Bijlage A Programma van Eisen MPD PvE versie 08
Tekst van het document
▪ De benodigde ruimte wordt bepaald aan de hand van de NEN1824, waarin de normatieve uitgangspunten ten aanzien van kantoorwerkplekken zijn vastgelegd. ▪ Activiteit gerelateerd werkplekconcept (plaats- en tijdsonafhankelijk werken). Hierbij wordt de werkplek gefaciliteerd op basis van de soort werkzaamheden die op de werkplek worden uitgeoefend.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 56
▪
▪
▪
▪
Dat betekent in de praktijk dat de medewerker voor verschillende soorten van zijn/haar werkzaamheden een geschikte werkplek en/of ruimte kiest. De sfeer en inrichting van de werkomgeving dient overzichtelijk te zijn om de vindbaarheid en transparantie te bevorderen. Wanden en kamers zijn transparant/ translucent om de mogelijkheid te geven collega’s te ka sere e te z e we ke werkp ekke ge ru k z j Daar j ge dt de v ge de regel: op zithoogte translucent, op stahoogte transparant. Vanuit de één-gemeentegedachte zal de inrichting van de kantoorlocaties in één stijl uitgevoerd worden. Wel is er respect voor interne subculturen die inherent zijn aan de diversiteit van producten en diensten die de gemeente verleent; Voor wat betreft de verwachte verandering van het gebruik van het kantoor als gevolg van coronamaatregelen zijn nog geen definitieve uitgangspunten geformuleerd. Als richting geldt wel dat afhankelijk van de functie van een medewerker er meer hybride, deels thuis (via telewerken) en deels op het werk, gewerkt gaat worden waarbij het kantoor meer de functie van ontmoetingsplek zal krijgen. Voorzieningen voor het hybride vergaderen (met AV-middelen in vergaderruimtes) en kleine overleg-/belruimtes en mogelijk minder werkplekken kunnen tot het scenario horen. De afdeling Facilitair zal t.z.t.
advies geven waarbij ook rekening gehouden zal worden met de functionele behoeften en organisatie-omvang van de backofficemedewerkers van Museum Prinsenhof Delft; Het beleid is dat niet wordt voorzien in gender neutrale toiletten; mogelijk gaat dit beleid in de toekomst wijzigen.
9.4.2.
Vergaderruimte, spreekruimte
Er zijn 2 vergaderruimtes, elk met een capaciteit voor 10 personen. Deze vergaderruimtes mogen visueel open zijn (bijvoorbeeld met een glaspui gescheiden van de werkplekken). De ruimtes zijn geluidsdicht. Eén van deze ruimtes ligt direct bij de directeurskamer. Indien mogelijk zijn beide vergaderruimtes te combineren tot één ruimte voor ca. 20 personen. Daarnaast zijn er 2 spreekruimtes, voor overleg met kleine groepen tot 5 personen. Hier moeten ook vertrouwelijke gesprekken kunnen worden gevoerd, deze ruimtes zijn dan ook geluidsdicht en visueel afgeschermd. 9.4.3.
Nevenruimtes bij de kantoorwerkplekken
Bij de werkplekken is een ontvangstruimte voor bezoekers aanwezig, een garderobe en zijn archiefruimtes voor administratie en collectie (geen depot) opgenomen. Bij de werkplekken ligt een print- en reproruimte. Deze biedt opstelruimte voor een printer/copier en is voorzien van de daarvoor benodigde aansluitpunten en afzuiging. In deze ruimte is ook opslag van materialen, een snijtafel etc. 9.4.4.
Bibliotheek
Bij de werkplekken is een aparte bibliotheekruimte, waar de medewerkers vakdocumenten kunnen raadplegen.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 57
9.4.5.
Pauzeruimte, kantine
Nabij de personeelsingang en bij de kantoorruimtes ligt de medewerkerskantine. Hier kan men pauzeren of lunchen. De ruimte kan ook worden gebruikt als extra vergaderruimte voor intern overleg met een wat grotere groep (ca. 15 personen). 9.4.6.
Pantry
Direct bij (of in) de pauzeruimte en bij de vergaderruimtes in de kantoorcluster ligt een pantry. In de pantry dient een spoelbak met een warm- en koud water tappunt opgenomen te worden en moet voorzien worden in een aansluiting voor een waterkoker, een koffiezetapparaat en een magnetron. Er dient voldoende ruimte te zijn voor het opnemen van een grote koelkast en vaatwasser. 9.4.7.
Medewerkersruimte, kleedruimte
Centraal, nabij de personeelsingang (bij de meldkamer/beveiligingsloge) is een multifunctionele medewerkersruimte: een lunchplek voor gastheren/gastvrouwen en baliemedewerkers, tevens de omkleedruimte voor de gastheren/gastvrouwen. Deze ruimte zal eveneens worden gebruikt voor sprekers, musici of acteurs die een presentatie geven in de evenementenruimte of de lezingenruimte, voor museumdocenten die zich voor bepaalde lessen moeten omkleden. De ruimte is voorzien van lockers om kleding op te bergen, zitmeubilair, spiegels en een wastafel. In deze ruimte is ook een eenvoudige werkplek voor de floormanagers/medewerker events. In of bij deze ruimte is verder een afsluitbare overslag plek voor goederen (bijv. aanvoer museumwinkel). Nabij de medewerkersruimte ligt een doucheruimte. 9.4.8.
Toiletten medewerkers
Zowel vanuit de kantoorruimtes en de werkplaatsen als voor de medewerkers in de entreeruimte zijn de personeelstoiletten goed bereikbaar. Toiletten algemeen De toiletruimtes zijn voorzien van zwevende toiletpotten. De aparte voorruimte heeft een passend aantal wastafels en spiegels. Mindervaliden toilet Bij de werkruimtes is een miva toilet aanwezig. Het mindervaliden toilet voldoet aan de hiervoor geldende normen en is voor alle bezoekers toegankelijk. De afmetingen zijn conform het Bouwbesluit. 9.4.9.
Kolfruimte
Voor de medewerkers is een kolfruimte aanwezig. Deze ruimte biedt privacy, is afsluitbaar van binnenuit, er is een comfortabele stoel of bank, een wastafel met warm en koud water en er is een aparte koelkast. De ruimte kan ook worden gebruikt als bidruimte.
9.5.
Expeditie, logistieke ruimtes expositie
Centraal in het gebouw, zoveel mogelijk op de begane grond, ligt een cluster met flexibel in te richten ruimtes waar kan worden gewerkt aan af- en opbouw van tentoonstellingen.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 58
9.5.1.
Transitiedepot
In deze ruimte worden ten toon te stellen objecten ontvangen of klaargezet voor transport. De ruimte moet goed, trillingvrij bereikbaar zijn vanuit de expeditie-ingang. Transport van objecten vindt niet (of zo min mogelijk) plaats via ruimtes met een andere functie (i.i.g. niet via publieksruimtes). De inrichting bestaat uit schilderijrekken aan de wand en stellingkasten. De ruimte is geklimatiseerd volgens dezelfde eisen als de museale presentatieruimtes, afsluitbaar en beveiligd (beveiligingsklasse conform PvE beveiligingsadviseur). 9.5.2.
Ruimte voor in- en uitpakken, fotografie van objecten
Deze ruimte moet goed, trillingvrij bereikbaar zijn vanuit de expeditie-ingang en het transitiedepot. Transport van objecten vindt niet (of zo min mogelijk) plaats via ruimtes met een andere functie (i.i.g. niet via publieksruimtes). De ruimte is geklimatiseerd volgens dezelfde eisen als de museale presentatieruimtes, afsluitbaar en beveiligd (beveiligingsklasse conform PvE beveiligingsadviseur). 9.5.3.
Opslag emballage
In deze ruimte worden omkistingen en verpakkingen opgeslagen. De inrichting bestaat uit stellingkasten. De ruimte is afsluitbaar. 9.5.4.
Opslag tentoonstellingsmaterialen
In deze ruimte worden tentoonstellingsmaterialen opgeslagen. De ruimte is afsluitbaar. 9.5.5.
Schone werkruimte
Deze ruimte is een werkruimte voor passe partout /inlijstwerk. De ruimte is geklimatiseerd volgens dezelfde eisen als de museale presentatieruimtes, afsluitbaar en beveiligd (beveiligingsklasse conform PvE beveiligingsadviseur). 9.5.6.
