CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplanboekje Verbreding Schie

Raadsvergadering 6 maart 2025, gemeente DelftBij agendapunt: Voorstel van het college aan de raad inzake Vaststellen bestemmingsplan Verbreding Schie (coördinatieregeling) (2505061)36.949 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Grof stof

Wettelijk kader Het aspect (grof)stofhinder vormt geen onderdeel van de systematiek Milieuzonering Nieuwe Stijl. Dit aspect is daarin bewust achterwege gelaten omdat landelijke wetgeving (Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling) voldoende in regelgeving voorzien voor reguliere bedrijven. In bijlage 3 van het Activiteitenbesluit is een klasse-indeling van stuifgevoelige stoffen gegeven en zijn aan een aantal bulkgoederen stuifgevoeligheidsklassen toegekend. Hierbij is de volgende indeling gemaakt: • S1: sterk stuifgevoelig, niet bevochtigbaar. • S2: sterk stuifgevoelig, wel bevochtigbaar. • S3: licht stuifgevoelig, niet bevochtigbaar. • S4: licht stuifgevoelig, wel bevochtigbaar. • S5: nauwelijks of niet stuifgevoelig. Zand bij zandhandels is licht stuifgevoelig en bevochtigbaar en wordt daarmee geclassificeerd als S4. Het Activiteitenbesluit kent ook middelvoorschriften om de emissie van stof te voorkomen, die rechtstreeks geldend zijn. Deze voorschriften zijn net als de stuifklassenindeling tevens opgenomen in de Omgevingswet in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en gelden voor activiteiten aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal.

Stofklassen NTA 8029+C1 In het onderzoek is voor de verwaaiing van zand vanwege op- en overslag aangesloten bij de emissiekentallen uit de Nederlands Technische Afspraak NTA 8029+C1 van 2013. De categorie uit de NTA die het beste aansluit bij de op- en overslag van zand bij zandhandels is de sector ‘Bulk storage and handling’ en subsector ‘mineralen’. In de NTA wordt voor mineralen bij de emissiekentallen geen onderscheid gemaakt op basis van stofklassen. Enkel bij de subsector agribulk wordt onderscheid gemaakt in twee categorieën stofklassen: S1-S2 en S3 t/m S5. Agribulk wijkt echter in aard en fysieke kenmerken aanzienlijk af van zand. Daarbij wordt zand tot de groep van mineralen gerekend. Om deze reden is aangesloten bij de kentallen voor de op- en overslag van mineralen volgens de NTA 8029+C1.

Beoordeling bestemmingsplan "Verbreding Schie" (vastgesteld) 24

bestemmingsplan Verbreding Schie Voor de op- en overslag van zand vanuit dit type overslaglocatie geldt volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' 2009 een richtafstand van 100 meter tot gemengd woongebied. De afstand tot de dichtstbij gelegen (bedrijfs-)woning bedraagt meer dan 50 meter, maar minder dan 100 meter waardoor niet wordt voldaan aan de richtafstand. Voor woningen op een bedrijventerrein of industrieterrein kan echter uitgegaan worden van een lager beschermingsniveau dan voor woningen in een rustig of gemengd woongebied. Echter voorziet de milieuregelgeving in regels die stofverspreiding al voorkomen of beperken direct buiten de grens van de inrichting. Daardoor worden ook omliggende bedrijven beschermd. De kortste afstand van de overslaglocatie tot aan dichtstbij gelegen bedrijf bedraagt 15 meter. De heersende windrichting in Nederland is zuidwest. Ten noordoosten van de overslaglocatie liggen de woningen en bedrijven op grote afstand en wordt geen hinder verwacht. Ten zuidwesten en westen van de overslaglocatie ligt het bedrijventerrein (categorie 4). Conclusie Er wordt geen hinder van overslag van zand verwacht. Vanuit 'good housekeeping' zijn maatregelen om overlast te voorkomen vanzelfsprekend nodig. Stofhinder vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.

4.2

Externe veiligheid

Wettelijk en beleidskader Het externe veiligheidsbeleid is vastgelegd in: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Daarnaast is beleid vastgelegd in de algemene regels op grond van de Wet milieubeheer (Activiteitenbesluit, Vuurwerkbesluit). Voornoemde wetgeving geeft het toetsingskader tot de komst van de Omgevingswet. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die onder het BRZO vallen, lpg-tankstations, opslagplaatsen (PGS), ammoniakkoelinstallaties en spoorwegemplacementen. Het besluit bevat eisen voor het plaatsgebonden risico (PR) en regels voor het groepsrisico (GR). Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) De regeling bevat regels over de veiligheidsafstanden en berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Op grond van het Bevi zijn in de Revi voor een aantal bedrijfscategorieën (zoals lpg-tankstations, ammoniakkoelinstallaties, opslagplaatsen) vaste veiligheidsafstanden opgenomen. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden.

Dit besluit is vergelijkbaar met het Bevi, maar dan van toepassing op buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het gaat om: buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm (1,97 inch) en een druk van meer dan 1600 kPa (16 bar) buisleidingen voor aardolieproducten, met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm (2,76 inch) en een druk van meer dan 1600 kPa. Ook voor de buisleidingen is verantwoording voor het plaatsgebonden risico en de verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. De ligging van buisleidingen wordt opgenomen in de verbeelding. En er wordt een regeling opgenomen voor de belemmeringenstrook. Deze belemmeringenstrook ligt op vijf meter aan weerszijden van de buisleiding of vier meter in geval van aardgasleidingen met een druk tussen 1600 en 4000 kPa. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen worden vastgelegd in het Besluit externe veiligheid bestemmingsplan "Verbreding Schie" (vastgesteld) 25

bestemmingsplan Verbreding Schie transportroutes en de Regeling Basisnet. Op 1 april 2015 zijn dit besluit en de regeling in werking getreden. Toetsing Met dit bestemmingplan worden geen risicobronnen en/of (beperkt) kwetsbare objecten, zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in het plangebied toegevoegd of mogelijk gemaakt. Conclusie Er wordt met dit bestemmingsplan geen risicobron en/of (beperkt) kwetsbare object mogelijk gemaakt. Het milieuaspect Externe Veiligheid is daarom niet relevant voor de realisatie van het bestemmingsplan.

4.3

Water

Landelijk waterbeleid Het landelijk waterbeleid dat voortvloeit uit de Europese Kaderrichtlijn Water, is uiteengezet in de 4e Nota Waterhuishouding, de nota "Waterbeleid 21e eeuw" en het Nationaal Bestuursakkoord Water. In al deze nota's staat de strategie 'vasthouden, bergen en afvoeren' centraal. Deze strategie is gericht op waterkwantiteit en houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en daarna pas afgevoerd naar benedenstroomse watersystemen. Een tweede strategie, die gericht is op waterkwaliteit is de trits 'schoonhouden, scheiden en zuiveren'. Bij deze strategie gaat het erom dat het water zoveel mogelijk wordt schoongehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en tenslotte, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterbeleid voor de 21e eeuw De kern van 'Waterbeleid voor de 21e eeuw' (2003) is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. Het water de ruimte geven betekent dat in het landschap en in de stad ruimte gemaakt wordt om water op te slaan, als overloop in tijden van veel water, maar ook als reserve voor tijden van droogte. Waterbeleid 21e eeuw gaat uit van de strategie 'vasthouden - bergen - afvoeren', waarbij water pas wordt afgevoerd als het echt niet anders kan.

