4. Nota Zienswijzen
Tekst van het document
De locatie van het plangebied is vastgesteld tijdens de kennisgeving van de m.e.r.-procedure (in 2019). Omdat nog steeds dezelfde m.e.r.-procedure wordt gevolgd, is het plangebied zoals aan het begin vastgesteld ook nu het uitgangspunt bij de Actualisatie MER. Er zijn ontwikkelingen in de omgeving, die geen onderdeel uitmaken van deze m.e.r.-procedure, maar wel uitgangspunt zijn voor het verkeersonderzoek. Hier valt de woningbouw Het Zuideinde ook onder (zie kaart in figuur 4.8 van de Actualisatie MER (bijlage 33 nieuw)). De verkeerstromen, die met dit plan gerealiseerd worden, zijn dus uitgangspunt voor het verkeersonderzoek geweest. De genoemde ontwikkeling behoeft echter niet in het MER betrokken te worden. Voor woningbouwontwikkeling Het Zuideinde wordt een apart m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen. De m.e.r.-procedure gaat alleen over ontwikkelingen in Schieoevers Noord. Schieoevers Zuid is daar niet bij betrokken. De plannen voor Schieoevers Zuid zijn nog onvoldoende concreet om deze te betrekken bij de m.e.r.-procedure voor Schieoevers Noord. Dit is ook af te lezen uit figuur 4.8 in de Actualisatie MER (bijlage 33 nieuw). Er is tot 2040 maar één concrete ontwikkeling in Schieoevers Zuid voorzien, namelijk de 19
verbreding van de Schie in combinatie met ligplaatsen en verplaatsing van de zandhandel (zie figuur 4.8 in de Actualisatie MER). Als de plannen in Schieoevers Zuid tot ontwikkeling komen, dan wordt daar een apart m.e.r.-beoordelingsbesluit voor genomen. • Verkeersonderzoek Het verkeersonderzoek is samen met de actualisatie van het MER geactualiseerd. Dit onderzoek is uitgevoerd om aan de voorkant van de voorgenomen transformatie eventuele knelpunten inzichtelijk te maken. Om de gesignaleerde knelpunten aan te pakken zijn maatregelen voorgesteld die onderdeel zijn geworden van het plan. Het uitgangspunt hierbij is dat de maatregelen worden uitgevoerd voordat er knelpunten op het wegennet gaan optreden. Zo wordt voorkomen dat er ook daadwerkelijk knelpunten gaan optreden. De monitoring is er enerzijds op gericht om bij te houden of deze maatregelen gerealiseerd worden en anderzijds of de maatregelen ook het beoogde effect hebben. De precieze looptijd van de transformatie is nog niet bekend. Het verkeersonderzoek heeft daarom twee zichtjaren gehanteerd voor het onderzoek: 2032 en 2040. De vergelijking met 2040 is opgenomen in hoofdstuk 5 van de Actualisatie MER (bijlage 33 nieuw). De vergelijking met 2032 is opgenomen in hoofdstuk 8 van de Actualisatie MER (bijlage 33 nieuw). Het jaar 2032 is gericht op de planhorizon van het bestemmingsplan voor Schieoevers Noord.
Het verkeersonderzoek heeft voor 2032 inzichtelijk gemaakt welke infrastructurele maatregelen dan nodig zijn. Deze maatregelen zijn opgenomen in tabel 8.5 van de Actualisatie MER. In deze tabel is ook de vergelijking gemaakt met de maatregelen die noodzakelijk zijn in de plansituatie 2040. Uit deze tabel is op te maken dat de aanpassing van het kruispunt Westlandseweg noodzakelijk is voor 2040, maar niet voor 2032. Deze maatregel kan dus na 2032 uitgevoerd worden. De andere maatregelen, zoals het aanpassen van de kruispunten bij de Kruithuisweg, worden wel vóór 2032 uitgevoerd. Hierbij speelt de monitoring een rol, omdat deze er enerzijds op is gericht om bij te houden of maatregelen gerealiseerd worden en anderzijds of de maatregelen het beoogde effect hebben. Het MER maakt een vergelijking met de situatie in 2040, de referentiesituatie. Dit is de huidige situatie plus alle autonome ontwikkelingen die tot 2040 gaan plaatsvinden. Voor de verkeersberekeningen is gebruik gemaakt van het verkeersmodel Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH, versie 2.8). Dit model bevat alle bekende toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen en verkeersmaatregelen in de regio. In hoofdstuk 4 van de Actualisatie MER (d.d. 14 februari 2022) is beschreven met welke ontwikkelingen rekening wordt gehouden. Deze ontwikkelingen zijn ook het uitgangspunt voor de uitgevoerde verkeersberekeningen.
Eén van die ontwikkelingen is Spoorzone Delft, waar de ontwikkeling van Nieuw Delft onder valt. Een andere ontwikkeling waar rekening mee is gehouden is de geothermie aan de Rotterdamseweg. De verkeersonderzoeken zijn uitgevoerd in de coronacrisis. De verkeersbewegingen in de huidige situatie zijn echter niet tot stand gekomen door een feitelijke telling (tijdens deze crisis) maar op basis van de modelmatige verkeersbewegingen. Dat model gaat voorbij aan de effecten van de coronacrisis. De effecten van de coronapandemie van de afgelopen 2 jaar, hebben geen direct effect op de berekende verkeerscijfers in het model. Voor de lange termijn zijn de effecten van de pandemie nog onduidelijk. Het gaat dan om de gevolgen van bijvoorbeeld thuiswerken. Als uitgangspunt voor het verkeersonderzoek is uitgegaan van een verkeerssituatie van vóór de coronapandemie, waardoor mogelijke onderschatting van de verandering van de verkeersintensiteiten wordt voorkomen. Dit staat ook vermeld op pagina 21 van het verkeersonderzoek.
20
3. Beantwoording zienswijzen In dit onderdeel hebben we de zienswijzen samengevat en van een reactie voorzien. Dit betekent niet dat we die onderdelen van de zienswijzen die niet expliciet worden genoemd niet hebben betrokken bij de beoordeling. Elke zienswijze is in zijn geheel beoordeeld. Bij de beantwoording geven we ook steeds aan of de reactie leidt tot een aanpassing van het bestemmingsplan of niet. In verband met aanpassingen als gevolg van de zienswijzen en ambtshalve aanpassingen kan de nummering van artikelen, leden, hoofdstukken, paragrafen en bijlagen in zowel de toelichting als de regels zijn gewijzigd. In dit onderdeel is in de rij ‘samenvatting’ enkel de nummering van het ontwerp-bestemmingsplan opgenomen. In de rijen ‘beantwoording’ en ‘aanpassing’ is waar van toepassing zowel de nummering van het ontwerp- bestemmingsplan als de nieuwe nummering van het definitieve plan opgenomen. Hierbij is de nieuwe nummering tussen haakjes opgenomen met de toevoeging nieuw. Bij verwijzingen naar de bijlagen is uitsluitend waar van toepassing de verwijzing naar het nieuwe nummer van de bijlage opgenomen en niet de gedetailleerde wijzigingen in de bijlagen zelf.
Bij het opstellen van de beantwoording is met grote zorgvuldigheid getracht compleet te zijn qua nummering, maar het is mogelijk dat de nummering als gevolg van de Staat van Wijzigingen in de definitieve versie afwijkt van de opgenomen nummering. 1: Adromi Groep namens Dyckerhoff Basal Betonmortel Delft B.V. 1a Samenvatting Het bestemmingsplan bevat diverse regels vooruitlopend op de Omgevingswet (zoals artikel 35.3.2.C). Indiener vraagt zich af wat de situatie zal zijn als de Omgevingswet niet in werking treedt, dan wel dat op een andere wijze de termijn van artikel 2.3 lid 7 van de Crisis- en herstelwet op dit plan van toepassing zal blijven. Het is van belang dat het bestemmingsplan voorziet in een terugvaloptie voor een dergelijk scenario zodat Dyckerhoff Basal niet behoeft te vrezen voor haar bedrijfsvoering over 10 jaar. Beantwoording Het bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) komt tot stand onder de huidige wetgeving. Het plan heeft immers ter visie gelegen als ontwerp vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet. De wettelijke grondslag voor dit plan is daarom de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangevuld met de Crisis- en herstelwet (Chw). Ook als de Omgevingswet in werking treedt zal dat niet veranderen. Onder de Omgevingswet gaat dit bestemmingsplan over in het ‘tijdelijk deel’ van het omgevingsplan van de gemeente Delft.
