 2017'(bron: Ruimtelijke plannen).

bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 5

bestemmingsplan Maria Duystlaan

1.4

Opbouw plan

Hoofdstuk 2 van dit bestemmingsplan, de planbeschrijving, beschrijft de ontwikkeling van het plangebied. In hoofdstuk 3 is het beleid beschreven. Hoofdstuk 4, 'Omgevingsaspecten en onderzoek', beschrijft het voor het bestemmingsplan uitgevoerde onderzoek en relevante omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling. Hoofdstuk 6 gaat in op handhaving in dit plangebied. In hoofdstuk 7 wordt tot slot de maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan beschreven.

bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 6

bestemmingsplan Maria Duystlaan

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie en de beoogde situatie van het plangebied beschreven. Het streefbeeld voor de toekomstige situatie volgt uit het Ontwikkelingsplan Maria Duystlaan e.o. (zie bijlage 1).

2.1

Huidige situatie

In de huidige situatie bevinden zich de Montessorischool Jan Vermeer en een zwem- en squashcentrum in het plangebied (reeds gesloopt). Naast het plangebied bevinden zich het Herman Broerencollege en de Herman Broerenschool. De Herman Broerenschool zit echter tijdelijk op een andere locatie. Deze functies zijn voor autoverkeer bereikbaar via de Maria Duystlaan en Clara van Sparwoudestraat. Langzaam verkeer kan ook over het Groenlandsepad tussen de Jan Vermeerschool en Herman Broerenschool. Verder liggen er diverse woningen aan de Maria Duystlaan, Clara van Sparwoudestraat en Stalpaert van der Wieleweg.

Figuur 2.1: Huidige situatie in en rondom het plangebied.

2.2

Toekomstige situatie

2.2.1

Inleiding

De Maria Duystlaan is aangewezen als wijkversterkingsproject. Naast een nieuwe Jan Vermeerschool zal in het gebied ook een nieuw zwembad worden gerealiseerd. Op 24 april 2018 is de bestuurlijke opdracht vastgesteld. Nadien is er een ontwikkelingsplan opgesteld dat het plan voor de Maria Duystlaan nader uitwerkt. Deze is hieronder opgenomen. In de toekomstige situatie zal het zwembad verhuizen naar de plaats waar in de huidige situatie de Jan Vermeerschool is gevestigd. Bij het nieuwe zwem- en sportcentrum worden ook ca. 55 woningen met parkeervoorziening gerealiseerd. De nieuwe Jan Vermeerschool wordt op de plaats van het oude zwembad gerealiseerd. Daarbij worden tevens ca. 15 woningen gerealiseerd.

bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 7

bestemmingsplan Maria Duystlaan 2.2.2

Ontwikkelingsplan

De aanpak van de Jan Vermeerschool (B) en het zwembad en squashcentrum (A) aan de Clara van Sparwoudestraat (C) staan al lang op de agenda. De Jan Vermeerschool zal worden vernieuwd en het zwembad zal worden verplaatst gezien het bereiken van de technische levensduur. Het plan betreft de eerste fase van de ontwikkelingsvisie (opgesteld door Rijnboutt) voor het gebied gelegen ten westen van de Maria Duystlaan (zie figuur 2.2).

Figuur 2.2: Onderzoeksgebied en eerste fase (bron: Ontwikkelingsplan Maria Duystlaan e.o.). Beoogde functies In het eindbeeld van het herontwikkeling bevinden zich de volgende functies binnen het ontwikkelgebied: 1. Onderwijs en kinderopvang Nieuwbouw van de Jan Vermeerschool en een aan de school gekoppelde kinderopvang. De Jan Vermeerschool zal gerealiseerd worden voor een leerlingaantal van 225. 2. Zwembad en sporthal De zwembaden gelegen aan de Weteringlaan en de Clara van Sparwoudestraat zijn beiden aan het einde van hun technische levensduur en worden samengevoegd. Daarnaast is er behoefte aan binnensport accommodatie ten behoeve van een aantal scholen en sportverenigingen. Bij het zwembad zal daarom ook een sporthal worden gerealiseerd. 3. Wonen Binnen het plan is ruimte voor ongeveer 70 appartementen. De woningen zullen vooral koopwoningen betreffen in het middeldure en dure segment. Gezien de ligging op een zeer prominente locatie in de stad en eenzijdige woningvoorraad in de buurt, is deze locatie met name geschikt voor ouderen die nog een stap willen maken in hun wooncarrière. 4. Openbare ruimte en groen De huidige Clara van Sparwoudestraat wordt omgevormd tot aantrekkelijk plein of plantsoen, of een mix daarvan.

Daarnaast wordt voor de ontwikkeling ingezet op een natuurinclusieve en klimaatadaptieve aanpak, waar groen en water naast het bevorderen van de biodiversiteit deel van uitmaken. Ambities Bij de ontwikkeling van de Maria Duystlaan staan vier ambities centraal, namelijk: Positie in de stad: versterking van ligging aan de assen Industriewijk als hoogwaardige buurt, nu en in de toekomst Versterken van verbindingen met de buurt Ruimte geven met ontmoeting en verblijf Het ontwikkelingsplan is als bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen. Duurzaamheid en energie Met de herstructurering van het plangebied aan de Maria Duystlaan wordt de open ruimte (in de vorm van plein) verdubbeld ten opzichte van de huidige situatie. In de huidige situatie bestaat de open ruimte vooral uit verharding. In de nieuwe situatie zal het plein voor minimaal 60% groen ingericht worden. Dit bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 8