Nationaal Waterplan In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die op 22 december 2009 van kracht is geworden. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. In het Nationaal Waterplan is een eerste uitwerking gegeven aan het Deltaprogramma dat wordt opgesteld naar aanleiding van het advies van de Deltacommissie in 2008. Dit programma is gericht op duurzame veiligheid en zoetwatervoorziening. Naast alle plannen om Nederland in de toekomst veilig en leefbaar te houden, is de uitvoering van maatregelen nu al in volle gang. Bijvoorbeeld de projecten Ruimte voor de Rivier en de Maaswerken zijn in uitvoering en moeten in 2015 gereed zijn. Ook worden langs de kust de zogenoemde zwakke schakels aangepakt en vindt versterking plaats door zandsuppleties.

Watertoets Om waterbeheer en ruimtelijke ordening goed op elkaar af te stemmen is de watertoets ontwikkeld. Door deze (wettelijk verplichte) watertoets moet duidelijkheid worden geboden welke randvoorwaarden gelden voor ruimtelijke en/of stedenbouwkundige aanpassingen ten opzichte van het oppervlakte- en bestemmingsplan "Verbreding Schie" (vastgesteld) 26

bestemmingsplan Verbreding Schie grondwater in het plangebied en omgeving (art. 3.1.6 lid b Bro). Onderdeel van deze watertoets is het inwinnen van advies bij de waterbeheerder van het gebied, in dit geval het Hoogheemraadschap van Delfland (art. 3.1.1 Bro). Voor de waterparagraaf is gebruik gemaakt van de "digitale watertoets". Uit deze toetsing is gebleken dat een normale watertoetsprocedure is vereist.

Waterbeheerplan Hoogheemraadschap van Delfland 2016-2021 Het Waterbeheerplan van Waterschap Delfland geeft de koers aan die het waterschap de komende jaren gaat varen. Voor waterkeringen, landelijk gebied, stedelijk gebied en waterketen zijn er vijf integrale opgaven opgesteld: Een zelfvoorzienend gezond en schoon watersysteem Interactie tussen watersysteem en waterketen Stedelijk waterbeheer en klimaatadaptatie Iedereen bewust van water Duurzaamheid Waterplan gemeente Delft De gemeente Delft heeft in samenwerking met Hoogheemraadschap van Delfland een waterplan opgesteld (augustus 2000). In het waterplan staat hoe de gemeente en het hoogheemraadschap willen omgaan met het water binnen de gemeentegrenzen van Delft. Daartoe is een waterplan opgesteld die voorziet in de behoefte aan een integrale en duurzame visie op watergebied, die de ambities en doelstellingen voor de Delftse wateren op de lange termijn beschrijft, rekening houdend met de specifieke situatie in Delft (kansen en knelpunten). De ambities uit het waterplan vormen een leidraad voor gemeentelijke bestemmingsplannen en de daarin verplicht gestelde waterparagraaf, het gemeentelijk rioleringsplan en allerlei uitvoerings- en beheersplannen. Binnen het waterplan zijn drie ambitieniveaus onderscheiden: 1. Water als cultuurgoed 2. Water als belevingsgoed 3.

Water als natuurgoed Voor de verwezenlijking van de ambities en doelstellingen is een aantal maatregelen opgesteld. Dit is opgenomen in een actieprogramma. Het bedrijventerrein langs de Schie is in dit plan aangewezen als waterarm of waterloos gebied In deze gebieden is een ambitieniveau voor het open water nauwelijks of niet aan de orde. De algemene doelstelling gericht op verminderen van waterverontreiniging (onder meer afkoppelen van regenwater om riooloverstorten tegen te gaan) blijft ook in deze gebieden onverkort van kracht.

Waterstructuurvisie (2006) Om de wateropgave op een goede wijze in Delft vorm te geven, is de Waterstructuurvisie opgesteld. De Waterstructuurvisie geeft aan waar de benodigde waterberging kan worden gerealiseerd, zodat de algehele waterhuishouding verbeterd. In de visie worden kansen gesignaleerd voor nieuwe verbindingen en ecologische zones. Het bedrijventerrein langs de Schie is in voorgaande plannen aangewezen als waterarm of waterloos gebied. In deze gebieden is een ambitieniveau voor het open water nauwelijks of niet aan de orde. De algemene doelstelling gericht op verminderen van waterverontreiniging (onder meer afkoppelen van regenwater om riooloverstorten tegen te gaan) blijft ook in dit gebied van kracht. Toetsing Van de voorgenomen ontwikkelingen is getoetst of ze effect hebben op een bepaald wateraspect (zie bijlage 4 Watertoets). Binnen het project "Verbreding Delftse Schie" worden twee sloten gedempt en er wordt verhard oppervlak toegevoegd. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt dat elke m² gedempt oppervlaktewater moet worden gecompenseerd, bij voorkeur in hetzelfde peilvak. bestemmingsplan "Verbreding Schie" (vastgesteld) 27

bestemmingsplan Verbreding Schie De toevoeging van oppervlakte water als gevolg van de verbreding van de Delftse Schie zelf vindt plaats in een ander peilgebied (de boezem). Het toevoegen van verhard oppervlak kan op basis van de 'Beleidsregel Dempen en Graven' van het Hoogheemraadschap van Delfland (2009) worden gecompenseerd door extra oppervlaktewater te creëren. Toekomstige situatie Binnen het project 'Verbreding Delftse Schie' worden de twee aanwezige sloten gedempt en wordt er extra verhard oppervlak toegevoegd in de vorm van een loswal met bijbehorende faciliteiten op de kade. In de toekomstige situatie is een oppervlakte van 8.228 m² verhard. Het verharde oppervlak is 4.978 m² groter in vergelijking met de uitgangssituatie.

Op basis van de twee te dempen sloten, met een totaaloppervlak van 600 m2 en 660 m2, moet er 1.260 m2 aan oppervlaktewater worden gerealiseerd. Naast de te dempen watergangen zit er in het ontwerp een toename van 3981 m2 verhard oppervlak door de loswal (3516 m2) en de ligplaats (465 m2) gezamenlijk en is er een toename in verhard oppervlak van het voet- en fietspad van 3250 m2 naar 4247 m2.

Compensatie toename verhard oppervlak Loswal en ligplaats Doordat de afwatering van het hemelwater van de loswal en ligplaats direct op de Schie (boezem) plaatsvindt, betekent dat bij toename in verhard oppervlak van 3981 m2 van loswal en ligplaats een compensatie van 1863 m2 wordt geëist in de boezem vanuit de Watersleutel van het hoogheemraadschap van Delfland (zie Bijlage B 'Compensatie in peilvak I-b (Schie), Boezem (verhard oppervlak van ligplaats en loswal)'). Voor de verbreding van de Schie (boezem) wordt 7572 m2 extra wateroppervlak gecreëerd waar binnen deze compensatie past.