Werkruimte tentoonstellingsbouw
Dit is een niet schone ruimte, werkplaats voor de tentoonstellingsbouw. De ruimte is afsluitbaar.
9.6.
Facilitaire ruimtes
9.6.1.
Werkplaats Technische Dienst
De werkplaats voor de technische dient ligt bij voorkeur op de begane grond. Bij de werkplaats is een opslagruimte voor materialen en gereedschappen. 9.6.2.
Beveiligingsloge (meldkamer)
De beveiligingsloge biedt ruimte aan twee werkplekken. De beveiligingsloge is voorzien van een eigen pantry en een eigen toilet met wastafel. Vanuit logistieke overwegingen is er geen noodzaak om de beveiligingsloge op de huidige locatie in het gebouw te houden.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 59
9.6.3.
Schoonmaakberging en werkkasten
Centraal in het gebouw ligt een schoonmaakberging. Deze is voorzien van planken voor de opslag van schoonmaakartikelen, voorraad toiletpapier en handdoeken en tevens groot genoeg om een stofzuiger, schoonmaakkar en vloermachine op te slaan. Er dienen voor de schoonmaak meerdere afsluitbare werkkasten met een warm- en koud-watertappunt, een uitstortgootsteen en een schrobput/vuilwaterput aanwezig te zijn. Het watertappunt en de ruimte er omheen moet geschikt zijn om ook losse klimaatunits (luchtbevochtigers) te kunnen vullen. Iedere werkkast is voorzien van planken voor de opslag van schoonmaakartikelen, voorraad toiletpapier en handdoeken en voldoende ruimte voor een schoonmaakkar. De wanden, vloer en plafond van de werkkast zijn stoot-, slijt- en watervast, vochtbestendig en eenvoudig reinigbaar. De werkkast heeft ventilatie. De omstandigheden in schoonmaak en werkkasten dienen zodanig te zijn dat de kans op waterschade wordt geminimaliseerd. 9.6.4.
Afvalberging
Centraal in het gebouw ligt een ruimte voor tijdelijke afvalopslag, waar het keuken- en kantoorafval gescheiden wordt verzameld tot dit buiten wordt klaargezet voor de ophaaldienst. De ruimte heeft een luchtafzuiging en heeft een korte, gelijkvloerse looplijn naar het ophaalpunt in de openbare ruimte.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 60
10.
Duurzaamheid
10.1.
Inleiding
Het Prinsenhof is een monumentaal gebouw, dat qua duurzaamheid niet zomaar in het kader van de huidige duurzaamheidsambities van de gemeente Delft kan worden geplaatst. De omschreven ambitie en diverse voorgestelde maatregelen zijn voornamelijk van toepassing op te renoveren of nieuw aan te brengen onderdelen, zowel bouwkundig als installatietechnisch. Daar waar duurzaamheidambities en maatregelen het monumentale gebouw aantasten, is de mening van monumentenzorg maatgevend. Het gebouw moet in de nieuwe situatie daar waar dit reëel mogelijk is, passen binnen de duurzaamheidsambities van de gemeente Delft (zie ook paragraaf 4.2.5). Op welke wijze dit mogelijk is, gegeven de eigenschappen van het gebouw, moet door het ontwerpteam in nader overleg met gemeente Delft worden uitgewerkt. Hierop vooruitlopend zijn in dit hoofdstuk enige globale uitgangspunten opgenomen. Uitgangspunt is de stapsgewijze reductie van CO2-emissie, waarbij gebruik wordt gemaakt van de maatregelen gebaseerd op de Trias Energetica 1. beperking energievraag 2. gebruik duurzame energie 3. het zo efficiënt mogelijk gebruiken van fossiele brandstoffen om in de resterende energiebehoefte te voorzien. De opdrachtgever heeft belang bij een optimaal duurzaam gebouw waarin energiebesparing, energiezuinige opwekking en zo mogelijk circulair bouwen aandacht hebben gekregen. Uitgangspunt hiervoor is BREEAM-in-Use.
Door het ontwerpteam wordt onderzocht in hoeverre deze maatregelen ingepast kunnen worden en welke impact dit heeft. Het begrip duurzaamheid heeft betrekking op diverse aspecten, zoals: ▪ beperking van de vraag tot de werkelijke behoefte ▪ gebruik van hernieuwbare en duurzame materialen en energiebronnen, beperken grondstofgebruik ▪ verstandig en efficiënt gebruik van eindige bronnen ▪ beperking van het energiegebruik ▪ beperking van het watergebruik ▪ het beperken van het materiaalgebruik ▪ de keuze van het materiaal ▪ levensduurverlenging door onderhoud en reparatie ▪ de kwaliteit van het binnenklimaat ▪ comfort ▪ de leefbaarheid van de omgeving ▪ het ecologisch evenwicht ▪ toekomstbestendigheid. In de hierna volgende paragrafen van dit hoofdstuk worden aan het ontwerpteam een aantal handreikingen gedaan met mogelijke duurzaamheidsmaatregelen die, voor zover passend bij gebouw (monument), functie (museum) en budget in het ontwerp kunnen worden opgenomen en daarmee kunnen bijdragen aan het realiseren van de nagestreefde duurzaamheidsambitie.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 61
10.2.
Duurzaamheidsambitie zuinig met energie en grondstoffen
Het streven is dat het gebouw na de verbouwing/renovatie zo energiezuinig mogelijk is en de aanpassingen aan het gebouw het milieu zo min mogelijk belasten. Het gebouw met de aanpassingen is daarom zodanig gedefinieerd dat het gedurende de gebruiksperiode een minimaal beslag legt op grondstoffen. Er wordt bij de renovatie/verbouwing, gebruik gemaakt van bouwstoffen die afkomstig zijn van hergebruikte grondstoffen of halffabricaten die ook in de toekomst weer maximaal herbruikbaar zijn. Indien dit niet leidt tot een verhoging van de investering, dient in de betreffende gebouwdelen zoveel mogelijk te worden gekozen voor vernieuwbare en duurzame primaire grondstoffen, kringloopmaterialen en industriële reststoffen als bouwstoffen. Daarvan wordt verwacht dat zij minimale schade aan het milieu of de gezondheid kunnen veroorzaken. Voor het gebouw wordt zoveel mogelijk gekozen voor oplossingen die, zonder een verhoging van de investeringskosten voor het betreffende gebouwonderdeel, een beperking van het energieverbruik tot gevolg hebben.
Alle mogelijk van toepassing zijnde energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd die binnen de technische levensduur van het voorgestelde valt, dienen om financiële redenen kenbaar gemaakt te worden aan de opdrachtgever en zullen door het ontwerpteam zodanig uitgewerkt worden dat een onderbouwde keuze kan worden gemaakt over het al dan niet toepassen van deze duurzaamheidsmaatregel. Bij een keuze tussen verschillende maatregelen zoveel mogelijk kiezen voor maatregelen waarvan het resultaat niet of slechts beperkt afhankelijk is van de medewerking van gebouwgebruikers. Algemeen belangrijke kwalitatieve uitgangspunten voor duurzaamheid zijn: ▪ Energie van externe primaire energie r e de e de categ r e “re ewa e e ergy” te va e ▪ Toegepaste installatieconcepten en componenten moeten toekomstbestendig en voldoen aan de laatste beschikbare techniek (met name zal ten tijde van de oplevering, de meet en regeltechnische hard en software niet ouder dan 2 jaar mogen zijn). ▪ De toegepaste componenten en fabricaten moeten zodanig worden gekozen dat nalevering beschikbaar is tijdens de levensduur van het gebouw / technische levensduur van de technische installaties.
De optimale duurzame kwaliteit voor het gebouw is gewaarborgd door een ontwerpgerichte benaderingswijze in samenhang met kwantitatief toetsbare criteria zoals verlaging van de CO₂ besparing, verlaging van onderhoud en exploitatiekosten. Onder de ontwerpgerichte benadering wordt verstaan dat alle ontwerpbeslissingen weloverwogen worden genomen met als basisuitgangspunt de voorgenoemde duurzaamheidsaspecten.
10.3.
