Bijlage 1 - TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange
Tekst van het document
In de gemeente De Wolden bestaat de bestuurlijke wens tot deregulering en meer verantwoordelijkheid bij de burger neer te leggen. Deze wens heeft er toe geleid dat in de raadsvergadering van 13 december 2012 de raad besloten heeft tot het welstandsvrij verklaren van grote gebieden van de gemeente. Daarmee heeft de gemeenteraad het vertrouwen in de burger uitgesproken dat hij/zij de verantwoordelijkheid aan kan om op een juiste wijze met de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente De Wolden om te gaan. 5.6.2
Toetsing
Aangezien artikel 12a lid 1 van de Woningwet is komen te vervallen, is het niet langer mogelijk om de Welstandsnota uit 2013 te wijzigen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de geldende welstandsnota een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet geworden (zie artikel 4.114, lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet). De wettelijke grondslag van de welstandsnota is dus als gevolg van het overgangsrecht gewijzigd, maar de welstandsnota geldt nog steeds. Het plangebied is aangewezen als 'welstandsvrij' in de geldende welstandsnota. Voor de voorgenomen ontwikkeling wordt over het algemeen aangesloten bij het bebouwingsbeeld van de omliggende woongebieden van Koekange. 5.6.3
Conclusie
Het plangebied ligt in een welstandsvrij gebied. Er gelden qua uiterlijk van de gewenste bebouwing geen eisen. Het aspect welstand vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
35
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
5.7
Ecologie (Natuur)
5.7.1
Ecologie: soortenbescherming
5.7.1.1 Wettelijk kader Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot soortenbescherming. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden dat de ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Daarom zijn de effecten van de ontwikkeling op flora en fauna onderzocht. Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor bepaalde soorten. Bij de beoordeling kan blijken dat sprake is van flora- en fauna-activiteiten. Wanneer hiervan sprake is, dient er een omgevingsvergunning aangevraagd te worden om vroegtijdig te kunnen beoordelen of er sprake is van een ETFAL.
5.7.1.2 Toetsing Om aan te tonen of de beoogde ontwikkeling invloed heeft op flora en fauna is een quickscan uitgevoerd. Uit de quickscan natuurbescherming Omgevingswet (zie bijlage 4) wordt het volgende geconcludeerd: Het plangebied biedt gezien de terreinkenmerken en afwezigheid van bebouwing en geschikte holten of door het ontbreken van nesten in het opgaand groen geen geschikte broedgelegenheid voor jaarrond beschermde nesten van vogels. Bij de voorgenomen werkzaamheden zijn negatieve effecten op jaarrond beschermde nesten van vogels uitgesloten. In de directe omgeving van het plangebied kunnen wel algemene vogelsoorten tot broeden komen. Tijdens het broedseizoen zijn alle in gebruik zijnde nesten van vogels beschermd. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen (globaal tussen maart en september) plaatsvindt, kan dit leiden tot verstorende effecten op aanwezige broedvogels en daarmee een overtreding op de Omgevingswet. Indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden, zijn negatieve effecten op broedvogels uitgesloten. In alle gevallen is het noodzakelijk dat een ecologisch werkprotocol wordt opgesteld en dat een deskundig ecoloog de planlocatie vrijgeeft voor de werkzaamheden. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn vanwege het ontbreken van bebouwing en holtes in bomen uitgesloten.
Mogelijk vormt het plangebied onderdeel van een vliegroute en foerageergebied. Dit betreft echter geen essentieel leefgebied en de ontwikkeling heeft geen negatief effect op de functionaliteit ervan. Groei- en verblijfplaatsen van beschermde flora, grondgebonden zoogdieren, vissen, amfibieën, reptielen en ongewervelden zijn gezien de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens uitgesloten. In het plangebied zijn enkele algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren te verwachten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsartikelen. Op basis van de bovenstaande bevindingen is verder onderzoek niet vereist. Te allen tijde geldt de specifieke zorgplicht, waardoor nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.
