2 Programma van Eisen
Tekst van het document
Hoofdverdeelinrichting
De hoofdverdeelinrichting is geschikt voor het maximaal geïnstalleerd af te nemen vermogen van de transformator(en). De hoofdverdeelinrichting bestaat uit een plaatstalen kast en is samengebouwd conform bouwvorm 4a. De toegepaste beveiligingstoestellen zijn vermogensautomaten voorzien van cascadetechniek en de hoofdverdeelinrichting heeft een overspanningsbeveiliging met een stootspanningsbestendigheid van 2kV (uitvoering inclusief centrale aanspreek uitlezing op het GBS). Tevens is elk afgaand veld voorzien van een tussenmeter met pulsgever die is aangesloten op het GBS.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 81
De hoofdverdeelinrichting dient te worden uitgevoerd met minimaal 3 reservegroepen, evenredig verdeeld over de verschillende waarden van de vermogensautomaten. Er dient rekening te worden gehouden met een reservevermogen van minimaal 20%. De hoofdverdeelinrichting bestaat minimaal uit afgaande groepen ten behoeve van de volgende installatieonderdelen: ▪ elektrische installatie (zowel licht als kracht) per bouwdeel/-laag; ▪ kracht per bouwdeel/-laag; ▪ krachtinstallatie algemeen; ▪ transportinstallatie(s); ▪ werktuigkundige installatie(s); ▪ noodstroomvoorziening / compartiment ten behoeve van noodstroomvoorziening; ▪ zonnepanelen; ▪ reserve. 15.1.3.
Onderverdeelinrichting
Uitgangspunt is ten minste 1 onderverdeelinrichting per bouwlaag, zo dicht mogelijk bij de hoofdverdeelinrichting aangebracht en centraal boven elkaar gelegen. De onderverdeelinrichting bestaat uit een dubbel geïsoleerde afsluitbare plaatstalen kast en is samengebouwd conform bouwvorm 4B. De toegepaste beveiligingstoestellen zijn (aardlek)installatie-automaten en een overspanningsbeveiliging (uitvoering inclusief centrale aanspreek uitlezing op het GBS). Het toepassen van aardlekschakelaars is niet toegestaan. De onderverdeelinrichting dient te worden uitgevoerd inclusief reservegroepen conform de onderstaande staffelmethode waarbij de karakteristieken evenredig verdeeld dienen te worden over het aantal groepen. ▪ onderverdeelinrichting met maximaal 16 belaste groepen: minimaal 3 reservegroepen; ▪ onderverdeelinrichting met minimaal 17 belaste groepen en meer: minimaal 6 reservegroepen. De onderverdeelinrichtingen voorzien van afgaande groepen voor onder andere: ▪ verlichting (B-karakteristiek); ▪ algemene wcd's (C-karakteristiek); ▪ wcd's ten behoeve van werkplekken (C-karakteristiek); ▪ wcd's/aansluitpunten ten behoeve van apparatuur (C-karakteristiek); ▪ kracht (C-karakteristiek); ▪ klimaatinstallatie (C-karakteristiek); ▪ reserve. 15.1.4.
Gelijktijdigheden
Bij het berekenen van het vermogen dienen de volgende gelijktijdigheden te worden aangehouden: ▪ Krachtinstallatie/ kracht contactdozen 50% van het aangesloten vermogen ▪ Contactdozen t.b.v. koken 50% van het aangesloten vermogen ▪ Verlichting 90 % van het aangesloten vermogen ▪ Contactdozen algemeen 30% van het aangesloten vermogen ▪ Contactdozen werkplekken 70% van het aangesloten vermogen ▪ Liftinstallatie 90% van het aangesloten vermogen
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 82
▪ Werktuigkundige installaties 100% van het aangesloten vermogen ▪ Overige verbruikers 70% van het aangesloten vermogen Verder is het niet toegestaan om naast bovengenoemde gelijktijdigheidsfactoren een overall factor toe te passen. 15.1.5.
Voedingskabels
De voedingskabels voor de onderverdeelinrichtingen zijn gebaseerd op: ▪ voedingskabels en overig elektrisch materieel die geen storingen veroorzaken aan de in het gebouw aanwezige zwakstroom- en telefoon-/ datacommunicatie installaties; ▪ de kabelberekeningen conform de NEN-normen; ▪ de halogeenvrije bekabeling (..ZH); ▪ de maximaal aangesloten vermogen; ▪ berekeningen waarbij de reservegroepen in de verdeelinrichtingen voor 50% van de maximale belasting voorzien zijn; ▪ een maximaal spanningsverlies van 5% tot aan het verbruiksapparaat. ▪ Een maximaal spanningsverlies van 3% voor de verdeelkast die het meest ongunstigst gelegen is. ▪ per onderverdeelinrichting één voedingskabel. 15.1.6.
PV installatie
Op de platte daken zijn er zoveel als mogelijk zonnepanelen noodzakelijk die gebaseerd zijn op de volgende prestatie eisen. PV-panelen De PV-panelen dienen maximaal rendement Paneel efficiency te hebben met een minimum van ▪ minimaal 300 Wp bedragen; ▪ 15% volgens de Standaard testcondities (STC) van zonnepanelen; ▪ STC: Invallende straling 1.000 W/m², moduletemperatuur 25 °C, AM=1,5; ▪ afwijkend vermogen maximaal +/- 3% van het vermogen; ▪ temperatuur effect van maximaal 0,45% per °C; ▪ vermogens/powerrendement na 10 jaar van minimaal 90% na 25 jaar van minimaal 80%. Stand in ideale richting/oriëntatie van de panelen naar het zuiden en juiste hoek naar de zon, zodat het gehele systeem in combinatie met het beschikbare dakoppervlak het maximale rendement opbrengt. De minimale hellingshoek van het paneel mag 15% zijn, zodat de panelen voldoende worden schoongespoeld door hemelwater en dus minder handmatig hoeven te worden gereinigd. In verband met schaduw bij verschillende zonstanden mogen de panelen samen op een omvormer via Power Optimizers of micro omvormers worden toegepast om het rendement te verhogen. De panelen dienen aan een constructie te worden bevestigd, zodat er aan de achterkant van het paneel een luchtspouw ontstaat die aan de boven- en onderkant in verbinding staat met de open lucht.
