4.6.5 bijlage-c-zeven-casussen
Tekst van het document
Uiteindelijk komt het na drie jaar ambtelijke molens en tegenwerking van Van de Krol tot een akte van minnelijke schikking, die op 15 oktober 1948 wordt goedgekeurd door de Raad voor het Rechtsherstel en op 8 november feitelijk wordt getekend.110 Daarbij hebben de erfgenamen duidelijk een veer moeten laten om het huis terug te kunnen krijgen. Een huurvergoeding voor het gebruik van de woning blijkt oninbaar wegens de insolvabiliteit van Van de Krol. Bewindvoerder Bennekers dreigt nog wel met een gerechtelijke procedure en een faillissement voor Van de Krol, maar notaris Montijn overtuigt hem daarvan af te zien omdat er bij iemand die nog fl 7.000 schuld heeft van de hypotheek toch niets meer te halen valt. Van de Krol woont inmiddels in huis bij zijn zoon en die heeft er mee ingestemd om de kosten van de vrijwillige schikking (fl 237) voor hem te betalen. Formeel is de zoon niet verplicht die kosten voor zijn vader te betalen. De notaris waarschuwt dat als Bennekers voor een hardere aanpak kiest om de zaak voor de Raad van het Rechtsherstel te brengen, de proceskosten veel hoger zullen uitvallen en dat de zoon die dan vermoedelijk niet meer voor zijn vader zal willen betalen.111 Huurafrekening
105
Brief d.d. 27-5-1948 in NA, 2.09.16.06, dossier 90759. Brief d.d. 27-5-1948 in NA, 2.09.16.06, dossier 90759. 107 Onder andere notitie 2-10-1945 in SAD, 278, inv.nr 1962. 108 Brief van notaris Montijn d.d. 6-7-1948 aan bewindvoerder M. Bennekers in SAD, 278, inv.nr 1962. 109 Brief d.d. 25-3-1947 en antwoord van het NBI op 2-4-1947 in SAD, 278, inv.nr 1962. 110 Stukken van genoemde data in SAD, 278, inv.nr 1962. Zie ook NA, 2.09.48, inv.nr nr 838 in geschillendossier Raad voor Rechtsherstel nr 6668. 111 SAD, 278, inv.nr 1962, brief 13-8-1948 notaris Montijn aan bewindvoerder M. Bennekers. 106
15
De huurinkomsten die het NBI tussen juli 1945 en eind 1948 van de woning heeft geïnd, blijken ook nogal tegen te vallen, mede door de aanzienlijke post aan onderhoudskosten die daarvan is betaald. Van de bruto huuropbrengst van fl 1.520 blijft na aftrek van onderhoud, belastingen en verzekeringen nog maar fl 115,86 over. De specificatie daarvan laat te wensen over. Een aanzienlijk deel van dat bedrag betreft onderhoud: fl 850, maar de fl 368 belastingen mogen er ook zijn. Dat betreft waarschijnlijk zowel de grondbelasting van het Rijk, als de gemeentelijke straatbelasting en de sluisgelden van Delfland.112 Voor de overige huur die het ANBO in oorlogstijd voor het pand heeft geïncasseerd, verwijst het NBI naar makelaar/aannemer J.A.S. van der Cammen in Rotterdam die voor het ANBO de exploitatie zou hebben verzorgd. Die geeft niet thuis. Bewindvoerder Bennekers is er na diverse aanmaningen op 16 december 1949 helemaal klaar mee. Hij schrijft het NBI dat hij ‘met deze Van der Cammen niets te maken wil hebben. Uw instituut is de beheerder geweest en U dient te zorgen voor een behoorlijke afrekening’. Na deze uitbarsting schrijft het NBI inderdaad Van der Cammen aan om zich bij notaris Montijn voor de exploitatie te verantwoorden en het opgehaalde geld op diens rekening te storten. Daarop komt echter opnieuw geen enkele reactie.
Van de Liro-bank ontvangt Bennekers in 1948 wel fl 999,65, al is niet geheel duidelijk waarvoor. De rest blijft een vordering, waarvan op dat moment onduidelijk is of die ooit nog wat zou opleveren.113 Brief uit Brussel Ondertussen duikt eind 1946 ook een zuster van Rachel in Brussel op, Anna de Wied-Hirsch, die een brief schrijft naar ‘de heer Libourel, notaris, Delft’, die met de zaak niets te maken heeft, maar de brief wel doorspeelt naar Montijn. In de brief vraagt zij of hij soms een testament van haar zuster heeft opgemaakt en of het juist is dat de heer Bennekers uit Deventer ‘officieel’114 tot beheerder van de nalatenschap van haar zuster is benoemd.115 Hoe de familieverhoudingen hebben gelegen, laat zich raden, maar de zuster wordt in het testament niet genoemd en komt ook in de zaak verder niet meer aan bod.
Rachel kwam overigens uit een groot gezin van elf kinderen, waarvan zij en Anna de jongsten waren.116 Vererving Nadat het Rode Kruis een verklaring heeft afgegeven dat Rachel en haar zuster Esther Visser-Hirsch beiden een week na elkaar in Sobibor om het leven zijn gebracht117 en de namen twee jaar later in de Staatscourant zijn verschenen als officieel dood verklaard, kan op 14 december 1949 de overlijdensakte van Rachel Hirsch in de Burgerlijke Stand van de gemeente Delft worden ingeschreven.118 Op 10 januari 1950 wordt de bewindvoering door het NBI opgeheven en kan de nalatenschap worden toegewezen aan Betsy Visser. Via een akte van schenking staan Betsy en haar man in 1951 twee derde van het eigendom van het huis af aan muziekleraar Moos Wolff en onderwijzeres Suze Betsy Rood, beide op dat moment wonend in Den Haag. In 1963 verkopen de gezamenlijke eigenaren het pand op een veiling.119
112
Gegevens uit ‘exploitatiestukken verzonden [door NBI] aan Bennekers 9 maart 1949’ in aantekeningen uit SAD, 278, inv.nr 1962. 113 Verslag boedelbeheer 20-5-1948 aan het NBI. NA, 2.09.16.06, dossier 90759. Het niet uitgesplitste bedrag aan straat- en rioolbelasting voor Binnenwatersloot 17 en Voldersgracht 3, het andere Joodse eigendom dat Van de Krol van het ANBO had gekocht bedroeg fl 46,42. (De grondbelasting van het Rijk was ongeveer driemaal zo hoog als de gemeentelijke heffing, die van Delfland beduidend lager dan de gemeentelijke.) Niet uitgesloten lijkt dat hier namens de bewindvoerder (door de notaris?) wellicht ook ten onrechte voor het andere pand van Van de Krol is betaald. 114 Onderstreping door de briefschrijfster. 115 Zie brief 19-11-1946 van A. de Wied-Hirsch in SAD, 278, inv.nr 1962. 116 Zie een stamboom op internet van het gezin van Asser Benjamin Hirsch en Betje Marchand uit Tiel https://www.geni.com/people/Asser-Hirsch/6000000014297361441 117 Verklaringen van 10 en 24-10-1947 in SAD, 278, inv.nr 1962. 118 SAD, 15, inv.nr 668, folio 114v. 119 Kadasterlegger 16597.
16
Isaak van IJssel (1881-1958), eigenaar van herenkledingzaak De Adelaar Choorstraat 42-46 en belegger in onroerend goed Winkelier Isaak van IJssel heeft de oorlog overleefd. Zijn zoon, die kort voor de oorlog de dagelijkse leiding over zijn zaak kreeg, en diens vrouw echter niet. Van IJssel woonde zelf in een huurwoning maar was eigenaar en mede-eigenaar van een behoorlijk aantal huurwoningen en winkelpanden in de binnenstad, waarvan er tijdens de oorlog twee zijn verkocht. Na de oorlog wordt hij vrijwel direct in staat gesteld zijn huren te innen en zijn bezit weer zelf te beheren. Het formele rechtsherstel laat echter nog geruime tijd op zich wachten. Vooral de formele teruggave van het winkelpand Jacob Gerritstraat 24 blijkt gecompliceerd omdat de hypotheek die Van IJssel daarop had bij de verkoop in de oorlog is afgekocht. Vervolgens werd het pand met een tweemaal zo hoge hypotheek belast en door de oorlogskoper bovendien voor een lagere huur verhuurd dan waarvoor Van IJssel ooit een huurcontract had afgesloten. Van IJssels kledingzaak in de Choorstraat is in 1942 verkocht aan een NSB’er die het bedrijf vrijwel volledig leegroofde en onder andere door zwarte handel in de oorlog zodanige belastingschulden opliep dat hij na de oorlog de facto vrijwel failliet blijkt te zijn.
