TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Middelveen V, Zuidwolde ontwerp
Tekst van het document
Er bevinden zich verschillende woningen aan de Landschapslaan. Uit een indicatieve berekening blijkt dat de geluidbelasting ter hoogte van de bestaande woningen ten hoogste Lden = 51 dB bedraagt. De standaardwaarde van Lden = 53 dB wordt niet overschreden. De toename van de geluidbelasting op de omliggende woningen kan zodoende als aanvaardbaar wordt beschouwd. Er is daarmee geen sprake van indirecte akoestische effecten. Bovenstaande in acht nemend zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 5.3.1.3 Conclusie Het aspect 'geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. 5.3.2 Geluid door activiteiten 5.3.2.1 Wettelijk kader Geluid is relevant in het licht van de aangevraagde activiteit omdat geluidgevoelige gebouwen (woningen) worden toegelaten waarop geluid wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. De instructieregel van paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl zijn van toepassing. In deze instructieregels is onder meer bepaald dat het geluid door een activiteit op de nieuw te bouwen woningen aanvaardbaar moet zijn. 5.3.2.2 Toetsing Met de voorgenomen ontwikkeling worden geluidgevoelige gebouwen gerealiseerd. Er worden geen geluidveroorzakende activiteiten gerealiseerd.
In de directe omgeving kunnen zich (bedrijfs)activiteiten bevinden die van invloed zijn op de geluidsbelasting op de nabijgelegen geluidgevoelige bebouwing. In onderstaande alinea wordt hier verder op ingegaan.
36/720
In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen (bedrijfs)activiteiten. Ten noorden en oosten van het plangebied bevinden zich woonwijken. Op de Turflaan 1a geldt de bestemming 'Dienstverlening'. Op deze locatie bevindt zich een tandartspraktijk. Tussen de beoogde woonwijk en het bedrijf zijn reeds bestaande woningen gelegen. Deze woningen zijn maatgevend, waardoor het beoogde plan niet belemmerend kan zijn voor het bedrijf. Er kan worden voldaan aan de standaardwaarden. Aan de zuidoostzijde ligt een bosgebied. Aan de west- en zuidzijde van het plangebied grenzen agrarische percelen, enkele woningen en een kleinschalig bosgebied. Op de aangrenzende percelen zijn geen (agrarische) bedrijven gevestigd die mogelijk een relevante geluidsbelasting veroorzaken op de beoogde woningen. In de omgeving van het plangebied zijn geen (bedrijfs)activiteiten aanwezig, hierdoor kan worden voldaan aan de standaardwaarden. Daarnaast vormen de beoogde woningen geen belemmering voor de aanwezige (bedrijfs)activiteiten in de omgeving (die op grote afstand liggen), aangezien bestaande woningen zich op kortere afstand bevinden en daarmee de beschikbare milieugebruiksruimte al inperken. Op de Middelveenseweg 5 (binnen het plangebied) was een intensieve veehouderij gevestigd. In december 2024 is deze grond eigendom geworden van de gemeente.
Door het beëindigen van de pluimveehouderij is er geen toetsing noodzakelijk wat betreft geluid. Op de locatie zullen woningen worden gerealiseerd. Warmtepompen In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) worden geluideisen gesteld aan (nieuw te plaatsen) buiten opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking. Het gaat hierbij om warmtepompen en airco's voor woningen en woongebouwen. De installaties mogen niet meer dan 40 dB(A) op de erfgrens veroorzaken. Voorafgaand aan vergunningverlening wordt bepaald met welke installatie aan de norm kan worden voldaan. Hierbij wordt ook rekening gehouden met een plaatsing van de warmtepompen zo ver mogelijk van de erfgrens en met het gecumuleerde geluid. 5.3.2.3 Conclusie Er is een aanvaardbare situatie ter plaatse. Vanuit het aspect geluid door activiteiten is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk.
5.4
Ladder voor duurzame verstedelijking
5.4.1 Wettelijk kader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een
37/720
functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn. Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving. 5.4.2 Toetsing Met de beoogd ontwikkeling worden 149 woningen mogelijk gemaakt. Het tijdelijke Omgevingsplan is vertrekpunt bij de beoordeling of iets een nieuwe stedelijke ontwikkeling is. In dit geval is de locatie sprake van het toevoegen van 12 woningen of meer ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden. Het toevoegen van 149 woningen ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden is voldoende substantieel. Het gebied heeft grotendeels een agrarische bestemming.
Het betreft daarmee geen bestaand stedelijk gebied volgens de definitie van Artikel 5.129g Bkl, ondanks dat het door de provincie deels wel is aangemerkt als stedelijk gebied. Gelet op het bovenstaande is een Ladderonderbouwing opgesteld, zie bijlage 8. Hierin wordt de woningbehoefte beschreven en gemotiveerd waarom niet (geheel) binnenstedelijk in de behoefte kan worden voorzien. Op basis van diverse bronnen zoals de Regionale woondeal Zuidwest Drenthe (december 2022) en Regionale woondeal Zuidwest Drenthe (december 2022) blijkt dat er woningbehoefte is in het gebied. De gemeente groeit hard en er zijn veel extra woningen nodig. In de Toekomstvisie 2022-2040 is aangegeven hoe de gemeente daar invulling aan geeft. Bij elke nieuwe ontwikkeling gaat de voorkeur uit naar inbreiding boven uitbreiding. In de kerndorpen (Zuidwolde, de Wijk, Ruinen, Ruinerwold en Koekange) en in Alteveer-Kerkenveld wil de gemeente ook uitbreiding toestaan. In de kerndorpen wordt uitbreiding actief gestimuleerd, ook als de behoefte niet uit het eigen dorp komt. Bij uitbreiding bouwt de gemeente bij voorkeur aansluitend aan de bestaande dorpen. In de kern Zuidwolde zijn per april 2025 projecten voor in totaal 263 woningen netto, waarvan 144 in Middelveen V. Inmiddels is duidelijk dat er ruimte is voor 149 woningen, wat past binnen de afspraken en de berekende behoefte.
In Zuidwolde is afgesproken dat 213 tot 279 woningen worden toegevoegd tot 2030 en is de behoefte berekend op 440 woningen tot 2040. Dat betekent dat de locatie Middelveen V noodzakelijk is om in de opgave te kunnen voorzien. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 5,5 hectare. Binnen de kern is deze ruimte niet beschikbaar om te kunnen voorzien in de woningbehoefte aan met name grondgebonden koopwoningen. Artikel 3.16 lid 1 in provinciale omgevingsverordening stelt dat woningbouw in het landelijk gebied mogelijk is, mits het aansluit op het bestaand stedelijk gebied en het plan de behoefte aantoont die in de woonvisie genoemd is. Daar wordt met dit plan aan voldaan met een duurzame afronding van de wijk Middelveen.
