2 Programma van Eisen
Tekst van het document
De in dit hoofdstuk vermelde technische kwaliteitseisen moeten worden gerealiseerd door middel van bouwkundige en/of installatietechnische voorzieningen. De architect en adviseurs moeten heldere, inzichtelijke en integrale afwegingen maken voor de bedachte ontwerpoplossingen als het gaat om aspecten zoals minimaal vereiste ruimtecondities, energiebesparing, beperking van onderhoudskosten, duurzaam bouwen, welzijn en comfort, architectuur en dergelijke. Ook de bouwkundige en installatietechnische voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van de inrichting en apparatuur (inclusief de door derden te leveren inrichting en apparatuur) behoren tot de opdracht van de architect en adviseurs.
11.2.
Algemene eisen
Voor een overzicht van de technische kwaliteitseisen op ruimteniveau verwijzen wij naar de ruimtematrix (nog toe te voegen bijlage). De eisen die in dit Programma van Eisen en de ruimtematrix zijn uitgewerkt gelden als aanvulling op of als verdere specificatie van de gestelde eisen in de ondergenoemde documenten. Indien niet nader gespecificeerd, geldt bij afwijkende of tegenstrijdige eisen de zwaarste eis. Ten behoeve van de technisch kwaliteit van het te ontwikkelen gebouw, inclusief installaties, moet worden uitgegaan van de volgende documenten: ▪ Voor museale ruimten: ASHRAE applications handbook meest recente versie: chapter 21: Museums, Libraries and Archives. Gestreefd moet worden naar het realiseren van minimaal klasse A1 in het gehele museum.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 58
▪
Gaandeweg de ontwerpfase zal nader gedifferentieerd moeten worden welke klasse in de betreffende ruimte realiseerbaar is. o controle klasse A1 o jaargemiddelde T=21C, o jaargemiddelde RV=50% o korte fluctuaties en ruimtegradiënt T: +/- 2K ( 19-23C) o korte fluctuaties en ruimtegradiënt RV: +/- 5% ( 45-55%) o seizoen aanpassing in setpoint Tverhoging: 5K, o seizoen aanpassing in setpoint Tverlaging: 10K o seizoen aanpassing in setpoint RV: geen verandering o In geval een overschrijding dreigt wordt de interne organisatie en de installateur (onderhoud) automatisch gealarmeerd. Voor werkplekken: Handboek bouwfysische kwaliteit Gebouwen, versie 2.30 d.d. juni 2018 van de Nederlands Vlaamse Bouwfysica Vereniging. Het algemenen uitgangspunt hierbij is kwaliteitsniveau 'goed' (B) Voor het thermisch binnenklimaat geldt echter het prestatieniveau Klasse B volgens de ISSO 74.
De bouwfysische eisen in de ruimtematrix zijn basis eisen. Als het ontwerp in relatie tot het gebruik aanleiding geeft om betere eisen toe te passen, zal de bouwfysisch adviseur dit kenbaar maken aan het ontwerpteam en de opdrachtgever. In het ontwerpteam worden de eisen tijdig afgestemd met en door de bouwfysisch adviseur. Indien de eisen voor een specifieke ruimtefunctie niet zijn opgenomen in de opsomming van documenten, moet worden uitgegaan van de eisen van de best passende / vergelijkbare ruimtefunctie, die wel is opgenomen in genoemde documenten. Bij discussie over de te hanteren ontwerpuitgangspunten geldt de zwaarste eis, een en ander door de opdrachtgever te bepalen. Middels de bepalings- en berekeningswijze, zoals opgenomen in de bovengenoemde documenten moet worden aangetoond dat aan de eisen is voldaan.
11.3.
Comfort
11.3.1.
Thermisch en hygrisch comfort
In het gebouw moet het thermisch en hygrisch binnenklimaat zodanig zijn dat de aan de ruimte toebedeelde functies optimaal kunnen worden uitgevoerd. Om een goed binnenklimaat te realiseren, dient een goed samenspel tussen gebouw, gebouwinstallaties, regeling en inrichting plaats te vinden. Hiertoe worden gedurende de zomerperiode onder andere nadere eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare ruimtetemperatuur en in het stookseizoen aan de minimaal toelaatbare ruimtetemperatuur. Met name in de museale presentatieruimtes moeten de schommelingen van temperatuur en relatieve vochtigheid binnen de gestelde eisen vallen. 11.3.1.1. Temperatuur De gestelde eisen voor zowel temperatuur als energiezuinigheid worden bereikt door zoveel mogelijk gebruik te maken van passieve bouwkundige voorzieningen, zoals goede thermische isolatie, hoog
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 59
rendementsbeglazing, zonwerende voorzieningen en door gebruik van het accumulerende vermogen van gebouwmassa. Uitgangspunt voor het thermisch comfort in de verblijfsruimten/verblijfsgebieden niet zijnde museale funties, is Categorie B uit NEN-ISO 7730:2005 In deze norm zijn naast de eisen aan de toegestane ruimtetemperatuur, eisen gesteld aan de vloertemperatuur, temperatuurgradiënt (temperatuursverloop over de hoogte van een ruimte), de zogenaamde stralingsasymmetrie, toegestane luchtsnelheid en tocht. TOB ontwerpuitgangspunten ▪ referentiejaar RA 2008 T1 ▪ personenbelasting: werkplekken obv maximaal aantal werkplekken, gedurende 8 uur ▪ personenbelasting: vergader/spreekkamers obv maximaal aantal personen volgens pers/m². gedurende 2 maal 3 uur verdeeld over de dag ▪ apparatuurbelasting, volgens Isso, werkplek PC gebaseerd op monitor 22" ▪ apparatuurbelasting laptop gebruik voor het aantal personen in de vergader / spreekruimten ▪ verlichting; volgend uit ontwerp, doch minimaal 5 W/m² Voor de temperatuur in al de verblijfsruimte/verblijfsgebieden betekent dit globaal het volgende: Bij hoge buitentemperaturen in de zomerperiode mag de binnentemperatuur beperkt oplopen; de temperatuur in de zomerperiode mag hierbij niet meer dan de volgens de vereiste klasse gestelde maximale gewogen uren per jaar hoger zijn dan 25,5 oC.
'Gewogen' betekent dat 1 uur van 27,5 oC circa 2x zo zwaar weegt als 1 uur van 26,5 oC. In aanvulling op deze eis geldt dat in de TOB de temperatuur nooit hoger dan 28oC mag zijn. Om dit te realiseren moet gebruik worden gemaakt van actieve koeling. De klimaateisen die in de museale ruimten worden gesteld, volgen de ASHRAE systematiek. ▪ controle klasse A ▪ jaargemiddelde T=21ᵒC, ▪ jaargemiddelde RV=50% ▪ korte fluctuaties en ruimtegradiënt T: +/- 2K ( 19-23ᵒC) ▪ korte fluctuaties en ruimtegradiënt RV: +/- 5% ( 45-55%) ▪ seizoen aanpassing in setpoint Tverhoging: 5K, ▪ seizoen aanpassing in setpoint Tverlaging: 10K ▪ seizoen aanpassing in setpoint RV: 10% (40-60%) In geval een overschrijding dreigt wordt de interne organisatie en de installateur (onderhoud) automatisch gealarmeerd. In verband met de museale eisen, beschikken de verblijfsruimten / verblijfsgebieden over een individuele ruimte temperatuurregeling d.m.v. het centrale gebouw beheer systeem (GBS), dat naast de temperatuur eveneens de RV binnen de toegestane bandbreedte houdt. De operatieve temperatuur (zomer en winter) is individueel te regelen met een minimale bandbreedte van 4K binnen de gekozen grenswaarden. De snelheid waarmee de operatieve ruimtetemperatuur veranderd is minimaal 1K per kwartier. 11.3.1.2.
Vochtigheid De relatieve vochtigheid in de museale ruimten en depots voldoen idealiter aan de eisen volgens ASHRAE A1. Deze toegestane variatie volgt eveneens de waarden zoals vastgelegd in ASHREA A1. Omdat de
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 60
ruimten afzonderlijk op de juiste conditie moeten worden gehouden, maar ook verschillend belast zullen worden, zal de be-, en ontvochtiging ook per ruimte plaats moeten vinden. De bevochtiging wordt op een duurzame wijze gerealiseerd. 11.3.2.
