Bestemmingsplan Mijnbouwstraat 120
Tekst van het document
Mijnbouwstraat 120 Delft IMRO idn: NL.IMRO.0503.BP0079.2001
Mijnbouwstraat 120 Delft
Inhoudsopgave Toelichting
Toelichting
5
Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerende plannen 1.4 Uitgangspunten en criteria 1.5 Opbouw plan
5 5 5 6 8 8
Hoofdstuk2 Ruimtelijke en stedenbouwkundige context 2.1 Bestaande situatie 2.2 Beschrijving plan
9 9 10
Hoofdstuk3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid 3.5 Hoogheemraadschap van Delfland
21 21 22 23 24 29
Hoofdstuk4 Omgevingsaspecten 4.1 Algemene beoordeling milieueffecten (m.e.r.) 4.2 Bedrijven en milieuzonering 4.3 Verkeer en parkeren 4.4 Luchtkwaliteit 4.5 Geluidhinder 4.6 Externe veiligheid 4.7 Bodemkwaliteit 4.8 Water 4.9 Ecologie 4.10 Archeologie 4.11 Cultuurhistorie
31 31 31 33 35 36 37 39 41 43 45 46
Hoofdstuk5 Juridische planopzet 5.1 Standaard en plansystematiek 5.2 Toelichting op de regels
54 54 54
Hoofdstuk6
57
Handhaving
Hoofdstuk7 Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
58 58 58
Bijlagen Bijlage 1
M.e.r.-beoordelingsnotitie
Bijlage 2
Onderzoek verkeer en parkeren
Bijlage 3
Onderzoek Externe veiligheid
Bijlage 4
Advies VRH
Bijlage 5
Bodemonderzoek
Bijlage 6
Watertoets
2
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft
Bijlage 7
Quick scan Wet Natuurbescherming
Bijlage 8
Onderzoek vleermuizen en gierzwaluw
Bijlage 9
Onderzoek stikstofdepositie
Bijlage 10
Onderzoek archeologie
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
3
Mijnbouwstraat 120 Delft
4
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
Royal HaskoningDHV (hierna: RHDHV) heeft het voornemen om haar kantoren in Rotterdam en Den Haag op te heffen en te verhuizen naar het Rijksmonument Mijnbouw aan de Mijnbouwstraat 120 te Delft, zie figuur 1.1. RHDHV wil het gebouw duurzaam transformeren naar een kantoor met een gedeeltelijk semi-openbaar karakter met open ruimtes. Deze open ruimtes worden gecreerd door de 'binnenplaatsen' te overkappen. Bij deze verbouwing worden het karakter van het gebouw en de relatie met de groene omgeving gerespecteerd. Nu dit planvoornemen niet past binnen het geldende bestemmingsplan, is een herziening daarvan benodigd. Onderhavig bestemmingsplan betreft deze herziening.
Figuur 1.1 Mijnbouwstraat 120
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied ligt op het terrein van de TU/Delft (TU Noord) aan de Mijnbouwstraat 120 te Delft, zie figuur 1.2. De locatie wordt begrensd door de Mijnbouwstraat, de Prof. Schermerhornstraat en de Botanische Tuin.
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
5
Mijnbouwstraat 120 Delft
Figuur 1.2. Luchtfoto planlocatie (bron: maps.google.nl)
1.3
Vigerende plannen
Ter plaatse van de planlocatie gelden de volgende bestemmingsplannen: TU Midden en Noord (vastgesteld 25 april 2013); Professor Schermerhornstraat (vastgesteld 29 september 2016); TU-Noord (de Noordelijke Wippolder) (vastgesteld 19 april 2007); Facetbestemmingsplan Parkeren (vastgesteld 31 mei 2018). Ten aanzien hiervan geldt het navolgende.
Bestemmingsplan TU Midden en Noord Binnen het bestemmingsplan TU Midden en Noord geldt ter plaatse van het gebouw de bestemming Maatschappelijk, zie figuur 1.3. Daarbinnen gelden maximale goot- en bouwhoogtes en een maximaal bebouwingspercentage. Verder geldt dat wat betreft kantoren alleen kennisintensieve kantoren zijn toegestaan. De voorgestane ontwikkeling is in strijd met het bestemmingsplan. Dit om twee redenen. De planontwikkeling maakt realisatie van een regulier kantoor mogelijk en het toegestane bebouwingspercentage wordt overschreden.
6
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft
Figuur 1.3 Geldend bestemmingsplan locatie Mijnbouwstraat 120 (www.ruimtelijkeplannen.nl) De bestemmingen uit de bestemmingsplannen Professor Schermerhornstraat en TU-Noord (de Noordelijke Wippolder) (zie figuur 1.4 en 1.5) worden zo goed als volledig overgenomen. Alleen aan de noordzijde wijzigt een gedeelte van de groen-bestemming naar een verkeer-verblijfsgebied bestemming.
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
7
Mijnbouwstraat 120 Delft
Figuur 1.4 Bestemmingsplan Schermerhornstraat (www.ruimtelijkeplannen.nl)
Figuur 1.5 Bestemmingsplan TU-Noord (www.ruimtelijkeplannen.nl)
1.4
Uitgangspunten en criteria
Ten behoeve van de voorgenomen planontwikkeling heeft de gemeente Delft uitgangspunten en criteria opgesteld. Hierin zijn de relevante beleidskaders en randvoorwaarden opgenomen. Tevens bevat het een richtinggevend kader voor de verdere uitwerking van het plan. Bij het opstellen van onderhavig bestemmingsplan is hier zo veel als mogelijk rekening mee gehouden.
1.5
Opbouw plan
Hoofdstuk 2 van deze toelichting beschrijft de huidige en toekomstige situatie in het plangebied. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het beleidskader van het Rijk, de provincie, regio en de gemeente Delft uiteen gezet. Hoofdstuk 4 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische planopzet waarbij de verbeelding en planregels worden besproken. Hoofdstuk 6 gaat in op het aspect handhaving. Tot slot volgt in hoofdstuk 7 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en de resultaten van inspraak en overleg.
8
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft
Hoofdstuk 2 2.1
Ruimtelijke en stedenbouwkundige context
Bestaande situatie
Zoals in paragraaf 1.1 aangegeven, is het pand aan de Mijnbouwstraat 120 te Delft, zie figuur 2.1 onderdeel van de TU Delft en gelegen in het als beschermd stadsgezicht aangewezen gedeelte TU Noord. Het pand kan als gezichtsbepalend van het TU-gebied worden gezien. Het is een Rijksmonument, gebouwd in 1912 en ontworpen door de heer A.W. Vrijman, Rijksbouwmeester van 1906 tot en met 1923.
Figuur 2.1. Mijnbouwstraat 120 (Bron: delta.tudelft.) TU Noord is sinds 2013 één van de vier Delftse beschermde stadsgezichten. De inpassing van de planontwikkeling binnen dit beschermd stadsgezicht en het monumentale karakter wordt in paragraaf 4.11 Cultuurhistorie uitgebreid beschreven. Het gebied kenmerkt zich door grote (deels voormalige) faculteitsgebouwen uit de periode 1900-1940 en bijzondere groengebieden zoals de Botanische Tuin en de Algemene Begraafplaats Jaffa. TU Noord is onderdeel van de universiteitscampus. Door de vestiging van de faculteit Bouwkunde op Julianalaan 134 is de universiteit nog steeds voelbaar aanwezig. Tegelijkertijd is door groei en uitbreiding van de universiteit richting het zuiden in TU Noord de laatste tien jaar een gemengd milieu ontstaan met woningen, studentenwoningen en diverse bedrijven.
