3 Bestemmingsplan
Tekst van het document
Beleid duurzaam bouwen
Het gemeentelijk duurzaam bouwen beleid geeft op gebouwniveau ambities voor verantwoord materiaalgebruik, waterbesparing, gezondheid en flexibel ruimtegebruik. Voor het thema energie zijn de ambities in de nota Delft energieneutraal 2050 vastgelegd. De duurzaamheidsambitie van een gebouw worden volgens de GPR (Gemeentelijke Praktijk Richtlijn) methodiek uitgedrukt. Dit is een prestatiegerichte werkwijze, waarmee de markt wordt vrijgelaten om zelf invulling te geven aan duurzaamheid van een gebouw zolang maar aan de doelstellingen wordt voldaan. De gemeentelijke GPR ambities worden periodiek aangescherpt als gevolg van landelijke ontwikkelingen en aanscherping van wet- en regelgeving en de doelstellingen per ruimtelijke ontwikkeling zijn in een anterieure overeenkomst vastgelegd. 3.3.12.3
Besluit bodemenergiesystemen
De toepassing van bodemenergie, een techniek om woningen en gebouwen energiezuinig te maken, levert een bijdrage aan de realisatie van de gemeentelijke klimaatdoelstellingen. Door de snelle groei kunnen belangen tussen diverse bodemenergiesystemen onderling en andere belangen met elkaar in conflict komen. Bij de aanleg van een open bodemenergiesysteem dient te worden voldaan aan de Waterwet. Bij de aanleg van een gesloten systeem moet worden voldaan aan het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen en de Verordening en Beleidsregel gesloten bodemenergiesystemen gemeente Delft 2015.
3.3.12.4
Energiesysteem op projectniveau
In het plan wordt aandacht besteed aan de uitwerking van de energiesystemen op basis van het beleid in Delft. De uitwerking hiervan krijgt concreet vorm in de aanvraag omgevingsvergunning. Energiesystemen
28
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
Voor de beoogde ontwikkeling worden de volgende randvoorwaarden gehanteerd met betrekking tot energie: geen aansluiting op aardgas; voldoende comfort, naast verwarming ook aandacht voor koeling (minimaal voldoende spuimogelijkheid in woning); geen airco, luchtwarmtepomp of vergelijkbare systeem in verband met geluid, warmte en hoog energiegebruik; voor de gehele ontwikkeling (woningbouw en overige functies) geldt een GPR Gebouw Score van minimaal 7,5. Aan deze randvoorwaarden wordt met de beoogde bouw op deze locatie voldaan. Daarnaast zijn enkele ambities opgesteld. Het gaat hier om het opwekken van duurzame energie op eigen kavel en mogelijk ook op bronnen in openbaar gebied. Daarnaast wordt ernaar gestreefd om de nieuwbouw aan te sluiten op het warmtenet Voorhof (op basis van Geothermie) waarvan het tracé naast de locatie komt.
Afvalsystemen Aan het afvalsysteem van de nieuwbouw zijn randvoorwaarden gesteld. Bij gestapelde bouw dient de inpassing van ruimte voor huishoudelijk afval 0,75% van het totale gebruiksoppervlakte te bedragen, met een minimum van 1,6 m2. Daarnaast dient onderzocht te worden waar rolcontainers worden aangeboden ter lediging. De bedrijven in het gebouw dienen een eigen opslagvoorziening voor afval te realiseren op eigen terrein, waarbij het bedrijfsafval en huishoudelijke afval fysiek gescheiden moeten blijven.
Geluid en overige milieuhinder Voor de aspecten 'geluid en overige milieuhinder' gelden twee aandachtspunten: de hoge geluidbelasting aan de Martinus Nijhofflaan en Voorhofdreef; milieuhinder van de andere functies in en om het gebouw (zoals horeca, supermarkt) op de nieuwe woningen. In paragrafen 4.10 en 4.11 zijn deze aspecten nader uitgewerkt.
Water en Klimaatadaptatie Een randvoorwaarde is om 40% van het oppervlak groen in te richten door daktuinen (inclusief verblijfsgebied met terrassen en looppaden). Daarnaast wordt per vierkante meter groen 200 liter permanente berging gerealiseerd. Middels opslag in substraat of een vorm van irrigatie dient het geborgen water beschikbaar te zijn voor het groen. Dit om geen aanspraak te hoeven doen op de drinkwatervoorraad t.b.v. irrigatie gedurende lange droge perioden. Om de randvoorwaardes met betrekking tot klimaatadaptatie te behalen, wordt de nieuwbouw voorzien van groene daken. Aangezien het hier om kijkgroen en verblijfsgroen gaat is een gewenste combinatie met zonnepanelen/zonneboilers niet mogelijk. Om hemelwateroverlast te voorkomen worden de volgende maatregelen getroffen: op 2 van de 3 daken wordt 60 mm van de neerslag op privaatterrein vastgehouden, geborgen en vertraagd. De berging is niet eerder dan in 24 uur leeg en is in maximaal 48 uur weer beschikbaar (of wordt gestuurd); Tevens is de ambitie om het plangebied 'rainproof' in te richten, zodat bij een extreme bui (1/250 jaar, 90 mm in één uur) geen schade optreedt aan de gebouwen en voorzieningen.
Ook wordt ernaar gestreefd om de gevolgen van hitte en droogte te beperken door: in het plangebied 50% van de jaarlijkse neerslag te infiltreren; tenminste 50% schaduw in het plangebied op de hoogste zonnestand voor verblijfplekken en gebieden waar langzaam verkeer zich verplaatst; tenminste 40% van alle oppervlakken warmtewerend of verkoelend in te richten/bouwen, om de opwarming van het stedelijk gebied te verminderen;
29
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2 geen airco toe te passen bij de woningen, zodat koeling van gebouwen niet leiden tot opwarming van (verblijfs)ruimte in de directe omgeving. Voor het beoogde bouwplan geldt omdat deze aansluit qua architectuur en materialisering dat de gevel met baksteen wordt bekleed conform het gebouw in fase 1. In de basis wordt in het beoogde bouwplan er geen koeling toegepast in de woningen.
