3 Bestemmingsplan
Tekst van het document
49
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
4.8.2
Onderzoek
In het kader van de nieuwe ontwikkeling is in op 21 oktober 2020 door Ecogroen een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit de berekening volgt dat er dat er als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase van de nieuwbouw geen toename van stikstofdepositie (0,00 mol/ha/jaar) plaatsvindt op Natura 2000-gebieden. Vervolgstappen ten aanzien van de effecten van stikstof zijn niet aan de orde. De output van de AERIUS berekening is als bijlage toegevoegd (bijlage 7). 4.8.3
Conclusie
Uit de AERIUS berekening volgt dat de stikstofdepositie binnen de stikstofgevoelige natuurgebieden tijdens de aanleg- en gebruiksfase 0,00 mol/ha/jaar is. Er zijn geen effecten op Natura 2000-gebieden.
4.9
Bodem
4.9.1
Inleiding
Op basis van historische informatie en in het verleden uitgevoerde bodemonderzoeken is voor het gehele grondgebied van Delft volgens het Besluit bodemkwaliteit een bodemkwaliteitskaart opgesteld. De bodemkwaliteitskaart maakt deel uit van de Nota duurzaam bodembeheer gemeente Delft 2018. In de nota is berekend wat de gemiddelde bodemkwaliteit van de trajecten 0-0,5 m-maaiveld en 0,5-2,0 m-maaiveld in een bepaald gebied is. Ook is opgenomen wat de bodemfunctie is en welke toepassingseisen (dit is de kwaliteit van de toe te passen grond grond) gelden in geval van grondverzet. 4.9.2
Onderzoek
In 2020 heeft BMA Milieu B.V. het volgende bodemonderzoek binnen het plangebied uitgevoerd: Milieukundig bodemonderzoek Martinus Nijhofflaan 15-19 met kenmerk MBO.2020.0078, opgesteld op 16 juni 2020, zie bijlage 8.
Het onderzoek geeft een goed beeld van de milieuhygiënische bodemkwaliteit in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de (beoordeling van de) bestemmingswijziging en de voorgenomen aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten. De algemene bodemkwaliteit is vastgelegd. Hierbij is ook onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van asbest en PFAS in de bodem.
Het terrein is braakliggend / in gebruik als plantsoen. In de grond zijn maximaal licht verhoogde gehalten vastgesteld aan kwik, zink en PCB's. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten met barium en minerale olie aanwezig. De concentratie arseen in het grondwater overschrijdt de interventiewaarde. De grond rondom de grondwaterstand bevat geen arseen, waardoor gesteld kan worden dat de verhoogde concentratie in het grondwater niet het gevolg is van menselijk handelen maar van natuurlijke oorsprong is. Aanvullend onderzoek is daardoor niet nodig. In het mengmonster van de bovengrond (tot 0,5 m-mv) is geen asbest aangetoond.
Zones en kwaliteit Het plangebied bevindt zich in de volgende bodemkwaliteitszone: 11. Wonen vanaf 1960. De kwaliteit van de grond die mag worden toegepast (toepassingseis) betreft voor de bovengrond de klasse Wonen. Vanaf 0,5 m-mv mag alleen grond met kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde worden toegepast. Indien er grond wordt toegepast moet voldaan worden aan de hiervoor geldende regelgeving (o.a. Besluit bodemkwaliteit, Nota duurzaam bodembeheer gemeente Delft 2018, regelgeving m.b.t. PFAS).
50
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
4.9.3
Conclusie
De bodem binnen de contouren van het plangebied is over het algemeen licht verontreinigd. Er is geen asbest aangetoond in de bovengrond (verdachte zone). PFAS-concentraties liggen onder de normen van het Tijdelijk Handelingskader. De locatie is in voldoende mate onderzocht. De bodemkwaliteit in het plangebied is geschikt voor de beoogde bestemming (wonen).
4.10
Milieuzonering bedrijven
4.10.1 Inleiding Om te bepalen of sprake is van mogelijke hinder, kan de systematiek van de VNG brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' (editie 2009) worden gehanteerd. In deze VNG brochure is een systematiek op basis van een lijst met bedrijfsactiviteiten opgenomen, waarop de activiteiten zijn ingedeeld in milieucategorieën. Op basis van de te verwachten milieubelasting van bedrijven, gelden richtafstanden die variëren van 10 meter (milieucategorie 1 lichte hinder) tot 1.500 meter (milieucategorie 6 zeer zware hinder). De indicatieve afstanden gaan uit van een gevoelig object - zoals een woning - in het omgevingstype 'rustig woongebied'. Deze 'standaard' systematiek gaat uit van het principe van functiescheiding. Binnen een gebied waar sprake is van functiemenging (zoals een centrumgebied, een horecaconcentratiegebied of een woon-werkgebied waar bewust wordt gekozen voor een menging van functies) is deze systematiek minder goed werkbaar. In dergelijke levendige gebieden ('gebieden met functiemenging') is het immers veelal wenselijk dat milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen kunnen worden gerealiseerd. In de VNGbrochure is daarom voor gebieden met een menging van functies een andere systematiek geïntroduceerd.
In plaats van een indeling van activiteiten in zes milieucategorieën wordt daarbij ingegaan van een indeling van bedrijfsactiviteiten in de categorieën A, B en C. Deze categorie-indeling heeft de volgende betekenis: categorie A: activiteiten die zodanig weinig milieubelastend zijn, dat deze in gebieden met functiemenging aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend; categorie B: activiteiten die in een gebied met functiemenging kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen te vinden; categorie C: activiteiten vergelijkbaar met categorie B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. 4.10.2 Omgevingstype plangebied De omgeving van de ontwikkeling aan de Martinus Nijhofflaan is een gebied dat in de huidige situatie al een sterke functiemenging kent. Het ruimtelijke beleid is er ook op gericht om deze functiemenging te behouden.
Dit blijkt onder meer uit het huidige vigerende bestemmingsplannen "Albert Heijn Locatie Martinus Nijhofflaan" en "Partiele herziening In de Hoven ex artikel 30 WRO van het bestemmingsplan Zuidwest deelgebied 1 (Voorhof)", waarbij voor de percelen aan weerszijden van de Martinus Nijhofflaan de bestemming 'Gemengd', danwel 'Gemengde doeleinden' is opgenomen. Binnen deze bestemmingen zijn naast woningen diverse niet-woonfuncties toegestaan. Het betreft onder andere horeca, detailhandel, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen en kleinschalige bedrijven. Het plangebied ligt binnen het winkelgebied aan de Martinus Nijhofflaan en valt daarom binnen een gebied dat conform de VNG brochure kan worden aangemerkt als een 'gebied met functiemenging'. In het verleden is hier voor andere bestemmingsplannen wel de standaard systematiek toegepast van de richtafstanden. Ook uit deze toets kwam naar voren dat de beoogde functiemenging in het gebied mogelijk was. Vanwege de grote mate van functiemenging in het gebied is het echter minder logisch om gebruik te maken de standaard systematiek. Daardoor er voor het voorliggend plan voor gekozen is om gebruik te maken van de meer passende methode van de ABC-lijst zoals opgenomen in de VNG-brochure.
