CConstaterende datDelft
Koppel je AI →
Document · PDF

4.6.5 bijlage-c-zeven-casussen

Commissie Economie, Financiën en Bestuur 12 januari 2023, gemeente DelftBij agendapunt: Onderzoek Joods Vastgoed23.362 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bijlage C: Zeven casussen uitgewerkt Wolf Willem Erschler1 (1884-1943), grossier in auto-onderdelen, en Henriëtte Spits (1893-1943) in Fransen van de Puttestraat 51-53 Het echtpaar Erschler-Spits duikt in 1942 onder, maar wordt verraden. Beiden worden in 1943 in Auschwitz vermoord. Hun dubbele woon/werkhuis aan de Fransen van de Puttestraat wordt tijdelijk bewoond door de ‘Jodenjager’ die hen heeft opgepakt. Vanaf 1943 is NSB’er A.E. Poolman de eigenaar. De teruggave wordt aangevraagd en geregeld door Julius Spits, een broer van Henriëtte. Na verloop van tijd blijken er nog twee rechthebbende nabestaanden te zijn. De gemeente komt bij de hele rechtsherstelprocedure niet aan de orde, behalve in het begin als Spits vanuit Enschede bij de politie informeert naar de bezittingen. Het vermoorde echtpaar heeft met vooruitziende blik geld en bezittingen bij vrienden ondergebracht, het lijkt erop dat vrijwel alles daarvan terugkomt. Over de verkochte huizen gaan echter bergen correspondentie heen en weer, zowel over de bewindvoering als over de laatste afrekeningen. Dat gaat deels over gemeentelijke lasten, maar dan nádat de gemeente dat geld ontvangen heeft. Het gesteggel betreft de vraag of de oorlogskoper of de nabestaande het moet betalen, niet of de gemeente onterecht facturen heeft gestuurd. De erfgenamen zijn niet armlastig en hebben juridische adviseurs aan hun zijde.

Toch kost het ook hen jaren voordat de erfenis aanvaard kan worden – nadat ze een hypotheek hebben moeten nemen om de oorlogskoper terug te betalen. Technisch Bureau Erschler Het in 1925 in Amsterdam gehuwde echtpaar Wolf Willem Erschler en Henriëtte Spits verhuist in 1926 vanuit Zeist naar Delft, naar Fabritiusstraat 9. Technisch ingenieur Erschler start daar Technisch Bureau Erschler, ‘grossierderij in auto-onderdeelen’. Erschler is geboren in Polen, in Kalisz, zijn echtgenote in Enschede; ze zijn beiden Joods.2 In 1931 vraagt Erschler de Nederlandse nationaliteit aan, het echtpaar heeft zich stevig gevestigd in Delft. Ze nemen deel aan het culturele leven, ze zijn lid van de Vereniging Kunstkring Delft en ze komen ook af en toe in de synagoge.3 In december 1933 koopt het echtpaar twee panden in Delft: op de hoek Fransen van de Puttestraat 51 en 53 (kadastraal één perceel: F 4739). Het eerste is hun woonhuis, het tweede herbergt een magazijn en kantoor van waaruit Erschler werkt. In de panden vinden ook andere activiteiten plaats. In de jaren 1935-1940 staat de bibliotheek van de Delftse Theosofische Vereniging op nummer 51, en wordt een zaaltje op de bovenverdieping als ‘loge-locaal’ voor verenigingsbijeenkomsten gebruikt.

Verder biedt het pand vanaf 1940 onderdak aan het brochuredepot van de Nederlandse Vegetariërsbond.4 Waarschijnlijk zijn dit vooral activiteiten waarmee Henriëtte Erschler-Spits zich bezighoudt. Zij is eigenaresse van een niet nader omschreven firma Prana Reformhuis, en vanaf 1941 is zij secretaresse van de Loge van Vrijmetselaars.5 Tweede Wereldoorlog De anti-Joodse maatregelen raken het echtpaar op allerlei fronten: bijeenkomsten en verenigingen worden verboden, en in 1941 worden hun beider bedrijven geliquideerd. Op 15 april 1942 staat in de Delftsche Courant dat Technisch Bureau Erschler is opgeheven.6 Enkele maanden later duikt het echtpaar onder bij de familie Verbaan in de Van der Mastenstraat 11.7 Ze bereiden hun onderduik goed voor: zoveel mogelijk

1

In de bronnen komt zowel Erschler als Erszler voor. Erschler is de Duitse schrijfwijze, Erszler de Poolse. Het echtpaar gebruikte zelf in Delft de Duitse schrijfwijze. 2 Delftsche Courant (hierna: DC), 10-7-1926; NA, 3.17.19-2725, doos 10. 3 Wijnberg-Stroz en Van Lunteren-Spanjaard, Blijvers en voorbijgangers, 101 en 117; NA, 2.09.16.04, dossier 4948, z.d. 4 DC, o.a. 17-1-1935, 27-1-1936 en 26-9-1940; SAD, 575, inv.nr 277, J. Spits aan politie, 24-5-1945. 5 www.niod.nl, index Omnia-Getreue; De Blij, Oorlog en verzet, 331. 6 NA, 3.17.19, inv.nr 2715, doos 103; DC, 15-4-1942. 7 SAD, 16, Woningkaart Fransen vd Puttestraat 53.

1

waardevolle bezittingen en geld brengen zij bij vrienden en kennissen onder. Aan het eind van het jaar wordt hun onderduikplek echter verraden. Rechercheur Frans D. Willemse valt er op 5 januari 1943 binnen en vindt het echtpaar op zolder. Ze worden overgebracht naar de strafgevangenis in Scheveningen van waaruit ze worden afgevoerd naar Westerbork. Op 21 januari 1943 worden zij in Auschwitz vermoord.8 Onwetend nog van dit lot, stuurt notaris Th.M. Taverne vijf dagen na hun dood een door Erschler ondertekende algemene volmacht naar notaris R.J. Montijn waarin deze laatste wordt aangewezen als zaakwaarnemer voor de woningen. Montijn reageert per kerende post dat hij de opdracht aanneemt, maar dat er op het ogenblik niets te doen valt. Als hij goed is ingelicht, zijn de panden door een ander in gebruik genomen.9 Dat is inderdaad het geval. In oktober 1942 verhuist mej. M. Barkmeijer met haar ‘Nieuwe Fröbelschool’ naar nummer 51, waarschijnlijk wordt dit al door de Niederländische Grundstückverwaltung (NGV) geregeld, de instelling die de afgenomen huizen beheert.10 Twee maanden later trekt Frans D. Willemse met zijn gezin in het huis op nummer 53, de fanatieke Jodenjager die verantwoordelijk is voor de arrestatie van de huiseigenaren. Hij bewoont het huis tot juli 1944.11 Beide woningen worden in februari 1943 voor fl 9.250 verkocht aan NSB’er A.E.

Poolman, slager op Zuiderstraat 56. Dat is voordelig, want in 1939 was de verkoopwaarde voor de verzekering nog op fl 10.000 vastgesteld.12 Poolman lost een nog lopende hypotheek van fl 3000 af en neemt een nieuwe hypotheek van fl 5000 bij de Centrale Arbeiders Verzekeringsbank.13 Hij blijft de panden verhuren en laat een en ander verbouwen. Poolman trekt tot aan de bevrijding dus huurinkomsten uit de panden, kort daarna wordt hij opgepakt als collaborateur. Julius Spits Eveneens kort na de bevrijding, op 24 mei 1945, schrijft Julius Spits (1898-1966) uit Enschede de Delftse politie. Hij is de broer van mevrouw Erschler-Spits en informeert of er iets bekend is over de bezittingen van het echtpaar. Spits is in 1930 getrouwd met de Poolse Roza Holzer (1900-1986); ze hebben de oorlog overleefd door onder te duiken.14 Zijn ouders Marcus Spits en Clara Spits-Jacobi zijn net als zijn zus en zijn twee broers nog niet terug; later blijkt dat zij alle vijf in 1943 zijn vermoord. Van het gezin is hij de enige overlevende, met zijn echtgenote en zoon Sigmund Marcus (1930-1996).15 De Delftse rechercheafdeling doet onderzoek en rapporteert dat er spullen zijn ondergebracht bij verschillende Delftenaren, onder andere bij J. Hille, stoffeerder aan de Spoorsingel. Hille heeft van mevrouw Erschler-Spits opdracht gekregen zich tot notaris R.J.