Als de Omgevingswet er uiteindelijk niet komt, blijft het plan als bestemmingsplan van toepassing. Een terugval optie is niet nodig. De activiteiten van Dyckerhoff Basal zijn in het huidige bestemmingsplan geborgd en zullen ook in onderhavig bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) worden geborgd. Het wel of niet inwerkingtreden van de Omgevingswet doet daar niets aan af. Het bedrijf hoeft niet te vrezen voor zijn bedrijfsvoering.
21
1b
Aanpassing Samenvatting
Beantwoording
1c
Aanpassing Samenvatting
Artikel 2.3 lid 7 van de Chw stelt dat in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte voor de duur van maximaal tien jaar afgeweken mag worden van de geldende milieunormen, waarbij aangenomen wordt dat na die tien jaar kan worden voldaan aan de dan geldende milieunormen doordat de bedrijfsvoering is aangepast, maatregelen zijn getroffen, de bron is komen te vervallen (bedrijf beëindigd) of de geldende normen zijn aangepast. Dat laatste is voor Dyckerhoff Basal relevant. Onder de Omgevingswet zullen de maximale normen aangepast worden volgens de in het bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) gestelde maximale normen. Wanneer de Omgevingswet toch niet in werking treedt zijn er twee oplossingsmogelijkheden/terugvalopties. De eerste is dat het systeem met geluidproductieplafonds en jaargemiddelde waarden voor industrieterreinen toch binnen 10 jaar wordt ingevoerd, net zoals bij Rijkswegen al is gebeurd. De tweede is dat alsnog wordt voldaan aan de grenswaarden Wet geluidhinder. Dit zou kunnen als gebruik gemaakt wordt van de maximale aftrek redelijke sommatie. In dat geval kan ook zonder ingrijpende maatregelen aan de grenswaarden Wet geluidhinder worden voldaan. Overigens is het niet aannemelijk dat de Omgevingswet niet in werking zal treden. De wet is immers al aangenomen. Ter discussie staat wanneer de wet in werking zal treden.
In de toelichting is toegevoegd dat het om een tijdelijke afwijking gaat. In de bestemmingsplanregeling is niet voorzien in een regeling op grond waarvan bestaande woningen zijn uitgezonderd van de regels over geluidbelasting. Dit zou betekenen dat conform artikel 43.3 lid b de woning Schiekade 1 voorzien zou moeten worden van een dove gevel en dat moet voldaan worden aan de bepalingen uit artikel 40. Voor nieuwe woningen is dit te realiseren, voor het aanwezige woonhuis aan de Schiekade 1 zal dit waarschijnlijk niet het geval zijn, terwijl onduidelijk is wie hier dan de kosten voor zou moeten dragen. Gesteld evenwel dat in de planregeling kan worden ingelezen dat deze bepalingen alleen maar van toepassing zijn op nieuwe woonsituaties, dan zal de statuswijziging van deze woning leiden tot aantasting van de bedrijfssituatie van Dyckerhoff Basal. Het verzoek is kortom om voor deze woning een passende regeling te ontwerpen die recht doet aan de betrokken belangen. Verwezen wordt naar de thematische beantwoording over geluid, onderdeel bestaande woningen versus nieuwe woningen. Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
De indiener wijst op het risico dat in het ontwerp bestemmingsplan wordt gekozen om een vergunningplicht te koppelen aan -kort gezegd- geluidgevoelig gebruik (artikelen 40.1 en 43.2 van de planregels), terwijl de Wet geluidhinder uitgaat van een systematiek die gekoppeld is aan gebouwen zoals woningen en andere geluidgevoelige bouwwerken. Onder de huidige Wet 22
Beantwoording
1d
Aanpassing Samenvatting
Beantwoording
1e
Aanpassing Samenvatting
algemene bepalingen omgevingsrecht kan nog worden gesteld dat het bouwen van een geluidgevoelig object en geluidgevoelig gebruik onlosmakelijk zijn, maar onder de nieuwe Omgevingswet geldt dat niet langer. Een en ander acht Dyckerhoff Basal in strijd met de rechtszekerheid en met een goede ruimtelijke ordening. Doordat het bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven) tot stand komt onder de huidige wetgeving moet dit plan dan ook voldoen aan de bestaande wettelijke regels. De regels moeten dan ook aansluiten op de bestaande wetgeving en niet de Omgevingswet. Via de begripsbepaling is een geluidgevoelige functie gedefinieerd waarbij aangesloten is bij een geluidgevoelig object, zoals beschreven in de begripsbepaling uit de Wet geluidhinder. Overigens is een gebouw pas geluidgevoelig zodra en voor zover het gebruik als woning (of ander geluidgevoelig gebruik) op grond van het bestemmingsplan is toegelaten. In dit plan is dat gebruik achter een vergunning gestopt. Daardoor ontstaat juist rechtszekerheid, zowel onder de huidige als de toekomstige wetgeving. Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. De indiener acht het vanuit een oogpunt van rechtszekerheid van groot belang dat het akoestische model dat ten grondslag ligt aan dit bestemmingsplan niet eenzijdig en zonder kennisname van belanghebbenden zou mogen worden gewijzigd.
Het gebruik van het model is gekoppeld aan een vergunningprocedure. In dat kader staan eventuele wijzigingen aan het model open voor bezwaar en beroep. Uiteraard is, met het oog op een zorgvuldige besluitvorming, bepaald dat eventuele wijzigingen in het model worden benoemd en gemotiveerd. Die wijzigingen kunnen betrekking hebben op: - geluidbronnen; - gevels van geluidgevoelige gebouwen; - wijzigingen in het overdrachtsgebied. Juist vanwege de verwachte dynamiek in het gebied is het bij de vergunningverlening van belang uit te kunnen gaan van de dan actuele situatie. Met name als de wijzigingen betrekking hebben op geluidbronnen is het evident dat die wijzigingen niet eenzijdig en zonder kennisname van belanghebbenden worden doorgevoerd. Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. De indiener stelt een aantal wijzigingen ter correctie en verduidelijking door te voeren in artikel 24 (nieuw artikel 27) van de planregeling. Zie hiervoor de desbetreffende zienswijze. Onderstaand een korte weergave van de voorgestelde aanpassingen: 1. In 24.1 (nieuw 27.1) toevoegen dat het gaat om een geluidzoneringsplichtige inrichting 23
Beantwoording
1f
Aanpassing Samenvatting
Beantwoording
1g
Aanpassing Samenvatting
2. 24.2 (nieuw 27.2) opdelen waarbij 24.2 (nieuw 27.2) onder a, b en c blijven staan en de bepalingen onder 24.2 (nieuw 27.2) onder d en e verplaatsen naar een nieuw lid waarbij aangemerkt wordt dat de inrichting binnen de aanduiding ‘overige zone – bedrijven Dyckerhoff Basal’ in ieder geval moet voldoen aan deze genoemde regels 3. 24.3 (nieuw 27.3) hernummeren en ook verwijzen naar het nieuwe lid 24.3 (nieuw 27.3) 4. 24.5 (nieuw 27.5) hernummeren en onder a toevoegen “indien” en ook verwijzen naar het nieuwe lid 24.3 (nieuw 27.3) 1. Is verwerkt. 2. Onduidelijk is waarom de opsplitsing nodig is. Bovendien is het niet mogelijk ‘in ieder geval’ op te nemen omdat de voorwaarden een limitatieve lijst moeten zijn, als er nog meer voorwaarden zijn, dan die ook opnemen. 3. Is niet nodig als de opdeling niet verwerkt wordt. 4. Een kleine tekstuele wijziging wordt doorgevoerd. De hernummering is niet nodig als de opdeling niet verwerkt wordt. Dit leidt tot aanpassingen in de regels van het bestemmingsplan, zoals bovenstaand beschreven De indiener stelt een aantal wijzigingen ter correctie en verduidelijking door te voeren in artikel 25 van de planregeling. Zie hiervoor de desbetreffende zienswijze. Onderstaand een korte weergave van de voorgestelde aanpassingen: 1.