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
9
Mijnbouwstraat 120 Delft
Figuur 2.1 Mijnbouwstraat 120 Delft
2.2
Beschrijving plan
2.2.1
Keuze Mijnbouwstraat
Noodzakelijke samenvoeging locaties RHDHV is in Nederland op 13 plaatsen gevestigd, waaronder in Rotterdam en Den Haag. In Den Haag is NACO (Netherlands Airport Consultants) gevestigd. NACO is ook onderdeel van RHDHV en adviseert onder meer luchthavens, vliegmaatschappijen, overheden en investeerders. In Rotterdam zijn medewerkers van verschillende en zeer uiteenlopende specialismen gevestigd. RHDHV zal haar locaties te Rotterdam en Den Haag opheffen en zoekt daarvoor één nieuwe locatie. De huurovereenkomsten voor zowel de vestiging Rotterdam als die van Den Haag lopen op relatief korte termijn af, zodat voor beide huurovereenkomsten een besluit over al dan niet verlenging diende te worden genomen. Er zijn een aantal redenen voor RHDHV te kiezen voor één nieuwe locatie. Gelet op de samenhang met de overige diensten en producten van RHDHV en de benodigde expertises is het allereerst voor een efficiënte samenwerking noodzakelijk dat NACO ook fysiek wordt geïntegreerd in één nieuwe vestiging. Dit zorgt voor een verdere verbinding tussen alle expertises en de specialisten van RHDHV. Het hebben van een aparte vestiging voor NACO draagt niet bij aan die verbinding. RHDHV hecht daarnaast aan een landelijke spreiding van haar vestigingen. Uit kostenoogpunt wordt getracht te voorkomen dat vestigingen te dicht bij elkaar gelegen zijn.
Het samenvoegen van vestigingen zal bijdragen aan de verdere verbinding en eenheid tussen alle expertises en zorgen voor een efficiëntere dienstverlening.
Voorwaarden en programma van eisen Voor het kunnen maken van een locatiekeuze heeft RHDHV een aantal voorwaarden opgesteld waaraan de nieuwe locatie dient te voldoen. Deze randvoorwaarden zien er -samengevat- als volgt uit waarbij er een onderscheid is gemaakt in de vestigingsvoorwaarden ten aanzien van de stad en randvoorwaarden voor de locatie: Vestigingsvoorwaarden stad
Randvoorwaarden locatie
Samenvoegbare locatie (omvang)
Inspirerende werkomgeving
Integratie NACO
Inspirerend gebouw én omgeving
Verbindbare specialismen
Aanpasbaar/verduurzaming (kosteneffectief)
10
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft Centrale ligging
15.000 m2 bvo zoveel mogelijk gelijkvloers
Westen van het land
Onderwijsmogelijkheden +interactie mogelijk met studenten Maatschappelijk georiënteerd 750 werkplekken, ruimte voor ontmoeting en kennisuitwisseling Grote(re) ontvangst- en ontmoetingsruimten Zoveel mogelijk m2 op zo min mogelijke verdiepingen Karakteristieken van gebouw Bereikbaarheid (duurzame mobiliteit)
Ter toelichting op deze voorwaarden het volgende: Het moet gaan om een inspirerende werkomgeving voor zowel de huidige als voor potentieel nieuwe medewerkers. Een centrale ligging ten opzichte van de twee bestaande kantoren in verband met reisafstand van haar werknemers en bezoekers. De locatie kan worden omgevormd tot een bij het bedrijf passende uitstraling en inrichting-indeling. Samenwerking en kennisdelen is voor haar bedrijfsvoering essentieel. Een belangrijk element daarbij is informeel ontmoeten. Concreet leidt dit tot zo veel mogelijk vierkante meters op zo min mogelijk verdiepingen in combinatie met de beschikbaarheid van grote ruimten voor grote groepen voor events, conferenties en samenwerkateliers. Het gebouw moet het programma van ca 15.000 m2 BVO kunnen herbergen. De onderwijsactiviteiten van RHDHV moeten kunnen worden gefaciliteerd in relatie met de TUD, mede gezien de geprognosticeerde tekorten aan jonge, technische specialisten. Een bestaand gebouw dat kan worden getransformeerd/ upgradet naar een duurzaam, toekomstbestendig gebouw sluit aan op de duurzaamheidsvisie van RHDHV en heeft volgens de visie van RHDHV de voorkeur boven nieuwbouw. Het adagium van RHDHV is `Enhancing society together´. De locatie moet daarom niet alleen toegankelijk zijn voor medewerkers en bezoekers, maar ook maatschappelijk georiënteerd zijn.
Voorts heeft RHDHV een programma van eisen opgesteld. Uit het programma van eisen volgt een cijfermatige onderbouwing van onder meer de minimaal benodigde ca. 15.000 m2 bvo en de minimumeisen ter zake de invulling daarvan. De hiervoor genoemde voorwaarden en het programma van eisen worden hierna nader toegelicht aan de hand van verantwoording voor de keuze voor Mijnbouw.
Vestigingsvoorwaarden: de keuze voor de regio en de stad Er zijn verschillende steden en regio's onderzocht, waaronder Rotterdam, Den Haag, Rijswijk en Delft. Alle potentiële regiolocaties afwegende is geconstateerd dat alleen Delft beschikt over een locatie die voldoet aan de vestigingsvoorwaarden en het programma van eisen. Het betreft een stad in het westen van het land, gunstig gelegen tussen Den Haag en Rotterdam. Daarnaast heeft ook de duurzame relatie die RHDHV heeft met de gemeente Delft en de TU een belangrijk rol gespeeld in de keuze voor Delft als vestigingsplaats van het nieuwe kantoor. Vestiging in Delft maakt een verdergaande samenwerking met de TUD mogelijk. Vestiging van RHDHV op Science Centre Delft biedt ook de mogelijkheid om meer in verbinding te komen met (technische) studenten van TUD.
Randvoorwaarden: keuze voor de locatie "Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
11
Mijnbouwstraat 120 Delft Nadat RHDHV haar keuze op Delft heeft laten vallen, heeft zij samen met de gemeente en TU tien mogelijke vestigingslocaties beoordeeld, waarvan zes nieuwbouwlocaties en vier bestaande locaties, waaronder Mijnbouw, het EWI-kantoor en Gele Scheikunde. Geen van de gebouwen voldeden aan de randvoorwaarden, ook niet na eventuele bouwkundige en planologische aanpassingen. Zo is het EWI-gebouw een kantoortoren ('wolkenkrabber') waarmee niet kan worden voldaan aan de eis dat horizontaal georiënteerd moet zijn. Samenwerking en kennisdelen is voor haar RHDHV essentieel. Een belangrijk element daarbij is informeel ontmoeten. Concreet leidt dit tot zo veel mogelijk vierkante meters op zo min mogelijk verdiepingen in combinatie met de beschikbaarheid van grote ruimten voor grote groepen voor events, conferenties en samenwerkateliers. Een kantoortoren voldoet daar niet aan. Het gebouw de Gele Scheikunde valt af omdat dit gebouw veel groter is dan de benodigde 15.000 m2 BVO en niet de inspirerende uitstraling heeft die RHDHV haar medewerkers wil bieden. Dat geldt ook voor de TU Delft Campus Zuid. De locatie Spoorzone Delft is juist te klein. Mijnbouw is de enige locatie in Delft die kan voldoen aan alle randvoorwaarden én het programma van eisen.