bestemmingsplan Maria Duystlaan groen heeft zowel een sociale als klimaatbestendige en ecologische functie. Daarnaast wordt fietsen en wandelen gestimuleerd door het creëren van een autoluw binnengebied. De energievraag van het zwembad is hoog. Daartoe is onderzoek uitgevoerd naar de wijze waarop de ontwikkeling van warmte kan worden voorzien zonder het gebruik van gas. Uit nader onderzoek is gebleken dat het riool onvoldoende capaciteit heeft om het zwembad te verwarmen. In de ontwerpfase zal onderzocht worden hoe het zwembad, het sportcentrum en de woningen van duurzame warmte kunnen worden voorzien. Mobiliteit De ontwikkeling leidt tot veranderingen van de mobiliteit in de wijk. Om de bereikbaarheid en leefbaarheid van de ontwikkeling en de omgeving te faciliteren wordt daarom aandacht gegeven aan verkeersveiligheid, fiets- en autoparkeren en een hoge verblijfskwaliteit in de openbare ruimte. De ontwikkeling ligt aan de rand van de binnenstad, waardoor de binnenstad vanuit de locatie en vise versa zowel te voet als met de fiets goed bereikbaar is. Dit geldt ook voor het station Delft. Door het faciliteren van goede stallingsvoorzieningen bij de ontwikkeling kan het fietsgebruik worden gestimuleerd.

Daarnaast is er een bushalte aanwezig op de Stalpaert van der Wieleweg (buslijn 60 Delft, Station – Nootdorp), waardoor de locatie ook van buiten Delft goed te bereiken is met het openbaar vervoer (eventueel gecombineerd met deelfiets). Tenslotte is de locatie bereikbaar met de auto via de Van Miereveltlaan en de Stalpaert van der Wieleweg. Voor het parkeren van de auto is op veel verschillende momenten (rest-)capaciteit beschikbaar in de omgeving, bijvoorbeeld in de nabijgelegen Marktgarage. 2.2.3

Programma en fasering

De eerste fase bestaat uit de sloop van het zwem- en squascentrum. Daarna wordt eerst de Jan Vermeerschool, inclusief bijhorende kinderopvang, gerealiseerd op de plaats van het zwembad en de squashbaan. De realisatie van de overige functies vindt in een latere fase plaats, aangezien hiervoor eerst een planologische procedure doorlopen moet worden. De onderstaande tabel geeft het programma weer van de functies die zijn opgenomen in het bestemmingsplan. Bij de 15 woningen worden kleinschalige voorzieningen in de plint mogelijk gemaakt. Tabel 2.1: Het programma binnen het onderhavige bestemmingsplan.

bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 9

bestemmingsplan Maria Duystlaan

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1

Rijk

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050. De visie geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies; uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. De belangrijkste keuzes zijn: Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit. Ruimte voor overgang naar een circulaire economie. Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden. Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen. De NOVI heeft een dusdanig abstractieniveau dat er geen directe uitvoeringsprogramma's op het onderhavige bestemmingsplan van toepassing zijn. 3.1.2

uitgangspunten

of

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De minister van Infrastructuur & Milieu heeft op 13 maart 2012 de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De nieuwe Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vervangt verschillende nota's, waaronder de Nota Ruimte en de Structuurvisie Randstad 2040. In de SVIR geeft het Rijk haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Het Rijk richt zich in de SVIR met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Het Rijk investeert daar waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio's rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen. De SVIR heeft geen gevolgen voor het plangebied. 3.1.3

AMvB Ruimte (Barro)

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening stelt het Rijk een aantal regels met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen. De onderwerpen betreffen onder andere project mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, gronden van defensie, grote rivieren en Waddenzee en waddengebied. Voor de in het Barro genoemde onderwerpen moeten op grond van de Wet ruimtelijke ordening alle bestemmingsplannen binnen een jaar aan de bepalingen uit het Barro voldoen. Geen van de in het Barro genoemde onderwerpen hebben echter betrekking op onderhavig bestemmingsplan. 3.1.4

Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte werd de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dienen nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard gemotiveerd te worden met behulp van drie opeenvolgende treden. Deze treden borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen. Per 1 juli 2017 is artikel 3.1.6 van het Bro gewijzigd. Deze wijziging heeft als doel de regeling te vereenvoudigen, waarbij de effectiviteit van het instrument behouden moet blijven. Een onderzoek naar de behoefte heeft slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een functie of dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Concreet betekent dit dat met betrekking tot de (economische) behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of economische gevolgen van die vestiging ruimtelijke effecten (bijv. leegstand) relevant zijn. Artikel 3.1.6. lid 2 van het Bro luidt als volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 10

bestemmingsplan Maria Duystlaan mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” Dat betekent: eerst bepalen of een nieuwe ontwikkeling een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft, vervolgens kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, daarna analyseren of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en tot slot afwegen of de ontwikkeling negatieve ruimtelijke gevolgen tot gevolg kan hebben. De toetsing aan de Ladder is opgenomen in paragraaf 4.13.

3.2

Provincie en regio

3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

Per 1 april 2019 is de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. Richtinggevende ambities In de Omgevingsvisie zijn de volgende zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld: 1. Naar een klimaatbestendige delta Het inrichten van de fysieke leefomgeving op een manier waarop deze klimaatbestendig blijft. Voorbeelden daarvan zijn: meer ruimte bieden aan water en het rekening houden met de impact van klimaatverandering bij nieuwe ruimtelijke projecten. 2. Naar een nieuwe economie: the next level De stap naar een circulaire economie in 2050, met grote gevolgen voor onder andere het haven-industrieel complex en de glastuinbouw. Er wordt ingezet op bijvoorbeeld digitalisering en een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving. 3. Naar een levendige meerkernige metropool De stap naar een gezonde, sociale en duurzame samenleving. Er moet een fors aantal woningen worden gerealiseerd en de woonvoorraad dient te worden verduurzaamd.