In 25.1 (nieuw 28.1) tekstuele aanpassing naar “geluidzone industrielawaai van het gezoneerd industrieterrein Dyckerhoff Basal als bedoeld in de Wet geluidhinder” 2. In 25.2 (nieuw 28.2) verwijzing opnemen naar artikel 36.1 én voorwaarde voor geluidmaatregel aanvullen met “een buitenklimaat achter een vliesgevel of vergelijkbare geluidwering aan een gebouw; een dove gevel” 1. Is verwerkt. 2. De maatregelen zoals genoemd in artikel 36.1 (nieuw artikel 40.1 dove gevel) dienen ook in stand gehouden te worden. Om dit ook te borgen is dit artikel aangevuld. Dit leidt tot aanpassing in de regels van het bestemmingsplan. De indiener stelt een aantal wijzigingen ter correctie en verduidelijking door te voeren in artikel 36 (nieuw artikel 40) van de planregeling. Zie hiervoor de desbetreffende zienswijze. Onderstaand een korte weergave van de voorgestelde aanpassingen: 1. In 36.1.1 toevoegen “een gebouw op te richten” 2. In 36.1.1 toevoegen “voor een” en “of” 3. In 36.1.2 onder a1 opsplitsen in een opsomming van 2 en achter “artikel 22” invoegen “niet meer bedraagt dan 50 dB(A) (etmaalwaarde) 24
Beantwoording
4. In 36.1.2 onder a1 en a2 toevoegen “en” zodat het bepaalde onder a en b van toepassing zijn 5. In 36.1.2 onder b “dat” vervangen door “die” na “en de geluidbelasting” 6. In 36.1.2 onder c na “al dan niet gecumuleerd” invoegen “volgens artikel 36.1.2 onder b” 7. In 36.1.2 onder d aanpassen naar “In aanvulling op het bepaalde onder a tot en met c wordt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 36.1.1 slechts verleend, als de geluidbelasting als gevolg van piekgeluiden op de gevel van geluidgevoelige objecten en functies, voor zover gelegen binnen een afstand van 50 meter van de grens van het terrein waar deze piekgeluiden worden veroorzaakt bij inrichtingsactiviteiten, niet meer bedraagt dan: ” 8. In 36.1.2 onder e “in uitzondering op” vervangen door “in afwijking van” 9. In 36.1.2 onder e aanpassen naar “In afwijking van het bepaalde onder d geldt dat voor piekgeluiden als gevolg van activiteiten op grond artikel 24 en 25 van dit plan op de gevel van geluidgevoelige objecten en functies, een omgevingsvergunning ook verleend wordt als de geluidbelasting van deze piekgeluiden in de avond- of nachtperiode meer bedraagt dan 65 dB(A) en aangetoond is wordt dat wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:” 10. In 36.1.3 na “zoals bedoeld in” benadrukken dat het om de geluidbelasting gaat zoals bedoeld in dit bestemmingsplan 11.
In 36.1.3 het versienummer en datum van het geluidmodel opnemen 12. In 36.1.3 onder b een wijzigingsbevoegdheid opnemen om het geluidmodel te kunnen wijzigen 13. In 36.1.4 opnemen dat een omgevingsvergunning als bedoeld in 36.1.2 “in ieder geval niet” wordt verleend “tenzij” onderzocht is welke maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting “op de gevels van geluidgevoelige objecten vanwege inrichtingsactiviteiten” zoveel mogelijk te beperken tot 50 dB(A) “(etmaalwaarde)” 14. In 36.2.3 verwijzing naar 36.2.2 opnemen i.p.v. 36.1.1 De gemeente is parallel aan de tervisielegging de geluidregels gaan uitwerken, waaronder artikel 36 (nieuw artikel 40). Deze uitwerking leidt ertoe dat de geluidregels aangepast zijn. Dat betekent dat voorgestelde aanpassingen, waarvan onderstaand is aangegeven dat die verwerkt zijn, wellicht niet letterlijk terug te vinden zijn. De strekking van de aanpassing is wel meegenomen in de aanpassingen van het betreffende artikel. 1. Is niet nodig dat toe te voegen. Het gaat erom dat een gebouw niet voor een gevoelige functie kan worden gebruikt. Het gebouw mag wel worden gebouwd zonder te voldoen aan de geluidregels 25
1h
Aanpassing Samenvatting
2. “voor een” is niet verwerkt; “of” wel 3. Is verwerkt 4. Niet nodig dit te verwerken, de leden in het plan zijn altijd complementair tenzij dat nadrukkelijk vermeld met het woord “of” 5. Is verwerkt 6. Is niet verwerkt. De koppeling naar 36.1.2 onder b (nieuw artikel 40.1.2 onder d) zit al in de bepaling. Het toevoegen zou juist tot onduidelijkheid kunnen leiden. 7. Is verwerkt 8. Is niet verwerkt, de strekking van de regel blijft gelijk. “Afwijking” doet vermoeden dat er een extra procedure benodigd zou zijn. Dat is niet het geval. 9. De verwijzingen naar artikel 25 (nieuw artikel 28) is niet juist en is niet overgenomen. Het gaat om geluid als gevolg van de activiteiten op de gronden die aangewezen zijn voor Dyckerhoff Basal. 10. Is niet verwerkt. De verwijzing naar het model komt op iedere plek waar dat nodig is en verwijst naar een specifiek artikel in dit bestemmingsplan 11. Niet nodig dat te regelen in de begripsbepalingen is bepaald wat onder het geluidmodel wordt verstaan. Het actueel houden van het model is essentieel voor de doelmatigheid van het model in relatie tot de herontwikkeling van Schieoevers Noord. 12. Een wijzigingsbevoegdheid is niet nodig. Het betreft een dynamische verwijzing naar het geluidmodel, zodat het model waar nodig geactualiseerd kan worden en dat is ook wenselijk.
Wel is toegevoegd dat bij toepassing van het geluidmodel wijzigingen in de omgeving van de inrichtingen verwerkt moeten worden. De toepassing van het geluidmodel richt zich dus met name op de geluidbronnen van elke inrichting en de indeling en bebouwing van elke inrichting. Alle gemelde en vergunde wijzigingen in de geluidbronnen, de indeling en de bebouwing zullen in het geluidmodel verwerkt moeten worden. 13. De zienswijzen is niet op deze wijze verwerkt. Ambtshalve is het artikel wel gewijzigd. De omgevingsvergunning wordt verleend als maatregelen om het geluidniveau te beperken tot 50 dB in voldoende mate zijn onderzocht. Daarnaast geldt uiteraard dat de vergunning wordt verleend als voldaan wordt aan de bepalingen uit 36.1.2 (nieuw artikel 40.1.2). 14. Is verwerkt Dit leidt tot aanpassing in de regels van het bestemmingsplan, zoals bovenstaand beschreven. Op grond van het huidige bestemmingsplan Schieoevers Noord is het bedrijfsterrein van Dyckerhoff Basal onder meer bestemd voor bedrijvigheid uit milieucategorie 3.2 en lichter. Blijkens 26
Beantwoording
1i
Aanpassing Samenvatting
artikel 20 van het ontwerp bestemmingsplan is het de bedoeling om die algemene bedrijfsbestemming in te trekken, waarna het terrein, de laad- en loskade en de bijbehorende geluidzone blijkens artikel 24.1 (nieuw artikel 27.1) en 25.1 (nieuw artikel 28.1) van het ontwerp bestemmingsplan enkel mag worden gebruikt voor de bestaande inrichting. De indiener wijst erop dat dit in strijd is met de door de raad onderschreven uitgangspunten ter behoud van bedrijvigheid. Verder is het in strijd met de provinciale Omgevingsverordening (artikel 6.12) die voorschrijft dat categorieën van bedrijvigheid dienen te worden toegelaten op bedrijventerreinen. In het ontwerp van de herziening van de Omgevingsverordening is bepaald dat nieuwe bestemmingen voor milieugevoelige functies geen extra beperkingen mogen opleggen aan bestaande zware en/of watergebonden bedrijvigheid. De indiener vindt het eerder voor de hand liggend om de verschrijving van artikel 3.3.2 lid a in het geldende bestemmingsplan Schieoevers Noord te herstellen. Schieoevers Noord is een gezoneerd industrieterrein dat aangewezen is voor transformatie naar deels milieugevoelige functies. Dat betekent dat bedrijven en milieugevoelige functies zich naar elkaar moeten schikken om de transformatie te laten slagen. De gemeente is hierover ook met de provincie in overleg.