Ventilatie
Bijzondere aandacht is vereist voor de kwaliteit van de ventilatielucht, ook na 10 jaar moet deze nog goed zijn. Het ontwerp moet zodanig zijn dat onderhoud en schoonmaak van luchtkanalen kan worden beperkt, maar ook goed mogelijk is. Dit kan worden gerealiseerd door: ▪ goede kwaliteit luchtfilters toe te passen; ▪ luchtdichtheidsklasse ventilatiesysteem minimaal LUKA C; ▪ kanalen zoveel mogelijk in rond uitvoeren (bouwkundig dient hier rekening mee te worden gehouden); ▪ kanalen zo veel mogelijk op eenvoudig bereikbare plaatsen te situeren; ▪ kanalen voorzien van inspectieluiken. De toe te voeren ventilatielucht voor verblijfsruimten en gebieden vindt altijd rechtstreeks van buiten plaats en de minimale eisen dienen overeenkomstig de in dit PvE gemelde klasse (A, B of C) onder alle omstandigheden gegarandeerd te zijn zonder dat dit afbreuk doet aan de overige klimaateisen. De wijze van ventileren dient zodanig te zijn dat een goede doorspoeling van de ruimte is gegarandeerd (hoge ventilatie efficiëntie), waarbij tevens aandacht dient te worden besteed aan een goede luchtafvoer van iedere ruimten afzonderlijk. Voor de luchtsnelheden in de leefzone wordt de volgende grens gesteld: de zogenaamde Predicted Mean Vote (PMV) ligt tussen -0,5 en +0,5. Een en ander als functie van de luchttemperatuur en de turbulentie intensiteit.
Belangrijk aandachtspunt hierbij zijn bijvoorbeeld werkplekken, waarbij de kans op tochtklachten vanwege de open verbinding met de hal of de entree groot is, zoals baliewerkplekken. Balies die deel uitmaken van of grenzen aan een verkeersruimte moeten worden beschouwd als een verblijfsruimte. Om akoestische redenen kunnen in nader benoemde ruimten beperkingen worden gesteld aan de luchtsnelheid ter voorkoming van een te hoog niveau van het achtergrondgeluid. De benodigde hoeveelheid verse lucht in de leefzone is afhankelijk van de ruimtefunctie en de gebruiksintensiteit en dient afgestemd te zijn op het minimale luchtdebiet per persoon overeenkomstig de gehanteerde klimaatklasse B (50 m³/h). In spreekkamers, vergader- en multifunctionele ruimten, geldt een verhoogd ventilatievoud en zijn voorzien van een variabele gebruiksafhankelijke regelbaarheid. De afvoerlucht uit de toiletten, douches, werkkasten en dergelijke, evenals de reproruimten wordt aangesloten op een separaat afvoerkanalenstelsel en op het afvoerkanaal in de directe nabijheid van de luchtbehandelingskast aangesloten om geurverspreiding in het gebouw te voorkomen. De afzuiging voor de toiletten en dergelijke functioneert in principe minimaal 1 uur na afsluiting van het gebouw.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 61
11.4.
Licht
11.4.1.
Daglicht
De positie van de werkplekken dient zodanig gekozen te worden dat daglicht aanwezig is volgens de arbo regelgeving. Uitgangspunt is het beperken van energiegebruik (voor kunstverlichting en koeling) en het creëren van een optimale werkomgeving door optimalisatie van daglichttoetreding. Direct zonlicht dient zodanig de ruimten van het gebouw binnen te vallen dat het geen hinder veroorzaakt tijdens werkzaamheden die normaliter in de betreffende ruimte worden uitgevoerd. Daar waar zonlichttoetreding tot ongewenste gevolgen, zoals reflecties, verblinding en opwarming kan leiden, dient te worden voorzien in een mogelijkheid voor de gebruiker om de zon te weren. Ook hierbij dienen de eisen ten aanzien van spiegeling en reflectie volgens de Arbo-norm te worden toegepast.
11.5.
Geluid
11.5.1.
Nagalmtijd
De akoestiek van verblijfsruimten (zoals de publieks- en presentatieruimtes) wordt voor een groot deel bepaald door de nagalmtijd. Vooral in grote verblijfsruimten is het moeilijk de gewenste nagalmtijd te bereiken. Hiervoor is specifieke aandacht noodzakelijk. In de verblijfsruimte is voldoende geluidsabsorberend materiaal in de vorm van bijvoorbeeld akoestische plafonds. Ten behoeve van de nagalmtijd voor het middenfrequentiegebied, 250-2000 Hz, gelden de waarden zoals opgenomen in de ruimtematrix. Deze zijn gebaseerd op een niet ingerichte situatie conform het Handboek bouwfysische kwaliteit voor kantoren van de NVBV. Hierin wordt rekening gehouden met een na- correctie door de inrichting. Een goede spraakverstaanbaarheid in de verblijfsruimten is een belangrijk aandachtspunt. Bijvoorbeeld h der jke ( utter)ech ’s z j te v rk me d r t epass ng van afschermende elementen c.q. materialen. Speciale aandacht wordt gevraagd voor de kleinere verblijfsruimten. Bij werkplekken in grote ruimten en tussen werkplekken onderling akoestische maatregelen treffen zodat voldoende privacy is gewaarborgd. 11.5.2.
Geluidsisolatie
De luchtgeluidsisolatie tussen ruimten is van zodanig niveau dat geluidshinder wordt voorkomen/afdoende wordt beperkt. Voorzieningen opnemen ter voorkoming van geluidsoverdracht via andere wegen zoals omloopgeluid, flankerende overdracht, geluidslekken et cetera. Zie de eisen zoals opgenomen in de ruimtematrix (bijlage, nog toe te voegen). Deze zijn gebaseerd op het Handboek bouwfysische kwaliteit voor kantoren van de NVBV. Tevens moet overlast door contact- en loopgeluid worden voorkomen. Onder andere de ruimtes met harde vloerafwerking zijn een aandachtspunt. Afhankelijk van de geluidproductie in specifieke ruimten dienen maatregelen te worden genomen om de geluiduitstraling naar de omgeving te beperken tot het in de regelgeving toegestane niveau.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 62
11.5.3.
Achtergrondgeluidsniveau
Er mag in de verblijfs- en verkeersruimten geen hinder worden ondervonden van omgevingsgeluid (geluid van buiten) en/of installatiegeluid afkomstig van technische installaties (bijv. koelmachines, luchtbehandeling, keukeninstallaties etc.). Dit betreft zowel achtergrondgeluid via luchtkanalen en roosters als lucht- en contactgeluid van apparatuur. Zie de eisen zoals opgenomen in de ruimtematrix (bijlage, nog toe te voegen). Deze zijn gebaseerd op het Handboek bouwfysische kwaliteit voor kantoren van de NVBV, Wanneer er sprake is van een tonaal geluid, zal de geldende verzwaarde eis behorende bij een dergelijke ruimte van toepassing zijn. Tevens dient geluidhinder als gevolg van trillingen te worden voorkomen door onder andere trillinggeïsoleerde opstelling van apparatuur of toepassing van een zwevende dekvloer. De benodigde maatregelen om hinder te voorkomen dienen te worden bepaald door de adviseur bouwfysica en akoestiek en maken onderdeel uit van de opdracht. Deze eis is aanvullend op de prestatie-eis voor contactgeluidsisolatie.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 63
12.
Bouwkundige eisen
Dit hoofdstuk beschrijft de bouwkundige eisen voor het gebouw als geheel en op ruimteniveau in hoofdlijnen, voor zover niet volgend uit de technische kwaliteitseisen. Eventueel zijn expliciete oplossingsrichtingen beschreven om de genoemde technische kwaliteitseisen te realiseren. De architect en de adviseurs moeten heldere, inzichtelijke en integrale afwegingen maken voor de bedachte ontwerpoplossingen als het gaat om aspecten zoals museale en monumentale functies, energiebesparing, beperking van onderhoudskosten, Duurzaam Bouwen, welzijn en comfort, architectuur en dergelijke.
12.1.