Ook zullen steden met elkaar verbonden moeten worden tot één metropolitaan gebied. In dit gebied wordt ingezet op het versterken van het leef- en vestigingsklimaat. 4. Energievernieuwing Zuid-Holland wil de fossiele bronnen vervangen door hernieuwbare bronnen. Er worden maatregelen genomen om energie te besparen en het gebruik van aardgas drastisch te verminderen. Ook wordt ingezet op innovatie: nieuwe mogelijkheden voor energiegebruik uit wind, zon, biomassa, water en aardwarmte. 5. Best bereikbare provincie De provincie moet optimaal verbonden zijn en blijven met regionale, landelijke en internationale centra. Er worden verkeersknelpunten aangepakt en de mobiliteitssector kan schoner worden gemaakt en verduurzamen. Ook wordt ingezet op OV, gebruik van de fiets en vervoer over water. 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Een groene leefomgeving draagt bij aan een gezonde leefstijl van de inwoners van de provincie, maar het landschap en de biodiversiteit staat ook onder druk door het groeiend aantal inwoners, economische ontwikkeling en klimaatverandering. De kwaliteit van de leefomgeving kan worden versterkt door natuur, water, recreatie, landbouw, cultureel erfgoed en economie in samenhang te bezien. Beleidsopgaven Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden.

Daarnaast wordt vanuit twaalf samenhangende opgaven de zorg voor een goede omgevingskwaliteit ingevuld. Hieronder zijn de voor onderhavig project relevante beleidsopgaven nader toegelicht, te weten het behouden en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, de energietransitie in de gebouwde omgeving en stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied. bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 11

bestemmingsplan Maria Duystlaan 1. Behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder.

Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling. Inpassing Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. Aanpassing Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten.

Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Transformatie Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Bij transformatieopgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen en een kwalitatief optimaal resultaat. Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat.

Ook hierbij kunnen ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig zijn om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.

bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 12

bestemmingsplan Maria Duystlaan

Figuur 3.1: Soorten ruimtelijke ontwikkelingen De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. Ontwikkeling in het licht van de beleidsopgave behouden en versterken ruimtelijke kwaliteit De bescherming van ruimtelijke kwaliteit is ook geborgd in de omgevingsverordening, hier wordt aan getoetst in paragraaf 3.2.3. Energietransitie in de gebouwde omgeving De provincie zet zich in voor energiebesparing en -opwekking in bestaand stedelijk gebied, zoals bij beheer en renovatie van woningen (verduurzaming voorraad), woningbouw en herstructurering van bedrijventerreinen, kantorenlocaties en glastuinbouw.

Middelen die hiervoor ingezet kunnen worden zijn: isoleren, aansluiten op een warmtenetwerk, cascaderen van lokale warmte, co-siting (bijeenbrengen en plannen van bedrijven met aansluitende warmtebehoeften) en efficiënter gebruik van energie. Nieuwbouwlocaties bieden de grootste kans om energie-efficiency te realiseren. In deze tijd is het ondenkbaar dat er niet energiezuinig of zelfs energieneutraal wordt gebouwd al dan niet in combinatie met een decentrale hernieuwbare energievoorziening. De provincie is een groot voorstander van aardgasloze wijken, zowel bij nieuwbouw als renovatie. In de duurzaamheidsparagraaf 4.14 is beschreven hoe omgegaan wordt met de energietransitie. Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied De provincie wil bestaand stads- en dorpsgebied (BSD), ofwel de bebouwde ruimte, beter benutten. De provincie verstaat daaronder: 'het bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Volgens de ladder voor duurzame verstedelijking moet de nieuwe stedelijke ontwikkeling primair plaatsvinden binnen het BSD. De ontwikkeling vindt plaats binnen het BSD.

De ontwikkeling wordt in paragraaf 4.13 getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. 3.2.2

Omgevingsprogramma Zuid-Holland

Het Omgevingsprogramma Zuid-Holland bevat de maatregelen waarmee Gedeputeerde Staten invulling geven aan de ambities en beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland. Aan de beleidskeuzes zijn werkingsgebieden verbonden. Het omgevingsprogramma doet geen uitspraken die specifiek van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling. bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 13

bestemmingsplan Maria Duystlaan 3.2.3

Omgevingsverordening Zuid-Holland

Per 1 april 2019 is, naast de Omgevingsvisie en het Omgevingsprogramma, ook de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. De inhoud van de Omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de Omgevingsverordening. In de verordening van Provinciale Staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen die worden gesteld aan gemeentelijke bestemmingsplannen, met als doel het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. 3.2.3.1 Ruimtelijke kwaliteit (Artikel 6.9) Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. In artikel 6.9 van de verordening is hierover het volgende bepaald: Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid van artikel 6.9 (aanvullende ruimtelijke maatregelen); c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.

Beeldkwaliteitsparagraaf De kwaliteitskaart uit de Visie ruimte en mobiliteit bevat de belangrijkste kenmerken (richtpunten) van een gebied. Karakteristiek voor Zuid-Holland zijn de delta-, veen-, rivieren- en kustlandschappen. Deze moeten herkenbaar blijven. Een richtpunt beschrijft hoe de provincie de kwaliteit van een gebied bij nieuwe ontwikkelingen wil behouden of versterken. Bij aanpassingen in het landschap, zoals bij woningbouw of aanleg van wegen, moet de initiatiefnemer hiermee rekening houden. Een plan dat de kwaliteiten van een gebied versterkt is in ieders belang. Bij kwaliteit gaat het om meer dan alleen 'mooi'. Er moet evenwicht zijn in de functionaliteit, duurzaamheid en de beleving van een gebied. De kwaliteitskaart bestaat uit vier hoofdlagen met daaronder gespecificeerde lagen. In het vervolg van deze paragraaf is nagegaan welke lagen van toepassing zijn op de ontwikkeling van Schieoevers Noord en welke richtpunten daarbij van belang zijn. Per laag is beoordeeld op welke wijze rekening is gehouden met de verschillende richtpunten uit de kwaliteitskaart. I. Laag van de ondergrond Deze laag gaat over de grondslag van de provincie en natuurlijke (landschapsvormende) processen. De laag bestaat uit de bodem, de geomorfologische kenmerken en het water.