5.7.1.3 Conclusie Het plan vormt geen belemmering voor het aspect ecologie: soortenbescherming, wel is het noodzakelijk dat een ecologisch werkprotocol wordt opgesteld en dat een deskundig ecoloog de planlocatie vrijgeeft voor de werkzaamheden. Het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk.
36
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
5.7.2
Ecologie: gebiedsbescherming
5.7.2.1 Wettelijk kader Er zijn gebieden in Nederland die voor flora en fauna van groot belang zijn. Dit zijn de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Hiermee moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden. Bij de beoordeling kan blijken dat sprake is van Natura 2000-activiteiten: dit zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Deze zijn meestal vergunningplichtig. Wanneer hiervan sprake is dienen deze direct te worden aangevraagd om vroegtijdig te kunnen beoordelen of er sprake is van een Evenwichtige Toedeling Van Functies Aan Locaties. Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Hiervoor gelden instandhoudingsdoelstellingen. De instandhouding moet zijn gericht op behoud. Het gaat ook om herstel dat moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in een gunstige staat te brengen. Nederland kent 162 Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk.
Het is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instandhouding van: aanwezige dier- en plantensoorten; typen natuurlijke habitats; leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. De provincie heeft in de omgevingsverordening de NNN-gebieden opgenomen. Bijzondere natuurgebieden en landschappen Naast de Natura 2000-gebieden kan de Minister van LNV bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen. Houtopstanden (bos) Mocht het plan gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen.
5.7.2.2 Toetsing Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen Holtingerveld, Dwingelderveld en De Wieden, op respectievelijk 8,3, 9,1 en 10,8 kilometer afstand (zie figuur 5.4). De effectenindicator van Broekmeyer et al. (2014; 2006) is een hulpmiddel om mogelijke schadelijke effecten op Natura 2000-gebieden te bepalen. De effectenindicator bevat 28 categorieën van activiteiten.
37
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
De categorie die het meest toepasbaar is op de beoogde werkzaamheden (sloop) betreft 'woningbouw'. Op basis van de effectenindicator kan de categorie 'woningbouw' in relatie tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden mogelijk leiden tot: oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring (licht, geluid, optisch), trillingen en mechanische effecten. Als aanvulling hierop kan ook sprake zijn van verzuring/vermesting als gevolg van stikstofdepositie. Uit het onderzoek (zie bijlage 4) blijkt dat er geen sprake is van potentiële effecten, behalve (mogelijk) stikstofdepositie. Om deze reden is stikstofonderzoek uitgevoerd voor de realisatie- en gebruiksfase (zie bijlage 5, 6 en 7). De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect als gevolg van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Voor de uitvoering van het plan geldt ten aanzien van het aspect stikstof geen vergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit.
Figuur 5.4: Globale ligging plangebied (rode asterisk) ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (Bron: RIVM, 2024 - AERIUS Calculator). Natuurnetwerk Nederland (NNN) Uit figuur 5.5 blijkt dat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt. Gezien de ruime afstand (>1,8 kilometer), de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en het tussenliggende bebouwde gebied dat een afschermde werking heeft, is geen sprake van aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Vervolgstappen ten aanzien van het NNN zijn niet aan de orde.
38
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
Figuur 5.5: Ligging plangebied (rode vierkant) ten opzichte van het NNN (groen) (Bron: Provincie Drenthe, 2024). Bijzondere natuurgebieden en landschappen In het Drentse ruimtelijk beleid is naast bescherming van natuur binnen het NNN ook aandacht voor bescherming van natuur buiten het NNN, namelijk in bijzonder provinciale natuurgebieden en ganzenrustgebieden (Provincie Drenthe – Omgevingsvisie, 2024). In Drenthe is momenteel één gebied aangewezen als bijzonder provinciaal natuurgebied: Landgoed Overcingel. Dit gebied ligt in Assen, op meer dan dertig kilometer afstand. Ook ligt het plangebied niet in ganzenrustgebieden (Provincie Drenthe – Omgevingsvisie, 2022). In Drenthe is alleen het Leekstermeer als ganzenrustgebied aangewezen. Gezien de afstanden tot deze gebieden en het tussenliggende bebouwde gebied dat een afschermde werking heeft, is geen sprake van negatieve effecten. Vervolgstappen zijn niet aan de orde. Houtopstanden Binnen het plangebied wordt ten behoeve van het plan opgaand groen verwijderd. Het betreft enkele zomereiken. Er is sprake van beschermde houtopstanden in het kader van de Omgevingswet indien: de houtopstand buiten de 'bebouwingscontour houtkap' ligt, en de houtopstand groter is dan 10 are (1.000 m²) of het om bomen gaat in een rijbeplanting van meer dan 20 bomen.
