Bestemmingsplan Mijnbouwstraat 120
Tekst van het document
Om tot deze doelen te komen en zich als gemeente zo goed mogelijk aan de huidige extreme weersomstandigheden aan te passen, heeft de gemeente Delft in 2019 een klimaatadaptatiestrategie opgesteld. Deze strategie is een uitwerking van het onderwerp klimaatadaptatie uit de duurzaamheidsstrategie 'Bouwen aan een duurzaam Delft'. De resultaten van de strategie zullen worden meegenomen in toekomstige beleidsstukken en ruimtelijke plannen. 3.4.14 Waterstructuurvisie De Waterstructuurvisie heeft als doel het verbeteren van de waterkwaliteit en het realiseren van voldoende waterbergingscapaciteit. Voor de realisatie van de wateropgave wordt zoveel mogelijk aangesloten bij ruimtelijke ontwikkelingen en herstructureringen. Met de voorgenomen planontwikkeling wordt de afgesproken wateropgave gerealiseerd. Zie ook paragraaf 4.8.
28
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft
3.4.15 Nota Groen Delft De nota Groen Delft beschrijft de Delftse visie op een groene, natuurlijke en leefbare stad. Samengevat is het doel: Delft investeert in een groen, attractief en duurzaam woon- en leefmilieu waarin flora en fauna kansen krijgen tot volle wasdom te komen en bewoners en bezoekers zich prettig voelen. De doelen zijn vertaald in ambities, zoals het handhaven van het evenwicht tussen groen en rood en het versterken van biodiversiteit in de gemeente. De gemeente heeft haar partners in de stad nodig om deze doelen te bereiken. Dit doet zij onder andere door in coalitieverband te werken aan groenblauwe structuren in de openbare ruimte, zoals bijvoorbeeld in Delft Zuidoost. De quickscan ecologie (Bijlage 6) gaat verder in op deze nota. 3.4.16 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen planontwikkeling past binnen het gemeentelijk beleid. De vestiging van RHDHV als kennisintensief bedrijf in het pand Mijnbouwstraat 120 past binnen het Delfts 'ecosysteem van kennis en economie'. Daarnaast wordt met transformatie en herinrichting een duurzaam pand gerealiseerd dat aansluit bij de duurzaamheidsambities en visie voor openbare ruimte van de gemeente.
3.5
Hoogheemraadschap van Delfland
3.5.1
Waterbeheersplan 2016-2021
Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 20162021. Dit beleid is formeel vastgelegd in de Keur en de legger. Het verbeteren van de waterkwaliteit en het vergroten van de bergingscapaciteit zijn belangrijke pijlers binnen dit beleid. Voor sommige activiteiten is een watervergunning van het Hoogheemraadschap van Delfland nodig, bijvoorbeeld: graven of dempen van oppervlaktewater; bouwen binnen de beschermingszone van een waterkering; aanleg van ondergrondse leidingen. Daarnaast zijn algemene regels opgenomen voor bijvoorbeeld het verrichten van handelingen in waterstaatswerken, het water brengen in of onttrekken aan oppervlaktelichamen, het onttrekken van grondwater en natuurvriendelijke oevers. Op het moment dat aan de van toepassing zijn regels wordt voldaan hoeft geen vergunning te worden aangevraagd, maar kan worden volstaan met een melding. Daarnaast beschikt het hoogheemraadschap over beleidsregels die het hoogheemraadschap Delftland als toetsingskader voor het wel of niet verlenen van een vergunning.
Watertoets Delfland hanteert een Handreiking watertoets voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. De toets berust op twee uitgangspunten: standstillbeginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. In het kader van de watertoets vindt overleg plaats tussen de gemeente Delft en het hoogheemraadschap van Delft. De watertoets is opgenomen in paragraaf 4.8.
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
29
Mijnbouwstraat 120 Delft
3.5.2
Beleidsnota beperken en voorkomen wateroverlast (2014)
De beleidsnota 'Beperken en voorkomen wateroverlast' bevat het Delflandse beleid op hoofdlijnen voor het op orde brengen en houden van het watersysteem ten aanzien van wateroverlast. Het gaat daarbij zowel om het oplossen van bestaande knelpunten als om het voorkomen van nieuwe knelpunten. In de watertoets (paragraaf 4.8) is dit uitgewerkt.
30
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Algemene beoordeling milieueffecten (m.e.r.)
Wettelijk kader Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor of een besluit neemt over projecten met grote milieugevolgen een milieueffectrapportage te doorlopen. Onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Van andere projecten moet het bevoegd gezag beoordelen of deze projecten belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Deze projecten staan in onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. Hierbij geldt de omvang van een project als richtwaarde, en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is vrijwel altijd een toets noodzakelijk of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een volledige m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-procedure nodig.
Stedelijk ontwikkelingsproject De activiteit die mogelijk wordt gemaakt, valt onder onderdeel D 11.2 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Onderdeel D 11.2 betreft: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Het bestemmingsplan zoals nu opgesteld betreft een besluit als vermeld in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Het bevoegd gezag moet voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een voorbereidingsbesluit (m.e.r.-beoordelingsbesluit) nemen waaruit blijkt dat er geen milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld (geen m.e.r.-plicht geldt). Er moet een aanmeldnotitie worden opgesteld. Daarbij moet worden aangesloten bij de beoordelingscriteria van bijlage III bij de Europese richtlijn. In bijlage 1 is de m.e.r.-beoordeling opgenomen. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn en geen M.e.r. nodig is. Zoals hiervoor in paragraaf 2.2.4 is aangegeven, geldt dat voor de wko een aparte procedure wordt gevoerd en ook een aparte mer-beoordeling wordt opgesteld.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
Beleidsmatig kader Bedrijfsactiviteiten kunnen hinder voor de (woon-)omgeving veroorzaken door lawaai, onaangename geuren, stof, trillingen, verkeers- en parkeeroverlast. Daarom is het nodig om bedrijfsactiviteiten (of andere functies die het leefmilieu belasten) op een aanvaardbare afstand van woningen of andere hindergevoelige functies te situeren, al dan niet gecombineerd met het treffen van speciale maatregelen. Voor de milieuzonering in dit plan is gebruik gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009).
Methodiek In de publicatie worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in zes categorieën, variërend van lichte tot zeer "Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
31
Mijnbouwstraat 120 Delft zware milieuhinder. Per milieucategorie zijn richtafstanden tot hindergevoelige functies opgenomen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in twee gebiedstypen: een rustige woonwijk en een gemengd gebied. In tabel 4.1 zijn deze richtafstanden weergegeven. Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van geluid, stof, gevaar en geur. Binnen de richtafstanden van de VNG-publicatie wordt onderscheid gemaakt tussen het gebiedstype ‘rustige woonwijk’ en 'gemengde gebied'. In het laatste geval wordt de invloed van milieubelastende activiteiten eerder acceptabel geacht, vanwege het algemeen hogere niveau van milieubelasting in een gebied met matige tot sterke functiemenging.