38/720
5.4.3 Conclusie De voorgenomen woningbouw voorziet met maximaal 149 woningen in een gemengd programma in de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Het is niet mogelijk om de gehele woningbehoefte binnen bestaand stedelijk gebied te accommoderen. Met het toevoegen van woningen op deze locatie aansluitend aan de kern Zuidwolde wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
5.5
Welstand
5.5.1 Wettelijk kader Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen. Hierbij kan gedacht worden aan de vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29). Heeft de gemeente geen welstandsnota en ook geen beleidsregels voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken? Dan gelden de regels in de bruidsschat niet. De regel geldt ook niet bij een bouwwerk of in een gebied dat de gemeente als welstandsvrij heeft aangewezen. 5.5.2
Toetsing
In de 'Welstandsnota 2013' heeft de gemeente criteria opgesteld voor bouwplannen. De doelstelling van het welstandsbeleid is het veilig stellen van een basiskwaliteit van de gebouwde omgeving. Daar waar dit gewenst en mogelijk is, zal een verbetering van de kwaliteit van de gebouwde omgeving het doel zijn. In de welstandsnota zijn algemene criteria voor bouwplannen opgesteld. Een groot gedeelte van de gemeente de Wolden is aangewezen alszijnde 'welstandsvrij'. De gemeente streeft naar een gebalanceerd bebouwingsbeeld voor de voorgenomen ontwikkeling van Middelveen V. Aangezien artikel 12a lid 1 van de Woningwet is komen te vervallen, is het niet langer mogelijk om de Welstandsnota uit 2013 te wijzigen. Volgens artikel 4.19 van de Omgevingswet stelt de gemeenteraad beleidsregels vast voor welstand. Om de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van een het plangebied te waarborgen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan is toegevoegd aan dit omgevingsplan en geeft duidelijke criteria voor de bebouwing, de indeling van de kavels en de kwaliteit van de openbare ruimte. Dit beeldkwaliteitsplan is opgenomen als bijlage 1. Het beeldkwaliteitsplan moet door de raad worden vastgesteld waarbij via de planregels is geborgd dat deze in de advisering moet worden gebruikt en is een aanvulling op de vastgestelde welstandsnota van de Gemeente De Wolden.
Zie ook paragraaf 6.5. Door het vaststellen van het beeldkwaliteitsplan als beleidsregel op grond van artikel 4.19 van de Omgevingswet heeft o.a. de Adviescommissie voor Omgevingskwaliteit een passend toetsingskader voor welstand.
39/720
5.5.3 Conclusie Om de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van een het plangebied te waarborgen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het (vastgestelde) beeldkwaliteitsplan geldt als toetsingskader voor het uit te brengen advies van de Adviescommissie voor Omgevingskwaliteit. Er wordt een positief welstandsadvies verwacht van de Adviescommissie voor Omgevingskwaliteit. Het aspect welstandsvormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.6
Ecologie (Natuur)
5.6.1 Ecologie: soortenbescherming 5.6.1.1 Wettelijk kader Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot soortenbescherming. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden dat de ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Daarom zijn de effecten van de ontwikkeling op flora en fauna onderzocht. Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor bepaalde soorten. 5.6.1.2 Toetsing Om aan te tonen of de beoogde ontwikkeling invloed heeft op flora en fauna is een quickscan uitgevoerd. Uit de quickscan natuurbescherming Omgevingswet (zie bijlage 9 wordt het volgende geconcludeerd: Vogels Binnen het plangebied zijn gezien de terreinkenmerken en afwezigheid van geschikte bebouwing en geschikt opgaand groen geen jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig. Aangezien er geen nesten zijn aangetroffen, worden er geen belemmeringen verwacht tijdens de werkzaamheden. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied kunnen wel algemene vogelsoorten tot broeden komen. Alle in gebruik zijnde nesten van vogels zijn tijdens het broedseizoen beschermd. Indien de werkzaamheden plaatsvinden tijdens het broedseizoen, zijn negatieve effecten te verwachten op broedvogels.
Vleermuizen Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn vanwege het ontbreken van geschikte bebouwing en het ontbreken van holten en losliggende schorsdelen in bomen uitgesloten. Mogelijk vormt het plangebied onderdeel van een vliegroute en foerageergebied. Dit betreft echter geen essentieel leefgebied en de ontwikkeling heeft geen negatief effect op de functionaliteit wanneer de bomenrijen zoveel mogelijk donker gehouden blijven. Kleine marterachtigen en grote bosmuis Binnen het plangebied is geschikt habitat aanwezig voor kleine marterachtigen en grote bosmuis. Het struweel en ruigtes binnen het plangebied bieden potentiële foerageer- en beschuttingsmogelijkheden. Binnen het plangebied kunnen zodoende potentieel geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen voor deze marterachtigen en grote bosmuis niet worden uitgesloten. Nader onderzoek is noodzakelijk. Ringslang
40/720
Het plangebied is direct aangrenzend bij een wateroppervlakte dat geschikt habitat vormt voor ringslang. De dichte begroeiingen met zoninstralingen binnen het plangebied kunnen als rustplaats en zonplaats gebruikt worden door ringslang. Bij de voorgenomen werkzaamheden kunnen deze mogelijke rustplaatsen en zonplaatsen vernietigd of verstoord worden. Nader onderzoek is nodig om te bepalen of ringslangen binnen het plangebied voorkomen of juist afwezig zijn. Overig Groei- en verblijfplaatsen van beschermde flora, overige grondgebonden zoogdieren, vissen, amfibieën, overige reptielen en ongewervelden zijn gezien de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens uitgesloten. Daarnaast geldt te allen tijde de specifieke zorgplicht 5.6.1.3 Conclusie Om te bepalen of er vaste rust- en verblijfplaatsen van grote bosmuis, kleine marterachtigen en ringslang binnen het plangebied aanwezig zijn, is aanvullend onderzoek nodig. Deze onderzoeken zijn inmiddels uitgezet en worden in september/oktober 2025 verwacht. Mogelijk is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk waaraan voorschriften aan zijn verbonden (mitigerende maatregelen). Dit staat de 'niet evident onuitvoerbaarheid' van het plan niet in de weg. 5.6.2 Ecologie: gebiedsbescherming 5.6.2.1 Wettelijk kader Er zijn gebieden in Nederland die voor flora en fauna van groot belang zijn.