Natuurinclusief bouwen Een aantrekkelijke openbare ruimte, een fijnmazig netwerk, beleving en een hoge biodiversiteit zijn belangrijke componenten binnen deze ontwikkeling. Boomrijen langs straten in aansluiting op omliggende gebieden en diversiteit in beplantingen vormen het wensbeeld. Binnen 'natuurinclusief bouwen' zijn de volgende randvoorwaarden opgesteld: voor mussen worden 2 keer 6 nestplekken opgehangen op een ophanghoogte tussen de 5,5 en 12 meter vanaf maaiveld met ingangen op het noorden, oosten en/of noordoosten. Daarnaast dient binnen een straal van 50 meter enkele dichte heesters worden aangeplant als wilde liguster, hulst, vuurdoorn etc; voor gierzwaluwen is het van belang om groepsgewijs 12 neststenen mee te nemen aan de noordof oostzijde op minimaal 5 meter hoogte (bij voorkeur hoger). Op die locatie mogen geen horizontale vlakken (platte daken, balkons, galerijen) direct onder deze nesten geplaatst worden. Dit in verband met de vrije val van 3 meter die gierzwaluwen moeten kunnen maken bij het verlaten van de nestplaats; voor vleermuizen dienen per bouwblok 12 nestblokken aan de noord- en/of oostzijde te worden geïntrigeerd. Dit mag verspreid over het bouwblok.
3.4
Hoogheemraadschap Delfland
3.4.1
Waterbeheersplan 2016-2021
Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 20162021. Dit beleid is formeel vastgelegd in de Keur en de legger. Het verbeteren van de waterkwaliteit en het vergroten van de bergingscapaciteit zijn belangrijke pijlers binnen dit beleid. Voor sommige activiteiten is een watervergunning van het Hoogheemraadschap van Delfland nodig, bijvoorbeeld: graven of dempen van oppervlaktewater; bouwen binnen de beschermingszone van een waterkering; aanleg van ondergrondse leidingen. Daarnaast zijn algemene regels opgenomen voor bijvoorbeeld het verrichten van handelingen in waterstaatswerken, het water brengen in of onttrekken aan oppervlaktelichamen, het onttrekken van grondwater en natuurvriendelijke oevers. Op het moment dat aan de van toepassing zijn regels wordt voldaan hoeft geen vergunning te worden aangevraagd, maar kan worden volstaan met een melding. Daarnaast beschikt het hoogheemraadschap over beleidsregels die het hoogheemraadschap Delftland als toetsingskader voor het wel of niet verlenen van een vergunning. Watertoets Delfland hanteert een Handreiking watertoets voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand
30
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2 beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. De toets berust op twee uitgangspunten: standstillbeginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. In het kader van de watertoets vindt overleg plaats tussen de gemeente Delft en het hoogheemraadschap van Delfland.
3.4.2
Beleidsnota beperken en voorkomen wateroverlast (2014)
De beleidsnota 'Beperken en voorkomen wateroverlast' bevat het Delflandse beleid op hoofdlijnen voor het op orde brengen en houden van het watersysteem ten aanzien van wateroverlast. Het gaat daarbij zowel om het oplossen van bestaande knelpunten als om het voorkomen van nieuwe knelpunten.
3.4.3
Watervergunning
Voor sommige activiteiten is een watervergunning van het Hoogheemraadschap van Delfland nodig, bijvoorbeeld: graven of dempen van oppervlaktewater; bouwen binnen de beschermingszone van een waterkering; aanleg van ondergrondse leidingen.
3.4.4
Handreiking watertoets
Delfland hanteert een Handreiking watertoets voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. De toets berust op twee uitgangspunten: 1. standstillbeginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; 2. verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. In het kader van de watertoets heeft overleg plaatsgevonden tussen de gemeente Delft en het Hoogheemraadschap van Delfland. Dit komt aan de orde in paragraaf 4.6.
3.5
Conclusie
De beoogde ontwikkeling past binnen de ruimtelijke beleidskaders.
31
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten en onderzoek
4.1
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
4.1.1
Inleiding
De procedure van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang vroegtijdig en volwaardig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie of een bestemmingsplan. Het centrale onderdeel van een m.e.r. is het milieueffectrapport (MER) waarin de milieueffecten voor een tal van aspecten voor een of meerdere alternatieven geanalyseerd en beoordeeld worden ten opzichte van de referentiesituatie. Deze m.e.r.procedure is van toepassing bij activiteiten waarvan reeds vast staat dat er mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Deze activiteiten met bijbehorende drempelwaarden staan weergegeven in onderdeel C van het Besluit m.e.r. (ook geldt voor activiteiten uit onderdeel D waar een plan, bijvoorbeeld een structuurvisie, voor nodig is).
Naast het direct uit moeten voeren van een m.e.r. zijn in het Besluit m.e.r. ook activiteiten met bijbehorende drempelwaarden aangegeven waarvoor eerst beoordeeld moet worden of sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze activiteiten en drempelwaarden staan benoemd in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Voor deze activiteiten dient een zogenaamde m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden.
Door de wijziging van het Besluit m.e.r. in het voorjaar van 2011 is het tegenwoordig ook verplicht om aandacht aan m.e.r. te besteden voor activiteiten die in onderdeel D genoemd staan, maar waar de drempelwaarden niet gehaald worden. Deze drempelwaarden zijn aantallen, oppervlaktes of grootte (bijvoorbeeld 100 hectare, 110 stuks, etc.). Voor activiteiten die wel in onderdeel D van het Besluit m.e.r. genoemd staan, maar waar de aantallen uit het betreffende plan of besluit onder de drempelwaarden liggen dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Hierbij wordt, net als bij de m.e.r.-beoordeling getoetst of er mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen op kunnen treden. Het verschil met de 'gewone' m.e.r.-beoordeling is dat aan de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen aparte procedurevereisten zitten (vandaar de term vormvrij). Qua inhoud gelden wel strikte vereisten vanuit de Europese richtlijn m.e.r.
4.1.2
Beoordeling
De voorgenomen activiteit, de realisatie van woningen en de herontwikkeling van winkelruimte, is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r. onder categorie D 11.2. Activiteiten
Gevallen
Besluit
D 11.2 De aanleg, wijziging of In gevallen waarin de activiteit De vaststelling van het uitbreiding van een betrekking heeft op: plan, bedoeld in artikel stedelijk 1: een oppervlakte van 100 hectare of 3.6, eerste lid, ontwikkelings-project meer, onderdelen a en b, van met inbegrip van de 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 de Wet ruimtelijke bouw van winkelcentra of meer woningen omvat, of ordening à het of parkeerterreinen. 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van bestemmingsplan 200.000 m2 of meer.
De voorgenomen activiteit valt onder de drempelwaarden (zie kolom 'gevallen'):
32
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2 De oppervlakte bedraagt minder dan 100 ha; Het project is wel een aaneengesloten gebied, maar bevat minder dan 2.000 woningen; De bedrijfsvloeroppervlakte van de herontwikkeling van de winkelruimte bedraagt minder dan 200.000 m2. Dit betekent dat het verplicht is om een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Deze is opgesteld door Antea Group en opgenomen in Bijlage 1.