Locatie watercompensatie polder Voor de demping van de sloten en het toevoegen van extra verhard oppervlak dient ter compensatie (extra) oppervlaktewater te worden gegraven. Volgens het hoogheemraadschap van Delfland dient de realisatie van de watercompensatie plaats te vinden in hetzelfde peilvak als waar de sloten zich bevinden. In dit geval dus in het peilvak IV (NAP -2,2m) weergegeven in het oranje kader in onderstaande figuur. In sommige goed onderbouwde situaties mag worden afgeweken van deze situatie. Gezien de beperkte ruimtelijke mogelijkheden voor het realiseren van de waterberging in hetzelfde peilvak en vanwege de afwatering van de kadesloten naar het naastgelegen peilvak I (NAP -2,7m), is het Abtswoudse Bos in het blauwe kader in onderstaand figuur gekozen als definitieve voorkeurslocatie voor deze beoogde realisatie van oppervlaktewater. Beide peilvakken bevinden zich in de Lage Abtswoudschepolder Stedelijk, type stedelijk bebouwd en hebben een toelaatbare peilstijging van 0,4m. bestemmingsplan "Verbreding Schie" (vastgesteld) 28

bestemmingsplan Verbreding Schie

Figuur: Peilvakken te dempen sloten (oranje) en het Abtswoudse Bos (blauw). Bron peilvakken: Hoogheemraadschap van Delfland

De watercompensatie wordt gerealiseerd in het Abtswoudse Bos. Mocht blijken dat de watercompensatie binnen het plangebied kan worden gerealiseerd, dan behoort dit - na afstemming met het Hoogheemraadschap van Delfland - tot de mogelijkheden. Indien er een andere betere optie is voor de watercompensatie buiten het plangebied, dan bestaat de mogelijkheid om dit met een omgevingsvergunning te realiseren, mits vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen van het Hoogheemraadschap. Uitgangspunt blijft echter de realisatie van de waterberging in het Abtswoudse Bos. Ongeacht waar de watercompensatie wordt gerealiseerd, de realisatie moet hebben plaatsgevonden voordat de kade ingebruik wordt genomen. Dit is middels een voorwaardelijke verplichting in de planregels geborgd. Het beschikbaar gestelde herinrichtingsgebied in het Abtswoudse Bos heeft een oppervlakte van ca. 2.500m² en voldoet aan de gevraagde waterberging van 1795 m2 als gevolg van de demping (1260 m2) en compensatie van het verhard oppervlak (535 m2).

bestemmingsplan "Verbreding Schie" (vastgesteld) 29

bestemmingsplan Verbreding Schie

Figuur: Ligging Abtswoudse Bos, ontwerp vanuit Kwaliteitsimpuls Staatsbosbeheer, Versie 2021-09-28

Fiets- en voetpad De compensatie van de toename in verharding van het fiets- en voetpad (4247-3250=997 m2) is 535 m2. Het is niet mogelijk om de compensatie in hetzelfde peilvak te realiseren. De compensatie wordt uitgevoerd in het lager gelegen peilvak I (Abtswoudse Bos) waar ca. 2.500 m² is gereserveerd.

Demping sloten De compensatie van de toename in verharding door het dempen van de sloten is 1260 m2. Het is niet mogelijk om de compensatie in hetzelfde peilvak te realiseren. De compensatie wordt uitgevoerd in het lager gelegen peilvak I (Abtswoudse Bos) waar ca. 2.500 m² is gereserveerd.

Hemelwaterafvoer De loswal krijgt voor het hemelwater een oppervlakkige afvoer van het hemelwater over de terreinverharding richting de damwand. Langs de damwand zal een grindkoffer worden aangebracht die om de ca. 10 meter een doorvoer door de deksloof krijgt om het hemelwater naar de Schie te kunnen afvoeren. De ligplaatsen zullen ook direct afwateren naar de Schie. De hemelwaterafvoer van Combistar, die nu nog afwatert op de watergang, zal worden aangesloten op de gemeentelijke riolering, bij voorkeur op het nabijgelegen HWA-riool. Want vanwege het dempen van de watergang is afvoer van het hemelwater via de watergang niet meer mogelijk in de toekomst. De aanleg van een wadi als vasthoudmaatregel is overwogen, maar gezien de grondslag en de aanwezigheid van de kering niet wenselijk geacht.

Grondwater & riolering In de huidige situatie hebben de watergangen een drainerende werking op de omgeving. Het dempen van de watergangen kan er leiden tot grondwateroverlast, doordat het grondwater niet voldoende kan worden afgevangen. Het extra verhard oppervlak kan leiden tot een versnelde afvoer in het riolering of de boezem. De zorg van hoogheemraadschaap van Delfland is dat bij hevige buien er water ook op straat kan blijven staan. Om de effecten van het dempen van de watergangen te monitoren is een monitoringsplan opgesteld. Eind oktober 2021 is een melding bij het Hoogheemraadschap van Delfland gedaan voor het plaatsen van zes peilbuizen waarvan vijf peilbuizen in de beschermingszone van de kering komen. In december zijn de peilbuizen geplaatst en worden minimaal een jaar lang gemeten met divers zodat er voldoende bestemmingsplan "Verbreding Schie" (vastgesteld) 30

bestemmingsplan Verbreding Schie informatie als referentie wordt opgehaald. Het voornemen is om de grondwaterstanden ook tijdens en na de werkzaamheden te blijven meten. Uit het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) van de Gemeente Delft volgt dat als uitgangspunt bij stedelijk gebied (onder wegen) een ontwateringsdiepte1 van minimaal 70 cm en bij bedrijventerrein een ontwateringsdiepte van minimaal 55 cm. De metingen van het eerste half jaar geven aan dat de grondwaterstanden op de meeste locaties hoger zijn dan het peil van het oppervlaktewater (NAP -2,20 m). Het verschil tussen maaiveld en de hoogst waargenomen grondwaterstanden is in alle gevallen groter dan 0,55 m. Daarmee voldoet het gebied in de huidige situatie aan de ontwateringsnormen van de Gemeente Delft. Als voorzorg en beheersmaatregel voor de toekomstige situatie wordt in het ontwerp een drain van voldoende afmetingen opgenomen (onder de te dempen watergangen) om hiermee het overtollige water af te kunnen voeren naar een nabijgelegen afwatering of via de bestaande duiker bij Avalex naar het Abtswoudse Bos. Er komt een stuwput met een overstortpeil. Vanuit de Bellweg is in de huidige situatie een rioolpijp aangesloten op het einde van de watergang langs de Schiekade. Met de Gemeente Delft is afgestemd hoe in de toekomst de herinrichting kan plaats vinden.

Er is afgesproken om de rioolpijp te verleggen voorafgaand aan de demping van de watergangen langs de Schiekade.

Figuur : Rioolpijp vanuit Bellweg komt uit op de watergang langs de Schiekade

Klimaatadaptatie In dit project is gekeken naar de huidige plek van loswal en zandhandel, het karakter van het bedrijventerrein, de compensatie van water in het Abtswoudse Bos en de komst van het park op de huidige locatie van de loswal en de zandhandel. Het plangebied bevindt zich op en langs een regionale waterkering (Schie). De functie van de waterkering dient in stand te worden gehouden, vanwege de cruciale rol bij het beschermen tegen overstromingen. Dit neemt beperkingen met zich mee. Alle werkzaamheden, functies en maatregelen die de waterkerende functie kunnen ondermijnen zijn daarom ofwel verboden, ofwel aan strikte voorwaarden gebonden. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van halfverharding. Dit vermindert afstromend water en bevordert infiltratie. Het verhard oppervlak binnen het plangebied neemt toe (met 4.978 m2). Waar mogelijk is rekening gehouden met een klimaatadaptieve inrichting van het plangebied. Zo is in combinatie met de functie als bestemmingsplan "Verbreding Schie" (vastgesteld) 31

bestemmingsplan Verbreding Schie waterkering, loswal en zandhandel toch gekozen om zoveel mogelijk groen in te passen. De groene zones rondom de fiets/voetgangsverbinding en de verharding worden daarom ingericht met bloemrijk grasland en langs de westzijde worden inheemse struiken aangebracht. Door de beplanting over een langere afstand aan te brengen en door de nabijheid van een groot wateroppervlakte (Schie), blijft verkoeling gewaarborgd. Daarnaast wordt op de huidige plek van de zandhandel een park aangelegd (sponswerking).