51
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
4.10.3 Toetsing initiatief Voorliggend bestemmingsplan maakt horeca en detailhandel mogelijk. Een restaurant en detailhandel (met uitzondering van een supermarkt) is op basis van de bedrijvenlijst in de VNG-brochure ingedeeld in categorie A. Detailhandel valt Dit betekent dat de functie zodanig weinig milieubelastend is dat deze aanpandig aan woningen kan worden uitgevoerd. Er hoeft dus geen 'vrije' afstand in acht te worden genomen tussen het perceel van een restaurant of detailhandelsvoorziening en een nabijgelegen woning. In de praktijk wordt dit ook al overal aan de Martinus Nijhofflaan toegestaan. Zowel boven horeca als boven supermarkten zijn nu ook al woningen gesitueerd. Op grond van de VNG-brochure kan worden geconcludeerd dat er uit oogpunt van milieuhinder geen bezwaren zijn om de beoogde voorzieningen te vestigen binnen het plangebied. 4.10.4 Onderzoek industrielawaai In de huidige situatie is horeca en detailhandel met daarboven een parkeergarage toegestaan en inmiddels ook gerealiseerd op een deel van het perceel (fase 1). Omdat alle functies dicht op elkaar liggen is in het nu geldende bestemmingsplan nader onderzoek gedaan naar alle relevante geluidseffecten van die beoogde voorzieningen, om vast te stellen dat er sprake is van een goed woon en -leefklimaat. Dit is in 2015 door Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing gedaan.
Eerder onderzoek en maatregelen Er is onderzocht wat de gevolgen van de gehele ontwikkeling zijn voor het industrielawaai (geluid veroorzaakt door bedrijven) op de omgeving en de nieuw te bouwen woningen in het plangebied. Daarbij is onderzocht wat de geluidseffecten zijn van relevante aspecten, zoals het geluid van bevoorrading, winkelwagen, installaties en parkeren. Uit het onderzoek, (11 mei 2015, rapportnummer 2014053.G1, revisie 3) is gebleken dat het geluid van de parkeergarage voor een aantal woningen uit fase 2 zodanig is dat er een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde voor geluid optreedt (meer dan 50 dB(A) bij bedrijfslawaai). Hiervoor zijn maatregelen in het huidige bestemmingsplan opgenomen Onderzoek nieuwe situatie In het beoogde bouwplan voor fase 2 wordt geen parkeergarage voorzien op de verdiepingsvloeren. Hierdoor ontstaat geen geluid meer van de parkeergarage aan de oostzijde van de locatie en is het toepassen van een luifel niet meer noodzakelijk. De huidige parkeergarage eindigt hierdoor echter op korte afstand van de nieuw te ontwikkelen woningen in fase 2 aan de westzijde. Hierdoor dient onderzocht te worden wat de geluidsbelastingen worden op de appartementen van fase 2 vanwege de parkeerdekken. Dit onderzoek is gedaan door Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing (Bijlage 9).
Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de reguliere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau hoger zijn dan de richtwaarden uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering, zoals deze gelden voor een goede ruimtelijke ordening. De richtwaarden worden met maximaal 8 dB in de dag-, 11 dB in de avond- en 8 dB in de nachtperiode overschreden. Ter plaatse van de appartementen, die aan de parkeergarage grenzen bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor in totaal drie woningen op de tweede en derde verdieping meer dan 55 dB(A) etmaalwaarde en voor 20 appartementen op vierde tot en met de zesde verdiepingen meer dan 50 dB(A) etmaalwaarde. Al deze appartementen krijgen een systeem waardoor deze appartemtenenten geluidluw (dus geen grotere binnenniveaus vanwege de parkeergarage dan 35 dB(A) etmaalwaarde) geventileerd worden. De overschrijdingen worden veroorzaakt door de openingen van de huidige parkeergarage aan de oostkant. Het is niet mogelijk om aan deze bron aanpassingen te doen. De parkeergarage is naar alle waarschijnlijkheid in werking krachtens het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ingevolge het eerste lid van artikel 2.20 van dit besluit kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax) vaststellen.
In het tweede lid van artikel 2.20 is bepaald dat het bevoegd gezag een dergelijke hogere waarde kan vaststellen indien binnen geluidsgevoelige ruimten dan wel verblijfsruimten van gevoelige gebouwen, die zijn gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van
52
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2 de inrichting, een etmaalwaarde van maximaal 35 dB(A) wordt gewaarborgd. In onderhavige situatie is het, indien er geen maatregelen ter reductie van de geluidbelasting getroffen worden én mits het bevoegd gezag daartoe genegen is, mogelijk om een waarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau te stellen van ten hoogste 60 dB(A) etmaalwaarde, mits het verschil tussen de vast te stellen hogere langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en de geluidwering van de gevel zodanig is dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de betreffende appartementen ten hoogste 35 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. De geluidwering van het hoogst geluidbelaste appartement dient derhalve ten minste 61 – 35 = 26 dB te bedragen. Dit wordt met de uit te voeren maatregel geborgd. 4.10.5 Onderzoek horecalawaai Voor de ontwikkeling is een beschouwing horecalawaai uitgevoerd door Antea Group (Bijlage 10). Deze beschouwing bestaat uit een kwalitatieve beschouwing en een versimpelde berekening voor het geluid van het terras. De beoordeling uit deze memo en de uitgangspunten die hieruit volgen zijn opgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan van de betreffende locatie.
Het horecalawaai van de commerciële ruimte is beschouwd op basis van een kwalitatieve beschouwing en door middel van een versimpelde berekening van het geluid dat afkomstig is van het terras. Op basis van de kwalitatieve beschouwing is bepaald dat in de commerciële ruimte zonder specifiek akoestisch onderzoek een horecagelegenheid is toegestaan die valt binnen categorie A voor functiemenging en type A uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. In het Bouwbesluit 2012 staan eisen gesteld met betrekking tot de luchtgeluidisolatie van een besloten ruimte naar een op hetzelfde perceel gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie. Deze dient minimaal DnTA,k = 52 dB te bedragen. Indien aan deze luchtgeluidisolatie eis wordt voldaan is het aannemelijk dat een horecagelegenheid die valt onder type A van het Activiteitenbesluit milieubeheer (met een geluiddruk ten gevolge van muziekgeluid van maximaal 70 dB(A)), voldoet aan de gestelde grenswaarde zonder maatregelen. Dit is in lijn met de functiemenging zoals staat omschreven in de VNG-publicatie. Indien het wenselijk is om een equivalent geluiddrukniveau ten gevolge van muziekgeluid van boven 70 dB(A) ten gehore te brengen dient in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer te worden aangetoond dat er wordt voldaan aan de gestelde grenswaarden.