De planlocatie ligt buiten de bebouwingscontour houtkap, zodat het beschermingsregime van de Omgevingswet ten aanzien van houtopstanden hiervoor geldt. De te verwijderen bomen betreffen twee tot drie bomen in een rij van meer dan 20 bomen en vallen hiermee binnen het oppervlaktecriterium. De te kappen houtopstanden vallen niet onder de genoemde uitzonderingen (art 11.111, lid 2 Bal). Uit bovenstaande volgt dat er voor de voorgenomen kap vervolgstappen (meld- en herplantplicht) in het kader van de Omgevingswet aan de orde zijn. De melding dient minimaal zes weken en maximaal 1 jaar (zie provinciale verordening) voorafgaand aan de kap te worden ingediend. De eisen voor herplant zijn in de provinciale verordening van Provincie Drenthe uitgewerkt.
39
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
Figuur 5.6: Ligging plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van bebouwingscontour houtkap Omgevingswet (bron: Provincie Drenthe, 2024).
5.7.2.3 Conclusie Wat betreft gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling, wel geldt voor de bomenkap een meld- en herplantplicht. Het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk.
5.8
Beschermingszones radioastronomie
5.8.1
Wettelijk kader
Rijk In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) heeft het Rijk 21 nationale belangen geformuleerd. Dit zijn belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau ontstijgen en vragen om nationale politiek-bestuurlijke aandacht. Eén van die belangen is het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. Voor dit vestigingsklimaat is de radioastronomie van belang. De NOVI geeft hierover aan: "Nederland wil in verschillende vakgebieden (onder andere radio-astronomie) tot de wereldtop blijven behoren. De opgave in deze is om essentiële grootschalige wetenschappelijke infrastructuur, die voor haar functioneren afhankelijk is van een storingsvrije omgeving, te beschermen door een storingsvrije omgeving te waarborgen." Het Rijk ziet erop toe dat de kwaliteit van deze infrastructuur binnen de leefomgeving gewaarborgd blijft. Provincie De provincie wil garanderen dat de radioastronomie zich kan blijven ontwikkelen en dat verstoring van activiteiten die daarmee samenhangen wordt voorkomen. Om dat te bewerkstelligen, liggen er beschermingszones rondom de LOFAR-radiotelescoop, waar beperkingen gelden inzake de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden ter voorkoming van elektromagnetische straling. Een kernbegrip hierbij is het begrip 'verstoring'.
Elektrische en elektronische apparatuur zendt, onbedoeld, radiogolven uit en kan de systemen van het Nederlands Instituut voor Radio Astronomie (ASTRON) storen. Deze soort storing valt in de categorie Elektro-Magnetische Compatibiliteit (EMC). Ook al voldoet de apparatuur aan de geldende EMC emissie normen, toch kunnen ze zwakke signalen uit het heelal storen. Echter, voor dit
40
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
soort zwakke signalen heeft LOFAR nu juist zijn grote gevoeligheid gekregen. Deze zeer zwakke signalen uit het heelal worden dan als het ware overstemd door de, op aarde geaccepteerde, signalen. Vanwege genoemd effect is er een veilige minimumafstand nodig radiogolven uitzendende apparatuur en LOFAR. De mate van verstoring is dus gekoppeld aan elektromagnetische straling van een bron. Er is sprake van twee zones met elk een verschillend beschermingsniveau. Een ruimtelijk plan kan, voor zover deze gebieden bestrijkt die op de bij de Provinciale omgevingsverordening Drenthe behorende kaart D8 zijn aangeduid als 'Zonering radioastronomie zone I', alleen voorzien in nieuwe bebouwings- en gebruiksmogelijkheden als hierbij geen elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden. Een ruimtelijk plan kan, voor zover dat gebieden bestrijkt die op de bij de Provinciale omgevingsverordening Drenthe behorende kaart D8 zijn aangeduid als 'Zonering radioastronomie zone II', alleen voorzien in bedrijfsvestiging, -uitbreiding, intensivering van verkeer en andere activiteiten als hierbij geen elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden.