Conclusie Met de voorgestelde watercompensatie in het Abtswoudtse Bos en in de Schie wordt invulling gegeven aan het beleid zoals beschreven in de handreiking watertoets van Delfland en voldaan aan de voorwaarden dat de toename in verharding wordt gecompenseerd in wateroppervlak. De grondwatersituatie op deze locatie wordt gemonitord om een beter beeld te krijgen. Als voorzorg en beheersmaatregel wordt een drain opgenomen in het ontwerp. Dit wordt nog nader bekeken wanneer meer metingen beschikbaar zijn. Daarnaast zijn er voor de andere waterbelangen in dit project geen negatieve effecten te verwachten.

4.4

Ecologie

Wettelijk kader De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving. Hierin is onderscheid tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) van kracht. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Toetsing Op 17 november 2022 is door Arcadis de Quickscan Wet natuurbescherming Verbreding Schie opgeleverd (documentkenmerk D10042214 bijlage 5 Ecologisch onderzoek, bijlage 6 Aanvullend bezoek ecologisch onderzoek en bijlage 7 Bomenholtenonderzoek). In deze Quickscan is bureau- en veldonderzoek vanaf 2013 tot 2022 samengevat en getoetst aan de huidige regelgeving. De resultaten van dit onderzoek zijn in deze paragraaf beschreven. De rapportage zelf is opgenomen in de bijlagen bij dit bestemmingplan. Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming biedt een beschermingskader voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden.

Hieronder vallen: Speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) Beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten Een belangrijk onderdeel van de Wnb is dat handelingen of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de kwaliteit van de habitats van soorten (waarvoor een gebied is aangewezen) niet worden vergund. Als schadelijke effecten vooraf niet kunnen worden uitgesloten, dan dient de initiatiefnemer een 'passende beoordeling' te maken. Dit is een onderzoek naar alle aspecten die gevolgen kunnen hebben voor datgene wat bescherming geniet.

Situatie plangebied - Verbreding Schie Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied (Solleveld & Kapittelduinen is het dichtstbij gelegen gebied op ruim 12,5 km afstand) of binnen het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS).

Stikstof bestemmingsplan "Verbreding Schie" (vastgesteld) 32

bestemmingsplan Verbreding Schie Met behulp van het wettelijk (op grond van de Wnb) voorgeschreven rekenmodel AERIUS Calculator (zie Bijlage 9 Stikstofdepositie onderzoek) is de atmosferische depositie van stikstof als gevolg van de verbreding in beeld gebracht. Uit de berekeningsresultaten voor stikstofdepositie blijkt dat binnen Natura 2000-gebieden geen overschrijdingen optreden. Voor de verbreding van de vaarweg zijn de activiteiten (verbreding) noodzakelijk voor het waarborgen van de vaarwegfunctie. Hierbij gaat het om het verwijderen van een onoverzichtelijke versmalling van de vaarweg waardoor de vaarweg veiliger wordt. Deze ingreep heeft geen (vaar)verkeersaantrekkende werking. Er is geen sprake van een wijziging van de huidige functie. De werkzaamheden ten behoeve van de verbreding zijn dan ook niet vergunningplichtig. Met het verplaatsen van de openbare ligplaatsen, de openbare laad/loswal en de zandhandel van Schieoevers Noord naar Schieoevers Zuid wordt invulling gegeven aan de transformatieopgave op Schieoevers Noord. In Schieoevers Noord vindt de komende jaren een transformatie plaats, van industrieterrein naar gemengd werk- en woongebied. In het verlengde van de ontwikkeling in Schieoevers-Noord zal de bedrijvigheid in Schieoevers Zuid worden geïntensiveerd.

De zandhandel is niet passend binnen een gemengd werk- en woongebied en zal daarom worden verplaatst naar Schieoevers Zuid (geluidgezoneerd bedrijventerrein met categorie 4 bedrijven). In onderhavige situatie is de zandhandel wegbestemd in het bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven). De planontwikkeling Verbreding Schie maakt de bedrijfsverplaatsing van de zandhandel mogelijk. Ook worden met deze ontwikkeling de verplaatsing van de openbare loswal en de ligplaatsen mogelijk gemaakt. Deze functies komen verder van Natura 2000-gebieden af te liggen. In de huidige situatie (locatie Schieoevers Noord) is zowel bij de openbare ligplaatsen als bij de zandhandel geen walstroom aanwezig. In de plansituatie is zowel bij de zandhandel als bij de openbare ligplaatsen walstroom aanwezig. Daarom is er in de plansituatie geen stikstofemissie van liggende (aangemeerde) schepen en zijn deze niet gemodelleerd voor wat betreft de gebruiksfase. Voor zowel de verplaatsing van de zandhandel, de openbare loswal als de ligplaatsen geldt dat het aantal varende schepen en de vaarroute in de huidige en plansituatie ongewijzigd blijft. Hetzelfde geldt voor het (vracht)verkeer. Het gaat hier dan ook slechts om de bedrijfsverplaatsing van de zandhandel en de verplaatsing van de functies openbare loswal en ligplaatsen.

Daarom is alleen voor de aanlegfase een Aeriusberekening opgenomen. Uit de resultaten volgt dat de stikstofdepositie voor de aanlegfase voldoet aan de grenswaarde van afgerond 0,00 mol/ha/jaar. Op basis van dit onderzoek zijn daarom significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege het plan op voorhand uit te sluiten.

Soortenbescherming Het doel van de Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt altijd voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden. Van de verbodsbepalingen kan worden afgeweken middels ontheffingen. De Wnb onderscheid drie beschermingsregimes: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn 3. Beschermingsregime andere soorten Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verbodsbepalingen.

Situatie plangebied - Waterberging Abtswoudse bos In het plangebied voor waterberging zijn geen beschermde soorten/functies aangetroffen. Wel zijn er groeiplaatsen van de reuzenberenklauw aangetroffen. Het gebied ten westen van het plangebied heeft hogere natuurwaarden vanwege natuurvriendelijke oevers en ruige begroeiing. De kans op effecten op soorten/functies is hier groter dan in het plangebied. Ten zuiden van het plangebied staat een oude wilg op de oever met holtes die geschikt zijn als verblijfplek voor verschillende soorten waaronder bestemmingsplan "Verbreding Schie" (vastgesteld) 33

bestemmingsplan Verbreding Schie boombewonende vleermuizen.

Situatie plangebied - verbreding Schie Werkzaamheden ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling kunnen leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten, en daarmee overtredingen van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). Het is daarom noodzakelijk om inzicht te krijgen in de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten. Ook moet worden vastgesteld of de voorgenomen ingreep leidt tot negatieve effecten. Uit het veldbezoek (2021) blijkt dat in het plangebied drie populieren kraaiennesten en mogelijk geschikte holtes voor boombewonende vleermuizen zijn aangetroffen. Uit het bomenholtenonderzoek blijkt dat er in twee bomen een nest van kraaiachtigen zijn aangetroffen en in één boom één nest van een houtduif. De holtes zijn niet geschikt voor de steenuil als nestplek, de aanwezige kraaiennesten zijn geschikt voor soorten als de buizerd en havik als basis voor een nestplek. Uit de Quickscan (2022) blijkt dat het plangebied (mogelijk) een functie heeft voor (beschermde) soorten. Op basis van de zorgplicht zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk om effecten op algemene broedvogels, vleermuizen en algemeen voorkomende vrijgestelde soorten (grondgebonden) zoogdieren en amfibieën te voorkomen.