Daarnaast is door middel van een versimpelde berekening bepaald dat het aantal sprekers op het terras is gelimiteerd tot 15, 5 en 1 in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode, wat betekent dat er respectievelijk 30 zitplaatsen, 10 zitplaatsen en 2 zitplaatsen zijn toegestaan. Op het terras mag zonder aanvullend akoestisch onderzoek geen versterkte muziek ten gehore worden gebracht. De bovenstaande uitgangspunten kunnen worden opgenomen in het bestemmingsplan. Dit zijn de voorwaarde waarmee een horecagelegenheid zonder aanvullend onderzoek kan worden toegestaan in de commerciële ruimte. Indien er sprake is van een horecagelegenheid waarbij wordt afgeweken van de bovenstaande uitgangspunten dan is aanvullend akoestisch onderzoek nodig om vast te stellen dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en wordt voldaan aan het Activiteitenbesluit Milieubeheer. 4.10.6 Conclusie De locatie van het plangebied is gelegen in een omgeving waar een groot winkelcentrum met verschillende winkels zijn gelegen. In het algemeen dienen bewoners in een dergelijke stedelijke omgeving meer geluid te dulden dan op een rustige locatie in een buitenwijk van de stad. Desondanks blijft de geluidsbelasting van de onderhavig ontwikkeling binnen de maximale grenswaarde van het Activiteitenbesluit.
Uit het onderzoek blijkt dat voor de nieuw te bouwen woningen/appartementen en de daarbij behorende voorziening in de plint aan de grenswaarden van het Acitviteitenbesluit kan voldoen. Hiervoor dienen de volgende voorwaarden opgenomen geborgd te worden in het bestemmingsplan: voor de gevels van de nieuwbouwappartementen ter plaatse van de parkeergarage dient door middel van een maatwerkvoorschrift een hogere waarde voor de gevel te worden vastgesteld en dienen 20 woningen uitgevoerd te worden met een systeem waardoor deze appartemtenenten geluidluw (dus geen grotere binnenniveaus vanwege de parkeergarage dan 35 dB(A) etmaalwaarde) geventileerd 53
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2 worden. Indien een maatwerkvoorschift wordt afgegeven, kan voor het voornoemde een aanvaardbare geluidssituatie worden gewaarborgd en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden en de nieuwe bewoners. Het plan is inpasbaar in de omgeving en wordt er voor het aspect geluid voldaan aan een goede ruimtelijke ordening.
4.11
Geluid wegverkeerslawaai
4.11.1 Inleiding De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder. Het doel van het akoestisch onderzoek is het bepalen of ter plaatse van de gevoelige bestemmingen die middels het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt, hinder ontstaat ten gevolge van verkeerslawaai en de wettelijke gevolgen daarvan. De berekeningsresultaten zijn getoetst aan de volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geldende grenswaarden. Wanneer de in de Wgh gestelde grenswaarden worden overschreden, dient beoordeeld te worden of er maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn en/of er een hogere grenswaarde moet worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Delft. Hierbij dient het beleid hogere grenswaarde te worden betrokken.
4.11.2 Akoestischonderzoek Ten behoeve van het onderhavige bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (opgenomen als Bijlage 11). Hierbij is de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op verschillende gezoneerde en niet gezoneerde wegen in kaart gebracht en is de geluidsbelasting ten gevolge van railverkeer (tram) berekend.
4.11.3 Hogere waarden De gemeente Delft hanteert ten behoeve van het verlenen van hogere waarden het “Beleid hogere waarden Wet geluidhinder" (april 2013). Dit beleid is op de onderhavige ontwikkeling van toepassing, De doelstelling van het beleid is als volgt geformuleerd: enerzijds wordt, geheel in de geest van de Wet, gestreefd naar het zoveel mogelijk voorkomen van geluidshinder; anderzijds is geluid in het stedelijk gebied en langs infrastructuur onvermijdelijk; ondanks de soms hoge geluidsbelasting moet een optimale ruimtelijke ontwikkeling van deze gebieden mogelijk blijven. De beleidsnotitie biedt de basis en het gereedschap voor een evenwichtige afweging van deze beide belangen. "De nota is bedoeld als hulpmiddel. De nota beschrijft een maatregelen die tot een aanvaardbaar akoestisch klimaat leiden. Als aan de eisen uit de nota is voldaan, is sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat en kunnen hogere waarden worden vastgesteld. Dat betekent niet dat andere situaties dan beschreven in de nota niet mogelijk zijn. Het doel van de nota is niet om alternatieve oplossingen uit te sluiten. Afwijkende situaties waarbij eveneens sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat zijn mogelijk.
In dat geval kan voor de motivering van het HGW-besluit echter niet worden volstaan met een verwijzing naar deze beleidsnota maar zal moeten worden gemotiveerd waarom sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat".
54
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
Stappenplan In het beleid hogere grenswaarden is een stappenplan opgenomen (par. 3.6. “Beleid hogere waarden Wet geluidhinder" ) dat doorlopen dient te worden. Onderbouwd dient te worden waarom maatregelen aan de bron niet doelmatig zijn. Voorts moet voldaan worden aan de gemeentelijke eisen ten aanzien van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. In de nota worden handvatten aangereikt om hiertoe te komen. Onderstaand is het te doorlopen stappenplan opgenomen. Het gaat hierbij m.n. om het rood omkaderde deel.
Vertrekpunt De opgave binnen het plangebied betreft een aanpassing van het bestaande bouwplan: het gaat daarbij om een commerciële plint met een toevoeging van woningbouw, verticaal (toren) op de plint. De setting/situering van het bouwblok en daarmee de geluidgevoelige functies (woningen) ligt hiermee vast. De eventuele maatregelen om te komen tot een aanvaardbaar akoestisch klimaat ligt dus op bronniveau of gebouwniveau. In de onderstaande tabel is aangegeven op welke punten de hogere waarden van toepassing zijn.
55
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
De geluidbelasting als gevolg van het verkeer op de Martinus Nijhofflaan en de Voornhofdreef & Papsouweselaan leidt voor een aantal woningen tot een geluidbelasting die boven de voorkeursgrenswaarde ligt. De geluidbelasting als gevolg van het verkeer op de Minervaweg en de Pr. Beatrixlaan / Provinciale weg leidt tot een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde.