Hoewel dat na de oorlog nog vrij lang onduidelijk blijft, blijkt het pand in de Choorstraat waarin de winkel was gehuisvest, uiteindelijk niet bij de verkoop van de zaak door de bezetter inbegrepen geweest. Om iets van de forse schade aan zijn zaak te verhalen moet Van IJssel een dure advocaat in de arm nemen om in 1953 een proces voor de Raad voor het Rechtsherstel aan te spannen om een claim te kunnen leggen op de koopsom waarvoor de bezetter de zaak in 1942 had verkocht. Acht jaar na de oorlog blijken er nog administratieve onduidelijkheden te bestaan over mogelijk niet betaalde gemeentelijke belastingen over het winkelpand Choorstraat 44/46. Die blijken echter kort na de oorlog wel degelijk te zijn betaald. Ook hier is dus de gemeente er, ondanks alle schade voor de betrokkenen, zelf zonder verlies uitgesprongen. Beleggingspanden Isaak van IJssel is gehuwd met Anna Frank (1886-1966). In 1911 neemt hij in de Choorstraat (nr 46) de kort daarvoor gestichte herenkledingzaak De Adelaar over en wordt daar tot aan de oorlog een succesvol ondernemer. In 1919 kan hij het dubbele pand Choorstraat 44/46, dat kort voor 1900 nieuw gebouwd is, van de verhuurder kopen. In 1924 verbouwt hij het om ook de begane grond van het naastgelegen nr 44 bij de zaak te trekken. In 1935 gaat de sigarenzaak van de buurvrouw op Choorstraat 42 failliet.
Van IJssel koopt daarop ook dat pandje erbij om zijn etalages verder uit te breiden. Een jaar later trouwt zijn zoon Daniel met de Zandvoortse Lien Vedder. Vanaf dat moment draagt Isaak de dagelijkse leiding van de zaak aan hem over, verlaat het bovenhuis boven de winkel en gaat met zijn vrouw in een huurhuis op de Insulindeweg (nr 262) wonen. Inmiddels is hij in Delft een bekende middenstander en vooraanstaand lid van de Joodse gemeenschap. In de oorlog krijgt Isaak van IJssel mede daarom de twijfelachtige eer vertegenwoordiger van de Joodse Raad te worden in Delft.120 Hoewel hij zelf in een huurhuis woont, belegt hij zijn verdiende geld voor een belangrijk deel in huurwoningen her en der in de binnenstad. Zo koopt hij in de jaren ’30 Oude Delft 34, het pand Cellebroerstraat 1 en 3 achter zijn zaak in de Choorstraat en het winkelpand Jacob Gerritstraat 24. Dat laatste laat hij in 1936 verbouwen. In de oorlog doet het enige tijd dienst als kantoor van de Joodse Raad.121 Daarnaast investeert hij ook samen met de Joodse boekhandelaar David Garnade (die tot 1929 eveneens een winkel had in de Choorstraat, op nr 21) in onroerend goed.
Gezamenlijk hebben zij een slagerswinkel aan de Verwersdijk (nr 60) en twee panden met elk een boven- en benedenwoning in de Kerkstraat (nrs 9 en 10) en twee panden op de Gasthuislaan, waarvan nr 143 bestaat uit een werkplaats met bovenwoning en de ander, nrs 149/151, uit een benedenwoning met twee bovenwoningen.122 Op 10 augustus 1942 worden al deze panden onder beheer gesteld van de Niederländische Grundstückverwaltung (NGV), door
120
Zie www.achterdegevelsvandelft.nl, Choorstraat 44/46. Joods Weekblad, 11-9-1942. 122 Kadasterleggers nr 10766 (v IJssel) en 12512 (Garnade & v IJssel). Zie ook de fiches van de NGV in NA, 2.08.101, inv.nrs 20-27. 121
17
de bezetter voor het beheer van de Joodse eigendommen in het leven is geroepen, die ze laat exploiteren of verkopen door het ANBO (Algemeen Nederlands Beheer van Onroerende goederen).123 Voor twee van bovengenoemde panden weet de NGV in de loop van 1944 (dus pas na twee jaar) een koper te vinden. Het winkelpand aan de Jacob Gerritstraat komt voor fl 15.500 in handen van sigarenfabrikant en NSB’er Gerrit van der Spek en Oude Delft 34 gaat voor fl 6.000 naar Aart Elffrich, bedrijfsleider bij een groenten- en fruithandel.124 Voor de huizen op de Gasthuislaan wordt een voorlopig koopcontract opgemaakt ten gunste van W.A. Anderson, maar die koop is nooit doorgegaan. Mogelijk omdat de koper de koopsom à fl 14.0000 niet heeft kunnen opbrengen.125 Zaak in ‘arischen Besitz übergegangen’ Zijn kledingzaak De Adelaar was Van IJssel al eerder afhandig gemaakt. Op 2 maart 1942 had de Reichcommissar für die besetzten Niederländischen Gebiete op grond van verordening nr 48/1941 het bedrijf onder de hoede geplaatst van het NAGU (Niederländische Aktiengesellschaft für Abwicklung von Unternehmungen).
Per 5 maart is het ‘in arischen Besitz übergegangen’ met de benoeming van Verwaltungstreuhändler Willem van Zwieten, kleermaker te Rotterdam.126 Van Zwieten is sinds 1932 actief lid van de NSB en adverteert voor hij beheerder wordt onder meer in Die Deutsche Zeitung in die Niederlände en het blad De Misthoorn, Onafhankelijk en onpolitiek orgaan tot wering van den Joodschen invloed als Herrenschneiderei voor uniformen.127 Na enkele maanden beheer koopt hij het bedrijf met terugwerkende kracht van het NAGU voor fl 12.178.128 In het Nationaal Dagblad van de NSB adverteert Van Zwieten vervolgens regelmatig met ‘grote voorraden dames- en herenconfectie tegen matige prijzen’.129 Zijn zoon Antonie van Zwieten bewoont tijdens de oorlogsjaren het bovenhuis boven de winkel in de Choorstraat en krijgt van zijn vader de dagelijkse leiding in het bedrijf. De oude Van IJssel weet de oorlog op een onderduikadres te overleven, maar zijn zoon Daniël en diens vrouw worden op weg naar een onderduikadres in Friesland verraden en in 1943 bij aankomst in Auschwitz vermoord. Op de websites Westerborkportretten en Joods Monument, wordt dit verraad aan Antonie van Zwieten toegeschreven.130 Zwarte handel Op 30 oktober 1943 valt in diverse kranten te lezen dat de Inspecteur voor de Prijsbeheersing fl 10.000 boete heeft opgelegd aan de Rotterdamse kleermaker W.
van Zwieten voor het te duur verkopen van enige zendingen kostuums door het kledingmagazijn De Adelaar, ‘dat onlangs door hem was gekocht’. Per kostuum werd fl 30 te veel in rekening gebracht. Zijn zoon, die de leiding heeft van de winkel in Delft, krijgt een boete opgelegd van fl 1.000.131 En daar blijft het niet bij. Bij de stukken van zijn na de oorlog in beslag genomen boedel zit een rapport van de belastinginspecteur van 10 mei 1944 waarin te lezen valt dat Willem van Zwieten ‘zwart gehandeld’ heeft en daarbij ‘tegen de lamp is gelopen’. Daarvoor heeft de belastingdienst hem tijdens de oorlog een boete opgelegd van fl 67.000. Dat bedrag ‘overtreft ruimschoots zijn vermogen’, voegt de
123
Kadasterleggers nr 10766 (v IJssel) en 12512 (Garnade & v IJssel); NA, 2.08.101, inv.nr 22. NA, database Verkaufsbücher. 125 Dit voorlopig koopcontract van 24-4-1944 is merkwaardig genoeg te vinden in het NBI-dossier van Willem van Zwieten NA, 2.09.16.17, dossier 203109/23110. In de (vrijwel identieke) NBI-dossiers 2481 en 28424 van de NSB’er W.A. Anderson is hierover niets te vinden. Wel blijkt uit dat dossier dat diens vermogenspositie als sigarenhandelaar zeer mager was. 126 Document in Handelsregister van de Kamer van Koophandel inzake kledingmagazijn De Adelaar, NA, 3.17.19, inv.nr 45. 127 Onder andere: Die Deutsche Zeitung in die Niederlände, 30-11-1941 en De Misthoorn, 6-12-1941. 128 NA 2.09.16.17, rapport van belastingconsulent J.R. Briedé van 11-1-1943 aan W. van Zwieten in de onderling vermengde NBI-dossiers 203109/203110. 129 Het Nationale Dagblad, onder meer van 25-11-1942. 130 Daniel van IJssel op www.westerborkportretten.nl en www.joodsmonument.nl. 131 De Tijd, 30-10-1942. 124
18
inspecteur daaraan toe.132 Uit dit rapport van de Rijksaccountant blijkt ook dat hij de geroofde zaak in Delft vrijwel geheel had uitgekleed. Terug in de Choorstraat Na de bevrijding kan Isaak van IJssel op last van de militair commissaris van Delft op 11 augustus 1945 de zaak aan de Choorstraat bij de Kamer van Koophandel weer op zijn naam zetten.133 Van Zwieten verdwijnt voorlopig achter de tralies. Zijn bezittingen en die van zijn zoon worden in beheer genomen door het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Het levert een zeer lijvig dossier op, dat pas in 1960 definitief kan worden gesloten.134 Winkelvoorraad is er nauwelijks meer. De waarde daarvan wordt getaxeerd op fl 1.704,50.135 Van IJssel en zijn vrouw nemen voorlopig weer hun intrek boven de winkel, hoewel ook hun huurwoning aan de Insulindeweg alweer snel beschikbaar komt, nadat de daar wonende NSB’ers zijn gearresteerd.136 Meubilair heeft Van IJssel niet meer na de oorlog. Van het NBI mag hij echter de spullen van Van Zwieten in zijn huis in de Choorstraat, die in beslag zijn genomen, overnemen tegen 20 procent boven de taxatiewaarde.137 Hiermee kan de schuldenberg waaronder de Van Zwietens gebukt gaan enigszins verlicht worden.