Bouwkundige maatregelen flexibiliteit gebruik, multifunctionaliteit
Een monumentaal pand als het Prinsenhof, is per definitie niet optimaal flexibel te maken. Gezocht zal moeten worden naar de mogelijkheden om ruimten meerdere functies te geven en welke mogelijkheden er zijn om in de museale ruimtes verschillende collecties met variërende eisen te kunnen exposeren. Daarnaast is er de wens om de ruimtes van het entreegebied, museumwinkel en museumcafé bij blockbusters te kunnen vergroten met een aanliggende ruimte (die dan tijdelijk een andere functie krijgt).
12.2.
Constructie
Aan de hand van de bestaande constructie zal onderzocht moeten worden welke vloerbelasting gerealiseerd mag worden, wanneer de gedachte ontwerpoplossingen hiertoe aanleiding geven. Aandachtspunt is de vloerbelasting in de presentatieruimtes op de verdiepingen (gewicht vitrines en objecten).
12.3.
Aanpassingen aan bestaand gebouw
Nieuwe gebouwelementen moeten reversibel worden uitgevoerd wat inhoudt dat deze niet aan vaste monumentale gebouwonderdelen verlijmd of geschroefd mogen worden. Het gebruik van kit of pur-schuim daar waar nieuwe gebouwonderdelen het monument raken is niet toegestaan.
12.4.
Dak, gevels en gevelopeningen
De gebouwschil vormt een belangrijk aspect binnen de mogelijkheden voor het te realiseren museale binnenklimaat. Of bouwfysische aanpassingen wenselijk of zelfs mogelijk zijn hangt van veel factoren af en is niet simpel vast te leggen in een eis voor de nieuwe Rc of U waarde. Onderzocht moet worden welke nieuwe binnenklimaatsituatie wenselijk is en welke invloed deze situatie heeft op de totale gevel. Voor het behoud van het interieur en de collectie in Museum Prinsenhof Delft, is een gunstig en stabiel binnenklimaat een belangrijke factor. Dit binnenklimaat ondervindt invloed van buitenaf en met de huidige gevel inclusief de kozijnen en ramen, zal de invloed een belangrijke factor zijn. Verbetering van de gevel, inclusief de kozijnen en ramen is dus wenselijk, omdat bij aanpassing aan de eisen van het binnenklimaat overeenkomstig ASHRAE A1, zullen de verschillen in de winter in met name de absolute vochtigheid tussen
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 64
binnen en buiten toenemen. Door deze grotere verschillen zal ook de warmte en damptransport toenemen en kan dit negatieve invloed op de gevel inclusief kozijn en glas hebben. Om een optimum te kunnen bereiken tussen behoud van het monument en verbetering van de bouwfysische eigenschappen, zullen verbetervoorstellen met betrekking tot de huidige bouwfysische situatie gedaan moeten worden. Deze voorstellen moeten zodanig opgebouwd en onderbouwd zijn dat er een zorgvuldige afweging en balans kan plaatsvinden tussen monumentale waarde en comfort-, klimaat- en energie-eisen vanuit de museumfunctie. Een heel belangrijk item heeft betrekking op het kozijn en glas. In verband met de toename van de RV, zal met name in de winterperiode in de huidige situatie condensatie optreden, om dit te voorkomen en energieverbruik te beperken zal hiervoor een duurzame en onderhoudsarm voorstel aangedragen moeten worden. De ramen in de tentoonstellingszalen moeten verduisterd kunnen worden/UV werend kunnen worden gemaakt, in diverse gradaties al naar gelang de te tonen collectie.
12.5.
Vloeren en vloerafwerking
De vloerafwerking wordt bepaald door de functie en uitstraling van de ruimte en welke monumentenstatus deze bestaande vloer heeft. De bestaande historische vloeren dienen zoveel mogelijk gehandhaafd en waar nodig hersteld te worden. Voor de vloeren in de presentatieruimtes en de hiermee gerelateerde ruimtes is het volgende belangrijk: ▪ geen beweging/trillingen ▪ geschermde, zichtbare (bestaande) vloerafwerking ▪ geen gevaar voor uitglijden, geen gladde vloeren ▪ niveauverschillen duidelijk zichtbaar (geen struikelgevaar) Op locaties waar aanpassingen aan het gebouw plaatsvinden zijn, voor zover realiseerbaar, algemeen gestelde eisen aan de vloerafwerkingen: ▪ de vloeren en de vloerafwerkingen van binnen- en buitenruimten moeten in overeenstemming zijn met de functie en het gebruik van de desbetreffende ruimte.
Hiertoe dienen vloerafwerkingen in ieder geval vochtbestendig, voldoende sterk, slijtvast, splintervrij, allergeenarm, antistatisch en makkelijk te reinigen te zijn; niet glad, wel egaal; ▪ alle ondergronden van de vloerafwerkingen dienen van een robuust en slijtvast materiaal te zijn, van de juiste voorbewerking te worden voorzien en te zijn afgestemd op de functionaliteit van de ruimte ten aanzien van de te verwachten belasting; ▪ alle vloeren dienen dorpelvrij te zijn, behalve de entreedeuren en deuren naar natte ruimten; ▪ onder de entreedeuren/buitendeuren (niet zijnde vluchtdeuren) een hardstenen dorpel voorzien van neuten; ▪ de bovenkanten van op elkaar aansluitende afgewerkte vloeren of vloergedeelten moeten met elkaar stroken, ook bij verschillende afwerkingen; ▪ de vloeren dienen geschikt te zijn (onder andere voldoende stroef) voor het beoogde gebruik; ▪ in "natte ruimtes" zijn de volgende stroefheidfactoren van toepassing: toiletruimten BR/10, doucheruimten BR/11.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 65
12.6.
Trappen
De bouwkundige voorzieningen voor verticaal transport dienen te voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit en de eisen gesteld in NPR 1815. Bestaande trappen die in het nieuwe ontwerp en routing in gebruik blijven dienen uiteraard voldoende veilig te zijn, maar hoeven niet aan de laatste normen te worden getoetst. Trapleuningen zijn daarbij een aandachtspunt. Naast deze eisen dienen de bouwkundige voorzieningen voor verticaal transport afgestemd te zijn op het specifieke gebruik in het gebouw. Zij dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de te verwachten voetgangersstromen op vlotte wijze en zonder het optreden van gevaarlijke situaties kunnen worden verwerkt. In verband met veiligheid en toegankelijkheid behoeft de afwerking van trappen en hellingbanen speciale aandacht. Belangrijk is dat trappen niet glad zijn en een bescherming hebben tegen schade.
12.7.
Binnenwanden en binnendeuren
De wanden en wandafwerking van de verschillende ruimtes kiezen in overeenstemming met het gebruik van de ruimtes en de aanwezige historische elementen. De wanden van de presentatieruimtes moeten geschikt zijn (of worden gemaakt) voor het hangen van zware objecten. De wandafwerking moet o.a. geschikt zijn voor bestickering. De ruimtes voor de tijdelijke tentoonstelling worden zoveel mogelijk voorzien van voorzetwanden (doos-principe); deze ruimtes zijn zo flexibel mogelijk te gebruiken. Alle wanden hebben de benodigde akoestische afscheidingen c.q. afdichtingen. Ook boven de plafonds zijn de voorzieningen voldoende geluidsisolerend. Doorvoeren in scheidingswanden en boven het plafond (bijvoorbeeld kabelgoten) zijn akoestisch afgedicht met het oog op de vereiste geluidsisolatie. Op kwetsbare plaatsen waar veel bezoekers komen en/of transport van goederen plaatsvindt, is de wandafwerking slag- en stootvast. De onderste laag (5 cm) van de binnenwanden heeft een stootvaste laag zonder scherpe randen. Bij flexibele indeelbaarheidseisen (bijvoorbeeld bij de werkruimtes) gaat de voorkeur uit naar systeemwanden. Echter wel met de uitstraling van vaste wanden. Deze binnenwanden hebben achterhoutvoorzieningen voor het ophangen van lichte voorwerpen. Deze voorzieningen zijn ruim bemeten en maken een flexibel gebruik van de ruimte mogelijk.
Voor de afmetingen van doorgangen in de presentatieruimtes en de hiermee gerelateerde ruimtes is het volgende een belangrijk wens: ▪ Ruimtes vaste presentatie: afmetingen deuropening ca. 240 cm hoog x 100 cm breed ▪ Ruimtes tijdelijke tentoonstellingen: afmetingen deuropening ca. 270 cm hoog x 120 cm breed ▪ Ruimtes expeditiecluster: afmetingen deuropening ca. 270 cm hoog x 120 cm breed
12.8.