Montijn te wenden als zij drie maanden na de vrede nog niet terug zouden zijn. Van het in de woningen achtergebleven meubilair is weinig meer over. Dat is gestolen door de politieke politie of meegenomen door Willemse, toen deze na Dolle Dinsdag de stad verliet. Op nummer 51 zit nog steeds de Fröbelschool en op nummer 53 woont de eveneens ‘door de oorlog gedupeerde’ familie Bomhof.16 Spits blijft in Enschede, de huurders kunnen voorlopig gewoon blijven. Hen is al door de bewindvoerder van de geïnterneerde Poolman aangezegd de huur voortaan te betalen op het kantoor van Militaire Zaken aan de Verwersdijk. Later zal dit worden overgenomen door het Nederlands Beheersinstituut (NBI).17 Spits vraagt eind augustus aan Montijn of hij het nog aanwezige meubilair in bruikleen mag nemen, ‘aangezien we ten gevolge van de vervolgingen nogal gedupeerd zijn’. Meubels die Spits zelf in veiligheid

8

www.joodsmonument.nl. SAD, 278, inv.nr 1947, volmacht januari 1943; 26-1-1943, Montijn aan Taverne. 10 DC, 10-2-1942. 11 SAD, 16, Woningkaart Fransen vd Puttestraat 53. 12 SAD, 278, inv.nr 1947, voorlopige koopakte 1-2-1943. SAD, 278, inv.nr 1248, verzekeringspapieren W.W. Erschler, [1940]. 13 SAD, 278, inv.nr 1947, borderel van inschrijving 24-2-1943. 14 Haags Gemeentearchief, Burgerlijke Stand, huwelijk 12-2-1930; volledige naam Julius Gedalya, maar die tweede naam verder nergens gebruikt. 15 SAD, 575, inv.nr 636, 5-1-1943; inv.nr 277, J. Spits aan politie Delft, 24-5-1945; www.joodsmonument.nl; volledige (Hebreeuwse?) naam Shimon Sigmund Mordechay Marcus. 16 SAD, 575, inv.nr 277, politierapport 15-6-1945 met brief politie aan J. Spits, 18-6-1945. 17 NA, 2.09.16.11, dossier 148001, 3-7-1945, rapport accountantskantoor H.A. van Duijn. 9

2

had gebracht zijn bij bombardementen verwoest en de hulpverlening is nog lang niet op gang. De buren aan de Fransen van de Puttestraat hebben voor hem een lijst opgesteld met geroofde meubelstukken. Dat betreft onder meer een theetafel, een huiskamertafel, een linnenkast en een divan, maar ook huisraad als een elektrisch strijkijzer, een Singer-trapnaaimachine, een stofzuiger en aankleding in de vorm van vloerbedekking, een trapleer, een gangloper en een vloerkleed.18 Het echtpaar Erschler-Spits heeft voor de onderduik geld en goederen in bewaring gegeven, maar hoeveel en bij wie precies is niet bekend. Julius Spits plaatst op 1 december in de Delftsche Courant een oproep ‘aan allen, die iets van de fam. Erschler in bewaring hebben’.19 Bij notaris Montijn komt vervolgens een en ander binnen. A.G.A. Konincks geeft een kwitantie af ter waarde van fl 300, de heer Houtzager brengt fl 600 en de heer Swaan brengt ‘eenige electr. lampen, boeken, een busje met eenig zilvergeld enz.’ Verder meldt G. van Nederveen uit Rijswijk dat hij fl 300 heeft, net als H. van der Stoel uit de Krim. Deze laatste heeft ook vijf Duitse woordenboeken in beheer, evenals een wel heel wrang boekwerk: Mein Kampf van Adolf Hitler, ‘Franse uitgave met commentaar’.

De heer Hille van de Spoorsingel heeft twee pakken met (vermoedelijk) lijfgoed en mejuffrouw Barkmeijer van de Fröbelschool bezit ook een en ander.20 Julius Spits wil bewindvoerder worden van de boedel van zijn zus en zwager, volgens Montijn een praktische oplossing omdat hij dan ook zolang gebruik kan maken van de spullen. Daar gaat een bescheiden antecedentenonderzoek aan vooraf. Montijn heeft in ieder geval een gesprek met mevrouw J. Ter KuileJannink uit Enschede, die een brief schrijft aan het NBI over ‘de groote nood’ van het gezin Spits: ‘De wijze waarop deze menschen zich moeten behelpen, grenst aan het onmogelijke.’ Zij wil niet dat ‘deze stakkers’ moeten lijden ‘onder de algemeene anti-stemming die er nu heerscht’, blijkbaar een bekend verondersteld gegeven in de eerste maanden na de oorlog.21 Julius Spits wordt inderdaad de bewindvoerder en de meubels arriveren in het najaar in Enschede, tot zover loopt alles vrij vlot. Spits weet ook weer iets van een nering op te bouwen, eerst een winkel in feestartikelen en later in etenswaren, voornamelijk specifiek Joodse waar.22 Vertraging Eind maart 1946 vraagt Spits zich – niet voor het eerst – af of hij de beschikking kan krijgen over de fl 900 die bij Montijn gedeponeerd zijn en informeert hij hoe het gaat met de aanvraag van rechtsherstel voor de woningen.

Montijn antwoordt dat hij wilde wachten omdat er een vereenvoudigde procedure van ‘minnelijk rechtsherstel’ op komst was. Hij verwacht daar zo’n fl 100 kosten aan te hebben, waarna hij de overige fl 800 kan overmaken.23 Daarna blijft het oorverdovend stil. Montijn ontvangt in november 1946 een brief van de Nederlandsche Vereeniging van Ex-Politieke Gevangenen uit den Bezettingstijd, afdeling Delft. Tijdens hun landelijke congres, in Enschede, hoorde de secretaris van Julius Spits dat hij fl 100 heeft betaald voor bemiddeling maar dat Montijn sindsdien niets meer van zich liet horen.24 Montijn reageert met een vinnig briefje. Het inhouden van een bedrag voor de kosten is zeer gewoon, terwijl de heer Spits niet gerechtigd is om als beheerder iets ten eigen bate te gebruiken, ‘ook al is hij gedurende den bezettingstijd zoozeer gedupeerd, zooals u schrijft’. Daar komt bij dat hij niet goed weet waarom deze club zich hiermee bemoeit.25 Inmiddels zijn twee andere nabestaanden getraceerd: David Erschler, een in Polen wonende broer van Wolf Wilhelm Erschler, en Clara Spits (1920-1996), een in Amsterdam wonende nicht van Henriëtte Erschler-Spits. Laatstgenoemde informeert in december bij Montijn of er al iets bekend is over de

18

SAD, 278, inv.nr 1947, 27-8-1945, Spits aan Montijn. Veritas, 1-9-1945. 20 SAD, 278, inv.nr 1565, 8-9-1945; 278, inv.nr 1947, Van der Stoel aan Montijn; 9-9-1945, Van Nederveen aan Montijn; 21-9-1945, Konincks aan Montijn; 5-10-1946, Montijn aan Spits. 21 NA, 2.09.16.04, dossier 72001, 30-8-1945, Montijn aan Rechtsherstel; 24-9-1945, Ter Kuile-Jannink aan NBI. 22 SAD, 278, inv.nr 1947, 10-10-1945, Spits aan Montijn; Twentsch Dagblad Tubantia, 28-8-1948; Nieuw Israëlitisch Weekblad, 9-9-1953 en 25-2-1955. Spits wordt agent van de Hollandia-matsefabriek in Enschede. 23 SAD, 278, inv.nr 1947, 18-12-1945, 26-3-1946 en 2-4-1946, Spits aan Montijn; 29-3-1946, Montijn aan Spits. 24 SAD, 278, inv.nr 1947, 5-11-1946, NVEPG aan Montijn. 25 SAD, 278, inv.nr 1947, 6-11-1946, Montijn aan NVEPG. 19

3

overdracht van de huizen: ‘Ik vind dat er nu na bijna twee jaar bevrijding wel wat schot in deze zaak mag komen.’26 Clara Spits reist tot tweemaal toe naar Delft om Montijn ‘aan te sporen voortgang te maken’ en wendt zich vervolgens tot advocaat J. Hartelust in Amsterdam, die zijn Delftse collega in mei 1947 een kritische brief schrijft. Hij heeft gehoord dat de administratie van de huizen nog steeds gedaan wordt door de beheerder van oorlogskoper Poolman, dat had allang door de beheerder van de erven gedaan moeten worden. Hij vraagt om opheldering.27 Uit de correspondentie in de diverse administraties blijkt niet duidelijk wie hier het meest verzaakt heeft. Montijn wachtte lijdzaam op bericht van het NBI en in de dossiers van het NBI stond abusievelijk niet vermeld dat Spits bewindvoerder voor de boedel Erschler-Spits was. Zowel de notaris als het NBI namen geen initiatief om de zaak op te helderen.28 Het is vooral te danken aan Clara Spits dat er schot in de zaak komt. Zij staat op het punt naar Zuid-Afrika te emigreren en wil deze kwestie voor die tijd geregeld hebben.

In april 1947 bezoekt ze haar oom Julius Spits en vindt in zijn administratie een brief van het NBI van 26 februari 1946, dus van ruim een jaar eerder, waarin staat dat de Middenstandscommissie de beheerder namens Poolman is én dat Spits dat zelf aan Montijn had moeten doorgeven.29 Clara Spits krijgt toestemming om fl 400 als voorschot uit de erfenis op te nemen voor haar reis naar Zuid-Afrika.30 Nadien gebeurt er nog steeds niet veel, tenminste niet vanuit het kantoor van Montijn. In juli 1947 hangt notaris M. Poppers uit Enschede aan de bel: hoe vordert de zaak? Poppers informeert namens Julius Spits naar de bewering van Montijn dat de huizen vrij van hypotheek waren.31 Vanuit Amsterdam wordt Montijn vervolgens benaderd door J. Hartelust, die namens Clara Spits optreedt. Hartelust wijst hem op nalatigheden van J. de Jong uit Rotterdam die de administratie voert voor Poolman. Er is namelijk wél een hypotheek. De rente op die door Poolman afgesloten hypotheek wordt al sinds de bevrijding door de erfgenamen van Erschler-Spits betaald, en niet door Poolman.32 Het beheer over het vermogen van Poolman verloopt ondoorzichtig.