De locatie heeft de inspirerende uitstraling, het potentieel om (kosteneffectief) duurzaam te transformeren, gelijkvloers te werken en te ontmoeten en is ideaal gelegen op de Campus TU Noord en op loopafstand van het monumentale centrum van Delft. De locatie leek even buiten handbereik omdat TU een tender liep voor de verkoop/verhuur. Deze tender is ingetrokken omdat TU in RHDHV een partij vond die in één keer het gehele pand wil afnemen en toekomstbestendig kan maken. Dit had ook voor TU de voorkeur boven de verkoop en/of verhuur aan één of meerdere partijen die het pand in delen kopen/huren en (nog) niet willen of kunnen investeren in een duurzaam gebruik van het pand. 2.2.2
Bouwplan
Hiervoor wordt het monumentale pand 'Mijnbouw' aan de Mijnbouwstraat 120 betrokken en geschikt gemaakt voor haar medewerkers. Dit gebeurt door het pand zorgvuldig te restaureren én voor minimaal 25 jaar duurzaam te bestendigen. Het pand krijgt een verbindende functie door kernkwaliteiten van het monument te koesteren en toekomstbestendig te maken. In de bestaande situatie heeft het pand al de gewenste uitstraling, maar vanuit het verleden is het pand specifiek gericht op studenten. Het pand heeft geen ontvangstruimte, geen open ruimten om grote groepen te kunnen ontvangen en is ook ca 2.000 m2 te klein. Er is tegenwoordig meer nodig om mensen naar kantoor te halen, het gaat ook om beleving. RHDHV wil werkruimtes creëren waar medewerkers individueel of in kleine groepen kunnen (samen)werken. Hiervoor worden de huidige kamers op de verdieping en op 'zolder' geschikt gemaakt. Het is de bedoeling om een open karakter te creëren en het gebouw deels toegankelijk (semi-openbaar) te maken voor studenten en omwonenden. Daarnaast wil RHDHV ontmoetingsruimtes creëren waar medewerkers en externen elkaar in een informele setting en verschillende hoedanigheden kunnen ontmoeten. Hiervoor zijn grote open ruimtes nodig die nu nog ontbreken in het pand.
RHDHV gaat de twee binnenhoven overbouwen zodat er twee atria ontstaan, waarbij de overkapping deels over de bestaande bebouwing wordt geplaatst. Vanuit de atria vinden meerdere doorbrekingen in de binnengevels plaats. Verder wordt het buitenterrein heringericht, wordt extra parkeergelegenheid ten noorden van het pand gecreëerd en komt aan de oostzijde een terras. Het aspect parkeren komt in paragraaf 4.3 aan de orde.
Samengevat Door bouwkundige aanpassingen in combinatie met de realisatie van gesloten en semi-openbare ruimtes kunnen de bestaande tekortkomingen worden ondervangen en kan RHDHV het gebouw
12
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft geschikt maken voor: 1. de ontvangst van grote groepen ten behoeve van het geven/houden van lezingen, toespraken, (bewoners)bijeenkomsten, events, conferenties etc; 2. het faciliteren van startups van derden en kennis en kunde door te ontwikkelen; 3. het ontvangen van studenten/medewerkers TU en bewoners in de semi-openbare ruimtes van het gebouw. De figuren 2.2 en 2.3 geven een indruk van de nieuwe situatie.
Figuur 2.2 Afbeelding nieuwe situatie
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
13
Mijnbouwstraat 120 Delft
Figuur 2.3 Plattegronden nieuwe situatie 2.2.3
Terreininrichting/aansluiting openbare ruimte
Nabij en rondom het plangebied liggen een aantal waardevolle groengebieden die deel uit maken van de stedelijk ecologische structuur (zie figuur 2.4). Onderdeel zijn onder andere de Botanische Tuin en De Vries Van Heijstplantsoen. Beiden zijn opgenomen in de beleidsregel cultuurhistorische waardevolle groengebieden.
14
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft
Figuur 2.4 Stedelijke ecologische structuur met plangebied (Bron: Gemeente Delft)
Uitgangspunten De gemeente heeft aangegeven dat bij de invulling van het gebied een relatie moet worden gelegd met het omliggende gebied. Het kader en uitgangspunt daarvoor wordt gevormd door "Groen blauw Delft ZuidOost" en de destijds ten behoeve van het bestemmingsplan TU Midden en Noord uitgevoerde MER. Verder gelden samengevat de volgende voorwaarden: Er dient rekening te worden gehouden met de fysieke aansluiting op de andere terreindelen van het bouwblok. Er dient - samen met de TU - een visie te worden ontwikkeld voor aansluiting op de omgeving en de Botanische Tuin. Zoveel als mogelijk groene inrichting - halfverharding - van de toe te voegen parkeerplaatsen. Bij het aanleggen van parkeerplaatsen dient het groene karakter van de omgeving te worden "Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
15
Mijnbouwstraat 120 Delft gerespecteerd. Rekening houden met visuele samenhang met het De Vries van Heijstplantsoen en de herinrichtingsplannen voor de Julianalaan in relatie met dit plantsoen. Ontwerp terreininrichting De historische waardering voor het omliggende terrein is uitgezocht en in aansluiting daarop is een visie op de omgeving geformuleerd die is vertaald naar een (concept)inrichtingsplan, zie figuur 2.5. Deze inrichting sluit aan bij de gemeentelijke uitgangspunten. Het gebouw heeft vier representatieve gevels die aansluiten bij het terrein. In de nieuwe situatie wordt het gebouw van een groene kraag voorzien met daar omheen een voetpad die de vorm van het gebouw volgt.
Figuur 2.5 Concept-Inrichtingsplan (bron: Debbie & Verkuijl) 2.2.4
Monumentale bomen
Overkappen binnenhoven Naast de voornoemde transformatie en verduurzaming van het gebouw, is het betrekken van de binnenhoven bij het gebouw en het daarmee realiseren van twee atria onderdeel van het geschikt maken van het gebouw voor de toekomst. In deze binnenhoven staan echter verschillende bomen waaronder vier monumentale watercipressen. De vraag is hoe hiermee om te gaan.
Onderzoek verplanten bomen In 2019 is er door Pius Floris Boomverzorging onderzocht of het mogelijk is om de monumentale watercipressen te verplanten. Uit dit onderzoek is gebleken dat dit niet mogelijk is. Ook tijdens de ecologische quickscan is geconcludeerd dat dit niet mogelijk is. Redenen waarom dit niet mogelijk is, zijn de volgende: 16
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft De bomen kunnen niet in hun geheel uit de binnentuinen gehesen worden, tenzij de dwarsstructuren deels worden gesloopt. Omdat de gebouwstructuren tussen de binnentuin en aan de oostkant niet worden gesloopt, is een alternatieve werkwijze niet mogelijk. Bovendien zal de schade aan wortelpartijen bij verplaatsen dusdanig groot zijn dat herplant hoogst waarschijnlijk alsnog zal leiden tot afsterven van de bomen op korte termijn. Tot slot is behoud geen optie in het kader van de huidige plannen. Los van de (on)mogelijkheden die het huidige ontwerp biedt voor behoud van de bomen, is het binnenklimaat van de atria niet geschikt om de bestaande watercipressen te conserveren middels conditionering. Onderzoek naar alternatieve planontwikkeling Er is door RHDHV zorgvuldig onderzocht of alternatieve, ruimtelijke en boomkundige, oplossingen mogelijk zijn om de bomen te kunnen behouden. Zo is onderzocht of een bijbehorend bouwwerk (aanbouw) mogelijk is waardoor alle bomen kunnen worden behouden, maar het vigerende bestemmingsplan en de monumentale status verzetten zich daartegen. Voorts is onderzocht welke alternatieven er zijn een deel van de bomen te kunnen behouden. Deze varianten worden hierna toegelicht.