Plafonds
De bestaande historische plafonds dienen zoveel mogelijk gehandhaafd en waar nodig hersteld te worden. Monumentale plafonds en balklagen waar mogelijk in het zicht houden.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 66
Voor de plafonds in de presentatieruimtes en de hiermee gerelateerde ruimtes is het volgende belangrijk: ▪ geen beweging / trillingen ▪ audiovisuele-apparatuur als beamers e.d. moeten flexibel te gebruiken en bereikbaar zijn voor aanpassingen.
12.9.
Technische ruimtes en schachten
Ten behoeve van de technische installaties worden technische ruimtes en schachten gerealiseerd die tevens voldoende ruimte bieden voor bediening, inspectie en onderhoud van de installaties en hebben geschikte toegangen voor vervanging van apparatuur. Ten behoeve van eventuele nog in de toekomst in te brengen installaties, moet rekening gehouden worden met een bruto m² vrij vloeroppervlak van 10% van het bij oplevering benodigde schachtoppervlak.
12.10.
Bouwkundige maatregelen beheer: schoonmaak, onderhoud, gebouwexploitatie
Het ontwerp van (de aanpassingen aan) het gebouw dient zodanig te worden gemaakt dat dit aantoonbaar gunstig is voor het gebouwbeheer en de beheerkosten; daarbij te denken aan het onderhoud van het gebouw, de levensduur van materialen, de schoonmaak, het energiegebruik e.d. De keuze voor de te gebruiken materialen en installaties wordt mede bepaald door de kosten die met het onderhoud gemoeid zijn. Detaillering en positionering van de gebouwonderdelen zijn zodanig dat dagelijks en periodiek onderhoud en vervanging tegen minimale kosten zijn uit te voeren. In het algemeen geldt dat voor materialen en constructie zowel interieur als exterieur 'krasvast', en 'vandalismebestendig' materiaal wordt toegepast. Daar waar meerdere materialen elkaar ontmoeten, bestaat een gelijkwaardigheid in de levensduur van diverse materialen. Voortijdige vervanging van het ene materiaal of uitgesteld onderhoud aan het andere materiaal is tot een minimum beperkt. Technische installaties dienen op meerdere plekken eenvoudig toegankelijk te zijn voor onderhoud of indien noodzakelijk voor vervanging van onderdelen. Bij het ontwerpen van schachten, plafonds en/of vloerafwerkingen moet hiermee dus rekening worden gehouden.
De ruimtes moeten eenvoudig schoon te maken zijn, hiermee rekening houden bij materiaalkeuze en detaillering (geen vuilvasthoudende materialen, geen hoekjes of nissen, voldoende stroompunten voor de stofzuiger, indien nodig schrobputten etc.). Uitzondering hierop zijn aanwezige monumentale interieuronderdelen zoals deurlijsten en plinten, deze moeten uiteraard behouden blijven. Bij het ontwerp moet verder rekening worden gehouden met maatregelen die het energiegebruik kunnen beperken. Het grootste deel van het onderhoud (en de bijbehorende onderhoudskosten) dient beperkt te blijven tot een klein aantal activiteiten, waaronder het vervangen en repareren van platte daken, schilderwerken, be-
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 67
en her-straten van terreinen en het vervangen van vloerafwerking. Deze activiteiten zijn beperkt en eenvoudig uitvoerbaar. Onderhoudscontracten worden bij aanbesteding van de bouw of na oplevering door de eigenaar/ beheerder(s) c.q. gebruiker(s) afgesloten. Hierop vooruitlopend dient in het ontwerp (o.a. bij de gekozen detaillering, materialen) rekening te worden gehouden met een zo eenvoudig mogelijk gebouwonderhoud en -schoonmaak. Tijdens de ontwerpfase stelt het ontwerpteam informatie beschikbaar waarmee de opdrachtgever c.q. de bouwkostenadviseur de onderhoudskosten na ingebruikname kan inschatten en een onderhoudsplanning kan voorbereiden. Afhankelijk van de resultaten kunnen dan alternatieve materiaalkeuzes worden gemaakt. Uitgangspunt daarbij is Total Cost of Ownership. Keuzes in het ontwerp moeten kunnen worden onderbouwd met een TCO berekening.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 68
13.
Technische installaties algemeen
In dit hoofdstuk worden voor het gebouw als geheel en op ruimteniveau in hoofdlijnen de algemene eisen aan de technische installaties omschreven. Voor de meer gedetailleerde eisen op ruimteniveau verwijzen wij naar de ruimtematrix (nog toe te voegen bijlage). De architect en de adviseurs moeten heldere, inzichtelijke en integrale afwegingen maken voor de bedachte ontwerpoplossingen als het gaat om aspecten zoals museale en monumentale functies, energiebesparing, beperking van onderhoudskosten, Duurzaam Bouwen, welzijn en comfort, architectuur en dergelijke. De goedkeuring van voorgestelde zichtcomponenten kan pas plaatsvinden na fysiek bemonsterd te zijn, Tevens moet de bevestiging van de component beoordeeld worden.
13.1.
Installatieopzet
De installaties dragen bij aan een doelmatig, bedrijfszeker, flexibel en efficiënt gebruik van het gebouw en dragen bij aan het comfort ter plaatse van de werkplekken en zorgen voor een optimaal klimaat in de museale ruimten. Aan de installaties van het gebouw zijn naast eerder genoemde beschrijvingen gebruikersvriendelijk. Dat geldt voor: instelbaarheid, meetbaarheid en regelbaarheid. In verband met de monumentale waarde van het gebouw moet de architect en de adviseurs streven naar een optimaal installatieontwerp waarbij naast de comfort en energie-eisen ook rekening gehouden wordt met de monumentale waarde van het pand. Sparingen in monumentale gebouwonderdelen moet zo veel mogelijk vermeden worden en installaties uit het zicht plaatsen. Bij het ontwerpen van de installatie zoals, opstelplaatsen van luchtbehandelingskasten en warmtepompen, zonnepanelen (indien toepast) sparingen in dak en gevel dient rekening gehouden te worden met de monumentale waarde van het pand en het beschermd stadsgezicht; ook het daklandschap is vanuit omliggende panden te zien. Ook in het interieur dient bij het ontwerpen van installatie-elementen als radiatoren, kanalen, leidingen en uitblaas- en afzuigroosters rekening gehouden te worden met de monumentale interieurwaarden in het pand. Dat brengt mogelijk beperkingen met zich mee, waardoor een zorgvuldige afweging gemaakt moet worden.
De technische installatie moet ontworpen en gerealiseerd zijn opdat de eisen voor de museale ruimten volgens ASHRAE klasse A1 gerealiseerd kan worden en de werkplekken volgens klimaatklasse B volgens isso 74. De eisen volgens ASHRAE A1 stelt onder andere zware eisen aan de snelheid van reageren op klimaatafwijkingen. Dit heeft betrekking op de positie en nauwkeurigheid van de meetinstrumenten, maar ook met de snelheid waarmee regelorganen kunnen reageren en daarna hoe snel en nauwkeurig de installatie in staat is de ruimteconditie weer op peil te brengen en te houden. Bij de selectie van de te installeren componenten vragen wij hiervoor extra aandacht, dient de fabrikant bewezen bekend te zijn met museale ASHRAE klasse A1 eisen en moeten de toe te passen componenten bewezen technologie zijn. Technische ruimten en schachten beschikken over voldoende ruimte voor bediening, inspectie en onderhoud van de installaties en hebben geschikte toegangen voor vervanging van apparatuur. De reserveruimte in de schachten moeten vrij blijven van installaties tot en met de oplevering. In verband met verschil in openingstijden van het museum en de overige werkplekken, is het mogelijk de diverse installatiedelen afzonderlijk in te stellen.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 69
De voorzieningen ten behoeve van de installaties (ventilatie, verlichting en dergelijke) zijn optimaal geïntegreerd in de opzet, de constructie en uitvoering van de plafonds, wanden en dergelijke om een logisch verdeling te realiseren. De installatie is zodanig dat een energetisch verantwoorde schakeling te realiseren is. Rekening houden met monument en de museale uitstraling van de ruimtes De installatietechnische voorzieningen voor de museale ruimten zijn optimaal ingezet om een zo goed mogelijk binnenklimaat te realiseren. In de basis wordt voldaan aan ASHRAE klasse A. Tijdens de ontwerpfase zal uit de installatietechnische EN bouwfysische mogelijkheden irt monumentale en museale functie moeten blijken welke klasse uiteindelijk gerealiseerd kan worden.