Per 30 december 1947 wordt het NBI-beheer beëindigd, terwijl Poolman dan nog gevangen zit in de Rijkswerkinrichtingen Veenhuizen.33 De Jong uit Rotterdam blijft vooralsnog de administratie voeren, tot ongenoegen van Spits die klaagt dat de echtgenote van Poolman op 1 februari 1948 ‘nog lustig’ de huur ophaalde.34 Advocaat Hartelust blijft de zaak nauwlettend volgen. Hij behartigt de zaken van Clara en treedt als rechtskundig adviseur op voor Julius. In april 1948 reageert Hartelust op een concept voor rechtsherstel dat Montijn heeft opgesteld, overigens pas nadat Hartelust daarom gevraagd heeft. Hij wijst erop dat Montijn wel wat kritischer mag zijn. Poolman voert meer onderhoudskosten op dan in een eerder overzicht uit 1947 stonden vermeld, zelfs meer dan er aan baten is binnengekomen.35 Er dient een specificatie met kwitanties van reparaties te komen, en ook is het onduidelijk waarom de huurinkomsten zo wisselend zijn. In oktober 1944 dalen ze ineens van fl 77,50 naar fl 35 per maand en tussen mei en september 1945 lijkt er zelfs helemaal geen huur opgehaald te zijn.36 Kort na deze kritische vragen treedt er een andere beheerder aan. Advocaat W.J. van Es uit Den Haag krijgt in mei 1948 volmacht van Poolman om een minnelijke schikking te realiseren, de

26

SAD, 278, 3-12-1946, C. Spits aan Montijn; https://westerborkportretten.nl/onderduikportretten/clara-spitsclarissa-jacobi 27 SAD, 278, inv.nr 1947, 21-5-1947, Hartelust aan Montijn; NA, 2.09.16.04, dossier 72001, 5-7-1948, Spits aan NBI. 28 NA, 2.09.16.04, dossier 72001, 1-5-1946 en 17-2-1947, Spits aan NBI; 13-3-1947, NBI-Rotterdam aan NBI; 17-121946 en 25-4-1947, NBI aan NBI-Rotterdam; SAD, 278, inv.nr 1947, 29-3-1947, Montijn aan Middenstandscommissie plus rappel 23-4-1947; 22-5-1947, Montijn aan Hartenlust. 29 SAD, 278, inv.nr 1947, 10-4-1947 en 19-4-1947, C. Spits aan Montijn met als bijlage 26-2-1946, NBI aan J. Spits. 30 NA, 2.09.16.04, dossier 72001, 20-5-1947, NBI-Rotterdam aan Spits; 5-7-1948, Spits aan NBI. 31 SAD, 278, inv.nr 1947, 7-7-1947 en 16-7-1947, Poppers aan Montijn. 32 SAD, 278, inv.nr 1947, 28-8-1947, Hartelust aan Montijn; 18-10-1947, Hartelust aan De Jong. 33 SAD, 278, inv.nr 1947, 12-5-1948, NBI aan Montijn. 34 NA, 2.09.16.04, dossier 72001, 9-8-1948, Spits aan NBI-Rotterdam. 35 SAD, 278, inv.nr 1947, 3-4-1948, Hartelust aan J. Spits. Compleet met alle bedragen en specificaties; 6-4-1948, J. Spits aan Montijn; 18-2-1948 en 3-5-1948, Hartelust aan Montijn. 36 SAD, 278, inv.nr 1947, 14-5-1948, Montijn aan Van Leest.

4

administratie wordt overgenomen door het kantoor van A.L. van Leest.37 Van Leest gaat op zoek en komt met aanvullende informatie. Nadat de huurder Willemse op Dolle Dinsdag vertrok, is er een tijd lang geen nieuwe huurder geweest. In mei 1945 werd het pand wel weer verhuurd, maar door het NBI. Dat geld dient dus daar gedeclareerd te worden. Het was nogal een rommeltje omdat het NBI de papieren in beslag had genomen ‘en hierdoor een en ander wel eens in het ongerede is geraakt’.38 Minnelijke schikking Het is ruim drie jaar na de bevrijding als de eerste serieuze poging voor een minnelijke schikking wordt gedaan.39 Het is de Centrale Arbeiders Verzekeringsbank die voor extra vertraging zorgt. Hier sloot Poolman in 1943 een hypotheek van fl 5000 af op de twee panden, onder meer om een nog bestaande hypotheek van Erschler van fl 3000 in te lossen. Begin 1948 bedraagt de hypotheek nog fl 4500. Tot dan toe zijn alle termijnen netjes voldaan, maar de Centrale wil zekerheid dat ook dat bedrag nog binnenkomt.40 Bij een schikking moeten de erven Erschler de oude hypotheekschuld van fl 3000 alsnog voldoen.41 Na veel correspondentie met plussen en minnen komen de partijen in april 1949 een minnelijke schikking overeen. De Centrale krijgt voor het restant van de door Poolman afgesloten hypotheek (dan fl 3890) recht op zijn eventuele claim op de gevorderde tegoeden van de NGV.

Poolman moet betalen voor de procedure, zoals de kosten van het overschrijven van de oude akte en het opmaken van de nieuwe akte, het honorarium van de advocaat van de partij Erschler.42 Hypotheekaflossing Rente 4,5% op deze hypotheek

fl 3000 fl 833,62 +

Te betalen door erven Erschler

fl 3833,62

Verschil:

fl 2315,15

Inkomsten huur Gemeentelijke belastingen Reparaties, verzekeringen Te betalen door Poolman

fl 4030 fl 659,91 fl 1851,62 fl 1518,47

De erven Erschler-Spits hebben te weinig contant geld om direct te betalen, de erfenis is immers nog niet verdeeld. Julius Spits neemt een hypotheek van fl 2300 om aan de eisen te kunnen voldoen.43 Spits overweegt een lager bedrag te lenen, maar Montijn raadt hem aan wat contant geld te bewaren voor het moment dat de successierechten betaald moeten worden.44 Gemeentelijke belastingen In 1950 wacht de erven Erschler een onaangename verrassing: Poolman dient nog meer rekeningen in. Het betreft gemeentelijke belastingen over 1948 en 1949 (tweemaal fl 144,60) en een optelsom van diverse reparaties over die jaren (fl 439,58). De rommelige administratie én de zwakke controle daarop wreken zich ook nu weer.45 Om onduidelijke redenen krijgt Spits eerst alleen een rekening van fl 144,60 voorgeschoteld, die hij met de nodige tegenzin betaalt. Kort daarna volgen de andere facturen. Deze nagekomen rekeningen zorgen voor een felle reactie uit Enschede. Het is voor het eerst dat Spits zich in zijn correspondentie laat gaan: ‘Zover ik weet, ben ik de vorige “eigenaar” niets meer schuldig. (..) Overigens kan ik niet begrijpen wat een volksgenoot en staatsburger met die door de rotmoffen geroofde goederen te maken

37

SAD, 278, inv.nr 1947, 14-5-1948, Montijn aan Van Es; 25-5-1948, Van Es aan Montijn. SAD, 278, inv.nr 1947, 22-5-1948, Van Leest aan Montijn. 39 NA, 2.09.16.04, dossier 72001, 23-6-1947, Spits aan NBI. 40 SAD, 278, inv.nr 1947, 22-3-1948, Centrale Arb. Bank aan Montijn. 41 SAD, 278, inv.nr 1947,4-6-1948, Montijn aan Hartenlust; 2-8-1948, Centrale Arb Bank aan Montijn. 42 SAD, 278, inv.nr 1947, 27-4-1949, ontwerp minnelijke schikking; NA, 2.09.48, inv.nr 866, dossier 10248, 16-3-1949. 43 SAD, 278, inv.nr 1947, berekening z.d. [1949]; 18-3-1949, Montijn aan Tissot van Papot; 22-3-1949, Montijn aan Spits; 22-3-1949 en 24-3-1949, Montijn aan NBI. 44 SAD, 278, inv.nr 1947, 22-4-1949, Spits aan Montijn; 23-4-1949, Montijn aan Spits. 45 SAD, 278, inv.nr 1947, 1-2-1950 en 1-7-1950, Montijn aan Spits; 7-3-1950, Van Leest aan Montijn. 38