Hierdoor ontstaat natuurlijke ventilatie en kan er voldoende koeling van de panelen plaatsvinden, zodat het maximale rendement is geborgd. Indien noodzakelijk dienen daarnaast maatregelen te worden genomen om de spouw te beschermen tegen ongedierte, vogels en vervuiling door middel van een rooster.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 83
Omvormer Vanaf 5 kVA (totaal of per paneel veld) dient een 3f omvormer te worden toegepast, mits de aansluiting van het gebouw hierin voorziet. Indien men hiervan afwijkt, dient dit expliciet in het Plan van Aanpak te worden vermeld. Daarbij dient er rekening mee te worden gehouden dat het vermogen van de omvormer zo wordt gekozen dat deze niet wordt over gedimensioneerd, zodat de omvormer een maximaal rendement behaald. De omvormer dient zo dicht mogelijk bij de panelen te worden geplaatst. De omvormer dient in een afsluitbare ruimte te worden geplaatst in het gebouw. De ruimte wordt in overleg met de opdrachtgever bepaald (geen opslagruimte, stoffige omgeving, onder watervoerende installatiedelen of nabij brandbare materialen, gassen of dampen). 15.1.7.
Noodstroomvoorziening
Het gebouw voorzien van een noodstroomvoorziening (noodstroomaggregaat) die bij storing in de levering door het energieleverend bedrijf (netstoring) automatisch inschakelt. Uitgangspunt is dat direct na een calamiteit gedurende minimaal 48 uur een deel van het gebouw op volle sterkte volledig operationeel is. Deze termijn is gesteld vanuit het perspectief dat binnen 48 uur stroomuitval kan zijn hersteld dan wel (door mede vanwege andere oorzaken) aanvullende maatregelen getroffen kan worden. Bovenstaande veronderstelt dat de vitale technische systemen om de organisatie en het gebouw te laten functioneren, met behulp van vaste noodstroom-installatie (eventueel aangevuld door een no-break) verzekerd blijven van voldoende elektrische voeding. In ieder geval de volgende gebouwdelen en voorzieningen aansluiten op de noodstroomvoorziening: ▪ de MER- en alle SER-ruimten; ▪ no-breakinstallatie; ▪ brandbeveiligingsinstallatie; ▪ toegangscontrolesysteem; ▪ noodverlichting; ▪ camerabewaking; ▪ drukverhogingsinstallatie; ▪ klimaatinstallatie museale ruimten; ▪ de cruciale werkplekken, inclusief verlichting van de ruimte; ▪ verlichting publiekstoegankelijk ruimten; ▪ lift(en).
Ten behoeve van de noodstroomaggregaat gelden minimaal de volgende eisen: ▪ continu-vermogen (kW) arbeidsfactor moet worden berekend; ▪ nominale uitgangsspanning van 230/400V met uitgevoerde nulleider; ▪ frequentie van 50 Hz; ▪ overbelastbaarheid van 10% gedurende minimaal 1 uur; ▪ brandstofvoorraad voldoende voor 48 uren draaitijd bij 100% belasting; ▪ positie brandstof vulleiding op een voor een tankauto goed bereikbare locatie; ▪ statisch spanningsvariatie maximaal 2% van de nominale spanning bij een belastingsvariatie tussen nullast en vollast; ▪ dynamische spanningsvariatie maximaal 20% van de nominale spanning bij een belastingsvariatie tussen nullast en 70% vollast; ▪ hersteltijd tot 2% van de spanningsafwijking maximaal 0,5 seconde;
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 84
▪ statische frequentieverandering maximaal 2,5% van de nominale frequentie bij een belastingsvariatie tussen nullast en vollast; ▪ dynamische frequentievariatie maximaal 10% van de nominale frequentie bij een belastingsvariatie tussen nullast en 70% vollast; ▪ hersteltijd tot 2,5% van de frequentieafwijking maximaal 0,5 seconde. ▪ het noodstroomaggregaat moet bij een netstoring binnen 10 seconden 70% van het continu-vermogen in één stap kunnen afgeven, waarna de resterende 30% binnen 5 seconden beschikbaar moet zijn; ▪ bij herstel van de levering door het energieleverend bedrijf moet storingsvrij en ononderbroken worden omgeschakeld naar de levering door het energieleverend bedrijf. 15.1.8.
No-breakinstallatie
Ten behoeve van cruciale onderdelen zal er een statische no-breakinstallatie moeten worden gerealiseerd en volgens deze prestatie-eisen worden aangesloten op het noodstroomaggregaat (het noodstroomaggregaat dient geschikt zijn voor het voeden van deze no-breakinstallatie): ▪ het belast beproeven in principe niet uitvoeren met kunstbelastingen, maar parallel aan het net; ▪ het belast beproeven mag geen storingen in de energievoorziening veroorzaken; ▪ er moeten voldoende beheer-, bedienings- en signaleringsvoorzieningen aanwezig zijn voor een storingsvrije en efficiënte exploitatie van de noodstroomvoorziening, aangepast aan de prestatie-eisen voor gebouwbeheer. In ieder geval zullen de volgende onderdelen aangesloten moeten zijn op de no-breakinstallatie: ▪ de MER- en alle SER-ruimten; ▪ camerabewaking; ▪ Toegangscontrolesysteem; ▪ Brandbeveiligingsinstallatie.
▪ klimaat Ten behoeve van de no-breakinstallatie gelden minimaal de volgende eisen: ▪ continu-vermogen (kW) arbeidsfactor moet worden berekend; ▪ overbelastbaarheid minimaal 10% gedurende minimaal 25% van de autonomietijd; ▪ rendement minimaal 98%; ▪ nominale uitgangsspanning van 230/400V met uitgevoerde nulleider, respectievelijk 230V; ▪ frequentie van 50 Hz; ▪ statische spanningsvariatie maximaal 2% van de nominale spanning bij een belastingsvariatie tussen nullast en 100%vollast; ▪ dynamische spanningsvariatie maximaal 2% van de nominale spanning bij een belastingsvariatie tussen nullast en 100% vollast; ▪ hersteltijd tot 2% van de spanningsafwijking maximaal 2 milliseconde; ▪ statische frequentieverandering maximaal 1% van de nominale frequentie; ▪ j ge ru k va accu atter je daccu’s met ee m ma e eve sduur va 1 jaar t epasse ; ▪ statische by-pass; ▪ redundante uitvoering (n +1) van de batterijen; ▪ batterijmanagement (onder andere capaciteitsmeting); ▪ autonomietijd: 60 minuten (aan het einde van de levensduur van de batterijen).
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 85
15.1.9.