13.2.
Energiezuinigheid
Het milieu en de exploitatie kunnen door energiezuinigheid worden verbeterd. De navolgende duurzame voorzieningen dienen opgenomen te worden, of op z'n minst worden overwogen. Afwijkingen op deze voorzieningen zal beargumenteerd moeten worden: ▪ Luchtbehandelingskasten voorzien van Eurovent A certificaat en voldoet aan de ERP 2018; ▪ Luchtbehandelingskasten voorzieningen van regeneratieve en hoog rendement warmte-, en vochtterugwinning (minimaal 85%); ▪ Het toepassen van traploos regelbare IE4 toerengeregelde ventilatoren; ▪ Vraag gestuurde ventilatie per ruimte obv temperatuur/ Relatieve vochtigheid en CO2-regeling in ruimten met een hoger ventilatievoud dan 2 en 250 m3/h; ▪ Toerengeregelde High Efficiency pompen; De selectie van de pompen dienen gemaakt te worden op basis van energieverbruik en optimaal werkpunt.
voor pompen in een circulatiesysteem met vast debiet, selecteren op laagste energieverbruik bij het werkpunt Voor toerengeregelde pompen in een debietgeregeld systeem, selecteren op totaal energieverbruik waarbij te rekenen met de volgende belastingprofielen: - 100% debiet en 100% opvoerhoogte gedurende 10%van de tijd - 75% debiet en 88% opvoerhoogte gedurende 35%van de tijd - 50% debiet en 75 opvoerhoogte gedurende 35%van de tijd - 25% debiet en 63% opvoerhoogte gedurende 20%van de tijd ▪ De frequentie van de pomp dient bij het werkpunt minimaal op 90% van het maximum te liggen ▪ Warmtepomp (eventueel in combinatie met warmte-/koudeopslag); ▪ toepassen van vrije koeling; ▪ Laagwater Temperatuur (LT) verwarmingsinstallatie; ( betrekken in combinatie met de mogelijkheden tot verbetering van de gevel) ▪ HoogwaterTemperatuur(HT) koel installatie; ▪ Waterbesparende sanitaire toestellen. ( niet lager dan 6 ltr per spoeling); ▪ LED verlichtingsarmaturen; ▪ Aanwezigheidsschakeling op de kunstverlichting in het gehele gebouw, die in alle gebieden/ruimten ook kan worden overruled. In de verblijfsgebieden is de verlichting tevens in nader te bepalen delen schakelbaar; ▪ Daglichtafhankelijke dim regeling; ▪ Veegpulsregeling; ▪ Centrale voorziening voor toepassing van zonnepanelen.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 70
▪ Zonnepanelen ▪ een energiezuinige opwekking voor luchtbevochtiging toepassen en aantonen op basis van TCO.
13.3.
Aansluiting op nutsvoorzieningen
Het gebouw aan te sluiten op de volgende nutsvoorzieningen (voor zover niet al voorzien): ▪ water; ▪ riolering (indien mogelijk hemelwater door middel van infiltratie in de bodem); ▪ elektriciteit; ▪ telefoon; ▪ glasvezelaansluiting. Een en ander nader te bepalen in samenhang met mogelijke duurzame energieopwekking. Het te verwachten verbruik van het gebouw afstemmen met het toeleverend bedrijf en de benodigde bouwkundige voorzieningen voor deze aansluiting opnemen. De tussen-bemetering van energieverbruik van de verschillende installaties en de verschillende gebruikers (indien van toepassing) dient de flexibiliteits- en gebruikseisen te volgen.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 71
14.
Werktuigkundige installaties
In dit hoofdstuk worden voor het gebouw als geheel en op ruimteniveau in hoofdlijnen de eisen aan de werktuigkundige installaties omschreven. De architect en de adviseurs moeten heldere, inzichtelijke en integrale afwegingen maken voor de bedachte ontwerpoplossingen als het gaat om aspecten zoals museale en monumentale functies, energiebesparing, beperking van onderhoudskosten, Duurzaam Bouwen, welzijn en comfort, architectuur en dergelijke. In het Onderzoek Museaal binnenklimaat van Deerns d.d. juli 2020 (bijlage, de definitieve versie van deze studie wordt nog bijgevoegd), zijn mogelijkheden onderzocht voor het realiseren van het gewenste binnenklimaat, op basis van een fictief vlekkenplan (ontwerpstudie Zeeuwse Jongens). Deze voorstellen zijn niet per definitie 'de oplossing' maar bieden het ontwerpteam enig inzicht van waaruit mogelijk verder ontworpen kan worden. De voorstellen in deze bijlage zijn niet bindend en kunnen tijdens het ontwerp zeker veranderen of geoptimaliseerd worden.
14.1.
Warmte- en koudeopwekking
De verwarming- en koelinstallaties hebben voldoende capaciteit om de comfort-, en museale-eisen in de ruimten van het gebouw te realiseren (een goed klimaat voor objecten, maar ook comfortabel en gezond voor mensen). Uitgangspunt is een energiezuinige wijze van warmte- en koudeopwekking voor zowel gebouwverwarming/-koeling als voor warm tapwater. Tevens specifieke ruimten, zoals een serverruimte en overige ICT-ruimten eveneens energiezuinige koeling toepassen.
14.2.
Klimaatinstallatie
De klimaatinstallaties dient zodanig te worden ontworpen en gerealiseerd dat het vereiste binnenklimaat te allen tijde kan worden gerealiseerd met inachtneming van de overige comfort-, en museale-eisen, zoals tocht en koudeval. Een goede doorspoeling van de ruimten met ventilatielucht waarborgen door de keuze voor het luchtbehandelingsysteem en de toevoercomponenten die niet vervuilen door inducerende werking. Het luchtbehandelingssysteem ontwerpen in samenhang met de koeling en verwarming van de ruimten. De installatie is zodanig dat: ▪ de installatie in de ruimten waar de werkplek zijn ondergebracht, is door de individuele gebruiker handmatig bedienbaar is zowel voor de verwarming en koeling, en het ventilatiedebiet, bij een hoger ventilatievoud dan 2; ▪ De snelheid waarmee de operatieve ruimtetemperatuur veranderd is minimaal 1K per half uur. ▪ er (per ruimte) ventilatielucht mechanisch wordt toegevoerd en afgezogen; ▪ tijdens bedrijfsuren geen recirculatielucht wordt gebruikt;
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 72
▪ ▪
▪ ▪ ▪ ▪
energievernietiging door gelijktijdig koelen en verwarmen wordt voorkomen; (tenzij dit vanuit vochteis noodzakelijk is); bij apparatuur waarbij warmte en eventuele schadelijke stoffen en dampen vrijkomen, zoals grotere printers, kopieerapparatuur en lichtdrukmachines, is een afgescheiden opstelling van deze apparaten en gescheiden afzuiging vereist; de geluidsproductie van het ventilatiesysteem blijven binnen de in dit PvE genoemde waarden. Waarbij tevens gelet wordt op hinder tgv eventueel tonaal geluid de leidingen en appendages thermisch geïsoleerd zijn. naast de mechanische toegevoerde lucht er mogelijkheden in de kantoren zijn om via te openen delen verse buitenlucht toe te staan. Het luchttoevoerdebiet in het gebouw/ per verblijfsruimte is zodanig dat er, na aftrek van de luchthoeveelheden van de mechanische afzuigsystemen, 10% meer lucht wordt toegevoerd en er een geringe overdruk ontstaat.
14.2.1.