Voor een ruimtelijk plan dat binnen zone I en II van de LOFAR-radiotelescoop ligt, is een advies van ASTRON nodig. Uit de Provinciale omgevingsverordening Drenthe volgt dat dit ook geldt voor een ruimtelijk plan die voorziet in ontwikkelingen binnen een straal van twee kilometer rondom een LOFAR-buitenstation. De locaties van deze buitenstations en de bijbehorende beschermingszones zijn aangegeven op de website van ASTRON. 5.8.2
Toetsing
Het plangebied bevindt zich mogelijk in een beschermde zone voor radioastronomie. Om vast te stellen of dit het geval is, is de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe geraadpleegd. Uit deze verordening blijkt dat het plangebied niet binnen een zone voor radioastronomie valt. De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de exploitatie van de radiotelescopen. 5.8.3
Conclusie
Er worden geen belemmeringen verwacht op het gebied van radioastronomie. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL.
5.9
Luchtkwaliteit
5.9.1
Wettelijk kader
Onder de Omgevingswet is het niet meer in alle gevallen nodig om te toetsen aan luchtkwaliteit. Wel moet bij het toelaten van specifiek aangewezen activiteiten (te weten de aanleg of wijziging van een wegtunnelbuis en de aanleg van een autoweg of autosnelweg) de bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) altijd worden beoordeeld. In het geval wanneer een ontwikkeling in of nabij een aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof plaatsvindt kan in de volgende gevallen onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig zijn: de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen en spoorwegen; activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen; milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht Onderzoek is in deze gevallen in beginsel niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
41
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
5.9.2
Toetsing
De beoogde ontwikkeling ligt niet binnen het volgende toepassingsbereik: de aanleg of wijziging van een autoweg, autosnelweg of tunnel voor het wegverkeer. Daarnaast is de gemeente De Wolden niet aangewezen als aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof. Een toets aan de omgevingswaarden voor de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient een afweging van de luchtkwaliteit ter plaatse van de beoogde ontwikkeling plaats te vinden. Uit het advies van de Omgevingsdienst RUD van 18 juli 2024 blijkt de actuele concentratie van luchtverontreinigende stoffen: NO2: in 2025 8 µg/m3 en in 2030 7 µg/m3; PM10: in 2025 13 µg/m3 en in 2030 12 µg/m3; PM2,5: in 2025 6 µg/m3 en in 2030 6 µg/m3. De jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen ruimschoots onder de rijksomgevingswaarden en de toekomstig aangescherpte EU-grenswaarden (2030). Voor PM10 en stikstofdioxide wordt zelfs voldaan aan de WHO-advieswaarde. 5.9.3
Conclusie
De luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is aanvaardbaar. Nader onderzoek is niet nodig. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels.
5.10
Geur
5.10.1 Wettelijk kader De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit is een invulling van een plicht die al geldt vanuit de Omgevingswet. In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en 2.4 Omgevingswet). Een geurgevoelig gebouw is in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. 5.10.2 Toetsing Met de beoogde ontwikkeling worden geurgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Ten noorden van het plangebied is een melkrundveehouderij gevestigd op circa 175 meter afstand. Het plangebied is gelegen binnen de gemeente De Wolden.