5

heeft. Heeft de heer Poolman geprotesteerd toen landverraders en ander tuig mijn bijna 90-jarige ouders ontvoerd en omgebracht hebben?? Als hij werkelijk iets te kort komt moet hij dat maar op de koop toenemen voor de lol, die hij een poosje van het joodse bezit gehad heeft.’46 Montijn legt uit waar de schoen wringt. Het zijn aanslagen voor de (gemeentelijke) belastingen die tot en met het jaar 1947 in de minnelijke schikking verrekend zijn, maar daarna niet meer. Het gaat daarbij om de aanslagen voor grondbelasting, straatbelasting, rioolbelasting en sluisgeld. Verder betreft het lasten die bij het opstellen van de akte nog niet bekend waren. Montijn benadrukt dat er niet – zoals Hartelust suggereert – ‘met dubbel krijt’ wordt geschreven. Een van de hogere posten (fl 249,70) betreft het splitsen van de elektrische lichtinstallatie van de panden. Montijn antwoordt dat de splitsing niet op initiatief van Poolman is gedaan, maar op last van de gemeente omdat het huis verschillende hoofdbewoners (inwoning) herbergde.47 Het chagrijn over de betaling richt zich – zover uit de correspondentie is op te maken – ook bij deze laatste extra post niet op de gemeente, maar op de oorlogskoper. Inmiddels bekend met de rommelige administratie gaat Spits pas over tot betaling als administratiekantoor A.L.

van Leest alle bescheiden heeft toegestuurd.48 Ook Montijn zit er nu meer bovenop, waardoor hij nog een foutje vindt. Spits moet de gemeentelijke belastingen over 1948 betalen, maar Poolman zelf lijkt dat juist verzuimd te hebben. Dat bedrag wordt nog weggestreept op de eindafrekening.49 Afwikkeling In september 1951 pas worden de overlijdensakten van Erschler en zijn vrouw in de Burgerlijke Stand ingeschreven. Daarmee kan eind oktober 1951 de bewindvoering beëindigd worden en de erfenis worden verdeeld onder de drie nabestaanden: Julius Spits, Clara Spits en Marie Erschler-Kostkowska, de weduwe van David Erschler. De waarde van het bezit bedraagt op dat moment fl 14.990,33, bestaand uit de woningen (getaxeerd fl 16.000) en contant geld (fl 2083,63) minus een hypotheekschuld (fl 2300).50 Het duurt vermoedelijk nog enige tijd voor er uitbetaald kan worden, omdat er nog vragen zijn over de werking van het Poolse vermogensrecht aangezien Wolf Wilhelm Erschler bij zijn huwelijk nog de Poolse nationaliteit bezat.51 Julius Spits informeert bij het NBI wat hij moet doen met het meubilair dat hij uit de boedel bezit. Hij kan het laten taxeren, maar is zo vrij te informeren of hij het gewoon zelf mag houden. De andere erfgenamen wonen in Polen en Zuid-Afrika. Als zij al iets van de bezittingen zouden willen hebben, dan is de kans miniem dat de spullen het land uitgevoerd mogen worden.

Een medewerker van het NBI krabbelt in de marge dat de instelling niet bevoegd is meubilair toe te wijzen, maar dat de volmachten gevraagd kan worden naar bevind van zaken te handelen. Formeel kan het dus niet, maar waarschijnlijk komt het erop neer dat Julius Spits het meubilair behoudt, mogelijk verrekend voor de andere erfgenamen.52 Het dubbele pand wordt in 1959 door de erven verkocht.53

46

SAD, 278, inv.nr 1947, 11-3-1950, Spits aan Montijn. SAD, 278, inv.nr 1947, 29-9-1948, Van Leest aan Montijn; 30-9-1948, 22-7-1950 en 3-10-1950, Montijn aan Spits; 117-1950, Hartelust aan Montijn; 22-7-1950, Montijn aan Hartelust. 48 SAD, 278, inv.nr 1947, 7-10-1950, Spits aan Montijn. 49 SAD, 278, inv.nr 1947, 14-10-1950, Montijn aan Van Leest; 23-10-1950, Van Leest aan Montijn; 9-4-1951 en 27-81951, Montijn aan Spits; 4-5-1951, Spits aan Montijn. NA, 2.09.16.04, inv.nr 72001, jaaroverzicht door J. Spits, 31-101951. 50 NA, 2.09.16.04, dossier 72001, vermogensstaat 1-1-1951 en 11-10-1951. 51 NA, 2.09.16.04, dossier 72001, 4-10-1950, Van der Ven aan NBI. 52 NA, 2.09.16.04, dossier 72001, 13-9-1951, Spits aan NBI. 53 NA, 2.08.101, inv.nrs 19-28; Kadasterlegger nr 16660, W.W. Erszler p/a J. Spits. 47

6

Carel Heyman Frank (1877-1955) en Abraham George Frank (1887-1956), Twentse vleeshandelaren met weilanden in Delft Dit is het enige (bekende) geval waarbij de gemeente Delft als oorlogskoper optreedt. Het gaat daarbij niet om een woning, maar om weilanden van de Joodse broers C.H. en A.G. Frank. Na de oorlog eisen de broers rechtsherstel, iets waar de gemeente in eerste instantie nogal verbolgen over is. De uitspraak van de Raad voor Rechtsherstel komt uiteindelijk ook neer op een schikking, zonder teruggave van de grond. De rechtmatige eigenaren en de gemeente delen dus het verlies. Dat is niet geheel uitzonderlijk, want naar schatting komt bijna 20% van de geroofde landbouwgrond in Nederland niet terug in handen van de rechtmatige eigenaar.54 Het is vooral interessant om te zien hoe vertegenwoordigers van de gemeente zich opstellen ten opzichte van de (notaris-bemiddelaar van de) Joodse eigenaren. De gemeente kijkt louter met een financiële bril. Pas als jaren later door vorderingen de balans eigenlijk wel lijkt mee te vallen, sluiten ambtenaren redelijk tevreden het dossier. De twee broers zijn dan al overleden. Familie van vleeshandelaren De broers Carel Heyman Frank en Abraham Georg(e) Frank zijn geboren in Ootmarsum als zoons van Kaatje Hedeman en Salomon Frank. Vader Frank bezit een slagerij aan de Grotestraat in Ootmarsum.

Het is een gezin met minstens elf kinderen, waarvan niet iedereen de volwassenheid haalt. In 1899 verhuist het hele gezin naar Almelo, in 1912 naar Berlijn.55 Een aantal kinderen blijft in Nederland, onder wie Abraham George en Carel Heyman die ook in de vleeshandel zitten en naar Voorburg verhuizen. Ze hebben een bloeiend bedrijf. Abraham George bezit onder meer drie koelwagens van de Nederlandse Spoorwegen, en de broers samen hebben grond en een boerderij (Molenzigt) in Koudekerk aan den Rijn, evenals grond in Delft bij de Tweemolentjesvaart ter hoogte van de Nootdorpse Plassen. Abraham George trouwt in 1932 in Den Haag met Betsy de Haas (1901-1987), samen krijgen zij twee kinderen: Elise Vera (1933) en Robert Edwin (1936-2008). Het gezin woont aan de Parkweg 273 in Voorburg, een dan onlangs opgeleverd vrijstaand herenhuis. Financieel gaat het de handelaren in de jaren ’30 voor de wind. Abraham George koopt in 1933 dichtbij zijn woning nog het huis Herenstraat 39 en een paardenstal met wagenschuur aan de Parkweg, samen voor fl 9100. Tevens bezit hij woningen in de Van der Sluysstraat in Rotterdam, die hij aan particulieren verhuurt.56 Broer Carel Heyman verhuist in 1932 van Voorburg naar Den Haag, maar woont vanaf 1938 weer in Voorburg, op Parkweg 233, in 1941 aan Zwartelaan 63 – beide voorname herenhuizen. Hij blijft ongehuwd.

Tweede Wereldoorlog Als nazi-Duitsland in 1939 Polen binnenvalt, verhuist Abraham George met zijn gezin naar California. Broer Bendix Hartog waagt ook de oversteek en verhuist met zijn echtgenote naar New York. Carel Heyman blijft in Nederland. Hij zal de zaken hier waarnemen. Een van die lopende zaken is de verkoop van ca. 6 ¾ ha weiland bij de Tweemolentjesvaart bij Delft. De broers bieden de grond aan de gemeente aan voor fl 27.500. Delft kan de grond goed gebruiken om plantsoenen aan te leggen, een klus die via werkverschaffing gerealiseerd zou moeten worden. De gemeenteraad gaat akkoord, maar de prijs wordt te hoog geacht; het aanbod wordt afgewezen.57 Twee jaar later, op 26 juni 1941, zit wethouder J. Brinkman weer om tafel met Carel Heyman Frank over dezelfde grond. De situatie is nu volkomen anders. Frank moet als gevolg van verordening 102/1941 – registratie van en verbod op landbouwgrond door Joden – aangifte doen en de grond verkopen vóór 31 december 1941. Het is niet duidelijk wie het initiatief voor dit gesprek neemt: de wethouder die geïnteresseerd is in de nu gedwongen verkochte grond of de broers Frank die liefst aan de gemeente