Uitwerking duurzaamheidsambitie
Bij de uitwerking van het ontwerp dient het ontwerpteam zoveel mogelijk energiebesparende maatregelen, duurzame materialen en exploitatiekostendrukkende maatregelen op te nemen (via een LCC (Life Cycle Costing) analyse getoetst voordeel aan te tonen). In de verschillende hoofdstukken is meer in detail ingegaan op de verschillende maatregelen. Denkrichtingen, voor zover deze niet reeds onderdeel zijn van dit PvE, hierbij zijn: ▪ Duurzame & onderhoudsarme materialen; ▪ Een bouwfysisch geoptimaliseerd thermisch isolatiepakket; ▪ Gebruik van de gebouwmassa voor passieve koeling;
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 62
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Synergie tussen verschillende installatieonderdelen; Energiezuinige/ regeneratieve liften; Toepassen duurzame energieopwekking (warmtepomp, zonneboilers, pv panelen); Waterbesparing en hergebruik water Optimale warmteterugwinning; Tijd-gestuurde (Infrarood) bediening voor douches en kranen.
10.4.
Circulair bouwen
Circulaire economie, het principe om afval te voorkomen en grondstoffen te hergebruiken is belangrijk. Het principe van circulair bouwen is een wens die graag ingevuld wordt bij de ontwikkeling van het project, daar waar dit geschikt en mogelijk is. Belangrijke aspecten waaraan bij circulair bouwen gedacht wordt zijn: ▪ circulair ontwerpen; ▪ product hergebruik; ▪ hoogwaardige recycling van grondstofstromen; ▪ registratie in een materialenpaspoort. In het werken aan een circulaire economie zit er een bepaalde hiërarchie in welke activiteiten de voorkeur hebben. Daarbij staat waardebehoud van bestaande producten, onderdelen en materialen voorop. Zo wordt bij het repareren van een product meer waarde behouden dan bij het recyclen van de materialen uit een product, waarmee dit een sterkere bijdrage levert aan de circulaire economie. Op basis van het model van de Ellen MacArthur Foundation, de Ladder van Lansink, en een model van de Universiteit Utrecht stellen we voor Delft de volgende ladder in de mate van circulariteit voor: R1: Refuse en Rethink: voorkomen van grondstofverbruik R2: Reduce: verminderen van grondstofgebruik in een product (eco-efficiëntie) R3: Reuse: hergebruik op productniveau R4: Repair: hergebruik op product- of componentniveau door het onderhouden of hermaken R5: Recycle: hergebruik of materiaalniveau R6: Recover: energiewinning als gevolg van verbranden.
Circulair ontwerpen heeft o.a. betrekking op optimaal gebruik maken van de bestaande gebouwdelen en ruimtes en de nieuwe functies zodanig situeren dat zo min mogelijk aanpassingen en installaties nodig zijn.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 63
11.
Technische Kwaliteitseisen
11.1.
Inleiding
Voldoen aan klimaateisen is in monumentale gebouwen geen eenvoudige optelsom van maatregelen. Klimaateisen, onder andere volgens ASHRAE, kunnen grote invloed hebben op het gebouw, maar ook het gebouw en de bezoekers hebben grote invloed op de klimaateisen ter plaatse van de tentoongestelde stukken. De omschreven technische streefwaarden voor klimaat, licht, geluid etc. vormen het uitgangspunt voor de ontwikkeling van het ontwerp. De geformuleerde kwaliteitseisen zullen gedurende het ontwerp door het ontwerpteam getoetst worden op haalbaarheid in al zijn aspecten. Bijvoorbeeld klimaateisen in relatie tot de bouwfysische mogelijkheden van de gevel; vocht en temperatuur vormen hierbij een belangrijk aspect. Indien uit de bouwfysische of installatietechnische beperkingen blijkt dat een wenselijke klimaateis niet realiseerbaar is, zal hierover met de opdrachtgever/gebruiker gecommuniceerd worden en kan dit leiden tot een aanpassing van de kwaliteitseisen. De monumentenadviseur van de gemeente Delft zal nadrukkelijk betrokken moeten worden bij al die ontwerpaspecten die invloed hebben op het monument. Het voldoen aan wettelijke eisen biedt geen garantie voor een goed museaal binnenmilieu. De wettelijke eisen zijn minimumeisen waaraan in elk geval moet worden voldaan.
In dit hoofdstuk en de hoofdstukken 12 t/m 15 worden op gebouwniveau en op hoofdlijnen de prestatie eisen voor het gebouw en de gebruiksfuncties nader beschreven. De in dit hoofdstuk vermelde technische kwaliteitseisen moeten worden gerealiseerd door middel van bouwkundige en/of installatietechnische voorzieningen. Het ontwerpteam moet heldere, inzichtelijke en integrale afwegingen maken voor de bedachte ontwerpoplossingen als het gaat om aspecten zoals minimaal vereiste ruimtecondities, het beperken van energiegebruik, beperking van exploitatiekosten, dus onderhoudskosten, en vervangingskosten op basis van technische levensduur, duurzaam bouwen, welzijn en comfort, architectuur en dergelijke. Aan de hand van LCC (Life Cycle Costing) berekeningen zullen de verschillende afwegingen financieel inzichtelijk moeten worden gemaakt. Ook de bouwkundige en installatietechnische voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van de inrichting en apparatuur (inclusief de door derden te leveren inrichting en apparatuur) behoren tot de opdracht van het ontwerpteam.
11.2.
Algemene eisen
Voor een overzicht van de technische kwaliteitseisen op ruimteniveau verwijzen wij naar de ruimtematrix (bijlage 6). De eisen die in dit Programma van Eisen en de ruimtematrix zijn uitgewerkt gelden als aanvulling op of als verdere specificatie van de gestelde eisen in de ondergenoemde documenten. Ten behoeve van de technisch kwaliteit van het te ontwikkelen gebouw, inclusief installaties, moet onder andere worden uitgegaan van de volgende documenten: ▪ Voor museale ruimten: ASHRAE applications handbook meest recente versie (2019): chapter 24: Museums, Libraries and Archives. Gestreefd moet worden naar het realiseren van klasse A1 in het gehele museum.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 64
Gaandeweg de ontwerpfase zal nader gedifferentieerd moeten worden welke klasse in de betreffende ruimte realiseerbaar is. Uitgangspunt voor het thermisch comfort in de kantoor-, en verkeersruimten (niet zijnde museale functies): Handboek bouwfysische kwaliteit Gebouwen, versie 2.30 d.d. juni 2018 van de Nederlands Vlaamse Bouwfysica Vereniging. Het algemenen uitgangspunt hierbij is kwaliteitsniveau 'goed' (B) Voor het thermisch binnenklimaat geldt echter het prestatieniveau Klasse B volgens de ISSO 74. De waarden zoals deze zijn vermeld in de ruimtematrix zijn basis eisen. Als het ontwerp in relatie tot het gebruik aanleiding geeft om betere eisen toe te passen, zal het ontwerpteam dit tijdig kenbaar maken aan de opdrachtgever. Indien de eisen voor een specifieke ruimtefunctie niet zijn opgenomen in de opsomming van documenten, moet worden uitgegaan van de eisen van de best passende / vergelijkbare ruimtefunctie, die wel is opgenomen in genoemde documenten. Bij discussie over de te hanteren ontwerpuitgangspunten voor deze ruimte, geldt de zwaarste eis, een en ander door de opdrachtgever te bepalen. Middels de bepalings- en berekeningswijze, zoals opgenomen in de bovengenoemde documenten moet worden aangetoond dat aan de eisen is voldaan.
11.3.
Comfort
11.3.1.