Milieucategorie
Richtafstanden in 'rustige woonwijk'
Richtafstanden in 'gemengd gebied'
1
10 meter
0 meter
2
30 meter
10 meter
3.1
50 meter
30 meter
3.2
100 meter
50 meter
4.1
200 meter
100 meter
4.2
300 meter
200 meter
5
500 meter
300 meter
6
1.500 meter
1.000 meter
Tabel 4.1: Richtafstanden per milieucategorie. De VNG-publicatie is geen wet, maar wel een algemeen aanvaarde richtlijn voor de toepassing van milieuzonering in een ruimtelijk plan. Niettemin gaat de publicatie uit van richtafstanden, die in algemene zin bepaald zijn op basis van gemiddelde productieprocessen. Dat betekent dat bij de toepassing van de publicatie altijd ook de feitelijke situatie ter plaatse in ogenschouw moet worden genomen.
Omgevingstype Ter plaatse van de planlocatie is geen sprake van een ‘rustige woonwijk’, maar een ‘gemengd gebied’. Het gaat immers om een gebied met meerdere functies, zoals bedrijven, kantoren, wonen/studentenhuisvesting, groen/tuin en verkeer. De dichtstbij gelegen woning (voormalige dienstwoning) staat op een afstand van ca. 10 meter. De naastgelegen woningen aan het Mijnbouwplein 57 liggen op een afstand van ca. 30 meter.
Functie(wijziging) Binnen het geldende bestemmingsplan TU Midden en Noord zijn binnen de bestemming Maatschappelijk al een veelheid aan functies toegestaan, zoals kantoren en onderwijsvoorzieningen. Met onderhavige herziening wijzigt dat in feite niet. Het verschil is met name ingegeven door de wijziging van 'kennisintensieve kantoren' naar 'kantoren'. Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat deze wijziging vanuit het oogpunt van bedrijven- en milieuzonering niet leidt tot belemmeringen. Daarbij geldt dat een kantoor als een milieucategorie-1 bedrijf wordt beschouwd. In een gemengd gebied betekent dit dat een afstand van 0 meter moet worden aangehouden.
Geluid Paragraaf 4.5 gaat nader in op het aspect geluidhinder. De conclusie is dat, gezien de resultaten van niet meer dan 0,1 dB toename, geen relevante toenames worden verwacht van de geluidbelasting op de gevels van de geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving van het kantoorgebouw. Vanwege het 32
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft (extra) wegverkeer is geen sprake van verslechtering van het woon- en leefklimaat vanwege het plan.
Lucht/geur Paragraaf 4.4 gaat nader in op het aspect luchtkwaliteit/geur. Hieruit blijkt dat dit aspect geen belemmering vormt voor de voorgenomen planontwikkeling.
Externe veiligheid Het aspect externe veiligheid is paragraaf 4.6 nader beoordeeld. Daarbij geldt dat Bevi-inrichtingen niet zijn toegestaan. Hieruit blijkt dat dit aspect geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
Stof In de nabijheid van het plangebied vinden geen bedrijfsactiviteiten plaats die stofhinder veroorzaken. Dit aspect vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat met de voorgenomen bestemmingswijziging sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
4.3
Verkeer en parkeren
Inleiding In het belang van een goede ruimtelijke ordening moet sprake zijn van een aanvaardbare afwikkeling van alle soorten verkeer. Bij ruimtelijke planning dienen verkeerskundige aspecten te worden afgewogen, omdat deze van grote invloed zijn op de het doelmatig functioneren van verschillende functies. Wanneer nieuwe ontwikkelingen worden gepland, is het van belang te onderzoeken welke effecten dit heeft op de verkeerskundige situatie om zo nodig passende maatregelen te kunnen nemen. Dit onderzoek is uitgevoerd en als bijlage 2 opgenomen bij deze plantoelichting.
Onderzoek In het onderzoek is de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen voor de herontwikkeling van Mijnbouwstraat 120 bepaald. Parkeren
Bestaand Op Mijnbouwstraat 120 zijn nu 73 parkeerplaatsen toegeschreven aan de locatie. Er zijn 32 parkeerplaatsen achter het gebouw aanwezig. Daarnaast zijn er 41 plekken beschikbaar op het terrein van het naastgelegen DUWO.
Nieuw Vanuit het gemeentelijk beleid geldt dat 0,3 parkeerplaats per fte is vereist. Met de sluiting en verhuizing van de locaties Rotterdam en Den Haag naar Delft zijn 700 fte gemoeid. Dit aantal is schriftelijk bevestigd naar de gemeente en gebaseerd op het totaal van huidige personeelsbestand. Dit betekent dat in totaal 210 parkeerplaatsen zijn benodigd. Dit aantal past binnen de bandbreedte bezien vanuit de "Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
33
Mijnbouwstraat 120 Delft CROW-normen. De 32 parkeerplaatsen op eigen terrein worden geoptimaliseerd tot 50 parkeerplaatsen. Daarnaast zijn er 41 plekken beschikbaar op het terrein van DUWO. In totaal kunnen op eigen terrein bij parkeren op maaiveld dus 91 parkeerplaatsen toegewezen worden aan de Mijnbouwstraat 120. Dat betekent dat er nog 119 plekken nodig zijn in de nabije omgeving. Deze parkeerplaatsen worden gehuurd in de Parkeergarage Zuidpoort. Hierover zijn afspraken gemaakt en vastgelegd in de anterieure overeenkomst die in het kader van de bestemmingsplanprocedure is opgesteld. Daarnaast wordt dit contractueel vastgelegd in een huurovereenkomst met ParkerenDelft B.V. als eigenaar en exploitant van deze garage. Deze parkeergarage ligt op een loopafstand van 600 meter, wat neerkomt op ongeveer 6 minuten lopen. Dit voldoet aan de maximale loopafstand, die door de Parkeervisie Campus 2018 is vastgesteld op 800 meter.
Figuur 4.1 Parkeermogelijkheden Mijnbouwstraat 120 en omgeving
Fietsparkeren Ten aanzien van fietsparkeren geldt een minimale capaciteit van 187 plekken. In de kelder van Mijnbouw is plaats voor minimaal 240 fietsen in twee lagen.
Effectbeoordeling Een nadelig gevolg van een extra, externe parkeerlocatie kan zijn dat er zoekverkeer gaat plaatsvinden. Dit kan echter beperkt worden door de capaciteit op eigen terrein te reserveren voor bezoekers, zodat zij niet hoeven te zoeken. De werknemers zelf weten wel waar zij moeten parkeren, waardoor het
34
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft zoekverkeer wordt beperkt. Verder geldt hier nog dat de raad op 9 juli 2020 heeft besloten de Wippolder in het eerste kwartaal van 2021 toe te voegen aan gereguleerd gebied. Verkeersgeneratie Wanneer de verkeersgeneratie ten gevolge van de herontwikkeling bij de getelde intensiteit wordt opgeteld, blijkt dat de wegen rondom de ontwikkeling het extra verkeer in 2030 kunnen verwerken, zie bijlage 2. Gezien de beperkte toename van verkeersbewegingen door de aanbouw voor Mijnbouwstraat 120 worden er geen capaciteitsknelpunten verwacht.
4.4
Luchtkwaliteit
Wettelijk kader Het aspect luchtkwaliteit wordt bij de besluitvorming van ruimtelijke plannen betrokken. In dat kader wordt een plan of ontwikkeling getoetst aan de voorschriften van Titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Centraal daarbij staat artikel 5.16, eerste lid, van de wet. Daarnaast moet het plan voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, op grond van het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is altijd van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen, ook wanneer besluiten op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm niet beoordeeld hoeven te worden. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen, zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.