Hierdoor geldt de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente De Wolden 2010 (dat is opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan). De melkrundveehouderij heeft geen landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor. Er is geen specifieke berekening vereist om de geurbelasting te bepalen, maar er kan gebruik worden gemaakt van afstandseisen. Op basis van de verordening geldt een minimale afstandseis tot een geurgevoelig gebouw:
42
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
Binnen de bebouwde kom: 50 meter Buiten de bebouwde kom: 25 meter Gezien de beoogde afstand van 175 meter tussen de woningen en de veehouderij, kan ruim worden voldaan aan de minimale afstandseisen uit de geurverordening. Er kan ook worden voldaan aan de strengere afstandseis van 100 meter uit het Bkl. De situatie met betrekking tot geur is aanvaardbaar. 5.10.3 Conclusie De geurbelasting op het plangebied is aanvaardbaar. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels/verordening.
5.11
Omgevingsveiligheid
5.11.1 Wettelijk kader Omgevingsveiligheid omvat de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor externe veiligheidsrisico's zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Verder dient op grond van artikel 5.2 van het Bkl voor de risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening te worden gehouden met het belang van: 1. het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; 2. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en 3. de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet. 5.11.2 Toetsing Met de beoogde ontwikkeling worden kwetsbare gebouwen (woningen) mogelijk gemaakt. Er worden geen risicovolle activiteiten mogelijk gemaakt. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Figuur 5.7 toont een uitsnede van deze kaart.
In de nabijheid van het plangebied bevinden zich een spoorlijn en buisleidingen. Over het spoor vindt het transport van gevaarlijke stoffen plaats, waardoor er brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden rondom de spoorlijn aanwezig zijn. Het plangebied ligt buiten een brand- of explosieaandachtsgebied en de PR10-6-contour van het spoor. Een deel van het plangebied ligt binnen het gifwolkaandachtsgebied van het spoor. Afhankelijk van de situatie en de inrichting van de omgeving kan het handelingsperspectief verschillen. Voor personen binnen gebouwen is het handelingsperspectief 'schuilen'. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Hierbij is het van belang dat de mechanische ventilatie gemakkelijk uit te zetten is zodat de luchttoevoer bij een toxische wolk kan worden geminimaliseerd. Conform het Bbl bestaat de verplichting dat mechanische ventilatiesystemen standaard beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Besluit bouwwerken leefomgeving).
43
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
Figuur 5.7: Uitsnede risicokaart met plangebied in zwarte omlijning (bron: REV) Voor zowel dagelijkse incidenten (zoals brand of wateroverlast) als calamiteiten op het gebied van externe veiligheid is een goede bereikbaarheid voor hulpdiensten essentieel. Het plangebied wordt ontsloten via de Kerklaan. Via de Kerklaan, Prins Bernhardlaan of Prinses Margrietlaan kan van de bronnen afgevlucht worden. De brandweerkazerne van De Wijk-Koekange ligt op enkele minuten rijden van het plangebied, hierdoor is er een snelle aanrijtijd. Daarnaast is er voldoende bluswater beschikbaar in en rond het gebied. Bovenstaande wordt geborgd door aan te sluiten bij de standaardregeling (bruidsschat artikel 22.13-22.15). Het grootste deel van de aanwezigen in het plangebied zal zelfredzaam zijn. Kinderen en ouderen worden wel als verminderd zelfredzaam beschouwd. In geval van nood wordt ervan uitgegaan dat ouders of andere aanwezigen hen kunnen begeleiden bij evacuatie. Aangezien omgevingsveiligheid breder is dan uitsluitend externe veiligheid, is met behulp van de Atlas Leefomgeving een inventarisatie uitgevoerd van aanvullende veiligheidsthema's, zoals brandbare natuur en overstromingsrisico's. Uit deze inventarisatie blijkt dat er geen sprake is van een verhoogd veiligheidsrisico. 5.11.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels.