Kabelwegen
In het gebouw een horizontale en een verticale installatietechnische infrastructuur realiseren voor sterkstroom-, zwakstroom- en datasystemen. De infrastructuur aanbrengen in de specifiek hiervoor bestemde schachten en boven het uitneembaar plafond in verkeersruimten. Deze infrastructuur bestaat uit stalen kabelgoten of kabelladders die voorzien zijn van stalen scheidingsschotten. Deze dienen te voldoen aan test-type 1 van de NEN 61537. De in de schachten geïnstalleerde leidingen, onderverdeelinrichtingen, kabels en dergelijke zijn per verdieping eenvoudig bereikbaar, onderhoudbaar en uitneembaar. De leidingtracés zijn overzichtelijk, goed bereikbaar, aanpasbaar en uitbreidbaar. De leidingtracés en hun onderlinge verbindingen zijn aangepast aan onder andere buigstralen van de toe te passen kabelsystemen. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met de nog toekomstig te leggen kabels. De kabelwegen zijn voldoende brandwerend, akoestisch isolerend afgewerkt ter plaatse van doorvoeringen door wanden, plafonds en vloeren. Hulpstukken, zoals aftak- en verloopstukken, scheidingsschotten, eindschotten, afdekplaten, koppelplaten en universele montageplaten, zijn vervaardigd van dezelfde specificaties als de kanalisatie waartoe zij behoren. Kabelladder, kabel-, wand-, plint- en vloergoten voorzien van 3 compartimenten.
In verband met eventuele uitbreiding van de installaties hebben de kabelwegen bij oplevering een reserve oppervlak van minimaal 20% per compartiment. Tevens rekening houden met toekomstige nieuwe bekabeling bij bepaling van bochtstralen en dergelijke.
15.2.
Verlichtingsinstallatie
De kunstmatige verlichting in het gebouw draagt bij aan een optimale bedrijfsvoering en dient uitgevoerd te worden in LED en voorzien te zijn van een ENEC-keurmerk. De LED driver dient te zijn ingebouwd in het armatuur (behuizing), een losse driver is enkel voor LED downlighters toegestaan. Alle ruimten zijn voorzien van voor het gebruik geschikte kunstmatige verlichting, waarbij er geen hinder door verblinding of reflectie ontstaat. Bij verlichting in kantoren extra aandacht voor beeldschermgebruik, inkijkhoek en reflectie. In specifieke ruimten, worden aanvullende eisen gesteld ten aanzien van regelbaarheid, verlichtingsniveau en uitstraling. In ruimten waar audio-/videopresentaties kunnen worden gehouden is de verlichting overbrug- en dimbaar. Ter plaatse van de presentatieruimten dient een lichtontwerp opgesteld te worden rekening houdend met museale eisen voor objecten, klimaat, inrichting (vitrine-verlichting), dimbaarheid, lichtkleur etc. Het type armatuur bepalen in overleg met de architect en de adviseur, op basis van het beoogde gebruik en de doelstellingen ten aanzien van energiebesparing. In ruimten waar beeldschermwerk plaats vindt dienen beeldschermvriendelijke armaturen.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 86
Er zijn tevens representatieve ruimten die naast basisverlichting ook aanvullende sfeerverlichting hebben, zoals het restaurant, auditorium, trouwlocatie, museumwinkel, museumcafe, evenementenruimte en de entreehal. De verlichtingsberekeningen dienen te worden opgesteld conform de geldende verlichtingsnorm en de plug ins van de verlichtingsarmaturen dienen vrij op internet beschikbaar te zijn. In aanvulling op en afwijking van de norm dienen de volgende standaard verlichtingssterkten en gelijkmatigheden te worden aangehouden: Soort ruimte
Es(lux)/gelijkmatigheid
Schakeling
Kleurweergave/ temperatuur
Ugr l
Lokaal
Max W/m 2 5.5
Kantoorruimten
500/0,7
830
500/0,7
Lokaal
5.5
830
Archief
500/0,7
Lokaal
6
830
Vergader-/spreekkamers
500/0,7
Lokaal/dimbaar
5.5
830
Post- en reproruimte
500/0,7
Lokaal
6
830
Receptie
500/0,7
Centraal
6
830
Keuken
500/0,7
Lokaal
6
830
Restaurant
300/0,7
Centraal
6
830
Entreehal
300/0,7
Centraal
5
830
Verkeersruimten/trappen
200/0,5
Centraal
3.5
830
Garderobes
200/0,5
Centraal
4
830
Bergingen/werkkasten
200/0,5
Lokaal
4
830
Technische ruimten
250/0,5
Lokaal
4
830
Sanitaire ruimten
200/0,5
Lokaal
4
830
Kleedruimten
250/0,5
Lokaal
5
830
MER/SER
500/0,7
Lokaal
6
830
1. De eisen van het tentoongestelde bepalen de verlichting 2. Maatregelen tegen het optreden van beschadigingen door straling zijn bepalend.
Centraal/ dimbaar
--
--
≤ 19 ≤ 19 ≤ 19 ≤ 19 ≤ 19 ≤ 19 ≤ 22 ≤ 22 ≤ 22 ≤ 22 ≤ 22 ≤ 25 ≤ 22 ≤ 22 ≤ 22 ≤ 19 --
Bel-, concentratie- en overlegruimte
Presentatieruimte;
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 87
EHBO ruimte
800/0,7
Lokaal/ dimbaar
7
840
Expeditie ruimte
300/0,5
Centraal/ dimbaar
5
830
fietsenstalling
150/0,5
centraal
4
830
Museumwinkel
300/0,5
Lokaal/ dimbaar
5
830
Museumcafe
300/0,5
Lokaal/ dimbaar
5
830
evenementenruimte
500/0,7
Lokaal/ dimbaar
6
830
Auditorium
500/0,7
Lokaal/ dimbaar
6
830
Kolfruimte
400/0,7
Lokaal/ dimbaar
5
830
Opslag
200/0,5
Lokaal
4
830
Opslag tentoonstellingsmaterialen
200/0,5
Lokaal
4
830
Werkplaats
500/0,7
Lokaal
6
830
trouwlocatie
500/0,7
Lokaal/ dimbaar
6
830
≤ 19 ≤ 22 ≤ 22 ≤ 22 ≤ 22 ≤ 19 ≤ 19 ≤ 22 ≤ 22 ≤ 22 ≤ 22 ≤ 22
De lumenbehoud voor de verlichtingsarmaturen bedraagt minimaal 90% bij 50.000 branduren bij een omgevingstemperatuur van 25 graden Celsius. Voor de verlichtingsinstallatie in de presentatieruimtes en de hiermee gerelateerde ruimtes is verder het volgende belangrijk: ▪ alleen gebruik van Led lampen (dimbaar) ▪ wandcontactdozen (inbouw en laag bij de grond) die vaste groepen hebben en niet geschakeld worden door lichtknoppen/schakelaars ▪ opties voor ''onzichtbare bekabeling'' naar stroompunt voor apparatuur die niet langs de wand, maar los in de zaal staat (een vitrine, , een beeldscherm e.a.) (met name bij de tijdelijke tentoonstelling) ▪ 3-fase aansluiting stroom voor lichtrail i.v.m. tentoonstellingen (dus meerdere stroomgroepen per zaal) ▪ door het hele gebouw verlichting en apparatuur aan/uit schakelen (centraal) via beveiligingsloge (GBS) ▪ overzicht(tekeningen) groepenkasten met lijst overzicht wat er per groep aangesloten is ▪ verlichtingsrails makkelijk bereikbaar /verlichting voor wisseling lampen/ uitlichten ▪ intercom in alle zalen hoorbaar ▪ krachtstroom aansluitingen verwerkt in putten (expeditiecluster)
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 88
15.3.