Mitigerende maatregelen - Verbreding Schie De provincie Zuid-Holland heeft in de 'Verordening uitvoering Wet Natuurbescherming Zuid-Holland' een algemene vrijstelling verleend voor algemeen voorkomende 'Andere soorten'. Er geldt daarom een vrijstelling voor de binnen het plangebied voorkomende algemene soorten grondgebonden zoogdieren (o.a. konijn, egel, vos) en algemeen voorkomende amfibieën (o.a. bruine kikker en bastaardkikker). Wel is het (algemene zorgplicht - artikel 1.11 Wnb) nodig maatregelen te treffen om voldoende zorg in acht te nemen voor aanwezige beschermde en niet-beschermde soorten: Zorgplicht: Werk in één richting, de richting waarin soorten kunnen vluchten. Gebruik materieel zorgvuldig en deskundig gebruikt, zodat geen onnodige schade of onnodige verstoring van flora en fauna optreedt. Algemene broedvogels: Voer werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli. Het broedseizoen kan als gevolg van het weer en andere factoren verschuiven. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden. Indien werkzaamheden binnen het broedseizoen starten, dient door een deskundig ecoloog onderzocht te worden of broedende vogels ter plaatse aanwezig zijn en hoe hiermee kan worden omgegaan.

Vleermuizen: Voer de werkzaamheden bij daglicht uit en maak geen gebruik van bouwlampen. Dit voorkomt dat eventuele vleermuizen lichthinder ondervinden tijdens het foerageren.

Conclusie Gebiedsbescherming Op basis van de uitkomst van de AERIUS-berekeningen is er geen sprake van aantasting van waarden waarop de gebiedsbescherming ziet. Vanwege het vervallen van de bouwvrijstelling wordt het effect van de realisatiefase op de stikstofdepositie in een later stadium onderzocht.

Soortenbescherming Waterberging Abtswoudse bos In het plangebied voor de waterberging zijn geen beschermde soorten/functies aangetroffen. Wel zijn er potenties voor beschermde soorten aanwezig. Indien het westelijk gelegen gebied en de oude wilg onaangetast blijven zijn geen negatieve effecten te verwachten en is geen soortgericht onderzoek noodzakelijk. Wel moet rekening gehouden worden met de aanwezigheid van de reuzenberenklauw en bestemmingsplan "Verbreding Schie" (vastgesteld) 34

bestemmingsplan Verbreding Schie de verspreiding van deze invasieve exoot. Verbreding Schie In het plangebied zijn in drie populieren kraaiennesten en mogelijk geschikte holtes voor boombewonende vleermuizen aangetroffen. De holtes dienen visueel geïnspecteerd te worden of deze voldoende diep zijn om als mogelijke verblijfplek te dienen voor boombewonende vleermuizen. Indien dat niet aan de orde is zijn geen vervolgstappen Wnb noodzakelijk. Indien dit wel aan de orde is dient soortgericht onderzoek plaats te vinden naar de aanwezige soorten, functie en dient mogelijk een ontheffing Wnb aangevraagd te worden. Verder zijn mitigerende maatregelen nodig in het plangebied Verbreding Schie.

4.5

Besluit milieueffectrapportage

Wettelijk kader Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor, of een besluit neemt over, projecten met grote milieugevolgen een milieueffectrapportage te doorlopen. Onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (de 'C-lijst') geeft de aard en omvang van dergelijke projecten. Van andere projecten moet het bevoegd gezag beoordelen of deze projecten belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben (m.e.r.-beoordeling). Deze projecten staan in onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. (de 'D-lijst'). Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk of sprake is van een project met grote milieugevolgen zodra een project één of meer van de beschreven activiteiten in Onderdeel D bevat, ongeacht de omvang van deze activiteiten. Deze toets, de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling, dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect.

Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. Als onderdeel van de (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsprocedure wordt in de praktijk vaak een m.e.r.-beoordelingsnotitie of aanmeldingsnotitie opgesteld waarin de mogelijke milieugevolgen van het plan of project worden ingeschat. Op grond hiervan kan het bevoegde gezag bepalen of aanzienlijke nadelige milieugevolgen aan de orde (kunnen) zijn. Als aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een volledige m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-procedure nodig. Zij legt in een m.e.r.-beoordelingsbesluit vast of wel of geen m.e.r. nodig is. Dit beluit neemt zij voorafgaand aan het vaststellen van een ontwerp-bestemmingsplan of een ontwerp-beschikking. In onderstaande afbeelding zijn bovenstaande regels schematisch weergegeven:

Schematische weergave m.e.r.-(beoordelings)plicht Bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu, via: http://www.infomil.nl Toetsing verbreding Delftse Schie aan het Besluit m.e.r. De voorgenomen wijziging van de Delftse Schie maakt de vaarweg bevaarbaar voor schepen tot CEMT Klasse III/M4. Deze schepen hebben een laadvermogen van maximaal 1050 ton en voldoet daarom niet aan geval 1° binnen categorie C3 (zie onderstaande tabel). Er is geen sprake van een structurele verdieping van de vaarweg waarbij meer dan 5 miljoen m3 grond wordt verzet. Daarmee voldoet de wijziging niet aan geval 2° binnen categorie C3. Het totale grondverzet blijft beperkt tot maximaal enkele bestemmingsplan "Verbreding Schie" (vastgesteld) 35

bestemmingsplan Verbreding Schie tienduizenden m3. Tenslotte is geen sprake van (verplaatsing van) een zomerbed (geval 3° binnen C3). De drempel voor categorie C wordt hiermee niet gehaald. Daarmee bestaat er geen directe m.e.r.-plicht voor het vaststellen van het bestemmingsplan dat de aanpassing van de vaarweg mogelijk maakt. Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

C De aanleg, In gevallen waarin: 3 wijziging of a. de aanleg betrekking heeft op uitbreiding van een binnenvaarweg die kan een worden bevaren door schepen binnenvaarweg met een laadvermogen van meer dan 1.350 ton of b. de wijziging of uitbreiding betrekking heeft op:

De structuurvisie, De vaststelling van het bedoeld in de tracé op grond van de artikelen 2.1, 2.2 Tracéwet door de Minister en 2.3 van de Wet van Infrastructuur en ruimtelijke Waterstaat dan wel het ordening, en het projectplan, bedoeld in plan, bedoeld in de artikel 5.4, eerste lid, van artikelen 3.1, de Waterwet, of, indien eerste lid, 3.6, artikel 5.4, zesde lid, van 1°. een vergroting van het eerste lid, die wet van toepassing is, ruimte-oppervlak met 20% of onderdelen a en b, het plan, bedoeld in meer van een binnenvaarweg die van die wet. artikel 3.6, eerste lid, kan worden bevaren door onderdelen a en b, van de schepen met een laadvermogen Wet ruimtelijke ordening van meer dan 1.350 ton, dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet, dan wel bij het ontbreken daarvan de besluiten waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. 2°. een structurele verdieping waarbij meer dan 5 miljoen m3 grond wordt verzet, of 3°. een verlegging van het zomerbed over een oppervlakte van 50 hectare of meer.

De drempel voor Categorie D wordt wel gehaald. De Delftse Schie is conform de Beleidsnota Provinciale Vaarweg en Scheepsvaart ingedeeld in CEM III/M4 vaarweg met een maximaal laadvermogen van 801 – 1050 ton. De Delftse Schie zal in de nieuwe situatie bevaarbaar zijn voor schepen en duwstellen (vaarwegklasse III) met een laadvermogen van 800 tot 1250 ton, dus boven de tonnage-drempel van 900 ton van categorie D3 (Tabel 3). Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

bestemmingsplan "Verbreding Schie" (vastgesteld) 36

bestemmingsplan Verbreding Schie D3.1 De aanleg, In gevallen waarin de activiteit wijziging of betrekking heeft op een uitbreiding van binnenvaarweg die: een 1° kan worden bevaren door binnenvaarweg schepen met een laadvermogen van 900 ton of meer of 2° een oppervlakte van 25 hectare of meer heeft.