Daarnaast vraagt Van IJssel ‘ter compensatie van de geleden schade’ ook de verzameling antiek in huis te mogen overnemen.138 Later, in januari 1948, komt nog iemand aanzetten met een paar schilderijen, een ‘oud Delftse vaas’, twee handgeweven kleden en een klok, die Antonie van Zwieten bij Van Oijen op Choorstraat 27 in bewaring had gegeven, maar die deze spullen bij nader inzien toch liever niet zelf in huis wilde hebben. Van IJssel doet van deze aanbiedingen aangifte bij het NBI, dat er een politiezaak van maakt.139 Begin van de papierwinkel Voorafgaand aan de inschrijving bij de Kamer van Koophandel heeft op 26 juli 1945 accountant W.N. de Vries namens Van IJssel al een brief gestuurd naar het Militair Gezag om diens eigendommen terug te vorderen. De panden Choorstraat 42-46 zouden volgens dat schrijven tijdens de oorlog zijn verkocht aan ‘den heer v. Swieten, thans verblijvende in het Armamentarium’. Ook Van Zwieten zelf heeft in de oorlog bij verschillende gelegenheden de indruk gewekt dat de panden tot zijn vermogen behoorden. Hij betaalde er zelfs belasting over.140 Maar uit de administratie van het kadaster blijkt na enige tijd dat zij nooit op zijn naam zijn overgeschreven en dat hij destijds alleen het bedrijf en niet het onroerend goed heeft gekocht. Verder wijst de accountant op het winkelpand in de Jacob Gerritstraat, dat is ‘verkocht aan den Heer
132
NA, 2.09.16.17, dossier 203109/203110, rapport van de Rijksaccountantsdienst Rotterdam betreffende de belastingaangiften van W. van Zwieten d.d. 10-5-1944. 133 NA, 3.17.19, Handelsregister van de Kamer van Koophandel Delft, doos 45, inv.nr 1012. 134 NA, 2.09.16.17, dossier 203109/203110. 135 NA 2.09.16.17, dossier 203109/203110, beginverslag van Van Zwietens bewindvoerder notaris P.A.H. Bensmann d.d. 28-1-1946. 136 Wijnberg-Stroz en Van Lunteren-Spanjaard, Blijvers en Voorbijgangers, 27. 137 Het gaat onder meer om stoelen, een tafel, een defect slaapkamerameublement, een schemerlamp, wat dekens en een radio met pick-up en 75 platen, aldus de inventarislijst van 29-11-1946. De spullen worden hem op 12-12-1946 voor fl 1600 te koop aangeboden door het NBI. Stukken in NBI-dossier 203109/203110. Waarschijnlijk waren de spullen van Antonie en niet van Willem. Zie de brief d.d. 22-3-1947 van het NBI dat Van IJssel het ‘huisraad ’van A. van Zwieten heeft gekocht krachtens een ministeriële beschikking van 22 en 23-5-1946, in NA 2.09.16.17, dossier 203503, waarin ook een kopie van genoemde inventarislijst. 138 Brief d.d. 9-10-1946 van Van IJssel aan het Beheersinstituut. Hij betaalt daarvoor fl 1708,37 aan Antonie van Zwieten, in NA, 2.09.16.1, dossier 203503. Wat precies van Willem en wat van Antonie was, blijft onduidelijk. Zie ook een brief d.d.
3-2-1948 van de gemeentepolitie Delft aan het NBI en de latere correspondentie tussen het NBI en de Schade Enquêtecommissie te Rotterdam d.d. 27-7-1954, alle in NA, 2.09.16.17, dossiers 203109/203110. Willem van Zwieten is later zeer ontstemd als hij verneemt voor welk bedrag het antiek is verkocht. 139 NA, 2.09.16.17, dossiers 203109/203110, brief van Van IJssel d.d. 16-1-1948 en proces-verbaal van commissaris P.G.J. van Mulbregt d.d. 27-1-1948. 140 NA, 2.09.16.17, dossiers 203109/203110. Brieven van 20 en 29-4-1953; SAD, 653, inv. nr 5439, artikel nr 5.
19
G. v.d. Spek, eveneens verblijvende in het Armamentarium’. Dit pand wordt verhuurd voor fl 90 per maand ‘vastgesteld door v.d. Spek’. Voorheen was de huur fl 130 en de huidige huurders blijken bereid dat bedrag ook aan Van IJssel te betalen. ‘Is het verschil van vòòr 5 mei 1945 niet na te vorderen?’, vraagt de accountant zich af. De vraag zal nog enige jaren correspondentie opleveren. Vervolgens noemt het schrijven het pand Oude Delft 34, ‘verkocht aan den Heer Elffrich, waarschijnlijk eveneens verblijvende in het Armamentarium’. En ten slotte het pand in de Cellebroerstraat, ‘dat nog in administratie moet zijn bij A.N.B.O.’141 ‘Voor de goede orde’ verwijst hij verder nog naar de panden die Van IJssel in gemeenschappelijk bezit heeft met D. Garnade in Rijswijk. Dat die laatste de oorlog niet heeft overleefd, is op dat moment nog niet duidelijk. De facto wordt Van IJssel vanaf de Bevrijding inderdaad weer in het bezit gesteld van al zijn onroerend goed en gemachtigd daarvan de huren te innen. Van zijn kant verklaart hij zich bereid vanaf dat moment alle lasten van het bezit voor zijn rekening te nemen, zoals belastingen en verzekeringen. De formele bekrachtiging van die eigendomsoverdracht is echter een ander verhaal.
Op 11 april 1946 vraagt hij het NBI in een brief om rechtsherstel en overschrijving in het kadaster op zijn eigen naam van de panden die door het ANBO zijn vervreemd. Dat gaat, wat zijn eigen bezittingen betreft, volgens hem op dat moment niet alleen over de panden in de Jacob Gerritstraat en de Oude Delft, maar ook om Choorstraat 42-46. Een en ander moet via de bemiddeling van een notaris.142 Als notaris R.J. Montijn in mei 1949 een begin maakt met de formele procedure tot rechtsherstel en de gegevens opvraagt bij het kadaster, blijkt dat de panden in de Choorstraat nooit op naam van Van Zwieten zijn overgeschreven.143 Sterker, het lijkt erop dat de panden Choorstraat 44/46 en Choorstraat 42 al direct in 1942 na hun ontvreemding in de administratie van de Niederländische Grundstückverwaltung zijn zoekgeraakt. In de bewaard gebleven verzameling fiches gericht aan het kadaster om de panden formeel in te boeken als ‘in beheer genomen’, ontbreken de fiches van deze panden.
Bij het fiche van een van de andere panden van Van IJssel (Oude Delft 34), staat – waarschijnlijk als aantekening bij controle na de oorlog – aangetekend: ‘C 3095 en C 2555 (+ Choorstraat 44/46 en 42) vergeten op te geven.’144 Rechtsherstel van het huizenbezit Voor de panden die Van IJssel samen met de vermoorde David Garnade had, is het verzoek tot herstel bij het kadaster op 19 mei 1947 gehonoreerd.145 Van IJssel nam destijds de administratie waar voor de dochter en enige erfgename van Garnade, gehuwd met fabrikant Mozes Schönbach in Venlo. [Later zou zij in Rijswijk gaan wonen.] De documenten voor zijn eigen panden die niet zijn verkocht, zijn niet meer aangetroffen. Vermoedelijk zal die correctie ongeveer op dezelfde dag hebben plaatsgevonden. Het rechtsherstel van het in de oorlog verkochte pand Oude Delft 34 werd uiteindelijk 28 november 1949 beklonken met een minnelijke schikking onder regie van notaris Montijn. De oorlogskoper had in 1944 voor de koopprijs van fl 6.000 een hypotheek opgenomen bij de Landelijke Hypotheekbank, een instelling die de bezetter in het leven had geroepen om oorlogskopers te ondersteunen omdat veel andere hypotheekverschaffers benauwd waren voor de risico’s van het beleggen in onteigend goed. De lasten van die hypotheek waren inmiddels door achterstallige betalingen en boetes opgelopen tot fl 7.273, en dus een probleem.