Het uitgangspunt is de bestaande activiteiten te behouden en beperkt ruimte bieden aan nieuwe en verandering van de bestaande activiteiten. Dit is in de regels ook zo verwoord. De bestaande activiteiten, inclusief een beperkte ontwikkelruimte, is de RBS. De RBS is, omdat het doorgaans de representatieve hinder is, als geluidzone opgenomen in het bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven). Een uitbreiding of aanpassing van de bedrijfsactiviteiten is toegestaan zolang de 50 dB(A) als gevolg van de bedrijfsactiviteiten maar binnen de geluidzone in het bestemmingsplan blijft. Wanneer een bedrijf vertrekt en een ander bedrijf wordt op de locatie gevestigd gelden er andere meer specifieke regels. Deze regels dragen eraan bij dat een gemengd gebied kan worden gerealiseerd waarin wonen en werken samen komen. Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. De indiener mist een verdere vertaling in de planregels van het uitgangspunt dat goede afstemming en overleg belangrijk is. In lijn daarmee ligt voor de hand te bepalen dat vergunningaanvragen niet ontvankelijk worden beschouwd, tenzij blijkt van afstemming met belanghebbenden. Deze afstemming dient minimaal te geschieden in de vorm van gelijktijdige toezending van een vergunningaanvraag aan belanghebbenden die zich hiervoor hebben geregistreerd/aangemeld.
De indiener raadt aan dit te organiseren via het digitaal communicatieplatform dat de initiatiefnemer in het leven zal roepen en daarop de mogelijkheid te geven aan degenen die het op prijs stellen zich te registreren voor deelname aan dergelijke participatie. 27
Beantwoording
Aanpassing
In het bestemmingsplan leggen we niet vast hoe de vergunningprocedure verloopt. Daarvoor gelden wettelijke procedure-eisen. De gemeente Delft zal, net als bij alle andere aanvragen binnen de gemeente, de ingekomen vergunningaanvragen niet delen met andere betrokkenen in het gebied. Via www.overheid.nl zijn alle aanvragen te bekijken. Ook is het via dit portal mogelijk om aan te geven dat je een melding wilt ontvangen als er een vergunningaanvraag is ingediend. Deze al beschikbare mogelijkheden acht de gemeente Delft voldoende. Verder is het aan de aanvrager zelf om zijn voornemen met belanghebbenden te delen. Onder de Omgevingswet is een van de indieningsvereisten dat de aanvrager moet aantonen dat er voldoende geparticipeerd is voorafgaande aan het aanvragen van de vergunning. Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
2: Asselbergs & Klinkhamer Advocaten namens Hordijk EPS Verpakkingen en Isolatieproducten B.V. en Hordijk Beheer B.V. 2a Samenvatting Verwezen wordt naar de zienswijzen van EBH Legal tegen het ontwerpbestemmingsplan, ontwerpbesluit hogere grenswaarden, tegen de concept-MER en de zienswijze met onderbouwing van Peutz op de geluidsaspecten van het ontwerpbestemmingsplan Beantwoording Verwezen wordt naar de beantwoording onder 9. Aanpassing Voor de eventuele aanpassingen aan het bestemmingsplan als gevolg van deze ingelaste zienswijzen wordt verwezen naar de genoemde aanpassingen onder 9. 2b Samenvatting Hordijk heeft niet ingestemd met de 0-meting mede omdat deze onzorgvuldig en onvolledig is. Daarom gaat het bestemmingsplan niet uit van een representatieve bedrijfssituatie voor Hordijk. Met de bedrijven is afgesproken dat er van de feitelijke situatie uitgegaan zou worden. Voor Hordijk betekent dat rekening wordt gehouden met de volgende uitgangspunten: • Hordijk produceert soms 24 uur per dag. • er vindt aanvoer en transport van ADR-klasse 9 EPS-granulaat plaats dat niet in de omgevingsvergunning is opgenomen. Het EPS-granulaat (en gereed product) wordt ter plaatse opgeslagen. Dit dient in het kader van externe veiligheid te worden meegenomen. • er komt pentaan (met restgassen) vrij, wat een penetrante geur veroorzaakt.
Er ontbreekt een compleet geuronderzoek • er worden lasrook en stikstofoxiden uitgestoten. • er vindt mogelijke smogvorming plaats en/bij de toekomstige woningen als gevolg van pentaan, restgassen, lasrook, verbrandingsgassen • de waterdamp van de natte koeltoren brengt een risico op legionellabesmetting met zich mee. 28
Beantwoording
2c
Aanpassing Samenvatting
Het ontwerpbestemmingsplan gaat niet uit van de juiste feitelijke situatie en de benodigde ontwikkelruimte. • Het resultaat van de 0-meting is een veel ruimere geluidzone dan in de vergunde situatie. Er is in ruime mate rekening gehouden met de plannen van Hordijk en daarover is intensief met het bedrijf gecommuniceerd. Ook de 24-uursproductie is in de 0-meting betrokken. • Het aspect externe veiligheid of gevaar staat de ontwikkeling van Nieuwe Haven niet in de weg: het bedrijf valt niet onder het Bevi en de afstand tot Nieuwe Haven is ruim genoeg om bijvoorbeeld brandoverslag te voorkomen. • Er is geen sprake van een vergunde geurcontour, toch is de geurverspreiding in de omgeving vastgesteld. Duidelijk is dat het bedrijf haar vergunning moet aanvullen op het aspect geur. De maximaal te vergunnen geurbelasting op de bestaande omgeving is aanvaardbaar bevonden voor de nieuwbouw van Nieuwe Haven. • Eventuele lasrook moet worden afgezogen. Niet is in te zien dat lasrook bij de woonomgeving tot hinder kan leiden. Voor stikstofoxiden geldt dat daarvoor grenswaarden op grond van de Wet milieubeheer gelden, direct buiten de grens van de inrichting. Op dit moment zijn er bij de Omgevingsdienst geen klachten bekend met betrekking tot lasrook afkomstig van Hordijk. • Eventuele smogvorming zou zich dan ook voor kunnen doen bij de bestaande woningen direct naast Hordijk.
Voor zover die hinderlijk is en zich niet uitsluitend bij hoge uitzondering voor doet zal Hordijk gehouden zijn daartegen maatregelen te treffen, op grond van de milieuvergunning of de zorgplicht. Door de nieuwe woningen wordt dit niet anders. Mede gezien de afstand tot de nieuwe woningen (meer dan 70 meter tussen de bedrijfsgebouwen en de nieuwe woningen) is het zeer onwaarschijnlijk zo niet uitgesloten dat er zich hinder door smogvorming door pentaan, restgassen, lasrook en verbrandingsgassen bij de nieuwe woningen voor zal doen. • Eventuele risico’s op verspreiding van legionella naar de omgeving moet sowieso door Hordijk voorkomen worden, ook als er geen woningen worden geprojecteerd in Nieuwe Haven. Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. De incidentele bedrijfssituatie (IBS) dient meegenomen te worden. In het geluidsonderzoek van RHDHV wordt geconcludeerd dat gegevens over de incidentele bedrijfssituatie ontbreken. Aangenomen is dat die situatie niet tot significante geluidsniveaus in de omgeving zou leiden. Dit is een ongefundeerde conclusie en dit dient nader onderzocht te worden. 29
Beantwoording
2d
Aanpassing Samenvatting
Beantwoording
Uit de bestaande milieuvergunning blijkt niet dat er een relevante incidentele bedrijfssituatie (IBS) is. Ook uit het RBS-onderzoek en de afstemming met het bedrijf daarover is dat niet gebleken. In de zienswijze wordt tot slot ook niet concreet gemaakt wat die incidentele bedrijfssituatie dan zou zijn. Het is op basis van de beschikbare gegevens niet mogelijk een andere conclusie te trekken voor de IBS van Hordijk. Los daarvan regelt het bestemmingsplan niet de kaders van een eventuele IBS, anders dan via de zorgplichtbepaling. Het regelen van een eventuele IBS valt verder onder de omgevingsvergunning milieu van het bedrijf. Dat valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan. Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. In artikel 22 van de planregels is de geluidruimte van bestaande inrichting vastgelegd. Dit is voor Hordijk een enorme beperking, omdat de inrichtingsgrens strak om het terrein van Hordijk is getrokken. Uit het rapport van RHDHV (geluidsonderzoek) blijkt dat de 50 dB(A)-contour op maar liefst 120 m buiten de 50 m afstand van de inrichtingsgrens is gelegen. Na de realisatie van de uitbreidingsplannen (worden nagezonden) zal de contour op maar liefst op 180 m komen te liggen. De gewenste uitbreiding (10 extra productiemachines, magazijn met loading-docks en het draaien van extra nachtdiensten) wordt daardoor enorm beperkt.