Expositieverlichting
Ten behoeve van de verlichting in de presentatieruimten zal een verlichtingsconcept toegepast moeten worden dat flexibel inzetbaar is. Dit wil zeggen dat verlichtingsarmaturen richtbaar zijn, in meerdere groepen te schakelen zijn en eenvoudig verplaatst moet kunnen worden. De lichtbronnen van deze armaturen bevatten geen UV straling.
15.4.
Noodverlichtingsinstallatie
De complete noodverlichtingsinstallatie dient te worden uitgevoerd als een geadresseerd centraal gevoed systeem met zelftestfunctie die geheel voldoet aan de vigerende wet- en regelgeving. De autonomietijd dient minimaal 1 uur te bedragen aan het einde van de technische levensduur van de batterijen. De noodverlichting dient maximaal 5 seconde na spanningsuitval volledig operationeel te zijn. De batterijen dienen in een voldoende geklimatiseerde ruimte centraal op 1 locatie in het gebouw te worden voorzien. De definitieve keuze tussen centraal en decentraal gevoede noodverlichtingsinstallatie zal mede bepaald worden op basis van een kosten-/ baten analyse, uitgaand van een gebruiksperiode van 25 jaar. Deze berekening maakt onderdeel uit van deze vraagspecificatie. Noodverlichting eveneens voorzien in de volgende ruimten: ▪ meterkasten, technische ruimten en computerruimten. ▪ Plus alle overige nieuwe ruimtes
15.5.
Terreinverlichting
De kunstmatige verlichting aan en rondom het gebouw heeft een zodanig niveau dat een optimale uitvoering van het bedrijfsproces mogelijk is, en er geen hinder door verblinding of reflectie ontstaat. Het aanlichten van het gebouw evenals het terrein voorzien van, voor het gebruik geschikte, kunstmatige verlichting, een en ander te ontwerpen in samenhang met de aanwezige openbare verlichting. Het type armatuur wordt door de (tuin) architect en adviseur voorgesteld met inachtneming van het beoogde gebruik en de doelstellingen ten aanzien van energiebesparing. De buitenverlichting voldoet aan de onderstaande eisen: ▪ Bij alle buitendeuren effectieve vandaalbestendige (IK10) LED-buitenverlichting plaatsen. Indien de buitendeur een vluchtdeur betreft dient het armatuur te worden aangesloten op de noodstroomvoorziening; ▪ Als terreinverlichting en verlichting van de buitenzijde van het gebouw LED-verlichting toepassen; ▪ Het verlichtingsniveau dient gemiddeld minimaal 20 lux te bedragen over het gehele terrein. ▪ Boven de hoofdentree een aansluitpunt voor eventueel verlichte naamsaanduiding en data opnemen. De terrein- en buitenverlichting te schakelen middels schemerschakelaar en tijdklok met automatische zomer-/ wintertijd met mogelijke overbrugging op het gebouwbeheersysteem.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 89
15.6.
Lichtinstallatie en aansluitvoorzieningen
t de cht sta at e eh re de wcd’s e aa s u tpu te te eh eve va de werkp ekke , waaronder kantoorwerkplekken, vergader- e spreekkamers Verder a geme e wcd’s ga ge , pa try's en dergelijke. De wcd’s e aa s u tpu te v r de ver cht g a smede het schake mater aa e de schake systeme behoren tot de lichtinstallatie. De hiervoor benodigde bekabeling in halogeenvrije uitvoering behoort eveneens tot de lichtinstallatie. De gehele licht-/krachtinstallatie, waar mogelijk, is een inbouwinstallatie. De lichtinstallatie is overeenkomstig de stramienmaat. De lichtschakeling is als volgt. ▪ Alle ruimten voorzien van aanwezigheidsdetectoren met uitzondering van de presentatieruimten en de technische ruimten. ▪ Verlichting van de vergader- en spreekkamer is handmatig uit te schakelen/te dimmen in geval van presentaties et cetera. ▪ Toiletten voorzien van aanwezigheidssensoren. ▪ Technische ruimten voorzien van schakelaars. e eh eve va de werkp ekke d e e wcd’s te w rde pge me wa d- of vloergoten of energiezuilen afhankelijk van bouwkundige mogelijkheden. De wand- of vloergoten door middel van metalen scheidingsschotten verdelen in 3 gescheiden compartimenten. De aansluitingen vanaf het hoofdkabeldraagsysteem vanaf dezelfde verdieping verzorgen. De wand- en/of vloergoten voorzien van een overcapaciteit van 20% per compartiment.