Bij activiteiten die op lijst D genoemd worden maar onder de drempelwaarde blijven is er de volgende verplichting: de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' of 'vergewissingsplicht'. Het feit dat de activiteit onder de drempelwaarde blijft is een indicatie dat er waarschijnlijk geen aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn. Of dat daadwerkelijk zo is, moet in het kader van het bestemmingsplan worden onderzocht. De vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordelingsprocedure worden doorlopen of er kan direct worden gekozen een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen. Als belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten bestaat het resultaat van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling uit het volgen van een plan-m.e.r.-procedure. Als belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu wel kunnen worden uitgesloten moet die conclusie door het bevoegd gezag worden opgenomen in de tekst van het uiteindelijke besluit in de moederprocedure (in dit geval de toelichting bij het bestemmingsplan).
33
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
Ten behoeve van het bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar de mileueffecten van het bestemmingsplan met als doel om te toetsen of als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Slechts voor de volgende milieuaspecten moeten maatregelen getroffen worden om nadelige effecten te beperken: • Geluid wegverkeerslawaai: aanvragen hogere waarde en advies om in de slaapkamers van de woningen met direct zicht op de Martinus Nijhofflaan een maatregel te treffen; • Industrielawaai als gevolg van de parkeergarage:
34
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
aanvraag hogere waarde en opnemen van maatwerkvoorschrift voor de gevels ter plekke van de parkeergarage; • Ecologie: algemene broedvogels: werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren. Indien dat niet mogelijk is, het plangebied ongeschikt maken voor algemene (broed)vogels. Indien dat niet mogelijk is, een controle door een ecoloog laten uitvoeren voorafgaand aan de werkzaamheden. Bij het aantreffen van nesten worden locatiespecifieke maatregelen voorgesteld en/of dienen de werkzaamheden te worden uitgevoerd als het nest niet meer in gebruik is. Voor de overige relevante aspecten zijn er geen gevolgen te verwachten 4.1.3
Conclusie
Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (hinder, bodem, water, ecologie, archeologie, cultuurhistorie en landschap), ter plaatse. Geconcludeerd wordt dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor onderhavige ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor onderhavige ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor onderhavige ontwikkeling.
4.2
Hoogbouweffectrapportage
Gelet op de Nota Bouwhoogten is een hoogbouweffectrapportage (HER) uitgevoerd, waarin naast een ruimtelijke en stedenbouwkundig/architectonische onderbouwing aandacht is besteed aan schaduw en wind. Dit is gebeurd aan de hand van de checklist uit de Nota Bouwhoogten. Met betrekking tot de laatstgenoemde aspecten is zowel een schaduw- en windhinderonderzoek uitgevoerd, welke als bijlage bij de HER zijn opgenomen. In het HER wordt onderbouwd en geconcludeerd dat de woningbouwontwikkeling aan de Martinus Nijhofflaan, waarbij een woontoren van 65 meter wordt gerealiseerd, zowel stedenbouwkundig als architectonisch uitstekend past binnen de uitgangspunten van verdichting langs de boulevards zoals in de gemeentelijke structuurvisie is vastgelegd, de ruimtelijke kwaliteit en de samenhang van dit gebied versterkt en vergroot. De HER is opgenomen in Bijlage 2.
4.2.1
Schaduw
Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de mogelijke invloed van de hoogbouw op de bezonning van de omliggende woonbebouwing.
Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van een hiervoor vervaardigd 3D-computermodel van het bouwplan en de stedenbouwkundige omgeving. De planologisch mogelijke bebouwing aan de overzijde van de Martinus Nijhofflaan is volgens het bestemmingsplan Zuidwest 1 (Voorhof) uit 2006 als gerealiseerd meegenomen. Hierbij is gekozen om gebruik te maken van de maximaal mogelijk gemaakte bouwhoogte voor het gehele bouwvolume. De daadwerkelijke invulling zal hiervan afwijken, dit is niet bepalend voor de onderzoek. Teneinde een duidelijk beeld van de invloed van de geplande bebouwing op de bezonning van de omliggende woningen te verkrijgen is de aanwezige begroeiing niet in het model meegenomen.
Het onderzoek is gebaseerd op door adviesbureau Peutz ontwikkelde programmatuur binnen het softwarepakket Radiance. Hiermee is de potentiële bezonningsduur, de afname van de bezonning alsmede de schaduwwerking inzichtelijk gemaakt op de data 19 februari, 21 april en 21 juni (langste dag), hetgeen tevens representatief is voor de maanden augustus en oktober. De onderzoeksresultaten geven derhalve met een interval van 2 maanden een beeld van de bezonningssituatie gedurende een groot deel van het jaar en daarmee een representatief beeld van de bezonning gedurende het jaar.
35
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat bij diverse woningen in de omgeving een beperkte mate van schaduw van de nieuwbouw te verwachten is. Gedurende het jaar wijzigt het verloop van de zonnebaan, waardoor schaduw bij de omliggende bebouwing zich steeds op een andere plaats manifesteert. Hoewel op basis van het bovenstaande er weliswaar sprake is van een gering effect, leidt dit niet tot significant nadelige schaduweffecten, zeker niet in vergelijking met de eerder mogelijk gemaakte bouwmassa in het vigerende bestemmingsplan.
4.2.2
Windhinder
Met behulp van Computational Fluid Dynamics (CFD) is door adviesbureau Peutz een indicatief onderzoek verricht naar de te verwachten windklimaatsituatie rondom de geplande nieuwbouw aan de Martinus Nijhofflaan te Delft. Doel van het onderzoek was het geven van een beoordeling van de effecten van de geplande nieuwbouw op het windklimaat rondom het bouwplan. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van een hiervoor vervaardigd 3D-computermodel van het bouwplan en de stedenbouwkundige omgeving. De planologische bebouwing aan de overzijde van de Martinus Nijhofflaan is als worst case benadering met een maximale invulling van bestemmingsplan Zuidwest als gerealiseerd meegenomen. In totaal is een gebied gemodelleerd van 550 bij 450 meter.
Voor de opzet van het onderzoek en de beoordeling van het windklimaat is uitgegaan van de Nederlandse norm NEN 8100:2006 Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving.
Uit de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Dankzij de aangepaste positionering van de hoogbouw zijn de gevolgen van de geplande nieuwbouw op het windklimaat beperkt. De geplande nieuwbouw wordt iets hoger dan bij de vigerende mogelijkheden in het bestemmingsplan. Door de interactie tusen de geplande hoogbouw en de bestaande hoogbouw ten zuiden van het project, is het te verwachten windklimaat in de doorgang plaatselijk slecht. Het slechte windklimaat in deze doorgang wordt veroorzaakt door valwinden van de bestaande hoogbouw, die op laag niveau tussen de twee gebouwen door stroomt. Deze blijven echter onder de kritische 20%, waar dit bij het eerdere plan wel het geval was. Te overwegen is om middels het aanbrengen van bomen met onderbegroeiing in dit gebied een beter windklimaat te creëren. Met de geprojecteerde hoogbouw vergroot het gebied waarin dergelijke windsnelheden optreden. Opgemerkt dient te worden dat de plaatselijk ongunstige windsituatie deels het gevolg is van de gehanteerde maximale bebouwingssituatie. In het uitgevoerde onderzoek is in het gebied rond de geplande nieuwbouw geen overschrijding van het gevaarcriterium vastgesteld.
