Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase.pdf
Tekst van het document
Functie
Bedrijventerrein Zuiderkerkes Woon-werkkavels Ekelenberg, Kroepnevel en Spinwiefien Ommerweg 18 't Heuveltje Ekelenbergweg 2 Ommerweg 21
Industrieterrein max. cat. 3.2 woonwerk bedrijvigheid, max. cat 2
Feitelijke afstand tot plangebied 70 m 0m
Groepsaccommodatie Recreatiepark 't Heuveltje Camping De Krententerp Agrarisch bedrijf
160 m 42 m 162 m 270
Bedrijventerrein Zuiderkerkes Op het bedrijventerrein Zuiderkerkes zijn, op basis van de geldende beheersverordening 'Zuidwolde' (2016), bedrijven tot maximaal milieucategorie 3.2 toegestaan. Dat betekent niet dat ze er feitelijk aanwezig zijn, maar in dit bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de juridisch-planologische ontwikkelingsmogelijkheden op dit bedrijventerrein. De bedrijven op dit terrein mogen namelijk niet in de bedrijfsvoering worden belemmerd. De maximale richtafstand op basis van de beheersverordening voor 'rustig woongebied' bedraagt 100 m en voor 'gemengd gebied' 50 m (zie tabel 4.1). Daarnaast kunnen ook bedrijven feitelijk aanwezig zijn met een hogere milieucategorie doordat deze bedrijven 'historisch zijn gegroeid'. Deze kans is echter gering omdat het bedrijventerrein nog relatief jong is (de zuidelijke helft van het bedrijventerrein is niet ouder dan 1995). Voor de volledigheid zijn de
36
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
bedrijven op Zuiderkerkes in beeld gebracht en zijn de bijbehorende categorieën en richtafstanden weergegeven (zie tabel 4.3). Hieruit blijkt dat op Zuiderkerkes geen bedrijven zijn gevestigd behorend tot een hogere milieucategorie dan op basis van de beheersverordening is toegestaan. Tabel 4.3: bedrijven met bijbehorende richtafstanden op Zuiderkerkes
Uit de figuur 4.1 blijkt dat de richtafstand van 50 meter behorend bij het bedrijventerrein Zuiderkerkes ter plaatse van gevoelige objecten in het 'gemengd gebied' niet wordt overschreden. Daarnaast wordt de richtafstand van 100 meter tot aan gevoelige objecten in 'rustig woongebied' eveneens niet overschreden.
37
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
Figuur 4.1: richtafstanden tot 'gemengd gebied' en 'rustig woongebied' Woon-werkkavels Ekelenberg De strook woon-werkkavels in Ekelenberg fase 1, de woon-werkkavel in onderhavig plan en de direct aangrenzende woningen betreft een 'gemengd gebied' conform de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering. Meerdere bedrijfspercelen en meerdere woonpercelen wisselen elkaar immers af en liggen in elkaar invloedsgebied. Binnen de woon-werkkavels zijn op basis van het vigerende en het onderhavige bestemmingsplan uitsluitend bedrijven toegestaan tot en met milieucategorie 2. Bij deze categorie hoort conform de VNG-publicatie een maximale richtafstand van 10 m tot gevoelige objecten in 'gemengd gebied' en 30 m tot gevoelige objecten in 'rustig woongebied'. Uit figuur 4.1 blijkt dat deze richtafstanden niet worden overschreden. Ommerweg 18 & Ekelenbergweg 2 De richtafstanden zoals weergegeven in tabel 4.3 behorend bij de twee bedrijfslocaties overschrijden de feitelijke afstanden zoals weergegeven in tabel 4.2 niet. Deze direct omliggende functies vormen derhalve geen belemmering. Recreatiepark 't Heuveltje Juridisch-planologisch betreft 't Heuveltje een recreatiepark. De afstand vanaf de bestemming 'Recreatie' en het bouwvlak (beide liggen gelijk aan elkaar) tot aan de grens van het plangebied bedraagt 86 meter. De bijbehorende richtafstand van 50 meter wordt niet overschreden.
't Heuveltje als recreatiepark vormt derhalve geen belemmering. Ommerweg 21
38
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
Aan Ommerweg is in de huidige situatie een akkerbouwbedrijf gevestigd. Conform de kamer van koophandel is er tevens bedrijf gevestigd in verhuur van agrarisch materieel. De richtafstand van maximaal 50 meter wordt niet overschreden. Het bedrijfsperceel is in de geldende beheersverordening echter bestemd als 'intensieve veehouderij'. Voor intensieve veehouderij bedrijven geldt geen vaste afstand. De geur en fijnstof contouren dienen in beginsel berekend te worden. In de huidige situatie is op het perceel echter geen intensieve veehouderij gevestigd. Op het moment dat ter plaatse alsnog een intensieve veehouderij tak wordt aangevraagd wordt het bedrijf reeds in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd door gevoelige objecten die reeds tussen het onderhavige plangebied en dit bedrijf zijn gelegen. Dit bedrijf vormt derhalve geen belemmering. Tabel 4.4: richtafstanden tabel
4.2.3
Conclusie
Gezien de voorgaande motivering kan ondanks de nabije ligging van bedrijvigheid de realisatie van woningen (en een bedrijfswoning) zonder belemmeringen worden toegestaan. Er worden geen richtlijnen en afstanden overschreden, de omliggende bedrijven worden niet in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt en ter plaatse van het plangebied is hierdoor sprake van een 'goed woon- en leefklimaat'.
