CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage A Programma van Eisen MPD PvE versie 08

Commissie Economie, Financiën en Bestuur 22 juni 2021, gemeente DelftBij agendapunt: Raadsvoorstel over Van visie naar ontwerp Prinsenhof Delft start ontwerpfase (2122454)34.659 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

14.2.

Klimaatinstallatie

De klimaatinstallaties dient zodanig te worden ontworpen en gerealiseerd dat het vereiste binnenklimaat te allen tijde kan worden gerealiseerd met inachtneming van de overige comfort-, en museale-eisen, zoals tocht en koudeval. Een goede doorspoeling van de ruimten met ventilatielucht waarborgen door de keuze voor het luchtbehandelingsysteem en de toevoercomponenten die niet vervuilen door inducerende werking. Het luchtbehandelingssysteem ontwerpen in samenhang met de koeling en verwarming van de ruimten. De installatie is zodanig dat: ▪ de installatie in de ruimten waar de werkplekken zijn ondergebracht, door de individuele gebruiker handmatig bedienbaar is zowel voor de verwarming en koeling, en het ventilatiedebiet, bij een hoger ventilatievoud dan 2; ▪ de snelheid waarmee de operatieve ruimtetemperatuur verandert minimaal 1K per half uur is; ▪ er (per ruimte) ventilatielucht mechanisch wordt toegevoerd en afgezogen;

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 78

▪ ▪ ▪

▪ ▪ ▪ ▪ ▪

▪

tijdens bedrijfsuren geen recirculatielucht wordt gebruikt in de niet museale gebieden/ruimten; energievernietiging door gelijktijdig koelen en verwarmen wordt voorkomen; (tenzij dit vanuit vochteis noodzakelijk is); bij apparatuur waarbij warmte en eventuele schadelijke stoffen en dampen vrijkomen, zoals grotere printers, kopieerapparatuur en lichtdrukmachines, is een afgescheiden opstelling van deze apparaten en gescheiden afzuiging vereist; de geluidsproductie van het ventilatiesysteem blijven binnen de in dit PvE genoemde waarden. Waarbij tevens gelet wordt op hinder tgv eventueel tonaal geluid de leidingen en appendages thermisch geïsoleerd zijn. Lekdetectie aanwezig is in zowel het cv als gkw systeem naast de mechanische toegevoerde lucht er mogelijkheden in de kantoren zijn om via te openen delen verse buitenlucht toe te staan. Het luchttoevoerdebiet in het gebouw is zodanig dat er, na aftrek van de luchthoeveelheden van de mechanische afzuigsystemen, 10% meer lucht wordt toegevoerd en er een geringe overdruk ontstaat. Uiteraard geldt dit niet voor museum café, keukens, natte ruimten e.d. waar juist een onderdruk gewenst is om geurverspreiding naar de omgeving te voorkomen. Er voorzieningen zijn getroffen zodanig dat een systeemwater lekkage van de klimaatinstallaties geen waterschade kan veroorzaken en er waterdetectie is aangebracht.

14.2.1.

Luchtbehandelingskasten

De luchtbehandelingskasten voldoen aan de laatste richtlijnen en eisen met betrekking tot o.a. duurzaamheid. De luchtbehandelingskasten zijn dubbelwandig en koudebrugvrij. Kleppensecties, filterframes, verwarmings- en koelerbatterijen zijn behandeld met een corrosiewerende coating. De bevochtiging-, en filtersectie is gemaakt van r.v.s. 316 ter voorkoming van doorroesten. Minimaal zal een Filter ISO ePM1 85% toegepast moeten worden, waarbij rekening moet worden gehouden met de standtijd van het filter in relatie tot het gebied, dus indien noodzakelijk zal een voorfilter ISO ePM10 60% aanvullend toegepast moeten worden. Aanvullende filters i.v.m. museale eisen zullen in de ontwerpfase door het ontwerpteam moeten worden onderzocht. Additionele voorzieningen i.r.t. bedrijfszekerheid voor de museale ruimten zoals een elektrisch verwarmingselement te overwegen. Aanzuiging van ventilatielucht bij voorkeur niet bovendaks, maar in ieder geval op een niet-zonbelaste oriëntatie. Enkel bij aanwarmen moet het mogelijk zijn te recirculeren en voor Vrije koeling is het via een bypass mogelijk zonder warmteterugwinning verse lucht toe te voeren. 14.2.2.

Luchtkanalen

Het kanalensysteem voldoet aan luchtdichtheidsklasse LUKA C en dient overeenkomstig de geëigende beproevingsmethode volgens Luka aangetoond te worden. Vanuit duurzaamheidsoogpunt en geluid, de luchtsnelheden beperken en al de rechthoekige kanaalaftakkingen (zowel in de schachten als op de verdiepingen) in het toevoerkanaal als splitsing uitvoeren. De ronde kanalen een stromende aftakking onder 45°. De kanaalafmetingen kiezen binnen het voorkeursgebied zoals door Luka is aangegeven. In de luchtkanalen inregelvoorzieningen opnemen om een luchtbalans te realiseren. Het buitenlucht aanzuigkanaal is inwendig dubbel gebitumeerd. De buitenlucht aanzuig-, en afblaaskanalen zijn uitwendig thermisch en dampdicht geïsoleerd. De luchttoevoerkanalen zijn uitwendig thermisch geïsoleerd. Isolatie is voldoende beschermd om in de gebruiksduur onnodige beschadiging te voorkomen. (kanalen in de buitenlucht zijn voorzien van stuco beplating) In kanalen waar nodig overspraakdempers toepassen.

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 79

De inregelvoorzieningen in de kanalen moeten op logische en bereikbare plaatsen worden gepositioneerd Brandkleppen dienen tevens zodanig gepositioneerd te worden dat deze op een eenvoudige wijze zijn te inspecteren. De kanalen moeten voorzien worden van de benodigde inspectieluiken onder andere ter plaatse van brandkleppen. De toe te passen inregelvoorzieningen moeten standaard voorzien zijn van een stand-aanduiding en een vastzetinrichting. De installatiecomponenten die aangesloten worden met (akoestische) slangen, dienen met metalen slangklemmen te worden bevestigd (tyraps volstaan niet). Om energieverspilling te minimaliseren de weerstand in het luchtkanalensysteem minimaliseren door lage luchtsnelheden vloeiende bochten en lage benodigde voordrukken bij roosters. Ook de infrastructuur en p s t es va de LBK’s a stemme p ee z ’ aag m ge jke weersta d Ontwerpluchtsnelheden in de kanalen mogen onderstaande waarden in principe niet overschrijden: ▪ Hoofdkanalen in de schacht, technische ruimte of bovendaks: 6 m/s ▪ Hoofdkanalen op de verdiepingen: 4,5 m/s ▪ Aansluitkanalen naar luchttoevoer componenten: 3 m/s Indien er situaties zijn dat de luchtsnelheid hoger moet zijn in verband met de vereiste luchthoeveelheid en beperkt beschikbare ruimte, zullen akoestische maatregelen getroffen moeten worden om geen geluidshinder te veroorzaken.

Om het brandrisico van de luchtkanalenisolatie te minimaliseren dient de toegepaste isolatie te bestaan uit een moeilijk brandbaar materiaal met FM approval (FM approved//B-s3 d0). 14.2.3.

Luchtbevochtingsinstallatie

De noodzaak voor actieve bevochtiging is in de museale ruimten absoluut aanwezig, Noodzakelijk is dat bacteriële, chemische en fysische verontreinigingen worden vermeden. Stoomlans in kanaalstukken zijn niet toegestaan. Indien om zwaarwegende redenen losse units worden opgesteld in de tentoonstellingszalen als alternatieve oplossing voor luchtbe-/ontvochtiging, moeten er aparte aansluit- en afvoerpunten worden gerealiseerd voor vullen en weggooien van water uit de tanks (niet in toiletten of bij brandhaspels). 14.2.4.

Mechanische ventilatie

algemeen De benodigde hoeveelheid verse lucht in de leefzone is mede afhankelijk van de ruimtefunctie en de gebruiksintensiteit en dient afgestemd te zijn op het minimale luchtdebiet per persoon volgens de ruimtematrix. De luchtsnelheden in de leefzone voldoen aan de maximale toelaatbare waarden conform de NEN-norm. Een en ander als functie van de luchttemperatuur en de turbulentie intensiteit. Belangrijke aandachtspunten hierbij zijn bijvoorbeeld werkplekken waarbij de kans op tochtklachten vanwege de open verbinding met de centrale hal of de entree groot is, zoals baliewerkplekken.