5.12
Archeologie, cultuurhistorie en landschap
5.12.1 Wettelijk kader Onder cultureel erfgoed valt onder andere archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen en landschap. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130
44
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stadsen dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. 5.12.2 Toetsing Archeologie Archeologisch onderzoek Er is archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied, zie bijlage 8. In vrijwel het hele plangebied is de bodem verstoord tot in de BC-horizont of C-horizont. De bovenliggende verstoorde zandlaag, met een scherpe overgang naar de intacte lagen, duiden erop dat de bodem hier vergraven of omgeploegd is. Op één locatie werd een ten dele intacte podzolbodem aangetroffen, bestaande uit een B- en BC-horizont. In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren aangetroffen. Met het ontbreken van zelfs de kleinste indicatoren, zoals puinspikkels of houtskoolspikkels, is het zeer onwaarschijnlijk dat het plangebied deel uit heeft gemaakt van het erf van de historische boerderij, of andere vormen van bewoning uit de late middeleeuwen of nieuwe tijd. Aangezien de bovenkant van de podzolbodem (de A- en E-horizont) nergens meer aanwezig is, is het vondstenniveau van de periode steentijd-neolithicum reeds verdwenen.
Gezien de mate van verstoring, het ontbreken van archeologische indicatoren en het feit dat in de directe omgeving nauwelijks vondsten zijn gedaan, wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de geplande ontwikkelingen. Indien onverhoopt toch archeologische waarden worden aangetroffen binnen de vrijgegeven gebieden, geldt de wettelijke meldingsplicht op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet. In dat geval moet een melding worden gedaan bij de Minister van OCW, of eventueel bij de gemeente of provincie. De bevoegde overheid, de gemeente De Wolden, heeft op dinsdag 24 juni kennisgegeven de rapportage goed te keuren en bovenstaand selectieadvies over te nemen. Aardkundige waarde Het plangebied ligt in een gebied met een generiek beschermingsniveau voor Aardkundige waarden (zie 4.2.1). Het gebied is vanuit aardkundige oogpunt al verstoord door het agrarisch gebruik. Conclusie archeologie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn in het kader van archeologie geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels. Cultuurhistorie Cultuurhistorische kenmerken plangebied De locatie voor uitbreiding van het dorp Koekange is gelegen tegen de rand van het dorp in een bestaand weidelandschap.
In de gemeentelijke structuurvisie staat, dat het landschap een van de belangrijkste kwaliteiten is van de gemeente de Wolden. In de verschillende landschappen is de cultuurhistorie besloten van de Wolden. Deze cultuurhistorische waarden bieden aanknopingspunten en geven inspiratie voor nieuwe ontwikkelingen naar de toekomst. Voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving is de bijzondere landschappelijke karakteristiek zeer waardevol. De lange bebouwingslinten zijn als ontginning assen nog steeds zichtbaar aanwezig in het landschap.
45
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
Koekange ligt in het gebied waar in de middeleeuwen de laagveen ontginningen zijn ontstaan. Vanaf de smalle zandruggen zijn lange zeer smalle ontginningspercelen uitgezet, die tot ver het land inlopen. Rond Koekange liggen er drie bebouwingslinten in het landschap. Elk lint heeft haar eigen ontstaansgeschiedenis, omdat de ontginningen ook uit verschillende periodes waren. Het eerste lint is de Koekange Aa en de Dwarsdijk. Dicht bij de beek gelegen was de eerste vestingplaats. Het landschap was een veengebied met bosjes, plassen en heidevelden. De eerste bewoners waren boeren. (Rond 1300 na Chr.) Zij ontgonnen in lange strekken het land van de dijk naar de beek en zo ontstonden kleine weidegronden afgewisseld met bos en heide. De kenmerkende houtwallen gaven de scheiding aan tussen de verschillende agrarische percelen. Het gebied was nat en het regelen van ontwateringen ging zeer moeizaam. Vanwege de natte periodes trokken de boeren hogerop en zo ontstond er een tweede lint. De betreffende locatie voor uitbreiding van het dorp Koekange ligt aan de tweede lint. De tweede lint is Weerwille, Prinsesseweg, Dorpstraat en Eggeweg. De eerste boerderijen lagen aan de oostzijde van de tweede lint en het landschap veranderde in lange opstrekkende kavels. Aan de westzijde van het lint (Kerklaan) zijn nog tamelijk veel houtwallen tussen de strekken te zien.