Luchtbehandelingskasten
De luchtbehandelingskasten voldoen aan de laatste richtlijnen en eisen met betrekking tot o.a. duurzaamheid. De luchtbehandelingskasten zijn dubbelwandig en koudebrugvrij. Kleppensecties, filterframes, verwarmings- en koelerbatterijen zijn behandeld met een corrosiewerende coating. De filtersectie is gemaakt van r.v.s. 316 ter voorkoming van doorroesten. Minimaal zal een Filter ISO ePM1 85% toegepast moeten worden, waarbij rekening moet worden gehouden met de standtijd van het filter in relatie tot het gebied, dus indien noodzakelijk zal een voorfilter ISO ePM10 60% aanvullend toegepast moeten worden. Aanvullende filters i.v.m. museale eisen zullen in de ontwerpfase door het ontwerpteam moeten worden onderzocht Aanzuiging van ventilatielucht bij voorkeur niet bovendaks, maar in ieder geval op een niet-zonbelaste oriëntatie. Enkel bij aanwarmen moet het mogelijk zijn te recirculeren en voor Vrije koeling is het via een bypass mogelijk zonder warmteterugwinning verse lucht toe te voeren.
14.2.2.
Luchtkanalen
Het kanalensysteem voldoet aan luchtdichtheidsklasse LUKA C en dient overeenkomstig de geëigende beproevingsmethode volgens Luka aangetoond te worden. Vanuit duurzaamheidsoogpunt en geluid, de luchtsnelheden beperken en al de rechthoekige kanaalaftakkingen (zowel in de schachten als op de verdiepingen) in het toevoerkanaal als splitsing uitvoeren. De ronde kanalen een stromende aftakking onder 45°. De kanaalafmetingen kiezen binnen het voorkeursgebied zoals door Luka is aangegeven. In de luchtkanalen inregelvoorzieningen opnemen om een luchtbalans te realiseren. Het buitenlucht aanzuigkanaal is inwendig dubbel gebitumeerd. De buitenluchtaanzuig-, en afblaaskanalen zijn uitwendig thermisch en dampdicht geïsoleerd. De luchttoevoerkanalen zijn uitwendig thermisch geïsoleerd. Isolatie is voldoende beschermd om in de gebruiksduur onnodige beschadiging te voorkomen. (kanalen in de buitenlucht zijn voorzien van stuco beplating) In kanalen waar nodig overspraakdempers toepassen. De inregelvoorzieningen in de kanalen moeten op logische en bereikbare plaatsen worden gepositioneerd Brandkleppen dienen tevens zodanig gepositioneerd te worden dat deze op een eenvoudige wijze zijn te inspecteren. De kanalen moeten voorzien worden van de benodigde inspectieluiken onder andere ter plaatse van brandkleppen.
De toe te passen inregelvoorzieningen moeten standaard voorzien zijn van een stand-aanduiding en een vastzetinrichting.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 73
De installatiecomponenten die aangesloten worden met (akoestische) slangen, dienen met metalen slangklemmen te worden bevestigd (tyraps volstaan niet). Om energieverspilling te minimaliseren de weerstand in het luchtkanalensysteem minimaliseren door lage luchtsnelheden vloeiende bochten en lage benodigde voordrukken bij roosters. Ook de infrastructuur en p s t es va de LBK’s a stemme p ee z ’ aag m gelijke weerstand. Ontwerpluchtsnelheden in de kanalen mogen onderstaande waarden in principe niet overschrijden : ▪ Hoofdkanalen in de schacht, technische ruimte of bovendaks : 6 m/s ▪ Hoofdkanalen op de verdiepingen: 4,5 m/s ▪ Aansluitkanalen naar luchttoevoer componenten: 3 m/s Indien er situaties zijn dat de luchtsnelheid hoger moet zijn in verband met de vereiste luchthoeveelheid en beperkt beschikbare ruimte, zullen akoestische maatregelen getroffen moeten worden om geen geluidshinder te veroorzaken. 14.2.3.
Luchtbevochtingsinstallatie
De noodzaak voor actieve bevochtiging is in de museale ruimten absoluut aanwezig, Noodzakelijk is dat bacteriële, chemische en fysische verontreinigingen worden vermeden. Indien om zwaarwegende redenen als alternatieve oplossing voor luchtbe-/ontvochtiging in de tentoonstellingszalen losse units worden toegepast, moeten er aparte aansluit- en afvoerpunten worden gerealiseerd voor vullen en weggooien van water uit de tanks (niet in toiletten of bij brandhaspels). 14.2.4.
Mechanische ventilatie
algemeen De benodigde hoeveelheid verse lucht in de leefzone is mede afhankelijk van de ruimtefunctie en de gebruiksintensiteit en dient afgestemd te zijn op het minimale luchtdebiet per persoon. De luchtsnelheden in de leefzone voldoen aan de maximale toelaatbare waarden conform de NEN-norm. Een en ander als functie van de luchttemperatuur en de turbulentie intensiteit. Belangrijke aandachtspunten hierbij zijn bijvoorbeeld werkplekken waarbij de kans op tochtklachten vanwege de open verbinding met de centrale hal of de entree groot is, zoals baliewerkplekken. Werkplekken die deel uitmaken van of grenzen aan een verkeersruimte worden beschouwd als een verblijfsruimte. Luchttoevoercomponenten (roosters) worden zo geselecteerd dat zij niet vervuilen door inducerende werkingen en zo gepositioneerd dat zij een optimale doorspoeling van de ruimte realiseren zodat de eisen volgens ASHRAE klasse A1 gerealiseerd wordt. Voor de afvoer van ventilatielucht dient tevens aandacht te worden besteed aan een goede luchtafvoer van iedere ruimten afzonderlijk. De luchtafvoer vindt plaats via een afvoerkanalenstelsel per ruimte. Een of meerdere centrale afzuigpunten zijn toegestaan, mist dit geen tocht en geluidsklachten geeft en een goede doorspoeling van de ruimte niet in de weg staat.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 74
Overzicht per ruimtesoort (gebruiksfunctie) Het mechanische toevoerdebiet bedraagt: ▪ Verblijfsgebied ▪ Verblijfsruimte ▪ museale ruimten ▪ vergaderfunctie ▪ alle niet genoemde niet-verblijfsruimten
≥ m³/h m² ≥ 5 m³/h m² afhankelijk van mogelijk te realiseren ASHRAE A1 klasse ≥ 1 m³/h m² ≥ ,5 m³/h m²
De luchthoeveelheid per persoon per ruimtesoort bedraagt: ▪ Verblijfsgebied 35 m³/h persoon ▪ Verblijfsruimte 50 m³/h persoon ▪ kantoorfunctie 50 m³/h persoon ▪ vergaderfunctie 40 m³/h persoon ▪ multifunctionele ruimte 35 m³/h persoon 14.2.5.
Mechanische afzuigvoorzieningen
De afvoerlucht uit de toiletten, keuken douche, werkkasten en dergelijke alsmede de repro-ruimten wordt aangesloten op een separaat afvoerkanalenstelsel en in de nabijheid van de luchtbehandelingskast gekoppeld op het afzuigkanaal. . De eventuele afzuiging ten behoeve van de repro-ruimte is gekoppeld aan de opgestelde apparatuur De mechanische afvoerventilatie heeft voor niet-verblijfsruimten de volgende capaciteit per ruimte: ▪ toiletten ≥ 5 m³/h 1 v ud ge per t etru mte ▪ douches ≥ 5 m³/h m² met ee m mum va 75 m³/h per douche ▪ werkkasten/berging ≥ 5 m³/h m² met ee m mum va 5 m³/h ▪ alle niet genoemde niet-verblijfsruimten ≥ ,5 m³/h m² ▪ reproruimte ≥ 15 m³/h e a ha ke jk va pgeste de apparatuur ▪ Keuken 35 voudig, doch afhankelijk van op te stellen apparatuur 14.2.6.
Specifieke eisen
▪ Computer/serverruimten worden op overdruk gehouden om stofinfiltratie te voorkomen. De benodigde koelcapaciteit nader te bepalen op basis van de nog aan te schaffen apparatuur. - SER ruimte, bij voorkeur koeling via toe te voeren ventilatielucht ( vooralsnog 1000 W aan te houden). - MER ruimte een stand-alone voorziening opnemen ( vooralsnog 7500 W aan te houden). ▪ Indien er sprake is van PV-panelen op eigen terrein, de ruimte waar de omvormers voor de PV panelen in worden geplaatst voorzien van voldoende ventilatie en een maximale ruimte temperatuur van 25 graden C. ▪ Ruimten met lucht- of geurverontreiniging (keukens, toiletten en dergelijke) worden op een onderdruk gehouden om verspreiding van verontreinigingen naar de overige ruimten afdoende te beperken. Overstroom voorziening via deurspleet, maximaal 1,5 cm en luchtsnelheid niet hoger dan 1 m/s. anders zichtdichte wand of deurroosters toepassen. ▪ Na de bedrijfstijd blijft de afzuiginstallatie voor onder andere toiletten en werkkasten minimaal 1 uur in bedrijf. ▪ Eventueel inpandige containerruimte en (brom)fietsenstalling mechanisch afzuigen.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 75
14.2.7.