Uit het rapport van RHDHV blijkt ook dat het onmogelijk is om de 50 dB(A) op de grens van de inrichting te halen. Deze grens had nooit als zodanig in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen mogen worden. Het ontwerpbestemmingsplan gaat er niet van uit dat de 50 dB(A) contour op de inrichtingsgrens is gelegen. In artikel 22 (nieuw artikel 25) is niet de geluidruimte van het bedrijf weergegeven maar zijn de gronden aangewezen waarop de activiteiten mogen plaatsvinden die bij het bedrijf horen. Dit is vergelijkbaar met de eigendomsgrenzen. In artikel 23 (nieuw artikel 26) is de geluidruimte weergegeven. Op de verbeelding van het bestemmingsplan is daarvoor de aanduiding ‘geluidzone – bedrijven’ opgenomen. Die geluidzone is voor Hordijk veel ruimer dan de terreingrens of inrichtingsgrens. De geluidruimte voor Hordijk is daarmee veel groter dan de thans vergunde geluidruimte en loopt tot een afstand van 230 meter van de terreingrens. Dat komt overeen met de in de zienswijze genoemde afstand van 180 + 50 meter. De extra geluidruimte kan benut worden voor het verruimen van de bedrijfstijden, dan wel, als gekozen wordt voor extra productiecapaciteit in plaats van verruiming van de bedrijfstijden, voor het bijplaatsen van extra machines. Uitgangspunt is een uitbreiding van de productiecapaciteit van 30%.
Dus een combinatie van én extra machines én extra bedrijfstijd in de nachtperiode kan alleen indien deze past binnen de in dit plan vastgestelde geluidruimte. 30
Voor wat betreft geluid en geur is de opgave voor Hordijk met name richting de ODH en de milieuvergunning, die aangepast moet worden. De ruimte die het plan gaat bieden voor geluid en geur is als ‘worst case’ te beschouwen en ruim voldoende voor Hordijk.
Aanpassing
2e
Samenvatting
Beantwoording
2f
Aanpassing Samenvatting
Niettemin zijn de regels voor Hordijk niet volledig. De geluidruimte in de dag- en avondperiode is namelijk minder groot dan in de nachtperiode. De geluidzone Hordijk is echter gebaseerd op de nachtperiode. De regels voor de dag- en avondperiode en de nachtperiode worden daarom gesplitst. Hiervoor is een specifieke regeling opgesteld. Dit betreft een ambtshalve wijziging. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Ambtshalve vindt wel een wijziging plaats om de geluidniveaus als gevolg van de activiteiten van Hordijk in de dag- en avondperiode en de nachtperiode beter te regelen. De woningen aan de Rotterdamseweg 258-264, pal naast Hordijk gelegen, zouden een geluidbelasting van 56 dB(A) ondervinden zo wordt geconcludeerd in de geluidsrapporten. Deze overschrijding zou volgens de rapportage ongedaan gemaakt moeten worden in de procedure over de omgevingsvergunning. Echter, Hordijk kan dit niet ongedaan maken en dat was op basis van het huidige bestemmingsplan ook niet nodig. Het is onredelijk om Hordijk voor deze kosten op te laten draaien. Ter plaatse van de genoemde woningen geldt thans een maximale toegestane geluidbelasting (MTG) van 55 dB(A). Dit betreft een grenswaarde Wet geluidhinder voor al het geluid van het industrieterrein. Deze grenswaarde mag ook nu, onder het vigerende bestemmingsplan, niet worden overschreden.
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning milieu zal een geluidbelasting van 55 dB(A) daarom, ook in de toekomstige situatie na dezonering, als maximum worden aangehouden. Eventuele kosten aan maatregelen om hieraan te voldoen zijn voor rekening van Hordijk zelf. Zonder aanpassing van dit bestemmingsplan is dat ook al zo. De maximale geluidbelasting voor deze woningen wordt met onderhavig bestemmingsplan niet aangepast. Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voorziet in woningbouw en andere geluidgevoelige functies op zeer korte afstand van Hordijk. Woningen kunnen op een afstand van 60 m van Hordijk worden gerealiseerd. Het behalen van de geluidnorm van 50 dB(A) op deze geluidgevoelige functies is onhaalbaar. Dit getuigt niet van goede ruimtelijke ordening en daarnaast wordt een uitbreiding (wordt nagezonden) van Hordijk hierdoor onmogelijk gemaakt.
31
Beantwoording
Op deze manier worden de bestaande bedrijfsactiviteiten onder het overgangsrecht geplaatst, wat volgens vaste rechtspraak uitsluitend is toegestaan als vaststaat dat gedurende de planperiode de strijdige activiteiten ook daadwerkelijk zullen worden verwijderd. Dit is niet aan de orde. Tot slot moet steeds een omgevingsvergunning worden aangevraagd om de activiteiten te vergunnen, terwijl niet vaststaat dat deze vergunning wordt verkregen. Verwezen wordt naar de beantwoording onder 2d. De geluidruimte voor Hordijk is veel ruimer dan in de zienswijze verondersteld. De toelaatbare geluidbelasting in de maatgevende nachtperiode is zelfs circa 60 dB(A). Alleen door het treffen van maatregelen bij de woningen is dat inpasbaar gebleken. Dit is met de ontwikkelaar afgestemd en hier zijn onderling (Hordijk en ontwikkelaar) afspraken over gemaakt. Verder worden de bestaande activiteiten niet onder het overgangsrecht gebracht met dit bestemmingsplan. Deze activiteiten worden juist expliciet toegestaan in artikel 22 (nieuw artikel 25 ) met bijbehorende geluidruimte.
2g
Aanpassing Samenvatting
Beantwoording
Ook de noodzaak voor het aanvragen van omgevingsvergunningen is voor de bestaande activiteiten niet nodig. Alleen als een nieuwe activiteit wordt gestart of een wijziging/uitbreiding van de bestaande activiteiten is voorzien is een omgevingsvergunning of een melding nodig. De voorwaarden om de vergunning te verlenen staan in het bestemmingsplan. Als indiener aan de voorwaarden voldoet, zal de vergunning worden verleend. Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. In artikel 22.5 (nieuwe artikel 25.5) zijn de beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning opgenomen. Hordijk wordt door de cumulatie in dit artikel afhankelijk gemaakt van de geluidsproductie van andere bedrijven. Gezien het grote aantal bedrijven en hoge geluidsemissie die alle bedrijven produceren is de genoemde norm van 55 dB(A) onrealistisch. Daarnaast is een jaargemiddelde ook niet meetbaar en handhaafbaar en daarom rechtsonzeker. Verwezen wordt naar de beantwoording onder 2d en 2f. De cumulatieve norm gaat voor Hordijk pas een rol spelen in geval bij een uitbreiding/wijziging van de bedrijfsactiviteiten die niet past binnen de voor Hordijk vastgelegde geluidzone. In de geluidzone van Hordijk (en ook de andere bestaande bedrijven) is rekening gehouden met de bestaande activiteiten én een uitbreidingsruimte, die veel groter is dan de thans vergunde geluidruimte.
