Bestemmingsplan Herziening De Hoven Blok 6
Tekst van het document
met een veerkrachtig systeem met maximale sponswerking, wil Delft water zoveel mogelijk vasthouden; 2. hittestress mag niet toenemen; 3. de aanpak moet gebeuren in samenwerking met bewoners en bedrijven, want meer dan 50% van de grond is privébezit; 4. voor maatregelen is maatwerk nodig, want ze hangen af van lokale kenmerken; 5. klimaatadaptieve maatregelen bieden ook kansen om de leefomgeving te verbeteren. De strategie bestaat uit een probleemanalyse, een risicoanalyse, een verkenning van oplossingsrichtingen en een agendaklimaatadaptatie. De agenda is een uitvoeringsprogramma om in de komende jaren met Delftse inwoners, bedrijven en organisaties samen uit te voeren. In pagragraaf 3.5.8.6 en 4.1 zijn de beleidsregels voor klimaatadaptief bouwen verder toegelicht. 3.5.8.5 Energiesysteem op projectniveau In het plan wordt aandacht besteed aan de uitwerking van de energiesystemen op basis van het beleid in Delft. De uitwerking hiervan krijgt concreet vorm in de aanvraag omgevingsvergunning.
Energiesystemen Voor de beoogde ontwikkeling worden de volgende randvoorwaarden gehanteerd met betrekking tot energie: geen aansluiting op aardgas; voldoende comfort, naast verwarming ook aandacht voor koeling (minimaal voldoende spuimogelijkheid in woning); geen airco, luchtwarmtepomp of vergelijkbare systeem in verband met geluid, warmte en hoog energiegebruik; voor de gehele ontwikkeling (woningbouw en overige functies) geldt een GPR Gebouw Score van minimaal 8 (met uitzonderin van het onderdeel milieu waarvoor een score van minimaal 7 volstaat). Aan deze randvoorwaarden dient de beoogde bouw op deze locatie te voldoen. Afvalsystemen Aan het afvalsysteem van de nieuwbouw zijn randvoorwaarden gesteld. Bij gestapelde bouw dient de inpassing van ruimte voor huishoudelijk afval 0,75% van het totale gebruiksoppervlakte te bedragen, met een minimum van 1,6 m2. Daarnaast dient onderzocht te worden waar rolcontainers worden aangeboden ter lediging. De bedrijven in het gebouw dienen een eigen opslagvoorziening voor afval te realiseren op eigen terrein, waarbij het bedrijfsafval en huishoudelijke afval fysiek gescheiden moeten blijven.
bestemmingsplan "Herziening De Hoven Blok 6" (vastgesteld) 27
bestemmingsplan Herziening De Hoven Blok 6 Toetsing en conclusie Tussen gemeente en ontwikkelaar zijn afspraken gemaakt over de afstemming tussen het plan en het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaam ontwikkelen. Deze afspraken worden nader geconcretiseerd bij de omgevingsvergunning / uitvoering van het project. 3.5.8.6 Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen Om een gezonde, toekomst-bestendige leefomgeving voor mens, plant en dier te creëren en te behouden, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen in ontwikkeling van de stad. Door natuurinclusieve maatregelen mee te nemen in (gebieds)ontwikkelingen kan de stad zich gezond ontwikkelen en draagt elk project bij aan de biodiversiteit in de stad, een prettig woonmilieu en een gezond functioneel stedelijk ecosysteem. Door de verdere stedelijke verdichting en de sterke landelijke afname van biodiversiteit is deze opgave extra actueel. Door te zorgen voor een samenhangend ecosysteem wordt ook overlast door eventuele plaaginsecten verminderd. Voor natuurinclusief bouwen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Klimaatadaptatieve en natuurinclusieve maatregelen Een toekomst-bestendige stad is ook een klimaatadaptieve stad. Natuurinclusieve maatregelen zoals vergroening en watergerichte maatregelen dragen ook bij aan het klimaatadaptief maken van de stad.
Het toevoegen van beplanting op en aan gebouwen, op binnenterreinen en in de openbare ruimte draagt, naast positieve effecten voor biodiversiteit, ook bij aan bijvoorbeeld het vasthouden van water en het verminderen van wateroverlast of hittestress. Hiermee wordt ook invulling gegeven aan de uitgangspunten van het convenant Klimaatadaptief bouwen dat de gemeente, samen met partners heeft ondertekend. In pagragraaf 4.1 zijn de beleidsregels voor klimaatadaptief bouwen verder toegelicht. Borging van de natuurinclusieve maatregelen Tot nu toe werd natuurinclusief bouwen op projectniveau geregeld met behulp van een kavelpaspoort of anterieure overeenkomst. Om groen en natuur inclusief bouwen structureel te verankeren is een puntensysteem opgesteld (en vastgesteld als beleidsregel). Daarbij wordt tegelijkertijd een relatie gelegd tussen natuur inclusieve- en klimaatadaptieve maatregelen om dit proces te bevorderen voor bouwprojecten. De toe te passen natuurinclusieve maatregelpakketten worden per project uitgewerkt en de realisatie en instandhouding hiervan wordt geborgd in de planregels van het bestemmingsplan. Bij de omgevingsvergunning voor bouwen wordt getoetst aan de in het bestemmingsplan vastgelegde maatregelpakketten.
3.6
Conclusie
De beoogde ontwikkeling past binnen de ruimtelijke beleidskaders. Wel dienen een aantal beleidsaspecten nader uitgewerkt te worden. Dit betreffen de maatregelen voor klimaatadaptief bouwen (zie paragraaf 4.1 van toelichting bestemmingsplan), maatregelen voor natuurinclusief bouwen (zie regels van bestemmingplan artikel 3.3 en 3.4) en maatregelen voor parkeren (zie paragraaf 4.5 van toelichting bestemmingsplan).
bestemmingsplan "Herziening De Hoven Blok 6" (vastgesteld) 28
bestemmingsplan Herziening De Hoven Blok 6
Hoofdstuk 4 4.1
Water
4.1.1
Inleiding
Omgevingsaspecten en onderzoeken
Sinds 2003 is het doorlopen van de watertoets wettelijk verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg met de initiatiefnemer en de waterbeheerder, aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. 4.1.2
Wateraspecten
Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft op 10 november 2022 op verzoek van de gemeente Delft een reactie gegeven op het concept van het ontwerpbestemmingsplan ‘Herziening In de Hoven Blok 6’. Hierin zijn de volgende adviezen opgenomen: 1. grondwater: Delfland adviseert een drooglegging van 1,2 m, met een minimum van 1 m. In het plan wordt bovendien aangegeven, dat een grondwaterstijging van 25-50 cm kan optreden. Het hoogheemraadschap raadt aan voor voldoende drooglegging te zorgen; 2. waterberging: a. vanwege het belang voor de waterhuishouding hanteert het hoogheemraadschap richtlijnen bij de beoordeling van vasthoudmaatregelen ter compensatie van verharding. Deze zijn te vinden op https://www.hhdelfland.nl/over-ons/beleid/beleid/. Het hoogheemraadschap verzoekt om in de waterparagraaf uit te werken op welke manier de wateropgave ingevuld wordt en aan te tonen dat aan de richtlijn voor vasthoudmaatregelen voldaan wordt. Daarbij is het belangrijk, dat de gekozen maatregel goed functioneert, past binnen het gebied en ook op de lange termijn betrouwbaar is. De eigenaar van het perceel is immers zelf volledig verantwoordelijk voor de aanleg, het functioneren en het in standhouden van de voorziening; b.