Koelinstallatie
De warmtepomp is voorzien van een milieuvriendelijk koudemiddel. In verband met geluiduitstraling bij voorkeur in splitopstelling uitgevoerd, waarbij het compressordeel is voorzien van een akoestische omkasting tegen geluiduitstraling naar de omliggende ruimten en is opgesteld op een betonnen opstorting en voorzien van trillingsdempers.
14.3.
Sanitaire installatie
14.3.1.
Afvoerinstallaties
Het gebouw is voorzien van een gescheiden hemelwaterafvoer (HWA) en vuilwaterafvoer (VWA) installatie. Deze installatie voorzien van de benodigde ontlastputten, ontstoppingspunten e.d. Deze afvoerleidingen vanaf het gebouw aan te sluiten op de afvoervoorziening van de gemeente. ▪ De afvoerinstallaties scheiden in een hemelwater- en faecaliën afvoerinstallatie. ▪ De hemelafvoerinstallatie betrekken in afwegingen als het gaat om duurzaamheid. ▪ De hemelwater- en faecaliën afvoerinstallatie uit te voeren in PE of PP ▪ De hemelwaterafvoer aansluiten via een zo kort mogelijke weg door infiltratie of op het gemeentelijke hemelwaterafvoerstelsel. ▪ De Hemelwaterafvoer langs de gevel, de eerste 2,5m boven maaiveld vandalismebestendigjuitvoeren. ▪ Alle sanitaire toestellen, spuivoorzieningen, condensafvoeren, vloerputten et cetera moeten water-, lucht- en stankdicht aansluiten op een afvoerleidingsysteem. Dit is vervolgens aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. ▪ Afvoersystemen zijn geïsoleerd tegen het optreden van condensatie. Leidingen zijn akoestisch geïsoleerd, als geluidsoverlast voor gebruikers kan optreden. ▪ Voor keuken(s) een gescheiden afvoerstelsel voorzien, met tracing (vanaf de keuken tot aan de vetvangput) en zetmeel/vetvangput. Specifieke eisen hieraan nader uitwerken tijdens de ontwerpfase (onder andere in verband met inspectie en afvang/schoonmaak). 14.3.2.
Koud en warm tapwater
Op diverse punten in het gebouw zijn tapwaterpunten voor koud en warm water inclusief afvoer; onder a dere de keuke s, pa try’s e de t iletruimten. Het tapwaterleiding tracé is zodanig gekozen dat deze niet door museale ruimten gaan. Wanneer hoofdleidingen boven een museale ruimten zijn gesitueerd, zal deze in een buis in buis oplossing moeten worden gerealiseerd om te voorkomen dat door lekkage toch water via het plafond in de museale ruimte terecht kan komen. De installatie voldoet aan de vereiste werkbladen. De installatie is zodanig van opzet dat ter legionellapreventie geen beheersmaatregelen noodzakelijk zijn. Tappunten waarbij sprake is van waterverneveling zoals douches en knijpdouches in bedrijfskeukens moeten tevens voorzien worden van een UV-unit. De voordruk op een tappunt mag maximaal 400 kPa bedragen. Bij het toepassen van een hydrofoor dient deze installatie uitgevoerd te worden met tenminste twee pompen, elk 100% capaciteit of drie pompen elk 50% capaciteit.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 76
Koudtapwaterleidingen worden geïsoleerd tegen condensatie, uitzondering hierop zijn uittapleidingen (in het zicht en leidingen die zijn weggewerkt in de wand). Warmtapwatercirculatieleidingen worden geïsoleerd tegen afkoeling. De warmwater-uittapleidingen en systemen zonder circulatie zijn omwille van Legionellagroei niet voorzien van isolatie. De koudtapwaterleidingen in principe uit te voeren in koperbuis. Warmtapwater circulatieleidingen zijn uitgevoerd in koper. De ingestorte en of weg te werken leidingen uitvoeren in Wicu o.g. De capaciteit van de tapwaterinstallatie is gebaseerd op het maximaal gelijktijdig gebruik, volgens de normbladen. Indien toepassing van centrale warmtapwaterbereiding, deze optimaal afstemmen op gebruik en mogelijke opwarmtijd zodat minimaal beslag op pieklastvermogen wordt gedaan.
Indien aanwezig, douches uitvoeren met een automatisch spoelsysteem, bestaande uit: ▪ online beheer van alle douches van het systeem; ▪ automatisch spoelen van douches instellen; ▪ meten en registreren van spoeltemperatuur, spoeltijd en gebruik per douche; ▪ automatisch bepalen van de zuinigste manier van spoelen; ▪ rapportages en logboeken genereren volgens wettelijke eisen; ▪ via modbus te integreren in ieder gebouwbeheersysteem (GBS); ▪ de warm tapwaterinstallatie dient op ieder moment per douchepunt 5 liter warm water per minuut gedurende 5 minuten te kunnen leveren met een tapwatertemperatuur van minimaal 40◦ C. Tenminste elk sanitaire toestel en sanitaire groep moet separaat afsluitbaar en aftapbaar zijn waarbij de afsluiter op een goed bereikbare plaats moet zijn aangebracht. 14.3.3.
Legionellabestrijding
Conform de wettelijke eisen zal een legionella risicoanalyse en beheersplan conform de ISSO-publicatie 55.1 worden opgesteld. De installatie is legionella veilig, zonder aanvullende beheersmaatregelen. Leidinglengten zoveel mogelijk beperken, zonder "dode" einden. 14.3.4.
Sanitaire voorzieningen in toilet-, kleed- en doucheruimten
De sanitaire voorzieningen zijn van eerste klas kwaliteit en van een gerenommeerd merk dat in Nederland eenvoudig en zonder wachttijden bij de groothandel verkrijgbaar is. Verdere uitgangspunten bij de keuze van het sanitair: ▪ eenvoudige schoonmaakmogelijkheden ▪ sanitaire toestellen vervaardigd uit wit porselein; ▪ closet vrijhangend uitvoeren inclusief closetzitting; ▪ waterbesparend closet doch minimaal 6 liter spoeling ▪ Miva toilet is voorziene van een alarminstallatie die is gekoppeld op het GBS ▪ armleuning van miva-toiletten voorzien van grondsteun; ▪ verbindingsnaden tussen het sanitair en de bouwconstructie voorzien van geëigende kit in de kleur van het porselein ▪ mengkranen uitvoeren met keramische schijven ▪ kranen bij voorkeur voorzien van infrarood sensor; ▪ de afvoervoorzieningen in zicht zijn uitgevoerd in chroom; ▪ alle sanitaire toestellen afsluitbaar aansluiten op de leidingsystemen.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 77
De montagehoogte van het sanitair wordt in samenspraak met de gebruiker afgestemd.
14.4.
Brandbestrijding
14.4.1.
Algemeen
Het gebouw is zodanig gecompartimenteerd dat brandverspreiding tot een minimum wordt beperkt. In de expositieruimten worden geëigende poederblussers opgenomen en in de verkeersruimten worden brandslanghaspels voorzien, mogelijk aangevuld met een pre-action sprinklersysteem. 14.4.2.
Brandslanghaspels
De brandslanghaspels zijn bij voorkeur inclusief haspelkast (inbouw), conform voorschriften (regionale) brandweerinspecties en in een nader te bepalen RAL-kleur. De haspelkast deur is voorzien van een uitsparing in de rechterbovenhoek t.b.v. de handbrandmelder. De montagehoogte van deze handbrandmelder mede afstemmen op de gebruikers. Bij voorkeur wordt een slanglengte van 20m¹ aangehouden. Minimaal is een haspel ter plaatse van de vluchtdeur naar buiten gepositioneerd. In de volgende ruimten mogen geen watervoerende blusinstallaties worden toegepast, maar geëigende (droge) blusmiddelen: ▪ computerruimten ▪ archiefruimte. 14.4.3.