36
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
Figuur 4.1: windhindersituatie bestaande situatie
Figuur 4.2 windhindersituatie nieuwe situatie
4.2.3
Conclusie
Op basis van de HER kan worden geconcludeerd dat het plan op de aspecten stedenbouwkundige inpassing, bezonning en windhinder aanvaardbaar en uitvoerbaar is.
4.3
Verkeer en parkeren
Door de realiastie van de tweede fase van het plan verandert er in vergelijking met het eerdere plan voor de locatie de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte. Voor de realisatie van het plan en het effect hiervan op de infrastructuur is door Antea Group de verkeersgeneratie bepaald (17 september 2020) en door Spark een momiliteitsmemo opgesteld voor het aspect parkeren (30 juni 2020). Openbaar vervoer De locatie is gelegen direct naast de tramhalte Martinus Nijhofflaan (tram 1 verbindt Delft met Den Haag en Scheveningen) en hierdoor met het openbaar vervoer dus uitstekend bereikbaar. Autoverkeer
37
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
De Albert Heijnlocatie wordt voor autoverkeer ontsloten vanaf de Martinus Nijhofflaan. Dit geldt voor zowel de inpandige parkeergarage als de bevoorrading. Dit is een bestaande in- en uitrit van de parkeergarage in de eerste fase met de AH XL en bij het ontwerpen daarvan is rekening gehouden met een goed zicht op zowel de voetgangers als het verkeer op de Martinus Nijhofflaan. Uit de de verkeersgeneratie die is doorgerekend voor 2024 inclusief planontwikkeling blijkt dat er op de wegen rond het plangebied sprake is van een goede verkeersafwikkeling (Bijlage 3). Ook op de omliggende rijkswegen zijn geen directe effecten van de ontwikkeling te verwachten. De planontwikkeling op zich leidt niet tot verstoring in de verkeersafwikkeling. De verkeersgeneratie is verder input geweest voor verschillende onderzoeken die voor de ontwikkeling zijn uitgevoerd. Parkeren De parkeerbehoefte is berekend op basis van de normen die in de 'Nota Parkeernormen 2018' van de gemeente Delft. Uit het parkeer- en verkeersonderzoek, dat als bijlage 4 is opgenomen, blijkt dat er sprake is van een sluitende parkeerbalans. Parkeren omliggende gebied In fase 1 is een parkeergarage gebouwd waarin voldoende ruimte is om een deel van het parkeeraanbod te faciliteren. Met de eigenaar van de parkeergarage is afgesproken dat in ieder geval 30 zwerfplekken voor bewoners van fase 2 zijn gereserveerd.
Het gebruik van de parkeergarage is echter dusdanig dat er gebleken is dat er steeds voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn om – naast de 30 zwerfplekken alle bezoekers van fase 2 te laten parkeren. Ten slotte is volgens opgave van de gemeente in de omgeving nog parkeerruimte (restcapaciteit) op straat beschikbaar. Beschikbare capaciteit in de omgeving Op basis van tellingen op straat is bepaald hoeveel parkeerplaatsen in de directe omgeving beschikbaar zijn. In totaal liggen er circa 300 openbare parkeerplaatsen aan de Martinus Nijhofflaan, E. du Perronlaan en Roland Holstlaan. Rekening houdend met de eis dat de bezettingsgraad maximaal 85% op straat en 95% op parkeerterreinen mag zijn, is het aantal parkeerplaatsen beschikbaar zoals aangegeven in onderstaande tabel.
Tabel 4.1 Beschikbaar aantal parkeerplaatsen op straat bij 85% respectievelijk 95% bezetting
Inzet deelauto's Zoals al is aangegeven zal de doelgroep van de woningen vooral bestaan uit bewoners die aan het begin staan van hun woon- en arbeidscarrière en in mindere mate dan gemiddeld voor alle inwoners van Delft een auto bezitten. Voor deze doelgroep is de inzet van deelauto’s een goed middel om de bewoners automobiliteit aan te bieden zonder dat de aanschaf van een auto nodig is. Aan de toekomstige bewoners zal daarom een abonnement voor het gebruik van een deelauto worden aangeboden en zijn er initieel 8 deelauto’s voorzien met een eigen parkeerplaats in de directe omgeving van het complex. De reductie door de inzet van deelauto’s verschilt per dagdeel op basis van de aanwezigheidspercentages. De deelauto’s staan immers ter beschikking van bewoners en moeten derhalve gecorrigeerd worden voor de percentages van deze doelgroep om een correct beeld van de reductie aan parkeerplaatsen te krijgen. In onderstaande tabel is de feitelijke reductie weergegeven.
Tabel 4.2 Reductie aantal benodigde parkeerplaatsen door inzet deelauto's
38
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
Fietsverkeer In de Nota Parkeernormen 2018 van de gemeente Delft zijn in paragraaf 3.3 de parkeernormen voor fietsen opgenomen. Voor woningen gelden geen specifieke Delftse normen, maar wordt verwezen naar het Bouwbesluit omdat in het Bouwbesluit hier voldoende eisen aan zijn gesteld. Wel wordt van deze eisen op gelijkwaardige wijze afgeweken om een collectieve fietsenstalling naast aparte bergingen mogelijk te maken. . Voor de overige voorzieningen zijn in bijlage 3 van de Nota Parkeernormen kencijfers opgenomen. Ten aanzien van de bergingen wordt voldaan aan het Bouwbesluit. Dat betekent dat voor de 35 woningen groter dan 50 m² GO een berging wordt gerealiseerd en voor 225 woningen kleiner dan 50 m² GO een fietsparkeerplaats in de gemeenschappelijke fietsenstalling zal worden gerealiseerd. Voor woningen groter 50 m² GO wordt niet alleen een berging gerealiseerd volgens het bouwbesluit maar ook twee fietsparkeerplaatsen in de gemeenschappelijke fietsenstalling. Totaal zijn derhalve 290 (225 + 2*35) stallingsplekken voor de bewoners gereserveerd. Op de begane grond wordt tevens een ruimte voor fietsen van bezoekers ingericht met minimaal 30 plaatsen. Op grond van bijlage 3 van de Nota Parkeernormen zijn 44 fietsparkeerplaatsen nodig voor de overige voorziening (restaurant eenvoudig).