Dit zijn de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Hiermee moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden. Bij de beoordeling kan blijken dat sprake is van Natura 2000-activiteiten: dit zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Deze zijn meestal vergunningplichtig. Wanneer hiervan sprake is dienen deze direct te worden aangevraagd om vroegtijdig te kunnen beoordelen of er sprake is van een Evenwichtige Toedeling Van Functies Aan Locaties. Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Hiervoor gelden instandhoudingsdoelstellingen. De instandhouding moet zijn gericht op behoud. Het gaat ook om herstel dat moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in een gunstige staat te brengen. Nederland kent 162 Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Het is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instandhouding van: aanwezige dier- en plantensoorten; typen natuurlijke habitats; leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. De provincie heeft in de omgevingsverordening de NNN-gebieden opgenomen.
41/720
Bijzondere natuurgebieden en landschappen Naast de Natura 2000-gebieden kan de Minister van LNV bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen. Houtopstanden (bos) Mocht het plan gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen. 5.6.2.2 Toetsing Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Dwingelderveld, op 12,6 kilometer afstand (zie figuur 5.2). Overige Natura 2000-gebieden in de omgeving zijn Mantingerzand, Vecht- en Beneden-Reggegebied en Holtingerveld, op respectievelijk 13,8 , 14,1 en 16,3 kilometer afstand vanaf het plangebied. Negatieve effecten, met uitzondering van stikstofdepositie, zijn op voorhand uitgesloten, zie bijlage 9. Er liggen verscheidene Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige leefgebieden en habitattypen binnen een straal van 25 km van het plangebied.
Om deze reden is een stikstofonderzoek uitgevoerd zie bijlage 10. Er is een berekening van de realisatie- en gebruiksfase gemaakt (zie bijlage 11 en 12). Uit de berekening volgt dat de beoogde ontwikkeling geen negatief effect, als gevolg van stikstofdepositie, heeft op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Voor de uitvoering van het plan geldt daarom ten aanzien van het aspect stikstof in het kader van de Omgevingswet geen vergunningplicht.
42/720
Figuur 5.2
Het plangebied (rood omlijnd) t.o.v. Natura 2000 (Bron: EcoReest)
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Uit figuur 5.3 blijkt dat het plangebied grotendeels buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt, met uitzondering van een klein gedeelte aan de zuidzijde van het plangebied. Dit betreft een groenstrook met enkele bomen. Binnen dit deel van het plangebied worden geen bouwactiviteiten mogelijk gemaakt en het bestaande groen blijft behouden. Het plan maakt geen activiteiten mogelijk die leiden tot onomkeerbare aantasting van de natuurfunctie of de wezenlijke kenmerken/waarden van het NNN. Er is geen sprake van de vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen NNN-gebieden.
Figuur 5.3
Globale ligging plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van het NNN (groen) (bron: Rho Adviseurs)
Bijzondere natuurgebieden en landschappen In het Drentse ruimtelijk beleid is naast bescherming van natuur binnen het NNN ook aandacht voor bescherming van natuur buiten het NNN, namelijk in bijzonder provinciale natuurgebieden en ganzenrustgebieden (Provincie Drenthe – Omgevingsvisie, 2022). In Drenthe is momenteel één gebied aangewezen als bijzonder provinciaal natuurgebied: Landgoed Overcingel. Dit gebied ligt in Assen, op meer dan dertig kilometer afstand. Het plangebied ligt niet in ganzenrustgebieden (Provincie Drenthe – Omgevingsvisie, 2024). Het voorgenomen plan heeft gezien de afstand tot de aangewezen gebieden en de aard en omvang geen effect op natuurgebieden buiten het NNN. Vervolgstappen zijn niet aan de orde. Houtopstanden
43/720
De insteek is om zoveel mogelijk opgaand groen binnen het plangebied te behouden. Het behoud van bestaande en waardevolle bomen heeft invloed gehad op de inrichting van het plangebied. Dit is opgenomen in het reeds vastgestelde stedenbouwkundig plan. Op enkele locaties binnen het plangebied zal bomenkap plaatsvinden. Dit betreft onder meer de verwijdering van een bosje ten behoeve van de realisatie van twee kavels aan de Middelveenseweg. Daarnaast gaat het om de kap van veelal omhooggeschoten groen met geringe omvang als gevolg van het uitblijven van beheer. Voor de kap zijn de rijksregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van toepassing, aangezien een groot deel van de te vellen houtopstanden zich buiten de bebouwingscontour voor houtkap bevindt (zie figuur 5.4) en niet valt onder de uitzondering van de meldplicht of herbeplantingsplicht. Er geldt een meldingsplicht voor het vellen van bomen, waarbij de melding uiterlijk vier weken van tevoren moet worden gedaan, en niet eerder dan één jaar voorafgaand aan de kap. Aan deze verplichting zal worden voldaan. Daarnaast worden mitigerende maatregelen getroffen. De compensatie van de te kappen bomen is eventueel mogelijk binnen de natuurontwikkeling in het plangebied.
Figuur 5.4 Ligging plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van bebouwingscontour houtkap (roze gearceerd) (bron: EcoReest) 5.6.2.3 Conclusie Wat betreft gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan een ETFAL.
44/720
5.7
Beschermingszones radioastronomie
5.7.1 Wettelijk kader Rijk In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) heeft het Rijk 21 nationale belangen geformuleerd (zie ook)Dit zijn belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau ontstijgen en vragen om nationale politiek-bestuurlijke aandacht. Eén van die belangen is het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. Voor dit vestigingsklimaat is de radioastronomie van belang. De NOVI geeft hierover aan: "Nederland wil in verschillende vakgebieden (onder andere radio-astronomie) tot de wereldtop blijven behoren. De opgave in deze is om essentiële grootschalige wetenschappelijke infrastructuur, die voor haar functioneren afhankelijk is van een storingsvrije omgeving, te beschermen door een storingsvrije omgeving te waarborgen." Het Rijk ziet erop toe dat de kwaliteit van deze infrastructuur binnen de leefomgeving gewaarborgd blijft. Provincie De provincie wil garanderen dat de radioastronomie zich kan blijven ontwikkelen en dat verstoring van activiteiten die daarmee samenhangen wordt voorkomen. Om dat te bewerkstelligen, liggen er beschermingszones rondom de LOFAR-radiotelescoop, waar beperkingen gelden inzake de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden ter voorkoming van elektromagnetische straling. Een kernbegrip hierbij is het begrip 'verstoring'.