54

Vos en Ter Braake, Rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog, 92-94. www.heemkunde-ootmarsum.nl 56 Het Vaderland, 20-1-1933. In de Verkaufsbücher staan bij A.G. Frank drie huisnummers vermeld, maar de verkoopprijs van fl 137.250 doet vermoeden dat het om meer woningen gaat. 57 SAD, 653, inv.nr 312, 20-4-1939 en 30-12-1946, Hollander over standpunt Frank; Handelingen gemeenteraad, 23-21939. 55

7

verkopen? Frank probeert te bedingen dat de grond na de oorlog teruggekocht kan worden, maar daar wil de wethouder niet aan. Voor fl 28.119 wordt de grond aan de gemeente verkocht op 31-12-1941. Op last van de gemeente wordt in de akte opgenomen dat Delft al langer onderhandelde over de grond i.v.m. uitbreiding van recreatieterrein en dat de koop geschiedt in het belang van volkshuisvesting.58 De betaling geschiedt via notaris P.J. Hoppe in twee porties, naar resp. de Liro-bank en de Bank voor Nederlandsche Arbeid te Amsterdam – dus naar door de Duitse bezetter beheerde roofbankrekeningen. Op 14-4-1942 schrijft Omnia Treuhandgesellschaft aan Hoppe dat de akte niet helemaal klopt. Omnia is al als liquidatieorganisatie ingeschakeld vanaf 31-12-1941, dus Frank was toen niet meer verkoopgerechtigd. De verkoop wordt daarom opnieuw bevestigd, nu met een gevolmachtigde van Omnia. De familie Frank komt niet helemaal ongeschonden uit de oorlog. Een zus, de weduwe Betje Boena van Dam-Frank, wordt vermoord. Zij woonde al voor de oorlog in het Centraal Israëlitisch Oude Mannenen Vrouwenhuis in Gouda en belandde van daaruit in Sobibor. Een andere zus, Eliza Sibella, verliest haar man Tobias Keizer (ook vleeshandelaar) kort na de oorlog, in september 1945; zij woont dan in Voorburg aan de Parkweg 233, het huis van haar broer.

De broers Abraham George en Bendix Hartog zitten in de Verenigde Staten, Carel Heyman heeft vermoedelijk door onder te duiken aan de nazi’s kunnen ontsnappen. De laatste (openbare) gegevens over hem dateren uit december 1942, als een rekening voor ziekenhuiskosten in de Sint Antoniushove in Voorburg bij de Liro-bank wordt ingediend.59 Na zijn onderduik zit laatstgenoemde financieel wel helemaal aan de grond, van de vleeshandel is na mei 1945 niets meer over. Teruggave gevraagd Waarschijnlijk met steun van zijn broer uit California neemt Carel Heyman in augustus 1945 advocaat J. Hollander in de arm om met de gemeente Delft te onderhandelen over teruggave van de landbouwgrond. De broers willen een langdurige procedure tot rechtsherstel vermijden en stellen daarom voor dat zij de percelen terugkrijgen, met een vergoeding voor de gederfde inkomsten (geschat op 3% van de verkoopwaarde per jaar). In ruil daarvoor krijgt de gemeente de baten uit de claim die op de Duitse gevorderde tegoeden wordt ingediend, iets waarvan dan nog verre van duidelijk is óf er ooit geld beschikbaar komt. Omdat Carel Heyman in financiële moeilijkheden verkeert, dringt Hollander aan op een snelle afhandeling.60 De gemeentesecretaris zoekt de verschillende documenten bij elkaar en benadrukt dat de gemeente eerzaam gehandeld heeft.

De gemeente had de grond nodig en Frank wilde niet aan een ander verkopen, getuige ook het aanbod uit 1939. Teruggave is volgens de secretaris niet aan de orde.61 Hij volgt hierbij de gedachte die ook elders opgang doet, namelijk dat een gedwongen verkoop (waarbij dus geld is overgemaakt) van een andere orde is dan onteigening. Advocaat Hollander reageert dat de gemeente misschien niet op een voordeeltje uit was, maar dat deze toch ‘welbewust Joodsch goed’ gekocht heeft. De broers Frank geven aan dat ze de gemeente tegemoet willen komen door geen teruggave te eisen, maar ze willen dan wel schadeloosgesteld worden. Ook nu benadrukt Hollander dat een snelle afhandeling voor Carel Heyman van belang is.62 Rechtsherstel De gemeente is niet van plan te schikken, waarna de broers Frank in het najaar van 1945 een rechtsherstelprocedure starten.63 De door B en W ingeschakelde notaris Ph.B. Libourel waarschuwt dat het verzoek tot nietigverklaring van de eigendomsoverdracht gegrond is omdat het voor rechtsherstel niet uitmaakt of een koper al dan niet heeft gehandeld om op voordelige wijze Joods bezit aan te schaffen, of de grond al dan niet hard nodig had. Daar komt nog bij dat de verkoop plaatsvond op een moment dat de

58

SAD, 653, inv.nr 312, 26-6-1941, 21-8-1941 en 13-8-1945. NA, 2.08.68, inv.nr 1955, 9-12-1942 en 14-12-1942. 60 SAD, 653, inv.nr 312, 8-8-1945, Hollander aan gemeente Delft. 61 SAD, 653, inv.nr 312, 13-8-1945 en 29-8-1945. 62 SAD, 653, inv.nr 312, 6-9-1945. 63 SAD, 653, inv.nr 312, 12-10-1945 en 17-11-1945. 59

8

heren Frank niet meer bevoegd waren om te tekenen, en Omnia de stukken bevestigd heeft.64 Desalniettemin zet de gemeente de hakken in het zand. Zodra de rechtsherstelprocedure gestart is, gaan de ambtelijke molens langzamer draaien. In de zomer van 1946 informeert advocaat Hollander of de gemeente al bereid is een minnelijke schikking te overwegen. Er is inmiddels meer jurisprudentie en het is duidelijk dat in vergelijkbare gevallen de grond teruggegeven moet worden, of dat in ieder geval schadeloosstelling op zijn plaats is. Hollander: ‘Ik voeg hieraan toe dat het in de eerste plaats voor de overheid zowel een rechts- als een morele plicht is om mede te werken aan redres van door den bezetter gepleegd onrecht.’65 Het morele appèl wordt niet opgepikt. B en W reageert – bij monde van de hoofdcommies van de secretarie – dat de gemeente hier niet op ingaat omdat de gebroeders Frank zelf met de gemeente in onderhandeling traden, de gemeente netjes heeft betaald en ‘alles op normale wijze is geschied’.66 Sterker nog, de gemeente voelt zich tekortgedaan. Papieren worden opgezocht om te laten zien dat de koopsom in twee delen op 23-2-1942 en 16-4-1942 is overgemaakt, naar resp. de Liro-bank en de Bank voor Nederlandsche Arbeid te Amsterdam. De inzet van de gemeente is dat Frank niet had hoeven verkopen, omdat de grond ook van zijn broer in de Verenigde Staten was.

Hij had om die reden beroep kunnen aantekenen tegen de bezetter.67 Dit laatste punt houdt geen stand, aangezien al het Joodse landbezit onder de regeling viel. In december 1946 zitten burgemeester G. van Baren, advocaat Hollander en wethouder J. Lausberg bij de als bemiddelaar gevraagde notaris A. van Engen. Van Baren is ervan overtuigd dat de gemeente geen schuld heeft: ‘De heer Frank verkeerde niet in levensgevaar. Niet fatsoenlijk dat deze zaak door rechtsherstel aanhangig is gemaakt.’ Hij vraagt zich af waarom de gemeente een procedure moet vermijden. Nu de gemeente toch al voor meer dan 100% aansprakelijk wordt gesteld is er voor Delft weinig te verliezen. Hollander merkt op dat de gemeente geen ervaring heeft met rechtsherstel en dat het Delftse pleidooi geen kans maakt. Uit de bespreking komt een bemiddelingsvoorstel voort: de gemeente houdt het land, maar vergoedt de halve koopprijs. De claim op gevorderde tegoeden bij Duitse banken wordt ook gedeeld, en dat alles zonder verrekening van de opbrengst.68 B en W gaat akkoord met dit voorstel, Carel Heyman Frank echter niet.69 Hij wil schadevergoeding voor de gederfde inkomsten van het land: fl 100 per ha per jaar, te rekenen vanaf 1-1-1942. Door notaris A. van Engen laat hij met deze eis op 11 maart 1947 een proces van zwarigheden opstellen. De gemeente trekt nu advocaat T.A.

van Dijken aan, ook omdat B en W vindt dat er onwaarheden worden gedebiteerd over het gedane overleg – vooral over wie nu het initiatief nam.70 De gemeente vindt de schadevergoeding onredelijk omdat zijzelf meer rente betaalt voor het geld dat geleend moest worden om de grond te kopen dan dat het land opbrengt. Delft heeft de grond trouwens echt nodig. Na teruggave zou meteen onteigening volgen. Tot slot meldt B en W nog eens het ongegronde argument dat Frank aan de verordening had kunnen ontkomen omdat zijn broer Amerikaans is en ‘hij bovendien met den koopprijs had kunnen onderduiken’ – een nieuwe en op zijn zachtst gezegd merkwaardige opmerking in deze zaak.71 In de notitie aan de gemeenteraad, waar de zaak in vertrouwelijk overleg besproken wordt, schrijft B en W dat Frank zelf initiatief nam – ‘al moge de verordening 102/1941 daarbij een rol hebben gespeeld’. Daar komt bij dat Frank het geld bij de gemeenteontvanger had kunnen innen ‘en met het geld had kunnen verdwijnen, zonder zich te bekommeren om de verplichtingen, opgelegd bij de verordening 148/1941’. Het was onbillijk om de gemeente te laten betalen voor de schade ‘welke de heeren Frank geleden hebben door de door den heer C.H. Frank gevolgde gedragslijn’.72 In april 1947 adviseert de Arnhemse Kamer van de Raad voor Rechtsherstel aan B en W i.v.m. het proces van zwarigheden.