4.3
Geur
4.3.1
Algemeen
De 'Wet geurhinder en veehouderij' (Wvg) vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de 'Wet milieubeheer', waar het gaat om geurhinder veroorzaakt door het houden van dieren (voorgrondbelasting). Daarnaast heeft de wet als input gediend voor de 'Handleiding geurhinder en veehouderij' in verband met de zgn. 'omgekeerde werking' in het kader van een 'goed woon- en leefklimaat' (achtergrondbelasting) dat zijn juridische basis vindt in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Met de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit per 1 januari 2013 zijn veel veehouderijen onder de werkingssfeer van dit besluit komen te vallen. In het Activiteitenbesluit is voor geurhinder van veehouderijen hetzelfde beoordelingskader opgenomen als in de Wgv. Op basis van de Wgv is de gemeente bevoegd af te wijken van de reguliere normen van de Wgv en voor het eigen grondgebied afwijkende geurnormen vast te stellen. De gemeente De Wolden heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft een gemeentelijke geurverordening vastgesteld. Op basis van een gemeentelijke geurverordening zijn normen en afstanden gewijzigd die gelden bij de oprichting of uitbreiding van een agrarische bedrijven. Deze verordening geldt alleen voor de uitbreiding van agrarische bedrijven en heeft geen rechtstreekse betekenis voor de realisatie van woningen. 4.3.2
Doorwerking in en conclusie voor het onderhavige plan
Het meest in de nabijheid gelegen agrarische bedrijf ligt volgens de vigerende beheersverordening Buitengebied aan de Ommerweg 21-23. Dit bedrijf is echter reeds verantwoord in paragraaf 4.2 Bedrijven en milieuzonering. Hieruit is gebleken dat dit bedrijf geen belemmering vormt voor de realisatie van het onderhavige plan.
39
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
4.4
Geluid
4.4.1
Algemeen
Veel ruimtelijke plannen hebben te maken met geluid; als ontvanger van geluid of als veroorzaker van geluid. Het aspect geluid wordt geregeld in diverse wet- en regelgeving. De belangrijkste wet- en regelgeving omtrent het aspect geluid betreffen: Wet geluidhinder Wet milieubeheer Activiteitenbesluit Wet ruimtelijke ordening Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Het begrip 'geluidgevoelige objecten' is in de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer bepaalt. De Wet geluidhinder maakt onderscheid in de volgende drie categorieën: woningen; andere geluidsgevoelige gebouwen: onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven (Besluit geluidhinder artikel 1.2); geluidsgevoelige terreinen: woonwagenstandplaats en ligplaatsen voor woonschepen (Besluit geluidhinder artikel 1.2). In de Wet milieubeheer wordt dit onderscheid niet gemaakt, maar deze wet gaat wel uit van dezelfde objecten. Als middels een plan een geluidbron of een geluidgevoelig object wordt mogelijk gemaakt, of een uitbreiding van een geluidbron of een geluidgevoelig object plaatsvindt, dan is een toetsing in het kader van geluid nodig. 4.4.2
Doorwerking in het onderhavige plan
Geluidgevoelige functie en/of geluidproducerende activiteit Woningen betreffen geluidgevoelige functies. Er dient derhalve te worden getoetst of ter hoogte van de beoogde woningen geluidnormen worden overschreden. De woon-werkkavel kan een geluidproducerende activiteit zijn. Er moet derhalve ook worden getoetst of omliggende geluidgevoelige functies geluidoverlast ondervinden van de woon-werkkavel. Industrie- c.q. bedrijfslawaai Het plangebied is niet gelegen binnen een geluidgezoneerd bedrijventerrein. Wel ligt het plangebied in de nabijheid van een niet-geluidgezoneerd bedrijventerrein (Zuiderkerkes). Geluid afkomstig van omliggende bedrijven(terreinen) is echter reeds verantwoord in paragraaf 4.2 Bedrijven en milieuzonering. Ook de geluidinvloed afkomstig van de woon-werkkavel (in onderhavig plan) naar de omgeving is in dezelfde paragraaf verantwoord. In deze beoordeling zijn geen belemmeringen aangetoond. Wegverkeerslawaai En deel van de realiseren woningen in het plangebied worden gerealiseerd binnen de onderzoekszones van de Rijksweg N48, Ommerweg en Slagendijk. Om die reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In deze paragraaf zijn uitsluitend de resultaten en de conclusie weergegeven. De gehele rapportage is als Bijlage 2 Akoestisch onderzoek opgenomen.
Conclusie akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Uit dit akoestisch onderzoek blijkt dat ter plaatse van het oostelijke deel van het plangebied (het deel aan de zijde van de N48) de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt echter nergens overschreden. Deze 53 dB contour ligt nog ver buiten het
40
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
plangebied (zie figuur 4.2). De voorkeursgrenswaarde als gevolg van de overige wegen (Ommerweg en Slagendijk) wordt ter plaatse van het plangebied niet overschreden.
Figuur 4.2: berekende 48 dB en 53 dB geluidscontouren Omdat maximale ontheffingswaarde van 53 dB niet wordt overschreden kan de gemeente De Wolden overgaan tot het verlenen van hogere grenswaarden voor wegverkeerslawaai ten behoeve van de woningen binnen de zone zoals aangeduid in figuur 4.2. De maximale hogere waarde bedraagt 51 dB (ruim binnen de maximale waarde van 53 dB). Motivering hogere grenswaarde In eerste instantie is gezocht naar maatregelen om een hogere waarde ]procedure te voorkomen. Eerst is gekeken naar maatregelen aan en om de weg en daarna aan de woning. Daarbij is gedacht aan het volgende. Maatregelen aan de bron, verkeer en afscherming Vergroting afstand bron-waarneempunt De nieuwe woonwijk Ekelenberg is reeds zo ver mogelijk van de N48 geplaatst. In het bestemmingsplan 'Ekelenberg, Zuidwolde' is de gehele oostelijke zone langs de N48 herbestemd van 'Recreatie' naar 'Bos'. met het verplaatsen van de wijk zover mogelijk van de N48 is derhalve rekening gehouden. Verkeersmaatregelen Het toepassen van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de te verwachten geluidsbelasting aan de bron door het verleggen van verkeersstromen behoort niet tot de mogelijkheden. De N48 wordt niet verplaatst.
Maatregelen om de verkeersintensiteit worden ook niet genomen en de snelheid wordt ter hoogte van Zuidwolde niet verlaagd (ter hoogte van Zuidwolde mag 100 km/u worden gereden). De N48 kent een belangrijke functie als gebiedsontsluitingsweg. Het verleggen en het verlagen van snelheden en intensiteiten wordt niet reeel geacht.