Variant 1: binnenhoven deels bebouwen Bij de eerste variant zijn de binnenhoven slechts gedeeltelijk bebouwd waardoor in ieder geval de vier monumentale cipressen behouden zouden kunnen blijven. Dit alternatief is niet uitvoerbaar om de volgende redenen: 1. De bomen in de binnenhoven staan op een afstand van circa 10 meter uit de binnengevel. Gezien het omvangrijke wortelpakket van de bomen (diameter > 7 meter) blijft er vrijwel geen ruimte meer over om delen van de binnenhoven te bebouwen zonder daarmee wortels (en dus de bomen) onherstelbare schade toe te moeten brengen. 2. Een grotere ontvangst- en ontmoetingsruimten is noodzakelijk. Zonder atria staat de vorm van het gebouw in de weg aan de benodigde ontvangst- en ontmoetingsruimten. De huidige bebouwing is daarvoor te smal en gaat ten koste van de overige benodigde (werk)ruimte. Daarnaast is het huidige beschikbare vloeroppervlak onvoldoende voor de programmatische behoefte (op basis van het programma van eisen). 3. Een kosteneffectieve transformatie is een randvoorwaarde. Zonder de bouw van de atria is de investering voor revitalisatie niet kosteneffectief. De investering die RHDHV moet doen (+€ 30 miljoen) is gebaseerd op een transformatie die in zijn geheel moet worden beschouwd en het atria kan daarvan niet los worden gezien of gehouden. 4.
De activering en de overkapping van de atria voegt niet alleen nuttige vloeroppervlakte toe, maar maakt ook het gebouw energetisch compacter (de gevels rondom de atria worden binnenmuren) en duurzamer in het gebruik 5. Het deels bebouwen van de binnenhoven is evenmin uitvoerbaar omdat het leidt tot verrommeling en aantasting van de monumentale staat van het Rijksmonument en de locatie als geheel. 6. Het overkappen van de binnenhoven is essentieel om een duurzaam en goed controleerbaar en werkbaar binnenklimaat te kunnen realiseren. Een nieuwe overkapping zal energie-producerend worden uitgevoerd, hetgeen verder bijdraagt aan de verduurzaming van het gebouw. Variant 2: binnenhoven overkappen met behoud van de bomen Binnen deze tweede variant is onderzocht of het mogelijk is om de binnenhoven te overkappen met behoud van de bomen. Dit alternatief is onderzocht, maar om dezelfde redenen als variant 1 niet uitvoerbaar. Daarnaast geldt het volgende: 1. De bomen zijn zo hoog dat een overdekkende kap het gebouw onevenredig in haar aanzien en monumentale karakteristieken aantast. Een dermate hoge overdekkende kap past in de visie van RHDHV niet bij de karakteristieken van het gebouw. 2. Indien de kap lager geplaatst wordt, zullen de bomen drastisch gesnoeid moeten worden. Het drastisch snoeien behelst een terugkerende omgevingsvergunningplicht.
Niet gezegd is dat steeds "Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
17
Mijnbouwstraat 120 Delft een vergunning zal worden verleend, omdat de snoei een aanslag is op de gezondheid van de bomen heeft. Uit onderzoek blijkt dat het toppen van de watercipressen één van de meest schadelijke vormen van snoei is. Een weigering van de omgevingsvergunning impliceert dat de bomen op enig moment dwars door de kap zullen groeien, tenzij de kap wordt verwijderd. Dat is zeer kostbaar en onwenselijk en een continue risico dat niet doelmatig is om voorshands te accepteren. 3. Het ingrijpend terugsnoeiend leidt niet tot een daadwerkelijk bomen besparende maatregel. 4. In beide gevallen is sprake van een kunstmatig binnenmilieu, waarbij de zich de binnenhoven bevindende bomen onvoldoende licht zullen ontvangen, hetgeen de levensverwachting van alle bomen negatief zal beïnvloeden. Ook het rapport van Pius Floris bevestigt dat de groeiomstandigheden dusdanig rigoureus zullen veranderen, dat de bomen zich op dat klimaat niet kunnen aanpassen en dit niet zullen overleven.. Variant 3: middenbeuk slopen en maximaal terugbouwen Bij deze derde variant is onderzocht of het mogelijk is om de huidige middenbeuk te slopen en deze maximaal terug te bouwen. Ook deze variant kan de toets der kritiek niet doorstaan om redenen die bij de andere varianten ook zijn genoemd.
De programmatische behoefte kan niet binnen het terug te bouwen gebouwvolume gerealiseerd worden, de toegevoegde ruimte is te klein en er is ook geen mogelijkheid tot ontvangst van grote groepen mensen. Bovendien kan de locatie zo ook niet duurzaam ontwikkeld worden. Tenslotte betekent het slopen van de middenbeuk betekent een te sterke aantasting van het monument, waarvoor geen publiekrechtelijke toestemming zal worden verleend.
Conclusie Zoals hiervoor aangegeven, is het verplaatsen van de bomen een te omvangrijke onderneming, met een minimale kans dat de bomen het overleven. Behoud van de bomen is voor het planvoornemen niet mogelijk vanwege de programmatische behoefte van de initiatiefnemer, een verantwoorde investering, de verduurzaming van het gebouw en een goed controleerbaar binnenklimaat. De beschermde bomen op het buitenterrein blijven staan. Geconcludeerd moet worden, dat de (monumentale) bomen binnen het ontwerp van de voorgenomen planontwikkeling niet kunnen worden gespaard. Een kapvergunning inclusief financiële compensatie en/of herplant (van nieuwe bomen) elders is aan de orde. RHDHV wil deels op eigen terrein compenseren, deels in openbaar gebied. Van de bomen die RHDHV niet zelf kan compenseren, moet RHDHV de boomwaarde betalen aan de gemeente die daarvoor bomen aanplant. Hierover is RHDHV in overleg met de gemeente. De KNNV en belangenvereniging TU Noord zijn daarbij uitgenodigd om mee te denken over de compensatiemogelijkheden. De Julianalaan West lijkt de meest kansrijke locatie, hier kan substantiele herplant van bomen plaatsvinden. De KNNV en belangenvereniging TU Noord zijn hier positief over. De KNNV geeft aan dat zij graag zien dat de gebieden die versteend gaan worden door de ontwikkeling Mijnbouwstraat 120 worden gecompenseerd in eenzelfde aantal vierkante meters groen.
Ondanks dat dit meer is dan verplichting bomencompensatie maakt RHDHV zich hiervoor hard. Dit lukt echter niet op eigen terrein. Hierover is RHDHV ook in overleg met de gemeente. 2.2.5
Duurzaamheid
Delft heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn. De herontwikkeling van het pand aan de Mijnbouwstraat 120 is bij uitstek het moment om het gebouw te verduurzamen - met behoud van cultuurhistorische waarde - en daarmee het gebouw een duurzame nieuwe toekomst te bieden. Ingrepen moeten zijn gericht op een fossielvrije gebouwde omgeving en bedrijfsvoering. Omdat het gebouw van rijkswege beschermd is, wordt voor de verduurzaming van het gebouw bij voorkeur gezocht naar de toepassing van hernieuwbare materialen, hernieuwbare warmtebronnen en energiezuinige installaties. De ambitie is om het gebouw Paris Proof te maken. Dit impliceert een toekomstig energieverbruik van
18
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft maximaal 50kWh/m2 vloeroppervlak op jaarbasis. Hieraan wordt invulling gegeven door de volgende maatregelen: Het gebouw wordt goed geïsoleerd. Daarbij worden de binnenhoven voorzien van een geïsoleerde overkapping, waardoor het aantal m2 buitenoppervlak sterk verminderd. Hierbij wordt een energielabel A nagestreefd. Tevens worden de daken, de gesloten buitenwanden en de begane grondvloeren geïsoleerd. De gevels worden niet geïsoleerd, aangezien er veel koudebruggen zijn (bouwmuren en vensterbanken); wel wordt het glas vervangen voor HR++ glas. In de bodem wordt een warmte koude opslag gerealiseerd, in combinatie met warmtepompen, warmteterugwinning en een laag-temperatuur verwarmingssysteem. Ter vermindering van de externe elektriciteitsbehoefte worden de horizontale dakvlakken belegd met PV-panelen. De interne elektriciteitsbehoefte wordt verminderd door toepassing van aanwezigheidssensoren, LED verlichting met een lage basisinstelling (200 lux), energiezuinige installaties, het tegengaan van 'sluip'gebruik van apparatuur en door zongestuurde buitenzonwering. Om de duurzaamheidsambitie aantoonbaar te maken wordt gebruik gemaakt van een Breeam-in-use certificering, waarbij de ambitie het niveau 'excellent' is. Breeam excellent is te vergelijken met GPR score 8.