De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van NIBM, zijn vastgelegd in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de regeling NIBM is aangegeven dat een kantoorlocatie met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 200.000 m2, is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Onderzoek Nu het bouwplan een brutoppervlakte heeft van ca. 16.350m2 en hiermee ruim minder is dan de hiervoor genoemde 100.000m2 geldt dat het plan is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De bijdrage van de voorgenomen planontwikkeling aan de luchtkwaliteit is berekend met behulp van de NIBM-tool, zie figuur 4.2. Dit is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kan worden vastgesteld. Daarnaast zijn in figuur 4.3 achtergrondconcentraties uit de NSL monitoringstool versie 2019 opgenomen.
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
35
Mijnbouwstraat 120 Delft
Figuur 4.2 Berekening NIBM-tool (2020)
Figuur 4.3 Achtergrondconcentraties uit de NSL monitoringstool versie 2019
Conclusie Uit vorenstaande blijkt dat de grenswaarden niet worden overschreden en het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.5
Geluidhinder
Wettelijk kader Conform de Wet geluidhinder zijn kantoren geen geluidgevoelige bestemmingen. Een toetsing aan de grenswaarden opgenomen in deze wetgeving is dan ook niet aan de orde. Wel dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening nagegaan te worden of sprake is van relevante geluidseffecten op de gevoelige bestemmingen (woningen, onderwijs- en gezondheidzorggebouwen) in de omgeving vanwege extra verkeersbewegingen van en naar het (toekomstige) kantoorgebouw. Bekeken dient te worden of er geen verslechtering ontstaat van het woon- en leefklimaat. Ook dient er bekeken te worden of het geluidniveau in het gebouw comfortabel is voor een kantoorfunctie. Dit onderdeel wordt opgepakt bij de uitwerking van de Bouwfysische eisen van het gebouw.
Onderzoek
36
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft
Verkeersaantrekkende werking In onderstaande tabel zijn de etmaalintensiteiten opgenomen van de toekomstige situatie zonder en met verkeersaantrekkende werking van het gerenoveerde gebouw met kantoorfunctie. De gegevens zijn afkomstig uit het onderzoek Verkeersgeneratie Mijnbouwstraat 120, zie bijlage 2.
Tabel 4.2 Verkeersintensiteiten Uit bovenstaande tabel blijkt dat de toename, omgerekend naar decibellen, niet meer dan 0,1 dB bedraagt en daarmee verwaarloosbaar. Wijzigingen zijn voor het menselijk oor pas hoorbaar vanaf 2-3 dB. Bij een verdubbeling van de verkeersintensiteit is sprake van 3 dB toename. Een toename van 10 dB ervaart een persoon als een verdubbeling van het geluid. Gezien de resultaten van niet meer dan 0,1 dB toename, worden er geen relevante toenames verwacht van de geluidbelasting op de gevels van de geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving van het kantoorgebouw. Vanwege het (extra) wegverkeer is geen sprake van verslechtering van het woon- en leefklimaat vanwege het plan.
4.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's voor de omgeving, ten gevolge van het transport, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen waarbij dodelijke slachtoffers kunnen vallen. In het kader van een bestemmingsplan dient dit milieuaspect te worden beschouwd met als doel om mensen te beschermen tegen de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Wettelijk kader Het Rijk probeert de risico's voor de externe veiligheid zoveel mogelijk te beperken. Wettelijk is de basis van dit beleid vastgelegd in verschillende besluiten en bijbehorende regelingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi): Risicovolle inrichtingen Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt): Transport gevaarlijke stoffen (spoorwegen, wegen en waterwegen). 1. NB:Transportgegevens en invloedsgebieden van de hoofdinfrastructuur zijn vastgesteld in de regeling Basisnet. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb): Transport van aardgas onder hoge druk (>=16bar). Activiteitenbesluit Milieubeheer: Inrichtingen/activiteiten niet zijnde Bevi, met veiligheidsafstanden. Vuurwerkbesluit: toetsing aan veiligheidsafstanden van opslagplaatsen en verkooppunten van vuurwerk. Toetsingskader In het geval van een nieuw bestemmingsplan of een bestemmingsplan wijziging is toetsing aan het milieuaspect externe veiligheid verplicht. Er kunnen nieuwe beperkt kwetsbare of kwetsbare objecten toegevoegd (artikel 1 Bevi) worden in de omgeving van een risicobron. Daarnaast kunnen veranderingen "Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
37
Mijnbouwstraat 120 Delft van een risicobron of de realisatie van een nieuwe risicobron leiden tot nieuwe risico's. Dit moet inzichtelijk gemaakt worden door toetsing aan de risicomaten plaatsgebonden risico en het groepsrisico (Geldt alleen voor risicobronnen die vallen onder Bevi, Bevt, Bevb).
Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die (onafgebroken aanwezig en onbeschermd) op een bepaalde plaats overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen bij een inrichting of een transportmodaliteit. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een kans van 1*10-6 per jaar als grenswaarde voor kwetsbare bestemmingen en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare bestemmingen.
Groepsrisico: Het groepsrisico bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang (meer dan 10 personen) overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen bij een inrichting of een transportmodaliteit. Hierbij wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde. De oriëntatiewaarde is een ijkpunt voor de omvang van het groepsrisico.
Verantwoordingsplicht groepsrisico Het bevoegd gezag heeft de wettelijke verplichting om het groepsrisico conform de wettelijke kaders te verantwoorden. Hiervoor dient het bevoegd gezag een advies te vragen aan de veiligheidsregio. Hiermee wordt een afweging gemaakt welke ongevalscenario's met bijbehorende risico's zich kunnen voordoen en welke maatregelen er genomen worden. De mate van verantwoording hangt af van het type risicobron en de hoogte van het groepsrisico ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Daarnaast speelt de procentuele stijging ten gevolge van de planontwikkeling een rol.
Onderzoek Het bestemmingsplan maakt een kantoorpand groter dan 1.500 m2 BVO mogelijk, dit is op grond van artikel 1 van het Bevi een kwetsbaar object. Het bestemmingsplan maakt geen risicobronnen mogelijk in het kader van externe veiligheid. In de omgeving (binnen een straal van 2000 meter) van het planvoornemen liggen enkele risicobronnen, te weten DSM Anti-infectives (Bevi), rijksweg A13 (Bevt), de Kruijthuisweg (N470) (Bevt), Gasdrukmeeten regelstation TU-WKK (Activiteitenbesluit) en Vuurwerkhandel Flink Vuurwerk (Vuurwerkbesluit). Uit het onderzoek externe veiligheid, toegevoegd in de bijlage 3 van deze toelichting, blijkt dat het planvoornemen niet gelegen is binnen de conform het Bevi, Bevb, Bevt (en de daaraan gerelateerde regeling Basisnet) vastgestelde invloedsgebieden waaraan dient te worden getoetst voor het groepsrisico. Ook de veiligheidsafstanden conform het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit zijn niet relevant.
Toetsing risicomaten Ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico betekent dit het volgende: Plaatsgebonden risico: De plaatsgebonden risicocontouren van 1*10-6 per jaar van de omliggende risicobronnen liggen niet over het plangebied. Dit betekent dat het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van het plan. Groepsrisico: Gezien de invloedsgebieden van de omliggende risicobronnen niet over het plangebied 38
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft liggen neemt het groepsrisico ten gevolge van de omliggende risicobronnen niet significant toe. Het groepsrisico vormt hiermee geen belemmering voor het planvoornemen.