Thermisch en hygrisch comfort
In het gebouw moet het thermisch en hygrisch binnenklimaat zodanig zijn dat de aan de ruimte toebedeelde functies optimaal kunnen worden uitgevoerd. Om een goed binnenklimaat te realiseren, dient een goed samenspel tussen gebouw, gebouwinstallaties, regeling en inrichting plaats te vinden. Hiertoe worden gedurende de zomerperiode onder andere nadere eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare ruimtetemperatuur en in het stookseizoen aan de minimaal toelaatbare ruimtetemperatuur. Met name in de museale presentatieruimtes moeten de schommelingen van temperatuur en relatieve vochtigheid binnen de gestelde eisen vallen. 11.3.1.1. Temperatuur De gestelde eisen voor zowel temperatuur als energiezuinigheid worden bereikt door zoveel mogelijk gebruik te maken van passieve bouwkundige voorzieningen, zoals goede thermische isolatie, hoog rendementsbeglazing, zonwerende voorzieningen en door gebruik van het accumulerende vermogen van gebouwmassa. Uitgangspunt voor het thermisch comfort in de kantoor en verkeersruimten (niet zijnde museale functies), is Categorie B uit NEN-ISO 7730:2005 In deze norm zijn naast de eisen aan de toegestane ruimtetemperatuur, eisen gesteld aan de vloertemperatuur, temperatuurgradiënt (temperatuursverloop over de hoogte van een ruimte), de zogenaamde stralingsasymmetrie, toegestane luchtsnelheid en tocht.
Op basis van onderstaand referentiejaar wordt een temperatuur overschrijdingsberekening (TOB) gemaakt waaruit moet blijken dat aan de eisen van deze vraagspecificatie worden voldaan.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 65
TOB ontwerpuitgangspunten ▪ referentiejaar RA 2008 T1 ▪ personenbelasting: werkplekken o.b.v. maximaal aantal werkplekken, gedurende 8 uur ▪ personenbelasting: vergader/spreekkamers o.b.v. maximaal aantal personen volgens pers/m². gedurende 2 maal 3 uur verdeeld over de dag ▪ apparatuurbelasting, volgens Isso, werkplek PC gebaseerd op monitor 22" ▪ apparatuurbelasting laptop gebruik voor het aantal personen in de vergader / spreekruimten ▪ verlichting; volgend uit ontwerp, doch minimaal 5 W/m² Voor de temperatuur in al de kantoor en verkeersruimten betekent dit globaal het volgende: Bij hoge buitentemperaturen in de zomerperiode mag de binnentemperatuur beperkt oplopen; de temperatuur in de zomerperiode mag hierbij niet meer dan de volgens de vereiste klasse gestelde maximale gewogen uren per jaar hoger zijn dan 25,5 oC. 'Gewogen' betekent dat 1 uur van 27,5 oC circa 2x zo zwaar weegt als 1 uur van 26,5 oC. In aanvulling op deze eis geldt dat in de TOB de temperatuur nooit hoger dan 28oC mag zijn. Om dit te realiseren moet gebruik worden gemaakt van actieve koeling. Door het ontwerpteam zal eerst 3 maatgevende ruimten berekend worden via de GTO en ATG methode om te beoordelen welke methodiek het beste aansluit bij de wensen van Museum Prinsenhof Delft.
Het ontwerpteam zal hierin tevens een adviserende rol spelen in relatie tot comfort, duurzaamheid en kosten De klimaateisen die in de museale ruimten worden gesteld, volgen de ASHRAE systematiek. Zoals eerder aangegeven is de streefwaarde A1 volgens ASHRAE meest recente versie. In hoofdlijn komt dit neer op: ▪ setpoint T = 20 oC, ▪ setpoint RV = 50% ▪ beperkte afwijkingen van de ruimtetemperatuur (en relatieve vochtigheid) (2K en 5% RV) ▪ In het geval dat een overschrijding dreigt wordt de interne organisatie en de installateur (onderhoud) automatisch gealarmeerd. Meer gedetailleerde waarden per ruimtesoort staan in de ruimtematrix vermeld, zoals korte fluctuaties en ruimtetemperatuur gradiënt, alsmede acceptabele seizoen aanpassingen. De kantoorruimten zijn voorzien van een individuele ruimte temperatuurregeling d.m.v. ruimte bedienunits die zijn gekoppeld met het centrale gebouw beheer systeem (GBS), De operatieve temperatuur (zomer en winter) is individueel te regelen met een minimale bandbreedte van 4K binnen de gekozen grenswaarden. De snelheid waarmee de operatieve ruimtetemperatuur verandert is minimaal 1K per half uur. In de museale ruimten is de ruimtetemperatuur afzonderlijk centraal geregeld binnen de vereiste bandbreedte. 11.3.1.2.
Relatieve Vochtigheid (RV) De relatieve vochtigheid in de museale ruimten, schone werkruimte en transitiedepots voldoen idealiter aan de eisen volgens ASHRAE A1. Deze toegestane variatie volgt eveneens de waarden zoals vastgelegd in ASHREA A1. Omdat de ruimten afzonderlijk op de juiste conditie moeten worden gehouden, maar ook verschillend belast zullen worden, zal de regeling van de relatieve vochtigheid ook per ruimte plaats
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 66
moeten vinden. De meting op ruimteniveau moet afhankelijk van de samenstelling van de ruimte op zone-, of ruimteniveau plaats vinden. De bevochtiging wordt op een duurzame wijze gerealiseerd. 11.3.2.
Ventilatie
Het ontwerp moet zodanig zijn dat onderhoud en schoonmaak van luchtkanalen kan worden beperkt, maar ook goed mogelijk is zodat de ventilatieluchtkwaliteit ook na langere tijd nog goed is. Dit kan worden gerealiseerd door: ▪ goede kwaliteit luchtfilters toe te passen; ▪ luchtdichtheidsklasse ventilatiesysteem minimaal LUKA C; ▪ kanalen zoveel mogelijk in rond uitvoeren (bouwkundig dient hier rekening mee te worden gehouden); ▪ kanalen zo veel mogelijk op eenvoudig bereikbare plaatsen te situeren; ▪ kanalen voorzien van inspectieluiken. Het ventilatiesysteem voert lucht toe die minimaal even schoon is als de lokale buitenlucht (of de lucht na de filtersectie bij met verontreiniging belaste locaties). Het ventilatiesysteem is zodanig ontworpen, uitgevoerd en te onderhouden dat ventilatielucht onderweg niet verontreinigd raakt. De toe te voeren ventilatielucht is altijd verse ongebruikte buitenlucht. De toevoer van verse buitenlucht vindt dus rechtstreeks van buiten plaats via ventilatiekanalen of eventueel te openen ramen. De minimale eisen dienen overeenkomstig de in dit PvE gemelde eisen onder alle omstandigheden gegarandeerd te zijn zonder dat dit afbreuk doet aan de overige klimaateisen.
De wijze van ventileren dient zodanig te zijn dat een goede doorspoeling van de ruimte is gegarandeerd (hoge ventilatie efficiëntie), waarbij tevens aandacht dient te worden besteed aan een goede luchtafvoer van iedere ruimten afzonderlijk. Voor de luchtsnelheden in de leefzone van de kantoorachtige ruimten wordt de volgende grens gesteld: de zogenaamde Predicted Mean Vote (PMV) ligt tussen -0,5 en +0,5. Een en ander als functie van de luchttemperatuur en de turbulentie intensiteit. Voor de museale ruimten gelden de klimaateisen voor de volledige ruimte. Belangrijk aandachtspunt hierbij zijn bijvoorbeeld werkplekken, waarbij de kans op tochtklachten vanwege de open verbinding met de hal of de entree groot is, zoals baliewerkplekken. Balies die deel uitmaken van of grenzen aan een verkeersruimte moeten worden beschouwd als een werkplek en dus geklimatiseerd als een "kantoorfunctie". De benodigde hoeveelheid verse lucht in de leefzone is afhankelijk van de ruimtefunctie en de gebruiksintensiteit en dient afgestemd te zijn op het minimale luchtdebiet per persoon overeenkomstig de ruimtematrix. In spreekkamers, vergader- en multifunctionele ruimten, geldt een verhoogd ventilatievoud en zijn voorzien van een variabele gebruiksafhankelijke regelbaarheid.
De afvoerlucht uit de toiletten, douches, werkkasten en dergelijke, evenals de reproruimten wordt aangesloten op een separaat afvoerkanalenstelsel en op het afvoerkanaal in de directe nabijheid van de luchtbehandelingskast aangesloten om geurverspreiding in het gebouw te voorkomen. De afzuiging voor de toiletten en dergelijke functioneert in principe minimaal 1 uur na afsluiting van het gebouw.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 67
11.4.
Licht
11.4.1.