Tevens rekening houden met toekomstige nieuwe bekabeling bij bepaling van bochtstralen en dergelijke. De volgende aantallen dienen daarbij te worden aangehouden: ▪ Per kantoorwerkplek : 2 dubbele wcd’s ▪ Per overige werkplekken : 2 dubbele wcd’s In de volgende ruimten dienen de volgende aantallen voor algemene toepassingen (dus exclusief de aantallen ten behoeve van de losse inrichting; deze worden op een later moment apart opgegeven) te worden aangehouden: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Bel-, concentratie- en overlegruimte Archief Vergader-/spreekkamers Post- en reproruimte Keuken Restaurant Entreehal Verkeersruimten/trappen Garderobes Bergingen/werkkasten Technische ruimten Sanitaire ruimten Presentatieruimten
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
: 1 dubbele wcd/10 m² : 1 dubbele wcd/20 m² : 1 dubbele wcd/10 m² : 1 dubbele wcd/10 m² : du e e wcd’s ve e k werk ad : 1 enkele wcd/10 m² : 1 enkele wcd/10 m gang : 1 enkele wcd/10 m gang : 1 enkele wcd/10 m² : 1 enkele wcd : 3 e ke e wcd’s : geen : 1 dubbele wcd/100 m²
CONCEPTVERSIE
Pagina 90
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Museumwinkel Museumcafe Evenementenruimte Auditorium Kolfruimte Opslag Opslag tentoonstellingsmaterialen Werkplaats Trouwlocatie MER/SER-ruimten
: 1 dubbele wcd/25 m² : 1 dubbele wcd/25 m² : 1 dubbele wcd/25 m² : 3 dubbele wcd : 2 dubbele wcd : 1 dubbele wcd/50 m² : 1 dubbele wcd/50 m² : 1 dubbele wcd/10 m² : 1 dubbele wcd/25 m² : 3 enkele wcd's op 3 separate groepen
cd’s d e e p a z der jke e dgr epe te w rde aa ges te Per (du e e) wcd d e t worden aangehouden. Per e dgr ep m ge max maa (du e e) wcd’s w rde aa ges te cd’s
VA te
technische ruimten dienen in opbouw en waterdichte uitvoering te worden uitgevoerd.
e eh eve va de ver cht gsarmature d e e de e aangebracht.
d gde aa s u tpu te e wcd’s te worden
Bergingen en werkkasten voorzien van een aanwezigheidsdetector en wcd. In de werkkasten tevens rekenen op een aansluiting ten behoeve van een boiler en diverse krachtstroomaansluitingen.
15.7.
Schakelingen, storingen en sturingen
Standaard zijn de centrale schakelingen, storingen en sturingen op een centrale bedienplaats aanwezig. Alle schakelingen, storingen en sturingen zijn bedienbaar vanaf een bedieningspaneel (touchscreen). Het schakelen van de verlichting als volgt. ▪ De mogelijkheid tot het centraal schakelen van de verlichting van het gehele gebouw, het schakelen per gebouwzone, per verkeersruimte en per verblijfsruimte door middel van software- en handmatige schakelaars op logische plekken. Een en ander in samenhang beschouwen met de gekozen verlichtingsregelingen. ▪ De mogelijkheid tot het centraal schakelen van nader te bepalen gebouwzones. ▪ Een veegpuls per nader te bepalen gebouwzone. ▪ Koppeling met de inbraakbeveiliging en het toegangscontrolesysteem, zodat bij het inschakelen van het alarm alle verlichting wordt uitgeschakeld en bij het uitschakelen van het alarm de verlichting wordt ingeschakeld. ▪ De opzet van het systeem is zodanig dat een indeling op een stramienmaat van 1,80 m mogelijk is. Hierbij is het uitgangspunt dat kantoorruimten minimaal 2 stramienen van deze maat beslaan. Voor de overige ruimtefuncties deze functionaliteit tijdens de ontwerpfase in overleg met de opdrachtgever/gebruikers nader bepalen. ▪ Verlichting gangen, kernen et cetera in de hoofdgang en centraal bij de hoofdingang schakelbaar.
▪ De terrein- en buitenverlichting te schakelen op basis van een schemeringschakeling en tijdklok met automatische zomer-/wintertijd en mogelijke overbrugging op het GBS. ▪ Alleen de loop- en evacuatieverlichting mag altijd branden.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 91
15.7.1.
Krachtinstallatie
De krachtinstallatie bestaat uit leidingen en schakelmateriaal ten behoeve van 230V/400V-aansluitpunten. Genoemde aansluitpunten dienen bestemd te zijn voor apparatuur en machines, zoals: ▪ werktuigkundige installaties ▪ pomp- en drukverhoging installaties ▪ pantry- en keukenapparatuur ▪ transportinstallaties ▪ boilers ▪ kopieerapparatuur ▪ keukenapparatuur ▪ laadpunten ten behoeve van elektrische auto's en fietsen ▪ specifieke gebruikersapparatuur (t.b.v. museale presentaties, expeditiecluster). De krachtinstallatie dient gescheiden van de lichtinstallatie te worden uitgevoerd. Het benodigde elektrische vermogen dient door middel van berekeningen te worden bepaald. Hierin dient een reservecapaciteit van 20% te zijn opgenomen.
15.8.
Brandmeld-/ontruimingsinstallatie
Het gebouw heeft een brandbeveiliging ter preventie, detectie en beperking van brand, conform de eisen van de brandweer, verzekeraar en de landelijke wettelijke eisen en richtlijnen. De brandmeldcentrale is adresseerbaar en van een modulaire uitvoering en uitbreidbaar met groepen voor zowel automatische als handbrandmelders. De omvang van de bewaking laten bepalen door de bevoegde autoriteit en is afhankelijk van aspecten als: ▪ het doel van de bewaking (beveiliging van personen en/of goederen); ▪ de bestemming en hoogte van het gebouw; ▪ de aanwezigheid en de validiteit van personen; ▪ het brandrisico. De brandmeldinstallatie en de ontruimingsinstallatie dienen compleet te worden uitgevoerd en beide installaties dienen bij oplevering gecertificeerd te zijn. Het inspectie certificaat dient aan de gebruiker en de gemeente te worden verstrekt. Door een daartoe bevoegde instantie dient voor zowel de brandmeldinstallatie als voor de ontruimingsinstallatie een Programma van Eisen te worden opgesteld waarin alle genoemde voorwaarden benoemd staan waar de installatie aan dient te voldoen. Daarnaast dient het programma van eisen te zijn afgestemd op het integraal museaal veiligheidsplan. Tevens dient dit document te worden afgestemd met integraal museum veiligheidsplan. De ontruiming vindt ten minste plaats door middel van gesproken woord (type A).
De zonering van de brandmeldinstallatie en de ontruiming aan de hand van het ontwerp bepalen.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 92
15.9.
Veiligheidsaarding
Het gebouw en de installaties hebben een veiligheidsaarding conform de vigerende regelgeving en de EMCrichtlijnen. In de fundering een ringleiding voorzien waarop de volgende onderdelen dienen te worden gekoppeld: ▪ constructie; ▪ lift(en); ▪ laagspanningsruimte; ▪ transformator; ▪ hoofdverdeelinrichting; ▪ onderverdeelinrichting(en); ▪ MER; ▪ SER(s); ▪ blikseminstallatie. In de directe nabijheid van de hoofdverdeelinrichting een hoofdaardrail (zogenoemde HAR) positioneren evenals nabij elke onderverdeelinrichting een potentiaalvereffeningsrail (zogenoemde PVR). Daarnaast dient in elke MER en SER een separate aardingsvoorziening te worden aangebracht. Tijdens de ontwerpfase dient door een onafhankelijke partij een EMC inspectie te worden uitgevoerd, waarbij de aanbevelingen worden uitgevoerd. Op de hoofdaardrail respectievelijk potentiaalvereffeningsrail dienen de volgende onderdelen te worden gekoppeld: ▪ stekeinden van de ringleiding in de fundering; ▪ aardrails van de betreffende verdeelinrichting; ▪ potentiaal vereffeningsaarding van de tot de installatie behorende metalen onderdelen; ▪ potentiaal vereffeningsaarding van de niet tot de installatie behorende metalen onderdelen; ▪ koppeling keukenmeubilair.