Binnen Zuid-Holland is daarbij grofweg een driedeling te maken tussen het complex van de kust (strand, duinen, strandwallen en strandvlakten), de natte veengronden en plassen ten oosten hiervan en de kleicomplexen en wateren van de delta. Ieder complex stelt zijn eigen eisen aan ontwikkelingen. Dit vraagt om een logische relatie bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 14

bestemmingsplan Maria Duystlaan tussen de ondergrond en het menselijk handelen. In figuur 3.2 is te zien dat er twee er twee lagen van toepassing zijn op het plangebied. Deze en de bijbehorende richtpunten betreffen de volgende: 1. Rivierdeltacomplex – jonge zeeklei a. Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijk processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. 2. Bijzonder relief – oude stroomgordels en geulafzettingen a. Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. b. Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Figuur 3.2: Laag van de ondergrond met 'jonge zeeklei' (groen) en 'oude stroomgolders en geulafzettingen' (bruin) (bron: Kwaliteitskaart, Provincie Zuid-Holland).

Beoordeling van de relevante richtpunten: De onderhavige ontwikkeling heeft geen invloed op de dynamische natuurlijk processen of zoet-zoutovergangen. Daarnaast betreft het een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied en doet daarmee geen afbreuk aan patronen of reliëf in het landschap. In de huidige situatie is het terrein ook bebouwd. Archeologie betreft echter wel een aspect dat van belang is voor het plangebied. In paragraaf 4.11 is het aspect archeologie nader uitgewerkt. Er is een dubbelbestemming archeologie opgenomen. De dubbelbestemming gaat gepaard met een vergunningsprocedure waarin het archeologisch belang kan worden beoordeeld en afgewogen. II. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen De laag van de cultuurlandschappen is de laag van het zichtbare landschap en het (grondgebonden) nut. Het agrarisch landschap is beeldbepalend in het buitengebied van Zuid-Holland. Dicht bij de stad vinden we een veelheid aan verschillende cultuurlandschappen. Naast deze cultuurlandschappen worden delen van de provincie gekenmerkt door natuurlandschappen. Deze gebieden kennen geen agrarisch gebruik en hebben een (relatief) natuurlijk karakter. Deze diversiteit aan landschapstypen wordt als een belangrijke kracht van Zuid-Holland beschouwd. De Laag van de cultuur- en natuurlandschappen is niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling.

De landschappen zijn gelegen buiten de stedelijke gebieden. III. Laag van de stedelijke occupatie Deze laag bestaat uit het bebouwde gebied (steden en dorpen) en de doorlopende netwerken van wegen, vaarwegen, spoor en groen. Zuid-Holland is een dynamisch gebied met een veelheid aan steden en dorpen. Steden en dorpen kennen elk hun eigen karakteristiek, ontstaan door ligging in het bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 15

bestemmingsplan Maria Duystlaan landschap of bijvoorbeeld verschil in economisch accent. Rotterdam als hardwerkende stad aan de haven, Den Haag als vredesstad aan zee of Delft dat techniek verenigt met cultuurhistorie. Het voortbouwen op de eigen identiteit van steden en dorpen (en het landschap) zorgt voor herkenbare en onderscheidende woon- en werkmilieus. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt aandacht gevraagd voor het behouden of versterken van de identiteit en gebruikswaarde van stads- en dorpsgebied. In figuur 3.3 is te zien dat er twee er twee lagen van toepassing zijn op het plangebied. Deze en de bijbehorende richtpunten betreffen de volgende: Steden en dorpen a. Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. b. Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. c. Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. d. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. e. Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden). f.

Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. g. Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. h. Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. i. Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht.

Figuur 3.3: Laag van de stedelijke occupatie met stad (roze) ter plaatse van de onderhavige ontwikkeling (bron: Kwaliteitskaart, Provincie Zuid-Holland). Beoordeling van de relevante richtpunten: Voor de ontwikkeling is een ontwikkelplan (OP) opgesteld met als doel de herontwikkeling goed in te passen in het bestaand gebied en een gebied met een hoge omgevingskwaliteit te realiseren. Het plangebied ligt op het scharnierpunt van de binnenstad, de historische ring en Delftse Hout. De Stalpaert van der Wieleweg is in de Welstandsnota aangemerkt als de hoofdroute van Delft. Bebouwing langs deze hoofdroute heeft een bijzonder welstandsniveau. Er worden daarom eisen gesteld aan de gevels en de hoogte van de bebouwing. In het plangebied komt geen nieuw hoogteaccent ten opzichte van het nabijgelegen hotel. Ook is het open karakter en menselijke maat van bebouwing, met name voor het zwembad en de sporthal van belang. Langs de Bieslandse Molenkade is de groenblauwe en ecologische kwaliteit leidend evenals het groene schoolplein dat aan de binnenzijde van de bebouwing bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 16

bestemmingsplan Maria Duystlaan gerealiseerd wordt. IV. Laag van de beleving De vierde laag bestaat uit de beleving van Zuid-Holland. Deze laag gaat over zorgvuldig omgaan met wat van waarde is in combinatie met het vergroten van de recreatieve gebruikswaarde van de provincie. Het betreft bijzondere plekken van cultuurhistorische waarde, maar gaat ook over het zorgdragen voor een recreatief toegankelijke provincie met een heldere groenstructuur als basis. De Laag van de beleving is niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. De cultuurhistorische en recreatieven waarden liggen niet binnen het plangebied. 3.2.3.2 Artikel 6.10: Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 2.

Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. De ontwikkeling vindt plaats binnen het BSD. De ontwikkeling wordt in paragraaf 4.13 getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. 3.2.3.3 Regionale waterkeringen (Artikel 6.22) Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich een waterkering. De locatie is bepaald in artikel 2.2. In de omgevingsverordening is het volgende bepaald met betrekking tot waterkeringen: 1. Een bestemmingsplan voor gronden waarop een regionale waterkering ligt als bedoeld in artikel 2.2, bestemt die waterkering als zodanig. 2. Een bestemmingsplan voor gronden die deel uitmaken van een beschermingszone langs een regionale waterkering, bestemt die beschermingszone als zodanig of duidt die als zodanig aan. 3.