het Hoogheemraadschap vraagt aan te geven hoe groot de klimaatopgave is die vanuit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen en de beleidsregel Klimaatadaptief Bouwen van de gemeente ontstaat. Daarnaast vraag het hoogheemraadschap om het uitwerken van de consequenties die op kunnen treden als invulling wordt gegeven aan de invulling van de klimaatopgave. De gemeente Delft heeft voor nieuwe ontwikkelingen een Klimaatadaptatiestrategie met richtlijnen vastgesteld. Hierin staan onder andere maatregelen die toegepast kunnen worden om water vast te houden op daken, op gevels, in de straat, onder woningen en in tuinen. Ook is een toetsing van mogelijke wateroverlast uitgevoerd. 4.1.3
Beoordeling
In deze subparagraaf is voor ieder wateraspect aangegeven wat dit kan betekenen voor de voorliggende ontwikkeling. Voor de inpassing van de maatregelen zijn oplossingsrichtingen aangegeven voor de nadere uitwerking bij de aanvraag van de water- en/of omgevingsvergunning. Watersleutel Ten behoeve van het voornemen is met behulp van de watersleutel van het Hoogheemraadschap van Delfland een watertoets opgesteld. De ingevulde watersleutel is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. Deze partiële herziening maakt ten opzichte van het vigerend bestemmingsplan 209 m² extra verharding mogelijk: het plangebied is in de huidige situatie grotendeels verhard, waarbij alleen de groenstroken op het parkeerterrein langs de Troelstralaan in de huidige situatie nog onverhard zijn (zie figuur 4.1.2). In de toekomst worden deze gronden bebouwd, waardoor na uitvoering van het initiatief het volledige plangebied verhard is. Het plangebied ligt op een binnenstedelijke locatie.
bestemmingsplan "Herziening De Hoven Blok 6" (vastgesteld) 29
bestemmingsplan Herziening De Hoven Blok 6
Figuur 4.1.2 . Verhard plangebied inclusief groenstroken (groene kaders) Op basis van de watersleutel geldt voor het plangebied de opgave om 32 m3 water te bergen. Omdat het plangebied in de huidige situatie bijna volledig verhard is, is er fysiek geen ruimte voor oppervlaktewater in het plangebied. Beleidsregel Klimaatadaptief Bouwen Conform het Convenant Klimaatadaptief Bouwen Zuid-Holland (CKB), dat ondertekend is door de gemeente Delft en het Hoogheemraadschap van Delfland, worden bouwontwikkelingen zo veel mogelijk klimaatadaptief uitgevoerd en ingericht met als doel dat er minder wateroverlast optreedt, meer biodiversiteit ontstaat, minder hittestress optreedt, minder droogte ontstaat en minder bodemdaling ontstaat. Voor dit plan houdt dat in dat zoveel mogelijk water lokaal wordt vastgehouden en vertraagd wordt afgevoerd of hergebruikt. Dit convenant is door gemeente Delft verder geconcretiseerd in de 'Beleidsregel Klimaatadaptief Bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkeling en herstructurering' (vastgesteld op 6 oktober 2022): Extreme neerslag Gebiedsniveau: Bij een korte hevige bui van 90 mm in 1 uur treedt geen schade aan gebouwen en infrastructuur en de belangrijkste hoofdwegen (nood- en hulpdiensten) blijven begaanbaar voor noodhulp (maximaal 10 cm water op deze infrastructuur).
Infrastructuur (waaronder belangrijke hoofdwegen) is geen onderdeel van het plangebied van deze partiële herziening daar de Troelstralaan één van de grenzen van het plangebied is en deze weg zelf buiten het plangebied ligt. Dat maakt de eisen ten aanzien van infrastructuur / gebouw in dit geval niet relevant. De eisen voor gebouwen zijn wel relevant voor deze partiële herziening. Een korte hevige bui van 70 mm < 1 uur moet binnen het plangebied tijdelijk kunnen worden opgevangen. Deze bergingscapaciteit is na minimaal 24 uur en maximaal 48 uur weer beschikbaar. Op gebiedsniveau wordt zoveel mogelijk regenwater opgevangen op de plaats waar de regen valt en daar vastgehouden, (her)gebruikt en/of geïnfiltreerd. Het betreft 90% van de jaarlijkse neerslag (900 mm). Het overschot mag via het watersysteem worden afgevoerd. Zorg voor maatregelen voor waterveilige hoofdinfrastructuur en andere nutsvoorzieningen, zoals waterleidingen, elektriciteit etc. Bij water op straat < 0,2 m mag geen schade ontstaan aan gebouwen en nutsvoorzieningen. De tijdelijke (piek)berging wordt in elk domein opgelost, dus zowel in de openbare ruimte als op een eigen terrein. Het is mogelijk om in overleg met gemeente en HHD deze piekberging in de openbare ruimte op te lossen. De kosten die dat met zich brengt maken onderdeel uit van de ontwikkeling.
Perceelniveau: Op het niveau van het perceel wordt een volledige afkoppeling van het hemelwaterriool geëist. Hemelwater wordt volledig op eigen terrein wordt verwerkt tot 70 mm in één uur. Valt er meer regen dan 70 mm in één uur, dan mag dit naar het openbaar gebied worden afgevoerd. bestemmingsplan "Herziening De Hoven Blok 6" (vastgesteld) 30
bestemmingsplan Herziening De Hoven Blok 6 Het afgekoppelde regenwater wordt op het perceel voor 90% van het jaarvolume van 900 mm (dus 800 liter/m²) geïnfiltreerd en/of hergebruikt. NB: 90% van de jaarlijkse neerslag valt in kleine buien. Droogte Langdurige droogte leidt niet tot structurele schade aan bebouwing, funderingen, wegen, groen, water en vitale of kwetsbare functies. De inrichting van het plangebied wordt afgestemd op de verwachte grondwaterstanden in de winter en de zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte. Het principe van de “stad als spons” uit de strategie is leidend, zodat voldoende water wordt vastgehouden en geborgen om alle benodigde (groene) functies in het gebied ook in een droge zomerperiode van 2 maanden niet te laten verdorren. Regenwater wordt daarom zoveel mogelijk op de plaats waar de regen valt vastgehouden en beschikbaar gemaakt voor het aanwezige groen. Groen heeft immers een belangrijke functie bij het reguleren van de warmte in de stad en natuurlijk voor een aantrekkelijk leefmilieu voor mens, plant en dier. Ook bodemdaling als gevolg van droogte wordt voorkomen en de aantasting van bestaande gebouwen en kunstwerken met een kwetsbare fundering. Bij het ontwerp van voorzieningen geldt de trits vasthouden/infiltreren, bergen, accepteren/adapteren.
In de huidige situatie wordt het hemelwater dat op het parkeerterrein valt direct afgevoerd naar het hemelwaterriool en/of oppervlaktewater. Vanuit de beleidsregel gelden de volgende eisen op perceelniveau: in principe wordt op perceelniveau 90% van de jaarlijkse neerslag van 900 mm (dus 800 liter/m²)) geïnfiltreerd, het percentage is afhankelijk van de bodemopbouw en bebouwingspercentage; op perceel- c.q. gebouwniveau wordt 200 liter water per m² groen, welke geen toegang heeft tot het grondwater, in een bergingsmaatregel vastgehouden. Dit is in principe voldoende voorraad voor 2 droge warme maanden; de oplossing van de watervoorziening van het groen is zodanig dat er geen gebruik nodig is van drinkwater. Door hemelwater op het gebouw of in bergingskratten op te vangen en vertraagd af te voeren, draagt het plan bij aan het tegengaan van droogte. Hitte Tijdens hitte moet de gebouwde omgeving een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden. In de klimaatadaptatiestrategie is de ambitie opgenomen dat “Delft niet warmer wordt dan in 2018”. Uiteraard vindt de mondiale opwarming ook plaats in Delft, maar het streven is de toename van hitte in de stad zoveel mogelijk te beperken.