Eventueel dienen, ter verkrijging van een voldoende lage aardverspreidingsweerstand (Ra < 1 ohm), conform de eisen van het energieleverend bedrijf aardelektroden te worden aangebracht.
15.10.
Bliksembeveiliging
Het gebouw voorzien in een bliksemafleiderinstallatie. Deze behandelt zowel bliksemafleidsysteem als elektronische systemen. Een complete risicoanalyse dient te worden uitgevoerd waaruit de LPL-klasse dient te worden bepaalt. Overspanningafleiders hebben een lifecheck functionaliteit. Rekening houden met het aanbrengen van 'schone aarding' voor bepaalde installaties. De bliksemafleiderinstallatie is afkoppelbaar, in verband met periodieke controle en centrale metingen.
15.11.
Security systeem
De securitysystemen: toegangscontrole (inclusief elektronische sloten), inbraak en camerabewaking dienen als 1 geïntegreerd systeem te kunnen werken. Hierdoor zijn automatische acties mogelijk zoals:
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 93
▪ ▪
bij inbraakdetectie -> automatische pop-up van camerabeeld van die locatie -> automatisch opnemen & archiveren beelden op de videoserver in hogere resolutie; via de toegangscontrole op afstand in combinatie met camerabewaking -> toegang verlenen.
De verschillende security elementen en hun precieze inplanting worden tijdens de ontwerpfase in detail weergegeven en uitgetekend op de plannen. 15.11.1.
Beveiligingszones
De basisbeveiliging wordt gevormd op basis van de verschillende zones. • Zone 0: Publieke Zone – Code Wit, vrij toegankelijk. • Zone 1: Semi Publieke Zone – Code Blauw, vrij toegankelijk voor personeel en bezoekers. • Zone 2: Semi Private Zone – Code Groen, gecontroleerde zone voor bezoekers en personeel. • Zone 3: Private Zone – Code Geel, gecontroleerde zone voor personeel. • Zone 4: Beveiligde Zone – Code Oranje, zones met een hogere graad van privacy of belang. • Zone 5: Bedrijfskritische Zone – Code Paars, (security) control room. 15.11.2.
Specifieke beveiligingseisen
Specifieke beveiligingseisen worden na gunning apart verstrekt aan het ontwerpteam.
15.12.
Toegangscontrolesysteem
Het gebouw voorzien van een toegangscontrolesysteem, waarbij het gebouw kan worden gesplitst in de diverse beveiligingszones. Elke overgang in een veiligheidszone is gereguleerd, zodanig dat delen van het gebouw gesloten kunnen zijn terwijl andere delen in gebruik zijn. Denk hierbij aan de avondactiviteiten. Het toegangscontrolesysteem werkt op basis van gepersonaliseerde druppels waarmee toegang kan worden verkregen tot de verschillende beveiligingszones. De deuren die zijn voorzien van toegangscontrole hebben een automatische sluiting en ontgrendelinstallatie (elektrische sloten), een en ander in aansluiting op het sleutelplan. Voor mindervaliden hebben de deuren een drukknop voor automatische deurbediening. De toegangscontrole kan worden gemonitord door middel van een security managementsysteem waarop tevens ook de volgende installatie-onderdelen worden gekoppeld en gemonitord. Het betreft: ▪ inbraakbeveiliging ▪ alarminstallatie ▪ camerabewaking ▪ miva-signaleringsinstallatie ▪ brandmeld- en ontruimingsinstallatie ▪ no-breaksysteem (UPS) ▪ noodverlichtingsinstallatie ▪ storingen- en alarmmeldingen klimaatinstallatie ▪ storingen- en alarmmeldingen overige installaties ▪ GBS.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 94
15.13.
Inbraakbeveiliging
Het gebouw heeft op de begane grond en daar waar het gebouw op de verdiepingen door inbrekers van buitenaf bereikbaar is, een automatisch inbraakbeveiligingssysteem met alarmopvolging door middel van doormelding. De inbraakdetectie is met bewegingsmelding in combinatie met magneetcontacten en glasbreukdetectie. De beveiligingscentrale is modulair uitbreidbaar en heeft een noodvoeding en een automatische telefoonkiezer. Het gebouw is zodanig gecompartimenteerd dat een insluiper nooit in meer dan een gebouwzone kan komen zonder te worden gesignaleerd. De alarminstallatie biedt de mogelijkheid slechts voor (nader te bepalen) delen van het gebouw te worden geactiveerd. Visualisatie door een bedieningspaneel, te combineren met het brandmeldpaneel, bij de entree is de installatie te monitoren. De inbraakdetectie is gekoppeld aan het GBS en de camera-installatie die is aangesloten op het datanetwerk. Aan de hand van de eisen van de verzekeraar en het beveiligingsplan, diverse beveiligingszones realiseren. De verdere bepaling vindt plaats in de ontwerpfase. Met gebruiker!
15.14.
Camerabewaking
Bij alle toegangen tot het gebouw camera's plaatsen: alle toegangen zijn zichtbaar op een monitor bij de beveiligingsloge. De centrale van de cctv-installatie bevindt zich in de beveiligingsloge bij de hoofdentree. Verder is vanuit de ruimte voor de beheerder, door middel van camera-apparatuur, controle mogelijk op: ▪ de vluchttrappen; ▪ de verkeersruimten en trappenhuizen; ▪ de receptiebalie; ▪ de hoofd- en nevenentrees; ▪ de nooduitgangen; ▪ elke presentatieruimte; ▪ de diverse gevels (in verband met vandalismebestrijding). Voornoemde ruimtesoorten dienen 100% dekking te hebben en de kwaliteit van de camera's dient zodanig te zijn dat gedetailleerde persoonsherkenning plaatsvindt. Het camerasysteem heeft een netwerkaansluiting en een mogelijkheid voor een externe verbinding met een beveiliger, zodat – na alarmering – de beelden door een bewakingsdienst (buiten werktijden) kunnen worden bekeken, live en/of terugkijkend. De opslagcapaciteit van de beelden bedraagt minimaal 7 dagen.