Elektrische en elektronische apparatuur zendt, onbedoeld, radiogolven uit en kan de systemen van het Nederlands Instituut voor Radio Astronomie (ASTRON) storen. Deze soort storing valt in de categorie Elektro-Magnetische Compatibiliteit (EMC). Ook al voldoet de apparatuur aan de geldende EMC emissie normen, toch kunnen ze zwakke signalen uit het heelal storen. Echter, voor dit soort zwakke signalen heeft LOFAR nu juist zijn grote gevoeligheid gekregen. Deze zeer zwakke signalen uit het heelal worden dan als het ware overstemd door de, op aarde geaccepteerde, signalen. Vanwege genoemd effect is er een veilige minimumafstand nodig radiogolven uitzendende apparatuur en LOFAR. De mate van verstoring is dus gekoppeld aan elektromagnetische straling van een bron. Er is sprake van twee zones met elk een verschillend beschermingsniveau. Een ruimtelijk plan kan, voor zover deze gebieden bestrijkt die op de bij de Provinciale omgevingsverordening Drenthe behorende kaart D8 zijn aangeduid als 'Zonering radioastronomie zone I', alleen voorzien in nieuwe bebouwings- en gebruiksmogelijkheden als hierbij geen elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden.
Een ruimtelijk plan kan, voor zover dat gebieden bestrijkt die op de bij de Provinciale omgevingsverordening Drenthe behorende kaart D8 zijn aangeduid als 'Zonering radioastronomie zone II', alleen voorzien in bedrijfsvestiging, -uitbreiding, intensivering van verkeer en andere activiteiten als hierbij geen elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden. Voor een ruimtelijk plan die binnen zone I en II van de LOFAR-radiotelescoop ligt, is een advies van ASTRON nodig. Uit de Provinciale omgevingsverordening Drenthe volgt dat dit ook geldt voor een ruimtelijk plan die voorziet in ontwikkelingen binnen een straal van twee kilometer rondom een LOFAR-buitenstation. De locaties van deze buitenstations en de bijbehorende beschermingszones zijn aangegeven op de website van ASTRON.
45/720
5.7.2 Toetsing Het plangebied bevindt zich mogelijk in een beschermde zone voor radioastronomie. Om vast te stellen of dit het geval is, is de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe geraadpleegd. Uit deze verordening blijkt dat het plangebied niet binnen een zone voor radioastronomie valt. De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de exploitatie van de radiotelescopen. 5.7.3 Conclusie Er worden geen belemmeringen verwacht op het gebied van radioastronomie. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan een ETFAL.
5.8
Luchtkwaliteit
5.8.1 Wettelijk kader Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.1 instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient rekening te worden gehouden met de kwaliteit van de buitenlucht. Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling moet in een aantal situaties worden getoetst aan omgevingswaarden voor lucht. De geldt vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Daarnaast dient voor een milieubelastende activiteit, het aanleggen van een wegtunnel, autoweg of een autosnelweg de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Onderzoek is ook niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.
5.8.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling ligt niet binnen het volgende toepassingsbereik: de aanleg of wijziging van een autoweg, autosnelweg of tunnel voor het wegverkeer. Daarnaast is de gemeente De Wolden niet aangewezen als aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof. Een toets aan de omgevingswaarden voor de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient een afweging van de luchtkwaliteit ter plaatse van de beoogde ontwikkeling plaats te vinden. Uit het advies van de Omgevingsdienst RUD van 18 juli 2024 blijkt de actuele concentratie van luchtverontreinigende stoffen: NO2: in 2025 8 µg/m3 en in 2030 6 µg/m3; PM10: in 2025 13 µg/m3 en in 2030 12 µg/m3; PM2,5: in 2025 7 µg/m3 en in 2030 6 µg/m3.
46/720
De jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen ruimschoots onder de rijksomgevingswaarden en de toekomstig aangescherpte EU-grenswaarden. Voor PM10 en stikstofdioxide wordt zelfs voldaan aan de WHO-advieswaarde. Fijnstof veehouderijen In de omgeving van het plangebied zijn een aantal veehouderijen gelegen. De RUD heeft gesteld dat alle veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer (zie figuur 5.5) meegenomen moeten worden in de beoordeling voor de cumulatieve belasting van fijnstof op het plangebied. Dit betreft twee pluimveehouderijen, een varkensmesterij, een melkveehouderij en een natuurboerderij welke onder andere rundvee, kalkoenen, varkens en schapen houdt. Het fijnstofonderzoek is terug te vinden in bijlage 14. In het onderzoek is de PM10-concentratie berekend. Voor PM10 geldt een maximale belasting van 40 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde en 50 µg/m3 als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden. De hoogste jaargemiddelde PM10-belasting is 13,2 µg/m3, ruimschoots onder de grenswaarde van 40 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde. Er is 6 dagen sprake van een hogere concentratie van 50 µg/m3 als 24-uurgemiddelde, dat is ook ruim onder de eis van 35 dagen.
Figuur 5.5 De ligging van het plangebied (rood) en de veehouderijen (oranje) binnen een straal van 2 km (blauw) (bron: Olfasense)
47/720
5.8.3 Conclusie De luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is aanvaardbaar. Nader onderzoek is niet nodig. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels.
5.9
Geur
5.9.1 Wettelijk kader De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit is een invulling van een plicht die al geldt vanuit de Omgevingswet. In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en 2.4 Omgevingswet). Een geurgevoelig gebouw is in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Geurnormen Het plangebied is buiten een concentratiegebied gelegen, waardoor de grenswaarden voor geurgevoelige gebouwen binnen en buiten de bebouwde kom respectievelijk 2 en 8 ouE/m3 als 98-percentielwaarde bedragen.
Verordening geurhinder en veehouderij gemeente De Wolden 2010 Voor veehouderijen binnen de gemeente De Wolden is het toetsingskader voor geur opgenomen in de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente De Wolden 2010. De geurbelasting wordt bepaald met een specifiek hiervoor ontwikkeld model, genaamd V-Stacks. Daarbij wordt ter plaatse van de geurgevoelige bestemmingen getoetst aan de volgende toetsingswaarden: Geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom: 3 ouE/m3 als 98-percentielwaarde; Geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom: 14 ouE/m3 als 98-percentielwaarde. Cumulatie Het kan voorkomen dat afzonderlijke veehouderijen aan de (geur)norm voldoen, maar dat door cumulatie de totale geurbelasting het aanvaardbaar hinderniveau overschrijdt. Voor de cumulatieve geurberekening moeten alle veehouderijen met dieren met een geuremissiefactor gelegen binnen een straal van 2 kilometer van het te beschermen object worden meegenomen. Dit betreft in ieder geval ook: • Ommerweg 21; • De Egge 7a; • De Egge 2b;
48/720
• Drogterweg 4; • Burgemeester Tonckensstraat 57. 5.9.2 Toetsing Met de beoogde ontwikkeling worden geurgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Het plangebied is gelegen binnen de gemeente De Wolden. Hierdoor geldt de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente De Wolden 2010. De volgende toetsingswaarde geldt: Geurgevoelig object (gebouw), gelegen binnen de bebouwde kom: 3 ouE/m3 als 98-percentielwaarde Uit het geuronderzoek (zie bijlage 14) blijkt dat de hoogste geurbelasting op het plangebied 0,7 ouE/m3 als 98-percentielwaarde is. Daarmee wordt voldaan aan het toetsingskader voor geur van 3 ouE/m3 als 98-percentielwaarde volgend uit de Verordening Geur. Wat betreft cumulatie van geuremissies geldt dezelfde waarde. Deze waarde ligt ruimschoots onder de geldende geurnorm. Er is sprake van een aanvaardbare situatie ter plaatse. 5.9.3 Conclusie De geurbelasting op het plangebied is aanvaardbaar. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels/verordening.