Voor het bepalen van de omvang van de gronden, bedoeld in het eerste lid en in het tweede lid, wordt uitgegaan van de door de beheerder van de waterkering vastgestelde legger. 4. Met betrekking tot de gronden waarop een regionale waterkering of een beschermingszone ligt, kan een bestemmingsplan worden vastgesteld dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering. 5. Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het vierde lid wordt advies gevraagd aan de beheerder van de waterkering. De relatie van de ontwikkeling m.b.t. waterkeringen en andere wateraspecten wordt behandeld in paragraaf 4.9. 3.2.3.4 Klimaatverandering In artikel 6.27a van de omgevingsverordening staat dat er rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. b. c. d.

wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 17

bestemmingsplan Maria Duystlaan alsmede de effecten van de bovengenoemde risico's op het risico van bodemdaling. Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's. Door klimaatverandering wordt het in Nederland, warmer, natter en droger. Dit heeft invloed op onze leefomgeving. Zo ervaren we steeds vaker hittestress, droogte en wateroverlast door heftige regenbuien. Daarnaast neemt de kans op overstromingen toe. In de paragrafen 4.9 en 4.12 is een projectspecifieke toelichting gegeven op de gevolgen van de ruimtelijke ontwikkeling op klimaatverandering. Hieruit blijkt dat met dit plan rekening is gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering op genoemde aspecten. 3.2.4

Regionaal Structuurplan Haaglanden (2008)

Het Regionaal Structuurplan Haaglanden (RSP) is op 16 april 2008 vastgesteld door het stadsgewest Haaglanden. Het plan geeft de regionale visie weer op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio Haaglanden tot 2020 met een doorkijk naar 2030. Haaglanden kiest in het RSP voor een beperkte uitbreiding van het stedelijk gebied. De nadruk ligt op de binnenstedelijke opgave. Verdere verstedelijking gaat namelijk ten koste van het "Goud van Haaglanden", zoals de groene kwaliteiten worden aangeduid. Uitbreiding van de woningvoorraad moet zoveel mogelijk plaatsvinden binnen bestaand stedelijk gebied en er moet dus gezocht worden naar verdichtingsmogelijkheden. Daarnaast is het de ambitie van Haaglanden dat het er goed wonen, werken en ontspannen is. Herstructurering van wijken en buurten en het creëren van stimulerende omgevingen met verschillende voorzieningen is daar onderdeel van. Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. De bouw van circa 70 extra woningen op deze binnenstedelijke locatie en het realiseren van onderwijs- en sportvoorzieningen sluit aan op de doelstellingen beschreven in het structuurplan.

3.3

Gemeente

3.3.1

Omgevingsvisie Delft 2040

Op 15 juli 2021 heeft de raad de Omgevingsvisie Delft 2040 vastgesteld. In deze visie staat wat voor stad Delft in de toekomst wil zijn. De gemeente geeft in deze visie de gewenste ontwikkeling weer van de leefomgeving binnen de gemeente. Dit is de omgeving waarin de Delftenaar woont, werkt en zijn/haar vrije tijd doorbrengt. De Omgevingsvisie is de eerste stap van de invoering van de Omgevingswet in Delft. De Omgevingsvisie Delft 2040 vervangt de Stadsvisie en de Ruimtelijke Structuurvisie Delft 2030. Belangrijke speerpunten tot 2040 van de Omgevingsvisie zijn het toevoegen van 15.000 woningen en 10.000 banen. De ruimte hiervoor moet binnenstedelijk worden gevonden. De Omgevingsvisie gaat daarom uit van stedelijke verdichting en functiemenging in stedelijke dynamische gebieden. De omgevingsvisie onderscheidt een zestal opgaven, namelijk: Delft als stad van innovatie en technologie; Historie, innovatie en creativiteit kleurt cultuur en toerisme in Delft; Delft, waar het goed en gezond leven is; Duurzaam Delft is klaar voor de toekomst; Delft met voorzieningen voor iedereen; Delft bereikbaar. Daarnaast is Delft opgedeeld in een aantal deelgebieden met elk eigen gedefinieerde koersen. De Maria Duystlaan behoort tot het deelgebied 'wijken'. De sterke en levendige wijken van Delft staan voor gebiedseigen uitdagingen.

Delft heeft enkele gebieden benoemd als wijkversterkingsgebieden. Doel van de wijkversterkingsopgave is het maken van een kwalitatieve slag, in de breedste zin van het woord. Het gaat hierbij niet alleen om ingrepen in het fysieke domein, maar ook in het sociaal domein en het veiligheidsdomein, zodanig dat de domeinen met elkaar verbonden en in balans zijn. Het toevoegen van maatschappelijke waarde aan een gebied en de stad als geheel staat altijd voorop. De ambities zijn samengevat in onderstaande tabel: Tabel 3.1: Ambities wijkversterkingsopgave (bron: Omgevingsvisie Delft, p109)

bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 18

bestemmingsplan Maria Duystlaan

De Maria Duystlaan is aangewezen als wijkversterkingsproject. Daarbij worden de ambities zoals geformuleerd in de omgevingsvisie nagestreefd. Het plan sluit daarmee aan bij de Omgevingsvisie Delft 2040. 3.3.2