Hoewel een Milieu Prestatie Gebouwen niet verplicht is voor bestaande bouw, is deze berekening wel uitgevoerd. De score van 0,52 €/ m2 BVO/ jaar is relatief hoog voor een gerenoveerd gebouw. Dat komt door het plaatsen van ca 1.500 m2 PV op de daken om te voldoen aan het Paris Proof criterium. Deze panelen zijn verantwoordelijk voor 39% van de totale schaduwprijs van het gebouw. Door het pand te revitaliseren, wordt in beginsel reeds bijgedragen aan de circulariteitsgedachte. Waar mogelijk wordt de bestaande fundatie gebruikt om extra belastingen op af te dragen. De structuur van het gebouw (scheidingswanden, vloeren, plafonds) wordt gehandhaafd, evenals de monumentale radiatoren en de houten kozijnen. Daarnaast worden ook de uitvoerende partijen uitgedaagd om circulaire voorstellen uit te werken.
Inrichting terrein Het terrein rondom het gebouw wordt doorlatend uitgevoerd door toepasing van een half-open verharding ter plaatse van de parkeervakken, door toepassing van 'Achterhoeks padvast' voor de rijweg op het achterterrein en de paden en door het aanbrengen van plantvakken. De bestrating in het entreegebied wordt deels gehandhaafd, deels vervangen door half-open verharding ter plaatse van invaliden parkeerplaatsen en door plantvakken.
Bomen Bovengronds zullen een zestal nieuwe bomen worden geplant en zullen hagen met plantvakken worden aangelegd. De uitwerking van de plantvakken geschiedt op een later tijdstip in afstemming met ecologen.
Klimaatadaptatie Het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) geeft invulling aan het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van onze leefomgeving. Het thema klimaatadaptatie is onderverdeeld in vier thema's: gevolgen van overstroming, wateroverlast, hitte en droogte. De gevolgen van dit bestemmingsplan op wateroverlast en overstroming zijn in het kader van de watertoets beschouwd en vormen geen belemmering. De compensatieopgave (zie watersleutel) biedt koppelkansen voor de overige twee thema's binnen "Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
19
Mijnbouwstraat 120 Delft klimaatadaptatie. De maatregelen kunnen naast het bergen van water bijdragen aan doelstellingen voor het verminderen van hittestress-en de effecten van droogte (door infiltratie), en derhalve bijvoorbeeld ook op het gebied biodiversiteit. Concreet geldt dat onder het achterterrein een ondergrondse wateropslagbuffer wordt aangelegd, die het water van een groot deel van de daken gecontroleerd zal afvoeren naar de naastgelegen watergang. Hiertoe wordt een uitneembaar wervelventiel ingebouwd in de put tussen de afvoerdrain en het lozingspunt. Het realiseren van deze vasthoudmaatregel levert een bijdrage aan het behalen van de doelstellingen van het Deltaplan.
Mobiliteit Verder geldt dat duurzame mobiliteit één van de uitgangspunten van RHDHV is. Medewerkers worden gestimuleerd zo veel mogelijk op een duurzame manier naar de locatie te reizen. RHDHV zet daarnaast in op het vergroenen van haar leaseauto's (nul emissie). Verder onderzoekt RHDHV het terugbrengen van het aantal leaseauto's door het inzetten van (nul emissie) deelauto's. 2.2.6
Ontwikkelingen omgeving
In de omgeving van Mijnbouwstraat spelen diverse andere ontwikkelingen. Momenteel worden diverse grote openbare werken uitgevoerd zoals de herinrichting van Mijnbouwplein, Mijnbouwstraat en Poortlandplein. Herinrichting van Julianalaan-midden is in voorbereiding. Een mogelijke herinrichting van de Michiel de Ruyterweg bevindt zich nog in de studiefase. Verkeerscirculatie en het managen van de grote hoeveelheden fietsers is een belangrijk thema, hierover vindt regelmatig overleg plaats met de bewoners van de naastgelegen Zeeheldenbuurt. Het nabijgelegen Gele Scheikunde complex wordt herontwikkeld met woningen en een internationale middelbare school. Bij de planontwikkeling van de Mijnbouwstraat 120 houdt RHDHV zo veel als mogelijk rekening met deze ontwikkelingen.
20
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft, in overeenstemming met de ministers van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), Economische Zaken en Klimaat (EZK), Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), en de staatssecretarissen van IenW, VWS en Defensie, de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) op 11 september 2020 vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is.
De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet. 3.1.2
AMvB Ruimte (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt nationale ruimtelijke belangen uit onder meer de SVIR in regelgeving. Het bestemmingsplan is met dit besluit in overeenstemming. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Om die reden schrijft het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6) per 1 oktober 2012 voor, dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling bevat. Deze plicht is vervat in artikel 3.1.6 Bro. De zogenaamde 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' is bedoeld om te komen tot een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten, waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. Per 1 juli 2017 is het aantal treden van de ladder gewijzigd van drie naar in beginsel één trede. In artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening is het volgende opgenomen:
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De ladder hoeft alleen te worden doorlopen indien sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een functiewijziging in combinatie met een uitbreiding van het te bebouwen oppervlak met ca. 3.010m2 maakt dat hier sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Dit betekent dat de behoefte aan die ontwikkeling hier nader dient te worden beschreven. In paragraaf 2.2.1 "Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
21
Mijnbouwstraat 120 Delft en 2.2.2 is deze behoefte en keuze om 'Mijnbouw' te betrekken, beschreven.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
Per 1 april 2019 is de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. Richtinggevende ambities In de Omgevingsvisie zijn de volgende zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving
3.2.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland
Per 1 april 2019 is, naast de Omgevingsvisie, ook de Omgevingsverordening Zuid-Holland in werking getreden. De inhoud van de Omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de Omgevingsverordening. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is,wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging.
Kantorenbeleid De provincie Zuid-Holland wil een toonaangevende provincie zijn met een goed woon-, werk- en leefklimaat. Het huidige kantorenbeleid is gericht op het concentreren van kantoren op de juiste plek, het reduceren van plancapaciteit op kansarme plekken en het bevorderen van transformatie van leegstaande kantoren. Het verduurzamen van kantoorgebouwen tijdens hergebruik en vernieuwbouw speelt hierin ook een rol, waarbij gestreefd wordt naar een minimum energielabel C. Idealiter worden dus bestaande kantoren verduurzaamd. In de Omgevingsvisie en het Programma ruimte heeft de provincie dit uitgewerkt in een kantorenstructuur. Uitgangspunt is dat nieuwe kantoren alleen worden toegelaten: locaties met een inter(nationale) reikwijdte: grootstedelijke toplocaties / centrumlocaties; locaties met een provinciale reikwijdte: OV-knooppuntlocaties en centrum/(intercity)stationslocaties; bijzondere locaties zoals opgenomen in het Programma ruimte. Binnen de bijzondere locaties zijn kantoren toelaatbaar voor zover passend bij het profiel van deze 22
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft locaties.