Het gaat daarbij zowel om een aanvaardbare nachttemperatuur in gebouwen (uitgedrukt in aantal tropische nachten met een temperatuur = 20°C) als in de openbare ruimte (uitgedrukt in gevoelstemperatuur PET; de fysiologisch equivalente temperatuur). Perceelniveau: Op een perceel wordt intensief groen gerealiseerd met een omvang van ten minste 50% van het oppervlak van dat perceel; (dak)tuinen en/of groene gevels tellen mee voor het totale groenoppervlak. Voor daktuinen en dergelijke (waarbij het groen geen toegang heeft tot het grondwater) wordt 200 liter water per m² groen vastgehouden. Dit is in theorie voldoende voorraad voor 2 droge warme maanden. Het groen heeft daarmee een ook meerwaarde voor biodiversiteit. Voor groen op volle grond is door de eis van infiltratie van regenwater en afkoppelen van verharde oppervlakten geborgd, dat voldoende water op het perceel wordt vastgehouden. Van alle gevelvlakken wordt tenminste 40% warmtewerend uitgevoerd, groene oppervlakten vallen hier eveneens onder. Koelsystemen van gebouwen leiden niet tot opwarming van de omliggende stad/omgeving. Door bijvoorbeeld passieve systemen of warmte-koudeopslag in de bodem kan deze opwarming voorkomen worden. Gebruik daarom geen airco’s, luchtwarmtepompen en vergelijkbare systemen, die in de zomer juist warmte aan de buitenlucht afgeven.
De bovengenoemde eisen wordt in acht genomen bij verder ontwerp van het gebouw.
bestemmingsplan "Herziening De Hoven Blok 6" (vastgesteld) 31
bestemmingsplan Herziening De Hoven Blok 6 Waterberging Om de randvoorwaarden met betrekking tot klimaatadaptatie te behalen, wordt tijdens de verdere planvorming van Blok 6 gezocht naar manieren om met slimme toepassingen de waterberging mogelijk te maken in het plangebied. Denk bijvoorbeeld aan daken uitvoeren als groen dak ten behoeve van de vertraagde afvoer van hemelwater of (extra) waterberging in delen van parkeerkelders/tussen bouwlagen. De compensatieopgave kan op twee manieren worden berekend: 1. de bergingsopgave vanuit de watersleutel bedraagt 32 m³, inclusief klimaattoeslag, gerekend over de toename aan verhard oppervlak van 209 m² (zie ook bijlage 1); 2. de bergingsopgave vanuit de beleidsregel bedraagt 70 mm x 1.400 m² (oppervlak plangebied), oftewel 98 m³. Voor de waterbergingsopgave geldt dat de opgave die op basis van de beleidsregel bepaald is de grootste is. De ambitie is om aan de compensatieopgave (98 m3) van de beleidsregel te voldoen. Deze compensatieplicht is dan ook vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan als een voorwaardelijke verplichting. De compensatieopgave kan in theorie op verschillende manieren ingevuld worden. Onderstaande opsomming benoemt die (theoretische) opties en beschrijft waar hun toepassing in het plangebied van deze partiële herziening wel/niet kansrijk is.
De opties worden beschreven conform de volgorde van de richtlijn voor vasthoudmaatregelen: open water graven in plangebied is niet mogelijk; open water in hetzelfde peilgebied lijkt gezien de grote bebouwingsdichtheid moeilijk te realiseren. In overleg met het hoogheemraadschap en de gemeente Delft moet bepaald worden of hier mogelijkheden voor zijn. Mogelijk is er in een lager gelegen peilgebied in Voorhof of Tanthof ruimte; open water in een lager gelegen peilgebied lijkt gezien de grote bebouwingsdichtheid moeilijk te realiseren. In overleg met het hoogheemraadschap en de gemeente Delft moet bepaald worden of hier mogelijkheden voor zijn; vasthoudmaatregelen: 1. dak: Een deel van het dak van het nieuw te bouwen Blok 6 (de woontoren die mogelijk wordt gemaakt met dit bestemmingsplan) als groen dak of waterdak inrichten. Door het nieuwe gebouw te voorzien van een zogenoemd polderdak of waterdak is het mogelijk om de opgave op het gebouw te bergen. Dit vereist echter wel een zwaardere constructie en is niet altijd te combineren met andere ruimteclaims, zoals zonnepanelen. Om een bui van 70 mm in een uur op te vangen zijn daarom mogelijk aanvullende maatregelen nodig buiten het plangebied; 2.
onder de Troelstralaan (met name ter plaatse van de huidige parkeerplaatsen en stoep) kunnen bergingskratten aangebracht worden, die vertraagd afwateren op het oppervlaktewater of hemelwaterriool. De grondwaterstand (GMW37E119948) in dit gebied is tussen NAP -0,75 m en NAP -1,70 m (2015-2020), waarbij het gemiddelde NAP -1,45 m is. Het maaiveld ligt ongeveer op NAP -0,5 m. In de winterperiode is de berging al gevuld i.v.m. hoge grondwaterstanden. Voor deze invulling is nadere afstemming met de gemeente Delft nodig omdat de gronden niet in eigendom zijn van de ontwikkelaar; 3. bergingsvoorziening onder bebouwing. De bebouwing krijgt geen parkeerkelder. Onderzocht moet worden of onder het gebouw een bergingsvoorziening mogelijk is. De opgave kan technisch worden opgelost door één of meerdere van de bovengenoemde maatregelen te kiezen. In de verdere uitwerking en in nader overleg tussen gemeente, hoogheemraadschap en ontwikkelaar moet de exacte uitwerking van de waterberging ingevuld worden. Waterveiligheid In of nabij het plangebied liggen geen waterkeringen. In het plangebied wordt hoge bebouwing gecreëerd die bij een eventuele overstroming als gevolg van een dijkdoorbraak te allen tijde een veilige locatie blijft. Waterkwaliteit De voorgenomen ontwikkeling vraagt niet om en leidt niet tot activiteiten die een verhoogd risico op grondwatervervuiling met zich brengen.
In het plangebied is ook geen oppervlaktewater aanwezig. Er wordt enkel gebruik gemaakt van niet-uitlogende en gecertificeerde materialen. Omdat het gehele plangebied wordt bebouwd is de kans op vervuiling van grondwater niet aanwezig.
bestemmingsplan "Herziening De Hoven Blok 6" (vastgesteld) 32
bestemmingsplan Herziening De Hoven Blok 6 Riolering In de huidige situatie is een gescheiden rioolstelsel aanwezig, dat wil zeggen dat er in het plangebied en omgeving sprake is van een separaat hemelwaterriool en een separaat vuilwaterriool. De ontwikkeling ligt in de invloedsfeer van het gescheiden rioolstelsel van andere panden (vooral panden aan panden aan de Troelstralaan en de Taj Mahalplaats/het Akropolishof). Indien nodig wordt de riolering van deze panden verlegd om de ontwikkeling mogelijk te maken. Bij het verleggen blijft de riolering te allen tijde bruikbaar. Bij uitvoering van het voornemen blijft het gescheiden rioolstelsel in stand en worden hemel- en vuilwater separaat aangeboden aan de juiste riolering. Hiertoe worden bij nieuw- en verbouw de nodige aansluitingen op de desbetreffende rioolleiding gerealiseerd. De afvoercapaciteit van de gemeentelijke riolering is voldoende om het water van de ontwikkeling af te kunnen voeren. In de rioleringsplannen van de gemeente is rekening gehouden met de ontwikkelingen in het plangebied en de ontwikkelingen in de omgeving (bijvoorbeeld de reeds uitgevoerde herontwikkeling van de supermarktlocatie aan de Martinus Nijhofflaan). Verdere toetsing aan het vGRP (verbreed gemeentelijk rioleringsplan) is vanwege aanwezigheid van riolering niet noodzakelijk.