De structuurvisie, De vaststelling van het bedoeld in de tracé op grond van de artikelen 2.1, 2.2 Tracéwet door de en 2.3 van de Wet Minister van ruimtelijke ordening Infrastructuur en en het plan, Waterstaat dan wel het bedoeld in artikel projectplan, bedoeld in 3.1, eerste lid, van artikel 5.4, eerste lid, van die wet. de Waterwet, of, indien artikel 5.4, zesde lid, van die wet van toepassing is, het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet, dan wel bij het ontbreken daarvan de besluiten waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn.

Dit betekent dat voor de wijziging van het bestemmingsplan, die de verlegging van de Delftse Schie ruimtelijk mogelijk maakt, een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. De gemeente Delft zal de verbreding vastleggen in een bestemmingsplanwijziging. Het wijzigen van het bestemmingsplan (conform artikel 3.1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening) van de gemeente Delft is het m.e.r.-beoordelingsplichtige besluit. Mogelijke milieugevolgen De provincie Zuid-Holland (initiatiefnemer) heeft de aanmeldingsnotitie opgesteld op grond waarvan het bevoegde gezag, de gemeenteraad van Delft, kan besluiten of er vanwege de ernst van de milieugevolgen van het voornemen wel of niet een MER moet worden opgesteld (Bijlage 10Verbreding Delftse Schie, Aanmeldingsnotitie M.E.R. Provincie Zuid-Holland, referentie KCSPJWW5ZXDW-383261375-768 opgesteld 13 januari 2025 door Arcadis). In de aanmeldingsnotitie is aan de hand van de criteria van bijlage III van de Europese m.e.r. richtlijn aangegeven dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu:

bestemmingsplan "Verbreding Schie" (vastgesteld) 37

bestemmingsplan Verbreding Schie Uit de aanmeldingsnotitie: Kenmerken van de activiteit De voorgenomen activiteit heeft een beperkte omvang voor wat betreft plangebied en doorlooptijd. Er zijn geen belangrijke cumulatieve aspecten met andere projecten. Natuurlijke hulpbronnen worden niet gebruikt, productie van afvalstoffen is beperkt en/of kan worden voorkomen. Als gevolg hiervan zijn verontreiniging en hinder voor de omgeving beperkt. Er zijn geen aspecten aan de activiteit en het plangebied die kunnen leiden tot bijzondere risico's voor ongevallen. Plaats van de activiteit De activiteit vindt plaats in stedelijk en intensief gebruikt gebied. Door de naoorlogse ontwikkeling van bedrijventerreinen aan weerszijden van de vaarweg, zijn de cultuurhistorische en ecologische waarden en ruimtelijke kwaliteit van het plangebied beperkt. Natuurgebieden liggen op grotere afstand. Het plangebied is daardoor weinig kwetsbaar voor effecten van de voorgenomen activiteit. Aandacht dient gegeven te worden aan risico's voor dichtbijgelegen bedrijfswoningen i.r.t. geluid tijdens de uitvoering van het werk. Kenmerken van de effecten De effecten van de activiteit zijn beperkt in bereik en tijdsduur. De effecten reiken niet tot buiten het plangebied zelf, en beïnvloeden geen bijzondere waarden op het gebied van cultuurhistorie, archeologie, natuur, bodem, water en ruimtelijke kwaliteit.

Er vindt geen overschrijding plaats van normen voor geluid en luchtkwaliteit. Verkeer, scheepvaart en bedrijvigheid in de omgeving worden niet of in beperkte mate gehinderd gedurende de uitvoering van de activiteiten. De conclusie is dat, met de kennis en uitgangspunten ten tijde van het uitvoeren van deze toetsing (januari 2022) voor alle criteria kan worden uitgesloten dat de verbreding van de Delftse Schie aanzienlijke gevolgen voor het milieu zal opleveren. Dit wordt tevens geborgd door de volgende maatregelen: Er zijn diverse voorwaarden vastgelegd in vergunningen, die zorgen dat de effecten beperkt of afwezig zijn. Met de kabelbeheerders, met de wegbeheerder en met de bedrijven die tijdelijke overlast kunnen ondervinden worden afspraken gemaakt over hun gebruiksfuncties, zodat die ongehinderd of met zo weinig mogelijk hinder kunnen blijven functioneren. De combinatie van beperkte waarde van het plangebied met de beperkte reikwijdte en duur van effecten leidt tot de conclusie dat er als gevolg van de verbreding van de Delftse Schie geen sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten. Gezien deze conclusie is het doorlopen van de m.e.r. -procedure niet noodzakelijk, en kan worden volstaan met een m.e.r.-beoordeling.

M.e.r.-beoordelingsbesluit Het bevoegd gezag, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft, heeft de bevoegdheid om te beslissen of een MER al dan niet noodzakelijk is voor de bestemmingswijziging Verbreding Schie. Op basis van de onderbouwing in de Aanmeldingsnotitie MER Verbreding Delftsche Schie (zie bijlage 10 Aanmeld notitie vormvrije m.e.r.) heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft ingeschat dat inderdaad geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde zijn. Daarom heeft zij beslist dat er geen MER opgesteld hoeft te worden en volstaan kan worden met de doorlopen m.e.r.-beoordelingsprocedure en daarbij horende aanmeldingsnotitie.

4.6

Trilling

Wettelijk kader Ten behoeve van de vaststelling van dit plan is onderzoek uitgevoerd naar de kans op hinder of schade door trillingen (zie bijlge 8 Onderzoek trillingen). Daarbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd. In artikel 2.23 van het Activiteitenbesluit zijn geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten gelegen op een bestemmingsplan "Verbreding Schie" (vastgesteld) 38

bestemmingsplan Verbreding Schie gezoneerd industrieterrein uitgezonderd van toetsing aan de trillingswaarden in de SBR-richtlijn. In het bestemmingsplan geldt voor de bestaande gronden de classificering 'bedrijventerrein', met een algemene toelating van bedrijven tot maximaal milieucategorie 4. Dit kunnen ook trillingveroorzakende bedrijven zijn. De bedrijven die in de trillingrapportage zijn beschouwd zijn bedrijven gelegen op een gezoneerd industrieterrein en behoeven bij de toepassing van het Activiteitenbesluit niet getoetst te worden aan de trillingswaarden in de SBR-richtlijn (en logischerwijs evenmin bij een eventuele milieuvergunningverlening). Het vigerende bestemmingplan kent geen bestemmingen waarvoor, gezien de zeer specifieke aard van de bedrijfsvoering, in het plan een op die activiteiten toegesneden planregeling is opgenomen. Een dergelijke planregeling zou ertoe kunnen leiden, dat met dit nieuwe bestemmingsplan vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening toch rekening gehouden zou moeten worden met een specifieke bescherming tegen trillingen. Omdat een dergelijke planregeling ontbreekt, ligt toetsing van bestaande activiteiten aan de trillingswaarden uit de SBR-richtlijn niet voor de hand. Dit geldt ook voor de waarden in tabel C van de SBR-richtlijn over storingen in apparatuur.