Verantwoording groepsrisico Conform het Bevi en het Bevt hoeft het groepsrisico van de omliggende risicobronnen (DSM Anti-infectives (Bevi), rijksweg A13 (Bevt), de Kruijthuisweg (N470) (Bevt)) niet verder verantwoord te worden. Gezien het bestemmingsplan een kwetsbaar object mogelijk maakt heeft de veiligheidsregio een advies opgesteld in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De veiligheidsregio concludeert in haar advies van 26 april 2021, zie bijlage 3 dat ten gevolge van een ongeval bij de aanwezige risicobronnen een toxische wolk kan ontstaan, waarbij dodelijke slachtoffers kunnen vallen. Om het effect tot een minimum te beperken stelt de veiligheidsregio een drietal maatregelen voor: 1. Handmatig afschakelbare ventilatie voor het gebouw. 2. BHV-organisatie op de hoogte brengen van de ongevalsscenrio's met bijbehorende effecten en het bijbehorende handelingsperspectief. 3. Aandacht voor risicocommunicatie en alarmering. Conclusie Het planvoornemen aan de Mijnbouwstraat 120 in Delft maakt een kwetsbaar object mogelijk (Bevi artikel 1). In het kader van externe veiligheid zijn de risicobronnen in de omgeving in beeld gebracht. De plaatsgebonden PR10-6 contouren van de omliggende risicobronnen vormen geen belemmering voor het planvoornemen. Het groepsrisico neemt niet significant toe en is in het kader van een goede ruimtelijke ordening verantwoord.
Hiermee voldoet het planvoornemen aan de voorwaarden voor het milieuaspect externe veiligheid.
4.7
Bodemkwaliteit
Wettelijk kader In verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient onderzoek verricht te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens. Een nieuwe bestemming mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Daar waar sprake is van consoliderend bestemmen van bestaande situaties kan een diepgaand inzicht in de bodemsituatie vooraf achterwege blijven, tenzij een redelijk vermoeden moet bestaan van een saneringssituatie. Bij bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem benodigd. Het bouwen is alleen toelaatbaar als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. De bodemonderzoeken voor eventuele nieuwe (vervangende) bouwactiviteiten mogen niet te oud zijn en moeten een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden.
Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken, of dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd.
Onderzoek Ten behoeve van de voorgenomen planontwikkeling zijn in 2020 en 2021 de volgende bodemonderzoeken binnen het plangebied uitgevoerd: Mijnbouwstraat 120 te Delft, Vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek met kenmerk BG6781TPRP001F0.2/0.2/Definitief, opgesteld op 19 augustus 2020. Aanvulling verkennend bodemonderzoek Mijnbouwstraat 120 te Delft met kenmerk "Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
39
Mijnbouwstraat 120 Delft BG6781_Bodem_m001F1.0 opgesteld 29 januari 2021 Deze onderzoeken opgenomen in bijlage 5. De onderzoeken geven weer wat de milieuhygiënische bodemkwaliteit in het plangebied is. In aanvulling op het eerste vooronderzoek zijn specifiek het gemeentelijk bodemarchief en het gemeentelijk bouwarchief geraadpleegd. Het historisch onderzoek is daardoor conform de NEN5725 uitgevoerd. Er zijn bij de TU gegevens achterhaald van de tanks. Er zijn twee tanks aanwezig geweest op het terrein, hierover staat in de rapportage dat deze in 1983 zijn verwijderd. Er is helaas geen informatie bekend over de ligging. De resultaten van de bodemonderzoeken zijn hieronder weergegeven: Het terrein is in gebruik als museum (Science Centre) en krijgt in de toekomst een kantoorfunctie. In de bovenste meter zijn bijmengingen met baksteen aangetroffen. In deze grond zijn licht verhoogde gehalten zware metalen, PAK, PCB en/of minerale olie aangetoond. De onderliggende grond bevat plaatselijk licht verhoogde gehalten kobalt en PAK. In de bovengrond zijn PFOS en PFOA aangetoond. De aangetroffen gehalten liggen onder de hergebruiksnormen uit het Tijdelijk Handelingskader. Het grondwater bevat (plaatselijk) licht verhoogde concentratie barium en minerale olie. PFAS zijn niet in het grondwater aangetoond. PFAS is geanalyseerd in het bodemtraject van 0-1,0 m-mv.
Dit is fors, aangezien de verdenking op PFAS op deze locatie uitsluitend via depositie wordt verwacht. Analyse van de bovenste 20 centimeter of hooguit bovenste halve meter was logischer geweest. Uit onderzoek in het park is bekend dat er geen PFAS in concentraties boven het tijdelijk handelingskader zijn gemeten. Deze metingen worden representatief geacht voor de locatie Mijnbouwstraat 120. Er is mede daardoor geen PFAS-verdenking voor deze locatie. De locatie is niet verdacht op het voorkomen van asbest-in-de-bodem, omdat het gebouw in de periode vóórdat asbest frequent werd toegepast is neergezet. Ook is uit het dossier- en veldonderzoek geen verdenking op asbest naar voren gekomen.
Zones en kwaliteit Het plangebied bevindt zich in de volgende bodemkwaliteitszone: -
09. Wonen vanaf 1900.
De kwaliteit van de grond die mag worden toegepast (toepassingseis) betreft voor de bovengrond en de ondergrond de klasse Wonen+. Indien er grond wordt toegepast moet voldaan worden aan de hiervoor geldende regelgeving (o.a. Besluit bodemkwaliteit, Nota duurzaam bodembeheer gemeente Delft 2018, regelgeving mbt PFAS).
Conclusie Het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor bouwen worden in één voorbereidingstraject gebundeld. De algemene bodemkwaliteit is vastgelegd. De geleverde onderzoeksinspanning is voor een aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen voldoende. De bodemkwaliteit is geen belemmering voor de realisatie van het bestemmingsplan of de afgifte van de omgevingsvergunning.
Niet-gesprongen explosieven
40
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft De klimatisering van het gebouw wordt voorzien van een open bodemenergiesysteem. Dit systeem bestaat onder andere uit twee grondwaterbronnen. Voor het boren van deze beide bronnen is van belang of dit gebied wordt verdacht van niet-gesprongen-explosieven. Uit de bommenkaart van VEO blijkt dat in 2017 een vooronderzoek is uitgevoerd (Projectcode: 16080478, Rapportkenmerk: 16080478, Rapportdatum: 10/5/2017 2:00 A.M). Door de opsteller van het onderzoek is bevestigd dat uit dit onderzoek geen informatie naar voren komt die leidt tot verdenking van de locatie, noch dat een vervolgof ander onderzoek nodig is. Dit aspect vormt dus geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Water
Wettelijk kader Bij het opstellen van een bestemmingsplan is het doorlopen van de watertoets een wettelijke verplichting. Vanuit water en waterstaatswerken onder de Wet ruimtelijke ordening en de Waterwet is het nodig om ruimtelijke ingrepen te toetsen op mogelijke negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Dit gebeurt door middel van een watertoets.
Onderzoek Ten behoeve van het voornemen is een watertoets uitgevoerd, zie bijlage 6. Samengevat blijkt hieruit het navolgende.