Het gebied was echter vroeger meer beplant dan nu het geval is. De opstrekken aan de tweede lint grensden oostelijk met bouwlanden aan de heidevelden van Koekangerveld. Aan het einde van op de overgang van bouwland naar woeste gronden lagen de talrijke hakhoutbosjes. Het derde lint ontstond weer later toen men ook de woeste gronden ging bewerken en ook daar boeren zich vestigden en heidevelden gingen bewerken tot landbouwgronden. Het derde lint is de Ruinerweg en een meer open lint met mooie vergezichten tot aan de bossen van Echternerveld. De Kerklaan is een zijstraat van de Dorpsstraat en ligt aan de noordkant van het dorp. Hier staan boerderijen met wisselde afstanden tot de weg. Er is een eerste, tweede en derde rang te onderscheiden. In de eerste rang liggen de boerderijen met hun erven met de ontsluiting direct aan de weg. In de tweede rang liggen er kleinere weides of akkers tussen erf en weg en in de derde rand liggen er grotere percelen tussen erf en weg. De nieuwe locatie ligt in de tweede bebouwingslijn vanaf het ontginningslint gezien en de verbinding is met de Kerklaan. De karakteristiek landschappelijk kwaliteit van de locatie blijft bestaan, omdat de bebouwing plaatsvindt binnen de bestaande houtwallen en de breedte van de strekkende kavels in dit gebied.
In 1975 is men begonnen met de bouw van woningen op de percelen aan de Kerklaan en Dorpstraat en kwamen er nieuwe straten binnen de linten. De straatnamen hebben een verwijzing naar het Koningshuis. In de jaren daarna heeft het dorp zich ontwikkeld in richting van de Langedijk. Ook het sportgebouw, scholen en een dorpshuis werden in deze periode gerealiseerd, wat een belangrijk ontwikkeling was en nog is voor de ca. 2600 inwoners die Koekange. Nieuwbouwontwikkelingen komen er ook aan de Meidoornstraat waar de Corporatie Actium 8 levensloopbestendige huurwoningen gaat bouwen. Toetsing voorgenomen ontwikkeling De nieuwe plek voor woningbouw is gelegen aan de Kerklaan tegen de dorpskern aan. De grond is in eigendom van de gemeente. Op dit moment wordt deze grond gebruikt en verpacht als weiland. Het stedenbouwkundig plan, weergegeven in figuur 5.8, is gemaakt voor 20 woningen. De ontsluiting is aan de Kerklaan. De structuur van ontsluiting en wegen sluiten aan bij de Prinses Margrietlaan en de Prins Bernhardlaan. De karakteristieke hakhoutbosjes worden opnieuw als overgang naar de weidegronden aangeplant. Zo ontstaat er een samenhangende inpassing bij het dorp, waarbij de kenmerken van het historische landschap worden gerespecteerd.
46
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
Figuur 5.8: Schetsontwerp stedenbouwkundig plan met cultuurhistorische structuren (bron: gemeente De Wolden) De typologie van de bebouwing en ook de dichtheid wordt afgestemd op bestaande bebouwing van het dorp. Het woonprogramma sluit aan bij de behoefte aan woningen in het dorp. De koop van Levensloopbestendige woningen maar ook de woningen voor starters op de woningmarkt worden door dit plan mogelijk gemaakt. Midden duur en duur segment zijn qua aanbod in de minderheid maar worden aan meegenomen in het totaal aanbod van woningen op deze plek. De plek is als vrij nat en drassig aan te merken. In het nieuwe plan wordt voldoende rekening gehouden met wateropvang, tijdelijke waterberging en bodem infiltratie, om een verantwoorde waterhuishouding te borgen. Parkeren is voldoende aanwezig. De verkoop van kavels kan plaatsvinden na het bouwrijp maken van de grond. Zowel aan particulieren als ook aan ontwikkelaars kunnen de kavels worden uitgegeven. Conclusie cultuurhistorie Uit voorgaande volgt dat er voldoende rekening is gehouden met de cultuurhistorische kernmerken van het plangebied en de omgeving daarvan. Landschap Het plangebied valt binnen het landschapstype Wegdorpenlandschap. Het landschapstype is van provinciaal belang.