41
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
Maatregelen in het overdrachtsgebied Het veranderen van het asfalt van de N48 naar een stiller wegdek betreft voor het onderhavige plan een in verhouding te kostbare maatregel. Over een lengte van minimaal 650 zal asfalt vervangen moeten worden waardoor de realisatie van het plan niet meer rendabel is. Het oprichten van schermen en/of wallen zou een mogelijkheid kunnen zijn. Het is echter noodzakelijk een geluidwal dicht op de N48 te plaatsen. De grond eigendommen zijn hier echter versnipperd, waardoor onteigening plaats zou moeten vinden. Daarnaast zijn de gronden grotendeels bestemd als 'Bos' en maakt het onderdeel uit van het Natuur Netwerk Nederland. Het plaatsen van wallen en schermen is derhalve niet wenselijk. Vanwege landschappelijke c.q. natuur redenen is het realiseren van de wal / scherm niet wenselijk. Maatregelen een de gevels Aan de te realiseren woningen kunnen geluidreducerende gevels eenvoudig worden toegepast. Op basis van de maximale berekende geluidbelastingen in onderhavig onderzoek (51 dB incl. art. 110g Wet geluidhinder) dient de geluidwerende werking van een buitengevel in het meest 'negatieve' geval 23 dB te bedragen. Op basis van artikel 3.2 van het Bouwbesluit geldt een minimale geluidwering van 20 dB voor een uitwendige scheidingsconstructie (buitengevel).
Echter, nieuwbouwwoningen dienen vanwege energie prestaties (EPC / BENG) verregaand te worden geïsoleerd. Deze isolerende werking inzake energie heeft echter ook een geluidreducerende werking. De geluidreducerende werking van deze gevels bedragen al snel 35 dB waardoor een binnen niveau wordt bereikt van 20 dB (ver beneden de maximale norm). Geluidreducerende werking moderne gevels: enkele kierdichting en goede naaddichting; 35 dB; dubbele kierdichting en goede naaddichting; 40 dB; speciale dubbele kierdichting; 50 dB. Hogere grenswaarde De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Daarnaast is het treffen maatregelen aan de bron, verkeer en afscherming niet reëel gebleken. Bovendien gaan de ontwikkelingen in gevelbeschermingen vanwege energie prestatie dusdanig ver zodat het behalen van de binnenwaarden eenvoudig is geworden. Om het plan vast te kunnen stellen is het noodzakelijk dat een hogere waarde wordt vastgesteld. Het besluit Hogere waarde wordt tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. 4.4.3
Conclusie
Mits de hogere grenswaarde tegelijkertijd met het bestemmingsplan wordt vastgesteld vormt het aspect geluid geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.5
Bodem
Algemeen Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bovendien dient op basis van het bouwbesluit altijd een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien een woning wordt gerealiseerd. Er dient bepaald te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd.
42
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
Ten behoeve van het onderhavige plan is een bodemonderzoek uitgevoerd. In deze paragraaf zijn uitsluitend de resultaten en de conclusie opgenomen. De gehele rapportage is als Bijlage 3 Bodem- en geohydrologisch onderzoek opgenomen. Conclusie bodemonderzoek Resultaten Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond op het noordoostelijk deel een licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetroffen. Ter plaatse van het zuidwestelijk deel van de locatie zijn licht verhoogde gehalten aan koper, lood, PAK, PCB en minerale olie aangetroffen. In de ondergrond zijn licht verhoogde gehalten aan PAK en PCB aangetroffen. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is gebleken dat tijdens eerdere onderzoeken vergelijkbare gehalten zijn aangetroffen. De gemeten gehalten overschrijden de achtergrondwaarden in geringe mate en vormen geen belemmering voor de geplande herinrichting en bestemmingsplanwijziging van de locatie. Het uitvoeren van nader onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie De opzet van het uitgevoerde onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er, ons inziens, milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen zijn voor geplande herontwikkeling en bestemmingsplanwijziging.
De gestelde hypothese dat de locatie als "verdacht" beschouwd kan worden ten aanzien van chemische parameters is juist gebleken op basis van de aangetoonde licht verhoogde gehalten aan koper, lood, PCB, PAK en minerale olie in grond. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Bovendien vormen de gemeten gehalten (grond) en concentraties (grondwater) geen belemmering voor het toekomstige gebruik van de onderzoekslocatie. Resumé Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.6
Erfgoed
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
43
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
4.6.1
Archeologie
De archeologische (verwachtings)waarden in het plangebied zijn vastgelegd in het bestemmingsplan 'Ekelenberg, Zuidwolde' door middel van 2 dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische betekenis' en 'Waarde - Archeologie hoge verwachting'. Ter plaatse van de bestemming 'hoge verwachting' was in het kader van het vigerende bestemmingsplan nog geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. Ter plaatse van de bestemming 'archeologische betekenis' was wel onderzoek uitgevoerd, maar kon zonder het uitvoeren van een nader onderzoek niet worden uitgesloten dat als gevolg van bodemverstoringen archeologische resten worden geschaad. Ten behoeve van onderhavig plan is derhalve een (nader) archeologisch onderzoek uitgevoerd in de vorm van een 'Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven en een aanvullend booronderzoek met proefputten'. In deze paragraaf worden uitsluitend de conclusies weergegeven. De gehele rapportage is als Bijlage 4 Archeologisch onderzoek opgenomen. Voor het voorgaande onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen van het vigerende bestemmingsplan. Voor dit bestemmingsplan is het voorgaande onderzoek niet meer relevant. Conclusie archeologisch onderzoek De hoge verwachting die op basis van het vooronderzoek is gesteld, is bij het proefsleuvenonderzoek niet uitgekomen.
De hoge verwachting was gebaseerd op de hoge ligging op de stuwwal, de gedeeltelijk intacte bodemopbouw, de drie vuursteenvindplaatsen in het plangebied en de nabije ligging van verschillende grafstructuren uit het Neolithicum en de Bronstijd. Het plangebied ligt op het zuidelijke deel van de stuwwal van Zuidwolde. De natuurlijke ondergrond bestaat hier uit keileem afgedekt met dekzand. In de top van het dekzand heeft zich een podzol ontwikkeld. Door het gebruik als recreatieterrein is de bodem op locaties verstoord, maar de diepte van deze verstoringen is relatief beperkt. Alleen op de locatie van voormalige septic tanks is de bodem tot relatief grote diepte verstoord. Het proefsleuvenonderzoek heeft geen archeologische sporen of vondsten opgeleverd. In de sleuven zijn alleen recente verstoringen aangetroffen die samenhangen met het voormalige campingterrein. Dit betreft kabel- en leidingsleuven, septic tanks, ingegraven afvaldumps en enkele recente houten paaltjes of paalkuilen. Tevens zijn veel natuurlijke verkleuringen aangetroffen die zijn veroorzaakt door boomvallen, boomvlekken, doorworteling van bomen en struiken en diergangen.