Naast de fietsparkeerplaatsen in het gebouw worden voldoende fietsparkeerplekken bij de entree van het gebouw geplaatst voor deze overige voorziening. Deze plaatsen worden in de uitwerking van het inrichtingsplan meegenomen. Oneigenlijk gebruik door bewoners van deze plekken zal worden voorkomen door actief toezicht vanuit de beheerder van het gebouw. Conclusie Er is sprake van een sluitende parkeerbalans. Tevens worden er voldoende fietsparkeervoorzieningen gerealiseerd en blijkt uit de verkeersgeneratie dat de beperkte toevoeging van verkeer door de ontwikkeling niet leidt tot knelpunten in de omgeving of op de rijkswegen.
4.4
Kabels en leidingen
In het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. In de omgeving zijn geen ondergrondse voorzieningen voor afvalinzameling aanwezig. Voor het plangebied worden met betrekking tot kabels en leidingen geen verdere ontwikkelingen verwacht. Voor ruimtelijke plannen in de omgeving van leidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) relevant. Met deze AMvB wordt aangesloten bij de risiconormering uit het Bevi (PR). Ook geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en gelden belemmeringenstroken waarbinnen in principe geen bebouwing is toegestaan. Voor overige planologisch relevante leidingen (zoals regionale waterleidingen en rioolwaterpersleidingen) gelden alleen belemmeringenzones. Omdat er geen bebouwing binnen de belemmeringenstroken van de planologisch relevante leidingen aanwezig zal zijn, ontstaan er geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
39
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
4.5
Externe Veiligheid
4.5.1
Inleiding
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het wettelijke kader, voor buisleidingen is dit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het huidige beleid voor transportmodaliteiten in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.
Figuur 4.4 Weergave plaatsgebonden risicocontouren, invloedsgebied en groepsrisicografiek met oriëntatiewaarde voor transport
Verantwoordingsplicht In het Bevi en Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij deze
40
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2 verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag op een juiste wijze de toename en ligging van het groepsrisico te onderbouwen en te verantwoorden. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. Bij de verantwoording van het groepsrisico dient het bevoegd gezag advies in te winnen bij de veiligheidsregio. De verantwoordingsplicht van het groepsrisico dient naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico, dat berekend wordt door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), tevens rekening te houden met een aantal kwalitatieve aspecten, zoals hieronder weergegeven.
Figuur 4.5 Verplichte en onmisbare onderdelen van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico
4.5.2
Onderzoek
Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 5 . Transport van gevaarlijke stoffen Rijkswegen A4 en A13 Op meer dan twee kilometer afstand ten westen van het plangebied ligt de A4 en op meer dan twee kilometer ten oosten van het plangebied ligt de A13. Beide wegen zijn opgenomen in het Regeling basisnet. Gezien de grote afstand tot het plangebied moet worden geconcludeerd dat het plangebied ruim buiten de plaatsgebonden risicocontouren en plasbrandaandachtsgebieden is gelegen. Omdat de ontwikkeling op meer dan 200 meter van deze transportbronnen is gelegen, is ten aanzien van deze bronnen geen groepsrisicoberekening vereist. Relevant is dat er over deze wegen toxische stoffen vervoerd worden met een zeer groot invloedsgebied (meer dan vier kilometer). Een beperkte verantwoording van het groepsrisico ten aanzien van het vervoer van deze stoffen is verplicht.
Lokale transportroutes Op ongeveer 900 meter ten zuiden van het plangebied ligt de N470 Kruithuisweg (wegvak Z171). Op ongeveer 160 meter ten westen van het plangebied ligt de Prinses Beatrixlaan (Wegvak Z172). Voor beide wegen geldt dat de ze niet zijn opgenomen in de Regeling basisnet maar dat er door de provincie Zuid-Holland tellingen van vervoer van gevaarlijke stoffen zijn verricht. De tellingen van de wegvakken is weergegeven in tabel 4,3.
Tabel 4.3 Tellingen vervoer van gevaarlijke stoffen door Rijkswaterstaat (2019)
Gezien de afstand van het plangebied tot de Kruithuisweg, is voor deze weg alleen het vervoer van toxische stoffen relevant. Voor de Prinses Beatrixlaan geldt dat de weg binnen wel 200 meter van het
41
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2 plangebied is gelegen. Een beschouwing van het groepsrisico zou voor deze weg daarmee verplicht zijn. Echter wordt er over deze weg – conform de tellingen van de provincie Zuid-Holland (2009) – geen GF3 getransporteerd. Daarom biedt een groepsrisicoberekening geen meerwaarde. GF3 is namelijk de maatgevende stof voor het groepsrisiconiveau. Om deze reden is alleen een toxisch scenario relevant. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico in relatie tot het vervoer van toxische stoffen over de weg is voor zowel de Kruithuisweg als de Prinses Beatrixlaan verplicht.
Hogedruk aardgastransportleidingen Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling zijn er geen relevante hogedruk aardgastransportleidingen (het plangebied ligt niet binnen een 1% letaliteitsgrens).
Risicovolle inrichting Op meer dan twee kilometer ten noorden ligt het BRZO-bedrijf DSM Delft Permit B.V. Het invloedsgebied van dit bedrijf reikt niet tot het plangebied en is daarmee niet relevant.
4.5.3
Conclusie
Uit de beoordeling blijkt dat het plangebied binnen het toxisch invloedsgebied bevindt van de wegen: A4, A13, Kruithuisweg en de Prinses Beatrixlaan. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes verplicht. Een eerste aanzet hiervoor is gegeven in het uitgevoerde onderzoek.