Van IJssel wil met die hypotheek immers niets te maken hebben. Als deel van zijn vordering op de oorlogskoper krijgt de hypotheekbank een claim bij de NGV voor de in 1944 betaalde koopsom. Van IJssel krijgt in de regeling het huis weer terug, zonder hypotheek. De oorlogskoper vergoedt Van IJssel ook de huuropbrengst van fl 400 over de jaren 1944-1946 min de betaalde belastingen en verzekeringen in die periode. Onduidelijk is de schikking over de netto-opbrengst die het ANBO in de jaren 1942-1944 uit het
141
NA, 2.09.16.17, dossier 203109/203110, brief van accountant W.N. de Vries d.d. 26-7-1945 aan het Militair Gezag, Afdeling Rechtsherstel, Delft. 142 SAD, 278, inv.nr 2254, afschrift van brief van notaris R.J. Montijn d.d. 11-4-1946. 143 SAD, 278, inv.nr 2254, brief van notaris Montijn aan Van IJssel d.d. 29-6-1949. 144 NA, 2.08.101, inv.nr 22, fiche 1359 betreffende Oude Delft 34. 145 NA, 2.09.48, inv.nr 29. Formulier van het NBI als beheerder van het ANBO aan het Kadaster d.d. 17-5-1947, afgestempeld 20-5-1947.
20
huis heeft ontvangen. Het lijkt erop dat Van IJssel die heeft moeten laten schieten om van de zaak af te zijn.146 Het rechtsherstel voor het pand Jacob Gerritstraat 24 ligt ingewikkelder. Dat vergt anderhalf jaar intensieve bemoeienis van de notaris voor hij kan meedelen dat Gerrit van der Spek bereid is op 18 december 1950 de vijfde versie van zijn concept-akte tot overdracht te komen tekenen. De complicerende factor is dat het ANBO bij de verkoop van het winkelpand in 1944 de daaraan verbonden hypotheek van Van IJssel van fl 5.000 bij het pensioenfonds van Calvé-personeel heeft afgekocht en dat Van der Spek vervolgens zelf een nieuwe hypotheek van fl 10.000 heeft genomen bij de hierboven genoemde nieuwe Landelijke Hypotheekbank. Van IJssel heeft geen zin die hypotheek over te nemen, maar moet dan dus wel de afkoop van zijn eigen voormalige hypotheek vergoeden, met zes jaar rente over die afkoopsom. Bij de regeling zijn dan ook vijf partijen betrokken. Behalve Van IJssel en Van der Spek ook de beide hypotheekbanken en het NBI als zaakwaarnemer van het voormalige ANBO. Zij allen moeten akkoord gaan met het nietig verklaren van de vroegere overeenkomsten.
Van der Spek moet uiteraard Van IJssel de exploitatie-opbrengst vergoeden voor de tien maanden dat hij de huur van het pand heeft opgestreken, maar hij heeft het pand voor fl 40 per maand minder verhuurd dan waarvoor Van IJssel destijds een huurcontract had. De Landelijke Hypotheekbank wenst echter bij de afkoop van de hypotheek niet op te draaien voor de lagere huur die Van der Spek in rekening heeft gebracht. Het komt er uiteindelijk op neer dat Van IJssel ruim zesduizend gulden (fl 6.031,48) moet betalen voor zijn deel van de afkoop aan de hypotheekbank.147 Voor het eerdere exploitatie-overschot uit de periode 1942-1944 toen het ANBO de huisbaas speelde, moet hij die instelling zien aan te spreken. Volgens de formulieren voor de ‘rentabiliteitsberekening’ van de NGV uit 1941 zou de netto-opbrengst van het pand fl 990 per jaar hebben moeten zijn.148 Dus voor dit pand alleen al had hij daar nog een paar duizend gulden te goed.
Die heeft hij vermoedelijk nooit gekregen, want uit informatie van het NBI aan de Landelijke Hypotheekbank over de exploitatie door het ANBO blijkt dat deze het pand na de ontvreemding een jaar lang bijna niet heeft verhuurd en daarna vanaf september 1943 voor fl 90 per maand, zodat in de praktijk slechts ongeveer de helft van de voorgespiegelde opbrengst is gehaald.149 Rechtsherstel van het bedrijf Wat de ontvreemding van zijn bedrijf betreft heeft het voor Van IJssel weinig zin Van Zwieten aan te spreken. Ook na diens ontslag van rechtsvervolging wegens landverraad had Van Zwieten in 1950 nog altijd een belastingschuld van fl 29.551. Daarom was nog steeds beslag gelegd op al zijn bezittingen.150 Het enige wat voor Van IJssel nog mogelijk is, is aanspraak maken op de koopsom à fl 9.441,47 waarvoor Van Zwieten het bedrijf in 1942 van de NAGU gekocht heeft. De instantie die dat geld heeft opgestreken was de VVRA (Vermögensverwaltungs- und Rentenanstalt), de instantie waaraan de NAGU de koopsommen van de verpatste bedrijven diende af te dragen. Ook van die instelling was het kapitaal en de administratie na de oorlog onder de hoede gekomen van het NBI. Deze weigert tot 1951 echter de claim van Van IJssel in behandeling te nemen omdat er formeel nooit rechtsherstel voor het eigendom van de handelszaak heeft plaats gehad.
Van IJssel heeft dat nooit aangevraagd omdat er vanwege het negatieve vermogen van Van Zwieten toch niets te halen viel. Als het NBI echter voorlopig afziet van het aanvragen van een faillissement vanwege nog openstaande verhaalmogelijkheden besluit Van IJssel een advocaat in de arm te nemen om een proces tegen het NBI aan te spannen om zijn claim alsnog gehonoreerd te krijgen. Bij vonnis van 14 juli 1953 wordt Van IJssel door de Raad voor het Rechtsherstel ten slotte in het gelijk gesteld.151 Daarmee kreeg
146
NA, 2.09.48, inv.nr 903, geschillendossier 14921. SAD, 278, inv.nr 2254, brief Montijn aan Van IJssel d.d. 9-12-1950. 148 SAD, 278, inv.nr 2254. Rentabiliteitsberekening van de Niederländische Grundstückverwaltung d.d. 30-9-1941. 149 SAD, 278, inv.nr 2254, brief d.d. 20-10-1950 van het NBI aan de Landelijke Hypotheekbank NV te Den Haag. 150 NA, 2.09.16.17, dossiers 203109/203110. Vermogensopstelling van W. van Zwieten per 24-1-1950. 151 NA, 2.09.48.02, inv.nr 470, dossier R 19054. 147
21
hij overigens nog niet direct het volle bedrag uitgekeerd, maar vermoedelijk ongeveer twee derde en een aantal jaren later nog zo’n 20 procent.152 Van Zwieten heeft grote moeite zich bij die beslissing neer te leggen en zit nog jarenlang met het verwerken van zijn oorlogsschade, waaronder ook letterlijk de kosten van de schade door een bominslag in zijn zaak aan de Mathenesserlaan in Rotterdam, die hem destijds mede naar Delft heeft doen uitwijken. De schadevergoeding die hij daarvoor kan krijgen, claimt de belastingdienst. Tot eind 1960 blijft hij met zijn advocaat het NBI en de Raad voor het Rechtsherstel bestoken met brieven waarin hij zich over de gang van zaken beklaagt.153 Poging tot schoonwassen Curieus in het omvangrijke dossier van Willem van Zwieten bij het NBI is zijn pleidooi voor ‘ontvijanding’ van 25 april 1951, waarin hij zich probeert wit te wassen. Hij komt daarin met een lezing van het gebeurde in de oorlog die vrij haaks staat op alle feiten die uit de overige stukken spreken. Zo zou hij bij zijn optreden als Verwalter van de handelszaak van Van IJssel niet op eigen voordeel uit geweest zijn. Van IJssel zou hem zelf hebben overgehaald die taak op zich te nemen omdat hij dacht dat die bij hem in goede handen was.
Bovendien zou hij Van IJssel in de gelegenheid hebben gesteld om ‘nog zo veel mogelijk goederen bij derden onder te brengen’ alvorens hij de zaak in handen nam. Ook heeft hij het Joodse personeel ‘nog zo lang mogelijk in dienst gehouden’ en Van IJssel ‘diensten bewezen’, onder andere door de Joodse Raad in de gelegenheid te stellen in het gebouw te vergaderen. Ook heeft hij de zaak naar eigen zeggen netjes beheerd en er zelfs fl 3.000 eigen geld in gestoken. Van IJssel zou dit alles moeten kunnen bevestigen.154 Van dat laatste blijkt uit het dossier geen spoor. Mogelijk heeft Van Zwieten ooit valselijk geprobeerd het vertrouwen van Van IJssel te wekken, maar dat heeft hij dan wel behoorlijk beschaamd. Vreemd staartje Tot slot nog een merkwaardige correspondentie inzake de gemeentelijke straatbelasting. De ontvanger van het kantoor der directe belastingen te Rotterdam vraagt op 20 april 1953 aan het NBI namens de gemeenteontvanger van Delft in hoeverre er via Van Zwieten nog straat- en rioolbelasting over 1943 te verhalen valt bij het ANBO, omdat de percelen Choorstraat 42-46 per 18-3-1942 aan Willem van Zwieten verkocht zijn.