Veiligheid en waterkeringen De voorgenomen ontwikkeling bevindt zich in de Delftse Wippolder en is onderdeel van het watersysteem van de Zuidpolder van Delfgauw (peilvak ZPD XLII). Ten noorden van de projectlocatie bevindt zich een primaire watergang: de Delftse Schie. Direct naast het plangebied, ook aan de noordzijde, bevindt zich een secundair water welke verbonden is met een inlaat aan het boezemwater en daarmee een verbindende functie heeft in het poldersysteem. Direct grenzend aan de Schie bevindt zich de regionale waterkering. Het plangebied valt buiten de beschermingszone van deze kering en zal daarom geen raakvlak hebben met het thema overstromingen.
Grondwater en voorkomen zoetwatertekort In Diver-Hub is gekeken naar de te verwachten gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) in het gebied. Uitgaande van een GHG van -0,85 m NAP ter plaatse van het plangebied, betekent dat bij genoemde maaiveldhoogte van ca. 0,3 – 0,4 m NAP, de ontwatering ten opzichte van de GHG ruim één meter is. Aanvullende grondwatermaatregelen zijn derhalve niet noodzakelijk. In het voorgenomen plan is geen onderkeldering opgenomen. Wel zal er een hellingbaan worden gerealiseerd ten oosten van het pand. Gezien de beperkte diepteligging en omvang van deze hellingbaan, wordt er geen effect verwacht op grondwater(stromen). Er worden geen negatieve effecten voorzien op eventuele zoetwatertekorten en de grondwaterstand als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Door het toepassen van een vasthoudmaatregel voor het tijdelijk bergen van hemelwater, wordt een beperkte hoeveelheid hemelwater geïnfiltreerd in de bodem. Hiermee wordt de (duur-) sponswerking van de bodem benut. "Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
41
Mijnbouwstraat 120 Delft
Voldoende water Conform GRP, PUK en Groen Blauw Delft Zuid Oost, zal het hemelwater dat op het te (her)ontwikkelen deel van het terrein valt, zowel op daken als terreinverhardingen, worden afgekoppeld. Tevens zullen er voorzieningen worden getroffen voor het tijdelijk vasthouden van hemelwater en vertraagd afvoeren. De vasthoudmaatregel zal worden gerealiseerd met lavasteen of rockflow platen die zich onder de terreinverhardingen bevinden. Het vertraagd afvoeren van overtollig hemelwater zal plaatshebben op de secundaire watergang aan de noordzijde van het pand. Ontwerp en aanleg hiervan dient in overleg te geschiedden met de gemeente en het waterschap. Tevens wordt in die afstemming gekeken in hoeverre het wenselijk is om bestaande afvoeren af te koppelen op openbare verharding aan de zuidkant van het pand.
Toename verhard oppervlak Het uitvoeren van de voorgenomen ontwikkeling heeft effect op de het areaal verhard oppervlak binnen de projectlocatie. Daarbij gaat het om het volgende: Het creëren van een overkapping over de huidige binnenplaatsen middels een Atrium, welke aansluit op de bestaande bebouwing, De toevoeging aan de oostzijde van het pand met een terras, en Het toevoegen van extra parkeergelegenheid ten noorden van het pand. Het hoogheemraadschap gebruikt voor het bepalen van de compensatieopgave voor het toevoegen van verhard oppervlak de Watersleutel-tool. Deze tool geeft aan wat de opgave is in bergingsvolume (m3 waterberging) of oppervlaktewater (m2). Aangezien er binnen het plangebied geen ruimte is voor realisatie van extra oppervlaktewater, wordt er binnen dit plan ingezet op het realiseren van een bergingsvoorziening, die water tijdelijk kan vasthouden en vervolgens vertraagd zal afvoeren naar het oppervlaktewater. De watersleutel en bijbehorende opgave wordt in de volgende versie bepaald. Bij nieuwe ontwikkeling/aanpassingen wordt door de gemeente ingezet op de eisen als gesteld in het convenant klimaatadaptief bouwen. Dat betekent het bergen van tenminste 60 mm neerslag in een uur. De bergingsopgave volgend uit de eis van de gemeente bedraagt [1140 m2 * 0.06 m =] 68 m3. Bij de compensatieopgave geldt dat de meest conservatieve eis maatgevend is.
Met het uitvoeren realiseren van de benodigde compensatieopgave voor het HHD (131 m3), wordt volledig voldaan aan de gestelde eis.
Schoon water Nieuwe hemelwaterafvoeren zullen het hemelwater gescheiden inzamelen van het afvalwater. Dit geldt bijvoorbeeld voor het te realiseren atrium. In afstemming met gemeente kan worden gekeken in hoeverre het wenselijk is om bestaande hemelwaterafvoeren af te koppelen op openbare verharding aan de zuidkant van het pand. Hemelwaterafvoeren aan de noordzijde van het pand zullen (vertraagd via de vasthoudmaatregel) afvoeren op de secundaire watergang. Hierop wordt zo veel mogelijk dakoppervlak aangesloten, zolang dit haalbaar blijkt met de bestaande infrastructuur. Het thema waterkwaliteit focust zich met name op het behoud van de kwaliteit van het watersysteem (goede doorstroming) en de ecologische waarde. In de voorgenomen plannen wordt relatief schoon afstromend hemelwater (vertraagd) naar het oppervlaktewater gebracht. Er is derhalve geen negatief effect voorzien op de waterkwaliteit van het water in de Pijnackersevaart, welke als gietwater wordt 42
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft gebruikt voor de Botanische Tuinen.
Klimaatadaptatie Het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) geeft invulling aan het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van onze leefomgeving. Het thema klimaatadaptatie is onderverdeeld in vier thema's: gevolgen van overstroming, wateroverlast, hitte en droogte. De gevolgen van dit bestemmingsplan op wateroverlast en overstroming zijn reeds beschouwd. De compensatieopgave (zie watersleutel) biedt koppelkansen voor de overige 2 thema's binnen klimaatadaptatie. De maatregelen kunnen naast het bergen van water bijdragen aan doelstellingen voor het verminderen van hittestress-en de effecten van droogte (door infiltratie), en derhalve bijvoorbeeld ook op het gebied biodiversiteit. Door het realiseren van een vasthoudmaatregel waarbij water kan infiltreren en vertraagd wordt afgevoerd, wordt bijgedragen aan deze doelstellingen.
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling resulteert in een netto toename van verhard oppervlak binnen het plangebied. Middels de watersleutel en de gemeentelijke eisen is een compensatieopgave bepaald van 131 m3, welke zal worden gerealiseerd in de vorm van een vasthoudmaatregel met infiltratie en een vertraagde afvoer naar de secundaire watergang. Met het inwilligen van de compensatieopgave zijn er vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen bezwaren ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Over de uitkomsten van de watertoets heeft overleg plaatsgevonden met het Hoogheemraadschap. Deze heeft aangegeven hiermee akkoord te zijn. Door middel van een voorwaardelijke verplichting in de planregels is geborgd dat de compensatieopgave moet zijn geregeld voordat het gebouw voor de nieuwe functie in gebruik wordt genomen.
4.9
Ecologie
Wettelijk kader
Wet natuurbescherming Het voornemen bestaat om de twee binnenhoven van het pand aan Mijnbouwstraat 120 te overkappen, zodat er atria ontstaan werkplekken. Ook zal het parkeerterrein ten noorden van het gebouw worden uitgebreid, met het oog op functieverandering van het gebouw van onderwijs- naar kantoorpand. De voorgenomen werkzaamheden zijn aan te merken als een ruimtelijke ingreep zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming. Ruimtelijke ingrepen dienen te worden onderzocht op mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). In verband hiermee is een quickscan in het kader van de Wnb uitgevoerd, zie bijlage 7.