Over verordening 102/1941 is geen discussie mogelijk: artikel 25 E 100 is van

64

SAD, 653, inv.nr 312, 6-12-1945, Libourel aan B en W. SAD, 653, inv.nr 312, 15-7-1946, Den Hollander aan B en W. 66 SAD, 653, inv.nr 312, 31-7-1946, B en W aan Den Hollander 67 SAD, 653, inv.nr 312, div. papieren z.d. [1946] 68 SAD, 653, inv.nr 312, uitgetikt gesprek, 3-12-1946. 69 SAD, 653, inv.nr 312, 7-12-1946, gemeentesecretarie, en 10-12-1946, B en W aan Van Engen. 70 SAD, 653, inv.nr 312, 30-12-1946, proces van zwarigheden; 23-1-1947, B en W aan Van Dijken. 71 SAD, 653, inv.nr 312, 3-3-1947, B en W aan Van Engen. 72 SAD, 653, inv.nr 312, 18-3-1947, B en W aan gemeenteraad. 65

9

toepassing en Frank zal dus moeten worden hersteld in zijn eigendom. Frank heeft echter wel het geld voor de grond ontvangen. ‘Dat deze gelden later voor hem verloren zijn gegaan mag niet ten laste van de gemeente Delft komen’, aldus de adviseur. Bij rechtsherstel zal Frank de grond dus moeten terugkopen. Hij heeft daarbij wel recht op revenuen, zoals de gemeente recht heeft op gemiste rente op de koopprijs. De kamer stelt voor dit tegen elkaar weg te strepen, en om als gemeente de kosten voor de notarisbemiddelaar (fl 351,49) en de afdeling Onroerende Goederen (fl. 48,12) te betalen.73 De broers Frank reageren bij monde van advocaat Hollander dat de adviseur blijkbaar met de gemeente Delft van mening is dat C.H. Frank zich in december 1941 met geld en al uit de voeten had moeten maken. Het is wel erg eenvoudig ‘achteraf aan een Jood te vertellen hoe hij zich tegenover de antiJoodse maatregelen eigenlijk had moeten gedragen’. De aankoopsom is via notaris Hoppe volgens de bepalingen direct naar de Liro-bank en de Bank voor Nederlandsche Arbeid gestort – daar is Frank niet bij in de buurt geweest.74 Aan de afdeling Rechtspraak van de Raad voor Rechtsherstel sturen de broers Frank bericht dat de gemeente Delft ‘geen argument schuwt om dit rechtsherstel te bemoeilijken’.

Zij doelen daarbij onder meer op het initiatief tot verkoop dat – gezien ook de meegestuurde uitnodiging van de wethouder – toch echt bij de gemeente lag. De bewering dat C.H. Frank maar had moeten weigeren en/of met het geld in contanten had moeten onderduiken vinden ze weinig kies. Verzoekers hebben geen ‘lust [om] tijd en energie te verdoen’ aan dergelijke beweringen. Zij verzoeken de raad hen in hun rechten te herstellen zoals bij het proces van zwarigheden gevorderd, met veroordeling van de gemeente Delft in de proceskosten.75 Zoals de uitnodigingsbrief voor het verkoopgesprek opeens opduikt, doet ook B en W nog een nieuwe duit in het zakje. In het vertrouwelijke deel van de gemeenteraadsvergadering van 16-4-1947 vertelt wethouder Lausberg dat hij zich herinnert dat oud-wethouder Brinkman vertelde ‘dat hij bezoek had gehad van de heer Frank, die bij hem had zitten huilen en smeken dat de gemeente de grond zou kopen’. Brinkman heeft toen geïnformeerd of hij kon onderhandelen en toen dit akkoord was, is de uitnodiging de deur uit gegaan. Het toenmalige college deed dit dus om Frank te hélpen.76 Van Baren verzucht echter dat de zaak er zwak voorstaat. Ook is de Raad voor Rechtsherstel volgens hem ‘zeer op de hand van de joden’, de meeste uitspraken tot nu toe zijn ‘zeer pro-joodsch’. Raadslid Posthumus merkt op dat daar ook wel enige reden toe is.

Dat neemt niet weg dat de teneur van de rest van de vergadering is dat Frank zich ‘wel heel slaafsch’ heeft gedragen en dat verkoop aan één partij slim was aangepakt omdat hij dan meer kans had om na de oorlog zijn geld terug te krijgen.77 Dit alles bij elkaar levert voldoende munitie op om de afdeling Rechtspraak van de Raad voor Rechtsherstel te schrijven dat de gemeente niet instemt met het proces van zwarigheden. De opmerking dat het niet netjes is om nu te vertellen wat Joden hadden moeten doen, wordt ook weersproken. Het is immers precies wat alle tribunalen en zuiveringscommissies doen, namelijk aan burgers vertellen hoe ze zich eigenlijk ten opzichte van de bezetter hadden moeten gedragen. Enige moed om zich te onttrekken aan een maatregel mag ‘toch ook wel van een Joodschen medeburger worden verwacht’.78 Op 16 januari 1948 wordt de zaak behandeld in een zitting van de Arnhemse Kamer voor Rechtsherstel. De voorlopige uitspraak volgt op 11 maart. Hier wordt gesteld dat de pachtwaarde inderdaad fl 100 per ha bedraagt, dus dat de vruchten op fl 673,17 per jaar neerkomen, over 6 jaar gezamenlijk fl 4039. Daar staat tegenover dat de gemeente kosten heeft gemaakt, fl 1563, en er dus door de gemeente nog fl 2476 betaald moet worden. Ook wordt bepaald dat de gemeente weet kon hebben dat het geld niet naar Frank zou gaan.

In de gemeenteraad van 16-12-1941 is het definitieve besluit tot koop genomen, terwijl op 22-11-1941 al bericht van Omnia kwam dat de firma van Frank geliquideerd was. De stelling dat Frank had kunnen onderduiken, gaat niet op. Dat mag redelijkerwijs niet van hem verwacht worden omdat hij zich dan ter wille van het geld in persoonlijk gevaar zou brengen; ook was onderduiken in 73

SAD, 653, inv.nr 312, 16-4-1947, afdeling Onroerend Goed van de Raad voor het Rechtsherstel aan de afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel. 74 SAD, 653, inv.nr 312, aanvulling op verzoek 24-3-1947, Hollander aan Arnhemse Kamer Raad voor het Rechtsherstel. 75 SAD, 653, inv.nr 312, Hollander aan Raad voor het Rechtsherstel, 24-3-1947. 76 SAD, 653, inv.nr 312, B en W aan Van Dijken, 10-6-1947. 77 SAD, 653, inv.nr 5727, Geheime notulen gemeenteraad, 16-4-1947. 78 SAD, 653, inv.nr 312, B en W aan Raad voor het Rechtsherstel, juli 1947.

10

1941 nog niet zo gebruikelijk. De koop wordt gezien als gedwongen transactie, maar wel eentje die in overleg werd besloten. Uit niets blijkt dat de gemeente van de maatregel wilde profiteren: er werd meer betaald dan geboden in 1939 en de gemeente was helemaal niet met plantsoenen bezig in 1941. De Arnhemse Kamer stelt voor het bemiddelingsvoorstel uit december 1946 aan te houden. Frank vergoedt daarmee de helft van de koopprijs aan de gemeente, terwijl de vordering op de Duitse instanties gezamenlijk gedeeld wordt. Administratieve kosten dienen ook gedeeld te worden. De koop wordt daarmee ongedaan gemaakt, de gemeente moet fl 2476 betalen ter verrekening van genot en zakelijke lasten en de heren Frank moeten een schadevergoeding van fl 14.059,50 plus rente van 3,5% per jaar betalen vanaf 1-1-1942. De claim op de Duitse gevorderde tegoeden wordt gedeeld.79 B en W geeft aan de zaak nu eindelijk te willen oplossen, Delft heeft meer aan de grond dan aan het geld en kan hiermee instemmen.80 Notaris Hollander reageert dat de gedeelde koopsom akkoord is, maar dat de verrekening mank gaat. De gemeente betaalt de lasten tot en met 1 januari 1948, terwijl Frank de rentekosten betaalt tot aan het moment dat de Raad voor Rechtsherstel uitspraak doet – en dat kan nog wel even duren.