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 80

Werkplekken die deel uitmaken van of grenzen aan een verkeersruimte worden beschouwd als een kantoorruimte. Luchttoevoercomponenten (roosters) worden zo geselecteerd dat zij niet vervuilen door inducerende werkingen en zo gepositioneerd dat zij een optimale doorspoeling van de ruimte realiseren zodat de eisen volgens ASHRAE klasse A1 gerealiseerd wordt. Voor de afvoer van ventilatielucht dient tevens aandacht te worden besteed aan een goede luchtafvoer van iedere ruimten afzonderlijk. De luchtafvoer vindt plaats via een afvoerkanalenstelsel per ruimte. Een of meerdere centrale afzuigpunten zijn toegestaan, mist dit geen tocht en geluidsklachten geeft en een goede doorspoeling van de ruimte niet in de weg staat. Overzicht per ruimtesoort (gebruiksfunctie) is in detail weergegeven in de ruimtematrix 14.2.5.

Mechanische afzuigvoorzieningen

De afvoerlucht uit de toiletten, keuken douche, werkkasten en dergelijke alsmede de repro-ruimten wordt aangesloten op een separaat afvoerkanalenstelsel en in de nabijheid van de luchtbehandelingskast gekoppeld op het afzuigkanaal. De eventuele afzuiging ten behoeve van de repro-ruimte is gekoppeld aan de opgestelde apparatuur De mechanische afvoerventilatie voor de keuken zal vooralsnog gebaseerd worden op de volgende apparatuur ▪ Elektrisch koken met 2 posities, merk n.v.t., 380V/16 amp, ca 20KW ▪ Combi-oven 380V, 32amp /ca 30KW, 10 posities, merk Rational met condens afvoer en koud water aanvoer ▪ 380V 16 amp Koffiezetsysteem ca 20KW (doorloopzuil 2x 20ltr) met condens afvoer en koud water aanvoer ▪ Extra 1x 380V aansluiting max 40KW/32amp voor adhoc bijplaatsen specifieke apparatuur of een extra mobiele stroomverdeel kast ▪ Extra 5x 230V a 3500W groepen voor inpluggen van adhoc mobiele warmte kasten, warmte ketels, losse apparaten. 14.2.6.

Specifieke eisen

▪ Computer/serverruimten worden op overdruk gehouden om stofinfiltratie te voorkomen. De benodigde koelcapaciteit nader te bepalen op basis van de nog aan te schaffen apparatuur. - SER-ruimte, bij voorkeur koeling via toe te voeren ventilatielucht (vooralsnog 500 W aan te houden). - MER-ruimte een stand-alone voorziening opnemen (vooralsnog 7500 W aan te houden). ▪ Indien er sprake is van PV-panelen op eigen terrein, de ruimte waar de omvormers voor de PV-panelen in worden geplaatst voorzien van voldoende ventilatie en een maximale ruimte temperatuur van 25 graden C. ▪ Ruimten met lucht- of geurverontreiniging (keukens, toiletten en dergelijke) worden op een onderdruk gehouden om verspreiding van verontreinigingen naar de overige ruimten afdoende te beperken. Overstroom voorziening via deurspleet, maximaal 1,5 cm en luchtsnelheid niet hoger dan 1 m/s. anders zichtdichte wand of deurroosters toepassen.

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 81

▪ Na de bedrijfstijd blijft de afzuiginstallatie voor onder andere toiletten en werkkasten minimaal 1 uur in bedrijf. ▪ Eventueel inpandige containerruimte en (brom)fietsenstalling mechanisch afzuigen. 14.2.7.

Koelinstallatie

De koudeopwekking is voorzien van een milieuvriendelijk koudemiddel. In verband met geluiduitstraling bij voorkeur in splitopstelling uitgevoerd, waarbij het compressordeel is voorzien van een akoestische omkasting tegen geluiduitstraling naar de omliggende ruimten en is opgesteld op een betonnen opstorting en voorzien van trillingsdempers.

14.3.

Sanitaire installatie

14.3.1.

Ruimtes met wateraansluiting en afvoerpunt

In de volgende ruimtes moet worden voorzien in een watertap- en afvoerpunt opgenomen in een voor de ruimtefunctie geëigende sanitaire voorziening (wasbak, wastafel e.d.): ▪ keukenruimtes, afwaskeuken ▪ pantry's ▪ toiletten en voorruimtes, douche ▪ EHBO-ruimte, kolfruimte ▪ educatieruimte ▪ werkplaats, schone werkplaats ▪ werkkasten ▪ technische installatieruimtes 14.3.2.

Afvoerinstallaties

Het gebouw is voorzien van een gescheiden hemelwaterafvoer (HWA) en vuilwaterafvoer (VWA) installatie. Deze installatie voorzien van de benodigde ontlastputten, ontstoppingspunten e.d. Deze afvoerleidingen vanaf het gebouw aan te sluiten op de afvoervoorziening van de gemeente. ▪ De afvoerinstallaties scheiden in een hemelwater- en fecaliën afvoerinstallatie. ▪ De hemelwaterafvoerinstallatie betrekken in afwegingen als het gaat om duurzaamheid, bijvoorbeeld toiletspoeling. ▪ De hemelwater- en fecaliën afvoerinstallatie uit te voeren in PE of PP ▪ De hemelwaterafvoer aansluiten via een zo kort mogelijke weg op het gemeentelijke hemelwaterafvoerstelsel of door infiltratie. ▪ De Hemelwaterafvoer langs de gevel, de eerste 2,5m boven maaiveld vandalismebestendig uitvoeren. ▪ Alle sanitaire toestellen, spuivoorzieningen, condensafvoeren, vloerputten et cetera moeten water-, lucht- en stankdicht aansluiten op een afvoerleidingsysteem. Dit is vervolgens aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. ▪ Afvoersystemen zijn geïsoleerd tegen het optreden van condensatie. Leidingen zijn akoestisch geïsoleerd, als geluidsoverlast voor gebruikers kan optreden. ▪ Voor keuken(s) een gescheiden afvoerstelsel voorzien, met tracing (vanaf de keuken tot aan de vetvangput) en zetmeel/vetvangput.

Specifieke eisen hieraan nader uitwerken tijdens de ontwerpfase (onder andere in verband met inspectie en afvang/schoonmaak). O.a. condens afvoer voor combi-oven, koffiesysteem.

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 82

▪ ▪

Voor de educatieruimte, waar met klei en verf gewerkt wordt, zal een geëigende opvang opgenomen moeten worden in de afvoerleiding. De vuilwaterafvoerpunten onder maaiveldniveau voorkomen, doch indien dit onvermijdelijk is een redundante vuilwaterafvoerpomp op te nemen.

14.3.3.

Koud en warm tapwater

Op diverse punten in het gebouw zijn tapwaterpunten voor koud en warm water inclusief afvoer; onder a dere de keuke s, pa try’s e de t etru mte Het tapwaterleiding tracé is zodanig gekozen dat deze niet door museale ruimten gaan. Wanneer hoofdleidingen boven een museale ruimten zijn gesitueerd, zal deze in een buis in buis oplossing moeten worden gerealiseerd om te voorkomen dat door lekkage toch water via het plafond in de museale ruimte terecht kan komen. Om te kunnen waarnemen of er eventueel lekkage is, zal de installatie moeten worden voorzien van lekdetectie De installatie voldoet aan de vereiste werkbladen en NEN-normen. De installatie is zodanig van opzet dat ter legionellapreventie geen beheersmaatregelen noodzakelijk zijn. Tappunten waarbij sprake is van waterverneveling zoals douches en knijpdouches in bedrijfskeukens moeten tevens voorzien worden van een UV-unit. De voordruk op een tappunt mag maximaal 400 kPa bedragen. Bij het toepassen van een hydrofoor dient deze installatie uitgevoerd te worden met tenminste twee pompen, elk 100% capaciteit of drie pompen elk 50% capaciteit. Koudtapwaterleidingen worden geïsoleerd tegen condensatie, uitzondering hierop zijn uittapleidingen (in het zicht en leidingen die zijn weggewerkt in de wand). Warmtapwatercirculatieleidingen worden geïsoleerd tegen afkoeling.