Hoewel het de meeste betrokkenen in elk geval al sinds 1949 duidelijk was dat Van Zwieten nooit eigenaar van deze panden is geweest, krijgt de belastingontvanger een zeer verwarrend antwoord, namelijk dat deze Van Zwieten volgens hun gegevens ‘in mei 1945 geen eigenaar meer was van die panden’. Wel zou volgens hun gegevens ene Antonie van Zwieten eigenaar geweest zijn. ‘Het zou kunnen zijn dat Willem van Zwieten de panden wel gekocht heeft, maar dat hij een “tussenkoper” geweest is die de panden heeft doorverkocht.’ Voor meer inlichtingen wordt de inspecteur verwezen naar de huidige eigenaar, Isaak van IJssel.155 Overigens blijkt uit het kohier inzake de straat- en rioolbelasting 1943 van de gemeente Delft dat de betreffende belasting keurig betaald is op aanslagen die verstuurd zijn aan het ANBO. De betaling van de aanslagen over het bezit van Van IJssel is dat jaar wel in tweeën gesplitst. De belasting over de panden Jacob Gerritstraat, Oude Delft en Cellebroerstraat is op 1 oktober 1943 betaald (twee weken later dan de aanslagen voor andere ontvreemde joodse panden) en die over het bezit aan de Choorstraat op 22 februari 1944.156 Er was ook toen al verwarring. Dat wordt bevestigd door het kohier voor de gemeentelijke belastingen over 1944. De aanslag over het bezit van Van IJssel was toen gesplitst in een aanslagbiljet voor
152
Vorderingen op geroofd bezit werden na de oorlog steeds in delen uitgekeerd tot uiteindelijk eind jaren ’50 toch nog ongeveer 85 procent van het nominale bedrag, maar zonder vergoeding voor rente of geldontwaarding. Zie hiervoor Aalders, Berooid, 132-142. 153 NA, 2.09.16.17, dossiers 203109/203110. 154 NA, 2.09.16.17, dossiers 203109/203110. Brief van 25-4-1951. 155 NA, 2.09.16.17, dossiers 203109/203110. Brieven van 20 en 29-4-1953. 156 SAD, 653, inv. nr 5439, artikel nr 5.
22
het ANBO ten name van Van IJssel en een ander biljet voor W. van Zwieten te Rotterdam.157 Op 20 februari 1945 betaalde vermoedelijk Van Zwieten ongeveer een derde van zijn aanslag en kreeg uitstel om de rest in twee maandelijkse termijnen te voldoen, hetgeen hij niet gedaan heeft. Na de Bevrijding heeft de gemeenteontvanger op 8 augustus 1945 een ‘duplicaat-aanslag ingeleverd bij het Gemeentelijk Bureau tot beheer van onroerende goederen van vijanden en landverraders’, aldus een aantekening in het belastingkohier. Het restant (fl 40) is uiteindelijk 27 mei 1946 voldaan.158 Het is betaald door Van Zwietens bewindvoerder notaris Bensmann, blijkt uit de verantwoording van het NBI, kantoor Delft over het beheer van diens rekening.159 Bensmann vermeldt de betaling ook in het eindverslag van zijn bewindvoering. Dus dat zeven jaar later toch nog ophef is over de betaling van de straatbelasting, moet wel een administratieve vergissing zijn. Over de inning van de gemeentelijke belastingen voor het eerste half jaar van 1945 vernemen we overigens niets. Vermoedelijk heeft Van IJssel die voor zijn rekening genomen, zonder daartoe verplicht te zijn. En of hij ooit iets heeft teruggezien van de huurinkomsten minus daaruit verder zo secuur afgedragen belastingen blijft ook hoogst onduidelijk. Voor het winkelpand aan de Choorstraat in elk geval niet.
157
De betaling van de aanslag aan het ANBO viel vervolgens nog in meer delen uiteen. De belasting voor het pand Jacob Gerritstraat werd betaald op 25-8-1944, die voor de Cellebroerstraat en Oude Delft op resp. 15 en 29-1-1945, in SAD, 653, inv. nr 5441, artikel nr 670 en 670a. 158 SAD, 653, inv. nr 5441, artikel nrs 670 en 670 a. 159 Verantwoording van de betalingen in de jaren 1945-1946 op rekening van W. van Zwieten bij de bank R. Mees & Zonen door het NBI, Vertegenwoordiging Delft in NA, 2.09.16.17, dossiers 203109/203110. De bewindvoerder heeft aanvankelijk op 1 april het volle bedrag van de aanslag (fl 66,92) betaald. Op 12 juni kreeg hij de reeds eerder betaalde fl 22,92 terug. De betalingen zijn ook te vinden op de kaart ‘liquide middelen van geïnterneerde W van Zwieten 19451946'. Zie ook het Eindverslag van notaris P.A.H. Bensmann d.d. 4-4-1946 over zijn bewindvoering voor W. van Zwieten in hetzelfde dossier.
23
Jacob Stad (1874-1942), handelaar in radio-onderdelen en elektrische apparaten Jacob Stad is in 1942 in Auschwitz vermoord. Ook zijn vrouw en drie kinderen zijn in 1942 en 1943 in respectievelijk Auschwitz en Sobibor vermoord. Het pand op de Oudemanhuisbrug waarin hij een winkel in radio-onderdelen en elektronica had, was niet zijn eigendom. Wel was hij – sinds 1935 – eigenaar van een pakhuis op de Voldersgracht (nr 18), dat in de oorlog niet is verkocht. De hypotheek- en belastingschulden (ook bij de gemeente) op dat leegstaande pand zijn in de oorlog niet betaald. Aangezien er verder niets te halen leek, dringt na de oorlog de hypotheekverstrekker aan op snelle verkoop van het onroerend goed om de schulden te vereffenen. Bewindvoerder en notaris doen hun best een en ander zo snel mogelijk te regelen. De notaris vraagt toestemming het pand te mogen verkopen tegen het bedrag van de openstaande schulden, hetgeen beduidend lager is dan het bedrag waarvoor Stam het in de crisistijd voordelig uit een faillissement heeft kunnen kopen. Het pand had vermoedelijk wel zwaar onder de leegstand in oorlogstijd geleden. Na de overhaaste verkoop duiken er alsnog twee overlevende kleinkinderen op, van wie de belangen in deze financiële afwikkeling niet lijken te zijn meegewogen. Uiteindelijk blijkt de boedel ook niet zo armlastig als op het eerste gezicht leek.
Er komen aanzienlijke bedragen boven tafel die ondershands in bewaring waren gegeven. Over de inbeslagname van de winkel(voorraad) is nog veel niet duidelijk. De gemeente heeft in deze zaak een bescheiden rol. Ze heeft op de actie van de Hypotheekbank meegelift om de belastingschulden te kunnen innen (met opslag) en heeft blijkbaar niet de coulance van het Rijk opgebracht om die schulden kwijt te schelden. Ook al stond op de aanslagbiljetten in de oorlog dat ontheffing kon worden verleend als het pand gedurende twaalf maanden ‘ontruimd, ongebruikt en onverhuurd’ was gebleven. Het Wonder van Delft Jacob Stad (geboren in Rotterdam, gehuwd met Jetje Stad-Levie) had aanvankelijk een zaak op de Bergweg in Rotterdam. In 1927 vestigt hij zich in Delft en neemt de winkels in rijwielen, rijwielonderdelen en elektrische apparaten op Jacob Gerritstraat 22 en Binnenwatersloot 18a over van de Joodse zakenman Jacques de Roode, die met zijn handel naar Rotterdam vertrekt.160 Beide zaken zijn gevestigd in een huurpand. Het filiaal op de Binnenwatersloot stoot hij al na twee jaar af. Stad ontdekt de radio als het gewilde nieuwe consumptieartikel en gaat zich toeleggen op onderdelen daarvoor. Hij profileert zich als ‘speciaal adres voor h.h. zelfbouwers’.