Hij stelt voor deze bedragen voor de verrekening tegen elkaar weg te strepen.81 Hoofdcommies ter gemeentesecretarie geeft B en W mee dat dit onbillijk is, en dat dit alleen gebeurt omdat de broers Frank nu zien dat ze er toch nog zo’n fl 500 bij inschieten. Het voorstel van Hollander is er volgens hem een ‘met een bijsmaakje’. Redelijk zou het zijn als de gemeente zich houdt aan de uitspraak die de Raad voor Rechtsherstel waarschijnlijk gaat doen, maar daar zitten nog haken en ogen aan – onder meer omdat mede-eigenaar A.G. Frank in de Verenigde Staten woont. Het kan dus nog lang duren voor er een definitieve uitspraak is en de gemeente is gebaat bij een snelle oplossing. De hoofdcommies stelt voor dat de gemeente, ‘verstandiger dan Frank’, de extra verrekening laat zitten. Dat komt overeen met wat Frank wenst, en hiermee gaan de broers inderdaad akkoord.82 In het uiteindelijke staatje lijken de gebroeders Frank er misschien gunstig vanaf te komen, maar zij zijn hoe dan ook de helft van de verkoopwaarde van hun land kwijtgeraakt. ½ verkoopsom grond ½ kosten rechtsherstel Rechtskundige bijstand Te betalen door gem. Delft

fl 14.059,50 fl 199,80 fl 500,00 fl 14.759,30

½ kosten rechtsherstel rechtskundige bijstand Te betalen door gebr. Frank

fl 199,80 onbekend fl 199,80 (min)

Weggestreepte kosten: Opbrengst van het land

fl 2476,00

Renteverrekening

fl 2952,49

Claim gevorderde Duitse tegoeden Van de in de schikking opgenomen gedeelde claim op de Duitse gevorderde tegoeden wordt ten tijde van het rechtsherstel weinig verwacht, maar deze blijkt in de loop der jaren toch nog iets te vereffenen. In 1949 neemt notaris H. Bakker contact op met de gemeente Delft. Hij treedt op voor D.P. van Leeuwen uit Koudekerk a/d Rijn die via rechtsherstel de door hem gekochte boerderij Molenzigt (fl 56.437,71) aan de gebroeders Frank moest teruggeven. Ook hij kan deels aanspraak maken op een claim op de Duitse gevorderde tegoeden, waarbij is bepaald dat de gemeente Delft en Van Leeuwen maar met elkaar moeten regelen hoe het bedrag verdeeld wordt.83 In drie porties komt geld los uit deze claim. Vaak ontvangen eerst de gebroeders Frank een deel, waarvan zij dan weer de helft aan de gemeente moeten afdragen. Beide partijen zijn dus ook na de schikking nog niet van elkaar af. In 1949 ontvangt de gemeente van de vordering ad. fl 14.059,50 van de Liro-bank fl 5272,31 en van de Bank voor de Nederlandsche Arbeid fl 3439,86, dus samen fl 8712,17, én de gemeente behoudt

79

SAD, 653, inv.nr 312, oordeel Raad voor het Rechtsherstel, 11-3-1948. SAD, 653, inv.nr 312, 11-5-1948, BenW aan Van Dijken. 81 SAD, 653, inv.nr 312, 21-6-1948, Hollander aan Van Dijken. 82 SAD, 653, inv.nr 312, 30-6-1948, hoofdcommies aan B en W; 23-7-1948, Van Dijken aan Hollander; 28-9-1948, Van Dijken aan B en W; besluit gemeenteraad, 4-11-1948. 83 SAD, 653, inv.nr 312, 6-9-1949, Bakker aan burgemeester. 80

11

aanspraken op eventuele volgende uitkeringen.84 In september 1952 blijkt er nogmaals een uitkering te verwachten van de claim op Duitse tegoeden van fl 2787,90, ‘zodat de gemeente er vrijwel zonder kleerscheuren is afgekomen’ – zo staat in de notities van het gemeentesecretarie.85 Nog eens zes jaar later, eind 1958, volgt de allerlaatste uitkering, van fl 348,48. Hierna wordt de zaak gesloten.86 Restitutie uit de claim op Duitse tegoeden voor de gemeente Delft: 1949 Lippmann en Rosenthal (Liro) Bank voor de Nederlandsche Arbeid 1952 Deutsche Revisions- und Treuhand Aktiengesellschaft 1958 idem, slotuitkering

fl 5272,31 fl 3429,86 fl 2787,90 fl 348,48 fl 11.838,55

De gemeente kan de financiële boeken met een gerust hart sluiten; de schade valt uiteindelijk mee. Of de familie Frank dit ook zo ervaart, is zeer de vraag. Individuen hebben nu eenmaal een ‘kortere adem’. De broers maken de laatste uitkering niet eens meer mee. Carel Heyman overlijdt in 1955 op 78-jarige leeftijd aan de gevolgen van een ongeval in Den Haag. Zijn broer Abraham George overlijdt een jaar later. Verdere familie zal de zaken afgehandeld hebben; zo moet ook hun verweduwde zus Eliza Sibella, en na haar dood in 1952 haar dochter, bijgestaan worden bij verschillende rechtsherstelprocedures.87

84

SAD, 653, inv.nr 312, 12-12-1949, referendaris gemeentesecretarie. SAD, 653, inv.nr 312, 22-9-1952 en 12-12-1952. 86 SAD, 653, inv.nr 312, 3-11-1958 en 13-1-1959, Van Dijken aan B en W. 87 NA, 2.09.48, diverse rechtsherstelprocedures te vinden via A.G. Frank en E.S. Keizer-Frank. 85

12

Rachel Hirsch (1869-1943), pianolerares op de Binnenwatersloot De ongehuwde pianolerares Rachel Hirsch is in 1943 in Sobibor vermoord. Zij was eigenaresse van haar huis op de Binnenwatersloot. Dat werd haar in 1942 afhandig gemaakt en door de bezetter kort daarop verkocht aan een NSB’er. Waarschijnlijk hebben hij en de door hem aangetrokken medehuurder tevens een groot deel van haar inboedel verpatst. Bij teruggave van het huis na de oorlog blijkt de oorlogskoper zodanig in de schulden te zitten, dat er op hem weinig meer valt te verhalen. Voor de huur die de roofinstantie van de bezetter ANBO gedurende de oorlog heeft geïncasseerd, verwijst het Nederlands Beheersinstituut (NBI), dat diens taken heeft overgenomen, naar een makelaar in Rotterdam die door het ANBO met de inning was belast. Die weigert halsstarrig te reageren. Behalve haar huis had de pianolerares ook spaarcenten die zij belegd had in enkele hypotheekleningen en lijfrenten en effecten. Deze zijn vrijwel allemaal door de bezetter te gelde gemaakt. Nabestaanden blijken daarvan na de oorlog ook maar een deel te kunnen terugvorderen. De nalatenschap is danig geplunderd, eer zij aan de rechtmatige erfgename (een nicht) kan worden toegewezen. De gemeente speelt in deze zaak geen rol. Ze heeft ook geen enkele schade geleden: alle jaren heeft zij haar belastingen hoe dan ook keurig betaald gekregen.

Vermoord en beroofd Rachel Hirsch, geboren 1869 in Tiel, vergast op 73-jarige leeftijd in Sobibor 13 maart 1943, was gediplomeerd pianolerares en bleef haar hele leven ongehuwd. Zij vestigde zich in 1915 met een lespraktijk in Delft.88 Vanaf 1920 bewoonde ze het huis Binnenwatersloot 17, dat ze begin 1926 kon kopen.89 Ze bewoonde daarvan de bovenwoning en verhuurde de begane grond.90 Waarschijnlijk had ze enig vermogen geërfd, want ze had spaargeld belegd in een drietal hypotheken bij particulieren in Delft en daarnaast nog een kleine effectenportefeuille.91 Haar huis is op 29 oktober 1942 ‘in beheer’ genomen door de Niederländische Grundstückverwaltung (NGV).92 Een week eerder had de pianolerares gepoogd een einde aan haar leven te maken. Ze werd echter voortijdig gevonden en op 23 oktober naar het Hippolytusziekenhuis gebracht, waar ze weer werd opgelapt.93 Vervolgens nam zij met haar vleugel intrek bij de familie Feldmann op de Rotterdamseweg nr 101. Haar benedenburen J. Zwarts en zijn gezin werd per 1 december de huur opgezegd.94 De NGV slaagt erin het huis voor fl 10.000 te verkopen aan de NSB’er en handelaar in tweedehands meubilair Jacob van de Krol. Deze neemt daarvoor een hypotheek op het pand bij de Centrale Arbeiders Verzekeringsbank van fl 7.500.95 De koop is 31 januari 1943 rond en wordt op 16 maart definitief met een akte bekrachtigd.