Daglicht
De positie van de werkplekken dient zodanig gekozen te worden dat daglicht aanwezig is volgens de Arbo regelgeving. Uitgangspunt is het beperken van energiegebruik (voor kunstverlichting en koeling) en het creëren van een optimale werkomgeving door optimalisatie van daglichttoetreding. Direct zonlicht dient zodanig de ruimten van het gebouw binnen te vallen dat het geen hinder veroorzaakt tijdens werkzaamheden die normaliter in de betreffende ruimte worden uitgevoerd. Daar waar zonlichttoetreding tot ongewenste gevolgen, zoals reflecties, verblinding en opwarming kan leiden, dient te worden voorzien in een mogelijkheid voor de gebruiker om de zon te weren. Ook hierbij dienen de eisen ten aanzien van spiegeling en reflectie volgens de Arbo-norm te worden toegepast. Daglicht in de museale presentatieruimtes dient goed te worden gereguleerd m.b.t. LTA, ZTA, UV-wering, kleurweergave Ra glas, maximale belichtingsduur (zie ook informatieblad nummer 13 Het beperken van lichtschade aan museale objecten: lichtlijnen, 2005 van het Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Ramen moeten voorzien worden van een UV-werende folie. De UV-wering van de eventuele nieuwe beglazing is zodanig dat deze optimaal de ultraviolette straling uit het toetredende daglicht filtert. Dit betekent dat over het golflengtegebied van 300 – 400 nm meer dan 99% van de uv-straling wordt geweerd.
De kleurweergave (Ra) van het nieuwe glaspakket bedraagt ten minste 90%.
11.5.
Geluid
11.5.1.
Nagalmtijd
De akoestiek van ruimten zoals de publieks- en presentatieruimtes wordt voor een groot deel bepaald door de nagalmtijd. Vooral in grote ruimten is het moeilijk de gewenste nagalmtijd te bereiken. Hiervoor is specifieke aandacht noodzakelijk. In deze ruimten moet voldoende geluidsabsorberend materiaal opgenomen worden. Ten behoeve van de nagalmtijd voor het middenfrequentiegebied, 250-2000 Hz, gelden de waarden zoals opgenomen in de ruimtematrix (bijlage 6). Deze zijn gebaseerd op een niet ingerichte situatie conform het Handboek bouwfysische kwaliteit voor kantoren van de NVBV. Hierin wordt rekening gehouden met een na- correctie door de inrichting. Een goede spraakverstaanbaarheid in de publieks- en presentatieruimtes is een belangrijk aandachtspunt. Bijv r ee d h der jke ( utter)ech ’s z j te v rk me d r t epass g va a scherme de e eme te c.q. materialen. Speciale aandacht wordt gevraagd voor de publieks- en presentatieruimtes. Bij werkplekken in grote ruimten en tussen werkplekken onderling akoestische maatregelen treffen zodat voldoende privacy is gewaarborgd. 11.5.2.
Geluidsisolatie
De luchtgeluidsisolatie tussen ruimten is van zodanig niveau dat geluidshinder wordt voorkomen/afdoende wordt beperkt. Voorzieningen opnemen ter voorkoming van geluidsoverdracht via andere wegen zoals omloopgeluid, flankerende overdracht, geluidslekken et cetera. Zie de eisen zoals opgenomen in de ruimtematrix (bijlage 6). Deze zijn gebaseerd op het Handboek bouwfysische kwaliteit voor gebouwen van de NVBV.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 68
Tevens moet overlast door contact- en loopgeluid worden voorkomen. Onder andere de ruimtes met harde vloerafwerking zijn een aandachtspunt. Afhankelijk van de geluidproductie in specifieke ruimten dienen maatregelen te worden genomen om de geluiduitstraling naar de omgeving te beperken tot het in de regelgeving toegestane niveau. 11.5.3.
Achtergrondgeluidsniveau
Er mag in de kantoor- en verkeersruimten geen hinder worden ondervonden van omgevingsgeluid (geluid van buiten) en/of installatiegeluid afkomstig van technische installaties (bijv. koelmachines, luchtbehandeling, keukeninstallaties etc.). Dit betreft zowel achtergrondgeluid via luchtkanalen en roosters als lucht- en contactgeluid van apparatuur. Zie de eisen zoals opgenomen in de ruimtematrix (bijlage 6). Deze zijn gebaseerd op het Handboek bouwfysische kwaliteit voor gebouwen van de NVBV, Wanneer er sprake is van een tonaal geluid, zal de geldende verzwaarde eis behorende bij een dergelijke ruimte van toepassing zijn. Tevens dient geluidhinder als gevolg van trillingen, veroorzaakt door installaties, te worden voorkomen door onder andere trilling-geïsoleerde opstelling van apparatuur of toepassing van een zwevende dekvloer. De benodigde maatregelen om hinder te voorkomen dienen te worden bepaald door het ontwerpteam. Deze eis is aanvullend op de prestatie-eis voor contactgeluidsisolatie. Naast de eisen van geluid ten gevolge van trillingen, zal ook voorkomen moeten worden dat trillingen schade aan het monument en collectie veroorzaken. E.e.a. zoals vastgelegd in de SBR-richtlijn Trillingen.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 69
12.
Bouwkundige eisen
Dit hoofdstuk beschrijft de bouwkundige eisen voor het gebouw als geheel en op ruimteniveau in hoofdlijnen, voor zover niet volgend uit de technische kwaliteitseisen. Eventueel zijn expliciete oplossingsrichtingen beschreven om de genoemde technische kwaliteitseisen te realiseren. De architect en de adviseurs moeten heldere, inzichtelijke en integrale afwegingen maken voor de bedachte ontwerpoplossingen als het gaat om aspecten zoals museale en monumentale functies, energiebesparing, beperking van onderhoudskosten, Duurzaam Bouwen, welzijn en comfort, architectuur en dergelijke.
12.1.
Bouwkundige maatregelen flexibiliteit gebruik, multifunctionaliteit
Een monumentaal pand als het Museum Prinsenhof Delft, is per definitie niet optimaal flexibel te maken. Gezocht zal moeten worden naar de mogelijkheden om ruimten meerdere functies te geven en welke mogelijkheden er zijn om in de museale ruimtes verschillende collecties met variërende eisen te kunnen exposeren. Daarnaast is er de wens om de ruimtes van het entreegebied, museumwinkel en museumcafé bij blockbusters te kunnen vergroten met een aanliggende ruimte (die dan tijdelijk een andere functie krijgt).
12.2.
Constructie
Aan de hand van de bestaande constructie zal onderzocht moeten worden welke vloerbelasting gerealiseerd mag worden, wanneer de gedachte ontwerpoplossingen hiertoe aanleiding geven. Hier is een risico dat niet alle bestaande vloeren geschikt zijn voor de te verwachten vloerbelastingen. Aandachtspunt is de vloerbelasting in de presentatieruimtes op de verdiepingen (gewicht vitrines en objecten) en in de evenementenruimtes. Voor de te verwachten variabele vloerbelasting in de museale presentatieruimtes moet worden uitgegaan van 4 tot 8 kN/m2, afhankelijk van de opstelling. De brandveiligheid van de constructie is een aandachtspunt voor het ontwerpteam. Het ontwerpteam dient het Kennisplatform Aanpak Constructieve Veiligheid te raadplegen.
12.3.
Aanpassingen aan bestaand gebouw
Nieuwe gebouwelementen moeten reversibel worden uitgevoerd wat inhoudt dat deze niet aan vaste monumentale gebouwonderdelen verlijmd of geschroefd mogen worden. Het gebruik van kit of pur-schuim daar waar nieuwe gebouwonderdelen het monument raken is niet toegestaan.
12.4.
Dak, gevels en gevelopeningen
12.4.1.