5.10 Omgevingsveiligheid 5.10.1 Wettelijk kader Omgevingsveiligheid omvat de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor externe veiligheidsrisico's zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Verder dient op grond van artikel 5.2 van het Bkl voor de risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening te worden gehouden met het belang van: 1. het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; 2. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en 3. de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet. 5.10.2 Toetsing Met de beoogde ontwikkeling worden kwetsbare gebouwen (woningen) mogelijk gemaakt. Er worden geen risicovolle activiteiten mogelijk gemaakt. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd.
Figuur 5.6 toont een uitsnede van deze kaart. Het plangebied ligt buiten een brand-, explosie- of gifwolkaandachtgebied. Ook ligt het plangebied niet in een PR 10-6-contour. Er is geen sprake van belemmeringen.
49/720
Uitsnede risicokaart met het plangebied (zwarte omlijning) (bron: REV - Pav Kaarten)
Figuur 5.6
Voor zowel dagelijkse incidenten (zoals brand of wateroverlast) als calamiteiten op het gebied van externe veiligheid is een goede bereikbaarheid voor hulpdiensten essentieel. Het plangebied wordt ontsloten via de Landschapslaan. De brandweerkazerne van Zuidwolde ligt op enkele minuten rijden van het plangebied, hierdoor is er een snelle aanrijtijd. Daarnaast is er voldoende bluswater beschikbaar in en rond het gebied. Dit wordt geborgd door aan te sluiten bij de Bruidsschat (Artikel 22.13-22.15). Het grootste deel van de aanwezigen in het plangebied zal zelfredzaam zijn. Kinderen en ouderen worden wel als verminderd zelfredzaam beschouwd. In geval van nood wordt ervan uitgegaan dat ouders of andere aanwezigen hen kunnen begeleiden bij evacuatie. Aangezien omgevingsveiligheid breder is dan uitsluitend externe veiligheid, is met behulp van de Atlas Leefomgeving een inventarisatie uitgevoerd van aanvullende veiligheidsthema’s, zoals brandbare natuur en overstromingsrisico’s. Uit deze inventarisatie blijkt dat er geen sprake is van een verhoogd veiligheidsrisico. 5.10.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels.
50/720
5.11 Archeologie, cultuurhistorie en landschap 5.11.1 Wettelijk kader Onder cultureel erfgoed valt onder andere archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen en landschap. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. 5.11.2 Toetsing Archeologie In de oostelijke helft van het plangebied is in 2004 en 2006 archeologisch onderzoek verricht in het kader van het project Middelveen IV. De resultaten wezen op een zeer lage verwachting voor nederzettingen en geen aanwijzingen voor grafvelden.
Daarom is dit deel destijds vrijgegeven en hoeft nu niet opnieuw onderzocht te worden. Voor de westelijke helft is nog geen onderzoek uitgevoerd. Op basis van archeologische beleidskaart en geomorfologische kaarten geldt daar een lage verwachting in het zuidwesten en noordoosten en een middelhoge tot hoge verwachting in het midden, met name in het droogdal. Mogelijke resten betreffen perioden van het laat-paleolithicum tot de late ijzertijd. De grafmonumenten die binnen 300 meter van het plangebied voorkomen en in het AMK-register zijn opgenomen zijn tot in de late ijzertijd gedateerd, waardoor kan worden vastgesteld dat er in deze perioden mensen in het gebied aanwezig waren. Het plangebied is waarschijnlijk nooit aantrekkelijk geweest als nederzettingsterrein: de grondmoreneruggen die aan weerszijden van het dal zijn gelegen, zijn vele malen geschikter geweest voor bewoning. Wel kan er in het verleden mogelijk een periodieke beek door het droogdal hebben gelopen en heeft men het water gebruikt voor jacht en als bron. Er kunnen daardoor offsite resten worden verwacht die verband houden met dusdanige activiteiten. Aangezien er echter geen aanwijzingen zijn dat er veen heeft gelegen in het dal, is het waarschijnlijk dat er geen gunstige conserveringsomstandigheden zijn geweest voor resten anders dan die van (vuur)steen en aardewerk.
Daarnaast tonen historische kaarten aan dat het plangebied deel is geweest van een heidegebied dat tussen twee esdorpen inlag. Het is waarschijnlijk dat de bodem reeds verstoord is geraakt door de heideontginning en egalisatie. Er is archeologisch onderzoek uitgevoerd voor de westelijke helft van het plangebied, zie bijlage 15. In het noordelijke deel bestaat de bodem uit een bouwvoor bovenop een verstoorde laag topdekzand. Daaronder bevindt zich dekzand met resten van een podzolprofiel (BC- en C-horizont). In het zuidelijke deel is een ondoorlatende puinlaag aangetroffen van minstens 0,3 meter dik. In de beboste strook aan de westzijde is de
51/720
bodem tot 1,85 meter onder maaiveld verstoord, vermoedelijk door een oude sloot. Op basis van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de bodem dusdanig is verstoord dat er geen archeologische resten worden verwachten. Indien onverhoopt toch archeologische waarden worden aangetroffen binnen de vrijgegeven gebieden, geldt de wettelijke meldingsplicht op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet. In dat geval moet een melding worden gedaan bij de Minister van OCW, of eventueel bij de gemeente of provincie. Aardkundige waarde Het plangebied ligt in een gebied met hoog beschermingsniveau voor Aardkundige waarden. De gebieden met hoog beschermingsniveau zijn de meest bijzondere en gave gebieden met een hoge aardkundige kwaliteit. In deze gebieden is het van belang om het aardkundig erfgoed te behouden voor huidige en toekomstige generaties. De aardkundige kwaliteit is daarbij sturend voor de balans tussen beleving, behoud en herstel. Het plangebied ligt tussen twee gestuwde ruggen. Het gebied is vanuit aardkundige oogpunt al aardig verstoord door de aanleg van de naastgelegen woonwijk, wadi en het graven van sloten. Om de aardkundige waarden niet verder te verstoren wordt bij de uitwerking van de bouwplannen rekening gehouden met het reliëf. Concreet betekent dit bouwen in de noord-zuid richting (in de richting van de ruggen).