Verder verkoopt hij ook zaken als elektrische strijkijzers, gloeilampen en elektrische theelichtjes.161 In 1935 koopt hij voor fl 5.000, met hypotheek, het pand Voldersgracht 18, waar kort tevoren tijdens de crisis een speelgoedwinkel annex poppendokter failliet is gegaan. Een van de twee verkopers lost met de verkoop een schuld in die hij nog bij Stad had uitstaan.162 Stad geeft zijn zaak nu de naam ‘Het Wonder van Delft’, zo laat hij de Kamer van Koophandel optekenen.163 In de Jacob Gerritstraat zegt hij voor zijn winkel de huur op en vraagt toestemming om er uitverkoop te houden.164 Het pand aan de Voldersgracht heeft boven de winkelruimte een bovenwoning, maar Stad heeft die sinds de koop nooit als zodanig gebruikt en ook niet verhuurd, blijkt ook uit de woningkaart van het Bevolkingsregister. Kennelijk diende die ruimte voor opslag. Begin 1937 verhuist hij zelf met zijn gezin naar het woonadres Choorstraat 37a.165 Toch zijn in de crisistijd voor hem geen wonderen weggelegd. Adverteren doet hij in elk geval niet meer. In januari 1939 huurt hij van Cornelis Blokspoel wel het winkelpandje met bovenwoning Markt 58 op de Oude Manhuisbrug, waar hij vervolgens ook gaat wonen.166 Zijn pasgetrouwde dochter Betje, die bij
160
NA, 3.17.19, Handelsregister Kamer van Koophandel Delft, inv.nr 101. DC, 13-10-1928 en 1-12-1931. 162 SAD, 278, inv.nr 256. Voor het faillissement van N.C. de Brieder zie DC 17-5-1935. De uitverkoop aldaar: DC, 29-61935. 163 NA, 3.17.19, Handelsregister Kamer van Koophandel Delft, inv.nr 101. 164 DC, 13-12-1935. 165 SAD, 16, Gezinskaart Jacob Stad en Woningkaart Choorstraat 37a. 166 SAD, 16, Woningkaart Markt 58 en Kadasterlegger 13465. 161
24
prof. Waterman op de Nieuwe Plantage werkt, en schoonzoon Wolf Kloot trekken daar bij hem in. Het pand op de Voldersgracht doet in die dagen alleen nog dienst als opslag.167 Pressie van hypotheekbank In november 1942 worden Jacob Stad en zijn vrouw in Auschwitz vermoord.168 Hun geroofde boedel blijkt na de oorlog met schulden belast. Volgens het ANBO die het pand van Stad sinds 1942 beheerde, staat er aan het einde van de oorlog een nadelig saldo van fl 210, 88 op diens rekening. Het ANBO heeft het in die jaren kennelijk niet weten te verhuren of verkopen. Op het pand rust een hypotheekschuld van fl 2.540, waarvan sinds eind 1942 niets meer is afgelost. Ook is er tijdens de oorlog fl 417 aan achterstallige rente niet betaald. Verder zijn er betalingsachterstanden voor de gemeentelijke straat- en rioolbelasting en waterschapslasten over 1943, 1944 en 1945 en de brandverzekering. Inclusief het eerste half jaar van 1946 zou de rekening voor de gemeente fl 137,85 bedragen. Volgens het kohier bedroeg de jaarlijkse aanslag fl 19,03. Dat is voor 3,5 jaar dus een schuld van fl 66,60. De overige fl 71,25 betreffen kennelijk invorderingskosten. Voor de landelijke grondbelasting werd uiteindelijk over 1944 en 1945 ontheffing verleend.169 Nog voordat er een bewindvoerder is benoemd, neemt De Maatschappij voor Hypotheekcrediet in Den Haag begin september 1945 contact op met notaris R.J.
Montijn, die in 1935 het pand had geveild en de hypotheekakte had opgemaakt. Ze vragen inlichtingen om de borg te kunnen aanspreken. Montijn voelt er weinig voor om daaraan mee te werken. Hij schrijft dat hij het wat al te ‘kras’ vindt de borg ‘de dupe te laten worden van de maatregelen die de Duitschers tegenover de Joden hebben genomen’. De hypotheekbank beweert daarop glashard dat Stad al achterstallig was met betalen ‘voor hij door de Duitschers werd opgepakt’ en destijds al veel geduld met hem te hebben betracht. Vermoedelijk betreft dat de rekening van eind 1942 die op de mat moet zijn gevallen toen Stad al in Westerbork of Auschwitz was beland. Zij vinden het niet juist dat ‘de bank dan maar de dupe zou moeten worden van de maatregelen die de Duitschers tegen de Joden genomen hebben’. Zo gauw mr J.P. Chardon (advocaat en procureur, Spoorsingel 38) eind 1945 als bewindvoerder is aangesteld, weten zij hem ervan te overtuigen het onderpand zo snel mogelijk te gelde te maken. Hij stemt in met het plan om het pand te verkopen om de schulden te vereffenen. Volgens hem bevindt het pakhuis zich in zeer verwaarloosde staat en is er geen geld om het te herstellen. Vermoedelijk is er tijdens de leegstand in de laatste oorlogsjaren van alles uit gesloopt dat brandbaar leek. Overhaaste verkoop Op 1 juli 1946 wordt het pand door notaris Montijn geveild en verkocht voor fl 2973,87.
Alleen was een probleempje dat de sleutels, die het ANBO had, vlak voor de verkoop niet bleken te passen. De notaris vraagt voor deze ‘maximum verkoopprijs’ toestemming van het Prijzenbureau Onroerende Goederen (dat in en na de oorlog de prijsopdrijving van onroerend goed moet voorkomen). De voorgestelde prijs voor het leegstaande pand dat als ‘bouwvallig’ wordt omschreven, lijkt gecalculeerd op de schuldenlast per 1 januari 1946. In 1935 had Stad, midden in de crisis, nog fl 5.000 betaald terwijl hij zelf tot de schuldeisers behoorde bij het faillissement van de vorige eigenaar. En bij de hypotheekaanvrage in 1940 was het pand nog getaxeerd op fl 5.200.170 Er blijken dan ook meerdere aspirant-kopers bereid het pand te kopen. Op basis van voorkeursrecht wordt het pand gegund aan de buurman, slager G.J. de Bruin van Voldersgracht 19. Het Nederlands Beheersinstituut (NBI) geeft toestemming voor de verkoop, ‘mede omdat er bij verkoop een batig slot voor de boedel lijkt te verwachten’. De hypotheekbank krijgt haar vordering van fl 3.028,35 betaald. Door een kennelijke miscalculatie komt de notaris bij de verkoop alsnog fl 56,11 tekort en vraagt de bewindvoerder dit bij te passen. Dat blijkt geen probleem. Die verklaart zich bovendien bereid de hypotheekbank de nog niet eerder geclaimde rente over de periode januari-augustus 1946 bij te betalen.
167
Zie ook SAD, 16, Woningkaart Voldersgracht 18. Gegevens www.joodsmonument.nl. 169 SAD, 278, inv. nr 1714. 170 SAD, 278, inv. nr 1450. 168
25
De rekeningen van de gemeente en het waterschap Delfland (en natuurlijk de notaris) zijn kennelijk ook bij hem neergelegd. De gemeente is per 9 juli 1946 betaald.171 Volgens het verslag van het boedelbeheer van Chardon d.d. 31 maart 1946 blijkt dan ook dat in november en december 1945 onverwachts een drietal geldbedragen op de rekening zijn gestort, die kennelijk ondershands in bewaring waren gegeven. Bij elkaar gaat dat om fl 2.617,20. Verder is er nog een kleine opbrengst van ijzerwaren uit het pakhuis. Al met al ziet de boedel er dus niet zo dramatisch uit als op het eerste gezicht leek.172 Winkel verdwenen Bij die berekening van het vermogen lijken de ontvreemde winkelvoorraden nog buiten beschouwing te zijn gebleven. Die winkel is formeel per 8 maart 1943 in handen gevallen van de daartoe opgerichte roofinstelling van de bezetter, Omnia Treuhandgesellschaft, lezen we in het dossier van de Kamer van Koophandel.173 De woningkaart van het bevolkingsregister meldt J. Stad in december 1942 als ‘vertrokken naar Polen’ (hij was daar reeds een maand eerder al vermoord, blijkt later). Van 27 augustus 1943 tot 26 oktober 1945 was volgens die woningregistratie Johannes Verhaar de nieuwe huurder en uitbater van de winkel.
Of deze de zaak van de Omnia Treuhandgesellschaft heeft gekocht is nog onduidelijk.174 Noch in de dossiers van de bewindvoerder van het NBI, noch in de stukken van notaris Montijn wordt over de onteigende winkel gerept. Waarschijnlijk is de zaak geliquideerd, want dat was het lot van de meeste middenstandsbedrijfjes die in handen van de Omnia Treuhandgesellschaft vielen. Volgens het dossier van de Kamer van Koophandel is het bedrijf eind 1945 wel weer in handen gegeven van de bewindvoerder en door deze in juni 1947 formeel opgeheven.175 Na de oorlog dreef hier J.P. Bergman vele jaren de firma ‘All Wave’ in radio-onderdelen.176 Erfgenamen hebben nakijken Het echtpaar Stad had drie getrouwde kinderen, Saartje, Abraham en Betje, die met hun partners ook allen zijn vermoord. Abraham en Betje in Auschwitz, Saartje en haar man in Sobibor. Volgens de genealogie www.tomverwaaijen.nl (Joden in Gouda en omstreken) hebben een dochter van Saartje, Judith Alter, en een zoon van Abraham in Enschede, Andries Stad, de oorlog overleefd.177 Ze lijken pas laat bij de zaak in beeld te komen. In het notarisdossier van Stads nalatenschap worden ze niet genoemd.178 Per 19 december 1947 wordt het bewindvoerderschap door het NBI van mr Chardon overgedragen aan C. Hakkert-Alter in Rotterdam, de overlevende kleindochter.