4.6
Water
4.6.1
Inleiding
Sinds 2003 is het doorlopen van de watertoets wettelijk verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg met de initiatiefnemer en de waterbeheerder, aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. 4.6.2
Beoordeling
Ten behoeve van het voornemen is eerder voor het bestemmingsplan "Albert Heijn Locatie Martinus Nijhofflaan" een watertoets opgesteld. Op 13 april 2015 is hierover overleg gevoerd met de waterbeheerder. Het voorliggende bestemmingsplan maakt ten opzichte van het nu vigerende bestemmingsplan geen ander bebouwd oppervlak mogelijk. Voor de eerdere ontwikkelingen zijn in de watertoets zaken vastgelegd voor het gehele plangebied. Deze afspraken zijn nog steeds van toepassing en gelden ook voor het nu voorliggende plan. Het gaat hierbij om de volgende opmerkingen en afspraken uit de voorgaande waterparagraaf: Wateroverlast Het plangebied is gelegen in het binnenstedelijk gebied en is momenteel volledig verhard. Uit de klimaatatlas Zuid-Holland en de WOLK-modellen van de gemeente Delft blijkt water-op-straat op te treden ter hoogte van het perceel. Dit komt niet tegen de gevel te staan, maar uitgangspunt is wel dat hemelwaterafvoer niet mag worden afgewenteld op de omgeving, waardoor de situatie verslechterd. Overlast uit naastgelegen en aangrenzende gebieden wordt niet verwacht. Waterberging De waterbergingsnorm voor stedelijk gebied is 325 m³/ha. Bij polders waar een bergingstekort is dient
42
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2 bij herstructurering waterberging gerealiseerd te worden om aan de waterbergingsnorm te kunnen voldoen. Voor deze polder geldt een restopgave bij ontwikkelingen van 92 m³/ha. De opgave voor dit project is omgerekend 84 m³. Waterberging zal niet binnen het plan plaatsvinden. De financiële compensatie om bij te dragen aan een realisatie van de benodigde waterberging elders, is in de anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer geregeld. Hiermee wordt aan de eisen van Hoogheemraadschap van Delfland zoals beschreven in paragraaf 3.4 voldaan. Aanvullend Om de randvoorwaardes met betrekking tot klimaatadaptatie te behalen, wordt naast de eerdere afspraken de nieuwbouw voorzien van groene daken. Om hemelwateroverlast te voorkomen worden aanvullend op het hierboven beschrevene de volgende maatregelen getroffen: op 2 van de 3 daken wordt 60 mm van de neerslag op privaatterrein vastgehouden, geborgen en vertraagd afgevoerd. De berging is niet eerder dan in 24 uur leeg en is in maximaal 48 uur weer beschikbaar (of wordt gestuurd). Het gaat hierbij om een dak van +/- 250 m² en een dak van 150 m² van het totaal van 1.000 m² dakoppervlak; De groene daken dienen ook zorg te dragen dat per vierkante meter groen 200 liter permanente berging worden gerealiseerd.
Het geborgen water dient beschikbaar te zijn voor het groen middels opslag in substraat of een vorm van irrigatie. Dit om geen aanspraak te hoeven doen op de drinkwatervoorraad t.b.v. irrigatie gedurende lange droge perioden. Dit is te realiseren door middel van het vasthouden van water op het dak in de retentie die hier wordt aangelegd. Een voorbeeld hiervan is het systeem van het Polderdak, waarvan de werking is weergegeven in onderstaande figuur. Een dergelijk systeem kan ingezet worden om water te bergen bij hevige neerslag en om de daktuinen te bevloeien. Het systeem bestaat uit waterberging in zogenaamde retentiekratten en een slimme stuw die het waterpeil in de berging automatisch en op afstand kan regelen. Onder de kratten wordt een wortel- en waterwerende dakbedekking aangelegd met daarop een beschermdoek. Bovenop de kratten komt een filtervlies met daarboven ofwel het substraat met de beplanting ofwel een verhard deel zoals een pad of een terras. De beplanting kan het water direct opnemen vanuit de waterberging, zonder gebruik van pompen. In het bouwplan dient een dergelijk systeem te worden toegepast om aan deze randvoorwaarde te voldoen.
Figuur 4.6 Voorbeeld opbouw Polderdak met beplanting
Tevens worden de volgende ambities nagestreefd. het plangebied wordt 'rainproof' ingericht, zodat bij een extreme bui (1/250 jaar, 90 mm in één uur) geen schade optreedt aan de gebouwen en voorzieningen. in het plangebied 50% van de jaarlijkse neerslag te infiltreren; Het beoogde bouwplan wordt zo veel mogelijk rainproof ingericht zodat een extreme bui goed te verwerken is. Het openbaar gebied wordt door de gemeente Delft ingericht. Zij streeft ernaar om voldoende infiltratie in het openbaar gebied te realiseren. Binnen het plangebied kan niet worden geïnfiltreerd, dit wordt conform eerdere afspraken buiten het plangebied gedaan. Wel wordt een groot
43
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2 deel van de regen die in het plangebied valt, vastgehouden en vertraagd afgevoerd door het toepassen van de groene daken. Waterveiligheid Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een waterkering. Binnen de plangrenzen wordt hoge bebouwing gecreëerd die bij een eventuele overstroming als gevolg van een dijkdoorbraak te allen tijde een veilige locatie blijft. Waterkwaliteit Binnen de voorgenomen ontwikkeling worden geen activiteiten ontplooid die een verhoogd risico op vervuiling met zich mee brengen. In het plangebied is ook geen oppervlaktewater aanwezig. Er wordt enkel gebruik gemaakt van niet uitlogende en gecertificeerde materialen. Aangezien het gehele plangebied wordt bebouwd is de kans op vervuiling van grondwater niet aanwezig. Riolering In de huidige situatie is een gemengd en deels gescheiden rioolstelsel aanwezig. De ontwikkeling ligt in de invloedsfeer van een vuil en schoonwaterriolering van omliggende panden. Deze riolering zal verlegd worden om de ontwikkeling mogelijk te maken. De riolering van de ontwikkeling dient gescheiden te worden aangeboden, zodat deze aangesloten kunnen worden op het schoon- en vuilwaterriool. De afvoercapaciteit van de gemeentelijke riolering is voldoende om het water van de ontwikkeling af te kunnen voeren.
In de rioleringsplannen van de gemeente is rekening gehouden met de ontwikkelingen rond de Hoven en de Martinus Nijhofflaan. Grondwater Bij ontwikkelingen dient rekening gehouden met voldoende ontwateringsdiepte (Gemeentelijke grondwatervisie: >70 cm –mv.) en indien nodig dienen maatregelen genomen te worden zoals verhogen maaiveld of aanleg drainage. Met de aanleg van drainage moet terughoudend omgegaan worden in Delft omdat de grondslag gevoelig is voor ontwatering (veen). In de huidige omstandigheden is de ontwateringsdiepte voldoende. In verband met de mogelijke stopzetting in de toekomst van de grondwateronttrekking Delft Noord dient rekening gehouden te worden met een grondwaterstijging van 25-50 cm. 4.6.3
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Flora en fauna
4.7.1
Inleiding
De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden.
Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het 'Natuurnetwerk Nederland' (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen).
Voor dit onderzoek is een natuurtoets uitgevoerd (zie bijlage 6)
44
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
4.7.2
Soortbescherming
In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels; 3. 'andere soorten' (onderdeel A 'fauna' en onderdeel B 'flora'). De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving. Bij voorliggende toetsing wordt tevens beoordeeld of soorten met jaarrond beschermde nesten categorie 1 t/m 5 aanwezig zijn in het plangebied.
Soorten van de Vogelrichtlijn Voor Vogelrichtlijnsoorten is het verboden om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen. Dit laatste verbod geldt niet voor een aantal vogelsoorten, indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding en het nest zelf zijn functionaliteit behoudt.