Gebouwschil
De gebouwschil vormt een belangrijk aspect binnen de mogelijkheden voor het te realiseren museale binnenklimaat.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 70
Of bouwfysische aanpassingen wenselijk of zelfs mogelijk zijn hangt van veel factoren af en is niet simpel vast te leggen in een eis voor de nieuwe Rc of U waarde, maar de streefwaarde is 3,5 m²K/W resp. 1,7 W/m²K. Onderzocht moet worden welke nieuwe streefwaarde voor het binnenklimaatsituatie wenselijk is en welke invloed deze situatie heeft op de totale gevel. Voor het behoud van het interieur en de collectie in Museum Prinsenhof Delft, is een gunstig en stabiel binnenklimaat een belangrijke factor. Dit binnenklimaat ondervindt invloed van buitenaf en met de huidige gevel inclusief de kozijnen en ramen, zal de invloed een belangrijke factor zijn. Verbetering van de gevel, inclusief de kozijnen en ramen is dus wenselijk, omdat bij aanpassing aan de eisen van het binnenklimaat overeenkomstig ASHRAE A1, zullen de verschillen in de winter in met name de absolute vochtigheid tussen binnen en buiten toenemen. Door deze grotere verschillen zal ook de warmte en damptransport toenemen en kan dit negatieve invloed op de gevel inclusief kozijn en glas hebben. Om een optimum te kunnen bereiken tussen behoud van het monument en verbetering van de bouwfysische eigenschappen, zullen verbetervoorstellen met betrekking tot de huidige bouwfysische situatie gedaan moeten worden.
Deze voorstellen moeten zodanig opgebouwd en onderbouwd zijn dat er een zorgvuldige afweging en balans kan plaatsvinden tussen monumentale waarde en comfort-, klimaat- en energiezuinigheids-eisen vanuit de museumfunctie. Aandachtspunt in de museale presentatieruimtes zijn de buitenwanden. Wanneer deze worden gebruikt als expositiewand zullen de benodigde voorzieningen moeten worden getroffen om verschillen in temperatuur tussen buitenwand en ruimtetemperatuur op te vangen, en zo te voorkomen dat er schade ontstaat (door bijv. coldspots, materiaalspanning, condens e.d.) aan gebouw of aan objectmateriaal. Een heel belangrijk item heeft betrekking op het kozijn en glas. In verband met de toename van de RV, zal met name in de winterperiode in de huidige situatie condensatie optreden, om dit te voorkomen en energieverbruik te beperken zal hiervoor een duurzame en onderhoudsarm voorstel aangedragen moeten worden. De ramen in de tentoonstellingszalen moeten verduisterd kunnen worden/UV werend kunnen worden gemaakt, in diverse gradaties al naar gelang de te tonen collectie. Daarbij moet zowel licht- als zonwering worden aangebracht. 12.4.2.
Luchtdichtheid gevel
In de basis zal voor de luchtdichtheid van de gevel uitgegaan worden van de huidige situatie. Wanneer aanpassingen aan een gevel(deel) noodzakelijk is/ of worden voorgesteld, is de Qv-10 streefwaarde 0,4 of beter.
12.5.
Vloeren en vloerafwerking
De vloerafwerking wordt bepaald door de functie en uitstraling van de ruimte en welke monumentenstatus deze bestaande vloer heeft. De bestaande historische vloeren dienen zoveel mogelijk gehandhaafd en waar nodig hersteld te worden. Voor de vloeren in de presentatieruimtes en de hiermee gerelateerde ruimtes is het volgende belangrijk: ▪ geen beweging/trillingen
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 71
▪ ▪ ▪
geschermde, zichtbare (bestaande) vloerafwerking geen gevaar voor uitglijden, geen gladde vloeren niveauverschillen duidelijk zichtbaar (geen struikelgevaar)
Op locaties waar aanpassingen aan het gebouw plaatsvinden zijn, voor zover realiseerbaar, algemeen gestelde eisen aan de vloerafwerkingen: ▪ de vloeren en de vloerafwerkingen van binnen- en buitenruimten moeten in overeenstemming zijn met de functie en het gebruik van de desbetreffende ruimte. Hiertoe dienen vloerafwerkingen in ieder geval vochtbestendig, voldoende sterk, slijtvast, splintervrij, allergeenarm, antistatisch en makkelijk te reinigen te zijn; niet glad, wel egaal; ▪ alle ondergronden van de vloerafwerkingen dienen van een robuust en slijtvast materiaal te zijn, van de juiste voorbewerking te worden voorzien en te zijn afgestemd op de functionaliteit van de ruimte ten aanzien van de te verwachten belasting; ▪ alle vloeren dienen dorpelvrij te zijn, behalve de entreedeuren en deuren naar natte ruimten; ▪ onder de entreedeuren/buitendeuren (niet zijnde vluchtdeuren) een hardstenen dorpel voorzien van neuten; ▪ de bovenkanten van op elkaar aansluitende afgewerkte vloeren of vloergedeelten moeten met elkaar stroken, ook bij verschillende afwerkingen; ▪ de vloeren dienen geschikt te zijn (onder andere voldoende stroef) voor het beoogde gebruik; ▪ in "natte ruimtes" zijn de volgende stroefheidfactoren van toepassing: toiletruimten BR/10, doucheruimten BR/11.
12.6.
Trappen
De bouwkundige voorzieningen voor verticaal transport dienen te voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit en de eisen gesteld in NPR 1815. Bestaande trappen die in het nieuwe ontwerp en routing in gebruik blijven dienen uiteraard voldoende veilig te zijn, maar hoeven niet aan de laatste normen te worden getoetst. Trapleuningen zijn daarbij een aandachtspunt. Naast deze eisen dienen de bouwkundige voorzieningen voor verticaal transport afgestemd te zijn op het specifieke gebruik in het gebouw. Zij dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de te verwachten voetgangersstromen op vlotte wijze en zonder het optreden van gevaarlijke situaties kunnen worden verwerkt. In verband met veiligheid en toegankelijkheid behoeft de afwerking van trappen en hellingbanen speciale aandacht. Belangrijk is dat trappen niet glad zijn en een bescherming hebben tegen schade.
12.7.
Binnenwanden en binnendeuren
De wanden en wandafwerking van de verschillende ruimtes kiezen in overeenstemming met het gebruik van de ruimtes en de aanwezige historische elementen. De wanden van de presentatieruimtes moeten geschikt zijn (of worden gemaakt) voor het hangen van zware objecten. De voorzetwanden die gebruikt gaan worden om collectie op te tonen moet voldoen aan de eisen van stevigheid en materiaalgebruik (geen metal stud). De wanden zijn van minimaal 18mm multiplex of 18mm mdf-zero met een afgewerkte verflaag PU lak of muurverf (latex). Deze wanden moeten een schilderij tentoonstelling kunnen dragen, maar ook wandvitrines van 100 kg, en kunstwerken van 250 kg. De wandafwerking moet o.a. geschikt zijn voor bestickering. De ruimtes voor de tijdelijke
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 72
tentoonstelling worden zoveel mogelijk voorzien van voorzetwanden (doos-principe); deze ruimtes zijn zo flexibel mogelijk te gebruiken. Wanneer de ruimtes voor de tijdelijke tentoonstelling in een eventuele nieuwe uitbreiding worden opgenomen zijn de voorzetwanden mogelijk niet nodig. Alle wanden hebben de benodigde akoestische afscheidingen c.q. afdichtingen. Ook boven de plafonds zijn de voorzieningen voldoende geluidsisolerend. Doorvoeren in scheidingswanden en boven het plafond (bijvoorbeeld kabelgoten) zijn akoestisch afgedicht met het oog op de vereiste geluidsisolatie. Op kwetsbare plaatsen waar veel bezoekers komen en/of transport van goederen plaatsvindt, is de wandafwerking slag- en stootvast. De onderste laag (5 cm) van de binnenwanden heeft een stootvaste laag zonder scherpe randen. Bij flexibele indeelbaarheidseisen (bijvoorbeeld bij de werkruimtes) gaat de voorkeur uit naar systeemwanden. Echter wel met de uitstraling van vaste wanden. Deze binnenwanden hebben achterhoutvoorzieningen voor het ophangen van lichte voorwerpen. Deze voorzieningen zijn ruim bemeten en maken een flexibel gebruik van de ruimte mogelijk. Voor de afmetingen van doorgangen in de presentatieruimtes en de hiermee gerelateerde ruimtes is het volgende een belangrijk wens: ▪ Ruimtes vaste presentatie: afmetingen deuropening ca.
240 cm hoog x 100 cm breed ▪ Ruimtes tijdelijke tentoonstellingen: afmetingen deuropening ca. 270 cm hoog x 120 cm breed ▪ Ruimtes expeditiecluster: afmetingen deuropening ca. 270 cm hoog x 120 cm breed
12.8.