Het aanvullend booronderzoek met megaboringen in een 2,5 x 2,5 m grid en de op basis van deze resultaten aangelegde twaalf proefputjes van 50 x 50 cm ter plaatse van de drie vuursteenvindplaatsen hebben in totaal 406 vuurstenen artefacten opgeleverd. Reeds op het maaiveld was duidelijk dat er sprake was van de nodige verstoring van de horizontale verspreiding door de aanwezigheid van verschillende grote bomen, maar ook struiken en andere begroeiing, asfaltwegen en enkele kuilen/afgravingen die op het maaiveld al zichtbaar waren. Een groot deel van de boringen vertoonde een verstoord bodemprofiel of kon niet worden gezet vanwege de hierboven benoemde aanwezige obstakels. De locatie van de vakken was gebaseerd op vuursteenconcentraties en voor zover mogelijk op basis van de mate van verstoring. Desondanks blijkt ook uit de verticale spreiding van het vuursteen dat er veel verstoring heeft plaatsgevonden. Selectie advies Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek en de afwezigheid van een archeologische vindplaats adviseert ADC ArcheoProjecten het bevoegd gezag om het met proefsleuven onderzochte deel van het plangebied vrij te geven voor ontwikkeling. Het aanvullend booronderzoek en proefputonderzoek ter plekke van de drie vuursteenvindplaatsen van het vooronderzoek heeft in totaal 5.550 vuursteenvondsten opgeleverd.
Hiervan zijn er 406 als artefacten te bestempelen waarvan het merendeel als chips kleiner dan 1 cm. Zowel de boringen als de proefputten hebben laten zien dat de vuursteenvindplaatsen zowel horizontaal als verticaal in meer of mindere mate zijn verstoord en tevens kernmerken van een palimpsest vertonen. Op basis van zowel de fysieke als inhoudelijke kwaliteit worden de vuursteenvindplaatsen middelmatig/middelhoog gewaardeerd en worden op basis daarvan als niet behoudenswaardig beschouwd. Daarom adviseert ADC ArcheoProjecten het bevoegd gezag om fase 2 van het plangebied Ekelenberg vrij te geven voor ontwikkeling.
44
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het plangebied toch nog archeologische resten kunnen worden aangetroffen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. 4.6.2
Cultuurhistorie
Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Cultuurhistorische elementen in het plangebied Zoals reeds in paragraaf 2.1 Historische ontwikkeling is beschreven gaat de cultuurhistorische geschiedenis ver terug als gevolg van de gunstige geografische en hoge ligging in de regio. Zuidwolde en omgeving ligt op de noord-zuid gesitueerde stuwwal 'De Rug van Zuidwolde'. Deze stuwwal vormde een belangrijke noord-zuid route vanaf de zuidelijke hoger gelegen gronden (rond Ommen) en de noordelijk gelegen hogere gronden rond Ruinen. Ten westen en ten oosten van de stuwwal was nog lang sprake van verruigte gronden en moerassen waardoor het onderhavige plangebied onderdeel uit maakt van deze noord-zuid route. Vanaf omstreeks 3.400 voor Christus vestigden zich de eerste boeren in Drenthe. Deze periode staat bekend als de Trechterbekercultuur en is vooral bekend van de hunebedden. Aan de zuidwestzijde van en buiten het plangebied ligt een grafveld uit de Trechterbekerperiode (monument 14.399, waarneming 17.012). In het plangebied zijn dan ook veel vuursteenresten aangetroffen in het archeologische onderzoek.
Ondanks deze vroege cultuurhistorische geschiedenis lag het plangebied juist net buiten de recente cultuurhistorische ontwikkelingen in het gebied. Op cultuurhistorische kaarten (zie figuur 4.3) blijkt dat het plangebied an sich bestond uit verruigt gebied dat grenst aan de Steenberger Esch aan de noordzijde en de Schotters Esch aan de zuidzijde. Naast deze essen, op enige afstand van het plangebied, begonnen de eerste (recente) dorpen te ontwikkelen. Het plangebied is in deze recente geschiedenis slechts bekend als de berg van afkeer / walging omdat op Ekelenberg in de steentijd voor-historische voorouder-vereringen plaats zou hebben gevonden. De naam Ekelenberg is dan ook het afgeleide van Ekel dat in het Germaans 'afkeer' en/of 'walging' betekent. Het volksverhaal over het ‘Spinwiefien van den Ekel’ is op de cultuuurhistorische waardenkaart van de gemeente De Wolden als immaterieel erfgoed opgenomen. De straatnamen in Ekelenberg, Den Ekel, Spinwiefien, Kroepnevel en Den Ekelpad zijn gebaseerd op deze (cultuurhistorische) geschiedenis van het plangebied. Omstreeks 1900 werd in het plangebied bos aangeplant en werden enkele bospaden aangelegd. Eén van deze bospaden is in onderhavig plan in ere hersteld en maakt onderdeel uit van de wegenstructuur in het plangebied en sluit aan op het wandelnetwerk in de omliggende bossen.
45
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
Figuur 4.3: historische topografische kaarten (Rijks/gemeentelijke) monumenten en karakteristieke bebouwing In het plangebied is geen bebouwing meer aanwezig. Cultuurhistorische elementen in de omgeving In de omgeving zijn geen relevante cultuurhistorische elementen aanwezig. Naast het al genoemde grafveld (waar onderhavig plan geen invloed op uitoefent), zijn vooral de Ommerweg en de Slagendijk nog als cultuurhistorische elementen zichtbaar. De Slagendijk is ter hoogte van het plangebied, bij de realisatie van het industrieterrein Zuiderkerkes, iets verlegd en heeft hier niet meer zijn historische ligging. De oorspronkelijke ligging van de Slagendijk ligt in de groenzone direct grenzend aan de noordzijde van het plangebied en maakt daar onderdeel uit van een wandelroute. 4.6.3
Conclusie
Zoals blijkt uit voorgaande, vormen archeologische en cultuurhistorische waarden geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan. De cultuurhistorische waarden die bekend zijn, zijn zoveel als mogelijk in het plan verwerkt. Op basis van de bevindingen van het Archeologisch onderzoek kan het plangebied geheel worden vrijgegeven. Om deze reden wordt op de verbeelding van dit bestemmingsplan geen dubbelbestemming voor archeologie opgenomen.