Grondwater Bij ontwikkelingen moet rekening gehouden met het realiseren van voldoende ontwateringsdiepte (Gemeentelijke grondwatervisie: >70 centimeter onder maaiveld ) en indien nodig dienen maatregelen genomen te worden zoals het verhogen van het maaiveld, wat in dit geval niet in te passen is wegens de naastgelegen bebouwing. Omdat de bestaande bebouwing naast de ontwikkeling blijft bestaan, is het niet gewenst het maaiveld ter plaatse van de ontwikkeling te verhogen omdat dit ruimtelijk slecht in te passen is en tot overlast bij de andere bebouwing kan leiden. In de huidige omstandigheden is de ontwateringsdiepte voldoende. In verband met de stapsgewijze vermindering en toekomstige stopzetting van de grondwateronttrekking in Delft-Noord dient rekening gehouden te worden met een grondwaterstijging van 25-50 centimeter. Indien nodig kan een dergelijke grondwaterpeilstijging opgevangen worden door de terughoudende inzet van drainage op het niveau van de huidige gemiddele hoogste grondwaterstand (GHG). Door drainage op GHG-niveau toe te passen kan behoud/bereik van de juiste ontwateringsdiepte geborgd worden en kan indien nodig de beganegrondvloer waterdicht uitgevoerd worden. Als drainage nodig blijkt te zijn, kan dit in een opvolgende omgevingsvergunningprocedure nader uitgewerkt worden. 4.1.4
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. In artikel 3.4 van de regels van dit bestemmingsplan is bepaald dat de woningen in Blok 6 voor het wonen gebruikt mogen mits de 98 m3 waterberging die in paragraaf 4.1 van deze toelichting berekend is, gerealiseerd is en duurzaam in stand wordt gehouden. Realisatie van de waterberging moet uiterlijk één jaar na oplevering van Blok 6 plaatsvinden zodat er tijd is om de waterberging op een passende locatie te realiseren. Hoe de watercompensatie vorm krijgt, kan tijdens de verdere planuitwerking bepaald worden. Van belang is dat de watercompensatie gerealiseerd wordt, vandaar deze bepaling.
4.2
Bodem
4.2.1
Inleiding
Op basis van historische informatie en in het verleden uitgevoerde bodemonderzoeken is voor het gehele grondgebied van Delft volgens het Besluit bodemkwaliteit een bodemkwaliteitskaart opgesteld. De bodemkwaliteitskaart maakt deel uit van de Nota duurzaam bodembeheer gemeente Delft 2018. In de nota is berekend wat de gemiddelde bodemkwaliteit van de trajecten 0-0,5 m-maaiveld en 0,5-2,0 m-maaiveld in een bepaald gebied is. Ook is opgenomen wat de bodemfunctie is en welke toepassingseisen (dit is de kwaliteit van de toe te passen grond grond) gelden in geval van grondverzet. 4.2.2
Onderzoek
Met het oog op de ontwikkeling is door Antea Group in 2022 een bodemonderzoek (Bijlage 2) uitgevoerd, met als doel het indicatief vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Het milieukundig vooronderzoek ter plaatse van de onderzoekslocatie is volgens de NEN 5725:2017 uitgevoerd. bestemmingsplan "Herziening De Hoven Blok 6" (vastgesteld) 33
bestemmingsplan Herziening De Hoven Blok 6 Bodemkwaliteit Het gebied was voorheen gelegen in de Lage Abtswoudsche Polder en ter plaatse was tussen 1968-1974 een kanaaltje gelegen dat is gedempt. Het is onbekend wat voor kwaliteit opvulmateriaal is gebruikt om de sloten en kanaaltje ter plaatse te dempen. Hierdoor zijn aanwezige slootdempingen in de grond verdacht op verontreinigingen. Ook zijn er ter plaatse mogelijk funderingen aanwezig. Deze zijn niet alleen verdacht op asbest, maar er kunnen ook zware metalen, PAK's en minerale olie uitlogen. Omdat er ter plaatse geen voorgaand onderzoek is uitgevoerd, is het onbekend of het funderingsmateriaal voor aanvullende verontreinigingen heeft gezorgd. Asbest Op basis van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat de locatie als asbestverdacht wordt aangemerkt. De parkeerplaats is aangelegd voor 1993, waarbij het onbekend is wat voor funderingsmateriaal hierbij gebruikt is. De fundering van gebouwen die voor 1993 zijn gebouwd en bestrating die voor 1993 is aangelegd, is verdacht op het voorkomen van asbest omdat er voor 1993 geen wetgeving was die het gebruik van asbesthoudend materiaal in funderingen verbood. In 1993 is het asbestverwijderingsbesluit aangenomen dat een algeheel verbod op het gebruik van asbest realiseerde. 4.2.3
Conclusie
Het doel van het vooronderzoek is het bepalen of er mogelijke milieuhygiënische belemmeringen aanwezig zijn op de locatie. Er zijn milieukundige belemmeringen aangetroffen. Het wordt geadviseerd om bodem- en asbestonderzoek uit te voeren ter plaatse voordat er een start gemaakt wordt met werkzaamheden omtrent de aanleg. De bodemkwaliteit ter plaatse mag niet verslechteren door de gewenste ontwikkelingen. Geadviseerd wordt om het funderingsmateriaal, ter plaatse van de parkeerplaats op voorhand te laten onderzoeken op asbest voordat er wordt begonnen met de sloopwerkzaamheden. Op basis van dit vooronderzoek vormt het aspect bodem geen belemmering voor de herziening van Blok 6, wel wordt een bodem- en asbestonderzoek geadviseerd voordat er daadwerkelijk wordt gestart met de graafwerkzaamheden. Op grond van hoofdstuk 2, paragraaf 4 van de bouwverordening van de gemeente Delft is het uitvoeren van dergelijk onderzoek verplicht. Het is daarom niet nodig om uitvoering van het geadviseerde bodemonderzoek in dit bestemmingsplan af te dwingen, die verplichting is immers al elders opgenomen.
4.3
Ecologie
4.3.1
Wettelijk kader
De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het 'Natuurnetwerk Nederland' (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving. In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn; 3. 'andere soorten' (onderdeel A 'fauna' en onderdeel B 'flora'. Beleidsregel natuurinclusief bouwen De gemeente Delft heeft beleid voor natuurinclusief bouwen en klimaatadaptatie (paragraaf 3.5.8). Om een natuurinclusieve en klimaatadaptieve ontwikkeling te realiseren is het van belang dat dit beleid door gaat werken in de ontwikkeling van Blok 6. Om die reden zijn artikelen 3.3 en 3.4 opgenomen. Deze artikelen bevatten beide een voorwaardelijke verplichting.