Onderzoek De conclusies van deze quick scan zijn de volgende: In het plangebied komen mogelijk vleermuizen voor. Het gebouw dient potentieel als paar-, zomeren kraamverblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger en als winterverblijfplaats voor gewone dwergvleermuis en laatvlieger. De holtes in de esdoorn aan de noordzijde van het gebouw dienen mogelijk als zomer- of paarverblijf voor ruige dwergvleermuis. Daarnaast zijn er broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten aangetroffen (kauw en houtduif) en zijn er mogelijk nesten van gierzwaluw in het plangebied. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb kan daarom niet op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar aanwezigheid van vleermuizen (verblijfplaatsen) en gierzwaluwen (nesten) in het plangebied is nodig. Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura "Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
43
Mijnbouwstraat 120 Delft 2000-gebied (Westduinpark & Wapendal) ligt op ruim 17 km afstand van het plangebied. Daarnaast liggen de Natura 2000-gebieden Meijendel & Berkheide en Solleveld & Kapittelduinen op ongeveer 18 km van het plangebied. Negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op deze gebieden kan vanwege de geringe omvang van de werkzaamheden en de grote afstand tot de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten, zie hierna. Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Om deze reden is er geen sprake van effecten. In het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wnb. Wel moet er een kapvergunning worden aangevraagd voor de te kappen bomen en geldt er een herplantplicht in het kader van de gemeentelijke Bomenverordening. Dit is hiervoor in paragraaf 2.2 toegelicht. Vervolgstappen In navolging van de quick scan zijn/moeten de volgende vervolgstappen worden uitgevoerd: Voor alle te kappen bomen dient een kapvergunning aangevraagd te worden bij de gemeente Delft. Ook geldt er een nader te bepalen herplantplicht en is er mogelijk sprake van de verplichting om de te kappen bomen financieel te compenseren; Er is een nader onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen in het gebouw, zie bijlage 8.
Hieruit blijkt onder andere dat het plangebied fungeert als foerageergebied voor gewone dwergvleermuis en niet essentieel is op grond van het beperkt aantal waargenomen vleermuizen en de aanwezige alternatieve foerageermogelijkheden. De conclusie is dat er een ontheffing van de Wet natuurbescherming is vereist. Deze is op 2 december 2020 aangevraagd. Voordat de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden, dient het opgesteld mitigatieplan te zijn goedgekeurd. In dit plan staat beschreven op welke manier de negatieve effecten worden verzacht dan wel worden voorkomen. Het mitigatieplan dient als onderbouwing bij de ontheffingsaanvraag. Naar verwachting wordt hiermee de vereiste ontheffing verleend. Er is nader onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van nesten van gierzwaluwen, zie bijlage 8. Tijdens het onderzoek zijn hoog boven het plangebied overvliegende gierzwaluwen waargenomen. In het plangebied zelf zijn geen gierzwaluwen aangetroffen en zijn er geen aanwijzingen dat er nesten in het plangebied aanwezig zijn. Het plangebied zelf heeft geen essentiële functies voor gierzwaluw. De ingreep heeft geen negatieve effecten op deze soort. Indien blijkt dat beschermde soorten aanwezig zijn, dienen er mitigerende maatregelen te worden getroffen en dient een ontheffing te worden aangevraagd. De uitwerking hiervan dient te worden vast gelegd in een ecologisch werkprotocol.
Voor broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten dient er zoveel mogelijk buiten het broedseizoen te worden gewerkt; Tijdens de werkzaamheden is men gehouden aan de zorgplicht ex artikel 1.11 van de Wnb. Voorzorgsmaatregelen dienen uitgewerkt te worden in een ecologisch werkprotocol. Stikstofdepositie Tijdens de verbouwing van het pand tot de nieuwe kantoorfunctie worden mobiele werktuigen en bouwverkeer ingezet, waarbij tijdelijk emissies vrijkomen van NOx (stikstofoxiden) en NH3 (ammoniak). Na de herontwikkeling leidt het gebruik van het pand tot een toename van het wegverkeer op de ontsluitende wegen wat van invloed is op de emissies van NOx en NH3 die vrijkomen door de verbrandingsmotoren van wegverkeer. Hierdoor draagt zowel de aanleg (tijdelijk) als het gebruik (permanent) van het pand, bij aan de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden in de omgeving. Conform de Wet natuurbescherming (Wnb) dienen activiteiten te worden getoetst om na te gaan of binnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen optreden. Deze toets is uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator (versie 2020) en als bijlage 9 opgenomen bij dit bestemmingsplan. De rekenresultaten zijn opgenomen in bijlage 1 (aanlegfase) en bijlage 2 (gebruiksfase) van het betreffende onderzoek.
44
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft
De conclusie is dat zowel de activiteiten in de aanlegfase als de activiteiten in de gebruiksfase in geen enkel Natura 2000-gebied een significante bijdrage (<= 0,00 mol N/ha/j) hebben. Er hoeft voor dit project geen Wnb-vergunning te worden aangevraagd in het kader van stikstofdepositie.
Kap bomen Zoals hiervoor in paragraaf 2.3 aangegeven, dienen meerdere (monumentale) bomen te worden gekapt om de voorgenomen planontwikkeling te kunnen realiseren. Om deze bomen te kunnen, is een kapvergunning vereist. Deze wordt aangevraagd.
4.10
Archeologie
Wettelijk kader De Erfgoedwet (2016) bundelt bestaande wet-en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Op grond van de Erfgoedwet zijn alle (archeologische) resten beschermd. Ten aanzien van monumenten dat de bescherming is gericht op het zoveel mogelijk instandhouden van de typerende kenmerken. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, zijn verplicht rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische resten. Om de aanwezigheid van archeologische waarden uit te sluiten, dan wel te beschermen dient onderzoek plaats te vinden. Indien archeologische waarden worden aangetroffen, dan wordt gestreefd naar behoud ‘in situ’ (in de bodem, ter plekke). Als behoud in situ niet mogelijk is, moet ervoor worden gezorgd dat mogelijke archeologische waarden (ook wel: het bodemarchief) niet verloren gaat. Dat kan leiden tot een volledige, wetenschappelijke opgraving van de aanwezige resten.
Onderzoek
Bureauonderzoek In eerste instantie is een bureauonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 10. Hieruit bijkt dat er een middelhoge archeologische verwachting geldt voor archeologische resten uit de Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen. Deze vindplaatsen kunnen verwacht worden op de top van geul- en oeverafzettingen van de Gantel Laag binnen het plangebied. Daarnaast geldt er geen archeologische verwachting voor archeologische resten uit het Prehistorie, de Vroege Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Om de archeologische verwachting te toetsen en om inzicht te krijgen in de bodemopbouw van het plangebied dient een verkennend booronderzoek te worden uitgevoerd.