Chardon kreeg voor zijn beheer de gebruikelijke vergoeding – een percentage van het vermogen van het slachtoffer.179 De overlijdensakten van Jacob Stad en zijn vrouw werden op 1 juli 1951 in Delft ingeschreven in de Burgerlijke Stand.180 Op 18 juli 1951 wordt het dossier van de bewindvoerder door het NBI gesloten.
171
SAD, 653, inv.nrs 5439, 5441 en 5443, betreffende kadasterart. 15139. NA, 2.09.16.13, dossier 169512. 173 NA, 3.17.19, Handelsregister Kamer van Koophandel Delft, inv.nr 101. 174 Het archief van de organisatie Omnia Treuhand bevindt zich in het NIOD te Amsterdam en is bij dit onderzoek tot nu toe nog niet geraadpleegd. 175 NA, 3.17.19, Handelsregister Kamer van Koophandel Delft, inv.nr 101. 176 De website ‘verhalenwikidelft’ noemt hem ten onrechte de opvolger van Jacob Stad. 177 www.tomverwaaijen.nl – Joden in Gouda en omstreken. 178 SAD, 278, inv. nr 1714. 179 NA, 2.09.16.13, dossier 169512. 180 SAD, 15, inv. nr 670, folio 97v. 172
26
Andries van der Stam (-1943), Choorstraat 49, slager in ruste Andries van der Stam is op 72-jarige leeftijd in 1943 in Sobibor om het leven gebracht. Hij was eigenaar van drie winkelpanden en een aantal huurhuizen, waaruit hij huurinkomsten trok. Na de oorlog kwam zijn vermogen onder beheer van notaris R.J. Montijn, die de panden uiteindelijk ten bate van de nabestaanden verkoopt. Die nabestaanden waren twee (aanvankelijk minderjarige) kleinzoons en de weduwe van een zoon. Met name de eerste twee nabestaanden betonen zich uiterst ontevreden over de belangenbehartiging door de notaris. De overgebleven stukken van het dossier geven geen erg nauwkeurig beeld van diens handelingen, waardoor de klachten zich moeilijk laten verifiëren. De gemeente speelt in deze kwestie eigenlijk geen enkele rol. Of het moet zijn dat zij een van de jonge nabestaanden niet erg behulpzaam is geweest om een eigen winkel te beginnen in Delft door hem daarvoor tweemaal een vergunning te weigeren. Andries van der Stam, sinds 1938 weduwnaar, is op 26 maart 1943 op 72-jarige leeftijd in Sobibor vergast. Hij was eigenaar van zijn eigen woonhuis Choorstraat 49 (en de winkel eronder), de slagerij Choorstraat 45 en twee (in de jaren ’60 afgebroken) huurhuizen in de Zuiderstraat nrs 116/118 en 120/122 (twee panden met elk een boven- en benedenwoning) ongeveer recht tegenover de huidige Sebastiaansbrug.
Daarnaast had hij nog een slagerswinkel met bovenhuis in de Kemperstraat, nr 33/35 in Den Haag. Zijn huizenbezit is hem op 14 oktober 1942 door de Niederländische Grundstückverwaltung (NGV) afhandig gemaakt. Het is vervolgens in beheer gegeven bij het ANBO. Geen van de panden is tijdens de oorlog verkocht.181 Veertien dagen na de administratieve ontvreemding krijgt Van der Stam een schrijven van het ANBO dat hij binnen drie dagen moet inleveren: ‘Eigendomsbewijzen – afschrift hypotheekacten – assurantiepolissen – laatste premiekwitantie van brand- molest en glasverzekering – laatste kwitantie der door u betaalde hypotheekrente en aflossing – belastingbiljetten over 1942 – huurcontracten – lijst van huurders (volledig met juisten naam, adres, huurprijs en wijze van betaling, n.l. per week, per kas of per giro) – een opgave van de eventueel achterstallige huren, enz. Wij maken u erop attent, dat alle loopende rekeningen voor reparaties enz. door u dienen te worden betaald, daar tot op heden óók de baten der exploitatie door u zijn genoten. Huurpenningen welk nog aan u zouden worden betaald, moeten, nader gespecificeerd, omgaand op onze postrekening worden overgeschreven. U dient de huurders van bovenstaande in kennis te stellen, terwijl ook onzerzijds hiervan mededeeling aan hen zal worden gedaan. Hoogachtend, Alg. Ned. Beheer v. Onr.
Goederen A.N.B.O.’ Op dat moment ligt Van der Stam in ziekenhuis Bethel en machtigt zijn notaris R.J. Montijn om voor hem de gevraagde papieren in orde te maken. Zelf maakt hij op zijn ziekbed voor de notaris een lijstje van zijn huurders, dat hij besluit met: ‘Er is geen achterstallige huur! Er zijn geen huurcontracten.’182 Van der Stam woont op dat moment al niet meer in zijn eigen huis en geeft vanuit het ziekenhuis als woonadres op: Spoorsingel 30. Daar was hij sinds augustus 1942 ingetrokken bij de musicus (cellist) Nathan Lessing en zijn vrouw Engelina van Leer.183 Vermoedelijk heeft hij zich 5 maart 1943 moeten melden voor transport naar Westerbork. Zijn zoon Hijman Herman had zich toen al opgegeven voor een werkkamp en blijkt eind januari
181
Kadasterlegger 13989 en de fiches 2058 t/m 2061 van de NGV in NA, 2.08.101, inv. nr 26. SAD, 278, inv. nr 1213. De notaris heeft op 4-11-1942 alle gevraagde documenten opgestuurd, nadat hij op 26-10 enig uitstel had bedongen. Van het verblijf in het ziekenhuis uit die periode heeft de familie nog steeds een hele stapel rekeningen. Van 7-10 tot 17-11-1942 verbleef hij in het ziekenhuis Bethel voor behandelingen van internist Melchior en chirurg Versluys. Eerder lag hij van 27-5 tot 10-6 in het Hippolytusziekenhuis voor een oogheelkundige behandeling van dr. Halbertsma. 183 SAD, 16, Woningkaart Spoorsingel 30; Bevolkingsregister 1909-1946. Zie ook: https://www.jphs.org/20thcentury/a-holocaust-survivor-returns-to-jamaica-plain.html. Mogelijk heeft Van der Stam eind 1942/begin 1943 nog langs meer adressen gezworven. Er is ook post voor hem verstuurd p/a J.H. Dorsten, Vlamingstraat 68 en naar Jacob Gerritstraat 24. 182
27
al in Auschwitz om het leven gebracht, maar dat wist Andries toen uiteraard nog niet. Wel moet hij nog hebben meegemaakt dat zijn andere zoon Salomon (‘Sallie’) op 13 december 1942 aan een ernstige ziekte in Delft is overleden. Het bovenhuis van Choorstraat 49, woonhuis van Van der Stam, is formeel op 18 november 1942 in gebruik gegeven aan politieambtenaar Floris Roggeveen.184 Gesjichte in Delft Erfgenamen van Andries van der Stam waren zijn kleinzoons, de neven Andries en Philip van der Stam. Ten tijde van de Bevrijding waren zij respectievelijk 21 en 18 jaar oud. De eerste had ondergedoken gezeten in Utrecht en de tweede had als tiener Auschwitz weten te overleven. Kleinzoon Andries (1924-2014) heeft in 1996 zijn levensverhaal opgetekend in zijn De Gesjichte. Hij vertelt daarin hoe hij begin 1947 naar Delft komt om te kijken wat er van de familiebezittingen nog over is, toen hem duidelijk was dat hij een van de weinige overlevenden was. Bij slagerij Keuzenkamp op Choorstraat 45 werd hij kil ontvangen. Kennelijk was de relatie tussen Keuzenkamp, die de slagerij al voor de oorlog huurde en zijn vader in het verleden niet erg best geweest. Bij paardenslager Vrijenhoek aan de overkant werd hij echter als een verloren zoon binnengehaald.