56
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
Voor alle geluidgevoelige bestemmingen waarvoor het college van burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststelt, dient met behulp van een gevelgeluidweringsonderzoek te worden onderzocht of deze woningen en andere (geluidgevoelige) bestemmingen aan de wettelijke eisen voor het binnen-niveau van de karakteristieke ruimte voldoen. Het gemeentelijk geluidbeleid stelt eisen aan de cumulatieve geluidbelasting. De zuidgevel van de woontoren is conform het gemeentelijk geluidbeleid geluidluw. De cumulatieve geluidbelasting voor de woningen die zijn gelegen aan de noord-, west en oostgevel voldoen met een maximale cumulatieve geluidbelasting van respectievelijk 63 dB, 58 dB en 61 dB niet direct aan het gemeentelijk geluidbeleid. In het gemeentelijk geluidbeleid is ervoor eenzijdig georiënteerde en daarmee vergelijkbare woningen een ontheffingscriteria opgenomen. Op basis van deze ontheffingscriteria kan ontheffing worden verleend ten aanzien van de indelingsvereiste dat minimaal één slaapkamer is gelegen aan een geluidluwe zijde. Deze indelingsvereiste is zeer bepalend voor de indeling van woningen en is hierdoor niet realistisch voor eenzijdig georiënteerde en daarmee vergelijkbare woningen.
Daarnaast wordt geadviseerd om de woningen met direct zicht op de Martinus Nijhofflaan te voorzien van een maatregel ter plaatse van de slaapkamer zodat er in de nachtperiode voldoende ventilatie mogelijk is. De geluidbelasting aan de binnenzijde van de te nemen maatregel moet gelijkwaardig zijn aan een geluidluwe gevel. Door het toepassen van de bovenstaande maatregelen is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het ontwerpbesluit hogere grenswaarde is opgenomen als Bijlage 14 Besluit hogere grenswaarde bij deze toelichting. De te verlenen hogere waarden staan vermeld in onderstaande tabel 4.5.
Tabel 4.5 Aan te vragen hogere waarden (incl. aftrek ex. Artikel 100g Wgh)
(Bron)maatregelenen onderbouwing De Martinus Nijhofflaan heeft te maken met wringend verkeer (veel afremmend en optrekkend verkeer)
57
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2 mede door de aanwezige van de rotonde tussen de Martinus Nijhofflaan, Voorhofdreef en Papsouwelaan en de aanwezigheid van meerdere voetgangersoversteekplaatsen. Hierdoor zullen dunnen geluidreducerende deklagen (DGD) snel slijten waardoor dit type wegdek niet kan worden toegepast voor de Martinus Nijhoflaan. Hierdoor kan alleen een wegdek zoals SMA-NL5 worden toegepast. De reductie die met een dergelijk wegdek wordt behaald is zeer beperkt, maximaal 1 dB. Dit is mede door de aanwezigheid van de tram die onderdeel maakt van deze weg. De deelbijdrage van de tram bedraagt op deze weg al ten hoogste 54 dB incl. aftrek. De trambaan is gelegen in een gebied met een absorberende ondergrond en bovenbouwconstructie ballastbed. Het treffen van verdere maatregelen ter plaatse van de trambaan is hierdoor niet mogelijk. Ook de Voorhofdreef & Papsouweselaan heeft te maken met wringend verkeer (veel afremmend en optrekkend verkeer) mede door de aanwezige van de rotonde tussen de Martinus Nijhofflaan, Voorhofdreef en Papsouwelaan. Hierdoor is het toepassen van een dunnen geluidreducerende deklagen (DGD) voor de meest relevante wegdelen (met de kleinste afstand tussen de bron en de ontvanger) niet mogelijk. Wel zou er een wegdek van het type SMA-NL5 kunnen worden toegepast. Echter, het effect van dit type wegdek is beperkt.
De afname bedraagt voor de oostgevel maximaal 1 dB. Naar aanleiding van de bovenstaande toelichting is bepaald dat het treffen van bronmaatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
Overdrachtsmaatregelen Een andere mogelijkheid om de geluidbelasting op de te projecteren woningen terug te brengen is het plaatsen van een geluidscherm of geluidwal. Gezien de maximale bouwhoogte van het complex is voor het creëren van voldoende effect een relatief hoog geluidscherm benodigd. Gezien de omgeving van het plangebied (binnenstedelijk) heeft het toepassen van een geluidscherm een grote ruimtelijke impact en is deze maatregel vanuit stedenbouwkundig oogpunt ongewenst. Op basis van de bovenstaande argumentatie is beargumenteerd waarom het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk is. Hierdoor dienen er hogere grenswaarde te worden aangevraagd.
Ontvangermaatregelen Wanneer bronmaatregelen en overdrachtsmaatregelen niet doelmatig zijn kunnen er maatregelen bij de ontvanger worden gerealiseerd. Bij maatregelen aan de ontvanger kan gedacht worden aan de gevelisolatie van het pand, een akoestisch gunstige indeling van het pand, toepassing van een dove gevel, realisatie van een geluidluwe gevel en/of realisatie van een geluidluwe buitenruimte. Voor de geluidbelasting vanwege 30 km/uur wegen kan geen hogere waarde worden verleend. Geadviseerd wordt om in het kader van een goede ruimtelijke ordening ingevolge de Wet ruimtelijke ordening bij het bouwkundig dimensioneren van de woningen en dan met name de geluidsisolatie van de omhullende constructie ervan, rekenschap te houden met de geluidsniveaus zoals nu berekend. De minimale normen hiervoor zijn de vereisten in het Bouwbesluit.
Resumé Het treffen van bronmaatregelen of maatregelen in het overdrachtgebied zijn ontoereikend om de geluidbelasting terug te brengen tot onder de voorkeursgrenswaarde en is vanuit financieel, stedenbouwkundig en verkeerskundig oogpunt ongewenst.
Gemeentelijke eisen aanvaardbaar akoestisch klimaat De hoofdopzet van fase 2 is een stedenbouwkundig hoogteaccent van ongeveer 65 meter hoog waarbij de appartementen en studio's in de vorm van een 20-spanner rond een kern waarin de ontsluiting (gang, lift en trappen) zijn opgenomen. De afmetingen van het beschikbare kavel geeft aanleiding tot een noord
58
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2 – zuid oriëntatie, waarbij de woning grotendeels aan de oost, dan wel de westzijde zijn gelegen. Door de situering rond de centrale kern ontstaan enkelzijdige oriëntaties van de woningen en daarmee te vergelijken hoekwoningen.
Toetsing gemeentelijk beleid
Inhoud beleid Vanuit het gemeentelijk beleid (paragraaf 3.3.1.) zijn de volgende aspecten van belang: Onder een geluidsluwe zijde wordt het volgende verstaan: De geluidsbelasting op de geluidluwe zijde mag cumulatief niet meer bedragen dan 60 dB, exclusief aftrek conform artikel 110 van de Wet geluidhinder. Indien de gecumuleerde geluidbelasting op de hoogst belaste zijde 65 dB of minder bedraagt, bedraagt de gecumuleerde geluidsbelasting op de geluidluwe zijde maximaal 55 dB (excl. aftrek). De gevel achter een vliesgevel kan beschouwd worden als een geluidsluwe zijde Het geluidbeleid stelt geen nadere eisen aan de positie van tot de woning behorende buitenruimten. Het geluidbeleid kent een uitzonderingssituatie voor enkelzijdig georiënteerde woningen (paragraaf 3.5.2) waarbij een afweging op maat wordt gemaakt.