Rachel Hirsch is inmiddels op 5 maart 1943 naar Westerbork weggevoerd en op 13 maart in Sobibor om het leven gebracht.96 Duistere handel Jacob van de Krol betrekt zelf de benedenverdieping van de woning en verhuurt de bovenwoning aan ene Arnoldus Wolf.97 De laatste biedt vervolgens in de krant onder meer een bestek en serviesgoed (à fl 95), een bontjas (fl 350) en een wollen damesbadcostuum (fl 15) te koop aan.98 Van de Krol heeft sinds 1935 een cafetaria op Oude Delft nr 3 (huurpand) waar hij boven de zaak woont. Als hij naar de Binnenwatersloot verhuist, zet zijn zoon Huibert daar de zaak voort. Achter dat pand

88

DC, 20-9-1915. DC, 1-9-1920 en kadasterlegger 13407. 90 SAD, 16, Woningkaart Binnenwatersloot 17. 91 Verslag van bewindvoerder M. Bennekers 3-6-1946, in NA, 2.09.16.06, dossier 90759 92 Kadasterlegger 13407; NA, 2.08.101, inv.nrs 20-27. 93 Wijnberg-Stroz en Van Lunteren-Spanjaard, Blijvers en voorbijgangers, 169. 94 SAD, 16, Woningkaart Binnenwatersloot 17. 95 Formulier verzoek om minnelijke schikking bij de afd. Onroerende Goederen van de Raad voor het Rechtsherstel d.d. 19-8-1946 in: SAD, 278, inv.nr 1962. Zie ook de database van de zg. Verkaufsbücher van het Nationaal Archief. 96 Gegevens Joods Monument. 97 SAD, 16, Woningkaart Binnenwatersloot 17. 98 DC, 3 en 17-4-1943. 89

13

ligt een pakhuis van de jeneverstokerij De Papegaaij dat Van de Krol kennelijk heeft kunnen huren voor de opslag van zijn handel in oude meubelen. Eind mei 1944 doen ambtenaren van Prijsbeheersing daar een inval en treffen de ruimte volgepropt met meubels, vleesmachines, sigarenautomaten, elektrische koffiemolens en stapels grammofoonplaten. Toen de ambtenaren de deur naar een ruimte met levensmiddelen openden ‘vloog een zwerm motten op’, aldus het verslag in het deftige blad Het Vaderland. Ze troffen er ‘bussen met bedorven knakworstjes, havermout waar de motten nog in zaten, beschimmelde cacao en verder rozijnen, krenten, gedroogde pruimen en leverpastei, alles onbruikbaar geworden voor consumptie’. Volgens de krant staat de 60-jarige Van de Krol officieel te boek als handelaar in tweedehands inventarissen voor cafés. Behalve aan de Oude Delft heeft hij ook een opslagplaats op de Koornmarkt, waar twee zolders propvol met meubels staan. ‘Thans zijn 15 personen bezig den inventaris te taxeeren, waarvoor zij ongeveer 14 dagen noodig zullen hebben’, aldus de krant, die meedeelt dat tegen Van de Krol vervolging zal worden ingesteld wegens zwarte handel.99 In De Telegraaf, die het verhaal al even smeuïg brengt onder de titel ‘Schatkamer in een klein steegje’, lezen we nog dat de man ‘tien jaar geleden nog financieel geholpen (moest) worden bij de oprichting van een cafetaria.

Thans maakt hij er werk van op veilingen alles op te kopen wat maar van zijn gading is om er in den zwarten handel weer geld aan te verdienen.’ Volgens het blad zouden er zeker veertig verhuiswagens nodig zijn om alles te vervoeren naar door oorlogsgeweld getroffen steden als Enschede en Arnhem waar duizenden mensen niets meer bezitten.100 Bewindvoerder Na de oorlog is notaris mr. O.G. Sap de eerste die in de nalatenschap van Rachel Hirsch actie onderneemt. Op 30 juli 1946 schrijft hij aan de Commissie voor Beheer en Rechtsherstel van de Raad voor het Rechtsherstel op de Markt een pleidooi om Gerard Wendelinus Bennekers aan te stellen tot bewindvoerder over het vermogen van de ‘afwezige’ weggevoerde Jodin. Dit op machtiging van Betsy Visser uit Deventer, een nicht van de pianolerares, die gehuwd is met de broer van de voorgestelde bewindvoerder.101 Naar blijkt had notaris Sap ooit het testament opgemaakt voor Rachel Hirsch, waarbij zij haar nicht als enige erfgename had aangewezen.

Gerard Bennekers die in Delft aan de Oostsingel 197 woont, wordt inderdaad als bewindvoerder benoemd, maar vertrekt al spoedig naar Nederlands-Indië, waarna op 3 oktober alsnog zijn broer Matthijs Bennekers, speelgoedfabrikant te Deventer en directeur van Het Parool en echtgenoot van Betsy Visser de taak krijgt toegewezen.102 Bennekers had in de oorlog in Deventer diverse Joodse onderduikers onderdak geboden.103 Inventarisatie Op 3 juli 1946 brengt hij gedetailleerd verslag uit van het vermogen van de ‘afwezige’, waarvan al wel duidelijk is dat zij niet meer zal terugkeren. Behalve het door de bezetter verkochte huis had de pianolerares drie hypotheken verstrekt. Twee daarvan zijn in de oorlog afgelost op aandrang van de beheersinstantie van de bezetter ANBO en het geld (samen fl 4.000) is gestort op de rekening van de Niederländische Grundstückverwaltung (NGV). Op dat geld blijkt de bewindvoerder uiteindelijk een claim te kunnen leggen.104 De derde hypotheek à fl 4.000 op het pand Delfgauwseweg 182 is ongemoeid gebleven. De rente daarvan wordt sinds de bevrijding regelmatig aan de bewindvoerder betaald. De vleugel en veel van de inboedel blijken verdwenen. De bewindvoerder schat de waarde daarvan samen op ca. fl 7.000.

99

Het Vaderland, 2-6-1944. De Telegraaf, 2-6-1944. 101 NA, 2.09.16.06, dossier 90759. 102 NA, 2.09.16.06, dossier 90759. 103 Zie: https://onderduikhuizenvoorjodenindeventer.nl/locaties/zwolseweg-119-bennekers-visser 104 NA. 2.09.48, inv.nr 903 geschillendossiers Raad voor de Rechtsherstel nrs 14864 en 14865. De zaak wordt uiteindelijk 5-3-1949 geschikt. Het betrof hypotheken op een onbebouwd erf in de Mijnbouwstraat en op het pand Dorpstraat A 45 in Schipluiden. 100

14

Voor de vergoeding daarvan wordt de bewindvoerder verwezen naar de Schade-Enquêtecommissie. Die vergoedt echter alleen schade aan erfgenamen in rechte lijn en die zijn er niet meer.105 Hirsch had verder een aantal lijfrenten, die blijken te zijn afgekocht. Het kapitaal daarvan is gestort op de rekening van de Liro-bank. Een vrijwillige ouderdomsverzekering bij de Raad van Arbeid is niet afgekocht, maar gezien de snelle dood na de laatstgenoten uitkering van 20 februari 1943 stelt die niet veel meer voor. Hij wordt bovendien pas uitbetaald als er een overlijdensakte is opgemaakt. Dan zijn er nog twee beleggingen in Deense fondsen van elk fl 1.000 ingelegd kapitaal. Ook die zijn vermoedelijk verzilverd door de Liro-bank, al is daarover nog lang onduidelijkheid. Tot slot blijkt er nog een bedrag van fl 782 aan contanten teruggekomen dat in bewaring was gegeven bij (apotheker?) Oversluys in Delft.106 Minnelijke schikking Om het huis weer in handen te krijgen moet de bewindvoerder zich wenden tot notaris R.J. Montijn om een ‘akte van minnelijke schikking’ te laten opmaken met de oorlogskoper. De notaris is door de afdeling Onroerend goed van de Raad van het Rechtsherstel aangewezen om de procedure van het rechtsherstel in de praktijk af te handelen.

Oorlogskoper Van de Krol zit inmiddels wegens landverraad geïnterneerd en zijn zaken worden waargenomen door bewindvoerder-advocaat mr J.P. Chardon. Het huis aan de Binnenwatersloot wordt ondertussen bewoond door een nieuwe huurder (Izaak Overweel) die de huur afdraagt aan het NBI-kantoor in Delft. Bewindvoerder Bennekers wil echter wel dat Van de Krol nog huur betaalt over de periode dat hij onrechtmatig het huis bewoonde.107 De teruggave van het huis neemt tijd. Notaris Montijn wacht eerst op de vaststelling van de procedure door de Raad voor het Rechtsherstel. Op 19 augustus 1946 zijn de formulieren klaar en kan de aanvraag worden ingediend. Ondertussen is Van de Krol na een jaar alweer op vrije voeten en is de bewindvoering over zijn vermogen opgeheven, met uitzondering van het huis op de Binnenwatersloot (en een tweede op de Voldersgracht dat hij tijdens de bezetting uit Joods bezit had gekocht). De onderhandelingen met Van de Krol verlopen moeizaam. Zijn vermogen is nihil en de belastingen hebben ook beslag gelegd op zijn bezittingen.108 Op 25 maart 1947, driekwart jaar na het inzenden van het formulier, vraagt notaris Montijn bij het NBI om inlichtingen over de huur en de hoogte van de hypotheek, die moet worden ontbonden. Ook informeert hij of alle lasten en verzekeringen zijn betaald.109 Dat laatste zou het geval zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12235126/1