Dit betekent dat een activiteit bestemmingsplan "Herziening De Hoven Blok 6" (vastgesteld) 34
bestemmingsplan Herziening De Hoven Blok 6 (vergunningverlening en daarna het gebruik van Blok 6 voor wonen in het geval van artikel 3.3 en het in gebruik nemen van appartementen in het geval van artikel 3.4) pas plaats mag vinden nadat aan het bepaalde in deze artikelen is voldaan. Doel onderzoek Het doel van de natuurtoets is het opsporen van strijdigheden van het voorgenomen plan met de beschermde soorten en beschermde gebieden (Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland; NNN) en het bepalen of het plan uitvoerbaar is. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing of vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is en zo ja, of deze ontheffing of vergunning kan worden verleend, komt in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wet natuurbescherming. Echter, deze vragen zijn ook relevant voor het bestemmingsplan omdat in de natuurtoets wordt beoordeeld of ten tijde van de vaststelling van het plan op voorhand in redelijkheid duidelijk is dat de Wnb de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg zal staan. Het bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld nadat uit een natuurtoets duidelijk is geworden of voor de activiteiten die volgen uit deze vaststelling de mogelijkheid bestaat tot het verkrijgen van een ontheffing of vergunning (als een ontheffing of vergunning nodig is).
De volgende onderzoeksvragen zijn van toepassing: welke in het kader van de Wnb beschermde soorten (en/of vaste rust- en verblijfplaatsen) komen voor in het beïnvloedingsgebied van het plan? vinden er als gevolg van de ontwikkeling die mogelijk gemaakt worden door het plan effecten plaats op deze soorten en worden daarbij verbodsbepalingen overtreden? is het plan uitvoerbaar en zijn, zo nodig, aanvullende voorwaarden in het plan aan de orde? komen in de beïnvloedingszone van het plangebied beschermde natuurgebieden voor? Zo ja, welke zijn dit en wat zijn de gevolgen hierop? dienen vervolgstappen in de vorm van een compensatieplan opgesteld te worden of zijn andere vervolgstappen aan de orde? 4.3.2
Onderzoek
Het natuuronderzoek (zie Bijlage 3) naar de aanwezigheid van beschermde soorten en ligging van beschermde gebieden is opgebouwd uit twee onderdelen: 1. bureaustudie naar waarnemingen van beschermde soorten uit het (recente) verleden en ligging van beschermde gebieden in de invloedsfeer van het plan; 2. Terreinbezoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten. Uit dit onderzoek volgen de volgende conclusies: In het projectgebied bevindt zich geen bebouwing die toegankelijk is voor vleermuizen of vogels (de enige bebouwing is een transformatorgebouw). In het plangebied bevinden zich enkele vormbomen (leibomen) en heesters. Deze beplanting is relatief recent aangeplant en op dit moment te klein om huisvestingsmogelijkheden te bieden aan vleermuizen of vogels. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen en nesten van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties zijn derhalve uitgesloten. In het projectgebied komen mogelijk algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren voor. Men dient zich te houden aan de algemene zorgplicht tijdens de werkzaamheden. Indien werkzaamheden tijdens de broedperiode (globaal maart – augustus) van vogels plaatsvindt, kunnen nesten van algemene broedvogels worden vernield. Hierbij kunnen individuen worden verstoord en gedood.
Dit soort effecten kunnen voorkomen worden door buiten het broedseizoen te werken en/of door het plangebied voor aanvang van het broedseizoen ongeschikt te maken als nestlocatie. De vormbomen in het plangebied worden mogelijk gekapt om ruimte te maken voor de ontwikkeling van Blok 6. De vormbomen zijn solitaire bomen die minimaal 10 are beslaan. Tevens is er geen sprake van bomenrijen met meer dan 20 bomen. De bepalingen over de kap van houtopstanden in de Wnb zijn derhalve niet van toepassing op de (eventuele) kap van de vormbomen. Stikstof Voor het project is een AERIUS berekening uitgevoerd, deze is opgenomen als Bijlage 10 van dit bestemmingsplan. De depositieberekeningen zijn uitgevoerd met de meest recente versie van AERIUS Calculator versie 2022. Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat de realisatiefase en het bestemmingsplan "Herziening De Hoven Blok 6" (vastgesteld) 35
bestemmingsplan Herziening De Hoven Blok 6 verkeer in de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden. Significante gevolgen door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Er is geen vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstoftoename. 4.3.3
Conclusie
Uit de natuurtoetsing volgt dat er vanuit de beschermde natuurgebieden en beschermde soorten geen aanleiding is voor nader onderzoek naar natuurwaarden. Het project is uitvoerbaar voor het aspect ecologie. Ten behoeve van natuurinclusief bouwen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan.
4.4
Archeologie en cultuurhistorie
4.4.1
Inleiding
Archeologie Conform de Erfgoedwet gebruikt de gemeente Delft onder meer bestemmingsplannen om archeologisch erfgoed te beschermen. Bekende en verwachte archeologische waarden krijgen een archeologische dubbelbestemming. Op gronden waar die dubbelbestemming van toepassing is, moeten bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk beperkt worden. Bodemverstorende ingrepen die plaatsvinden op locaties waar een archeologische dubbelbestemming van toepassing is, zijn gebonden aan een vergunningenstelsel. Door middel van dat vergunningenstelsel kan het belang van archeologisch erfgoed mee worden gewogen bij aanvragen om een omgevingsvergunningen voor bodemverstorende ingrepen. Dit kan er toe leiden dat er eisen worden gesteld aan de manier waarop die ingrepen uitgevoerd worden. Het kan er ook toe leiden dat de bodemverstorende ingreep alleen na uitvoering van archeologisch onderzoek toegestaan wordt. Om te bezien of een dergelijk archeologisch beschermingsregime opgenomen moet worden in de regels van dit bestemmingsplan 'Herziening De Hoven Blok 6' is archeologisch onderzoek uitgevoerd. Paragraaf 4.4.2 doet verslag van dit onderzoek. Cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6, lid 5, onder a van het Besluit ruimtelijke ordening moet in een bestemmingsplan aandacht worden besteed aan de effecten van een voornemen op cultuurhistorische waarden.
Tevens moet beschreven worden hoe in het bestemmingsplan rekening wordt gehouden met die cultuurhistorische waarden. Bij het beschrijven van de cultuurhistorische waarden en de mogelijke effecten op die waarden, moet breder gekeken worden dan alleen naar de bovengenoemde archeologische waarden. Het gaat bij cultuurhistorie ook om historische (stede)bouwkunde, historische geografie en andere monumentale waarden. Daarbij gaat het zowel om beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.4.2
Onderzoek
Archeologie De omvang van de toegelaten bebouwing wijzigt niet ten opzichte van de bebouwing die reeds toegelaten is. De toetsing aan het aspect archeologie die eerder uitgevoerd is in het kader van het opstellen van het bestemmingsplan 'Partiële herziening in de Hoven ex artikel 30 WRO van het bestemmingsplan Zuidwest deelgebied 1 (Voorhof)' is ook op deze nieuwe partiele herziening van toepassing. Het plangebied heeft op de archeologische beleidskaart van Delft een middelhoge archeologische verwachting toegekend gekregen vanwege de ligging van het plangebied op (en in de bufferzone van) de geulafzettingen van de Gantel Laag. Als in detail naar het plangebied wordt gekeken, blijkt echter dat een zeer klein deel van het onderhavige gebied op deze verwachtingsvolle afzettingen ligt. De rest bevindt zich op de dekafzettingen van de Gantel Laag, waarvoor slechts een lage verwachting geldt, voor off-site-structuren uit de Romeinse tijd en Late Middeleeuwen. Voor dergelijke structuren geldt dat ze zich kenmerken door een lage spreiding van sporen en vondsten. Bij bodemverstoringen in kleine plangebieden zal daarom nauwelijks tot geen schade optreden aan de eventueel aanwezige resten.