Daarnaast wordt de bodemopbouw zoveel mogelijk intact gehouden en dus niet onnodig ontgrond. Cultuurhistorie Middelveen, gelegen ten zuiden van Zuidwolde in Drenthe, kent een cultuurhistorische ontwikkeling die sterk verweven is met het omliggende veenlandschap. In de middeleeuwen werd het gebied nauwelijks bewoond vanwege de natte en ondoordringbare veenlagen. Pas vanaf de 17e eeuw begon men met grootschalige ontginning, waarbij veenarbeiders turf wonnen voor brandstof. Deze veenafgraving leidde tot het ontstaan van langgerekte nederzettingen en smalle kavels. De turfwinning bracht economische bloei, maar na de uitputting van het veen veranderde Middelveen in een landbouwgebied. Boeren vestigden zich op de hoger gelegen gronden en gebruikten de voormalige veenbodem voor grasland en akkerbouw. In de 19e eeuw werd de infrastructuur verbeterd, waardoor het gebied beter verbonden raakte met Zuidwolde en omliggende dorpen. Kleine boerendorpjes en lintbebouwing bepaalden het landschap. De aanleg van wegen en kanalen speelde een belangrijke rol in de verdere ontwikkeling.
52/720
Figuur 5.7
Historische ontwikkeling in- en rondom plangebied Middelveen V (bron: INBO)
Cultureel bleef Middelveen lange tijd sterk agrarisch en traditioneel georiënteerd. Pas in de 20e eeuw veranderde het karakter deels. Ondanks modernisering heeft Middelveen veel van zijn oorspronkelijke landelijke karakter behouden. Hedendaags is de regio bekend om haar kleinschalige landbouw, natuurgebieden en het behoud van historische patronen in het landschap. Zie figuur 5.6 voor de historische ontwikkeling van en rondom het plangebied. De ontwikkeling van Middelveen V sluit aan bij de historische ontwikkeling van het cultuurlandschap. Het karakter van het gebied wordt zo min mogelijk verstoord en de aanwezige historische kenmerken, zoals de groenstructuren, worden behouden. De ontwikkeling sluit hiermee aan op de ontstane structuren in- en rondom het plangebied. Derhalve worden er vanuit het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen verwacht voor de voorgenomen ontwikkeling. Landschap Het esdorpenlandschap is van provinciaal belang. De kernkwaliteit van essen zijn de kenmerkende open ruimtes die veelal omgeven zijn met esrandbepanting. De beekdalen zijn onbebouwde gebieden met een kleinschalige beplantingstructuur en beekdal(rand)beplanting. Het provinciaal beleid is gericht op het behoud van de open ruimte en het versterken van esrandbeplanting, maar ook het behoud van het onbebouwde karakter en het versterken van karakteristieke beekdal(rand)beplanting.
Voor een zorgvuldige ruimtelijke inrichting, in lijn met de kernkwaliteit landschap, dient een beeldkwaliteitsplan te worden opgesteld, zoals toegelicht in 2.2.3. Hierin moet nadrukkelijk rekening worden gehouden met de afhechting van het dorp Zuidwolde, aangezien de aanleg van een nieuwe dorpsrand een provinciaal belang vertegenwoordigt. Het plangebied ligt tegen een es aan. Een Drentse es rand is minimaal 25 meter breed en hier is in het plan rekening mee gehouden. Daarnaast maken de bomen in de houtwallen onderdeel uit van een beeldbepalend en cultuurhistorisch waardevol landschapselement. Dit landschapselement wordt behouden.
53/720
Uit voorgaande volgt dat er wordt voldaan aan de kernkwaliteit landschap die van provinciaal belang is. Er wordt met de inrichting van het plangebied aangesloten bij de bestaande landschappelijke waarden en er worden geen belemmeringen verwacht vanuit de kernkwaliteit landschap. 5.11.3 Conclusie Vanuit het aspect archeologie, cultuurhistorie en landschap worden er geen belemmeringen verwacht voor de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels.
5.12 Bodem 5.12.1 Wettelijk kader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. In dit geval zijn de interventiewaarden van toepassing die zijn opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. De instructieregels schrijven voor dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw ofwel vergunningplichtig ofwel meldingsplichtig moet worden gemaakt op grond van het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). De instructieregels schrijven ook voor dat met het omgevingsplan het ambtsgebied ingedeeld wordt in bodemfunctieklassen. 5.12.2 Toetsing In het kader van de aankoop van het perceel heeft de gemeente De Wolden een bodemonderzoek laten verrichten op de locatie van de voormalige pluimveehouderij (Verkennend en aanvullend bodemonderzoek, inclusief verkennend waterbodemonderzoek Middelveenseweg 5 in Zuidwolde, Ortageo Noordoost BV, d.d. 17 juni 2022, nr. 217130/R01).
Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat sprake is van verontreiniging met PAK, minerale olie en asbest. Er is geen PFAS aangetoond. De locatie zal gesaneerd worden. Daarnaast is vervolgonderzoek aanbevolen voor de dieseltank bij de voormalige pluimveehouderij. Voor het overige deel van het plangebied, ten noorden van de voormalige pluimveehouderij, is eveneens onderzoek uitgevoerd. Hierbij is ook de dieseltank bij de voormalige pluimveehouderij in het onderzoek betrokken, zie bijlage 16. Hieronder worden de onderzoeksresultaten toegelicht. Zintuiglijk De bodem binnen het projectgebied bestaat uit matig tot zeer fijn zand. De ondergrond is veelal zwak tot zeer plaatselijk matig grindhoudend. Verder is er zeer plaatselijk een bijmenging met stenen in de ondergrond aanwezig. Zowel het grind als de stenen worden als een van nature aanwezige bijmenging (geen antropogene
54/720
bijmenging) beschouwd. Ter plaatse van de locatie van de voormalige bovengrondse dieseltank zijn in de bovengrond van boring 201 plasticresten aanwezig. Verder zijn in de bodemlaag 0,35-0,55 m-mv van boring 203 resten koolas en sporen baksteenpuin aangetroffen. De bodemlaag met baksteenpuin wordt als onverdacht voor de aanwezigheid van asbest beschouwd. Met behulp van de olie-/watertest zijn geen oliereacties waargenomen. Grond Geen van de onderzochte parameters van de onderzochte grondmonsters overschrijdt de interventiewaarde bodemkwaliteit. In het onderzochte mengmonster MM200 van de bovengrond ter plaatse van de bovengrondse dieseltank, is een licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond (boven de waarde voor landbouw/natuur). Deze grond is op basis van het gemeten gehalte aan minerale olie indicatief aangemerkt als klasse industrie. De separaat onderzochte grondlaag 1,4-1,6 m-mv van boring 201 bevat geen verhoogde gehalten aan minerale olie en of vluchtige aromaten. Alle overige grond binnen het plangebied is niet verontreinigd en voldoet aan klasse landbouw/natuur. Ten aanzien PFAS blijkt dat enkele gemeten waarden de detectiegrenzen overschrijden. De landelijke achtergrondwaarden worden echter niet overschreden. Grondwater De gemeten concentraties overschrijden de signaleringswaarden en of de voormalige interventiewaarden niet.