De warmwater-uittapleidingen en systemen zonder circulatie zijn omwille van Legionellagroei niet voorzien van isolatie. De koudtapwaterleidingen in principe uit te voeren in koperbuis. Warmtapwater circulatieleidingen zijn uitgevoerd in koper. De ingestorte en of weg te werken leidingen uitvoeren in Wicu o.g. De capaciteit van de tapwaterinstallatie is gebaseerd op het maximaal gelijktijdig gebruik, volgens de normbladen. Indien toepassing van centrale warmtapwaterbereiding, deze optimaal afstemmen op gebruik en mogelijke opwarmtijd zodat minimaal beslag op pieklastvermogen wordt gedaan. Indien aanwezig, douches uitvoeren met een automatisch spoelsysteem, bestaande uit: ▪ online beheer van alle douches van het systeem; ▪ automatisch spoelen van douches instellen; ▪ meten en registreren van spoeltemperatuur, spoeltijd en gebruik per douche; ▪ automatisch bepalen van de zuinigste manier van spoelen; ▪ rapportages en logboeken genereren volgens wettelijke eisen; ▪ via modbus te integreren in ieder gebouwbeheersysteem (GBS); ▪ de warm tapwaterinstallatie dient op ieder moment per douchepunt 5 liter warm water per minuut gedurende 5 minuten te kunnen leveren met een tapwatertemperatuur van minimaal 40◦ C.

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 83

Tenminste elk sanitaire toestel en sanitaire groep moet separaat afsluitbaar en aftapbaar zijn waarbij de afsluiter op een goed bereikbare plaats moet zijn aangebracht. Voor warmwaterleidingen zoveel als mogelijk onbrandbare isolatie gebruiken. Dit ook voor koud waterleidingen toepassen; als dat niet mogelijk is dan met een moeilijk brandbaar FM approval (FM approved//B-s3 d0). 14.3.4.

Bestrijding legionella en overige verontreinigingen

Conform de wettelijke eisen zal een legionella risicoanalyse en beheersplan conform de ISSO-publicatie 55.1 worden opgesteld. De installatie is legionella veilig, zonder aanvullende beheersmaatregelen. Leidinglengten zoveel mogelijk beperken, zonder "dode" einden. Legionellabesmetting ten gevolge van bevochtiging moet voorkomen worden. De wijze van bevochtigen afwegen in relatie tot duurzaamheid en legionellabesmettingsgevaar. Bij bevochtiging verder voorkomen dat overige bacteriële, chemische of fysische verontreinigingen optreden. Eventuele noodzakelijke waterbehandeling opnemen. 14.3.5.

Sanitaire voorzieningen in toilet-, kleed- en doucheruimten

De sanitaire voorzieningen zijn van eerste klas kwaliteit en van een gerenommeerd merk dat in Nederland eenvoudig en zonder wachttijden bij de groothandel verkrijgbaar is. Verdere uitgangspunten bij de keuze van het sanitair: ▪ eenvoudige schoonmaakmogelijkheden ▪ sanitaire toestellen vervaardigd uit wit porselein; ▪ closet vrijhangend uitvoeren inclusief closetzitting; ▪ waterbesparend closet doch minimaal 6 liter spoeling ▪ Miva toilet is voorziene van een alarminstallatie die is gekoppeld op het GBS ▪ armleuning van miva-toiletten voorzien van grondsteun; ▪ verbindingsnaden tussen het sanitair en de bouwconstructie voorzien van geëigende kit in de kleur van het porselein; ▪ mengkranen uitvoeren met keramische schijven; ▪ kranen bij voorkeur voorzien van infrarood sensor; ▪ de afvoervoorzieningen in zicht zijn uitgevoerd in chroom; ▪ alle sanitaire toestellen afsluitbaar aansluiten op de leidingsystemen. De montagehoogte van het sanitair wordt in samenspraak met de gebruiker afgestemd.

14.4.

Brandbestrijding

14.4.1.

Algemeen

Het gebouw is zodanig gecompartimenteerd dat brandverspreiding tot een minimum wordt beperkt. In de expositieruimten worden geëigende CO₂ blussers opgenomen en in de verkeersruimten worden brandslanghaspels voorzien, mogelijk aangevuld met een pre-action sprinklersysteem. Dit nader te bepalen volgens het integrale veiligheidsplan. Op aanbeveling van de verzekeraar geen poederblussers plaatsen in verband met risico op nevenschade door het blusmedium.

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 84

14.4.2.

Brandslanghaspels

Het streven is om geen brandslanghaspels toe te passen in de museale ruimten, maar deze te voorzien van handbrandblussers voor de beginnende brandjes. Daar waar wel brandslanghaspels worden opgenomen, de aansluitleiding voorzien van een NC klep die open gestuurd wordt bij een BMI signaal. Dit zal met de plaatselijke veiligheidsregio moeten worden afgestemd. De brandslanghaspels zijn bij voorkeur inclusief haspelkast (inbouw), conform voorschriften (regionale) brandweerinspecties en in een nader te bepalen RAL-kleur. De haspelkast deur is voorzien van een uitsparing in de rechterbovenhoek t.b.v. de handbrandmelder. De montagehoogte van deze handbrandmelder mede afstemmen op de gebruikers. Bij voorkeur wordt een slanglengte van 20m¹ aangehouden. Minimaal is een haspel ter plaatse van de vluchtdeur naar buiten gepositioneerd. In de volgende ruimten mogen geen watervoerende blusinstallaties worden toegepast, maar geëigende (droge) blusmiddelen: ▪ computerruimten ▪ archiefruimte. 14.4.3.

Sprinkler installaties

Het heeft niet de voorkeur om de museale ruimten te voorzien van een sprinkler installatie. De brandveiligheid in deze ruimten zal derhalve op een andere wijze gerealiseerd moeten worden. Indien tijdens de ontwerpfase besloten wordt (partieel) een sprinklerinstallatie toe te passen, deze afstemmen op de specifieke situatie. Bijvoorbeeld Pre-action, water/mist systeem of traditioneel water. Door een gecertificeerd bureau moet een inspectieplan worden gemaakt, waarin de (installatie)technische eisen in relatie tot het gebruik van het gebouw worden weergegeven. Aan de hand van dit inspectieplan een installatie ontwerpen die optimaal geïntegreerd is met het gebouw.

14.5.

Regelinstallatie

14.5.1.

Algemeen

Een accurate en adequate meting en sturing zijn van cruciaal belang voor het binnen de ASHRAE kaders houden van het binnenklimaat. De componenten (of verbeterde versies hiervan) moeten van bewezen museale kwaliteit zijn dat deze geen obstakel vormen voor een goed werkende installatie waarmee het binnenklimaat gerealiseerd moet worden. De meetapparatuur moet zodanig in de ruimten worden gepositioneerd dat de klimaateisen in de gehele ruimte gegarandeerd zijn. Het meten gebeurt op ruimteniveau; het regelen op zoneniveau omdat dit in verband met de aan elkaar geschakelde ligging van ruimtes op ruimteniveau in veel gevallen niet mogelijk is. De verdeling van de regelcomponenten in een ruimte moet zodanig zijn dat ook zones separaat te regelen zijn als blijkt dat door invloeden van buitenaf of door open/geschakelde ruimten met afwijkende binnenklimaten, de klimaatprestaties in een zone achter blijven bij de rest van de ruimte en dus niet voldoen aan de gestelde eis volgens ASHREA A1. De regelinstallatie regelt de werktuigkundige installaties. De regelinstallatie vormt een geheel met het gebouwbeheersysteem (GBS). Dit GBS genereert per 5 minuten gebouwgegevens, zoals temperaturen, status van installatietechnische storingen en administratieve gegevens voor energie managementsysteem, gedurende 12 maanden. De regelinstallatie is automatisch met de mogelijkheid tot handbediening.

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 85

14.5.2.

Oplevering GBS

De werking van de (regel)installatie en het GBS wordt aangetoond door de door het ontwerpteam op te stellen oplever protocollen waarin het functioneel en integraal testen staat omschreven EN tijdens het eerste jaar van ingebruikname. Goede werking moet aangetoond worden door logfuncties en grafiekuitdraaien. Na acceptatie van de goede werking zal overgegaan worden tot oplevering en betaling van dit onderdeel. 14.5.3.