Vanwege de aard van de archeologische verwachting, de afwezigheid van bebouwing op historisch kaartmateriaal, de aard van de bodemingrepen (beperkt in oppervlakte) en de (verwachte) reeds aanwezige bodemverstoringen, is de verwachting dat het uitvoeren van dit bestemmingsplan geen nadelige gevolgen zal hebben voor het bodemarchief. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling bestemmingsplan "Herziening De Hoven Blok 6" (vastgesteld) 36
bestemmingsplan Herziening De Hoven Blok 6 hoeft dan ook geen vervolgonderzoek plaats te vinden en er hoeft geen archeologische medebestemming te worden toegekend aan het plangebied. Cultuurhistorie In het plangebied is geen sprake van een beschermd stadsgezicht. Eveneens is er geen sprake van de aanwezigheid van monumentale panden of objecten in het plangebied. Daarnaast is er in het plangebied ook geen sprake van objecten of structuren die anderszins cultuurhistorisch waardevol zijn. Op afstand van het plangebied is wel sprake van cultuurhistorische waardevolle objecten en structuren. Die elementen worden gescheiden van Blok 6 door winkelcentrum 'De Hoven' en andere tussenliggende bebouwing. Voor de volledigheid wordt in de navolgende alinea's wel ingegaan op die elementen. In de omgeving van het plangebied staat op een afstand van 140 meter van de oostelijke grens van het plangebied een monumentaal pand aan de Papsouwselaan 295. Dit pand ligt vanaf het plangebied bezien aan de overkant van het Delflandplein en wordt door dat plein alsmede de bestaande bebouwing van het winkelcentrum gescheiden van het plangebied. Dit pand is een voormalig bankgebouw (thans een centrum voor mondzorg) dat opvalt door zijn dakconstructie. Het pand is een door Lex Haak (1930 2018) ontworpen gemeentelijk monument. Het is ontworpen in functionalistische stijl en bestaat uit één bouwlaag.
Opvallend zijn de drie staanders waar de uit driehoeken bestaande dakconstructie aan hangt. Het dak wordt door glazen panelen vrij gehouden van de in metselwerk opgetrokken muren van het pand. Rond het pand ligt een gracht waarin de onderzijde van het dak kan reflecteren. Door zijn opvallende constructie en door zijn vormentaal die afwijkt van de grotendeels orthogonale bebouwing in de omgeving (bijvoorbeeld de Artemisflat naast dit monument of het gebouw Delft Hoog op winkelcentrum 'De Hoven') onderscheidt het monument zich van zijn omgeving en is het behoudingswaardig. Het voornemen heeft door de afstand tussen het plangebied en het monument geen effect op laatstgenoemd pand. De beleving van het monument wordt bepaald door de flatgebouwen nabij het monument en het Delflandplein en die worden met dit bestemmingsplan niet gewijzigd. Het gebouw Delfts Hoog/Torenhove ligt nabij het plangebied en het dichtste bij dit monument. De gevel van gebouw Delfts Hoog/Torenhove is reeds getransformeerd. Zoals aangegeven wordt Blok 6 van de omgeving gescheiden door winkelcentrum 'De Hoven', deze scheiding sluit effecten van de bouw van Blok 6 op het pand aan de Papsouwselaan 295 verder uit.
Verder geldt dat nabij, maar buiten het plangebied het Delflandplein en het deel van de wijk Voorhof dat begrensd wordt door de Martinus Nijhofflaan, de Voorhofdreef, de Kruithuisweg (N470) en de Prinses Beatrixlaan liggen. Het Delflandplein is een pleinachtig knooppunt van grotere binnenstedelijke wegen dat een bajonetvormige verschuiving in die wegen aanbrengt. De zichtassen van de grote worden worden gemarkeerd/afgesloten door bewust geplaatste hoogbouw. In het genoemde deel van de wijk Voorhof is sprake van met aandacht uitgewerkte stedenbouwkundige stempels uit het originele plan voor Voorhof van de stedenbouwkundige Van Embden. De stempels zorgen voor een inpassing van een variatie van hoogbouw, met kleinschalige laagbouw en met groenvoorzieningen. Deze structuren worden door dit bestemmingsplan niet gewijzigd. En liggen op dermate grote afstand, wederom van Blok 6 gescheiden door winkelcentrum 'De Hoven' dat effecten uit te sluiten zijn. In de omgeving van het plangebied is verder geen sprake van andere cultuurhistorisch waardevolle objecten of van cultuurhistorisch waardevolle structuren. De voorgenomen ontwikkeling heeft daarmee geen effecten op cultuurhistorische waarden. 4.4.3
Conclusie
Archeologie In het plangebied hoeft geen nader archeologisch onderzoek plaats te vinden, er hoeft dan ook geen archeologische medebestemming opgenomen te worden. Wel blijft te allen tijde de algemene meldingsplicht bij het aantreffen van oudheden van toepassing. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de verantwoordelijk minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. Cultuurhistorie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling die bestaat uit verdichting door het realiseren van extra woningen, toevoegen van een extra bouwlaag en realisatie van een verbinding voor parkeergelegenheid op een hogere etage dan de eerste bouwlaag. bestemmingsplan "Herziening De Hoven Blok 6" (vastgesteld) 37
bestemmingsplan Herziening De Hoven Blok 6
4.5
Mobiliteit
Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn, de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en er op een goede manier wordt aangesloten op het verkeersnetwerk. Voetgangers De locatie van de ontwikkeling is gelegen bij winkelcentrum 'De Hoven'. De bereikbaarheid van dit winkelcentrum voor voetgangers is goed te noemen. Onderdeel van het plan is de doorsteek vanuit de parkeergarage 'De Hoven' naar het parkeerdek boven de supermarkt. Deze doorgang wordt ook voor voetgangers gecreëerd, waarbij rekening wordt gehouden met de veiligheid voor de voetganger. Verder heeft het bouwplan weinig impact op de voetganger. Fiets De locatie van de ontwikkeling is gelegen bij winkelcentrum 'De Hoven'. De bereikbaarheid van dit winkelcentrum voor fietsers is goed te noemen met veel vrijliggende fietspaden richting het winkelcentrum. De impact van specifiek Blok 6 van De Hoven op de fietser is minimaal. Bij de ontwikkeling dient te worden voorzien in voldoende fietsparkeren. Dit wordt verderop nader uitgewerkt.
Openbaar vervoer De locatie is gelegen binnen 250 meter van de tramhalte Hovenpassage en de tramhalte Martinus Nijhofflaan (tram 1 verbindt Delft met Den Haag en Scheveningen) en hierdoor met het openbaar vervoer uitstekend bereikbaar. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de parkeerbehoefte berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen (Nota Parkeernormen 2018 inclusief herziening 2021, gemeente Delft). Voor de juiste parkeernorm wordt een ligging in het overloopgebied van de binnenstad (schil binnenstad) aangehouden, de omgeving heeft een zeer sterk stedelijk karakter op basis van de adressendichtheid. Voor de realisatie van het plan zijn de effecten van het plan voor het verkeer en de parkeerbehoefte door Antea Group onderzocht (bijlage 4). Autoverkeer De locatie wordt voor autoverkeer ontsloten vanaf de Troelstralaan. Dit geldt voor de locatie en ook voor het parkeren in een inpandige parkeergarage naast het Blok 6. De doorgang naar deze parkeergarage is onderdeel van deze herziening. Bij uitwerking van het ontwerp daarvan is rekening gehouden met een goed zicht op zowel de voetgangers als het verkeer op de Troelstralaan. Uit de de verkeersgeneratie die is doorgerekend voor 2024 inclusief planontwikkeling blijkt dat er op de wegen rond het plangebied sprake is van een goede verkeersafwikkeling (zie bijlage 4).