46
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Algemeen
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan.
Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. 4.7.2
Doorwerking in het onderhavige plan
Is sprake van een risicovolle bron? In onderhavig plangebied zijn geen risicovolle bronnen aanwezig. Daarnaast worden ook geen risicovolle bronnen mogelijk gemaakt. Is sprake van (beperkt) kwetsbare objecten? In het onderhavige plan worden woningen mogelijk gemaakt. Woningen betreffen kwetsbare objecten. Er dient derhalve te worden getoetst of normen ten aanzien van externe veiligheid worden overschreden.
47
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
Risicovolle bronnen in de omgeving Voor het bepalen van risicobronnen in de omgeving is de provinciale risicokaart (www.risicokaart.nl) geraadpleegd (zie figuur 4.4).
Figuur 4.4: uitsnede risicok aart Op basis van de risicokaart zijn in de omgeving van het plangebied de volgende relevante risicobronnen aanwezig: LPG - tankstation aan de Nijverheidsweg 40; Rijksweg N48 (knooppunt Hoogeveen - afrit N377 (Balkbrug). LPG - tankstation Het LPG - tankstation ligt op circa 350 meter van het plangebied. Op basis van de Circulaire effectafstanden LPG tankstations moet rekening worden gehouden met een effectafstand van 160 voor zeer kwetsbare objecten en 60 meter voor kwetsbare objecten. Met 350 meter ligt het plangebied ruimschoots buiten deze effectafstanden. Rijksweg N48 (transportroute voor gevaarlijke stoffen) Ten oosten van het plangebied ligt op een afstand van circa 175 meter de N48. Over het traject ter hoogte van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. In de onderstaande tabel zijn de
48
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
relevante gegevens met betrekking tot externe veiligheid van de Regeling Basisnet weergegeven. Tabel 4.5: basisnet gegevens Rijksweg N48
Vanwege het transport van stofcategorie GF3 bedraagt op basis van de Handleiding Risicoanalyse Transport 2017 (HART) het invloedsgebied circa 355 meter vanaf de weg. Het plangebied dient te worden getoetst aan het Bevt. Hierbij dient het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar en het groepsrisico te worden getoetst en te worden beoordeeld. Zo is het mogelijk om een risicoanalyse met gebruikmaking van RBMII uit te voeren of gebruik te maken van de zogenaamde vuistregels van de HART. Omdat het plangebied slechts in een niet dicht bevolkt gebied ligt en op circa 175 meter vanaf de weg ligt en er sprake is van eenzijdige bebouwing, is gekozen om gebruik te maken van de vuistregels. Plaatsgebonden risico 10-6 Het gaat om een transportroute buiten de bebouwde kom. Voor een weg buiten de bebouwde kom is er sprake van een PR10-6 bij een overschrijding van 3.379 transporten GF3. Per jaar zijn op de N48 maximaal 500 transporten GF3 aanwezig, waardoor het PR10-6 op 0 meter ligt. Deze risico afstand ligt dus niet buiten de weg zelf. De grens- en richtwaarde van het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar wordt niet overschreden. Groepsrisico Het groepsrisico dient te worden beoordeeld binnen het invloedsgebied van de N48.
Op basis van de vuistregels voor een weg buiten de bebouwde kom met eenzijdige bebouwing wordt een overschrijding van 10% van de oriëntatiewaarde gevonden bij 3.680 transporten GF3 bij een bevolkingsdichtheid van 200 personen per hectare. Het aantal transporten GF3 zijn maximaal 500 per jaar en de bevolkingsdichtheid is veel lager dan 200 personen per hectare. Hieruit volgt dat het groepsrisico ruimschoots lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Op grond van het Bevt houdt dit in dat de verantwoording van het groepsrisico slechts beperkt hoeft plaats te vinden. Beperkte verantwoording van het groepsrisico De afstand tot aan het plangebied maakt dat de invloed van een incident met diesel of benzine waarbij een vloeistofbrand ontstaat niet relevant is. De effecten van een Blêve (exploderend brandend gas) zijn echter wel relevant. Blêve: De tankwagen wordt aangestraald, waardoor de tank wordt verwarmd, de integriteit van de tankwand-constructie begeeft het en een warme BLEVE ontstaat. Door de aanwezigheid van vuur / brand / hitte zal de brandbare vloeistof ontsteken en een grote vuurbal met grote hittestraling tot gevolg hebben, met uitstraling naar de omgeving. Scenario's Een scenario wat denkbaar zou kunnen zijn, is dat bij het invoegen van een LPG tankwagen vanaf de Oosterweg op de N48 deze wordt aangereden door een personenauto, die daardoor in brand komt te
49
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
staan en zo de LPG tankwagen aanstraalt. Ook een inhaalmanoeuvre op de N48 zal tot een aanrijding met een LPG tankwagen kunnen leiden. Doordat LPG tankwagens zijn voorzien van een hitte werende bekleding zullen effecten van een Blêve zich niet direct voltrekken maar is de verwachting dat tussen aanrijding en Blêve een uur bestrijdingstijd en ontvluchtingstijd aanwezig is. De kans op een dergelijk scenario is erg klein. Zelfredzaamheid De personen in de woningen zijn zelfredzaam. Hierdoor is men in staat, wanneer men bij een dergelijk scenario snel wordt gewaarschuwd, te vluchten. Gezien de wegenstructuur is het zeker mogelijk om van het incident af te vluchten. Bestrijdbaarheid /beheersbaarheid Bij een dergelijk scenario is het zaak hulpdiensten snel te alarmeren waardoor er nog kans is om de autobrand te bestrijden. Na alarmering heeft de brandweer nog zo'n 10 minuten nodig om ter plaatse te komen en in totaal zo'n 20 minuten om te beginnen met de bestrijding. Tijdige alarmering is hierbij dus cruciaal. In dit scenario zijn de mensen in het invloedsgebied aangewezen op hun eigen zelfredzaamheid (waarbij schuilen de beste optie is) en een goede inrichting van hun omgeving. Maatregelen Kijkend naar het scenario en omstandigheden zijn geen zinvolle aanvullende maatregelen te treffen die of de zelfredzaamheid of de bestrijdbaarheid kunnen verbeteren.