Wel zijn in het grondwater plaatselijk één of meerdere zware metalen in licht verhoogde mate aangetoond (boven de voormalige streefwaarden). Waterbodem De onderzochte waterbodem is analytisch niet verontreinigd gebleken (zowel algemene parameters als PFAS). De waterbodem is als algemeen toepasbaar beoordeeld voor toepassing in oppervlaktewater en als landbouw/natuur voor toepassing op landbodem. Verder is het slib verspreidbaar op zowel het aangrenzende perceel als in zoet oppervlaktewater. Conclusie De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot de uitvoering van een nader (water)bodemonderzoek en vormen vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmering voor de voorgenomen herinrichting ten behoeve van woningbouw. De milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de locatie van de voormalige dieseltank is in voldoende mate vastgelegd. Gesteld wordt dat de bovengrond in zeer geringe mate is beïnvloed als gevolg van de aanwezigheid en het gebruik van de tankinstallatie. Sanerende handelingen zijn niet noodzakelijk. Bodemfunctieklasse De gemeente De Wolden heeft een bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassekaart vastgesteld. Volgens de bodemfunctieklassenkaart geldt ter plaatse van de projectlocatie de bodemfunctieklasse landbouw/natuur. De regeling voor de bodemfunctieklassen wordt in het gemeentedekkende omgevingsplan opgenomen.
55/720
5.12.3 Conclusie De bodem zal gesaneerd worden ter plaatse van de voormalige pluimveehouderij. Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels.
5.13 Water 5.13.1 Wettelijk kader Een ontwikkeling moet ook worden getoetst aan de instructies van de omgevingsverordening van het waterschap en de provincie. De locatie ligt in het beheergebied van Drents Overijsselse Delta. De gemeente of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. De gemeenten kunnen strengere normen opnemen in het omgevingsplan. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk. Bij de wijziging van het omgevingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn: watercompensatie in verband met toenemende verharding; waterkwaliteit, bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning; bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken; waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater, (industriële) lozingen en of lozing oppervlaktewater. Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn: bescherming van primaire waterkeringen (artikel 5.38 Bkl); behoud waterveiligheid kust (artikel 5.40 Bkl); behoud waterveiligheid grote rivieren (artikel 5.46 Bkl); IJsselmeergebied (artikel 5.49 Bkl).
5.13.2 Toetsing Met behulp van de watertoets (het wateradvies) is aan de hand van de locatie van het plangebied en een aantal vragen getoetst of de belangen van het waterschap geraakt worden bij de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling (bijlage 17). Op basis van de check worden geen invloedszones A-watergangen, beekdalen, milieuzonering RWZI, invloedszones van grote rivieren, invloedszones Vecht, waterkeringen, primaire water-/beschermingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden geraakt. Het plangebied raakt wel een persleiding en bevindt zich deels binnen de invloedszone van B-watergangen. Uit het advies blijkt verder dat een normale procedure nodig is. Het waterschap Drents Overijsselse Delta is in een vroeg stadium betrokken bij de woningbouwontwikkeling Middelveen te Zuidwolde, wat als positief wordt ervaren gezien de omvang van het project. Gezien de schaal van het plan is een Waterhuishoudkundig Plan (WHP) vereist. Het
56/720
waterschap heeft een adviesdocument met uitgangspunten opgesteld, waarin het onder andere vraagt voor: De bodemopbouw; Een onderbouwd grondwaterstandsverloop op basis van metingen (peilbuizen); De wijze van waterberging en –afvoer (inclusief knijping); De bouwhoogtes ten opzichte van maaiveld, wegen en drempels. Deze aandachtspunten zijn verwerkt in het conceptplan en worden in samenspraak met het waterschap uitgewerkt in het definitieve waterhuishoudkundigplan. In bijlage 18 is het concept waterhuishoudkundigplan toegevoegd. Hieronder volgt een korte toelichting op de inhoud van dit plan. TAUW werkt in een later stadium het definitief waterstructuurplan uit. Hoogte Het plangebied bevindt zich tussen twee stuwwallen en staat bekend als nat, waardoor afstromend hemelwater vanuit de hogere omliggende percelen geconcentreerd samenkomt in dit gebied. Bergingsopgave De realisatie van de nieuwbouwwijk Middelveen V heeft als gevolg dat er verhard oppervlakte wordt toegevoegd, op zowel openbaar als particulier terrein. In totaal gaat het om ca 3,2 ha verhard oppervlakte. De toename van verhard oppervlak heeft een nadelig effect op het watersysteem. Door versnelde afvoer van neerslag verminderen de afvoer- en bergingscapaciteit van het watersysteem namelijk. Om deze capaciteit te behouden, is het verplicht de toename van verhard oppervlak te compenseren.
Waterschap Drents Overijsselse Delta geeft hierbij voorkeur aan het vasthouden van water binnen het peilgebied. Dit voorkomt namelijk dat de afvoer- en bergingscapaciteit op een andere plek moeten toenemen. Er zijn in bijlage 18 uitgangspunten benoemd voor de bergingsopgave. Deze uitgangspunten leiden tot een ontwikkelopgave van 2.500 m3 en een gebiedsopgave van circa 7.500 m3. Bergingsvoorziening Om te kunnen voldoen aan de bergingsopgave zijn bergingsvoorzieningen noodzakelijk. Hierbij is een toekomstige situatie voorgesteld waaraan voldaan moet worden: Er komt geen water tegen de gevels te staan (<0,05 m) wat een risico met zich meebrengt op schade in woningen (tuinschuurtjes en andere bijgebouwen vallen er niet onder). De waterdiepte op wegen mag maximaal 0,2 m bedragen Buiten het plangebied vindt geen verslechtering plaats van wateroverlast waardoor er water tegen panden komt te staan. De realisatie van de nieuwbouwwijk Middelveen V mag niet leiden tot (extra) wateroverlast voor de directe omgeving. Om afwenteling te voorkomen is de bestaande maximale hoogte van het dichtstbijzijnde bebouwde gebied, ten oosten van het plangebied, gebruikt als uitgangspunt voor het plangebied. Dit voorkomt een toename van wateroverlast als gevolg van de inrichting van de nieuwe wijk. De rand buiten het plangebied heeft een maximale hoogte van +8,20m NAP.