Bijzondere locaties De locatie aan de Mijnbouwstraat 120 ligt strikt genomen niet binnen de aangegeven locatie op kaart 6.11 kantoren van de verordening. Er valt echter te onderbouwen dat het in dit geval om een uitzonderingslocatie in het kantorenbeleid gaat. Voor uitzonderingskantoren die geen onderdeel zijn van de reguliere kantorenmarkt zoals science locaties als BioScience Park (Leiden), Technopolis (Delft), Estec en Space Business Park (Noordwijk)) of locaties zoals Erasmus Hoboken (Rotterdam), Internationale Zone en (Oude) Waalsdorperweg (Den Haag), wordt vooral gekeken naar de groeiontwikkeling in combinatie met de specifieke bestemming/doelgroepen voor deze locaties. Ze opereren veelal op (inter)nationale schaal en passen daarmee in de top van de kantorenstructuur. Artikel 6.34 van de Verordening, de afwijkingsmogelijkheid voor maatwerk, biedt in dit geval de mogelijkheid om medewerking te verlenen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling van de desbetreffende regels. Met de gegegeven onderbouwing in dit hoofdstuk kan worden gesteld dat geen sprake is van een onevenredige afbreuk. 3.2.3
Conclusie
Wat betreft de voorgenomen planontwikkeling kan worden gesteld dat het past binnen het provinciale ruimtelijk beleid. De provincie heeft dit ook bevestigd. Het plan voldoet aan de gestelde ambitities voor de fysieke leefomgeving en levert een positieve impuls aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Het gaat om de transformatie, verduurzaming en toekomstbestendig maken van een Rijksmonument rekening houdend met de provinciale duurzaamheidsambities.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Strategie Werklocaties 2019-2030- Metropoolregio Rotterdam-Den Haag
Met het regionale kantorenbeleid wordt gestuurd op het kwalitatief versterken van bestaande voorraad en het onttrekken van incourant aanbod en plancapaciteit. Vigerend beleid daarbij vormt de Agenda Kantoren MRDH 2015-2025 en de Strategie werklocaties MRDH 2019-2030. Vanuit de regio gelden drie strategische opgaven: 1. Versterken grootstedelijke toplocaties, 2. Optimaliseren van snelweglocaties en OV-knooppunten, 3. Herbestemmen van incourante locaties.
Regionale opgave voor Delft TU Delft Campus (voorheen: TU Delft Science Park / Technopolis) staat in de regionale strategie werklocaties vermeld als bijzondere locatie die niet concurreert met andere kantorenlocaties gegeven de specifieke doelgroep die ze bedient. Strikt genomen is het perceel Mijnbouwstraat 120 volgens het Programma Ruimte geen onderdeel van de TU Delft Campus. De locatie staat hiermee echter wel in direct verband en volgens de TU Delft en de gemeente Delft is deze locatie onderdeel van de campus, net als bijvoorbeeld de naastgelegen studentenhuisvesting. Het behoort tot de kantoorlocatie die een bijzondere relatie hebben met de TU Delft Campus en een verdere versterking betekenen van de Kennisas zoals genoemd in het Programma Ruimte.
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
23
Mijnbouwstraat 120 Delft
3.3.2
Regionaal Structuurplan Haaglanden
Het Regionaal Structuurplan Haaglanden is een integraal plan voor de ruimtelijke ontwikkeling van Haaglanden tot 2020 (en soms 2030) en het kader voor het regionale beleid op het gebied van milieu, groen, mobiliteit, wonen en economie en voor lokale plannen, zoals de bestemmingsplannen. In het RSP staan de grote lijnen voor de ambities en de ontwikkelingen van verkeer, wonen, werken, water en groen. Het RSP is samengevat in tien projecten, de top 10 van het RSP. Hieruit blijkt de ambitie van de Haaglanden-gemeenten om door te groeien als een internationaal concurrerende regio, met een goed functionerend stedelijk netwerk en een hoge kwaliteit van leven. De tien prioriteiten werken door in beleid en investeringen van het Stadsgewest en de betrokken gemeenten. Het Stadsgewest streeft ernaar om de prioriteiten ook door te laten werken in beleids- en investeringsprogramma’s op grotere schaal, zoals die van de zuidvleugel, de provincie en het Rijk (het Meerjaren investeringsprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport).Het bestemmingsplan geeft mede invulling aan de regionale doelstelling van een goed functionerend stedelijk netwerk en een hoge kwaliteit van leven. 3.3.3
Conclusie overleg
Over het bestemmingsplan en de toename van het aantal vierkante meters kantoor heeft binnen de MRDH overleg plaatsgevonden. De betrokken gemeente hebben aangegeven geen bezwaren te hebben. Hiermee kan worden geconcludeerd dat over de planontwikkeling regionale afstemming heeft plaatsgevonden.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Convenant 2016-2026TU Delft en gemeente Delft
Op 1 november 2016 hebben de bestuurders van de TU Delft en de gemeente Delft het 'Convenant 2016-2026 TU Delft en gemeente Delft' ondertekend voor de verdere ontwikkeling van campus en stad. Het doel van de samenwerking is het vormen van een sterke combinatie van stad en universiteit die internationaal concurrerend is. Het convenant is uitgewerkt in drie thema's: Stad als campus, campus als stad Ecosysteem voor kennis en economie Universitaire gemeenschap, stad en inwoners De komst van RHDHV als groot kennisintensief bedrijf past bij het bouwen van een Delfts 'ecosysteem van kennis en economie'. 3.4.2
Omgevingsvisie Delft 2040 'Samen maken we de stad'
Op 15 juli 2021 heeft de raad de Omgevingsvisie Delft 2040 vastgesteld. In deze visie staat wat voor stad Delft in de toekomst wil zijn. De gemeente geeft in deze visie de gewenste ontwikkeling weer van de leefomgeving binnen de gemeente. Dit is de omgeving waarin de Delftenaar woont, werkt en zijn/haar vrije tijd doorbrengt. De omgevingsvisie is de eerste stap van de invoering van de Omgevingswet in Delft. De omgevingsvisie Delft 2040 vervangt de Stadsvisie en de Ruimtelijke Structuurvisie Delft 2030. De kwaliteiten die van Delft een aantrekkelijke stad maken, worden behouden door ze verder te verrijken en te versterken. De Delftse kernwaarden zijn: historie, technologie, innovatie, creativiteit en de verbonden stad. Het Delftse erfgoed (oud en nieuw) speelt een grote rol in de aantrekkelijkheid, identiteit en het vestigingsklimaat van de stad. Samengevat gaat de Omgevingsvisie uit van het volgende: Delft zet tot 2040 in op het toevoegen van 15.000 woningen. Delft voorziet tot 2040 in een groei van 10.000 banen. Delft maakt gebruik van de substantiële kansen van kennisintensieve bedrijven en van een kennisgedreven en ambachtelijke ‘maakindustrie’. Deze nieuwe maakindustrie biedt arbeidskansen voor een brede doelgroep in Delft en de regio.