Gelet op het scenario is het cruciaal hulpdiensten snel te alarmeren. 4.7.3
Conclusie
Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.8
Natuur
4.8.1
Algemeen
De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats via Omgevingsvisie Drenthe en de bijbehorende Provinciale omgevingsverordening Drenthe. In het onderhavige plan wordt een nog onbebouwd gebied aangewend voor de realisatie van een nieuwe woonwijk. Er kan niet worden uitgesloten dat het leefgebied van beschermde flora en fauna verloren gaat of wordt geschaad. Ten behoeve van het onderhavige plan is een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd en is een stikstofdepositie berekening uitgevoerd. In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen. De volledige rapportages zijn als Bijlage 5 Natuurwaardenonderzoek en als Bijlage 6 Stikstofdepositieberekening toegevoegd. 4.8.2
Conclusie natuurwaardenonderzoek
Soortenbescherming Vogels Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn houtduif, merel, zanglijster, tjiftjaf, fitis, tuinfluiter, geelgors en grasmus. Voorgenoemde soorten kunnen nestelen in bomen en struiken en in
50
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
dichte vegetatie op de grond. Er zijn tijdens het veldbezoek geen (oude) roofvogelnesten of potentiële nesten van uilen waargenomen. Er zijn geen beschermde soorten aangetroffen. Zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat grondgebonden zoogdieren een rust- en/of voortplantingslocatie bezetten in het plangebied. Daarnaast blijft het plangebied geschikt als fourageergebied. Vleermuizen Verblijfplaatsen: er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied aangetroffen. Gebouwen of andere bouwwerken ontbreken, evenals holen in bomen of bomen met losse schors. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen vleermuizen verstoord, verwond of gedood en worden geen rust- of verblijfplaatsen beschadigd of vernield. Fourageergebied: Het plangebied vormt een geschikt foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten. Het is aannemelijk dat vleermuissoorten als gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger in het plangebied foerageren. Vanwege de kleine oppervlakte, de inrichting en het gevoerde beheer, is de betekenis van het plangebied als foerageergebied beperkt. Het plangebied wordt niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd.
Amfibieën Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten als gewone pad, bruine kikker, kleine watersalamander en bastaardkikker beschouwd. Voorgenoemde soorten benutten de buitenruimte van het plangebied vermoedelijk als foerageergebied en vermoedelijk bezetten een aantal exemplaren er ook een (winter)rustplaats. In het plangebied is een kleine ondiepe vijver aangetroffen, maar deze wordt niet als een geschikte voortplantingsbiotoop voor amfibieën beschouwd. Amfibieën bezetten een (winter)rustplaats in holen en gaten in de grond en onder afval, strooisel en opgeslagen goederen. Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied van de heikikker of andere zeldzame amfibieënsoorten beschouwd. Algemeen De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Drenthe een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd.
Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een geschikt functioneel leefgebied voor beschermde vogel-, amfibieën-, grondgebonden zoogdier- en vleermuissoorten, maar tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Het plangebied wordt vooral gebruikt als foerageergebied, maar vermoedelijk nestelen er ieder voorjaar vogels in het plangebied, bezetten grondgebonden zoogdieren er een rust- en voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.
51
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Vleermuizen en zeldzame grondgebonden zoogdieren en reptielen bezetten geen rust- of voortplantingsplaats in het plangebied. Het plangebied behoort tot het Natuurnetwerk Drenthe, maar ligt op forse afstand van Natura2000-gebied. Het meest in de nabijheid gelegen gebied Dwingelderveld ligt op een afstand van 12,7 kilometer). De uitvoering van de voorgenomen activiteiten is niet strijdig met het ruimtelijk beleid voor het NNN Drenthe. Dit aspect tevens in paragraaf 3.2.1 Omgevingsvisie en omgevingsverordening Drenthe nader gemotiveerd. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de ligging op enige afstand van Natura2000-gebied, is een negatief effect op Natura2000-gebied uitgesloten ten aanzien van licht, trillingen en geluid. Voor het aspect stikstof is een stikstofdepositie berekening uitgevoerd die in de paragraaf 4.8.3 Conclusie stikstofdepositie onderzoek nader is toegelicht. Resumé Mits bezette vogelnesten beschermd worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming.
Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de ligging van het plangebied op enige afstand van Natura2000-gebied, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op Natura2000-gebied. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden. 4.8.3
Conclusie stikstofdepositie onderzoek
Gezien de huidige stikstofproblematiek is het noodzakelijk om de invloed als gevolg van de emissie van stikstof op omliggende Natura 2000-gebieden in beeld te brengen. In de verre omgeving van het plangebied zijn geen Natura 2000-gebieden gelegen. Pas op een afstand van circa 12,7 kilometer ligt het meest in de nabijheid gelegen gebied Dwingelderveld. Voor dit plan zijn voor de toekomstige situatie 'gebruiksfase' en voor de realisatiefase stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd met behulp van Aerius-calculator. Uit de rekenresultaten blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/j op omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daarmee geen negatieve gevolgen te verwachten voor de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden. Aanvullend onderzoek is niet nodig. Omdat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie is het onderhavige plan niet vergunningplichtig op grond van de Wet natuurbescherming. 4.8.4
Algehele conclusie natuur
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.9
Luchtkwaliteit
4.9.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
52
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); Besluit en Regeling 'Niet in betekenende mate' Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 & PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2, PM2,5 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen.
Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig 4.9.2
Doorwerking in het onderhavige plan
Dit bestemmingsplan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van 60 woningen en 1 woon-werkkavel. Omdat de woon-werkkavel niet behoort tot de bovenstaande categorieën conform Besluit NIBM is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. Als input is de verkeersgeneratie gebruikt zoals weergegeven in paragraaf 2.3.4.1 Afwikkeling van verkeer. Uit de NIBM-tool blijkt dat het onderhavige plan niet in betekende mate bedraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Tabel 4.5: resultaat NIBM-tool
53
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
Het plan bevat daarnaast geen gevoelige bestemmingen, zoals genoemd in het Besluit gevoelige bestemmingen. Dit besluit is derhalve niet van toepassing op onderhavig plan. 4.9.3
Conclusie
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
4.10
Water
4.10.1 Algemeen Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Deze waterparagraaf doet verslag van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In dit kader moet de watertoets worden uitgevoerd. De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Het waterschap zorgt voor de kwaliteit van het oppervlaktewater in het gebied en beheert de grotere boezemwateren en sloten, zoals geregeld in de Waterwet. Ook is het waterschap belast met het peilbeheer in het beheersgebied. 4.10.2 Beoordeling Ten behoeve van het vigerende bestemmingsplan is in 2016 een waterhuishoudkundig onderzoek uitgevoerd. De uitgangspunten van het waterschap zijn in dit onderzoek verwerkt. Ten tijde van het opstellen van de waterhuishoudkundige toelichting voor Ekelenberg eerste fase, in 2016, was de detaillering van de tweede fase nog niet bekend. De waterhuishoudkundige toelichting had grotendeels al betrekking op het gehele plangebied Ekelenberg. Hoofdstuk 4 van dit onderzoek vormde de uitwerking voor de eerste fase. Om die reden is voor de tweede fase volstaan met het uitwerken van een 'addendum' op het waterhuishoudkundig plan.
In dit addendum is hoofdstuk 4 specifiek voor de tweede fase uitgewerkt. Daarnaast wordt de beschrijving van het waterbeleid van de provincie Drenthe geactualiseerd. Voor de volledigheid wordt verwezen naar de Waterhuishoudkundige toelichting Woonplan Ekelenberg, Slagenweg 2 Zuidwolde (Ecoreest, 26 mei 2016, projectnr. 160468) en het Addendum Waterparagraaf Ekelenberg fase 2 (Van Lotringen Milieuadvies, 11 oktober 2019, projectnr: 19162/512). Deze documenten vormen samen de waterhuishoudkundige toelichting voor dit bestemmingsplan. Mogelijkheden vasthouden hemelwater Uitgangspunt voor de waterhuishoudkundige inrichting is om het hemelwater - ook dat van de daken en oppervlakteverhardingen afvloeit - zoveel mogelijk in het gebied vast te houden. Hiermee wordt verdroging van de aangrenzende natuurgebieden tegengegaan, evenals de afwenteling van wateroverlast op gebieden elders. Vasthouden van het hemelwater sluit ook aan bij een project dat in een groot gebied rond Zuidwolde in gang is gezet en dat er onder meer op is gericht de verdroogde bossen bij het plangebied van een beter waterregime te voorzien. Mogelijkheden vasthouden hemelwater Als gevolg van de toename van de oppervlakte aan bebouwing en verharding op de onderzoekslocatie zal hemelwater ter plaatse minder gemakkelijk kunnen infiltreren in de bodem.
Het waterschap Drents Overijsselse Delta hanteert voor het omgaan met hemelwater de trits vasthouden-bergen-afvoeren. Hemelwater zal zo veel mogelijk vastgehouden moeten worden in het gebied waar het valt. Vasthouden
54
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
betekent dat het hemelwater wordt benut of direct als voeding voor het grondwater dient. Is vasthouden binnen het gebied niet mogelijk dan dient het hemelwater te worden verzameld in een berging waarna het geleidelijk beschikbaar komt voor afvoer of infiltratie. Alleen als vasthouden of bergen niet mogelijk is, is directe afvoer een optie. Aangezien in het verleden het hemelwater in het plangebied volledig werd vastgehouden door directe infiltratie, is onderzocht of dit ook na realisatie van de tweede fase mogelijk is. Op basis van luchtfoto’s is een inschatting gemaakt van de vroegere oppervlakte bebouwd en verhard in het plangebied. Op basis van het stedenbouwkundige plan is een schatting gemaakt van de toekomstige oppervlakte bebouwd en verhard in het plangebied. Deze inschatting is in de navolgende tabel weergegeven. Voor de te bebouwen percelen is onderscheid gemaakt tussen vrijstaande bebouwing (incl. tweekappers) met een geschat percentage bebouwd en verhard van 35% van het perceel en bouwblokken (sociale woningbouw op kleinere percelen) met een geschat percentage bebouwd en verhard van 65% van het perceel. In een gedeelte van het plan zijn patio-woningen gepland met een geschat percentage bebouwd en verhard van 80%. Deze uitgangspunten zijn nagenoeg gelijk aan die in de eerste fase zijn gehanteerd.
Figuur 4.4.: Ingeschatte verharde oppervlakken in de referentiesituatie en toekomstige situatie. Uit de tabel blijkt dat de oppervlakte bebouwd en verhard toeneemt van 36% naar 42%, gemiddeld over fase 2. Voor infiltratie is het van belang te constateren dat deelgebieden met woonblokken en patio’s een hoger verwacht percentage bebouwd en verhard hebben. Voor de wegen en parkeerplaatsen kan infiltratie in de bermen plaatsvinden, of, indien deze niet aanwezig zijn, in infiltratievoorzieningen. Voor wat betreft berging van hemelwater is voldoende ruimte in het bodemprofiel aanwezig. Buien met een herhalingstijd van 10 en 100 jaar inclusief 10% toeslag vanwege klimaatverandering hebben een omvang van 65,2 respectievelijk 87,7 mm in 48 uur. Tussen een bodem op veldcapaciteit en een verzadigde bodem is circa 15% ruimte in de poriën beschikbaar. Om 87,7 mm te bergen in het bodemprofiel is een voldoende doorlatende onverzadigde laagdikte van ten minste 0,75 m nodig. Deze laagdikte is overal in het plangebied aanwezig en bestaat nagenoeg geheel uit goed doorlatend zand. Voor de berekening van de belasting van het gebied door extreme buien (herhalingstijd 10 jaar en 100 jaar, beide +10%) is uitgegaan van een doorlatendheid op maaiveldniveau van 2 m/dag. Berekeningen zijn uitgevoerd voor herhalingstijden van 10 en 100 jaar (incl.
10% toeslag) en voor percentages bebouwd en verhard van 50%, 65% en 80%. Uit de berekeningen blijkt dat bij een goede verdeling van het hemelwater over het maaiveld de berekende buien binnen 3 uur zijn geïnfiltreerd. De maatgevende buien met een langere duur dan 3 uur infiltreren daarna direct. In de onderstaande figuur is de cumulatieve
55
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
neerslagsom en de berging op het maaiveld (beide in mm) uitgezet tegen de tijd (in minuten).