Verkennend booronderzoek De archeologische verwachting is getoetst door middel van een verkennend booronderzoek, zie bijlage 9. Hieruit is gebleken dat de top van de oorspronkelijke bodem tot ten minste 1,87 m –NAP is vergraven. Terwijl wordt verondersteld dat de top van de oorspronkelijke bodem zich op circa 0,50 m –NAP heeft bevonden. Dit is ook het niveau vanaf waar bewoning uit de Romeinse tijd kan hebben plaatsgevonden. Eventuele archeologische vindplaatsen worden dan ook niet meer verwacht. Na deze afgraving, vermoedelijk in relatie tot de bouw van het voormalig universiteitscomplex, is de ondergrond van het plangebied tot circa 0,50 m NAP aangevuld met verschillende ophogingslagen. Geadviseerd wordt om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren in het plangebied, aangezien er geen aanwijzingen voor (meer) vindplaatsen aanwezig zijn. Het bevoegd gezag, de gemeente Delft heeft dit "Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
45
Mijnbouwstraat 120 Delft advies overgenomen. Mocht tijdens de geplande werkzaamheden blijken dat binnen het plangebied toch archeologische waarden aanwezig zijn, dan dienen deze in het kader van de Erfgoedwet (paragraaf 5.4) te worden gemeld bij de minister van OCW. In de praktijk komt dit erop neer dat archeologische toevalsvondsten worden gemeld bij de bevoegde overheid, in deze de adviseur Archeologie van de gemeente Delft. Deze algemene meldingsplicht is altijd van toepassing en dus ook in gebieden die bij voorbaat zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek en gebieden die na archeologisch (voor)onderzoek zijn vrijgegeven voor ontwikkeling. Het is mogelijk dat na melding blijkt dat het om een vondst gaat waarvoor het bevoegd gezag nader onderzoek vereist. Nu eventuele vindplaatsen niet meer worden verwacht, hoeft geen dubbelbestemming Waarde-Archeologie in de planregels te worden opgenomen.
4.11
Cultuurhistorie
Inleiding Het plangebied is onderdeel van TU Noord, dat 26 juni 2013 is aangewezen als beschermd Rijksstadsgezicht, zie figuur 4.5. Het gebied is beschermd vanwege het bijzondere, voor ons land unieke gegeven van een groot ensemble van universiteitsgebouwen uit de periode tussen eind 19e eeuw tot circa 1930. Het gaat om een gebied met een ruim opgezette stedenbouwkundige structuur die behalve gebouwen ook enkele bijzondere groengebieden bevat.
46
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft
Figuur 4.5 Beschermd stadsgezicht en monumenten TU Noord "Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
47
Mijnbouwstraat 120 Delft
De aanwijzing betekent dat de Rijksdienst van oordeel is dat de geldende bestemmingsplannen het stadsgezicht voldoende beschermen. In deze paragraaf wordt aan de hand van een door Braaksma & Roos Architectenbureau uitgevoerde cultuurhistorische analyse toegelicht dat de voorgenomen planontwikkeling het beschermd stadsgezicht niet aantast. De opnames voor deze analyse zijn verricht in april 2020. De richtlijnen voor Bouwhistorisch Onderzoek 2009 vormen de kaders voor de indeling van de rapportage. De belangrijkste punten uit deze analyse zijn hierna samengevat opgenomen.
Historischeontwikkeling
Landschapsstructuur Ter plaatse van de planlocatie was het oorspronkelijke landschap een laaggelegen weidenlandschap, met een evenwijdige strokenverkaveling vanaf de hoofdontginningsas Rotterdamseweg. Ter plaatse van het plangebied maakte deze verkaveling een lichte hoekverdraaiing naar het zuiden. De lijn van de noordelijke richting is herkenbaar in het Rijn-Schiekanaal en Nieuwe Laan/ Ezelsveldlaan. De zuidelijke richting is exact gevolgd door de Mijnbouwstraat. Van de oude verkaveling is nog een restant van een dwarssloot aanwezig, achter het gebouw Mijnbouwstraat 120, en haaks erop langs de Botanische Tuin.
Stedenbouwkundige structuur Door het toen nog nauwelijks bebouwde landschap werd in 1891-1894 het Rijn-Schiekanaal aangelegd. Aan beide zijden van het nieuwe kanaal werden al direct door de Polytechnische School - voorganger van de TU - de dringend gewenste nieuwe faculteitsgebouwen gebouwd. Aan de zuidzijde werden eerst het gebouw Kanaalweg 4 in 1896 en vervolgens Kanaalweg 2b in 1903 opgeleverd. Het 'front' aan de zuidkant van het kanaal bestond uit twee op ruime afstand van elkaar, niet in één rooilijn geplaatste grote gebouwen, die de associatie oproepen van vrijstaande paviljoens of gigantische villa's. In 1905 werd de Technische Hogeschool (TH) opgericht, waarmee het onderwijs universitair erkend werd. In de volgende decennia werden verschillende laboratoria en onderwijsgebouwen ontwikkeld aan de noordzijde van de verlegde Schie, zoals het Laboratorium voor Werktuigbouw en Scheepsbouwkunde aan de Nieuwelaan in 1911, maar de grootste bouwactiviteit ontstond aan de zuidzijde in de Wippolder. In het eerste uitbreidingsplan voor Delft uit 1908 naar ontwerp van gemeente-architect M.A.C. Hartman was ten zuidoosten ruimte voorzien voor verdere uitreiding van de Technische Hogeschool. Het uitbreidingsplan werd gekenmerkt door een ruime opzet en voorzag in brede straten met verschillende grote verkeersknooppunten.
Het beoogde TH-terrein sloot aan op de reeds gebouwde laboratoriumgebouwen aan de Kanaalweg. Het terrein werd aan de zuidzijde omsloten door de huidige Mijnbouwstraat, waar tussen 1908 en 1912 de faculteit Mijnbouwkunde zou verrijzen, en aan de oostzijde door de Poortlandlaan, nu onderdeel van de Julianalaan. Aan deze zijde werd tussen 1914 en 1919 het Laboratorium voor Technische Botanie gerealiseerd. Temidden van dit viertal gebouwen werd in 1917 de Cultuurtuin voor Technische Gewassen aangelegd; een botanische tuin met formele aanleg van 2,5 hectare groot, waar plantensoorten uit alle werelddelen werden geplant ten behoeve van technisch-wetenschappelijk onderzoek. Ten zuiden van de Mijnbouwstraat werd het De Vries Van Heijst Plein, later Plantsoen, aangelegd, vernoemd naar burgemeester Frans Marius de Vries van Heijst. Dit driehoekige plantsoen kreeg een landschappelijke aanleg met slingerende onverharde wandelpaden afgewisseld met gazons, bomen en struiken. Het vormde een nieuw oriëntatiepunt waar verschillende nieuwe faculteitsgebouwen zich met hun voorgevels naar richtten; Mijnbouwkunde aan de Mijnbouwstraat, Analytische Scheikunde (1923) aan de korte zijde van het plantsoen en Rode Scheikunde aan de Julianalaan (1923). De gebouwen 48
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft waren allen omvangrijk, maar kenden hun eigen specifieke opzet, met meerdere vleugels gegroepeerd rondom of aan binnentuinen of groene publieke ruimte. De stedenbouwkundige opzet met groene tussenruimten bewerkstelligde een sterke visuele verbinding tussen de faculteitsgebouwen, die een alzijdig karakter kregen met representatieve gevels aan alle zijden en een sterke nadruk op de hoofdentrees. De verbindende groene zones tussen de gebouwen kenden een heldere opzet. Direct tegen de gebouwen aan werd het groen gekenmerkt door een gestyleerde aanleg met gezons en lage struikachtige begroeiing, afgewisseld met een enkele boom. Strak aangelegde onverharde paden verbonden de gebouwen onderling, met aan weerszijden gazons. Belangrijke groene centra binnen de campus werden de Botanische tuin en het De Vries Van Heijstplantsoen, die ten aanzien van de strakke aanleg van de campus juist een landschappelijke aanleg kregen met afwisselende begroeiing met een grotere diversiteit en slingerende paden. De binnenstadcampus bleef nog lange tijd fungeren als centrale locatie voor de TH. In 1923 werd de vijftiende-eeuwse Hyppolytuskapel aan de Oude Delft aangekocht, gerestaureerd en herontwikkeld tot ontvangstaula.