Kadernota 2021

In de Kadernota zijn de ambities ('opgaven') voor de stad geformuleerd. Delft zet onder meer in op het verbeteren van het vestigingsklimaat voor bedrijven en kennisinstellingen, het voorzieningenniveau en de woningvoorraad. Voor een goed en aantrekkelijk economisch ecosysteem is een blijvende stimulerende omgeving nodig: van een passend aanbod van bedrijfsvastgoed, excellente dienstverlening van de gemeente, goede verbindingen voor OV, auto en fiets tot het vergroten van gelijke kansen in het onderwijs en ruimte voor onderwijsfaciliteiten, tot bereikbaarheid van sport en een aanbod van verschillende typen woningen voor verschillende doelgroepen. Verder heeft Delft in 2040 hoogwaardige en moderne voorzieningen voor alle inwoners van de stad. Het gaat hierbij om toekomstvaste en bij de tijd behorende voorzieningen die inwoners van alle leeftijden en met alle levensstijlen kunnen bedienen. Delft heeft verder de ambitie om tot 2040 15.000 nieuwe woningen toe te voegen aan de bestaande voorraad. De nieuwe woningen zorgen ervoor dat Delft een aantrekkelijke woonstad is voor zittende en nieuwe bewoners. Op deze manier draagt de stad bij aan de regionale opgave om het vestigingsklimaat te versterken. Die ambitie is regionaal vastgelegd in het regionale investerings programma en de Roadmap Next Economy van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag.

Bovendien zorgen passende woningen ervoor dat bedrijven zich makkelijker kunnen vestigen, omdat er een goed woningaanbod met voldoende keuzemogelijkheid is voor werknemers, en studenten die na hun studie in Delft willen blijven wonen. Het realiseren van een gemengd gebied met een divers aanbod aan woningen en voorzieningen is in lijn met de Kadernota. 3.3.3

Woonvisie Delft (2016-2023)

Het gemeentelijke woonbeleid is vastgelegd in de Woonvisie Delft 2016-2023. De visie beschrijft het belang van een aantrekkelijk woonklimaat dat past bij de sociale, economische en ruimtelijke ontwikkeling van Delft en de regio. bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 19

bestemmingsplan Maria Duystlaan Het is wenselijk dat medewerkers van Delftse kennisbedrijven en (internationale) promovendi en studenten in Delft kunnen wonen en woonruimte kunnen vinden in de stad. Ook zouden meer afstudeerders van de TU ervoor moeten kunnen kiezen om na hun studie in de stad te blijven wonen. Delft is een solidaire kennisstad; een stad van mensen die bij elkaar horen en elkaar steunen met voldoende en kwalitatief goede woningen, met name ook voor ouderen en zorgafhankelijke doelgroepen. Het aantal inwoners en ook het aantal huishoudens in Delft is groeiende, nu maar ook in de komende jaren. De druk op de Delftse woningmarkt is groot. Steeds meer mensen willen in de nabijheid van goede voorzieningen, openbaar vervoer en een baan wonen. Daarnaast is er een toename van het aantal 1- en 2- persoons huishoudens, blijven ouderen steeds langer thuis wonen en wonen meer kwetsbare mensen zelfstandig in de wijken. Zoals vastgelegd in de Woonvisie 2016 – 2023 is de Delftse woningmarkt niet in balans. Vooral het aandeel woningen in het middeldure en hogere segment is ondervertegenwoordigd. De Woonvisie beschrijft het belang van een aantrekkelijk woonklimaat met vitale stedelijke woonmilieus dat past bij de sociale, economische en ruimtelijke ontwikkeling van Delft en de regio.

Voor een betere balans is een stevige verschuiving noodzakelijk naar woningaanbod dat bijdraagt aan meer diversiteit en een aantrekkelijk levendig karakter van de stad en aan een evenwichtige opbouw van de wijken met een passende voorzieningenstructuur en een aantrekkelijke openbare ruimte. Studentenwoningen dienen vooral gerealiseerd te worden in de nabijheid van de TU en de hogescholen op de campus en in de randen daarvan. Eénzijdige gebieden met grote clusters studentenwoningen elders in de stad zijn niet gewenst. De ligging van het plangebied is geschikt voor studentenwoningen. In het woningbouwprogramma zijn woningen voor studenten ook voorzien. Op korte, middenlange en lange termijn (tot 2040) dienen in het kader van de regionale verstedelijkingsafspraken circa 15.000 woningen te worden toegevoegd en dient de bestaande voorraad toekomstbestendig en duurzaam te worden gemaakt. De uitvoering van het woonbeleid is vastgelegd in de Woonagenda 2019 – 2022. De pijlers voor de uitvoering zijn: sterke wijken, een toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad, voldoende kansen op doorstroming, geschikte woningen voor ouderen (rollator toe- en doorgankelijk) en kwetsbare groepen en studentenhuisvesting in goede banen.

Om de kansen op een woning te vergroten voor starters, doorstromers en mensen die in Delft werken en hier willen wonen en die niet in aanmerking komen voor een sociale huurwoning en niet kunnen of willen kopen is in het verlengde van de Woonagenda het Aktieplan middenhuur opgesteld en zijn afspraken gemaakt met beleggers, ontwikkelaars en woningcorporaties over nieuwbouw van middeldure huurwoningen, de wijze van samenwerking en afstemming, huurbeleid, monitoring van de toewijzing aan de doelgroep en de voortgang en ontwikkeling van dit segment. Gezien de huidige en toekomstige behoefte kent de Delftse woningmarkt vooral tekorten in het middeldure en dure segment. Voor een betere balans is een stevige verschuiving noodzakelijk naar woningaanbod dat bijdraagt aan meer diversiteit en een aantrekkelijk levendig karakter van de stad. Het onderhavige bestemmingsplan draagt bij aan de woningbouwopgave in Delft en is daarmee in lijn met de Woonvisie. De behoefte aan de voorzieningen in het onderhavige bestemmingplan wordt getoetst in paragraaf 4.13. 3.3.4