Toetsing woningen fase 2 aan gemeentelijk beleid De zuidgevels van het gebouw zijn geluidsluw, evenals het grootste gedeelte van de westgevels. Doordat de geluidsbelasting van de noordgevel (zijde Martinus Nijhofflaan) plaatselijk met ten minste 9 dB wordt teruggebracht door het treffen van maatregelen, beschikken alle achterliggende woningen over ten minste één geluidsluw te openen deel. De oostgevel is niet geluidsluw. De gecumuleerde geluidsbelasting van de woningen die alleen een gevel op het oosten hebben, varieert tussen 57 en 60 dB. Omdat de meeste woningen eenzijdig op de maatgevende bron(nen) zijn georiënteerd, beschikken niet alle ontheffingsgevallen over ten minste één slaapkamer die niet is gelegen aan de hoogst geluidsbelaste zijde. Dit is aanvaardbaar, omdat op gebouwniveau ruim 75% van de woningen zich niet bevindt aan de hoogst geluidsbelaste zijde. De meeste woningen in het complex beschikken over een geluidsluw(e) gevel(deel) en/of bevinden zich niet aan de hoogst geluidsbelaste zijde. Dit wordt mede bereikt doordat bij de hoogst geluidsbelaste woningen maatregelen worden getroffen om de geluidsbelasting van ten minste één (slaap)kamer plaatselijk te verlagen.
Van de woningen zonder geluidsluw(e) gevel(deel) is de gecumuleerde geluidsbelasting aanzienlijk lager dan de hoogste geluidsbelasting waarvoor in binnenstedelijk gebied ontheffing kan worden verleend (63 + 5 dB zonder aftrek conform artikel 110g Wgh). Tezamen leidt dit tot het oordeel dat er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Daarom wordt voor dit plan een algemene uitzondering op het beleid (paragraaf 3.5.2) gemaakt. 4.11.4 Conclusie In verband met de realisatie van 260 appartementen aan de Martinus Nijhofflaan moet voor 186 van de betreffende appartementen een besluit hogere grenswaarden worden genomen. De Wet geluidhinder en het gemeentelijke hogerewaardenbeleid staan de vaststelling van hogere grenswaarden niet in de weg. Er is sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat.
59
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
4.12
Luchtkwaliteit
4.12.1 Inleiding De belangrijkste wet- en regelgeving voor het milieuaspect luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wm). In samenhang met Titel 5.2 zijn de grenswaarden voor luchtkwaliteit in bijlage 2 van de Wm opgenomen. In Titel 5.2 Wm is bepaald dat bestuursorganen een besluit, dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen nemen wanneer aannemelijk is dat aan één of meer van onderstaande grondslagen wordt voldaan: a. Er wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden; b. Het besluit leidt (per saldo) niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Het besluit draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10); d. Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (ook wel NSL genoemd). Bij Titel 5.2 Wm horen uitvoeringsregels die zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en ministeriële regelingen. Het gaat daarbij onder andere om het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 en het Besluit gevoelige bestemmingen.
Grenswaarden De (Europese) grenswaarden voor de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht zijn vastgelegd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Deze grenswaarden zijn gericht op de bescherming van de gezondheid van mensen en dienen op voorgeschreven data te zijn bereikt.
Tabel 4.6 Vastgestelde grenswaarden (concentraties in in µg/m3)
Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) maatgevend. Voor deze stoffen is de kans het grootst dat de bijbehorende grenswaarden worden overschreden. Overschrijding van de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 (200 µg/m³) is, in relatie tot wegverkeer, redelijkerwijs uitgesloten. Dergelijke hoge concentraties doen zich niet voor langs wegen en uit metingen over een periode van 10 jaar blijkt dat overschrijding van de uurnorm voor NO2 niet meer aan de orde is .
Net als voor de jaargemiddelde concentratie PM10 is voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5 ook een grenswaarde vastgesteld (25 µg/m³). PM2,5 is een deelverzameling van PM10 en de PM10- en PM2,5-concentraties zijn dan ook sterk aan elkaar gerelateerd. Uitgaande van de huidige kennis over
60
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2 emissies en concentraties van PM2,5 en PM10 kan worden gesteld dat, als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarden voor PM2,5 zal worden voldaan.
Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een plan/project niet in betekenende mate bijdraagt aan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10. Een plan/project draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de jaargemiddelde concentraties in de buitenlucht van zowel NO2 als PM10 niet meer bedraagt dan 3% van de grenswaarde voor die stoffen. Dit komt voor beide stoffen overeen met een maximale toename van de jaargemiddelde concentraties met 1,2 µg/m3. Plannen of projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer.
In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, die onder het gelijknamige Besluit hangt, zijn categorieën van gevallen opgenomen die per definitie 'niet in betekenende mate' zijn. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een woningbouwontwikkeling van minder dan 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling of een kantoorontwikkeling van minder dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlak. Deze ontwikkelingen hoeven dan niet nader onderzocht te worden op een eventuele bijdrage aan de luchtkwaliteit en hiervoor hoeft geen toetsing aan de grenswaarden plaats te vinden.
4.12.2 Onderzoek Het voorgenomen plan voorziet in de ontwikkeling van 260 woningen, waarvan 163 woningen extra mogelijk worden gemaakt met het nieuwe bestemmingsplan. De omvang van dit plan past binnen een in de Regeling niet in betekenende mate bijdragen aangegeven categorie van gevallen die standaard niet in betekenende mate bijdraagt. Hierdoor kan een onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit achterwege blijven en staat de luchtkwaliteit op grond van artikel 5.16, lid 1, onder c verdere besluitvorming niet in de weg. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 13). 4.12.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.13
Archeologie en cultuurhistorie
4.13.1 Bestaande situatie Het plangebied bevindt zich deels op de dekafzettingen en deels op de geulafzettingen van de Gantel Laag. Vanwege hun relatief hoge ligging in een nat landschap, werden de geulafzettingen van de Gantel Laag veelvuldig bewoond vanaf de Romeinse tijd. De gebieden tussen de nederzettingen werden ingericht met bv. verkavelingssystemen en grafvelden, zogenaamde off-site structuren. Er zijn geen vindplaatsen bekend binnen het plangebied, wel in de directe omgeving. Het betreft daarbij resten van Romeinse verkaveling, het middeleeuwse Kartuizerklooster en de Madeburcht (eveneens uit de Middeleeuwen). Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied in elk geval tot 1832 in gebruik was als weiland. Over recente bodemverstoringen in het plangebied zijn geen detail gegevens bekend, maar het is zeer waarschijnlijk dat de hiervoor op deze locatie aanwezige bebouwing die bij de bouw van fase 1 is gesloopt voor bodemverstoring heeft gezorgd. Uit archeologisch onderzoek in de omgeving van het 61
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2 plangebied blijkt dat er in deze hele omgeving veel grondverzet heeft plaatsgevonden, voorafgaand aan bouwactiviteiten. 4.13.2 Toetsingskader Conform de Erfgoedwet beschermd de gemeente Delft het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan. Hiervoor hanteert Archeologie Delft sinds 2012 een archeologische beleidskaart voor de gehele gemeente. Deze kaart is gebaseerd op gedetailleerde kennis van de lokale landschapsontwikkeling, cultuurhistorie en het bodemarchief. Op de beleidskaart worden de verschillende archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeente gekoppeld aan vrijstellingsgrenzen. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. Door middel van het hanteren van een gedifferentieerd vrijstellingenbeleid wordt binnen de gehele gemeente gezocht naar een goede balans tussen de verwachte aanwezigheid van archeologische resten en de voorwaarden die worden verbonden aan bodemverstorende activiteiten. 4.13.3 Beoordeling Binnen het plangebied is in 2015 in het nu geldende bestemmingsplan "Albert Heijn locatie Martinus Nijhofflaan" al dezelfde bebouwingsoppervlakte toegestaan als in het nu voorliggende bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.