Plafonds
De bestaande historische/monumentale plafonds dienen gehandhaafd en waar nodig hersteld te worden. Monumentale plafonds en balklagen waar mogelijk in het zicht houden. Voor de plafonds in de presentatieruimtes en de hiermee gerelateerde ruimtes is het volgende belangrijk: ▪ geen beweging / trillingen ▪ audiovisuele-apparatuur als beamers e.d. moeten flexibel te gebruiken en bereikbaar zijn voor aanpassingen.
12.9.
Technische ruimtes en schachten
Ten behoeve van de technische installaties worden technische ruimtes en schachten gerealiseerd die tevens voldoende ruimte bieden voor bediening, inspectie en onderhoud van de installaties en hebben geschikte toegangen voor onderhoud en vervanging van apparatuur. Ten behoeve van eventuele nog in de toekomst in te brengen installaties, moet rekening gehouden worden met een bruto m² vrij vloeroppervlak van 10% van het bij oplevering benodigde schachtoppervlak. Boven de presentatieruimtes, hiermee gerelateerde ruimtes en overige ruimtes waar zich museale objecten bevinden en boven MER/SER/UPS -ruimtes mogen geen watervoerende systemen worden aangebracht. Opstelling van een eventuele gasinstallatie dient een positie te krijgen buiten het kwetsbare erfgoed gedeelte van het gebouw.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 73
12.10.
Bouwkundige maatregelen beheer: schoonmaak, onderhoud, gebouwexploitatie
Het ontwerp van (de aanpassingen aan) het gebouw dient zodanig te worden gemaakt dat dit aantoonbaar gunstig is voor het gebouwbeheer en de beheerkosten; daarbij te denken aan het onderhoud van het gebouw, de levensduur van materialen, de schoonmaak, het energiegebruik e.d. De keuze voor de te gebruiken materialen en installaties wordt mede bepaald door de kosten die met het onderhoud gemoeid zijn. Detaillering en positionering van de gebouwonderdelen zijn zodanig dat dagelijks en periodiek onderhoud en vervanging tegen minimale kosten zijn uit te voeren. In het algemeen geldt dat voor materialen en constructie zowel interieur als exterieur 'krasvast', en 'vandalismebestendig' materiaal wordt toegepast. Daar waar meerdere materialen elkaar ontmoeten, bestaat een gelijkwaardigheid in de levensduur van diverse materialen. Voortijdige vervanging van het ene materiaal of uitgesteld onderhoud aan het andere materiaal is tot een minimum beperkt. Technische installaties dienen op meerdere plekken eenvoudig toegankelijk te zijn voor onderhoud of indien noodzakelijk voor vervanging van onderdelen. Bij het ontwerpen van schachten, plafonds en/of vloerafwerkingen moet hiermee dus rekening worden gehouden.
De ruimtes moeten eenvoudig schoon te maken zijn, hiermee rekening houden bij materiaalkeuze en detaillering (geen vuilvasthoudende materialen, geen hoekjes of nissen, voldoende stroompunten voor de stofzuiger, indien nodig schrobputten etc.). Uitzondering hierop zijn aanwezige monumentale interieuronderdelen zoals deurlijsten en plinten, deze moeten uiteraard behouden blijven. Bij het ontwerp moet verder rekening worden gehouden met maatregelen die het energiegebruik kunnen beperken. Het grootste deel van het onderhoud (en de bijbehorende onderhoudskosten) dient beperkt te blijven tot een klein aantal activiteiten, waaronder het vervangen en repareren van platte daken, schilderwerken, been her-straten van terreinen en het vervangen van vloerafwerking. Deze activiteiten zijn beperkt en eenvoudig uitvoerbaar. Het onderhoud in de exploitatiefase moet dus kunnen worden uitgevoerd met zo min mogelijk overlast c.q. impact (voor eigenaar-/gebruiker en bezoekers). Onderhoudscontracten worden bij aanbesteding van de bouw of na oplevering door de eigenaar/ beheerder(s) c.q. gebruiker(s) afgesloten. Hierop vooruitlopend dient in het ontwerp (o.a. bij de gekozen detaillering, materialen) rekening te worden gehouden met een zo eenvoudig mogelijk gebouwonderhoud en -schoonmaak. Tijdens de ontwerpfase stelt het ontwerpteam informatie beschikbaar waarmee de opdrachtgever c.q.
de bouwkostenadviseur de onderhoudskosten na ingebruikname kan inschatten en een onderhoudsplanning kan voorbereiden. Afhankelijk van de resultaten kunnen dan alternatieve materiaalkeuzes worden gemaakt. Uitgangspunt daarbij is Total Cost of Ownership. Keuzes in het ontwerp moeten kunnen worden onderbouwd met een TCO berekening.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 74
13.
Technische installaties algemeen
In dit hoofdstuk worden voor het gebouw als geheel en op ruimteniveau in hoofdlijnen de algemene eisen aan de technische installaties omschreven. Voor de meer gedetailleerde eisen op ruimteniveau verwijzen wij naar de ruimtematrix (bijlage 6). Het ontwerpteam moet heldere, inzichtelijke en integrale afwegingen maken voor de bedachte ontwerpoplossingen als het gaat om aspecten zoals museale en monumentale functies, energiebesparing, beperking van onderhoudskosten, Duurzaam Bouwen, welzijn en comfort, architectuur en dergelijke. De goedkeuring van voorgestelde zichtcomponenten kan pas plaatsvinden na fysiek bemonsterd te zijn, Tevens moet de bevestiging van de component beoordeeld worden.
13.1.
Installatieopzet
De installaties dragen bij aan een doelmatig, bedrijfszeker, flexibel en efficiënt gebruik van het gebouw en dragen bij aan het comfort ter plaatse van de werkplekken en zorgen voor een optimaal binnenklimaat in de museale ruimten. Aan de installaties van het gebouw zijn naast eerder genoemde beschrijvingen gebruikersvriendelijk. Dat geldt voor: instelbaarheid, meetbaarheid en regelbaarheid. In verband met de monumentale waarde van het gebouw moet het ontwerpteam streven naar een optimaal installatieontwerp waarbij naast de comfort en energie-eisen ook rekening gehouden wordt met de monumentale waarde van het pand. Sparingen in monumentale gebouwonderdelen moet zo veel mogelijk vermeden worden en installaties uit het zicht plaatsen. Bij het ontwerpen van de installatie zoals, opstelplaatsen van luchtbehandelingskasten en warmtepompen, zonnepanelen (indien toegepast) sparingen in dak en gevel dient rekening gehouden te worden met de monumentale waarde van het pand en het beschermd stadsgezicht; ook het daklandschap is vanuit omliggende panden te zien. Als er sprake is van PV installaties dan dient bij de uitvoering rekening gehouden te worden met de aanbevelingen van de verzekeraar.
Ook in het interieur dient bij het ontwerpen van installatie-elementen als radiatoren, kanalen, leidingen en uitblaas- en afzuigroosters rekening gehouden te worden met de monumentale interieurwaarden in het pand. Dat brengt mogelijk beperkingen met zich mee, waardoor een zorgvuldige afweging gemaakt moet worden. De technische installatie moet ontworpen en gerealiseerd zijn opdat de eisen voor de museale ruimten volgens ASHRAE klasse A1 gerealiseerd kan worden en de overige ruimten en werkplekken volgens klimaatklasse B volgens isso 74. ASHRAE A1 stelt onder andere zware eisen aan de snelheid van reageren op klimaatafwijkingen. Dit heeft betrekking op de positie en nauwkeurigheid van de meetinstrumenten, maar ook op de snelheid waarmee regelorganen kunnen reageren en daarna hoe snel en nauwkeurig de installatie in staat is de ruimteconditie weer op peil te brengen en te houden. Bij de selectie van de te installeren componenten moeten de specificaties van de componenten aantoonbaar geschikt zijn voor de betreffende toepassing. Het meten gebeurt op ruimteniveau; het regelen op zoneniveau omdat dit in verband met de aan elkaar geschakelde ligging van ruimtes op ruimteniveau in veel gevallen niet mogelijk is. De verdeling van de regelcomponenten in een ruimte moet zodanig zijn dat ook zones separaat te
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 75
regelen zijn als blijkt dat door invloeden van buitenaf of door open/geschakelde ruimten met afwijkende binnenklimaten, de klimaatprestaties in een zone achter blijven bij de rest van de ruimte en dus niet voldoen aan de gestelde eis volgens ASHREA A1. Technische ruimten en schachten beschikken over voldoende ruimte voor bediening, inspectie en onderhoud van de installaties en hebben geschikte toegangen voor vervanging van apparatuur. De reserveruimte in de schachten moeten vrij blijven van installaties tot en met de oplevering. In verband met verschil in openingstijden van het museum en de overige delen van het museum, o.a. de werkplekken, moet het mogelijk zijn de diverse installatiedelen afzonderlijk in te stellen. De voorzieningen ten behoeve van de installaties zijn optimaal geïntegreerd in de opzet, de constructie en uitvoering van de plafonds, wanden en dergelijke om een logisch verdeling te realiseren. Rekening houden met monument en de museale uitstraling van de ruimtes De installatie is zodanig dat een energetisch verantwoorde schakeling te realiseren is. Dit betekent o.a. dat niet onnodig veel verwarmd wordt om dat vervolgens later weer te moeten wegkoelen, maar ook dat enkel gelijktijdig verwarmd en gekoeld mag worden als dit noodzakelijk is om de relatieve vochtigheid binnen de gestelde marges te houden.