Gebouwbeheersysteem (GBS)

Het GBS omvat minimaal: ▪ De mogelijkheid klimaatuitdraaien in grafieken te maken van temperatuur en Relatieve vochtigheid van de afzonderlijke museale ruimten. Deze data moeten opgeslagen worden voor minimaal 12 maanden. ▪ het automatisch inlezen van water-, en elektriciteitsverbruiken; ▪ het automatisch inlezen eventuele deelverbruikmeters; ▪ visualisatie en controle van alle HVAC-installaties; ▪ visualisatie en controle van de elektrotechnische installatie ▪ handmatige sturing verduistering en eventuele zonwering per gevel op aantal lux op en neer; ▪ digitale 'overwerkknop' in de bewakingsloge, of op een nader te bepalen positie; ▪ nachtventilatieregeling (nachtkoeling) in de werkplek omgeving die geen 24 uurs bezetting heeft; ▪ vrij instelbare klok- e vaka t epr gramma’s (e aut mat sche z mer-/wintertijd); ▪ IP georiënteerde omgeving, via internet benaderbaar zonder dat een speciaal softwarepakket noodzakelijk is om toegang te verkrijgen.

Van de volgende installaties worden tenminste statusmeldingen en storingen ingelezen: ▪ Werktuigkundige installaties ▪ Elektrotechnische installaties ▪ Tapwater voorzieningen ▪ Waterdetectie, door bv lekkage in met name TR en boven museale ruimten waar watervoerende leidingen zijn gesitueerd ▪ Lekdetectie van CV, GKW en tapwaterleidingen ▪ Vuilwaterafvoerpomp ▪ Brandmeldinstallatie ▪ Ontruiming installatie ▪ Liftstoringen ▪ Overspanningsbeveiliging ▪ 2 stuks reserve Het GBS is volledig vrij programmeerbaar, toegankelijk via eigen netwerk en internet. Het betreft een integraal GBS, waarop alle installaties hierboven vermelde installaties zijn aangesloten. 14.5.4.

Energiebemetering

De installatie heeft een bemetering per installatieonderdeel, energie, water en elektraverbruik. Daarnaast is voorzien in een monitoringsysteem om inzicht te verschaffen aan de beheerder en de gebruikers wat het energieverbruik is en om te monitoren of alle energiebesparende maatregelen ook hun effect blijven behouden. Afwijkend gedrag is met het monitoringssysteem vroeg te signaleren.

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 86

14.5.5.

Schakelkast

Alle regel-, beveiligings- en bedieningsapparatuur samen te bouwen in een plaatstalen schakelkast. Aantal: naar logische indeling, maar minimaal 1 per technische ruimte. 14.5.6.

Bedieningspaneel

In een touchscreen bedieningspaneel op te nemen signalering ten behoeve van storing- en onderhoudsmeldingen evenals bedieningsschakelaars voor overwerk en dergelijke, bijvoorbeeld ter plaatse van de beveiligingsloge. Alle bediening ten behoeve van de gebruiker zijn duidelijk en gebruikersvriendelijk. 14.5.7.

Schakelingen

Schakelingen van de installatieonderdelen zijn volgens een in te stellen geoptimaliseerd programma voor dag, nacht en weekendbedrijf met de overwerkmogelijkheid per zone, verdieping en installatie. De zones in overleg met de gebruiker samen te stellen. 14.5.8.

Doormeldingen

Storingen en onderhoudsmeldingen aan de installaties worden naar het paneel ter plaatse van de balie in de beveiligingskamer via optisch en akoestisch signaleren gemeld gesplitst in urgent en niet-urgent, geïntegreerd in het centrale bedieningspaneel. Tevens zijn meldingen via een gangbaar protocol te versturen naar mobile telefoons. Alle signalering ten behoeve van de gebruiker zijn duidelijk en gebruikersvriendelijk. 14.5.9.

Regel strategieën

Regelstrategieën formuleren op basis van ISSO 31, 43, 44, 47. Voor museale ruimtes dient een zorgvuldige afstemming plaats te vinden om te komen tot goede meting en regeling in relatie tot de hoge esthetische ambities in een bouwhistorische context. Voor ruimten met een verwachte niet-standaard piekbezetting dient grenswaarde bewaking voor het CO2 niveau te worden toegepast (evenementen).

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 87

15.

Elektrotechnische installaties en Transportinstallaties

Dit hoofdstuk beschrijft de eisen aan de elektrotechnische installaties voor het gebouw als geheel en op ruimteniveau in hoofdlijnen, voor zover niet volgend uit de technische kwaliteitseisen. Eventueel zijn expliciete oplossingsrichtingen beschreven om de genoemde technische kwaliteitseisen te realiseren. De architect en de adviseurs moeten heldere, inzichtelijke en integrale afwegingen maken voor de bedachte ontwerpoplossingen als het gaat om aspecten zoals museale en monumentale functies, energiebesparing, beperking van onderhoudskosten, Duurzaam Bouwen, welzijn en comfort, architectuur en dergelijke.

15.1.

Hoofdaansluiting en verdeelinrichtingen

15.1.1.

Hoofdaansluiting

Het gebouw te voorzien van 3 stroomnetten: ▪ een normaal net voor de voorziening van stroom naar niet-kritische functies; ▪ een noodstroomnet; aansluiting voor een extern noodstroomaggregaat die het gehele gebouw kan voeden; ▪ een vitaalnet; UPS voor de stroomvoorziening naar bedrijfskritische functies (o.a. beveiliging), waarbij een onderbrekingsvrije stroom gegarandeerd moet worden. De hoofdaansluiting afstemmen met het plaatselijke energiebedrijf. Bij toepassing van een transformator zal deze binnen het gebouw gesitueerd dienen te worden. De benodigde bouwkundige voorzieningen dienen hiervoor te worden meegenomen, een en ander conform de voorschriften van het plaatselijk energiebedrijf. Om de keuze tussen een huur transformator en een kooptransformator te maken zullen door het ontwerpteam de voor- en nadelen uiteen worden gezet, zowel financieel als technisch. De meetinrichting (kWh-meter) van het meetbedrijf moet geschikt zijn voor hoog- en laagtarief meting. Tevens moet de meetinrichting voorzien zijn van een pulsgever, pulsingangen en geschikt zijn voor uitlezing op afstand. De meetinrichting dient ten behoeve van energieregistratie op afstand te worden aangesloten op een energie monitoring systeem (EMS). Bij het projecteren van de energievoorziening dient op basis van het geïnstalleerd vermogen 20% reservevermogen te worden aangehouden. 15.1.2.

Hoofdverdeelinrichting

De hoofdverdeelinrichting is geschikt voor het maximaal geïnstalleerd af te nemen vermogen van de transformator(en). De hoofdverdeelinrichting bestaat uit een plaatstalen kast en is samengebouwd conform bouwvorm 4a. De toegepaste beveiligingstoestellen zijn vermogensautomaten voorzien van cascadetechniek en de hoofdverdeelinrichting heeft een overspanningsbeveiliging met een stootspanningsbestendigheid van 2kV (uitvoering inclusief centrale aanspreek uitlezing op het GBS). Tevens is elk afgaand veld voorzien van een tussenmeter met pulsgever die is aangesloten op het GBS.

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 88

De hoofdverdeelinrichting dient te worden uitgevoerd met minimaal 3 reservegroepen, evenredig verdeeld over de verschillende waarden van de vermogensautomaten. Er dient rekening te worden gehouden met een reservevermogen van minimaal 20%. De hoofdverdeelinrichting bestaat minimaal uit afgaande groepen ten behoeve van de volgende installatieonderdelen: ▪ elektrische installatie (zowel licht als kracht) per bouwdeel/-laag; ▪ kracht per bouwdeel/-laag; ▪ krachtinstallatie algemeen; ▪ transportinstallatie(s); ▪ werktuigkundige installatie(s); ▪ noodstroomvoorziening / compartiment ten behoeve van noodstroomvoorziening; ▪ zonnepanelen; ▪ reserve. 15.1.3.