Aangezien het plangebied van voorliggende ontwikkeling (fase 2) binnen het plangebied van het vigerende bestemmingsplan (fase 1) valt, is de eerdere toetsing aan het aspect archeologie ook op voorliggende ontwikkeling van toepassing. Het plangebied heeft op de archeologische beleidskaart van Delft een middelhoge archeologische verwachting toegekend gekregen, vanwege de ligging ervan op (en in de bufferzone van) de geulafzettingen van de Gantel Laag. Als in detail naar het plangebied wordt gekeken, blijkt echter dat een zeer klein deel van het onderhavige gebied op deze verwachtingsvolle afzettingen ligt. De rest bevindt zich op de dekafzettingen van de Gantel Laag, waarvoor slechts een lage verwachting geldt, voor off-site structuren uit de Romeinse tijd en Late Middeleeuwen. Voor dergelijke structuren geldt dat ze zich kenmerken door een lage spreiding van sporen en vondsten. Bij bodemverstoringen binnen kleine plangebieden zal daarom nauwelijks tot geen schade optreden aan de eventueel aanwezige resten. Vanwege de aard van de archeologische verwachting, de afwezigheid van bebouwing op historisch kaartmateriaal, de aard van de bodemingrepen (beperkt in oppervlakte) en de (verwachte) reeds aanwezige bodemverstoringen, is de verwachting dat het uitvoeren van dit bestemmingsplan geen nadelige gevolgen zal hebben voor het bodemarchief.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling hoeft dan ook geen vervolgonderzoek plaats te vinden en er hoeft geen archeologische medebestemming te worden toegekend aan het plangebied. Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing Binnen het plangebied is geen sprake van een beschermd stadsgezicht en er zijn geen monumentale panden en objecten en geen cultuurhistorisch waardevolle panden aanwezig.
62
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
4.13.4 Conclusie Binnen het plangebied hoeft geen nader archeologisch onderzoek plaats te vinden, er hoeft dan ook geen archeologische medebestemming opgenomen te worden. Wel blijft te allen tijde de algemene meldingsplicht bij het aantreffen van oudheden van toepassing. Op basis van artikel 53 van de Monumentenwet 1988 moet iedereen die, anders dan bij het doen van archeologisch onderzoek, iets vindt waarvan hij/zij weet of kan vermoeden dat het een (roerend of onroerend) monument betreft, dit melden bij de minister van OCW (vanwege praktische redenen bij de gemeente Delft in deze, bij Archeologie Delft). Indien het bevoegd gezag van mening is dat dit noodzakelijk is, moet er tijd en ruimte geboden worden de resten te onderzoeken, te documenteren en eventueel veilig te stellen. Het niet melden van het aantreffen van oudheden is een overtreding van de Monumentenwet 1988 en daarmee een strafbaar feit. Consequenties die hieraan verbonden kunnen worden zijn het intrekken van de verleende omgevingsvergunning of het opleggen van een geldboete.
63
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische planbeschrijving
Verantwoording planvorm
Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemming in het plangebied is aangegeven, planregels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemming zijn opgenomen en een toelichting waarin de achtergronden en de doorvoor uitgevoerde onderzoeken van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook beschreven wat het vigerend beleid inhoudt en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden.
Er is gekozen voor een op de ontwikkeling van het plangebied gericht bestemmingsplan. Het onderhavige bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) en de Delftse systematiek c.q. handboek.
5.2
Systematiek bestemmingen
Hoofdstuk1
Inleidende regels
Begrippen In dit artikel zijn de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
In de begrippen is 'bevoegd gezag' opgenomen (als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang met artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hoofdstuk 3 van het Besluit omgevingsrecht). Als hoofdregel geldt dat het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag is, tenzij een ander orgaan is aangewezen zoals Gedeputeerde Staten van de provincie indien het een project van provinciaal belang betreft of een minister voor projecten van nationaal belang.
Wijze van meten Het onderhavige artikel geeft aan hoe de hoogte- en andere maten, die bij het bouwen in acht moeten worden genomen, gemeten moeten worden.
Hoofdstuk2
Bestemmingsregels
Bestemmingen Gemengd Voor de gronden binnen het plangebied is de bestemming 'Gemengd' opgenomen, aangezien binnen het gebied diverse functies worden beoogd: detailhandel, horeca, wonen, aan-huis-gebonden beroepen en
64
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en bijbehorende voorzieningen. Voor de detailhandel en horeca is een maximale oppervlakte opgenomen van 264 m².
Binnen de bestemming 'Gemengd' zijn gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Het bouwvlak is met hoogtescheidingslijnen verdeeld in verschillende vlakken. Binnen elk vlak is op de verbeelding aangegeven hoeveel de maximale bouwhoogte voor dat vlak bedraagt. Buiten het bouwvlak zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan, waarvoor in de regels de maximale bouwhoogte is bepaald. Om een aantal onderdelen, die ruimtelijk relevant worden geacht, op een goede wijze te borgen zijn de volgende zogenaamde specifieke bouwaanduidingen opgenomen: Specifieke bouwaanduiding - balkons toegestaan: aan de oost-, west- en zuidzijde van de toren (fase 2) wordt de plaatsing van balkons beoogd. Omdat deze balkons binnen het aanduidingsvlak met lagere hoogte liggen, is hiertoe deze specifieke bouwaanduiding opgenomen. Specifieke bouwaanduiding - overkraging: Aan de zijde van de Martinus Nijhofflaan zal de plint van het gebouw over drie lagen iets inspringen. Om dit architectonische en ruimtelijke uitgangspunt te borgen, is hiervoor deze specifieke bouwaanduiding opgenomen. Daarnaast zijn woningen in de eerste twee bouwlagen uitgesloten. In de eerste 2 bouwlagen (begane grond en de eerste verdieping) worden de commerciële ruimten, collectieve woonruimte en de bergingen gerealiseerd.