15.15.
Miva-signaleringsinstallatie
De miva-toiletten hebben een alarmering door middel van een optisch en akoestisch alarm signaal bestaande uit: ▪ een oproeptrekcontact in het toilet met een horizontaal rondgaand trekkoord (rood); ▪ de benodigde RvS 316 katrollen en schroefogen alsmede een trekveer; ▪ een afstelcombinatie met controle/geruststellinglamp; ▪ een optische en akoestische signalering boven de deur. De signalering is gekoppeld aan het GBS.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 95
15.16.
Telefoon-/datanetwerkinstallatie
De data-installaties bestaan uit een universeel bekabelingsnetwerk van aansluitpunten, alwaar toegang kan worden verkregen tot de geboden netwerk services / diensten. In ten minste alle museum- en kantoorruimtes dient in de nieuwe situatie een goed wifi bereik aanwezig te zijn. Het gehele gebouw dient te worden voorzien van voldoende aansluitpunten voor access points zodat naast bekabelde aansluitpunten een draadloos datanetwerk kan worden opgebouwd met volledige dekking in het gehele gebouw. Het exacte aantal access points, de positionering en het toegepaste vermogen, zijn afhankelijk van o.a. de gewenste applicaties en het bouwkundig ontwerp. Het exacte aantal access points is afhankelijk van het bouwkundig ontwerp, alsmede het beoogd gebruik van een ruimte. De netwerk componenten en de installatie wijze dient minimaal te voldoen aan de relevante secties van de ISO/IEC 11801 Ed.2.2, Amendement 2:2010 alsmede aan NEN-EN 50173 en 50174 categorie 6A (toe te passen kabel dient S/FTP te zijn). Bij de oplevering dient een systeem garantie van minimaal 25 jaar vanuit de fabrikant aan de opdrachtgever te worden overhandigd. Hierbij dient er sprake te zijn van materiaal-, arbeid- en applicatiegarantie. De patchkabels dienen afkomstig te zijn van de zelfde fabrikant als het (horizontale) netwerk, hetgeen resulteert in een channel-warranty voor de gebruiker.
Toegepaste netwerkcomponenten dienen te zijn voorzien van een onafhankelijk test certificaat welke aantoont dat het ontkoppelen van een patchverbinding onder PoE-belasting, geen nadelige invloed heeft op de levensduur en performance van het betreffende component (IEC 60512-99-001). Het volgende aantal aansluitpunten dient te worden aangehouden: ▪ per kantoorwerkplek : 2 aansluitpunten ▪ per overige werkplekken : 2 aansluitpunten In de volgende ruimten dienen de volgende aantallen voor algemene toepassingen (dus exclusief de aantallen ten behoeve van de losse inrichting zoals beschreven in paragraaf 6) te worden aangehouden: ▪ Bel-, concentratie- en overlegruimte : 2 aansluitpunten/10 m² ▪ Archief : 2 aansluitpunten/20 m² ▪ Vergader-/spreekkamers : 2 aansluitpunten/10 m² ▪ Post- en reproruimte : 6 aansluitpunten per ruimte ▪ Keuken : 2 aansluitpunten per ruimte ▪ Restaurant : 6 aansluitpunten per ruimte ▪ Entreehal : 4 aansluitpunten per ruimte ▪ Verkeersruimten/trappen : geen ▪ Garderobes : geen ▪ Bergingen/werkkasten : geen ▪ Technische ruimten : geen ▪ Sanitaire ruimten : geen ▪ Kleedruimten : geen ▪ Museumwinkel : 3 aansluitpunten per ruimte ▪ Museumcafe : 4 aansluitpunten per ruimte
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 96
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Evenementenruimte Auditorium Kolfruimte Opslag Opslag tentoonstellingsmaterialen Werkplaats Trouwlocatie MER-/SER-ruimte
: 2 aansluitpunten/25 m² : 4 aansluitpunten per ruimte : 2 aansluitpunten per ruimte : geen : geen : 4 aansluitpunten per ruimte : 4 aansluitpunten per ruimte : 6 aansluitpunten per ruimte
Ten behoeve van narrow casting dienen de benodigde voorzieningen te worden aangebracht, waarbij wordt uitgegaan van PoE enabled devices. Tot de data- sta at e eh re de e d gde 19” patchkaste v r a m tage va werkp ek- en backbonebekabeling. Tevens dient er rekening gehouden te worden met voldoende capaciteit voor de nader te bepalen netwerk componenten. Uitgangspunt is een centrale patchruimte. Kabellengten van patchkast tot outlet niet langer dan 90,0 m. Informatiedragende bekabeling is gescheiden van de sterkstroombekabeling.
15.17.
Centrale antenne-installatie
In de volgende ruimten aansluitpunten voorzien ten behoeve van de centrale antenne-inrichting: ▪ Algemeen : 1 aansluitpunt per afdeling ▪ Vergader-/spreekkamers : 1 aansluitpunt per ruimte ▪ Horeca verblijfsruimte : 3 aansluitpunten per ruimte ▪ Entreehal : 1 aansluitpunt per ruimte ▪ Verhuurruimte : 2 aansluitpunt per ruimte ▪ Event ruimte : 2 aansluitpunt per ruimte ▪ Educatie ruimte : 1 aansluitpunt per ruimte ▪ Presentatieruimte : 1 aansluitpunt per ruimte Voor de benodigde versterkers en dergelijke ervan uitgaan dat circa 40% van de aansluitingen gelijktijdig worden gebruikt. Voor de bekabeling dezelfde bekabeling als de data-installatie gebruiken in verband met een universele bekabelinginfrastructuur. In de centrale patchlocatie dient een iPTV headend te worden geplaatst welke geschikt is voor het gelijktijdig distribueren van minimaal 30 iPTV radio/TV zenders op basis van DVB-S(2) als bron. Distributie zal plaats vinden via het universele bekabelingsnetwerk waarbij weergave plaats dient te vinden direct op het TV toestel. Voor de narrowcasting werkplekken dient het device aan de werkplekzijde geschikt te zijn voor zowel narrowcasting als iPTV. Bediening van de beeldschermen dient plaats te vinden door middel van een afstandsbediening, touchpanel of geautomatiseerd via een management suite.
15.18.
Intercominstallatie
Ter plaatse van de entrees is een spreek-/luister-verbinding met de beveiligingsloge installeren. De deurbelinstallatie en intercom is bedienbaar bij de security ruimte(ook te gebruiken voor mindervaliden). De buitenposten zijn vandaalbestendig.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 97
15.19.