Onderverdeelinrichting

Uitgangspunt is ten minste 1 onderverdeelinrichting per bouwlaag, zo dicht mogelijk bij de hoofdverdeelinrichting aangebracht en centraal boven elkaar gelegen. De onderverdeelinrichting bestaat uit een dubbel geïsoleerde afsluitbare plaatstalen kast en is samengebouwd conform bouwvorm 4B. De toegepaste beveiligingstoestellen zijn (aardlek)installatie-automaten en een overspanningsbeveiliging (uitvoering inclusief centrale aanspreek uitlezing op het GBS). Het toepassen van aardlekschakelaars is niet toegestaan. De onderverdeelinrichting dient te worden uitgevoerd inclusief reservegroepen conform de onderstaande staffelmethode waarbij de karakteristieken evenredig verdeeld dienen te worden over het aantal groepen. ▪ onderverdeelinrichting met maximaal 16 belaste groepen: minimaal 3 reservegroepen; ▪ onderverdeelinrichting met minimaal 17 belaste groepen en meer: minimaal 6 reservegroepen. De onderverdeelinrichtingen voorzien van afgaande groepen voor onder andere: ▪ verlichting (B-karakteristiek); ▪ algemene wcd's (C-karakteristiek); ▪ wcd's ten behoeve van werkplekken (C-karakteristiek); ▪ wcd's/aansluitpunten ten behoeve van apparatuur (C-karakteristiek); ▪ kracht (C-karakteristiek); ▪ klimaatinstallatie (C-karakteristiek); ▪ reserve. 15.1.4.

Elektrisch vermogen

Bij het bepalen van de capaciteit van de hoofdaansluiting zal in beginsel de volgende waarden aangehouden kunnen worden: ▪ Verlichting: 10W/m2 ▪ Contactdozen: 15W/m2 ▪ Klimaatinstallatie: 25W/m2 ▪ Overige gebruikers: 10W/m2

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 89

15.1.5.

Gelijktijdigheden

Bij het berekenen van het vermogen dienen de volgende gelijktijdigheden te worden aangehouden: ▪ Krachtinstallatie/ kracht contactdozen 50% van het aangesloten vermogen ▪ Contactdozen t.b.v. koken 50% van het aangesloten vermogen ▪ Verlichting 90 % van het aangesloten vermogen ▪ Contactdozen algemeen 30% van het aangesloten vermogen ▪ Contactdozen werkplekken 70% van het aangesloten vermogen ▪ Liftinstallatie 90% van het aangesloten vermogen ▪ Werktuigkundige installaties 100% van het aangesloten vermogen ▪ Overige verbruikers 70% van het aangesloten vermogen Verder is het niet toegestaan om naast bovengenoemde gelijktijdigheidsfactoren een overall factor toe te passen. 15.1.6.

Voedingskabels

De voedingskabels voor de onderverdeelinrichtingen zijn gebaseerd op: ▪ voedingskabels en overig elektrisch materieel die geen storingen veroorzaken aan de in het gebouw aanwezige zwakstroom- en telefoon-/ datacommunicatie installaties; ▪ de kabelberekeningen conform de NEN-normen; ▪ de halogeenvrije bekabeling (..ZH); ▪ kabeltype bepalen op basis CPR classificatie; ▪ het maximaal aangesloten vermogen; ▪ berekeningen waarbij de reservegroepen in de verdeelinrichtingen voor 50% van de maximale belasting voorzien zijn; ▪ een maximaal spanningsverlies van 5% tot aan het verbruiksapparaat. ▪ Een maximaal spanningsverlies van 3% voor de verdeelkast die het meest ongunstigst gelegen is. ▪ per onderverdeelinrichting één voedingskabel. 15.1.7.

PV-installatie

Bij toepassing van PV-panelen moeten deze zijn gebaseerd op de volgende prestatie eisen en de eisen van de verzekeraar. PV-panelen De PV-panelen dienen maximaal rendement Paneel efficiency te hebben met een minimum van ▪ 300 Wp; ▪ 15% volgens de Standaard testcondities (STC) van zonnepanelen; ▪ STC: Invallende straling 1.000 W/m², moduletemperatuur 25 °C, AM=1,5; ▪ afwijkend vermogen maximaal +/- 3% van het vermogen; ▪ temperatuur effect van maximaal 0,45% per °C; ▪ vermogens/powerrendement na 10 jaar van minimaal 90% na 25 jaar van minimaal 80%. Stand in ideale richting/oriëntatie van de panelen naar het zuiden en juiste hoek naar de zon, zodat het gehele systeem in combinatie met het beschikbare dakoppervlak het maximale rendement opbrengt.

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 90

De minimale hellingshoek van het paneel mag 15% zijn, zodat de panelen voldoende worden schoongespoeld door hemelwater en dus minder handmatig hoeven te worden gereinigd. In verband met schaduw bij verschillende zonstanden mogen de panelen samen op een omvormer via Power Optimizers of micro omvormers worden toegepast om het rendement te verhogen. De panelen dienen aan een constructie te worden bevestigd, zodat er aan de achterkant van het paneel een luchtspouw ontstaat die aan de boven- en onderkant in verbinding staat met de open lucht. Hierdoor ontstaat natuurlijke ventilatie en kan er voldoende koeling van de panelen plaatsvinden, zodat het maximale rendement is geborgd. Indien noodzakelijk dienen daarnaast maatregelen te worden genomen om de spouw te beschermen tegen ongedierte, vogels en vervuiling door middel van een rooster. Omvormer Vanaf 5 kVA (totaal of per paneel veld) dient een 3f omvormer te worden toegepast, mits de aansluiting van het gebouw hierin voorziet. Indien men hiervan afwijkt, dient dit expliciet in het Plan van Aanpak te worden vermeld. Daarbij dient er rekening mee te worden gehouden dat het vermogen van de omvormer zo wordt gekozen dat deze niet wordt over gedimensioneerd, zodat de omvormer een maximaal rendement behaald. De omvormer dient zo dicht mogelijk bij de panelen te worden geplaatst.

De omvormer dient in een afsluitbare ruimte te worden geplaatst in het gebouw. De ruimte wordt in overleg met de opdrachtgever bepaald (geen opslagruimte, stoffige omgeving, onder watervoerende installatiedelen of nabij brandbare materialen, gassen of dampen). 15.1.8.

Noodstroomvoorziening

Het gebouw wordt niet voorzien in een vaste opstelling van een noodstroomaggregaat. Wel zal op een logische plaats een aansluiting voor een mobiel op te stellen noodstroomaggregaat gerealiseerd worden. Deze mobiele noodstroomaggregaat zal het volledige gebouw kunnen overnemen. De aansluiting moet hiervoor geschikt zijn. 15.1.9.

No-breakinstallatie

Ten behoeve van cruciale onderdelen zal er een statische no-breakinstallatie moeten worden gerealiseerd en volgens deze prestatie-eisen worden aangesloten op het noodstroomaggregaat (het noodstroomaggregaat dient geschikt zijn voor het voeden van deze no-breakinstallatie): ▪ het belast beproeven in principe niet uitvoeren met kunstbelastingen, maar parallel aan het net; ▪ het belast beproeven mag geen storingen in de energievoorziening veroorzaken; ▪ er moeten voldoende beheer-, bedienings- en signaleringsvoorzieningen aanwezig zijn voor een storingsvrije en efficiënte exploitatie van de noodstroomvoorziening, aangepast aan de prestatie-eisen voor gebouwbeheer. In ieder geval zullen de volgende onderdelen aangesloten moeten zijn op de no-breakinstallatie: ▪ de MER- en alle SER-ruimten; ▪ camerabewaking; ▪ Toegangscontrolesysteem; ▪ Brandbeveiligingsinstallatie; ▪ Vuilwaterafvoerpomp; ▪ Hemelwaterafvoerpomp.

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 91

Ten behoeve van de no-breakinstallatie gelden minimaal de volgende eisen: ▪ continu-vermogen (kW) arbeidsfactor moet worden berekend; ▪ overbelastbaarheid minimaal 10% gedurende minimaal 25% van de autonomietijd; ▪ rendement minimaal 98%; ▪ nominale uitgangsspanning van 230/400V met uitgevoerde nulleider, respectievelijk 230V; ▪ frequentie van 50 Hz; ▪ statische spanningsvariatie maximaal 2% van de nominale spanning bij een belastingsvariatie tussen nullast en 100%vollast; ▪ dynamische spanningsvariatie maximaal 2% van de nominale spanning bij een belastingsvariatie tussen nullast en 100% vollast; ▪ hersteltijd tot 2% van de spanningsafwijking maximaal 2 milliseconde; ▪ statische frequentieverandering maximaal 1% van de nominale frequentie; ▪ j ge ru k va accu atter je daccu’s met een minimale levensduur van 10 jaar toepassen; ▪ statische by-pass; ▪ redundante uitvoering (n +1) van de batterijen; ▪ batterijmanagement (onder andere capaciteitsmeting); ▪ autonomietijd: te bepalen in overleg met adviseur museale beveiliging, maar in beginsel 60 minuten (aan het einde van de levensduur van de batterijen). 15.1.10.