Ook op de omliggende rijkswegen zijn geen directe effecten van de ontwikkeling te verwachten. De planontwikkeling op zich leidt niet tot verstoring in de verkeersafwikkeling. De verkeersgeneratie is verder input geweest voor verschillende onderzoeken die voor de ontwikkeling zijn uitgevoerd. Fietsparkeren In de Nota Parkeernormen 2018 van de gemeente Delft zijn in paragraaf 3.3 de parkeernormen voor fietsen opgenomen. Voor woningen gelden geen specifieke Delftse normen, maar wordt verwezen naar het Bouwbesluit 2012 omdat in het Bouwbesluit hier voldoende eisen aan zijn gesteld. Wel is het mogelijk om af te wijken van de eisen uit het Bouwbesluit 2012 indien op gelijkwaardige wijze wordt voorzien in een oplossing voor fietsparkeren. In dat geval kan er bijvoorbeeld sprake zijn van een collectieve fietsenstalling. Ten aanzien van de bergingen wordt voldaan aan het Bouwbesluit 2012. Dat betekent dat voor de 80 woningen groter dan 50 m² GO een berging wordt gerealiseerd waarin fietsen kunnen worden gestald. Parkeren De parkeerbehoefte is berekend op basis van de normen die in de 'Nota Parkeernormen 2018' van de gemeente Delft. Uit het parkeeronderzoek, dat als bijlage 5 is opgenomen, blijkt dat er sprake is van een sluitende parkeerbalans omdat er voldoende parkeerruimte is de in de parkeergarage 'De Hoven' in bestemmingsplan "Herziening De Hoven Blok 6" (vastgesteld) 38
bestemmingsplan Herziening De Hoven Blok 6 het winkelcentrum Het gebruik van de parkeergarage is dusdanig dat gebleken is dat er steeds voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn om alle bewoners en bezoekers van Blok 6 op eigen terrein te laten parkeren. Het parkeeronderzoek wordt nog verder gedetailleerd op basis van onderzoek naar de bezettingsgraad van de parkeergarage. Voorafgaand aan de vaststelling van dit bestemmingsplan wordt dit geactualiseerde parkeeronderzoek indien nodig verwerkt in dit bestemmingsplan. De conclusie uit bijlage 5 dat er sprake is van een sluitende parkeerbalans moet in samenhang gelezen worden met de parkeerbehoefte uit bijlage 4. Bijlage 4 laat zien dat de voorgenomen ontwikkeling in totaal vraagt om 88 parkeerplaatsen. Bijlage 5 toont aan dat voor de voorgenomen ontwikkeling 48 parkeerplaatsen beschikbaar zijn in de parkeergarage 'De Hoven'. De overige 40 parkeerplaatsen worden gerealiseerd in de gebouwde parkeervoorziening van Blok 6. Daarmee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. Aanvullend onderzoek naar parkeren (opgenomen in bijlagen 6 en 7 bij de toelichting) laat zien dat maximale parkeercapaciteit van de parkeergarage niet bereikt wordt, ook niet als de voor Blok 6 benodigde parkeerplaatsen in de garage gereserveerd worden.
Dat betekent dat er in de parkeergarage structureel voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn om het parkeren ten behoeve van Blok 6 plaats te laten vinden, dit blijkt concreet uit bijlage 6. De parkeervoorziening voor Blok 6 wordt zo ontworpen dat daar, al dan niet in combinatie met het bestaande parkeerdek boven het winkelcentrum, voldoende parkeergelegenheid is voor bewoners van Blok 6 en hun bezoekers. Uit onderzoek naar de bezetting van parkeerplaatsen op het bestaande parkeerdek boven het winkelcentrum blijkt dat er doorgaans voldoende parkeerplaatsen zijn om de 48 parkeerplaatsen voor Blok 6 te kunnen bieden, dit blijkt uit bijlage 7. Met de extra parkeerplaatsen in Blok 6 kunnen deze parkeerplaatsen sowieso gevonden worden. Conclusie Er is sprake van een sluitende parkeerbalans en uit de verkeersgeneratie blijkt dat de beperkte toevoeging van verkeer door de ontwikkeling niet leidt tot knelpunten in de omgeving of op de rijkswegen. Bij uitwerking van het ontwerp dient aangetoond te worden dat er voldoende fietsparkeervoorzieningen gerealiseerd worden.
4.6
Geluid wegverkeerslawaai
4.6.1
Inleiding
De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder. Het doel van het akoestisch onderzoek is het bepalen of ter plaatse van de gevoelige bestemmingen die middels het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt, hinder ontstaat ten gevolge van verkeerslawaai en de wettelijke gevolgen daarvan. De berekeningsresultaten zijn getoetst aan de volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geldende grenswaarden. Wanneer de in de Wgh gestelde grenswaarden worden overschreden, dient beoordeeld te worden of er maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn en/of er een hogere grenswaarde moet worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Delft. Hierbij dient het beleid hogere grenswaarde te worden betrokken. 4.6.2
Akoestischonderzoek
Wegverkeerslawaai Met het planvoornemen wordt een nieuwe geluidgevoelige bestemming gerealiseerd binnen het wettelijke aandachtsgebied voor geluid (geluidzone) van bestaande wegen. Onderzocht is de geluidbelasting op de nieuwe geluidgevoelige bestemmingen (woningen), vanwege wegverkeerslawaai en de tram (Antea Group, december 2022, bijlage 8). Gezoneerde wegen Papsouwselaan/Voorhofdreef Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden ten gevolge van de Papsouwselaan/Voorhofdreef. Deze overschrijding vindt plaats aan de oostgevel bij bestemmingsplan "Herziening De Hoven Blok 6" (vastgesteld) 39
bestemmingsplan Herziening De Hoven Blok 6 toetspunten O1 en O2 en bedraagt ten hoogste 52 dB. Daarnaast is er een overschrijding aan de zuidgevel bij toetspunt Z1 waarbij de geluidbelasting ten hoogste 49 dB bedraagt. Overige wegen Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidbelasting vanwege de overige omliggende gezoneerde wegen, te weten Martinus Nijhofflaan en Prinses Beatrixlaan, niet boven de 48 dB komt (incl aftrek ex artikel 110g Wgh). Hiermee is geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Niet-gezoneerde wegen Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de richtwaarde van 48 dB wordt overschreden ten gevolge van de Niet-gezoneerde wegen. De geluidbelasting van ten hoogste 49 dB wordt enkel gehaald op de noordgevel bij toetspunt N2, op een hoogte van 7 meter. Deze geluidbelasting is echter niet per weg bepaald, zoals de Wet geluidhinder wel voorschrijft, maar zijn alle 30 km/uur wegen samen genomen. De daadwerkelijke geluidbelasting per weg zal daarmee iets lager liggen, waarmee wel aan de richtwaarde kan worden voldaan. In een stedelijke omgeving wordt 49 dB over het algemeen beschouwd als aanvaardbaar. Cumulatie Uit de resultaten blijkt dat enkel vanwege de Papsouwselaan/Voorhofdreef de voorkeurswaarde van 48 dB wordt overschreden. Derhalve hoeft de gecumuleerde geluidbelasting in principe niet in beeld te worden gebracht.