Omroepinstallatie
Alle ruimten hebben een omroep-/geluidssysteem, compleet met microfoons, speakers en bijbehorende regelapparatuur. De spraakverstaanbaarheid van de installatie is goed en voldoet minimaal aan: ▪ frequentiebereik 100 - 12.000Hz (-3dB); ▪ harmonische vervorming minder dan 1,5% bij 1000Hz; ▪ signaal-/ruisverhouding beter dan 60dB. Daarnaast is de omroepinstallatie gecombineerd / gekoppeld met de ontruimingsinstallatie.
15.20.
Slechthorenden voorziening
Alle publieks toegankelijke ruimten zijn voorzien van een gecertificeerde ringleidingensysteem, compleet met ringleidingversterkers en aansluiting op het omroepsysteem. De te gebruiken installatiematerialen t.b.v. de ringleiding dienen te voldoen aan de eisen die worden gesteld door de leverancier van het slechthorenden-systeem. De ringleiding dient te worden uitgevoerd in een orthogonale lus en dient niet zichtbaar te worden aangebracht en bij oplevering gecertificeerd te zijn door een onafhankelijke instantie. De ringleiding versterker moet worden gekoppeld met de AV-installatie van de betreffende ruimte.
15.21.
Audio-/ video- audiocommunicatie
De vergader- en spreekkamers hebben aansluitpunten voor audio- en videocommunicatie-apparatuur. Hieronder wordt verstaan de voorzieningen voor een televisiescherm en de mogelijke koppeling van apparatuur en eventuele randapparatuur.
15.22.
Multimedia, interactieve opstellingen
Nog nader uit te werken
15.23.
Transportinstallaties
De transportinstallatie biedt een zodanige vervoerscapaciteit, dat de voor de bedrijfsprocessen noodzakelijke interne verkeersstromen van personen efficiënt kunnen worden afgehandeld en dat de voor de bedrijfsprocessen noodzakelijke goederenstromen zonder belemmering kunnen plaatsvinden. Uitgangspunt is een doordacht liftsysteem, dat onnodig energieverbruik voorkomt. Bijvoorbeeld bij iedere liftstop keuze aanbieden of je naar beneden of naar boven wilt. De liftinstallaties is een elektrische tractielift conform de toegankelijkheidseisen. Voor de aandrijving een elektronische regeling. De lift heeft een alarm- en communicatievoorzieningen die in verbinding staat met de ruimte voor de beheerder. De liften door het liftinstituut goed laten keuren.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 98
15.23.1.
Personenliften
De nominale last en snelheid van de liften voor personenvervoer zijn afhankelijk van de benodigde vervoerscapaciteit en intervaltijd. De nominale last is, indien geen goederenlift aanwezig is, minimaal 10kN, met een kooimaat van minimaal 1,10 x 2,10 m. Bij aanwezigheid van een goederenlift is de nominale last van de personenlift minimaal 6,3 kN. De volgende eisen gelden voor de lift: ▪ stootplinten rondom van circa 150 mm hoogte vanaf de vloer; ▪ vloerafwerking die in overeenstemming is met de hal/entree; ▪ minimaal een spiegel op de achterwand; ▪ verchroomde leuning rondom; ▪ drukknoptableau in vandaalbestendige uitvoering; ▪ duidelijk gegraveerd liftnummer in bedieningsplateau (opgave opdrachtgever) alsmede een gegraveerde toelichting voor het gebruik van de intercom; ▪ verdiepingsaanduidingen in de lift; ▪ vrije doorgang van de liftdeur bedraagt minimaal 0,85 m. ▪ geschikt voor rolstoelgebruik. Overige eisen: ▪ de besturing van de liftinstallaties is voor personenvervoer richtingselectief in beide richtingen; ▪ Regelbaar openbaar/niet openbare ruimte ▪ de besturing is als groepsbesturing indien meerdere liften bij elkaar zijn gelegen ; ▪ de kooi- en schachtdeuren zijn automatisch met een vrije hoogte van minimaal 2,30 m. 15.23.2.
Goederenlift
Het gebouw(deel) heeft een goederenlift die alle bouwlagen verbindt. Deze is geschikt voor een brancard, kunstwerken en eventueel verplaatsbare wanddelen. De goederenlift is centraal geplaatst zodat alle bouwdelen bereikbaar zijn. Specificaties: ▪ belasting: minimaal 20kN (2.000 kg); ▪ afmetingen: te bepalen in overleg met opdrachtgever/gebruikers, voldoende voor vervoer van brancards (horizontaal) en systeemwand(delen); ▪ afwerking: rekening houden met genoemde vervoersdoeleinden; ▪ de liftkooi heeft een verhoogd gedeelte, inwendige hoogte minimaal 3.25 m dan wel een luik; ▪ overige specificaties conform de NEN-EN 81. ▪ de kooi- en schachtdeuren zijn automatisch met een vrije hoogte van minimaal 2,30 m.
15.24.
Gevelreinigingsinstallatie
De raamvlakken van het gebouw zijn reinigbaar vanaf het maaiveld. Hiervoor het terrein geschikt maken. Bij grote hoogte van het gebouw is er een gevelreinigingsinstallatie, zodanig ontworpen dat op gangbare wijze de gevelreiniging plaats kan vinden. (Indien een gevelreinigingsinstallatie wordt toegepast, dan per bouwdeel een gondel opnemen. De installatie is conform de wettelijke eisen.)
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE
Pagina 99
15.25.
Elektrische zonweringinstallatie
Uitgangspunt is een gebouw zonder buitenzonwering, tenzij deze benodigd is vanuit de klimaateisen zoals in dit PvE gesteld. Indien vanuit de klimaatberekeningen noodzakelijk, is de zonweringsinstallatie automatisch geregeld op zonintensiteit maar individueel per ruimte te overbruggen. Teneinde opwarming van het gebouw in zomersituaties zoveel mogelijk te voorkomen is deze regeling ook voor weekenden en feestdagen van toepassing. Daarnaast is een regeling voorzien die ervoor zorgt dat de zonwering wordt ingetrokken bij schemering, neerslag en/of harde wind. De aansturing is met een tijdsvertraging en antipendel schakeling. De installatie is centraal bedienbaar, bijvoorbeeld in verband met glazenwassen, en op de begane grond vandaalbestendig. Aansturing vanuit het GBS.
11592 – Museum Prinsenhof Delft PvE Restauratie-Renovatie Museum Prinsenhof
CONCEPTVERSIE