Wel kan in het kader van de milieuvergunningverlening of de toepassing Activiteitenbesluit vanuit de zorgplicht nagegaan worden welke maatregelen redelijkerwijs toegepast kunnen worden om trillinghinder en storingen in apparatuur bij bestaande activiteiten te beperken. Hier wordt de vergelijking gemaakt met geluidhinder bij geluidgevoelige gebouwen op een geluidgezoneerd industrieterrein. Hierbij wordt nadrukkelijk niet getoetst aan de streef-of grenswaarden, zodat overschrijding daarvan niet kan leiden tot weigering van de vergunning. Ter ondersteuning van bovenstaande uitgangspunten wordt verwezen naar de uitspraak 201100127/1/R2 van de Raad van State van 8 augustus 2012. In die uitspraak overweegt de Afdeling in rechtsoverweging 2.4.2 dat “de raad zich terecht op het standpunt stelt dat het RDW-terrein - nu dit onderdeel uitmaakt van een gezoneerd industrieterrein - geen geluidgevoelig gebouw of terrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) is. In verband met het voorkomen van onaanvaardbare geluidhinder is het verrichten van akoestisch onderzoek op grond van de Wgh dan ook niet verplicht.

Het voorgaande neemt niet weg dat in dit geval - gezien de zeer specifieke aard van de bedrijfsvoering van RDW en gezien het feit dat in het onderhavige plan voor het terrein van RDW ook is voorzien in een op de bestaande activiteiten toegesneden planregeling - een te hoge mate van geluidbelasting op het RDW-terrein aantoonbaar een belemmering voor de bedrijfsvoering kan vormen, omdat dit de betrouwbaarheid van de testmetingen negatief kan beïnvloeden.” De omstandigheden in de uitspraak van 8 augustus 2012 doen zich in bestemmingsplan “Verbreding Schie” niet voor. Er is een algemene bedrijfsbestemming en – anders dan in de vorengenoemde uitspraak – zijn nu al bedrijven tot maximaal milieucategorie 4 toegelaten. De bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de zandhandel en de openbare loswal brengt daarin geen wezenlijke veranderingen. Dat betekent ook dat het al dan niet representatief zijn van de trillingsrapportage primair van belang is bij de zorgplicht in het kader van de Wet milieubeheer, niet in het kader van dit bestemmingsplan.

Resultaten Er is in het onderzoek met een ruimere overslag gerekend dan dat het bestemmingsplan toelaat. In werkelijkheid is de maximale overslag van zand ter plaatse van de 'specifieke vorm van bedrijf zandhandel' maximaal 250.000 m3 en op de openbare loswal ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer – loswal' is de overslag maximaal 150.000m3 (zand en andere producten). Deze hoeveelheid overslag van 150.000 m3 zand en andere producten is gebaseerd op de overslag op de huidige openbare loswal over de jaren 2013 tot en met 2022 (zie 11 Overslag openbare loswal). De zandhandel zal naast de eigen loswal ook gebruik maken van de openbare loswal. De maximale overslag is in de regels met een maximum begrensd. De begrenzing, die in de regels is opgenomen, maximeert de overgeslagen goederen op maximaal 150.000m3 zand of 10.000 (vracht)wagens. Bij een combinatie van goederen in een jaar wordt gerekend met een maximale hoeveelheid (vracht)wagens. Hiervoor is een gemiddelde (vracht)wagen van 15 m3 als uitgangspunt genomen. De inhoud van de (vracht)wagen zal in werkelijkheid variëren. Voor de onderzoeken is uitgegaan (uitgangspunt) van een representatieve (vracht)wagen met een inhoud van ca. 15m3. De ingebruikname van de Zandhandel/openbare loswal zal niet leiden tot een toename van de huidige optredende trillingseffecten ter plaatse van de Rotterdamseweg 402A5.

Dit leidt ook niet tot een toename van de hinderbeleving of verstoring van trillingsgevoelige apparatuur. De trillingen die optreden als gevolg van het passeren van transportmaterieel van de Zandhandel Van der Waal op de huidige locatie van de Zandhandel (Schieweg 15) zijn circa een factor 2 kleiner dan de bestemmingsplan "Verbreding Schie" (vastgesteld) 39

bestemmingsplan Verbreding Schie trillingen die optreden ter plaatse van de Marconiweg als gevolg van hetzelfde transportmaterieel. Aannemelijk is dat dit voornamelijk komt door het verschil in wegverharding. De Schieweg bestaat uit asfaltverharding, Marconiweg uit klinkerverharding. Daarnaast is ten opzichte van de vergelijking met de SBR-richtlijnen het onderstaande te concluderen: De ingebruikname van de Zandhandel zal niet leiden tot een verhoogde kans van schade aan de naastgelegen bouwwerken (SBR-A). Bij de ingebruikname van de Zandhandel zullen ter plaatse van de Marconiweg 18 en de Marconiweg 19/19a de streefwaarden behorende bij het aspect hinder voor personen (SBR-B) overschreden worden. Dit kan leiden tot het ervaren van matige hinder bij de betrokken partijen. Voor de Marconiweg 18 geldt dat de ingebruikname van de Zandhandel leidt tot overschrijding van de referentiewaarden behorende bij inpandig aanwezige trillingsgevoelige apparatuur. Voor de Teslaweg 5 geldt dat, mits het transport van en naar de Zandhandel via de Marconiweg verloopt, er naar alle waarschijnlijkheid geen sprake zal zijn van een toename van de trillingseffecten. Met als gevolg dat de ingebruikname van de Zandhandel niet leidt tot een toename van de hinderbeleving dan wel schade aan het bouwwerk.

Indien de transportroute ook via de Teslaweg verloopt kan dat ter plaatse van de Teslaweg 5 zorgen voor een overschrijding van de referentiewaarden behorende bij het aspect hinder voor personen. Met als gevolg een verhoogde kans op hinderbeleving. Omdat de desbetreffende bedrijven zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein hoeven deze activiteiten bij de toepassing van het Activiteitenbesluit echter niet getoetst te worden aan de trillingswaarden in de SBR-richtlijn en hoeven aan deze bevindingen geen vervolgacties te worden gekoppeld. Wel is vanuit de zorgplicht Activiteitenbesluit nagegaan welke maatregelen toegepast kunnen worden om trillinghinder en storingen in apparatuur bij bestaande activiteiten te beperken: Voorkomen van oneffenheden in wegverhardingen ter plaatse van wegaansluitingen uitrit Zandhandel en het bestaand wegennet (transportroute Marconiweg/Teslaweg). Dit zal naar alle waarschijnlijkheid leiden tot een afname van de trillingen met een factor 2 (zie ook gemeten waarden Schieweg 15). De exacte afname valt echter niet eenduidig te zeggen (SBR-A en SBR-B). Er valt niet met zekerheid te zeggen dat bij toepassing van de beschreven maatregelen de trillingswaarden onder de gestelde streefwaarden blijven.

Dit houdt in dat ook na toepassing van de voorgestelde maatregelen er ter plaatse van de Marconiweg 18 en Marconiweg 19/19a (matige) hinder kan worden ervaren. De gemeente zal de Marconiweg verzwaren en de bestaande klinkerverharding vervangen door een asfaltverharding. Dit zal de trillingen en de navolgende hinderbeleving aanzienlijk verminderen (circa een factor 2). Deze maatregel is als voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen.

Conclusie Het aspect trillingen levert in het kader van het bestemmingsplan geen belemmeringen op.

4.7

Bodemkwaliteit

Inleiding In verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient onderzoek verricht te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied. Een nieuwe bestemming kan worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Met dit bestemmingsplan wordt concreet de verbreding van de Delftse Schie en de verplaatsing van de Zandhandel mogelijk gemaakt.