De geluidzone voor Hordijk is dus al zeer ruim ten opzichte van de nu vergunde geluidruimte. De veronderstelde afhankelijkheid wordt niet gedeeld. Het ligt daarom ook niet in de rede om nog meer 32
2h
Aanpassing Samenvatting
2i
Beantwoording Aanpassing Samenvatting
Beantwoording
2j
Aanpassing Samenvatting
Beantwoording
geluidruimte toe te staan. Doordat er al een ruime geluidruimte is, zal Hordijk ook niet toekomen aan vaststelling en toetsing aan jaargemiddelde waarden. Overigens merken wij op dat het onder de Omgevingswet wel degelijk mogelijk (en handhaafbaar) wordt om jaargemiddelde waarden rechtszeker vast te stellen. In dit bestemmingsplan is die mogelijkheid vooruitlopend op de Omgevingswet met toepassing van de Chw overgenomen. Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. In het akoestisch onderzoek van Aveco De Bondt is uitgegaan van de eerder bestreden 0-meting. Dit is niet correct en er dient uitgegaan te worden van de maximale planologische mogelijkheden. Hordijk betwijfelt ook of het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de voorziene woningen, zoals in dit rapport is aangegeven correct zijn. De woningen liggen namelijk al in de contour van de 55-99 dB(A) van Hordijk. Er dient een nieuwe zorgvuldige geluidmeting te worden verricht. Verwezen wordt naar beantwoording onder 2d en 2f. Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. De voorkeursgrenswaarden van 45 dB(A) uit de Wet geluidhinder worden overschreden. Er wordt bij de geluidsberekeningen rekening gehouden met een reductie van 5 dB(A) voor het vernieuwen van de koelventilatoren. Die zijn echter niet vervangen en Hordijk is niet voornemens dit te doen.
Onder het huidige bestemmingsplan levert dit geen probleem op. Hordijk is niet van plan voor deze kosten op te draaien. Er kan dan ook niet met de genoemde reductie rekening gehouden worden, want het is niet haalbaar. De Wet geluidhinder kent geen voorkeursgrenswaarde van 45 dB(A). Wel is uit het onderzoek gebleken dat maatregelen nodig zijn om in de avondperiode tot een aanvaardbare geluidsituatie te komen bij de nieuwe woningen in Nieuwe Haven. De maatregelen zijn redelijk en ook technisch haalbaar. De kosten komen voor rekening van de ontwikkelaar. Bij het bepalen van de geluidruimte voor Hordijk (zie ook beantwoording 2d) is rekening gehouden met deze maatregel. Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. De geluidscumulatie in het rapport van Aveco De Bondt is onzorgvuldig. Tussen Prysmian en Hordijk zou geen sprake zijn van cumulatie. Dit is onjuist. Ook is er sprake van cumulatie tussen WKC en Hordijk. Daarnaast zijn de niet-Wgh-bronnen niet meegenomen. Dit getuigt niet van een goede ruimtelijke ordening. Doordat de geluidcumulatie dusdanig hoog is, kan er geen sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit geldt dan ook voor het besluit hogere waarden. Verwezen wordt naar de thematische beantwoording over geluid, onderdeel ‘Cumulatie geluidbronnen en betrekken van bronnen die individueel niet boven de maximale norm uitkomen’. 33
Verder zijn de berekeningen uitgevoerd conform het daarvoor opgestelde Nota - Geluidskader Schieoevers Noord (17 december 2021). Dit geluidkader bevat uitgangspunten voor industriegeluid (gezoneerd en niet gezoneerd). Hierin zijn ook kaders gesteld voor cumulatie. Naar oordeel van de raad wordt voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als de uitgangspunten uit het beleidskader worden nageleefd. Het treffen van maatregelen aan de woningen van Nieuwe Haven maakt daar deel van uit.
2k
Aanpassing Samenvatting
Beantwoording
Van relevante cumulatie met het geluid van Prysmian zal geen sprake zijn. Er is wel sprake van cumulatie met het geluid van de WKC. In de nachtperiode is dat geen probleem door de maatregelen aan de gevels bij de woningen. In de dag- en avondperiode wordt voldaan aan de maximale cumulatieve waarde (een geluidbelasting van 55 dB(A) etmaalwaarde). Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. • Geluid van terrassen en stemgeluid en geluid door evenementen en buitenactiviteiten dienen te worden meegenomen. • Hordijk betwijfelt of er daadwerkelijk kleinschalige evenementen met een frequentie van 5 per jaar, plaats zullen gaan vinden, zoals artikel 35.3 (nieuw artikel 38) voorschrijft. • Het geluid van omliggende wegen wordt onderschat, omdat uitgegaan is van de situatie onder de pandemie met lage verkeersdruk. • Het effect moet ook worden bezien op de buitenruimtes van de woningen. Het is al een zeer geluidoverbelaste omgeving. Het is, afgaande op bovenstaande, dan ook zeer de vraag of de realisatie van woningen wel in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Er is inderdaad sprake van een levendige omgeving met veel geluid, onder meer door terrassen en stemgeluid. Door de gekozen planopzet en met de regels in het bestemmingsplan die de kaders stellen voor de ontwikkeling en het bestaande gebruik, leidt dit echter niet tot een onaanvaardbare geluidbelasting.
Wel zal dit ertoe leiden dat het geluid van Hordijk deels gemaskeerd wordt door ander geluid en daardoor minder op zal vallen. • Voor de evenementen zijn in de regels van het bestemmingsplan maximale geluidniveaus voor het muziekgeluid vastgelegd om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zeker te stellen. Deze geluidniveaus mogen ter plaatse van geluidgevoelige objecten niet worden overschreden. Hordijk is niet een geluidgevoelig object. • Het bestemmingsplan schrijft in artikel 35.3 (nieuw artikel 38) niet voor dat 5 kleinschalige evenementen zullen plaatsvinden. Het bestemmingsplan geeft de maximale mogelijkheden 34
2l
Aanpassing Samenvatting
Beantwoording
weer. Het kan ook zijn dat er geen evenementen zullen plaatsvinden of minder dan 5. Meer is in ieder geval niet toegestaan op basis van het bestemmingsplan. • Het geluid van wegverkeer wordt gebaseerd op de verkeerssituatie 2032 op basis van een verkeersmodel. Van een lagere geluidbelasting door de pandemie is daarbij geen sprake. Deze feitelijke dip in de verkeersbewegingen is in het model niet meegenomen. Hiervoor wordt ook verwezen naar de thematische beantwoording over het MER onderdeel verkeersonderzoek. Wettelijk is geregeld dat de geluidbelasting wordt bepaald op de gevels van geluidgevoelige functies en objecten. Buitenruimten vallen daar dan buiten. Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. In de planregels wordt regelmatig verwezen naar de beleidsregel ‘Geluid Schieoevers Noord’. Deze beleidsregel is ten onrechte niet gelijk met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Hierop kan dan ook geen zienswijze gegeven worden en kan niet worden beoordeeld wat Hordijk te wachten staat. Deze mogelijkheid dient alsnog geboden te worden. Deze beleidsregels vullen onder andere het begrip ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ in. Dit begrip biedt onvoldoende rechtszekerheid voor Hordijk. De open normen moeten volgens rechtspraak voldoende concreet en objectief begrensd zijn en de bouw- en gebruiksmogelijkheden moeten voldoende duidelijk zijn.
Ook op dit punt is het plan in strijd met de rechtszekerheid. Om geluid goed af te wegen voor Schieoevers Noord is de Nota Geluidskader Schieoevers Noord opgesteld. Dit document vormt een volledige beschrijving van de geluidsituatie als gevolg van de bedrijven én de uitgangspunten voor geluid ten aanzien van de ontwikkeling van Schieoevers. Dat betekent dat beschreven is wat de gevolgen zijn van de dezonering en het opnemen van de geluidzones, aan welke regels een bedrijf moet voldoen (bestaand en nieuw), aan welke regels een ontwikkeling van gevoelige functies moet voldoen. Deze uitgangspunten zijn deels vertaald in de regels van het bestemmingsplan. De resterende aspecten, waar veelal nog een afweging nodig is, zijn verwerkt in de beleidsregel Geluid Schieoevers Noord. De beleidsregel maakt geen onderdeel uit van het bestemmingsplan maar is een zelfstandig instrument dat onderdeel is van het beoordelingskader. Een beleidsreel heeft zijn eigen procedure. In geval van geluid worden de beleidsregels door het college vastgesteld en niet, zoals het bestemmingsplan, door de gemeenteraad. Een beleidsregel hoeft niet voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan te worden vastgesteld. Voor Schieoevers Noord is een samenloop ontstaan tussen de beleidsregels en het bestemmingsplan om zo de geluidsregels te optimaliseren.