De installatietechnische voorzieningen voor de museale ruimten zijn optimaal ingezet om een zo goed mogelijk binnenklimaat te realiseren. In de basis wordt voldaan aan ASHRAE klasse A. Tijdens de ontwerpfase zal uit de installatietechnische EN bouwfysische mogelijkheden i.r.t. monumentale en museale functie moeten blijken welke klasse uiteindelijk gerealiseerd kan worden.
13.2.
Energiezuinigheid
Het milieu en de exploitatie kunnen door energiezuinigheid worden verbeterd. De navolgende duurzame voorzieningen dienen opgenomen te worden, of op z'n minst worden overwogen. Afwijkingen op deze voorzieningen zal beargumenteerd moeten worden: ▪ Luchtbehandelingskasten voorzien van Eurovent A certificaat en voldoet aan de ERP 2018; ▪ Luchtbehandelingskasten voorzieningen van regeneratieve en hoog rendement warmte-, en vochtterugwinning (minimaal 85%); ▪ Het toepassen van traploos regelbare IE4 toerengeregelde ventilatoren; ▪ Voor de museale ruimten een vraag gestuurde ventilatie o.b.v. personen door middel van een CO₂regeling. De vraag-gestuurde ventilatie mag geen of slechts beperkte invloed hebben op het circulatievoud in de ruimte, omdat dan het binnenklimaat te veel variaties zal vertonen en de eisen vanuit ASHRAE niet gerealiseerd kunnen worden ▪ Voor de overige ruimten een vraag gestuurde ventilatie per ruimte o.b.v. temperatuur en CO2-regeling in ruimten met een hoger ventilatievoud dan 2 of een luchtdebiet ≥250 m3/h; ▪ Toerengeregelde High Efficiency pompen; De selectie van de pompen dienen gemaakt te worden op basis van energieverbruik en optimaal werkpunt.
Voor pompen in een circulatiesysteem met vast debiet, selecteren op laagste energieverbruik bij het werkpunt Voor toerengeregelde pompen in een debietgeregeld systeem, selecteren op totaal energieverbruik waarbij te rekenen met de volgende belastingprofielen: - 100% debiet en 100% opvoerhoogte gedurende 10%van de tijd - 75% debiet en 88% opvoerhoogte gedurende 35%van de tijd - 50% debiet en 75 opvoerhoogte gedurende 35%van de tijd - 25% debiet en 63% opvoerhoogte gedurende 20%van de tijd;
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 76
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
▪ ▪ ▪ ▪ ▪
De frequentie van de pomp dient bij het werkpunt minimaal op 90% van het maximum te liggen Warmtepomp (eventueel in combinatie met warmte-/koudeopslag); toepassen van vrije koeling; Laagwater Temperatuur (LT) verwarmingsinstallatie; (betrekken in combinatie met de mogelijkheden tot verbetering van de gevel) HoogwaterTemperatuur (HT) koelinstallatie; als de relatieve vochtigheid eis volgens de gestelde ASHRAE klasse dit toelaat Waterbesparende sanitaire toestellen. (niet lager dan 6 ltr per spoeling); LED verlichtingsarmaturen; Aanwezigheidsschakeling op de kunstverlichting in het gehele gebouw, die in alle gebieden/ruimten ook kan worden overruled. In de verblijfsgebieden6 is de verlichting tevens in nader te bepalen delen schakelbaar; Daglichtafhankelijke dim regeling; Veegpulsregeling; Centrale voorziening voor toepassing van zonnepanelen. Zonnepanelen een energiezuinige opwekking voor luchtbevochtiging toepassen en aantonen op basis van TCO.
13.3.
Aansluiting op nutsvoorzieningen
Het gebouw aan te sluiten op de volgende nutsvoorzieningen (voor zover niet al voorzien): ▪ gas; ▪ water; ▪ riolering (indien mogelijk hemelwater door middel van infiltratie in de bodem of buffering voor vertraagde afvoer); ▪ elektriciteit; ▪ glasvezelaansluiting (i.v.m. beveiliging het streven naar een redundante aansluiting). In verband met uitbreiding van de technische installaties is het aannemelijk dat de E aansluiting verzwaard zal moeten worden. In het nieuwe ontwerp de meest optimale positie voor de aansluiting kiezen en grondig afstemmen met het energieleverend bedrijf. In verband met de RV eisen en de veiligheid verdient het de voorkeur een redundante wateraansluiting te realiseren. Een en ander nader te bepalen in samenhang met mogelijke duurzame energieopwekking. Het te verwachten verbruik van het gebouw afstemmen met het toeleverend bedrijf en de benodigde bouwkundige voorzieningen voor deze aansluiting opnemen. De tussen-bemetering van energieverbruik van de verschillende installaties en de verschillende verbruikers dient het mogelijk te maken de afzonderlijke energiestromen te kunnen monitoren.
6
Verblijfsgebied: conform Bouwbesluit is hiermee bedoeld een gedeelte van een gebouw met ten minste één verblijfsruimte, bestaande uit één of meer op dezelfde bouwlaag gelegen ruimtes, niet zijnde een sanitaire ruimte, technische ruimte of verkeersruimte.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft
Pagina 77
14.
Werktuigkundige installaties
In dit hoofdstuk worden voor het gebouw als geheel en op ruimteniveau in hoofdlijnen de eisen aan de werktuigkundige installaties omschreven. De architect en de adviseurs moeten heldere, inzichtelijke en integrale afwegingen maken voor de bedachte ontwerpoplossingen als het gaat om aspecten zoals museale en monumentale functies, energiebesparing, beperking van onderhoudskosten, Duurzaam Bouwen, welzijn en comfort, architectuur en dergelijke. In het Onderzoek Museaal binnenklimaat van Deerns d.d. juli 2020 (bijlage 21) zijn mogelijkheden onderzocht voor het realiseren van het gewenste binnenklimaat, op basis van een fictief vlekkenplan (ontwerpstudie Zeeuwse Jongens). Deze voorstellen zijn niet per definitie 'de oplossing' maar bieden het ontwerpteam enig inzicht van waaruit mogelijk verder ontworpen kan worden. De voorstellen in deze bijlage zijn niet bindend en kunnen tijdens het ontwerp zeker veranderen of geoptimaliseerd worden.
14.1.
Warmte- en koudeopwekking
De verwarming- en koelinstallaties hebben voldoende capaciteit om de comfort-, en museale-eisen in de ruimten van het gebouw te realiseren (een goed klimaat voor objecten, maar ook comfortabel en gezond voor mensen). In de museale ruimten moeten te allen tijde het binnenklimaat gegarandeerd worden. De samenstelling van het vermogen moet zodanig verdeeld zijn over de verschillende warmte,- en koudeopwekking systemen, dat bij uitval van een der opwekkers, voor de museale ruimten voldoende capaciteit over blijft om het binnenklimaat te garanderen. Uitgangspunt is een energiezuinige wijze van warmte- en koudeopwekking voor zowel gebouwverwarming/-koeling als voor warm tapwater. Tevens specifieke ruimten, zoals een serverruimte en overige ICT-ruimten eveneens energiezuinige koeling toepassen.