Sprinkler installaties
Indien tijdens het ontwerp besloten wordt een sprinklerinstallatie toe te passen, deze afstemmen op de specifieke situatie. Bijvoorbeeld Pre=action, water/mist systeem of traditioneel water. Door een gecertificeerd bureau moet een inspectieplan worden gemaakt, waarin de (installatie)technische eisen in relatie tot het gebruik van het gebouw worden weergegeven. Aan de hand van dit inspectieplan een installatie ontwerpen dat optimaal geïntegreerd is met het gebouw.
14.5.
Regelinstallatie
14.5.1.
Algemeen
Een accurate en adequate meting en sturing zijn van cruciaal belang voor het binnen de ASHRAE kaders houden van het binnenklimaat. De componenten (of verbeterde versies hiervan) moeten van bewezen museale kwaliteit zijn dat deze geen obstakel vormen voor een goed werkende installatie waarmee het binnenklimaat gerealiseerd moet worden. De regelinstallatie regelt de werktuigbouwkundige installaties. De regelinstallatie vormt een geheel met het gebouwbeheersysteem (GBS). Dit GBS genereert per 5 minuten gebouwgegevens, zoals temperaturen, status van installatietechnische storingen en administratieve gegevens voor energie managementsysteem, gedurende 12 maanden. De regelinstallatie is automatisch met de mogelijkheid tot handbediening.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 78
14.5.2.
Oplevering GBS
De werking van de (regel)installatie en het GBS wordt aangetoond tijdens het eerste jaar van ingebruikname. Goede werking kan aangetoond worden door logfuncties en grafiekuitdraaien .na acceptatie van de goede werking zal overgegaan worden tot oplevering en betaling van dit onderdeel. 14.5.3.
Gebouwbeheersysteem (GBS)
Het GBS omvat minimaal: ▪ het automatisch inlezen van water-, en elektriciteitsverbruiken; ▪ het automatisch inlezen eventuele deelverbruikmeters; ▪ visualisatie en controle van alle HVAC-installaties; ▪ eventueel sturing zonwering per gevel op aantal lux op en neer; ▪ digitale 'overwerkknop' in de bewakingsloge, of op een nader te bepalen positie; ▪ nachtventilatieregeling (nachtkoeling); ▪ vrij instelbare klok- e vaka t epr gramma’s (e automatische zomer-/wintertijd); ▪ IP georiënteerde omgeving, via internet benaderbaar zonder dat een speciaal softwarepakket noodzakelijk is om toegang te verkrijgen. Van de volgende installaties worden tenminste statusmeldingen en storingen ingelezen: ▪ Werktuigkundige installaties ▪ Elektrotechnische installaties ▪ Tapwater voorzieningen ▪ Waterdetectie, door bv lekkage ▪ Inbraakalarminstallatie, status van 4 zones ▪ Brandmeldinstallatie ▪ Ontruiming installatie ▪ Liftstoringen ▪ Overspanningsbeveiliging ▪ 2 stuks reserve Het GBS is volledig vrij programmeerbaar, toegankelijk via eigen netwerk en internet. Het betreft een integraal GBS, waarop alle installaties zoals inbraakbeveiliging, toegangsbeheer, verlichting en klimaatbeheersing zijn aangesloten. 14.5.4.
Energiebemetering
De installatie heeft een bemetering per installatieonderdeel, energie, water en elektraverbruik. Daarnaast is voorzien in een monitoringsysteem om inzicht te verschaffen aan de beheerder en de gebruikers wat het energieverbruik is en om te monitoren of alle energiebesparende maatregelen ook hun effect blijven behouden. Afwijkend gedrag is met het monitoringssysteem vroeg te signaleren. 14.5.5.
Schakelkast
Alle regel-, beveiligings- en bedieningsapparatuur samen te bouwen in een plaatstalen schakelkast. Aantal: naar logische indeling, maar minimaal 1 per technische ruimte.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 79
14.5.6.
Bedieningspaneel
In een touchscreen bedieningspaneel op te nemen signalering ten behoeve van storing- en onderhoudsmeldingen evenals bedieningsschakelaars voor overwerk en dergelijke, bijvoorbeeld ter plaatse van de beveiligingsloge. Alle bediening ten behoeve van de gebruiker zijn duidelijk en gebruikersvriendelijk. 14.5.7.
Schakelingen
Schakelingen van de installatieonderdelen zijn volgens een in te stellen geoptimaliseerd programma voor dag, nacht en weekendbedrijf met de overwerkmogelijkheid per zone, verdieping en installatie. De zones in overleg met de gebruiker samen te stellen. 14.5.8.
Doormeldingen
Storingen en onderhoudsmeldingen aan de installaties worden naar het paneel ter plaatse van de balie in de beveiligingskamer via optisch en akoestisch signaleren gemeld gesplitst in urgent en niet-urgent, geïntegreerd in het centrale bedieningspaneel. Tevens zijn meldingen via een gangbaar protocol te versturen naar mobile telefoons. Alle signalering ten behoeve van de gebruiker zijn duidelijk en gebruikersvriendelijk. 14.5.9.
Regeling luchtbehandeling
Mechanische luchttoevoer heeft een weersafhankelijke temperatuurregeling en is voorzien van zomernachtventilatie. De ventilatielucht wordt voorgeregeld op basis van de buitenluchttemperatuur en wordt via decentrale naverwarming/-koeling nageregeld per ruimte. De inblaastemperatuurregeling geschiedt in de museale ruimten mede op basis van de minimaal en maximaal toelaatbare Relatieve vochtigheid volgens de eisen van ASHRAE klasse A. 14.5.10.
Regeling ruimtetemperatuur
De installatie heeft een centraal in te stellen weersafhankelijke ruimte temperatuurregeling per oriëntatie en een individuele ruimte temperatuurregeling per vertrek of zone. Deze temperatuurregeling geschiedt enerzijds op basis van de ruimtetemperatuur, maar in de museale ruimten tevens op basis van minimaal en maximaal toelaatbare Relatieve vochtigheid volgens de eisen van ASHRAE klasse A. 14.5.11.
Regeling warmtepomp
De warmtepomp(en) zijn geschakeld door een machinegebonden regelinstallatie.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 80
15.
Elektrotechnische installaties en Transportinstallaties
Dit hoofdstuk beschrijft de eisen aan de elektrotechnische installaties voor het gebouw als geheel en op ruimteniveau in hoofdlijnen, voor zover niet volgend uit de technische kwaliteitseisen. Eventueel zijn expliciete oplossingsrichtingen beschreven om de genoemde technische kwaliteitseisen te realiseren. De architect en de adviseurs moeten heldere, inzichtelijke en integrale afwegingen maken voor de bedachte ontwerpoplossingen als het gaat om aspecten zoals museale en monumentale functies, energiebesparing, beperking van onderhoudskosten, Duurzaam Bouwen, welzijn en comfort, architectuur en dergelijke.
15.1.
Hoofdaansluiting en verdeelinrichtingen
15.1.1.
Hoofdaansluiting
De hoofdaansluiting afstemmen met het plaatselijke energiebedrijf. Bij toepassing van een transformator zal deze binnen het gebouw gesitueerd dienen te worden. De benodigde bouwkundige voorzieningen dienen hiervoor te worden meegenomen, een en ander conform de voorschriften van het plaatselijk energiebedrijf. De meetinrichting (kWh-meter) van het meetbedrijf moet geschikt zijn voor hoog- en laagtarief meting. Tevens moet de meetinrichting voorzien zijn van een pulsgever, pulsingangen en geschikt zijn voor uitlezing op afstand. De meetinrichting dient ten behoeve van energieregistratie op afstand te worden aangesloten op een energie monitoring systeem (EMS). Bij het projecteren van de energievoorziening dient op basis van het geïnstalleerd vermogen 20% reservevermogen te worden aangehouden. Het gebouw te voorzien van 3 stroomnetten: ▪ een normaal net voor de voorziening van stroom naar niet-kritische functies; ▪ een noodstroomnet; noodstroomaggregaat voor de stroomvoorziening naar noodzakelijke functies (o.a. museale ruimten, beveiliging, klimaatinstallatie); ▪ een vitaalnet; UPS voor de stroomvoorziening naar bedrijfskritische functies (o.a. beveiliging en klimaat), waarbij een onderbrekingsvrije stroom gegarandeerd moet worden. 15.1.2.