De beleidsregel is, gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan afzonderlijk gepubliceerd, zodat eenieder wel het bestemmingsplan in samenhang met de beleidsregels kon 35
2m
Aanpassing Samenvatting
Beantwoording
2n
Aanpassing Samenvatting
Beantwoording
2o
Aanpassing Samenvatting Beantwoording
bekijken om zo een compleet beeld te krijgen van de geluidsregels die in voor Schieoevers Noord gesteld worden. Overigens wordt de beleidsregel Geluid eerder in het college behandeld dan de raad besluit over het bestemmingsplan. Een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ is inderdaad een niet objectief begrensde norm in het bestemmingsplan, die in de beleidsregels nader wordt ingevuld met concrete eisen voor geluid. Deze concrete eisen zijn wel objectief begrensd. Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. De bepaling in artikel 36.1.4 (nieuw artikel 40.1.2) stelt dat er pas een omgevingsvergunning voor een geluidsgevoelig object wordt verleend als onderzocht is welke maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting te beperken. Dit is rechtsonzeker. Er ontbreekt een voorwaardelijke verplichting die daadwerkelijk waarborgt dat maatregelen worden uitgevoerd en in stand worden gehouden. Het betreft maatregelen bij bedrijven (inrichtingen), waarover tussen ontwikkelaar en bedrijf overeenstemming wordt bereikt. Borging daarvan vindt plaats in het milieuspoor (via een maatwerkvoorschrift op grond van het Activiteitenbesluit of via de omgevingsvergunning milieu). Het is niet mogelijk deze maatwerkvoorschriften met een voorwaardelijke verplichting te borgen in het bestemmingsplan. Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
In het akoestisch onderzoek zijn meetpunten op 30 m hoogte gehanteerd. De woningen ten noorden van Hordijk mogen niet hoger worden dan 30 m. De gekozen meetpunten zijn dan ook niet representatief. De hoogte van 30 meter uit het akoestisch onderzoek waaraan gerefereerd wordt, is representatief voor de geluidruimte van het bedrijf. Binnen die geluidruimte gelden daarnaast regels voor het vergunnen van de bouw en het in gebruik nemen van woningen. Bij het toepassen van de geluidregels voor de nieuwe woningen moet gerekend worden met de daadwerkelijke hoogte van de betreffende woningen. In de proefberekeningen, die zijn gedaan voor de afstemming tussen de ontwikkelaar en het bedrijf, is ook gerekend met de hoogten conform het stedenbouwkundige plan. Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Gelet op alle gebreken op de uitgevoerde geluidsonderzoeken behoudt Hordijk zich het recht voor om een eigen akoestisch onderzoek uit te laten voeren. De geluidonderzoeken bevatten geen gebreken en het resultaat is dat Hordijk wordt voorzien van veel meer geluidruimte dan thans aan het bedrijf is vergund, zie hiervoor de beantwoording onder 2b, 2d en 2f. Verder staat het, het bedrijf uiteraard vrij om ook eigen geluidonderzoek uit te laten
36
2p
Aanpassing Samenvatting
Beantwoording
voeren, wat in het kader van een aan te vragen en te verlenen omgevingsvergunning milieu ook nodig zal zijn. Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Door Blauw is een geuremissie-onderzoek bij Hordijk opgesteld. Onderstaande punten gaan in op de uitgangspunten van dat onderzoek: 1. Bij de verwerking van EPS-granulaat komt pentaan vrij met sterke geurbelasting. Onder het vigerend bestemmingsplan is dit geen probleem, omdat er geen geurgevoelige objecten aanwezig (mogen) zijn op korte afstand van het bedrijf. 2. Er zijn geen best beschikbare technieken beschikbaar om deze geurbelasting van pentaan weg te nemen. 3. Omdat er geen centrale pentaanafzuiging is, is deze bron niet opgenomen in het onderzoek. Dit is onbegrijpelijk. 4. Een plaatsing van een centrale pentaanafzuiging is niet realiseerbaar en ook niet beschreven als BBT. Plaatsing kan niet worden afgedwongen, noch wil Hordijk de rekening hiervoor betalen. Er dient daarom dan ook uitgegaan te worden van de geuremissie van pentaan zonder afzuiging. 5. In het geuremissie-onderzoek is aansluiting gezocht bij het geurhinderbeleid van de provincie Zuid-Holland. De waarde van de daarin genoemde 0,5 ouE/m3 als 98 percentiel wordt bij de geprojecteerde woningen ruimschoots overschreden (2 tot 1 ouE/m3 als 98 percentiel), zonder dat de pentaanemissie in de huidige situatie is meegenomen.
Er kan geen sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en er is sprake van strijd met het geurhinderbeleid. 6. Ook bij geurhinder dient uitgegaan te worden van de maximale planologische mogelijkheden. In het geuremissieonderzoek is dat niet het uitgangspunt geweest. Er is rekening gehouden met productietijden van maandag tot en met vrijdag tussen 06 en 23 uur, terwijl de omgevingsvergunning geen productietijden kent. Daarnaast is voor een toekomstige uitbreiding enkel uitgegaan van een verlenging van de productietijden terwijl er ook machines zullen worden bijgeplaatst. En er is geen rekening mee gehouden dat alle voor- en naschuimers gelijktijdig in bedrijf zijn. 7. Het onderzoek houdt geen rekening met cumulatie. 8. Het geuronderzoek is onzorgvuldig tot stand gekomen en is tevens niet actueel. Het onderzoek dateert van 2020, de voorschuimers zijn niet meegenomen. 1. Er zijn wel degelijk geurgevoelige bestemmingen in de directe omgeving van Hordijk aanwezig in de bestaande situatie, zoals de woningen aan de Rotterdamseweg (nummers 37
256, 258, 260, 362, 264 en 266) en de onderwijsgebouwen van InHolland. Al deze bestaande geurgevoelige gebouwen beperken al de geurruimte bij de invulling van de huidige maximale planologische mogelijkheden van Hordijk. Uitgaande van de huidige situatie, waarbij geen sprake is van centrale pentaanafzuiging ligt de 5 OU/m3 98 percentiel over de bestaande bestemming wonen aan de Rotterdamseweg. Geurgevoelige functies binnen de 5 OU contour zijn volgens het beoordelingskader van de provincie onacceptabel, ook in bestaande situaties. Bij het beoordelen van de uitbreidingsmogelijkheden moet daarom niet alleen gekeken worden naar de nieuwbouw bij Nieuwe Haven, maar ook naar de bestaande woningen. Bureau Blauw heeft naar aanleiding van de zienswijze een aantal aanvullende berekeningen uitgevoerd. Hieruit blijkt het volgende: • In de huidige situatie valt een deel van functie wonen aan de Rotterdamseweg binnen de 5 OU contour, de woningen zelf vallen er net buiten. Voor de nieuwbouw aan de Nieuwe Haven geldt dat deze buiten de 2 OU ligt. • Bij een uitbreiding in de tijd, waarbij volcontinue 8.760 uur per jaar wordt geproduceerd valt een deel van de woningen aan de Rotterdamseweg binnen de 5 OU contour. De Nieuwbouw aan de Nieuwe Haven valt in dit geval buiten de 2 OU contour.
Uitbreiding in de tijd is hierdoor voor Hordijk niet mogelijk, de nieuwbouw aan de Nieuwe Haven vormt hiervoor echter geen belemmering. • Bij een uitbreiding van de productiecapaciteit met 30% en het uitbreiden van de koeltoren valt een deel van de woningen aan de Rotterdamseweg binnen de 5 OU contour en valt een klein deel van de ontwikkeling aan de Nieuwe Haven binnen de 2 OU contour. Bij dit scenario is uitgegaan van een extrapolatie van de huidige situatie. Er is geen rekening mee gehouden dat nieuwe installaties zeer waarschijnlijk schoner zullen zijn en minder geur zullen uitstoten er is ook geen rekening gehouden met de maatregelen die Hordijk moet nemen tegen de pentaan emissies. Hier is dus sprake van een worst case scenario. In dit scenario wordt Hordijk ook beperkt door de woningen aan de Rotterdamseweg.