Figuur 4.5: Regenduurlijnen Tot waterdiepten van 40 mm worden bij de aanwezige hellingen / glooiingen in het gebied (tot circa 2,5%) geen afstroming van betekenis verwacht op tuinen, gazons en groenstroken. Om stroming van betekenis (boven waterdikte van 40 mm) over het maaiveld te voorkomen dienen voor de situaties waar 65% of meer bebouwing en verharding kan voorkomen maatregelen te worden getroffen. Ter plaatse van de woonblokken en de patio's is daarom een infiltratievoorziening noodzakelijk. Ter plaatse van de woonblokken en de patio's moet respectievelijk 30 mm en 110 mm neerslag, wat te veel op het onverharde maaiveld komt, worden geborgen. Omgerekend per vierkante meter verharding en bebouwing dient dan een infiltratievoorziening met een bergingscapaciteit van 16 respectievelijk 28 liter te worden geborgen. Dat wil zeggen dat bij de woonblokken een kubieke meter opvangcapaciteit nodig is voor elke 60 m² verhard en bebouwd. Voor de patio's is een kubieke meter opvangcapaciteit nodig voor elke 36 m² verhard en bebouwd. Hiermee wordt het verschil tussen de toelaatbare maaiveldberging (40 mm) en de T=100 jaars bui opgevangen, zonder dat afvoer van hemelwater vanaf het perceel nodig is. In onderhavig plan worden in de groenzones nabij de rijwoningen en de patio's wadi's aangelegd. Deze groenzones zijn ruim genoeg om de benodigde capaciteit te kunnen bevatten.
In het uit te werken civieltechnisch ontwerp en het bijbehorende rioleringsplan worden de waterhuishoudkundig systeem nader uitgewerkt. 4.10.3 Online watertoets Het waterschap is reeds in een vroeg stadium betrokken bij de planvorming. Zowel bij het bestemmingsplan als bij het uitwerken van het civieltechnisch ontwerp. Ten behoeve van het onderhavige plan is de online watertoets doorlopen waarmee het waterschap formeel op de hoogte is gebracht. In het kader van deze online watertoets en het vooroverleg zal het waterschap advies uitbrengen.
56
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
4.10.4 Conclusie Uit de berekeningen blijkt dat het voor het grootste deel van het plangebied mogelijk is om in de toekomstige situatie buien van T=10 jaar en T=100 jaar op te vangen met infiltratie op maaiveld. Uitsluitend bij de woonblokken en de patio's wordt voor extreme buien infiltratievoorzieningen in de vorm van wadi's aangelegd waardoor het onderhavige plan voldoet aan opvang van hemelwater. Daarnaast gelden de onderstaande aanbevelingen voor de nadere uitwerking van het civieltechnisch ontwerp. 4.10.5 Aanbevelingen Aanbevolen wordt bij de uitgifte van de percelen voorwaarden te stellen voor de omgang met hemelwater. Deze voorwaarden zijn: Het aanlegpeil van de gebouwen dient ten minste 30 cm boven het maaiveld te liggen. Hemelwater op het eigen perceel (bebouwing, verharding en onverhard) dient op het eigen perceel te infiltreren. Het is niet toegestaan de aangrenzende percelen te belasten met overtollig hemelwater. Om uitspoeling te voorkomen dient hemelwater zoveel mogelijk te worden verdeeld over het onverharde gedeelte. Vanaf de verharding dient hemelwater zoveel mogelijk in alle richtingen af te stromen naar onverharde gedeelten. Hemelwater dat via goten en regenpijpen vanaf het bebouwde gedeelte komt moet opnieuw verdeeld worden over het onverharde gedeelte, hetzij via de verharding, hetzij via een greppel, hetzij via een verlaagd infiltratieveld (wadi).
Bij het aanbrengen van berging voor het hemelwater van het dak dient per 20 m2 meter dakoppervlak rekening te worden gehouden met 1 m3 berging (uitgaande van 54 mm neerslag). Voor de woonblokken en de patio’s dient een infiltratievoorziening te worden aangelegd. Deze dient ter plaatse van de woonblokken ten minste met een capaciteit te hebben van een kubieke meter per 60 m² verhard en bebouwd. Bij de patois ten minste een capaciteit van een kubieke meter per 36 m² verhard en bebouwd. Infiltratievoorzieningen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit een greppel, een infiltratieriool, infiltratiekratten, een wadi. Ter plaatse van de woonblokken, waar deze grenzen aan ruime groenstroken kunnen wadi's worden aangelegd voor infiltratie van overtollige neerslag. Ter plaatse van de wegen in het gebied dient het hemelwater naar de bermen af te stromen, waar voldoende gelegenheid is om te infiltreren. Indien een weg loodrecht op de hoogtelijnen ligt dient de weg zodanig uitgevoerd te worden dat het hemelwater niet over het wegdek tot onderaan de helling kan afstromen. Op regelmatige afstanden dient het water naar de berm te worden afgeleid, hetzij door hoogteverschillen in de weg aan te brengen, hetzij door een opvanggoot in de weg te leggen. Waar het afstromende water geconcentreerd in de berm komt zijn infiltratievoorzieningen nodig.
Waar geen bermen aanwezig zijn ook afzonderlijke infiltratievoorzieningen nodig met een capaciteit van 0,054 m³ per vierkante meter gesloten verharding. Voor wegen en paden kan worden overwogen om doorlatende verharding te gebruiken. Bij de bouw worden geen materialen toegepast op een wijze, waarbij verontreinigende stoffen kunnen uitlogen naar het grondwater. Het betreft met name onbeschermd lood, zink, koper en teerhoudende mastiek.
4.11
Besluit milieueffectrapportage
4.11.1 Algemeen Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij projecten die kleiner zijn dan de drempelwaarden uit lijst C en D beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte
57
bestemmingsplan Zuidwolde, deelplan Ekelenberg 2e fase (ontwerp)
hierbij is dat ook deze projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Voor deze toets wordt ook wel de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. Op 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. weer gewijzigd. Bij deze wijziging is een nieuwe procedure opgenomen voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.beoordeling aan de orde is, moet het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. 4.11.2 Doorwerking in het onderhavige plan Dit bestemmingsplan vormt juridische-planologische regeling voor de tweede fase van de woonwijk Ekelenberg, inclusief een woon-werkkavel.