Er zijn twee toestroomgebieden in het plangebied. Beide toestroomgebieden leiden tot de grote waterplas ten noorden van het plangebied. Het
57/720
toestromende water verspreid zich evenredig via de aanwezig watergangen over het gebied. Dit heeft meerdere oorzaken, zo is er een forse aanvoer vanuit Zuidwolde en een gebrekkige afvoer aan de linkerzijde van het gebied, waar de aanwezige pomp de hoeveelheid water niet aan kan. Hierdoor stroomt water terug het (plan)gebied in. De aanwezige sloot sluit aan op een duiker met een diameter van 0,2 meter en een lengte van ca. 190 meter. Deze beperkte afvoercapaciteit heeft opstuwing als gevolg. Het ophogen van het maaiveld binnen het plangebied tot een hoogte van +8,20m NAP (vergelijkbaar met de rand van het plangebied) heeft een beperkt effect. Bij enkele woningen staat nog water tegen de gevel en op enkele locaties wordt de waterdiepte op straat ook licht overschreden (0,23 m t.o.v. 0,2 m). Het maaiveld in het plangebied zal zeer waarschijnlijk worden opgehoogd tot een hoogte van +8,23m NAP. Hiermee sluit de hoogte binnen het plangebied aan op de hoogte van de direct omgeving en wordt schade aan gebouwen voorkomen. Naast de waterberging in de openbare ruimte van het plangebied worden de percelen aan de westzijde, kadastraal bekend 2407 en 2565, mede ingezet voor de gehele waterbergingsopgave. Dit is opgenomen in de planregels.
5.13.3 Conclusie Gezien de toenemende frequentie van extreme neerslag als gevolg van klimaatverandering, is het essentieel dat bij de ontwikkeling van Middelveen V voldoende maatregelen worden getroffen om wateroverlast en schade aan toekomstige bebouwing en infrastructuur te voorkomen. De waterbergingsopgave van het waterschap, van zowel ontwikkel- als gebiedsopgave, wordt binnen het plangebied gerealiseerd. De waterbergingsopgaven krijgen een civieltechnische uitwerking op basis van het waterhuishoudkundigplan dat door TAUW wordt opgesteld.
5.14 Duurzaamheid 5.14.1 Wettelijk kader De Omgevingswet biedt geen specifiek toetsingskader voor duurzaamheid. Wel is duurzaamheid een belangrijk thema waar gemeenten bij het opstellen van hun omgevingsplan rekening mee moeten houden. Duurzaamheid is een breed begrip dat verschillende aspecten omvat, zoals de energietransitie, mobiliteit en hergebruik van materialen. Voor klimaatadaptatie gelden de nationale afspraken, met als doel dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is. Nieuwe ontwikkelingen kunnen bijdragen aan dit doel. 5.14.2 Toetsing In de Toekomstvisie 2022–2040 van de gemeente De Wolden, getiteld 'Samen aan zet!', neemt duurzaamheid een centrale plaats in. De visie is opgebouwd rond drie hoofdambities: een vitale samenleving, een duurzame leefomgeving en het landschap als drager. Deze ambities zijn uitgewerkt in zes thema's, waaronder 'energie en klimaat' en 'milieu en circulariteit'. In het kader van de Toekomstvisie 2022 – 2040 is bij de uitwerking van het plan voor de ontwikkeling Middelveen V een quickscan uitgevoerd door Linthorst Energy. In opdracht van de gemeente heeft Linthorst Energy in een vroeg stadium de haalbaarheid van een collectief energieconcept getoetst, waarbij de warmte en koude centraal opgewerkt- en vervolgens gedistribueerd wordt naar iedere woning middels een warmtenet. Uit deze quickscan
58/720
is gebleken dat de aanleg van een warmtenet met collectief energieconcept financieel niet haalbaar is voor Middelveen V. In de berekeningen zijn eventueel beschikbare subsidies meegenomen. Wel zullen de woningen worden gerealiseerd volgens de nieuwste standaarden, waarbij ze gasloos worden opgeleverd en voorzien van energiezuinige installaties. 5.14.3 Conclusie Er is onderzoek verricht naar de mogelijkheden voor een collectief warmtenet. Uit dit onderzoek is gebleken dat realisatie hiervan niet haalbaar is. De woningen zullen wel gasloos worden opgeleverd en beschikken over energiezuinige installaties.
5.15 Gebruik gewasbeschermingsmiddelen 5.15.1 Wettelijk kader Op agrarische percelen kan sprake zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeelt of gewasbeschermingsmiddelen en biociden veilig zijn voor mens, dier en milieu voordat ze worden toegelaten. Dat betekent echter niet dat nadelige gezondheidseffecten voor omwonenden volledig kunnen worden uitgesloten. Er zijn nog veel onduidelijkheden over de mogelijke relatie tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en de kans op gezondheidsschade. Op grond van het Bkl gelden weliswaar geen specifieke instructieregels, maar bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in elk geval rekening worden gehouden met het belang van de volksgezondheid. In dat kader dienen ook de mogelijke gezondheidsgevolgen door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te worden beoordeeld. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies (zoals woningen) en agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Uit diezelfde jurisprudentie volgt dat het mogelijk is om deze afstand te verkleinen indien daaraan een deugdelijke, locatiespecifieke motivering ten grondslag ligt.
Bij deze locatiespecifieke beoordeling dient niet alleen te worden gekeken naar het bestaande, feitelijke gebruik van de agrarische gronden. Uitgangspunt vormen de maximale mogelijkheden (rekening houdend met eventuele omschakeling naar andere teeltvormen en intensivering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen). 5.15.2 Toetsing Het plangebied grenst aan agrarische gronden met de daarbij behorende bestemmingen. Ter beperking van mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen wordt binnen het plangebied, op de locatie van agrarische percelen met bijzondere waarden, een spuitvrije zone aangeduid. Met de aanduiding is het gebruik van (synthetische - chemische) gewasbestrijdingsmiddelen niet toegestaan, waarmee sprake is van een spuitvrije zone van 50 meter. Door het opnemen van deze spuitvrije zone worden de aangrenzende woningen voldoende beschermd tegen de negatieve effecten van gewasbeschermingsmiddelen.