Mobiliteitsprogramma Delft 2040

De gemeenteraad heeft op 28 januari 2021 definitief ingestemd met het Mobiliteitsprogramma Delft 2040. De stad wil de komende jaren groeien in aantal inwoners en arbeidsplaatsen wat leidt tot meer mobiliteit en extra drukte op de beschikbare ruimte. Om een gezonde doorgroei van de stad mogelijk te maken met een goede bereikbaarheid, is een nieuwe balans nodig tussen de toenemende mobiliteitsvraag en de schaarse openbare ruimte in de stad. Het mobiliteitsprogramma toont de visie voor de komende 20 jaar, tot 2040, om de stad bereikbaar en leefbaar te houden. Om dit mogelijk te maken wordt ingezet op een mobiliteitstransitie waarbij de infrastructuur in de stad beter benut wordt door voorrang te geven aan ruimte efficiënte, schone, slimme en veilige mobiliteit. Het openbaar vervoer en de fiets moeten in snelheid, gemak en veiligheid een meer aantrekkelijk alternatief worden voor de auto. Ook de deelauto kan als alternatief voor de particuliere auto bijdragen aan efficiënter autogebruik. bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 20

bestemmingsplan Maria Duystlaan Concreet zijn de belangrijkste pijlers van het beleid: Ruimte geven door ruimte te maken voor: 1. meer verblijfsruimte en minder ruimte voor verplaatsen. 2. ruimte maken door minder autoritten. 3. ruimte maken door minder autoparkeren. Meer schone en actieve/ gezonde verplaatsingen in de vorm van lopen of fietsen. Verkeersnetwerken en hun onderlinge samenhang aanpassen. Openbare ruimte verbeteren. Innovatieve vormen van vervoer stimuleren die bijdragen aan de doelstellingen van het mobiliteitsprogramma. Tegengaan van 'vervoersarmoede'. Verbeteren van de verkeersveiligheid. De verkeersaspecten die samenhangen met de voorgenomen ontwikkeling worden behandeld in paragraaf 4.1 3.3.5

Nota Parkeernormen 2018 (update 2021)

Het parkeernormenbeleid van de gemeente Delft is erop gericht om bij bouwontwikkelingen in voldoende parkeercapaciteit voor zowel de auto als de fiets te voorzien. Parkeernormen zijn er niet voor om bestaande tekorten aan parkeerplaatsen op te lossen. De gemeente Delft kiest als basis voor haar autoparkeernormen de parkeerkencijfers uit CROW publicatie 317: kencijfers parkeren en verkeersgeneratie. De parkeerkencijfers van het CROW hebben tevens de input gevormd voor de oude Nota Parkeernormen 2013. Bij het toepassen van de parkeerkencijfers van het CROW zijn de onderstaande uitgangspunten gehanteerd: ln de gebieden binnenstad en schil binnenstad geldt het minimale parkeerkencijfer als referentiepunt. ln alle overige gebieden wordt het gemiddelde parkeerkencijfer als referentiepunt gehanteerd. Een uitzondering op deze toedeling is het Delftse autoluwplusgebied. ln dit voornamelijk voetgangersgebied is een geslotenverklaring van kracht, gereguleerd met behuIp van kentekenherkenning. Extra autoverkeer is in dit gebied ongewenst, daarom is in dit gebied de parkeernorm nul en is de Autoluwplusregeling van kracht. ln het autoluwplusgebied worden geen nieuwe parkeerplaatsen aangelegd. Dit betekent ook geen parkeerplaatsen op eigen terrein. Binnen de parkeerkencijfers van het CROW wordt onderscheid gemaakt naar mate van stedelijkheid en ligging in de stedelijke zone.

De mate van stedelijkheid is voor de gemeente Delft vastgesteld op de hoogste categorie: zeer sterk stedelijk (dit betekent dat er in de gemeente Delft per vierkante kilometer gemiddeld meer dan 2.500 adressen gevestigd zijn). De ligging in de stedelijke zone kan per bouwontwikkeling verschillen. Bij het bepalen van de stedelijke zone wordt de ligging van de voordeur als uitgangspunt gehanteerd. Er kan voor één of meerdere functies binnen een bouwontwikkeling sprake zijn van bijzondere omstandigheden op basis waarvan een alternatieve toepassing van parkeernormen wenselijk is. Voor deze alternatieve toepassing is in de Facetherziening Parkeren (artikel 5.3 onder a) een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Via bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van de normatieve parkeerbehoefte. Wanneer verwacht wordt dat een bouwontwikkeling vergezeld zal gaan met een relatief hoog fietsgebruik, en er derhalve meer fietsparkeerplaatsen gerealiseerd worden dan de norm voorschrijft, kan een reductie op de parkeernorm voor de auto toegepast worden. De hoogte van deze reductie is locatieafhankelijk en verschilt per situatie. De parkeerbehoefte als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt behandeld in paragraaf 4.1.

bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 21

bestemmingsplan Maria Duystlaan 3.3.6

Beleid hogere waarden geluidhinder

In het kader van ruimtelijke plannen of reconstructies van geluidbronnen wordt onderzocht wat de geluidsbelasting aan de gevels van de aanwezige geluidsgevoelige functies is. Als de in de Wet geluidhinder (Wgh) opgenomen voorkeursgrenswaarden wordt overschreden, maar de uiterste toegestane grenswaarde niet en maatregelen om de geluidsbelasting terug te dringen niet doelmatig zijn of deze overwegende bezwaren ontmoeten, dan is het mogelijk om ontheffing te verkrijgen: een zogenaamde hogere waarde. Voorwaarde is wel dat een aanvaardbaar akoestisch klimaat wordt gerealiseerd. In het rapport 'Beleid hogere waarden wet geluidhinder' (geactualiseerd april 2013) is het gemeentelijk beleid opgenomen met betrekking tot deze hogere waarden. Of sprake is van in de Wet geluidhinder (Wgh) opgenomen voorkeursgrenswaarden wordt in paragraaf 4.3 behandeld. 3.3.7