Indien bij het voornemen het overtreden van verbodsbepalingen in artikel 3.1 niet kan worden uitgesloten, kan onder bepaalde voorwaarden gewerkt worden conform een door het ministerie goedgekeurde gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het aanvragen van een ontheffing bij de provincie, waarin het voornemen plaatsvindt, noodzakelijk. De grond waarop een ontheffing kan worden verleend, verschilt per categorie.
Soorten van de Habitatrichtlijn Voor soorten van artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, Bern en Bonn) is het eveneens verboden om in het wild levende dieren en planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen. Voortplantings- of rustplaatsen mogen niet beschadigd of vernield worden. Daarnaast geldt er een verbod op om planten behorend bij artikel 3.5 te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In tegenstelling tot de Vogelrichtlijnsoorten in artikel 3.1, mogen dieren behorend bij artikel 3.5 niet opzettelijk verstoord worden, ook niet als er geen wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Indien bij het voornemen het overtreden van verbodsbepalingen in artikel 3.5 niet kan worden uitgesloten, kan onder bepaalde voorwaarden gewerkt worden conform een door het ministerie goedgekeurde gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het aanvragen van een ontheffing bij de provincie, waarin het voornemen plaatsvindt, noodzakelijk. De grond waarop een ontheffing kan worden verleend, verschilt per categorie.
Andere soorten Naast de Europees aangewezen beschermde flora en fauna, is er in Nederland ook een Nationale soortenlijst gemaakt die niet gedekt wordt door de Vogel- en Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern of Verdrag van Bonn. Deze soorten zijn opgenomen in artikel 3.10, bijlage A en B van de Wnb, zie ook Bijlage tabel B (1 en 2) en C van voorliggende rapportage. Voor soorten in bijlage A geldt een verbod op opzettelijk doden of vangen van dieren, opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of
45
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2 rustplaatsen van dieren. Voor soorten in bijlage B geldt een verbod op opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, vernielen en ontwortelen van planten. In tegenstelling tot artikel 3.1 en 3.5, is verstoring van deze soorten toegestaan.
Indien bij het voornemen het overtreden van verbodsbepalingen in artikel 3.10 niet kan worden uitgesloten, kan onder bepaalde voorwaarden gewerkt worden conform een door het ministerie goedgekeurde gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het aanvragen van een ontheffing bij de provincie, waarin het voornemen plaatsvindt, noodzakelijk. De grond waarop een ontheffing kan worden verleend, verschilt per categorie. Het voorgaande geldt echter niet indien de soorten zijn vrijgesteld door het bevoegd gezag.
Bij voorliggende toetsing is de provincie Zuid-Holland bevoegd gezag. In de provincie Zuid-Holland zijn in tegenstelling tot de landelijke vrijgestelde soorten van artikel 3.10 onderdeel A (zie Regeling Natuurbescherming, Bijlage 13), de ondergrondse woelmuis en de tweekleurige bosspitsmuis niet vrijgesteld. De provincie heeft de vrijstellingslijst van het Rijk beoordeeld of de door het Rijk vrijgestelde soorten in aanmerking komen voor een provinciale vrijstelling. Zo is per soort gekeken naar o.a de verspreiding en talrijkheid van de soort in de provincie Zuid-Holland. Hieruit blijkt dat de soorten ondergrondse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis (en molmuis), niet of nauwelijks voorkomen in Zuid-Holland zodat een provinciale vrijstelling voor die soorten niet opportuun is (Provincie Zuid-Holland, 2016). Voor deze soorten dient bij een overtreding van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 gewerkt te worden conform een door het ministerie goedgekeurde gedragscode of dient een ontheffing aangevraagd te worden. In de provincie geldt voor de overige landelijk vrijgestelde soorten, ook een vrijstelling. Voor deze soorten geldt enkel de zorgplicht.
4.7.3
Gebiedsbescherming
4.7.3.1 Natura 2000 Natura 2000-gebieden zijn natuurgebieden van groot internationaal belang. Deze gebieden zijn aangewezen onder de Europese Habitat- en/of Vogelrichtlijn. Voor de gebieden en de daarbij aangewezen soorten en habitattypen zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Een activiteit mag niet leiden tot significant negatieve effecten op deze doelen of tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken. Indien op voorhand significante effecten niet uitgesloten kunnen worden dient een Passende beoordeling opgesteld te worden. 4.7.3.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is een stelsel van ecologisch hoogwaardige natuurgebieden. Dit is onderdeel van de actieve soortbescherming uit de Wet natuurbescherming; bedreigde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen. Om dit te realiseren is in de Wnb art. 1.12, lid 2 vastgelegd dat de provincies zorgen voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Door nieuwe natuur te ontwikkelen, kunnen natuurgebieden met elkaar worden verbonden. Zo kunnen planten zich over verschillende natuurgebieden verspreiden en dieren van het ene naar het andere gebied gaan. Het totaal van al deze gebieden en de verbindingen ertussen vormt het Natuurnetwerk Nederland.
Het NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur.
Voor de natuurgebieden die behoren tot het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe''. In de Omgevingsverordening van provincie Zuid-Holland (2019) zijn regels voor het NNN opgenomen in Artikel 2.5 en Artikel 6.24. Het 'nee, tenzij'-principe betekent dat nieuwe plannen en projecten niet zijn toegestaan als deze een
46
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2 significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een zwaarwegend belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Het compensatiebeleid van provincie Zuid-Holland voor de gebieden die aangewezen zijn als NNN is vastgelegd in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013).
Het regime ter bescherming van het NNN kent in de provincie Zuid-Holland geen externe werking. Dit houdt in dat alleen wanneer er binnen de grenzen van het NNN gewerkt wordt, de effecten beoordeeld en eventueel gecompenseerd dienen te worden. Effecten als gevolg van de activiteiten die ontstaan op NNN-gebieden die buiten de plangrenzen liggen (externe effecten), hoeven derhalve niet gecompenseerd te worden. 4.7.3.3 Bijzonder Provinciaal landschap Midden Delfland De aanwijzing van het gebied Midden Delfland als Bijzonder Provinciaal Landschap is verleend op grond van Artikel 1.12 lid 3 van de Wet natuurbescherming. Hierin staat het volgende opgenomen.
Art. 1.12 lid 3 Wnb. Gedeputeerde staten kunnen gebieden gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland aanwijzen die van provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarden of landschappelijke waarden, met inachtneming van hun cultuurhistorische kenmerken. Deze gebieden worden aangeduid als «bijzondere provinciale natuurgebieden», onderscheidenlijk bijzondere provinciale landschappen.