Hij kreeg daar onmiddellijk een gouden ring en zilveren sigarettendoos van zijn vader mee, die deze aan Vrijenhoek had toevertrouwd toen hij zich bij de Duitsers ging aanmelden. Ook door ‘oom’ Isaak en ‘tante’ Anna van IJssel, de eigenaren van kledingzaak De Adelaar in de Choorstraat, werd hij juichend begroet.185 Op aanraden van ‘oom’ Isaak ging hij naar de bank Mees & Zonen op de Oude Delft om daar de boekhouder van zijn vader en grootvader op te zoeken. Daar kreeg hij te horen dat zijn vader aandelen Shell in bewaring had gegeven en zijn grootvader geld van de bankrekening bij notaris Montijn zou hebben ondergebracht. Ook vernam hij dat zijn grootvader meerdere huizen bezat, waarvan de notaris wel meer zou weten. ‘Hierna ging ik naar notaris Montijn’, schrijft Andries, ‘eveneens op het Oude Delft. Het was een heel ouderwets, duister kantoor. De notaris zat achter een groot bureau, bijna in het donker. Later bleek dat ook zijn praktijken duister waren…’ Montijn bevestigde dat zijn grootvader Andries vier huizen op zijn naam had, maar ontkende dat er geld bij hem in bewaring was gegeven. Bewijsstukken daarvoor ontbraken uiteraard. Wel zou hij zorgen voor het beheer en de verkoop van het onroerend goed, als ook de andere erfgenamen gevonden waren. Zo kwam Andries jr volgens zijn Gesjichte in contact met zijn neef Philip, van wiens bestaan hij nog niet eerder had gehoord.
Uit de toekomstige erfenis kreeg hij van de notaris alvast een voorschot van fl 600. Ook Philip had geen cent om een bestaan op te bouwen. Dus de erfenis kwam voor de jongens zeer gelegen. Gevecht met de notaris Uit het dossier dat het Nederlands Beheersinstituut (NBI) na de oorlog over de vermoorde Andries van der Stam heeft gevormd blijkt echter dat Andries jr al op 20 november 1945 actie ondernam om de nalatenschap van zijn grootvader te achterhalen. Hij vraagt dan het Delftse kantoor van het NBI om zijn toenmalige werkgever, de Amsterdamse accountant I. Cardozo, te benoemen tot bewindvoerder over de boedel.186 Drie weken later wordt echter notaris R.J. Montijn als zodanig benoemd.187 In de loop van 1946 moeten Andries en zijn neef Philip elkaar al hebben gevonden. In november van dat jaar starten zij namelijk gezamenlijk een campagne tegen de bewindvoering van Montijn, die zij grote laksheid verwijten in hun zaak. De notaris zou geen stappen hebben ondernomen bij het ANBO om het onroerend goed uit handen van die instelling te krijgen en ‘totaal onwetend’ zijn over de huurinkomsten uit het huizenbezit. Ook wist hij niets van de Amerikaanse waardepapieren die door de bank Lippmann, Rosenthal & Co (Liro) in bezit
184
Wijnberg-Stroz en Van Lunteren-Spanjaard, Blijvers en Voorbijgangers, 145; SAD, 16, Woningkaart Choorstraat 49; Bevolkingsregister 1909-1946. Volgens die laatste bron kwam Roggeveen op 1-12-1942 uit Rotterdam. 185 Andries van der Stam jr, De ‘Gesjichte’ van Andries van der Stam, Lunel (Frankrijk), hernieuwde versie 2011, een uitgave in eigen beheer, vriendelijk ter beschikking gesteld door zijn dochter Rosetta Teyhoff-Stam. 186 NA, 2.09.16.13, dossier 17320. 187 NA, 2.09.16.13, dossier 17320, besluit van 1-12-1945.
28
waren genomen, aldus hun brief van 29 november 1946.188 Zij stellen voor de heer I.P.A. van Voorst van Beest, ambtenaar van Buitenlandse Zaken en voormalig medegevangene van Philip in het concentratiekamp Dachau als bewindvoerder te benoemen. Inderdaad blijkt notaris Montijn eerst dan langzaam in actie te komen. Op 8 januari 1947 schrijft hij het NBI dat de vermoorde Andries van der Stam eigenaar was van vier panden in Delft, twee in de Choorstraat (nr 45 en 49) en twee in de Zuiderstraat (nrs 116/118 en 120/122) en dat die vier panden samen bezwaard zijn met een hypotheek van fl 20.000 bij het pensioenfonds van het personeel van de Haagsche Tramweg Mij (waarvoor sinds juli 1944 geen rente meer is betaald).189 Op 21 maart 1946 zou hij het ANBO hebben aangeschreven om het beheer van de panden aan hem over te dragen om de hypotheekschulden te kunnen voldoen. Daarop had hij nog geen antwoord ontvangen.
Verder schreef hij aan het NBI: ‘Aan contanten heb ik thans onder mij fl 1.902,64, nadat ik aan een van de erfgenamen (Andries jr, blijkt) een voorschot heb verleend groot fl 600,-.’190 Op 5 maart 1947 vraagt de notaris aan het NBI toestemming om een deel van de huurinkomsten (die hij dan inmiddels onder beheer heeft) al aan de erfgenamen ter hand te kunnen stellen, mits zij het onderling over een schikking eens kunnen worden.191 Behalve de twee neven was ook de tweede echtgenote van de overleden Salomon Stam, de vader van Philips, een partij in die verdeling. Zij lijkt echter niet erg bereid te zijn geweest tot medewerking. Vervolgens ligt de zaak enige tijd stil. Rekeningen op tafel Op 23 september 1947 doet Montijn aan het NBI verslag van zijn beheer. Aan de zijde van de inkomsten staat daarin voor 1945 een bedrag ‘gestort’ van fl 3.000. Onduidelijk is of dit geld gestort is door de notaris zelf of door het ANBO als netto-opbrengst van het woningbeheer in de jaren 1942-1945. In ieder geval wordt in de stukken verder nergens verantwoord waar het geld vandaan komt.192 Wie in 1946 de huur heeft opgestreken blijft ook onduidelijk. Tussen februari en september 1947 heeft Montijn wel huur ontvangen, die in Delft blijkt geïnd door ene A. van Altena (wonend Rotterdamseweg 166)193. Een kleiner bedrag komt van een zekere Oostergetel, de huurder in Den Haag.
Samen ongeveer fl 300 per maand. Eind 1942 rekende Van der Stam op zijn ziekbed op een huuropbrengst van fl 3.837,60 per jaar uit zijn huizen, waarvan fl 3.057,60 uit het Delftse bezit. Aan uitgaven staan voor 1946 en 1947 hypotheeklasten genoteerd bij ene weduwe Vink (fl 213 – in 1942 was dat fl 177,75) en de Haagsche Tramweg Mij (in 1942 fl 900 per jaar). Verder zijn er ook uitgaven voor grondbelasting van het Rijk, straatbelasting, sluisgeld Delfland en een brandverzekering bij Mees & Zonen. In 1942 bedroegen die lasten ongeveer fl 450-500.194 Afgezien van de onderhoudskosten bracht het onroerend goed dus ongeveer fl 2.300 per jaar op. De rekening van de notaris voor zijn werkzaamheden in deze periode bedroeg fl 464,-. Kennelijk waren er op dat moment geen aanslagen van achterstallige belastingen, wel een kleine achterstand in de hypotheekrente voor de weduwe Vink over eind 1942. Ten slotte vermeldt de rekening dat Andries jr een lening van fl 5.000 had afgesloten bij een bank in Den Haag met zijn toekomstige erfenis als onderpand. Aldus notaris Montijn.195 Op 19 november 1947 schrijft het hoofdbureau van het NBI in Den Haag aan het Bureau in Rotterdam (dat inmiddels de zaken van het Delftse kantoor heeft overgenomen) dat het uit het verslag toch niet helder is geworden in hoeverre de klachten over de bewindvoering, die het ‘reeds in november
188
Brief van 29-11-1946 aan het NBI in NA, 2.09.16.13, dossier 17320. Brief d.d. 8-1-1947 van notaris R.J. Montijn aan het NBI in NA, 2.09.16.13, dossier 17320. 190 Brief d.d. 8-1-1947 van notaris R.J. Montijn aan het NBI in NA, 2.09.16.13, dossier 17320. 191 Brief d.d. 5-3-1947 van notaris Montijn aan het NBI, in NA, 2.09.16.13, dossier 17320. 192 Verslag van het boedelbeheer door notaris Montijn d.d. 23-9-1947 in NA, 2.09.16.13, dossier 17320. 193 Deze A.A. van Altena is ook het adres waar de gemeente in 1945 de aanslag voor de straat- en rioolbelasting naartoe heeft gestuurd, blijkt uit het belastingkohier SAD, 653, inv. nr 5443. 194 Zie voor de gegevens uit 1942 SAD, 278, inv. nr 1213. De notaris heeft op 4-11-1942 alle gevraagde documenten opgestuurd, nadat hij op 26-10 enig uitstel had bedongen. Voor de ziekenhuiskosten zie hierboven noot 181. 195 NA, 2.09.16.13, dossier 17320. Verslag van het boedelbeheer door notaris Montijn d.d. 23-9-1947. 189