Het feit dat in Delft technisch onderwijs op mbo, hbo en academisch niveau aanwezig is maakt Delft uniek en versterkt de kansen van het Delftse bedrijfsleven. Delft koestert de huidige bedrijven, 24
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft kleinschalige economie en biedt waar mogelijk groeiruimte aan bestaande bedrijvigheid. De TU is en blijft een belangrijke partner en is in 2040 zowel sociaal als fysiek beter met de stad verbonden. Delft is in 2040 hard op weg om in 2050 energieneutraal en klimaatbestendig te kunnen zijn. Om daar te komen, zet Delft in op energiebesparing, een warmtenet en zonneenergie. Delft zet in op een mobiliteitstransitie. Het mobiliteitssysteem gaat veranderen, zodat Delft de komende decennia bereikbaar, leefbaar en verkeersveilig blijft. De ruimte voor de infrastructuur in de stad wordt beter benut door voorrang te geven aan ruimte-efficiënte, schone, slimme en veilige mobiliteit. De fysieke leefomgeving moet bijdragen aan de gezondheid van iedere Delftenaar. Delft dringt negatieve milieueffecten terug en richten zich op een gezond ingerichte leefomgeving. Het buitengebied is altijd goed bereikbaar. In 2040 is de buitenruimte in en om de stad voor mens, plant en dier op minimaal hetzelfde kwaliteitsniveau als nu. In 2040 bestaat het begrip ‘afval’ niet meer. Delft functioneert dan als een circulair systeem voor grondstoffen.
Om de positie van de historische en culturele stad te versterken, investeert Delft in kwalitatieve cultuurvoorzieningen, attracties, evenementen, een verantwoorde ontwikkeling van toerisme en in het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte. Delft koestert zijn erfgoed en zet ook bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen in op het doorvertalen van de rijke historie van Delft. Erfgoed in Delft is bekend en ‘beleefbaar’, waar je ook bent in de stad. Ter versterking van de wijkeconomie en het borgen van de duurzame vitaliteit van wijken wordt bij nieuwe gebiedsontwikkelopgaven ten minste 10% van het te realiseren aanbod in de wijk bestemd voor werk en maatschappelijke voorzieningen. Delft streeft naar een vitale mix van wonen en werken, zowel in de wijken als in de werkgebieden. Hierdoor kan er een klimaat ontstaan van dynamische stedelijke gemengde gebieden. Delft heeft in 2040 hoogwaardige, passende en toegankelijke voorzieningen die nodig zijn voor zorg, welzijn, cultuur, onderwijs en sport. Delft streeft naar een goede spreiding van voorzieningen en clustert waar mogelijk. Prettig samen leven vindt Delft belangrijk. In 2040 is Delft een stad waar iedereen ertoe doet, meedoet, elkaar kan ontmoeten en de kans krijgt zich te ontwikkelen. De te realiseren openbare ruimte en voorzieningen draagt hieraan bij. In Delft is ook ruimte een schaars goed.
Keuzes die worden gemaakt, moeten altijd bijdragen aan de versterking van meerdere kwaliteiten van de stad en het gebied De komst van RHDHV past binnen de Omgevingsvisie en hetgeen de gemeente in de toekomst wil. De vestiging van RHDHV aan de Mijnbouwstraat levert een bijdrage aan het versterken van de kennisgedreven en ambachtelijke ‘maakindustrie’. Daarnaast levert het transformeren van het bestaande gebouw een bijdrage aan het energieneutraal en klimaatbestendig maken van de gemeente. 3.4.3
Ruimtelijke economische visie Delft 2030
De lokale beleidslijn ten aanzien van kantoren ligt besloten in de ruimtelijk economische visie Delft 2030. Deze beleidslijn ligt in verlengde van regionaal/provinciaal beleid. De inzet hierbij ligt op vernieuwing en verduurzaming van de lokale kantorenvoorraad. Substantiële nieuwe kantoorontwikkelingen (1000 m2+) worden hoofdzakelijk geconcentreerd rondom de stationsgebieden (primair Nieuw Delft, secundair station Delft Campus). De TU Delft Campus heeft hierbij een status aparte, zowel op lokaal als op regionaal niveau omdat het een specifiek science-park label heeft, een hele specifieke doelgroep bedient en daarmee buiten de voorraadramingen en sturingsmaatregelen valt. 3.4.4
Nota Delft energieneutraal 2050
Bij nieuwbouw of herontwikkelingen gelden de doelstellingen uit het Delftse klimaatbeleid. De basis hiervoor is de nota Delft Energieneutraal 2050. Uitgangspunt is dat voor een nieuwe woon- of bedrijfsbestemming de ambitie voorligt om een scherpere energieprestatie te realiseren dan de landelijke normen. Hiervoor hanteert Delft de Trias energetica: 1. het verminderen van de vraag door energiebesparing bij eindgebruikers; 2. het toepassen van duurzame bronnen; 3. het (verder) optimaliseren van de toepassing van fossiele bronnen naar energie-efficiency en betrouwbaarheid. "Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
25
Mijnbouwstraat 120 Delft
Het gemeentelijk duurzaam bouwen beleid geeft op gebouwniveau ambities voor verantwoord materiaalgebruik, waterbesparing, gezondheid en flexibel ruimtegebruik. De duurzaamheidsambitie van een gebouw worden volgens de GPR (Gemeentelijke Praktijk Richtlijn) methodiek uitgedrukt. Dit is een prestatiegerichte werkwijze, waarmee de markt wordt vrijgelaten om zelf invulling te geven aan duurzaamheid van een gebouw zolang maar aan de doelstellingen wordt voldaan. De gemeentelijke GPR ambities worden periodiek aangescherpt als gevolg van landelijke ontwikkelingen en aanscherping van wet- en regelgeving en de doelstellingen per ruimtelijke ontwikkeling worden in een anterieure overeenkomst vastgelegd. 3.4.5
Bomenverordening Delft 2013
De Bomenverordening is het toetsingskader voor aanvragen om een kapvergunning. Ingevolge artikel 7 van deze verordening kunnen burgemeester en wethouders de gevraagde omgevingsvergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van: a. natuur- en milieuwaarden; b. landschappelijke waarden; c. cultuurhistorische waarden; d. waarden van stads- en dorpsschoon; e. waarden van recreatie en leefbaarheid; f. de beeldbepalende waarden van de boom Uit de toelichting op dit artikel blijkt dat bij de beoordeling van de aanvraag hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van beleidsregels. Daarmee is bedoeld de 'Beleidsregels voor de beoordeling van kapaanvragen, behorend bij bomenverordening Delft 2013'. De beleidsregels bevatten richtlijnen voor een puntensysteem en een afwegingstabel voor de verlening of weigering van de aanvraag. In de aanvraag voor de kap van de (monumentale) bomen wordt getoetst aan deze beleidsregels. 3.4.6
Kadernota 2021
De gemeente moet maatregelen nemen om financiële tekorten te voorkomen. Het college wil de beperkte middelen gebruiken voor uitgaven die noodzakelijk zijn, waar Delftenaren het meest aan hebben en waar het bijdraagt aan herstel en verbetering van de stad. Om de uitgaven te beperken, past het college ambities aan en kiest het ervoor om opgaven minimaal uit te voeren. De gemeente houdt echter oog voor de toekomst, ook in de huidige onzekere tijden. Het rapport ‘Delft, Parel in de Randstad’ en de Agenda Delft 2040, die een vertaling hebben gekregen in het bestuursprogramma, geven hierbij richting. Daarnaast zal de gemeente het komende jaar aandacht besteden aan het verder concretiseren van haar visie in een stedelijk programma, zodat de gemeente nog beter kan prioriteren en kiezen. In deze lijn de heeft de gemeente de visie en de opgaven voor de lange termijn beschreven in de Programmabegroting 2021-2024. Die visie blijft de gemeente volgen, echter vertraagd. Delft is een prachtige stad. De historie, het innovatieve karakter en de aanwezigheid van de Technische Universiteit bieden kansen, voor zowel de stad als de regio, de provincie en het Rijk. De gemeente investeert in het versterken van samenwerking met betrokken partijen om de kansen die de stad Delft biedt voor de toekomst van de regio gezamenlijk te verzilveren.