Deze eerste twee bouwlagen zijn in de regels uitgedrukt in meters, te weten 7 meter tesamen. Deze uitgangspunten worden op deze wijze planologisch geborgd.
Hoofdstuk3
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Dit zou bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn ingeval (onderdelen van) bebouwingsstroken van verschillende eigenaars zijn.
Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn nadere bepalingen ten aanzien van het parkeren opgenomen.
Algemene gebruiksregels In dit artikel is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen. Aangegeven is welk gebruik in ieder geval verboden is en welk gebruik hieronder niet wordt verstaan. Daarnaast is aangegeven dat het bouwplan moet voldoen aan het gemeentelijk beleid hogere waarden Wet geluidhinder dat geldt op het moment van indiening van de omgevingsvergunning. Tevens is met betrekking tot parkeren aangegeven dat het gebruik van de gronden conform de bestemming alleen is toegestaan indien de in artikel 5 bedoelde parkeer- of stallingruimte, dan wel laadof losruimte (algemene bouwregels), is gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt aangegeven in hoeverre en in welke gevallen bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bouwregels ingeval van geringe afwijkingen van de bouwregels.
65
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
Overige regels Bepaald is dat waar in de regels verwezen wordt naar andere wettelijke regelingen, geduid wordt op de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van de vaststelling van het bestemmingsplan.
Hoofdstuk4
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht Dit artikel bevat de overgangsregels met betrekking tot het bouwen en het gebruik van gronden. In afwijking van de bouwregels blijven enige bouwmogelijkheden bestaan voor die gebouwen die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan afwijken van het plan en die zijn of worden gebouwd bij of krachtens de Woningwet of Wabo. Bestaande afwijkingen mogen in principe niet worden vergroot.
Het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat het in werking treedt, mag worden voortgezet. Het overgangsrecht is echter niet van toepassing op gebruik dat al in strijd was met het voorgaande plan. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan, indien de afwijking hierdoor in mindere mate strijdigheid met dit bestemmingsplan oplevert.
Slotregel Hierin is de naam van het bestemmingsplan, “Martinus Nijhofflaan fase 2”, opgenomen.
66
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
Hoofdstuk 6
Handhaving
Conform de Sanctiestrategie Haaglanden hebben die regels, welke bij overtreding tot onwenselijke schade leiden op het gebied van milieu, ruimtelijke ordening en economie en waarbij tevens geldt dat de kans dat die overtredingen zich voordoen groot wordt geacht, prioriteit en voorrang. Om de schade en de kans op overtredingen te kunnen beoordelen wordt in de nota gewerkt met type plangebieden.Prioriteit wordt aangegeven met de cijfers 1 (intensieve handhaving), 2 (reguliere handhaving) en 3 (incidentele handhaving).
Uiteraard zal altijd worden gereageerd op klachten van omwonenden. Doordat illegale situaties die reeds in strijd waren met het voorgaande bestemmingsplan worden uitgezonderd van het overgangsrecht, bestaat op grond van de jurisprudentie ook na langere tijd in beginsel nog de mogelijkheid om handhavend op te treden. Per geval zal door het bevoegde bestuursorgaan een zorgvuldige belangenafweging worden gemaakt.
67
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
Hoofdstuk 7 7.1
Maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid
Inspraak en overleg
In het kader van vooroverleg ex artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept-ontwerp bestemmingsplan toegezonden aan de volgende overlegpartners: 1. Ministerie van I&M/Rijkswaterstaat 2. Provincie Zuid-Holland 3. Hoogheemraadschap van Delfland 4. Gemeente Midden-Delfland 5. Gemeente Den Haag 6. Gemeente Rotterdam 7. Gemeente Rijswijk 8. Gemeente Pijnacker-Nootdorp 9. Kamer van Koophandel 10. Prorail 11. KPN 12. Vestia 13. Tennet 14. Stedin 15. Gasunie 16. Evides 17. Pipeline-Control 18. Veiligheidsregio 19. DUWO 20. Vestia 21. Vidomes 22. Woonbron De volgende instanties hebben inhoudelijke reacties gegeven op het concept-ontwerp bestemmingsplan: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Ministerie van I&M/Rijkswaterstaat KPN W&O NS Access Rayon Midden Hoogheemraadschap van Delfland Prorail Gemeente Midden-Delfland Veiligheidsregio Haaglanden
De overige instanties hebben geen reactie gegeven. De ingekomen overlegreacties zijn hieronder samengevat en beantwoord. 1. Ministerie van I&M/Rijkswaterstaat Samenvatting In een reactie van het ministerie wordt verzocht om de verkeerseffecten op het onderliggende wegennet en het hoofdwegennet inzichtelijk te maken. Beantwoording Voor het plan is een memo opgesteld over de verkeergeneratie en verkeersafwikkeling van het bestemmingsplan, deze is opgenomen in Bijlage 3 en hierop wordt nader op ingegaan in paragraaf 4.3. uit de memo blijkt dat de effecten op het onderliggend wegennet zeer beperkt zijn en er geen problemen te verwachten zijn op het rijkswegennet. Conclusie
68
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
Deze reactie heeft niet geleid tot aanpassing van het plan. 2. KPN W&O NS AccessRayon Midden Samenvatting De plannen hebben mogelijk consequenties voor de aanwezige infrastructuur van KPN. Het gaat daarbij om een kabel die voorlangs het gebouw gaat lopen. Of er consequenties zijn kan KPN niet beoordelen. Beantwoording Het tracé is gelegen voor het bouwvlak langs en ligt buiten de grenzen van het voorliggende bestemmingsplan. In deze gronden mag dus op basis van het bestemmingsplan niet worden gebouwd. Deze grenzen zijn op deze plaats overgenomen van het vigerende plan. De ontwikkelaar is erop geattendeerd dat de kabel hier loopt en zal hiermee rekening houden in het bouwproces. Conclusie Deze reactie heeft niet geleid tot aanpassing van het plan. 3. Prorail Samenvatting Prorail heeft op dit moment geen opmerkingen over het plan. Beantwoording De reactie wordt ter kennisgeving aangenomen. Conclusie Deze reactie heeft niet geleid tot aanpassing van het plan. 4. Gemeente Midden-Delfland Samenvatting De gemeente Midden-Delfland heeft geen opmerkingen over het plan. Beantwoording De reactie wordt ter kennisgeving aangenomen. Conclusie Deze reactie heeft niet geleid tot aanpassing van het plan. 5. Hoogheemraadschap Delfland Samenvatting Het Hoogheemraadschap Delfland kan instemmen met het plan.