Nota Groen

In 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders de Nota Groen Delft 2012-2020 en het daarbij horende Uitvoeringsprogramma nota Groen Delft 2012-2020 vastgesteld. Het beleid is niet bedoeld als bindend kader maar moet ervoor zorgen dat het groenbelang voldoende wordt betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen. Er wordt beschreven welke groene kwaliteiten in de gemeente bestaan, verloren gaan of worden toegevoegd. Het beleid is onder meer gericht op het versterken van biodiversiteit, goed openbaar groen en het handhaven van een evenwichtige verhouding tussen groen, bebouwing en verharding, gebaseerd op de zowel de ruimtelijke, sociale, ecologische, economische en fysische waarden van groen. Het beleid streeft naar een samenhangend, verbonden en fijnmazig groen netwerk. In het ontwikkelingsplan dat is opgesteld bij de Maria Duystlaan en omgeving worden de nabijgelegen groenstructuren geborgd. Het onderhavige bestemmingsplan is in lijn met de Nota. 3.3.8

Waterplan Delft, een blauw netwerk (2000)

Het Waterplan is gericht op het realiseren van duurzaam stedelijk waterbeheer. Vanuit een integrale visie op duurzaam stedelijk waterbeheer en rekening houdend met de specifieke situatie in Delft (kansen en knelpunten) beschrijft het Waterplan de ambities en doelstellingen voor de Delftse wateren op de lange termijn. Duurzaam waterbeheer richt zich op het realiseren van gezonde en veerkrachtige watersystemen. Gezond wil zeggen: een watersysteem met een waterkwaliteit en een ecologische kwaliteit die past bij de (natuurlijke) situatie ter plaatse. Veerkrachtig betekent dat verstoringen door bijvoorbeeld extreme regenval of incidentele verontreiniging relatief gemakkelijk kunnen worden opgevangen en dat systemen zich relatief gemakkelijk kunnen herstellen van ecologische verstoringen, zoals achteruitgang of (lokaal) zelfs volledig verdwijnen van soorten. Binnen de mogelijkheden die gezonde en veerkrachtige watersystemen bieden wordt een duurzaam gebruik van watersystemen (onder meer recreatie en scheepvaart) zoveel mogelijk bevorderd. Bij duurzaam waterbeheer worden water, ecologie en ruimtelijke ordening in samenhang bezien, gebruikmakend van de 'natuurlijke' karakteristieken en de ligging van de watersystemen in het omringende landschap.

Het betekent dat wordt aangesloten bij natuurlijke processen (water als ordenend principe) en bestaande ecologische structuren, en dat hiermee rekening wordt gehouden bij de ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld bij herinrichting van woonwijken en bij nieuwbouw. De voorgenomen ontwikkeling wordt getoetst aan het vigerende waterbeleid in paragraaf 4.9. 3.3.9

Waterstructuurvisie (2006)

De Waterstructuurvisie heeft als doel het verbeteren van de waterkwaliteit en het realiseren van voldoende waterbergingscapaciteit. In de visie wordt gestreefd naar 92 m2 per hectare. Voor de realisatie van de wateropgave wordt zoveel mogelijk aangesloten bij ruimtelijke ontwikkelingen en herstructureringen. De voorgenomen ontwikkeling wordt getoetst aan het vigerende waterbeleid in paragraaf 4.9.

bestemmingsplan "Maria Duystlaan" (vastgesteld) 22

bestemmingsplan Maria Duystlaan 3.3.10 Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026 Het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) beschrijft hoe de gemeente invulling geeft aan de wettelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Daarnaast beschrijft het gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) hoe we de aankomende jaren (vanaf 2022 tot en met 2026) invulling zullen geven aan onze watertaken en hoe dit bijdraagt aan onze ambities. Daarmee geeft het vGRP ook een onderbouwing van de rioolheffing. Afvalwaterzorgplicht De gemeente is verantwoordelijk voor de doelmatige inzameling en het transport van stedelijk afvalwater. Traditioneel doet de gemeente dit door het aanleggen en onderhouden van een rioleringsstelsel. Dat stelsel vervoert, in tegenstelling tot de decentrale voorzieningen, afvalwater van huishoudens en bedrijfspanden naar de waterzuivering. De laatste jaren is er ook aandacht voor decentrale waterzuivering, waarbij afvalwater lokaal gezuiverd en hergebruikt of geloosd wordt. Hemelwaterzorgplicht De gemeente is verantwoordelijk voor de doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (regen, sneeuw en hagel) dat op openbaar terrein terecht komt. Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking en vertraagde afvoer van hemelwater.

Er zijn verschillende manieren waarop gemeentes invulling geven aan deze inspanningsverplichting. Afkoppelen is niet altijd wenselijk, zo zijn gebieden met een beperkte waterbergingscapaciteit in principe niet geschikt voor afkoppelen aangezien bij afkoppelen de afvoer naar het oppervlaktewater toeneemt. Uitgangspunt is het gescheiden inzamelen en afvoeren van hemelwater. Het hemelwater gescheiden van de vuile afvalwaterstroom verwerken is een meer duurzame invulling van de zorgplicht dan gemengd inzamelen. Het gemengd inzamelen en verwerken van hemelwater en vuilwater is een erfenis uit het verleden die vooral in de oudere delen van de stad nog vaak voorkomt. Nadeel van gemengde verwerking is dat schone waterstromen vuil worden en dat de kans groter is dat de openbare ruimte en inwoners met vuil afvalwater in aanraking komen. De gemeente anticipeert op klimaatveranderingen zodat het risico op wateroverlast in de toekomst zoveel mogelijk wordt beperkt. Het rioleringsstelsel is en wordt ontworpen om bij normale neerslag het water te kunnen afvoeren. Hiertoe wordt de landelijke richtlijn aangehouden voor de berekening van benodigde capaciteit. Bij extreme buien kan wateroverlast ontstaan. Dit betekent dat er mogelijk een aantal keren per jaar enige tijd water op straat blijft staan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12655824/1