Kabelwegen

In het gebouw een horizontale en een verticale installatietechnische infrastructuur realiseren voor sterkstroom-, zwakstroom- en datasystemen. Ten behoeve van de beveiliging moet een eigen infrastructuur worden gerealiseerd. De omvang moet in overleg met de adviseur museale beveiliging worden bepaald. De infrastructuur aanbrengen in de specifiek hiervoor bestemde schachten en boven het uitneembaar plafond in verkeersruimten. Deze infrastructuur bestaat uit stalen kabelgoten of kabelladders die voorzien zijn van stalen scheidingsschotten. Deze dienen te voldoen aan test-type 1 van de NEN 61537. De in de schachten geïnstalleerde leidingen, onderverdeelinrichtingen, kabels en dergelijke zijn per verdieping eenvoudig bereikbaar, onderhoudbaar en uitneembaar. De leidingtracés zijn overzichtelijk, goed bereikbaar, aanpasbaar en uitbreidbaar. De leidingtracés en hun onderlinge verbindingen zijn aangepast aan onder andere buigstralen van de toe te passen kabelsystemen. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met de nog toekomstig te leggen kabels. De kabelwegen zijn voldoende brandwerend, akoestisch isolerend afgewerkt ter plaatse van doorvoeringen door wanden, plafonds en vloeren.

Hulpstukken, zoals aftak- en verloopstukken, scheidingsschotten, eindschotten, afdekplaten, koppelplaten en universele montageplaten, zijn vervaardigd van dezelfde specificaties als de kanalisatie waartoe zij behoren. Kabelladder, kabel-, wand-, plint- en vloergoten voorzien van 3 compartimenten. In verband met eventuele uitbreiding van de installaties hebben de kabelwegen bij oplevering een reserve oppervlak van minimaal 20% per compartiment. Tevens rekening houden met toekomstige nieuwe bekabeling bij bepaling van bochtstralen en dergelijke.

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 92

15.2.

Lichtinstallatie en aansluitvoorzieningen

Tot de lichtinsta at e eh re de wcd’s e aa s u tpu te te eh eve va de werkp ekken, waaronder kantoorwerkplekken, vergader- en spreekkamers. Verder a geme e wcd’s ga ge , pa try's e derge jke De wcd’s e aa s u tpu te v r de ver cht g a smede het schakelmateriaal en de schakelsystemen behoren tot de lichtinstallatie. De hiervoor benodigde bekabeling in halogeenvrije uitvoering behoort eveneens tot de lichtinstallatie. De gehele licht-/krachtinstallatie, waar mogelijk, is een inbouwinstallatie. De lichtinstallatie is overeenkomstig de stramienmaat. De lichtschakeling is als volgt. ▪ Alle tentoonstellingsruimten, ondersteunende ruimten, verkeersruimten en trappenhuizen in meerdere scenes te schakelen. ▪ Alle kantoorachtige ruimten voorzien van aanwezigheidsdetectoren met uitzondering van de presentatieruimten en de technische ruimten. ▪ Verlichting van de vergader- en spreekkamer is handmatig uit te schakelen/te dimmen in geval van presentaties et cetera. ▪ Toiletten voorzien van aanwezigheidssensoren. ▪ Technische ruimten voorzien van schakelaars. In de tentoonstellingsruimten heeft het museum de volgende eis ten aanzien van de Stroompunten/aansluitingen: Het aantal contactdozen dient verdeeld te worden over de verschillende wanden en de vloer. Als voorbeeld: In de grotere zalen zijn 8 aansluitpunten nodig (6 in de wand en 2 in de vloer).

In de kleine zalen 4 aansluitpunten (3 in de wand en 1 in de vloer). Daarnaast dient in alle tentoonstellingsruimten de mogelijkheid te zijn om stroom uit de lichtrail te halen. In overleg met de gebruiker de eventuele handhaving van bestaande en de positionering en aantallen van nieuwe wandcontactdozen afstemmen. De positie en aantallen van de wcd’s moeten aansluiten op het integrale lichtplan. Ten behoeve van de werkp ekke d e e wcd’s te w rde pge me wand- of vloergoten of energiezuilen afhankelijk van bouwkundige mogelijkheden. De wand- of vloergoten door middel van metalen scheidingsschotten verdelen in 3 gescheiden compartimenten. De aansluitingen vanaf het hoofdkabeldraagsysteem vanaf dezelfde verdieping verzorgen. De wand- en/of vloergoten voorzien van een overcapaciteit van 20% per compartiment. Tevens rekening houden met toekomstige nieuwe bekabeling bij bepaling van bochtstralen en dergelijke. De volgende aantallen dienen daarbij te worden aangehouden: ▪ Per kantoorwerkplek : 2 dubbele wcd’s ▪ Per overige werkplekken : 2 dubbele wcd’s In de volgende ruimten dienen de volgende aantallen voor algemene toepassingen (dus exclusief de aantallen ten behoeve van de losse inrichting; deze worden op een later moment apart opgegeven) te worden aangehouden:

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 93

museale presentatieruimtes educatieruimte / workshopruimte evenementenruimte / banqueting lezingenruimte / auditorium verhuurruimte / vergaderruimte / trouwlocatie entreeruimte museumwinkel museumcafé (publieksgedeelte) garderobe keukenruimtes museumcafé / banqueting kantoorruimtes bel-, concentratieruimte vergader-/spreekkamers / overleg ruimten bibliotheek pauzeruimte / medewerkersruimte pantry's reproruimte archief kantoorfuncties MER/SER ruimte EHBO-ruimte kolfruimte kleedruimtes sanitaire ruimtes - toiletten sanitaire ruimtes - douches werkplaats schone werkruimte (inlijsten) transitiedepot expeditieruimte opslag tentoonstellingsmaterialen opslagruimtes bergingen/werkkasten verkeersruimtes/trappen technische ruimtes fietsenstalling

1 dubbele wcd/10 m² 1 dubbele wcd/10 m² 1 dubbele wcd/10 m² 3 dubbele wcd 1 dubbele wcd/25 m² 1 enkele wcd/10 m gang 1 dubbele wcd/25 m² 1 enkele wcd/25 m² 1 enkele wcd/10 m² du e e wcd’s ve e k werk ad 1 dubbele wcd/10 m² 1 dubbele wcd/10 m² 1 dubbele wcd/10 m² 1 dubbele wcd/20 m² 1 dubbele wcd/10 m² du e e wcd’s ve e k werk ad 1 dubbele wcd/10 m² 1 dubbele wcd/20 m² 3 enkele wcd's op 3 separate groepen 2 dubbele wcd 2 dubbele wcd 2 dubbele wcd geen geen 1 dubbele wcd/10 m² 1 dubbele wcd/10 m² 1 dubbele wcd/50 m² 1 dubbele wcd/50 m² 1 dubbele wcd/50 m² 1 dubbele wcd/50 m² 1 enkele wcd 1 enkele wcd/10 m gang 3 e ke e wcd’s 1 dubbele wcd/50 m²

cd’s d e e p a z der jke e dgr epe te w rde aa ges te Per (du e e) wcd d e t 00VA te w rde aa geh ude Per e dgr ep m ge max maa (du e e) wcd’s w rde aangesloten. cd’s

tech sche ru mte d e e in opbouw en waterdichte uitvoering te worden uitgevoerd.

Ten behoeve van de verlichtingsarmaturen dienen de benodigde aanslu tpu te e wcd’s te w rde aangebracht. Bergingen en werkkasten voorzien van een aanwezigheidsdetector en wcd. In de werkkasten tevens rekenen op een aansluiting ten behoeve van een boiler en diverse krachtstroomaansluitingen.

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 94

15.3.