Aan alle aspecten die van belang zijn voor een goede waterhuishouding, is invulling gegeven. Echter, het beschreven beleid uit het oorspronkelijke plan is verouderd. Het waterschap verzoekt dit in de waterparagraaf te vermelden en de tekst waar nodig te actualiseren. Beantwoording De reactie wordt ter kennisgeving aangenomen, het beschreven beleid is op dit punt geactualiseerd. Conclusie Deze reactie heeft niet geleid tot aanpassing van het plan, wel is het beschreven beleid geactualiseerd. 6. Veiligheidsregio Haaglanden Samenvatting In de vooroverlegreactie gaat Veiligheidsregio Haaglanden in op relevante risicobronnen en aanbevelingen. Risicobron Het plangebied ligt op circa 875 meter van het transport van gevaarlijke stoffen over de N470 en op circa
69
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2 2300 meter van het transport van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A13. In geval van een calamiteit kan zich een incident voordoen waarbij giftige stoffen vrijkomen. Gezien de afstand van het plangebied tot aan de N470 en de A13 zal het groepsrisico als gevolg van de ontwikkeling niet significant toe- of afnemen. Geadviseerde maatregelen en restrisico Gezien de afstand van de risicobron tot aan het plangebied worden de volgende maatregelen geadviseerd: 1) Afschakelbare ventilatie; 2) Voorbereiding interne organisatie 3) Risicocommunicatie. Beantwoording Voor de bovenstaande reactie is aandacht gevraagd bij de ontwikkelaar ten behoeve van de verdere uitwerking van het bouwplan. Daarnaast is dit meegenomen in het voorbereiden van de interne organisatie en de risicocommunicatie richting de bewoners, welke zonder meer door de ontwikkelaar wordt voorzien. Conclusie Deze reactie heeft niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. De reactie is daarentegen wel meegenomen in de verdere uitwerking van het bouwplan door de ontwikkelaar en zal onderdeel vormen van de risico communicatie door de ontwikkelaar richting de toekomstige bewoners.
7.2
Zienswijzen
Vanaf 15 december 2020 tot en met 25 januari 2021 heeft met toepassing van de 'Coördinatieverordening gemeente Delft 2018', het ontwerpbestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2, de ontwerpbeschikking hogere grenswaarde Wet geluidhinder en de ontwerp omgevingsvergunning ter inzage gelegen in het kader van de zienswijzenprocedure. Naar aanleiding van deze zienswijzenperiode zijn géén zienswijzen ontvangen.
7.3
Financiële uitvoerbaarheid
7.3.1
Inleiding
De Wet ruimtelijke ordening voorziet in een verplichting tot het verhaal van gemeentelijke kosten. Dat kan op publiekrechtelijke grondslag, via een exploitatieplan dat gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd dient te worden. Maar ook kan het gemeentelijke kostenverhaal geregeld worden via een zogenoemde anterieure overeenkomst over grondexploitatie met de initiatiefnemer/ontwikkelaar, als bedoeld in artikel 6.24 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening. De reikwijdte van de exploitatieplanplicht en het daaruit voortvloeiende kostenverhaal, volgt uit de omschrijving van bouwplannen zoals bepaald in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.
7.3.2
Wat zit er in het plan
Het onderhavige bestemmingsplan maakt nieuwbouw binnen het plangebied aan de Martinus Nijhofflaan 1 t/m 5 te Delft planologisch mogelijk. Dit betreft een bouwplan in de zin van 6.12 Wro juncto 6.2.1 Bro.
Gevolgen De in het bestemmingsplan opgenomen bouwmogelijkheden hebben tot gevolg binnen het plangebied
70
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2 woningbouw en detailhandel kan worden gerealiseerd. De ontwikkeling vindt plaats op privaat eigendom en komt geheel voor rekening en risico van de ontwikkelaar. Via een anterieure overeenkomst wordt er voorzien in het kostenverhaal. Met de initiatiefnemer is daartoe een anterieure overeenkomst over grondexploitatie als bedoeld in artikel 6.24 lid 1 Wro gesloten. Hierin is geregeld dat de initiatiefnemer aan de gemeente een bijdrage betaalt ten behoeve van de apparaatskosten en een bijdrage in het honorarium (controle van het bestek en toezicht op de uitvoering) van de gemeente. Daarbij is een regeling opgenomen indien de kosten van de gemeente de exploitatiebijdrage overschrijden, alle met de ontwikkeling samenhangende kosten komen aldus ten laste van de initiatiefnemer. De herziening van het plan met betrekking tot deze locatie heeft daarom voor de gemeente geen financiële gevolgen. Er behoeft daarom geen exploitatieplan te worden vastgesteld.
71
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
72
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
Regels
73
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In dit plan wordt verstaan onder: 1.1
plan:
het bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2 met identificatienummer NL.IMRO.0503.BP0076-2001 van de gemeente Delft; 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3
aan- en uitbouw:
een aan een hoofdgebouw aangebouwd gebouw op de begane grond dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw; 1.4
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.5
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6
aan-huis-gebonden beroep:
een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met een woonfunctie in overeenstemming is; 1.7
appartement:
één wooneenheid binnen een appartementencomplex; 1.8
balkon:
een open buitenruimte met afscheiding uitkragend aan de verdieping van het aangrenzend hoofdgebouw; 1.9
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.10
bouwlaag
een tussen twee opeenvolgende vloeren gelegen, voor verblijf geschikt, deel van een gebouw met uitsluiting van een kap; 1.11
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak; 1.12
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
74
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
1.13
bevoegd gezag:
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 1.14
bijbehorende voorzieningen:
voorzieningen die ten dienste staan van en ondergeschikt zijn aan de hoofdbestemming zoals parkeren, fietsenstallingen en -bergingen, installatieruimten, groen, water en ontsluitingswegen; 1.15
bijgebouw:
een vrijstaand gebouw dat in functioneel opzicht ten dienste staat van de in het bijbehorende hoofdgebouw toegelaten functies; 1.16
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.17
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak; 1.18
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.19
bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.20
bvo (brutovloeroppervlak):
het totale gebouwde vloeroppervlak, exclusief expeditieruimte, trafo en beheerruimte, daar waar dit in de regels is aangegeven; 1.21
dakterras:
een buitenruimte, gelegen op een hoofdgebouw of op een aan- of uitbouw voorzien van een afscheiding; 1.22
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, het verhuren en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.23
dienstverlening:
het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten welke bestaan uit het verlenen van diensten aan derden met rechtstreeks contact met het publiek, zoals kapsalons en reisbureaus; 1.24
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.25
het college:
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft;
75
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
1.26
hoofdgebouw:
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.27
hoogtescheidingslijn:
een binnen een bouwvlak aangegeven lijn waarmee de scheiding tussen twee binnen dat bouwvlak aangegeven hoogteaanduidingen wordt weergegeven; 1.28
horeca:
een bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van drank- en/of etenswaren die ter plaatse genuttigd plegen te worden, waaronder in ieder geval worden verstaan café's, restaurants, lunchrooms, snackbars en hiermee gelijk te stellen inrichtingen of bedrijven met uitsluiting van hotels en discotheken; 1.29
kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten:
het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer geldt, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.30
nutsvoorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie; 1.31