Voor dit gebied geldt geen juridisch beschermingskader; de provincie gaf aan dat de aanwijzing als bijzonder provinciaal landschap alleen een predicaat betrof en dat de streek zelf de landschappelijke waarden moest beschermen en instandhouden om het predicaat te behouden.
Voor het aspect Bijzonder Provinciaal Landschap wordt beoordeeld wat de effecten zijn op de kernwaarden van het gebied. De kernwaarden en beoordelingscriteria voor het Provinciaal Landschap zijn afgeleid uit de publicatie “Omgangsvormen met een landschap van stand; Gebiedsbeschrijving Landschap Midden-Delfland” van de gemeente Midden-Delfland, Maart 2017.
4.7.3.4 Bescherming van houtopstanden De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft invulling aan de bescherming van houtopstanden die tot aan 1 januari 2017 vielen onder bescherming van de Boswet. De bescherming is geregeld in hoofdstuk 4 van de Wnb. De Provincie is het bevoegd gezag. De bescherming betreft de houtopstanden die zijn gelegen buiten de bebouwde kom Wnb en die een oppervlakte hebben van meer dan 1.000 m2 (0,1 hectare) of bestaan uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. De Wnb doet geen uitspraken over houtopstanden die zijn gelegen binnen de bebouwde kom of met kleinere oppervlakte dan 1.000 m2. Bescherming van dergelijke houtopstanden is een taak van de gemeentelijke overheid. De wet geldt niet voor: a. b. c. d. e. f.
Houtopstanden op erven of in tuinen; Fruitbomen of windschermen om boomgaarden; Naaldbomen bedoeld als kerstbomen indien niet ouder dan 20 jaar; Kweekgoed; Uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; Het dunnen van een houtopstand;
Het uit populieren, wilgen, essen of elsen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de
47
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2 productie van biomassa (onder specifieke voorwaarden).
Voor houtopstanden groter dan 1.000 m2 is veelal sprake van overlap met de gemeentelijke Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De mate van overlap kan per gemeente verschillen en is dus maatwerk. Toetsing aan de APV valt buiten de scope van de Natuurtoets. Voor houtopstanden die zijn beschermd in de Wnb geldt een meldingsplicht bij voorgenomen velling, en in principe tevens een herplantplicht. Herplant wordt in principe ter plekke ingevuld. Onder voorwaarden kan herplant ook elders worden gerealiseerd.
4.7.4
Onderzoek
4.7.4.1 Beschermde soorten Uit het terreinbezoek is gebleken dat het plangebied een potentieel geschikte biotoop biedt voor vogels, (zie ook Tabel 4.4) Om deze reden is er enkel op deze soortgroepen een potentieel effect aan de orde. De onderstaande effectbeoordeling richt zich alleen op deze soort(groep)en. Overige beschermde soorten zijn uitgesloten en ondervinden geen effect van het voornemen.
Tabel 4.4 Mogelijk aanwezige beschermde soorten in het plangebied
Vogels Algemene broedvogels Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.1). Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door kapwerkzaamheden niet uit te voeren in de broedtijd (circa maart tot en met juli)) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wet Natuurbescherming aan de orde.
Zo kunnen in het plangebied nesten gebouwd worden door (algemeen voorkomende) soorten in de aanwezige bomen. Indien nesten aanwezig zijn mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden.
Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient het plangebied (waar de werkzaamheden plaatsvinden) vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient vooraf aan de werkzaamheden het plangebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een erkend ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plangebied dan worden locatiespecifieke maatregelen voorgesteld en/of wordt het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest niet meer in gebruik is.
Zoogdieren Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5)
48
vastgesteld bestemmingsplan Martinus Nijhofflaan fase 2
Vleermuizen Alle vleermuissoorten zijn beschermd en staan vermeld op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. Verwacht wordt dat het plangebied gebruikt wordt als foerageergebied voor vleermuizen.
In het plangebied blijven de bomen deels behouden. Naar verwachting verdwijnt hiermee geen essentieel foerageergebied (d.w.z. van essentieel belang voor de functionaliteit van de vaste rust- en verblijfplaatsen in de omgeving). In en rondom het plangebied blijft voldoende en alternatief foerageergebied aanwezig. De ontwikkeling van het appartementencomplex zorgt ook niet voor een effect op mogelijke vliegroutes in de omgeving. Er worden immers geen lijnvormige structuren doorbroken. De voorgenomen ontwikkeling zorgt derhalve niet voor een overtreding van verbodsbepalingen uit de wet.
In alle redelijkheid kan worden gesteld dat het voorgenomen plan weinig of geen invloed zal hebben op de vleermuisactiviteiten binnen en rondom het plangebied. Voor wat betreft vleermuizen zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de Wet Natuurbescherming. Het plan is wat betreft vleermuizen uitvoerbaar.
4.7.4.2 Beschermde gebieden Uit de bureaustudie blijkt dat binnen elf kilometer afstand van het plangebied geen Natura 2000-gebied ligt. Het Natura 2000-gebied ligt buiten het invloedsgebied van het plan wat betreft, verdroging of geluiden lichtverstoring. Vanwege de afstand, de geringe omvang van de ontwikkeling in het plangebied en daardoor de afscherming worden geen effecten op soorten, habitats van soorten of habitattypen in het Natura 2000-gebied verwacht. Er is geen effect op het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en daarom is er geen aanleiding om te verwachten dat er op Natura 2000-gebieden op grotere afstand nog effecten zullen optreden, behalve voor wat betreft het effect van vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie. In paragraaf 4.8 zijn de resultaten van het stikstofonderzoek nader toegelicht. 4.7.5
Conclusie
Binnen het plangebied bevinden zich mogelijk broedvoegels. Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door kapwerkzaamheden niet uit te voeren in de broedtijd (circa maart tot en met juli)) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wet Natuurbescherming aan de orde.
4.8
Stikstof
4.8.1
Inleiding
De regels waaraan stikstofberekeningen moeten voldoen waren tot voor kort vastgelegd in het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en (nog steeds) verankerd in de Wet natuurbescherming. De Raad van State zette 29 mei 2019 een streep door het PAS, waarmee (het overgrote deel van) het toetsingskader is komen te vervallen. Onderdeel van het PAS was het rekenmodel AERIUS. Dit model wordt – na een update (release 15 oktober 2020) – nog steeds gebruikt om de stikstofdepositie voor projecten te berekenen. In Natura 2000-gebieden zijn stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten aanwezig. De effecten van het voornemen, zijn daarom in beeld gebracht aan de hand van een enkelvoudige berekening met AERIUS. In deze berekening is gemodelleerd of er wel of niet een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt ten gevolge van de aanlegfase en de gebruiksfase. Uitgaande van een worstcase, is een berekening gedaan waarin de aanlegfase en de gebruiksfase allebei zijn opgenomen. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 7.