Schakelingen, storingen en sturingen

Standaard zijn de centrale schakelingen, storingen en sturingen op een centrale bedienplaats aanwezig. Alle schakelingen, storingen en sturingen zijn bedienbaar vanaf een bedieningspaneel (touchscreen) en moet een geheel vormen met het GBS. Het schakelen van de verlichting als volgt: ▪ De mogelijkheid tot het centraal schakelen van de verlichting van het gehele gebouw, het schakelen per gebouwzone, per verkeersruimte en per ruimte door middel van software- en handmatige schakelaars op logische plekken. Een en ander in samenhang beschouwen met de gekozen verlichtingsregelingen. ▪ De mogelijkheid tot het centraal schakelen van nader te bepalen gebouwzones. ▪ Een veegpuls per nader te bepalen gebouwzone. ▪ Koppeling met de inbraakbeveiliging en het toegangscontrolesysteem, zodat bij het inschakelen van het alarm alle verlichting wordt uitgeschakeld en bij het uitschakelen van het alarm de verlichting wordt ingeschakeld. ▪ De opzet van het systeem bij de kantoren is zodanig dat een indeling op een stramienmaat van 1,80 m mogelijk is. Hierbij is het uitgangspunt dat kantoorruimten minimaal 2 stramienen van deze maat beslaan. Voor de overige ruimtefuncties deze functionaliteit tijdens de ontwerpfase in overleg met de opdrachtgever/gebruikers nader bepalen. ▪ Verlichting gangen, kernen et cetera in de hoofdgang en centraal bij de hoofdingang schakelbaar.

▪ De terrein- en buitenverlichting te schakelen op basis van een schemeringschakeling en tijdklok met automatische zomer-/wintertijd en mogelijke overbrugging op het GBS. ▪ Alleen de loop- en evacuatieverlichting mag altijd branden. In de navolgende tabel staat een nadere uitwerking m.b.t. de schakeling, dimbaarheid van de verlichtingsarmaturen: Soort ruimte museale presentatieruimtes educatieruimte / workshopruimte evenementenruimte / banqueting lezingenruimte / auditorium verhuurruimte / vergaderruimte / trouwlocatie entreeruimte museumwinkel museumcafé (publieksgedeelte) garderobe keukenruimtes museumcafé / banqueting kantoorruimtes bel-, concentratieruimte vergader-/spreekkamers / overleg ruimten bibliotheek pauzeruimte / medewerkersruimte pantry's reproruimte archief kantoorfuncties MER/SER ruimte

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Schakeling basisverlichting Lokaal/ dimbaar Lokaal/ dimbaar Lokaal/dimbaar Lokaal/dimbaar Lokaal/dimbaar Centraal Centraal Centraal Centraal Lokaal Lokaal Lokaal Lokaal/dimbaar Lokaal Centraal Lokaal Lokaal Lokaal Lokaal

Pagina 95

EHBO-ruimte kolfruimte kleedruimtes sanitaire ruimtes - toiletten sanitaire ruimtes - douches werkplaats schone werkruimte (inlijsten) transitiedepot expeditieruimte opslag tentoonstellingsmaterialen opslagruimtes bergingen/werkkasten verkeersruimtes/trappen technische ruimtes fietsenstalling

Lokaal Lokaal Lokaal Lokaal Lokaal Lokaal Lokaal Lokaal Lokaal Lokaal Lokaal Lokaal Centraal Lokaal Centraal

Buiten de openingstijden van het museum moet het mogelijk zijn om alle niet kritische installaties spanningsloos (incl. onder andere de verdeelinrichtingen, verlichting, contactdozen, AV apparatuur) te maken. Alleen de noodverlichting en de vluchtwegverlichting moet operationeel zijn.

15.4.

Verlichtingsinstallatie

De kunstmatige verlichting in het gebouw draagt bij aan een optimale bedrijfsvoering en dient uitgevoerd te worden in LED en voorzien te zijn van een ENEC-keurmerk. De LED driver dient te zijn ingebouwd in het armatuur (behuizing), een losse driver is enkel voor LED downlighters toegestaan. Alle ruimten zijn voorzien van voor het gebruik geschikte kunstmatige verlichting, waarbij er geen hinder door verblinding of reflectie ontstaat. Bij verlichting in kantoren extra aandacht voor beeldschermgebruik, inkijkhoek en reflectie. In specifieke ruimten, worden aanvullende eisen gesteld ten aanzien van regelbaarheid, verlichtingsniveau en uitstraling. In ruimten waar audio-/videopresentaties kunnen worden gehouden is de verlichting overbrug- en dimbaar. In nauw overleg met de adviseur museale verlichting dient een integraal ontwerp te worden opgesteld. Ter plaatse van de presentatieruimten dient een lichtontwerp opgesteld te worden rekening houdend met museale eisen voor objecten, klimaat, inrichting (vitrine-verlichting), dimbaarheid, lichtkleur etc. Het type armatuur en de bijbehorende lichtkleur bepalen in overleg tussen opdrachtgever, gebruiker, architect en de adviseur, op basis van het beoogde gebruik en de doelstellingen ten aanzien van energiebesparing. In ruimten waar beeldschermwerk plaats vindt dienen beeldschermvriendelijke armaturen.

Er zijn tevens representatieve ruimten die naast basisverlichting ook aanvullende sfeerverlichting hebben, zoals het restaurant, auditorium, trouwlocatie, museumwinkel, museum café, evenementenruimte en de entreehal. De aansluitingen en schakelingen in overleg te bepalen met de lichtadviseur.

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 96

De verlichtingsberekeningen dienen te worden opgesteld conform de geldende verlichtingsnorm en de plug-ins van de verlichtingsarmaturen dienen vrij op internet beschikbaar te zijn. Het lumenbehoud voor de verlichtingsarmaturen bedraagt minimaal 90% bij 50.000 branduren bij een omgevingstemperatuur van 25 graden Celsius.

15.5.

Tentoonstellings- en expositieverlichting

Ten behoeve van de verlichting in de presentatieruimten zal een verlichtingsconcept toegepast moeten worden dat flexibel inzetbaar is. Dit wil zeggen dat verlichtingsarmaturen richtbaar zijn, in meerdere groepen te schakelen zijn en eenvoudig verplaatst moet kunnen worden. De volgende ontwerpeisen in acht nemen; ▪ De algemene verlichting in museale ruimten diffuus (indirect) uitvoeren; ▪ Algemene werkverlichting, tijdens de inrichting van tentoonstellingen, 400 lux; ▪ De verlichting dient gereduceerd te kunnen worden naar maximaal 50 lux voor papieren schilderijen en maximaal 150 lux voor de overige schilderijen, waarbij de gelijkmatigheid gehandhaafd blijft; ▪ Er dient voldoende 3 fase spanningsrail aanwezig te zijn. Aan deze rail kunnen spots bevestigd worden om een object op iedere positie in de zaal aan te kunnen lichten. De rail uit te voeren als standaard euro-rail; ▪ Het licht systeem met de spanningsrails heeft 3 fasen, deze moeten zodanig aangesloten worden dat ze alle 3 gebruikt kunnen worden voor verschillende doeleinden zoals dimbare verlichting, av apparatuur en flexibele camera's. ▪ Er dienen voldoende spots met accessoires (filters) aanwezig te zijn voor de wisselende tentoonstellingen. Uit te gaan van LED spots; ▪ UV-filtering, aandeel Uv-licht maximaal 75 µW/lumen, in collectie en museale gebieden.

Voor de verlichtingsinstallatie in de tentoonstellingsruimten/ presentatieruimtes en de hiermee gerelateerde ruimtes is verder het volgende belangrijk: ▪ alleen gebruik van (dimbare) Ledlampen ▪ wandcontactdozen (inbouw en laag bij de grond) die vaste groepen hebben en niet geschakeld worden door lichtknoppen/schakelaars ▪ opties voor ''onzichtbare bekabeling'' naar stroompunt voor apparatuur die niet langs de wand, maar los in de zaal staat (een vitrine, een beeldscherm e.a.) (met name bij de tijdelijke tentoonstelling) ▪ 3-fase aansluiting stroom voor lichtrail i.v.m. tentoonstellingen (dus meerdere stroomgroepen per zaal) ▪ door het hele gebouw verlichting en apparatuur aan/uit/ in meerdere scenes te schakelen (centraal) via beveiligingsloge (GBS) ▪ overzicht(tekeningen) groepenkasten met lijst overzicht wat er per groep aangesloten is ▪ verlichtingsrails makkelijk bereikbaar /verlichting voor wisseling lampen/ uitlichten

15.6.

Noodverlichtingsinstallatie

Uitgangspunt is dat de complete noodverlichtingsinstallatie wordt uitgevoerd als een geadresseerd centraal gevoed systeem met zelftestfunctie die geheel voldoet aan de vigerende wet- en regelgeving.