Echter om te beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat, is cumulatie van alle geluidbronnen wel inzichtelijk gemaakt. De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai bedraagt ten hoogste 57 dB (exclusief aftrek ex artikel 110g Wgh). Deze geluidbelasting wordt bereikt op de oostgevel van de woontoren. Hogere grenswaarden Indien geen bron- of overdrachtsmaatregelen worden getroffen, dienen onderstaande hogere waarden te worden afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft. De hogere waarden zijn inclusief 5 dB aftrek ex artikel 110g Wgh.
Tabel 4.6: hogere grenswaarden incl. aftrek ex art. 110g Wgh
De gemeente Delft schrijft voor dat woningen altijd moeten beschikken over een geluidluwe zijde. Indien de gecumuleerde geluidsbelasting op de hoogst belaste zijde 65 dB of minder is, bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting op de geluidluwe zijde of geveldeel maximaal 55 dB (exclusief aftrek art 110 Wgh). In geval dat de gecumuleerde geluidbelasting op de hoogst belaste zijde hoger dan 65 dB is, bestemmingsplan "Herziening De Hoven Blok 6" (vastgesteld) 40
bestemmingsplan Herziening De Hoven Blok 6 bedraagt de geluidbelasting op de geluidluwe zijde cumulatief niet meer dan 60 dB (exclusief aftrek artikel 110g Wgh). In dit geval bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting ten hoogste 57 dB, waarmee de geluidbelasting op de geluidluwe gevel ten hoogste 55 dB mag bedragen. De gecumuleerde geluidbelasting op de noord-, zuid- en westgevel bedraagt ten hoogste 55 dB. Hiermee kan worden gesteld dat alle woningen kunnen beschikken over een geluidluwe zijde. 4.6.3
Conclusie
Uit akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden voor de woningen. De Wet geluidhinder heeft voor die gevallen bepaald dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is een ontheffing te verlenen van deze voorkeursgrenswaarde. Voor de woningen isl een besluit tot vaststelling van hogere waarden te worden voorbereid (zie bijlage 9).
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1
Inleiding
De belangrijkste wet- en regelgeving voor het milieuaspect luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wm). In samenhang met Titel 5.2 zijn de grenswaarden voor luchtkwaliteit in bijlage 2 van de Wm opgenomen. In Titel 5.2 Wm is bepaald dat bestuursorganen een besluit, dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen nemen wanneer aannemelijk is dat aan één of meer van onderstaande grondslagen wordt voldaan: a. er wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden; b. het besluit leidt (per saldo) niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. het besluit draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10); d. het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (ook wel NSL genoemd). Bij Titel 5.2 Wm horen uitvoeringsregels die zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en ministeriële regelingen. Het gaat daarbij onder andere om het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 en het Besluit gevoelige bestemmingen. Grenswaarden De (Europese) grenswaarden voor de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht zijn vastgelegd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
Deze grenswaarden zijn gericht op de bescherming van de gezondheid van mensen en dienen op voorgeschreven data te zijn bereikt.
Tabel 4.6 Vastgestelde grenswaarden (concentraties in in µg/m3)
Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) maatgevend. Voor deze stoffen is de kans het grootst dat de bijbehorende grenswaarden worden overschreden. Overschrijding van de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 (200 µg/m³) is, in relatie tot wegverkeer, redelijkerwijs uitgesloten. Dergelijke hoge concentraties doen zich niet voor langs wegen en uit metingen over een periode van 10 jaar blijkt dat overschrijding van de uurnorm voor NO2 niet meer aan de orde is . Net als voor de jaargemiddelde concentratie PM10 is voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5 ook een grenswaarde vastgesteld (25 µg/m³). PM2,5 is een deelverzameling van PM10 en de PM10- en PM2,5-concentraties zijn dan ook sterk aan elkaar gerelateerd. Uitgaande van de huidige kennis over emissies en concentraties van PM2,5 en PM10 kan worden gesteld dat, als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarden voor PM2,5 zal worden voldaan. bestemmingsplan "Herziening De Hoven Blok 6" (vastgesteld) 41
bestemmingsplan Herziening De Hoven Blok 6 Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een plan/project niet in betekenende mate bijdraagt aan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10. Een plan/project draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de jaargemiddelde concentraties in de buitenlucht van zowel NO2 als PM10 niet meer bedraagt dan 3% van de grenswaarde voor die stoffen. Dit komt voor beide stoffen overeen met een maximale toename van de jaargemiddelde concentraties met 1,2 µg/m3. Plannen of projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, een uitwerking van het gelijknamige besluit, zijn categorieën van gevallen opgenomen die per definitie 'niet in betekenende mate' zijn. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een woningbouwontwikkeling van minder dan 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling of een kantoorontwikkeling van minder dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlak.
Deze ontwikkelingen hoeven dan niet nader onderzocht te worden op een eventuele bijdrage aan de luchtkwaliteit en hiervoor hoeft geen toetsing aan de grenswaarden plaats te vinden. 4.7.2
Onderzoek
Het voorgenomen plan voorziet in de ontwikkeling van 80 woningen. De omvang van dit plan past binnen een in de Regeling niet in betekenende mate bijdragen aangegeven categorie van gevallen die standaard niet in betekenende mate bijdraagt. Hierdoor kan een onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit achterwege blijven en staat de luchtkwaliteit op grond van artikel 5.16, lid 1, onder c verdere besluitvorming niet in de weg. 4.7.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Milieuzonering bedrijven
4.8.1
Inleiding
Om te bepalen of sprake is van mogelijke hinder, kan de systematiek van de VNG brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' (editie 2009) worden gehanteerd. In deze VNG brochure is een systematiek op basis van een lijst met bedrijfsactiviteiten opgenomen, waarop de activiteiten zijn ingedeeld in milieucategorieën. Op basis van de te verwachten milieubelasting van bedrijven, gelden richtafstanden die variëren van 10 meter (milieucategorie 1 lichte hinder) tot 1.500 meter (milieucategorie 6 zeer zware hinder). De indicatieve afstanden gaan uit van een gevoelig object - zoals een woning - in het omgevingstype 'rustig woongebied'. Deze 'standaard' systematiek gaat uit van het principe van functiescheiding. Binnen een gebied waar sprake is van functiemenging (zoals een centrumgebied, een horecaconcentratiegebied of een woon-werkgebied waar bewust wordt gekozen voor een menging van functies) is deze systematiek minder goed werkbaar. In dergelijke levendige gebieden ('gebieden met functiemenging') is het immers veelal wenselijk dat milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen kunnen worden gerealiseerd. In de VNG-brochure is daarom voor gebieden met een menging van functies een andere systematiek geïntroduceerd. In plaats van een indeling van activiteiten in zes milieucategorieën wordt daarbij uitgegaan van een indeling van bedrijfsactiviteiten in de categorieën A, B en C.
Deze categorie-indeling heeft de volgende betekenis: categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend zijn, dat deze in gebieden met functiemenging aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit de bouwregelgeving voor scheiding van woonfuncties en bedrijven zijn daarbij toereikend; categorie B: Activiteiten die in een gebied met functiemenging kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies plaats dienen te vinden; categorie C: Activiteiten vergelijkbaar met categorie B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.
bestemmingsplan "Herziening De Hoven Blok 6" (vastgesteld) 42
bestemmingsplan Herziening De Hoven Blok 6 4.8.2
Omgevingstype plangebied