Figuur 4.6 Luchtfoto van de campus van de Technische Hogeschool, ca. 1926 (Bron: Nationaal Archief) Al in 1930 werden de eerste plannen gemaakt om in de Wippolder, ten zuiden van de Jaffa begraafplaats, een wijk aan te leggen met onderwijsgebouwen en laboratoria voor de Technische Hogeschool. Na de Tweede Wereldoorlog, die tijdelijk had geleid tot sluiting van de TH, nam het aantal studententen sterk toe. Er brak een periode van schaalvergroting aan die tot gevolg had dat de Technische Hogeschool actiever ging nadenken over structurele uitbreiding. Anders dan bij de eerste stadsuitbreiding naar plan van gemeente-architect M.A.C. Hartman, waarbij stukken grond werden opgekocht en ingevuld door de TH, ontwikkelde het Rijk samen met de TH na de oorlog zelf het Uitbreidingsplan Technische Hogeschool. Volgens dit plan werd de naoorlogse universiteitswijk aan weerszijden van de Merkelweg aangelegd, die tot op de dag van vandaag de centrale structuur van de Technische Universiteit vormt. Vanuit heldere stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten werden representatieve gebouwen en laboratoria met een eigen karakter ontworpen. Deze nieuwe "Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
49
Mijnbouwstraat 120 Delft universiteitswijk staat in contrast met de vroeg-twintigste-eeuwse campus ten zuiden van de Schie, waar het statige, historische karakter, de link met de Delftse binnenstad en de menselijke maat bepalend zijn voor de stedelijke beleving.
Aanwezige waardevolle elementen en onderdelen
Beschermd stadsgezicht In de 'Toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermd stadsgezicht TU Noord' is als meest waardevolle hoofdkenmerk genoemd: het ensemble van voormalige TU-gebouwen in een ruim opgezet stedenbouwkundig plan, verder ingevuld met bijzondere groengebieden waaronder de Botanische Tuin. Het geheel heeft een hoge cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectuurhistorische waarde.
Het gebouw voor Mijnbouwkunde Het gebouw voor Mijnbouwkunde werd in 1912 gerealiseerd naar ontwerp van "Rijksbouwkundige voor Onderwijsgebouwen etc." J.A.W. Vrijman. Het was een van de eerste gebouwen voor de Technische Hogeschool Delft die ten zuiden van de binnenstad in de Wippolder werden ontwikkeld. Met z'n representatieve, functionele architectuur maakt het gebouw voor Mijnbouwkunde een beeldbepalend onderdeel uit van de noordelijke TU-campus. De faculteit heeft 95 jaar van het gebouw gebruik gemaakt. Op verschillende wijzigingen in de interne structuur en het interieur na is het gebouw bijzonder gaaf bewaard gebleven. In 2002 is het gebouw aangewezen als rijksmonument. Het gebouw heeft bijzondere typologische waarden als voorbeeld van een specialistisch laboratoriumgebouw voor universitair onderwijs aan het begin van de twintigste eeuw voor de Technische Hogeschool Delft. Daarnaast is het gebouw architectuurhistorisch van waarde vanwege de harmonische gevelcompositie en de representatieve neo-renaissance architectuur die in grote mate wordt bepaald door de functionele opzet van het gebouw. Het gebouw neemt daarnaast een bijzondere plek in het oevure van Rijksbouwkundige Johannes Vrijman in als een van de best bewaarde voorbeelden van zijn gebouwen voor onderwijs - van binnen naar buiten ontworpen.
Het gebouw is cultuurhistorisch waardevol vanwege de afleesbaarheid van de oorspronkelijke functie als onderwijsgebouw en onderzoekslaboratorium voor de faculteit Mijnbouwkunde. Met z'n gecombineerde constructie van hout, staal en gewapend beton en de zorgvuldige detaillering en materialisering is het gebouw bovendien bouwhistorisch waardevol.
Typologie en architecuur - van binnen naar buiten ontworpen Omdat de strenge eisen die werden gesteld aan de nieuwe onderwijs- en laboratoriumgebouwen uitvoerige kennis van de ontwerpers vereisten, werden de bouwactiviteiten van het Rijk in de laatste kwart van de negentiende eeuw onderverdeeld in gespecialiseerde bouwbureaus. De “Rijksbouwkundige voor Onderwijsgebouwen etc.” was verantwoordelijk voor het ontwerp van de nieuwe campusgebouwen van de Technische Hogeschool in de Wippolder. Jacobus van Lokhorst zette een innovatieve koers in waarbij de specifieke functies van de gebouwen leidend waren voor het ontwerp. De plattegrond en opstand in zijn gebouwen voor Geodesie, Toegepaste Natuurkunde en Elektrotechniek ontstonden door het op een logische wijze samenvoegen van de in het programma van eisen genoemde ruimten en functies. Dat resulteerde in ontwerpen die vaak asymmetrisch van opzet waren, bestonden uit verschillende vleugels van verschillende hoogten en met verschillende dakvormen. De architectuur van Van Lokhorst werd gekenmerkt door een ongedwongen uitleg van de plattegrond en een verrassende levendigheid van het gevelsilhouet, dat op de TH-campus veelal wordt bepaald door de toepassing van neogotische stijlelementen. Zijn opvolger Johannes Vrijman zette deze ontwerpwijze voort, echter meer in de klassieke trant. 50
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft Vrijman wordt niet zozeer gezien als een ontwerper van het formaat van Van Lokhorst en miste diens innovatieve kracht, architectonische verfijning en technisch vernuft, wel was hij een degelijk architect die zich richtte op het creëren van bruikbare, logische plattegronden die zich doorvertaalden naar evenwichtige en sierlijke gevelopstanden waarin het gebruik van het gebouw werd weerspiegeld. In de gebouwen die Vrijman min of meer gelijktijdig ontwierp voor de faculteiten Werktuig- en Scheepsbouwkunde en de faculteit Mijnbouwkunde, maar ook voor de gebouwen voor bijvoorbeeld de universiteit van Groningen, is in de plattegronden te zien hoe de architect zocht naar de meest logische clustering van functies en het creëren van een zo'n helder mogelijk plan met een goede logistiek. Net als bij Van Lokhorst werd deze zoektocht gedaan in zeer nauwe samenwerking met de betrokken hoogleraren. Na een lange periode van planontwikkeling is in het definitieve ontwerp voor Mijnbouwkunde een sterke logica gecreëerd waarbij alle functies in vier vleugels rondom twee centrale open plaatsen zijn geplaatst, met in de centrale vleugel de algemene ruimten. Bijzondere ruimten, zoals trappenhuizen, collegezalen en laboratoria met specifieke eisen, kregen een strategische plek binnen de compositie; op de hoeken van de vleugels of aan de open plaatsen.