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 97

De autonomietijd dient minimaal 1 uur te bedragen aan het einde van de technische levensduur van de batterijen. De noodverlichting dient maximaal 5 seconde na spanningsuitval volledig operationeel te zijn. De batterijen dienen in een voldoende geklimatiseerde ruimte centraal op 1 locatie in het gebouw te worden voorzien. Noodverlichting eveneens voorzien in de volgende ruimten: ▪ meterkasten, technische ruimten en computerruimten. ▪ Plus alle overige nieuwe ruimtes

15.7.

Terreinverlichting

De kunstmatige verlichting aan en rondom het gebouw heeft een zodanig niveau dat een optimale uitvoering van het bedrijfsproces mogelijk is, en er geen hinder door verblinding of reflectie ontstaat. Het aanlichten van het gebouw evenals het terrein voorzien van, voor het gebruik geschikte, kunstmatige verlichting, een en ander te ontwerpen in samenhang met de aanwezige openbare verlichting. Het type armatuur wordt door de (tuin) architect en adviseur voorgesteld met inachtneming van het beoogde gebruik en de doelstellingen ten aanzien van energiebesparing. De buitenverlichting voldoet aan de onderstaande eisen: ▪ Bij alle buitendeuren effectieve vandaalbestendige (IK10) LED-buitenverlichting plaatsen. Indien de buitendeur een vluchtdeur betreft dient het armatuur te worden aangesloten op de noodstroomvoorziening; ▪ Als terreinverlichting en verlichting van de buitenzijde van het gebouw LED-verlichting toepassen; ▪ Het verlichtingsniveau dient gemiddeld minimaal 20 lux te bedragen over het gehele terrein. ▪ Boven de hoofdentree een aansluitpunt voor eventueel verlichte naamsaanduiding en data opnemen. De terrein- en buitenverlichting te schakelen middels schemerschakelaar en tijdklok met automatische zomer-/ wintertijd met mogelijke overbrugging op het gebouwbeheersysteem.

15.8.

Krachtinstallatie

De krachtinstallatie bestaat uit leidingen en schakelmateriaal ten behoeve van 230V/400V-aansluitpunten. Genoemde aansluitpunten dienen bestemd te zijn voor apparatuur en machines, zoals: ▪ werktuigkundige installaties ▪ pomp- en drukverhoging installaties ▪ pantry- en keukenapparatuur ▪ transportinstallaties ▪ boilers ▪ kopieerapparatuur ▪ keukenapparatuur ▪ kracht aansluitingen in zaalverhuur, evenementenruimte en catering ▪ specifieke gebruikersapparatuur (t.b.v. museale presentaties, expeditiecluster). De krachtinstallatie dient gescheiden van de lichtinstallatie te worden uitgevoerd. Het benodigde elektrische vermogen dient door middel van berekeningen te worden bepaald. Hierin dient een reservecapaciteit van 20% te zijn opgenomen.

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 98

15.9.

Brandmeld-/ontruimingsinstallatie

Het gebouw dient met betrekking tot de (brand)veiligheid aan alle wettelijke eisen en richtlijnen te voldoen. De belangrijkste brandveiligheidseisen komen kort samengevat op het volgende neer: ▪ Brandcompartimentering (max 1000m2) en brandwerendheid scheiding tussen compartimenten; ▪ brandveiligheidsklasse van toe te passen materialen en bekleding van de (hoofd)draagconstructie; ▪ noodverlichting; ▪ vluchtwegaanduiding; ▪ ter plaatse van de nooduitgangen buiten het gebouw ruimte vrijhouden voor vluchten; ▪ brandmeld- en ontruimingsinstallatie. Op branddeuren dienen elektronische drangers te worden toegepast waarmee de deuren standaard blijven open staan behalve ten tijde van brand. Deze voorziening dient aangesloten te worden op het centrale brandmeldsysteem. Een uitzondering hierop vormen de deuren die deel uitmaken van de beveiligingsschil. De brandmeldcentrale is adresseerbaar en van een modulaire uitvoering en uitbreidbaar met groepen voor zowel automatische als handbrandmelders. Uitgangspunt is een brandmeldinstallatie gebaseerd op volledige bewaking, maar dient uiteindelijk bepaald te worden vanuit het PvE brandmeldinstallaties die door het ontwerpteam wordt opgesteld. De brandmeldinstallatie en de ontruimingsinstallatie dienen compleet te worden uitgevoerd en beide installaties dienen bij oplevering gecertificeerd te zijn.

Het inspectie certificaat dient aan de gebruiker en de gemeente te worden verstrekt. Door een daartoe bevoegde instantie dient voor zowel de brandmeldinstallatie als voor de ontruimingsinstallatie een Programma van Eisen te worden opgesteld waarin alle genoemde voorwaarden benoemd staan waar de installatie aan dient te voldoen. Daarnaast dient het programma van eisen te zijn afgestemd op het integraal museaal veiligheidsplan. De ontruiming vindt ten minste plaats door middel van slow whoop (type B). De zonering van de brandmeldinstallatie en de ontruiming aan de hand van het ontwerp bepalen.

15.10.

Veiligheidsaarding

Het gebouw en de installaties hebben een veiligheidsaarding conform de vigerende regelgeving en de EMCrichtlijnen. In de fundering een ringleiding voorzien waarop de volgende onderdelen dienen te worden gekoppeld: ▪ constructie; ▪ lift(en); ▪ laagspanningsruimte; ▪ transformator; ▪ hoofdverdeelinrichting; ▪ onderverdeelinrichting(en); ▪ MER; ▪ SER(s); ▪ blikseminstallatie.

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

Pagina 99

In de directe nabijheid van de hoofdverdeelinrichting een hoofdaardrail (zogenoemde HAR) positioneren evenals nabij elke onderverdeelinrichting een potentiaalvereffeningsrail (zogenoemde PVR). Daarnaast dient in elke MER en SER een separate aardingsvoorziening te worden aangebracht. Tijdens de ontwerpfase dient door een onafhankelijke partij een EMC inspectie te worden uitgevoerd, waarbij de aanbevelingen worden uitgevoerd. Op de hoofdaardrail respectievelijk potentiaalvereffeningsrail dienen de volgende onderdelen te worden gekoppeld: ▪ stekeinden van de ringleiding in de fundering; ▪ aardrails van de betreffende verdeelinrichting; ▪ potentiaal vereffeningsaarding van de tot de installatie behorende metalen onderdelen; ▪ potentiaal vereffeningsaarding van de niet tot de installatie behorende metalen onderdelen; ▪ koppeling keukenmeubilair. Eventueel dienen, ter verkrijging van een voldoende lage aardverspreidingsweerstand (Ra < 1 ohm), conform de eisen van het energieleverend bedrijf aardelektroden te worden aangebracht.

15.11.

Bliksembeveiliging

Het gebouw voorzien in een bliksemafleiderinstallatie. Deze behandelt zowel bliksemafleidsysteem als elektronische systemen. Een complete risicoanalyse dient te worden uitgevoerd waaruit de LPL-klasse dient te worden bepaald. Indien er een PV-installatie wordt toegepast dan zal afhankelijk van de toegepaste PV installatie deze gekoppeld moeten worden aan de bliksembeveiliging. Overspanningafleiders hebben een lifecheck functionaliteit. Rekening houden met het aanbrengen van 'schone aarding' voor bepaalde installaties. De bliksemafleiderinstallatie is afkoppelbaar, in verband met periodieke controle en centrale metingen.

15.12.

Security systeem

Het security systeem zal door de adviseur museale beveiliging worden uitgewerkt tot een geïntegreerd plan. Onderstaande artikelen geven een indruk van de prestatie eisen die als basis dienen. De securitysystemen: toegangscontrole (inclusief elektronische sloten), inbraak, kunstwerkbeveiliging en camerabewaking dienen als 1 geïntegreerd systeem te kunnen werken. Hierdoor zijn automatische acties mogelijk zoals: ▪ bij inbraakdetectie -> automatische pop-up van camerabeeld van die locatie -> automatisch opnemen & archiveren beelden op de videoserver in hogere resolutie; ▪ via de toegangscontrole op afstand in combinatie met camerabewaking -> toegang verlenen. De verschillende security elementen en hun precieze inplanting worden tijdens de ontwerpfase in detail weergegeven en uitgetekend op de plannen.

11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Het Prinsenhof Delft

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10228640/1