38
Uit deze berekeningen blijkt dat de planologische ruimte voor geur allereerst beperkt is vanwege de woningen aan de Rotterdamseweg en dat de ontwikkeling van Nieuwe Haven niet tot extra beperkingen leidt. 2. De toepasbare BBT voor pentaan is naverbranding. Uit de milieuvergunning van Hordijk blijkt dat er bij het onderdeel lucht een voorschrift is voor pentaanemissies (hoofdstuk 1.2.). Hierin wordt vermeld dat “het blaasmiddel (pentaan) dat vrijkomt bij voorschuimen en tussenopslag doelmatig dient te worden afgezogen en verbrand door middel van procesgeïntegreerde naverbranding”. Hier is Hordijk verplicht om de reductie van pentaan te realiseren. 3. Tijdens de voorbereiding van de uitgevoerde geurmetingen is aan Buro Blauw kenbaar gemaakt dat in de loop van het tweede kwartaal van 2020 de lucht van vier voorschuimers via een centrale pentaanafzuiging naar buiten zal worden geëmitteerd. Buro Blauw heeft rekening houdend met bovenstaande een meetplan opgesteld voor meting aan de centrale afzuiging van de voorschuimers, welke goedgekeurd is door zowel het bevoegd gezag als door Hordijk. De geplande realisatie van de centrale afzuiging was niet gereed ten tijde van de meting. Er zijn dan ook geen metingen aan de centrale pentaanafzuiging van de voorschuimers verricht.
Derhalve is Buro Blauw in het geuronderzoek uitgegaan van dezelfde gegevens zoals gemeten bij de naschuimers cluster 1. Het productieproces van de naschuimers is vergelijkbaar met dat van de voorschuimers, waardoor de emissie eveneens als soortgelijk beschouwd kan worden, zoals uitgelegd in hoofdstuk 5.2 van het geuronderzoek. Deze aanname is gedaan op basis van een overleg met Hordijk. Voor de voorschuimers is in de berekeningen dus eveneens uitgegaan van centrale pentaanafzuiging. 4. Deze informatie was tot op heden voor Buro Blauw niet bekend. Tijdens het geuronderzoek was het uitgangspunt zoals door Hordijk aangegeven dat wel sprake was van de realisatie van een centrale pentaanafzuiging, zoals het beschreven is in het meetplan. Buro Blauw heeft een nieuwe berekening uitgevoerd met 8 schoorstenen voor de voorschuimers met een diffuse emissie op dakniveau. Alle bronnen zijn vol continu ingevoerd (8.760 uur/jaar). Daarnaast zijn de berekeningen uitgevoerd zonder enkele pentaanemissiereductie. Dit is een worst-case benadering. De nieuwe berekeningen zijn als bijlage opgenomen bij de toelichting van het bestemmingsplan. 5. Het geurbeleid van de provincie is niet bindend voor de gemeente Delft. Daarnaast biedt het provinciaal geurbeleid afwegingsruimte. Uitgangspunt is de Delftse praktijk, deze past 39
binnen de afwegingsruimte die het provinciaal beoordelingskader geeft en zal niet of nauwelijks tot klachten leiden. Voor de geurbelasting als gevolg van Hordijk heeft de gemeente Delft een eigen afweging gemaakt. De geurbelasting op nieuwe woningen is in lijn met de Delftse praktijk (geurbelasting binnen de H=-1 98 percentiel). Bij het bepalen van de geurbelasting is rekening gehouden met 30% productiegroei. 6. Zie beantwoording onder 1. 7. Er zijn geen andere geurbronnen relevant voor de ontwikkellocaties zodat cumulatie hier niet aan de orde is. 8. De voorschuimers zijn in het geuronderzoek meegenomen, zoals hierboven reeds toegelicht. Destijds zijn alle berekeningen en aannames in overleg met Hordijk tot stand gekomen. Het onderzoek dateert van 2020, in lijn hiermee zijn ook de berekeningen uitgevoerd met de GeoMilieu versie uit 2020. De verspreidingsberekeningen zijn opnieuw uitgevoerd met de meest recente versie van GeoMilieu en de nieuwe informatie van de bovenstaande opmerking is hierin verwerkt.
2q
Aanpassing Samenvatting
Verwezen wordt hierbij ook naar de (eerder vermelde) aanvullende notitie die is opgesteld door bureau Blauw. Deze is als bijlage 23 bij de toelichting van het bestemmingsplan nieuw toegevoegd. Met de aanvullende informatie zijn nieuwe verspreidingsberekeningen gemaakt, waarbij is uitgegaan van 8 schoorstenen voor de voorschuimers, met een diffuse emissie van pentaan, en zonder centrale pentaanafzuiging. De verschillende scenario’s blijven binnen de ernstige hindergrens 5 ouE/m3 als 98-percentiel, zoals deze in het geurhinderbeleid van de Provincie ZuidHolland is vastgesteld. Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Door Anteagroup is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Hordijk trekt de conclusie ernstig in twijfel. Er zijn geen knelpunten naar voren gekomen. Maar: • Er zijn geen meetpunten opgenomen bij de woningen die op de kortste afstand van Hordijk kunnen worden opgericht. Dit terwijl uit meetresultaten blijkt dat op meetpunten 15, 16, 24, 25 en 26 de concentraties het hoogst zijn (dichtst bij Hordijk gelegen meetpunten). Er dient alsnog ter hoogte van de genoemde woningen gemeten te worden om een realistisch beeld te krijgen. • Daarnaast is onduidelijk van welke gegevens wordt uitgegaan.
Zijn alle bronnen van Hordijk en uit de omgeving meegenomen, is gemeten op representatieve momenten, is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden, is de pentaanemissie meegenomen? 40
•
Beantwoording
2r
Aanpassing Samenvatting
Beantwoording
Tot slot is de uitstoot van verkeer onderschat omdat uitgegaan wordt van 2022, dus een verlaagde verkeersbelasting vanwege de pandemie. • In het kader van het bestemmingsplan is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd dat de invloed van het bestemmingsplan-initiatief op de omgeving onderzoekt. De invloed van het initiatief op de omgeving heeft betrekking op het wegverkeer. Overigens is voor luchtkwaliteit niet gemeten, maar een modelmatige berekening gedaan, conform de Regeling beoordeling luchtkwaliteit. Daarbij is dan ook uitgegaan van de meest maatgevende punten waarop burgers langdurig aan luchtverontreinigingen blootgesteld kunnen worden. Conform de genoemde regeling zijn dan ook rekenpunten op 10 meter van de rand van de weg beschouwd. Op de genoemde punten zijn de concentraties als gevolg van het wegverkeer inderdaad het hoogst. De ligging dichterbij of verder van Hordijk heeft daarop geen invloed. • In het onderzoek zijn de bronnen van Hordijk niet modelmatig verwerkt. Conform de Regeling beoordeling luchtkwaliteit behoort de uitstoot van Hordijk tot de achtergrondconcentraties die eveneens in het luchtkwaliteitsmodel zijn meegenomen. • Voor de verkeersintensiteiten ten tijde van de pandemie wordt verwezen naar de thematische beantwoording over het MER onderdeel verkeersonderzoek. Dit leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
Door Aveco de Bondt is een memo externe veiligheid Hordijk opgesteld. Er zouden geen knelpunten zijn. Uitsluitend is de huidige situatie beoordeeld. De risicozone (woningen aan de Rotterdamseweg) van 20 m voor stralingswarmte bij brand, kan worden verkleind vanwege een sprinklerinstallatie, met 2,5 m. Daarom zou er geen sprake zijn van een risico voor de nieuwe woningen. Maar er zijn ook andere risico’s, namelijk explosiegevaar en een toxische wolk. De planologische afstand tot de roeivereniging bedraagt slechts 10 m en tot nieuwe woningen slechts 60 m. Ook deze risico’s dienen te worden meegenomen. Daarnaast moet ook rekening gehouden worden met beoogde uitbreidingen (worden nagezonden) van Hordijk. Het bedrijf Hordijk valt niet onder het externe veiligheidsbeleid. Het bedrijf is in het onderzoek van Aveco de Bondt wel middels deze methodiek beoordeeld. Dat het bedrijf niet onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) valt betekent nog niet dat er geen veiligheidsrisico’s zijn, wel dat de risico’s aanzienlijk lager zijn dan als het zou vallen onder het Bevi. Dit heeft er mee te maken dat de hoeveelheid aanwezige gevaarlijke stoffen onder de norm liggen om het bedrijf te kwalificeren als Bevi-inrichting. Hiermee zijn de risico’s ook veel kleiner. Onderstaand zijn de gevaren benoemd en wat er is gedaan om de risico’s te beperken: 41