Bestaande situatie Het plangebied betreft de Schiekade tussen de Energieweg en de containerkraan van Avalex. De locatie bestaat uit twee kadastrale percelen. De onderzochte kadastrale percelen betreffen sectie G, nrs. 441 en 522 (beiden gedeeltelijk).

bestemmingsplan "Verbreding Schie" (vastgesteld) 40

bestemmingsplan Verbreding Schie In 2013 en 2014 zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd en is om archeologisch onderzoek mogelijk te maken een BUS-melding tijdelijke uitname gedaan. De volgende onderzoeken/meldingen zijn uitgevoerd: 1. Verkennend onderzoek NEN 5740, Van Der Helm Milieubeheer bv, kenmerk PZDE121149, 30 januari 2013; 2. Nader onderzoek, Van Der Helm Milieubeheer bv, kenmerk ARDE130673, 8 januari 2014 ; 3. Nader milieukundig asbestbodemonderzoek, nabij Bellweg (Delftse Schie), Van der Helm Milieubeheer bv, kenmerk ARDE130673, 16 juni 2014; 4. Meldingsformulier BUS saneringsplan, 3 april 2013; 5. Meldingsformulier BUS evaluatieverslag, 23 juni 2014. Bovenstaande onderzoeken zijn verouderd en daarom geactualiseerd. De meest recente bodemonderzoeken zijn: 6. Verkennend bodemonderzoek, verbreding Delftse Schie, opgesteld door ATKB, 20191336/rap01/v2, 20 februari 2020 (zie bijlage 12 Aanvullend bodemonderzoek ATKB 20 februari 2020); 7. Waterbodemonderzoek, verbreding Delftse Schie, opgesteld door ATKB, 20191336/rap02/v2, 21 februari 2020 (zie bijlage 13 Aanvullend waterbodemonderzoek ATKB 21 ferbruari 2020); 8. Verkennend bodemonderzoek, watercompensatiegebied Abtswoudse Bos Oost, opgesteld door ATKB, 20211488/rap01/v2, 4 januari 2022 (zie bijlage 14 Verkennend bodemonderzoek Watercompensatiegebied Abtswoudse Bos); 9.

Nader (asbest in) bodemonderzoek Schiekade, opgesteld door ATKB, 20211848/rap01/v1, 4 januari 2022 (zie bijlage 15 Nader (asbest in) bodemonderzoek Schiekade).

Samenvatting resultaten (water)bodemkwaliteit Bodemonderzoek verbreding Delfste Schie De eerder vastgestelde bodemkwaliteit in 2013/2014 [rapport 1 en 2] is als representatief beoordeeld voor de huidige situatie. Vastgesteld is dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging De ernstige verontreiniging (metalen) is echter niet binnen de herinrichting afgeperkt (ter hoogte van Marconiweg 18). De omvang is desondanks geschat op ca. 3.000 m3. In voorgaande onderzoeken was van het zuidelijke deel, Schiekade tussen de Voltaweg 7 en 11 (ca. 2.500 m2) geen bodemgegevens bekend. Met het actualiserend onderzoek van 2020 [rapport 6] is binnen dit terreindeel veldwerk verricht volgens de NEN 5740. De boven- en ondergrond bestaat uit zand en klei met bijmenging van baksteen en kolengruis. De grond is heterogeen licht verontreinigd met metalen. Lokaal is in een sterke verontreiniging met PAK aangetoond. Met een uitgevoerd nader bodemonderzoek van januari 2022 [zie bijlage 15 Nader (asbest in) bodemonderzoek Schiekade] is de omvang van deze sterke verontreiniging in beeld gebracht. Uit het nader bodemonderzoek uitgevoerd door ATKB blijkt dat er geen sprake is van een ernstige bodemverontreiniging met PAK in de grond. In het grondwater zijn ten hoogste lichte verontreinigingen met barium en 1,1,1-trichloorethaan aanwezig.

Voor PFAS zijn alleen concentraties in de boven- en ondergrond op het zuidelijke deel (circa 2.500 m2) bepaald. Van het overige (in 2013/2014 onderzochte) deel van de verbreding zijn geen gegevens van PFAS in de grond vastgelegd. De PFAS- concentraties in de boven- en ondergrond op het aanvullend onderzochte deel liggen beneden de hergebruiksnormen uit het Geactualiseerde handelingskader PFAS (versie 13 december 2021) voor toepassingen op landbodem. Asbest in bodem In juni 2014 is door Van der Helm een nader asbestonderzoek in bodem uitgevoerd volgens de NEN 5707. Het plangebied is daarbij onderverdeeld in 6 ruimtelijke eenheden (RE's), vanaf de Turbineweg 20 tot iets voorbij de Marconiweg 18. Binnen 2 ruimtelijke eenheden, RE1 ter hoogte van Turbineweg 20 en RE4 ter hoogte van de Teslaweg 5, is asbest boven de interventiewaarde aangetoond. Heterogeen verdeeld is asbest ook aangetroffen in de overige RE's. De asbestconcentratie overschrijden echter niet de interventiewaarde. bestemmingsplan "Verbreding Schie" (vastgesteld) 41

bestemmingsplan Verbreding Schie Met het nader onderzoek van ATKB in januari 2022 [zie bijlage15 Nader (asbest in) bodemonderzoek Schiekade] is RE1 nader onderzoek verricht als deellocatie 1. Ook is in dit nader asbestonderzoek opnieuw veldwerk verricht ter hoogte van Voltaweg 7 als deellocatie 2. Het gehalte asbest binnen deellocatie 1 ligt beneden de bepalingsgrens. Het asbestgehalte overschrijdt daarmee de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. niet, waarmee er in de zin van de Wet bodembescherming geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging ter plaatse. De eerder aangetroffen asbestverontreiniging in RE1 is daarmee ontkracht. Het gehalte asbest in het homogene deel van deellocatie is berekend op 155 mg/kg d.s. Het asbestgehalte overschrijdt daarmee de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s, waarmee er in de zin van de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Samenvattend is met de bodemonderzoeken een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest aangetroffen in RE4, ter hoogte van de Teslaweg 5, en deellocatie 2 ter hoogte van de Voltaweg 7. Actualisatie waterbodemkwaliteit de Schie De waterbodem in de Schie bestaat voornamelijk uit vast materiaal (zand, klei, veen) met geregeld bijmenging met baksteen (niet asbestverdacht).

Ter hoogte van het bedrijf Avalex is ook een sliblaag aanwezig, zonder bijmenging van bodemvreemd materiaal. In het slib zijn verhoogde concentraties voor minerale olie en PFAS aanwezig, waardoor het slib niet herbruikbaar is. Het materiaal dient te worden afgevoerd naar een erkend verwerker. In de waterbodem zijn geen bodemvreemde materialen aanwezig die verdacht zijn voor asbest. Bodemonderzoek watercompensatiegebied Abtswoudse Bos Oost De bodem op de locatie bestaat uit klei tot circa 2,25 m-mv, gevolgd door veen tot de maximale boordiepte. De stijghoogte van het grondwater is vastgesteld op gemiddeld 0,5 m-mv. Op het maaiveld en in het opgeboorde materiaal is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In het opgeboorde materiaal is wel (een laagje bijmenging met) bodemvreemd materiaal vastgesteld, namelijk baksteen en beton. De locatie is op basis van historische gegevens niet verdacht voor het voorkomen van asbest. Er is geen directe aanleiding voor aanvullend onderzoek. De zintuiglijk schone bovengrond is gedeeltelijk licht verontreinigd met cadmium. De baksteenhoudende bovengrond is licht verontreinigd met kwik en lood, en gemiddeld genomen matig verontreinigd met zink en koper. Lokaal is in de baksteenhoudende bovengrond sprake van sterke verontreiniging met zink en koper (toplaag boring 17). Het grondwater is licht verontreinigd met vinylchloride, molybdeen en barium.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15110053/2