Daarnaast houdt de gemeente vast aan de ruimtelijk-economische visie. Daarin streeft de gemeente naar 10.000 extra banen in 2040, waarbij meer ruimte voor de (innovatieve) maakindustrie cruciaal blijft. De komst van RHDHV past binnen genoemde opgaven. De aanwezigheid van de Technische Universiteit is namelijk een belangrijke reden om zich in Delft te vestigen.
26
"Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
Mijnbouwstraat 120 Delft
3.4.7
Visie openbare ruimte Delft 2009
De Visie Openbare Ruimte is een uitwerking van de Ruimtelijke Structuurvisie Delft (RSD) en volgt de thema's (verbonden, duurzaam en dynamisch) die ook de RSVD als leidraad heeft. De nota geeft een samenhangende visie op de verschillende sectorale ambities op het gebied van openbare ruimte en legt het verband tussen deze ambities en de kenmerken van onderdelen van de stad. De visie benoemt opgaven en ambities en vormt de onderlegger en het toetsingskader voor projecten, programma's en toekomstig beleid in de openbare ruimte. Het beoogde effect van de Visie Openbare Ruimte is het verbeteren van de openbare ruimte van de stad qua gebruik, ontwerp, inrichting en beheer. 3.4.8
Nota Parkeernormen 2018
In de Nota Parkeernormen 2018 zijn beleidsregels opgenomen om te kunnen beoordelen of er sprake is van voldoende parkeerplaatsen bij nieuwe ontwikkelingen en herontwikkelingen. Initiatiefnemers dienen aan te tonen dat voldaan wordt aan de parkeereisen conform de Nota Parkeernormen 2018. De Nota Parkeernormen 2018 bevat ook oplossingsrichtingen voor maatwerk en mogelijkheden voor afwijken van de parkeernormen. Onderhavige planontwikkeling is getoetst aan deze Nota. Paragraaf 4.3 gaat hierop nader in. 3.4.9
Beleidsregels parkeren Campus TU Delft 2018
In aanvulling op de Nota Parkeernormen 2018 die voor de gehele gemeente geldt, heeft het college in 2018 de 'Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft houdende regels omtrent parkeren Campus TU Beleidsregels Parkeren Campus TU Delft 2018' vastgesteld. De Parkeervisie vervangt de parkeervisie uit 2016 als toetsingskader voor bouwaanvragen op de TU campus ten aanzien van parkeren. De Parkeervisie Campus TU Delft 2018 is daarnaast, in tegenstelling tot de parkeervisie uit 2016, een integraal document. Het heeft niet alleen betrekking op het parkeervraagstuk van TU-gerelateerde functies, maar bevat ook het parkeerbeleid ten aanzien van alle overige functies die in de Nota Parkeernormen 2018 zijn opgenomen. Zodoende is de parkeervisie ook van toepassing op functies die op de campus worden ontwikkeld in het kader van bijvoorbeeld de verlevendiging van de campus, maar niet specifiek TU- of onderwijsgerelateerd zijn. Ook deze functies moeten dan voldoen aan de parkeernormen, de restcapaciteit en het voorkomen van overlast voor de omgeving. 3.4.10 Mobiliteitsprogramma Delft 2040 (MPD) Het gemeentelijke verkeers- en vervoersbeleid is vastgelegd in het MPD. Dit mobiliteitsprogramma is vastgesteld in 2021.
Het mobiliteitsbeleid zet in op een mobiliteitstransitie: de gemeente wil het mobiliteitssysteem veranderen, zodat Delft de komende decennia bereikbaar, leefbaar en verkeersveilig blijft, terwijl de stad op een gezonde manier kan doorgroeien. Belangrijke pijlers van het mobiliteitsbeleid zijn: 1. Ruimte geven door ruimte te maken: a. Meer verblijfsruimte (zoals pleinen en groen) en minder ruimte voor verplaatsen; b. Meer ruimte voor de voetganger en de fiets; c. Ruimte maken door minder autoritten; d. Ruimte maken door minder autoparkeren. 2. Meer schone en actieve/gezonde verplaatsingen in de vorm van lopen of fietsen. 3. Verkeersnetwerken en hun onderlinge samenhang aanpassen, zodat lopen aantrekkelijker wordt en de fiets en het openbaar vervoer in snelheid, gemak en veiligheid een meer aantrekkelijk alternatief worden voor de auto. 4. Openbare ruimte verbeteren. 5. Innovatieve vormen van vervoer stimuleren die bijdragen aan de doelstellingen van het mobiliteitsprogramma, zoals deelmobiliteit en nieuwe vervoermiddelen. "Mijnbouwstraat 120 Delft" (vastgesteld)
27
Mijnbouwstraat 120 Delft 6. Tegengaan van 'vervoersarmoede'. 7. Verbeteren van de verkeersveiligheid. De voorgenomen planontwikkeling past binnen dit beleid. Er komt een beperkte hoeveelheid parkeerplaatsen bij en er wordt ingezet op duurzame mobiliteit. 3.4.11 Nota duurzaam bodembeheer gemeente Delft 2018 Op basis van historische informatie en in het verleden uitgevoerde bodemonderzoeken is voor het gehele grondgebied van Delft volgens het Besluit bodemkwaliteit een bodemkwaliteitskaart opgesteld. De bodemkwaliteitskaart maakt deel uit van de Nota duurzaam bodembeheer gemeente Delft 2018. In de nota is berekend wat de gemiddelde bodemkwaliteit van de trajecten 0-0,5 m-maaiveld en 0,5-2,0 m-maaiveld in een bepaald gebied is. Ook is in de nota opgenomen welke bodemfunctie een gebied heeft en aan welke kwaliteitsnormen de toe te passen grond moet voldoen. De specifieke bodemkwaliteit in het plangebied is opgenomen in hoofdstuk 5. 3.4.12 Duurzaamheidsstrategie Delft 2040 "Bouwen aan een Duurzaam Delft" Met deze strategie schetst de gemeente Delft de randvoorwaarden voor een duurzaam en toekomstbestendig Delft. Met het oog op de opgaven die liggen in de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving richt deze strategie zich op de ruimtelijke ontwikkelingen.
Dit gebeurt aan de hand van de vier pijlers: Groen, blauw & gezond Circulaire economie Klimaatadaptief Delft energieneutraal Om duurzaamheid te borgen in de ontwikkeling van de stad pakt de gemeente haar rol. Dat doet de gemeente waar ze aan zet is of met behulp van de instrumenten die de gemeente tot haar beschikking heeft. De gemeente richt zich op de voorbereiding van de Omgevingsvisie, waar duurzaamheid een belangrijke status heeft. Daarnaast kijkt de gemeent ook hoe ze duurzaamheid nog beter in de praktijk kunnen brengen, door het beter borgen in gemeentelijke processen, bijvoorbeeld door de uitwerking van gebiedsgerichte kansen kaarten voor de prioritaire gebiedsopgaven, het optimaliseren van het proces openbare ruimte en de inventarisatie van financieringsmogelijkheden. Uiteindelijk leidt dit ertoe dat duurzaamheid gaat gelden als essentieel criterium bij de ontwikkeling van de stad. 3.4.13 Klimaatadaptatiestrategie Delft heeft zich met de ondertekening van de intentieverklaring ruimtelijke adaptatie in 2014 verbonden aan twee landelijke doelstellingen. De eerste is dat de gemeente Delft klimaatadaptief handelen in het beleid en de werkwijze van de organisatie verankert en de tweede is dat de stad uiterlijk in 2050 klimaatbestendig is ingericht.