Het wegdorpenlandschap van de laagveenontginning, ook wel het ‘slagenlandschap’, ligt op de laagstgelegen plekken in de provincie Drenthe, waar in de benedenlopen van de beekdalen veen is ontstaan. De ontwikkeling van Koekange sluit aan bij de historische ontwikkeling van het cultuurlandschap, zoals aangetoond in voorgaande subparagraaf. Het karakter van het gebied wordt zo min mogelijk verstoord en
47
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
de aanwezige historische kenmerken, zoals de groenstructuren, worden behouden. De ontwikkeling sluit hiermee aan op de ontstane structuren in- en rondom het plangebied. Derhalve worden er vanuit het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen verwacht voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie landschap Uit voorgaande volgt dat er wordt voldaan aan de kernkwaliteit landschap die van provinciaal belang is. Er wordt met de inrichting van het plangebied aangesloten bij de bestaande landschappelijke waarden en er worden geen belemmeringen verwacht vanuit de kernkwaliteit landschap. 5.12.3 Conclusie Vanuit het aspect archeologie, cultuurhistorie en landschap worden er geen belemmeringen verwacht voor de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels.
5.13
Bodem
5.13.1 Wettelijk kader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. In dit geval zijn de interventiewaarden van toepassing die zijn opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. De instructieregels schrijven voor dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw ofwel vergunningplichtig ofwel meldingsplichtig moet worden gemaakt op grond van het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). De instructieregels schrijven ook voor dat met het omgevingsplan het ambtsgebied ingedeeld wordt in bodemfunctieklassen. 5.13.2 Toetsing Verkennend bodemonderzoek Voor de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 9. De onderzoeksresultaten van de grond- en waterbodemmonsters zijn getoetst aan de kwaliteitsklassen voor het toepassen op of in de landbodem en aan de interventiewaarden bodemkwaliteit. Hieruit volgt het eindoordeel 'landbouw en natuur'.
Wat betreft het grondwater kan er voldaan worden aan de interventiewaarden. Daarnaast is er geen sprake van een verhoogde waarde voor PFAS. Ook is er een ruim voldoende bodemloodkwaliteit. De aangetoonde resultaten vormen geen significante risico's voor mens, plant of dier. Uit milieuhygiënisch oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen nieuwbouwplannen. Bodemfunctieklasse De gemeente De Wolden heeft een bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassekaart vastgesteld. Volgens de bodemfunctieklassenkaart geldt ter plaatse van de planlocatie de bodemfunctieklasse landbouw/natuur. De regeling voor de bodemfunctieklassen wordt in het gemeentedekkende
48
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
omgevingsplan opgenomen. 5.13.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels.
5.14
Water
5.14.1 Wettelijk kader Een ontwikkeling moet ook worden getoetst aan de instructies van de omgevingsverordening van het waterschap en de provincie. De locatie ligt in het beheergebied van Drents Overijsselse Delta. De gemeente of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. De gemeenten kunnen strengere normen opnemen in het omgevingsplan. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk. Bij de wijziging van het omgevingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn: watercompensatie in verband met toenemende verharding; waterkwaliteit, bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning; bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken; waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater, (industriële) lozingen en of lozing oppervlaktewater. Het beleid van Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta) is beschreven in de Watervisie, het Waterbeheerprogramma 2022-2027 en de Kadernotitie Stedelijk Water. Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels.
Deze zijn: bescherming van primaire waterkeringen (artikel 5.38 Bkl); behoud waterveiligheid kust (artikel 5.40 Bkl); behoud waterveiligheid grote rivieren (artikel 5.46 Bkl); IJsselmeergebied (artikel 5.49 Bkl). Bovenstaande instructieregels zijn niet van toepassing op het plangebied. 5.14.2 Toetsing Op basis van de ingevulde gegevens in het wateradvies heeft het waterschap Drents Overijsselse Delta een uitgangspuntennotitie opgesteld. Deze notitie is opgenomen in bijlage 10. Hieronder volgt een samenvatting van de inhoud van de notitie. Bestaande situatie Het plan ligt in het (deel)stroomgebied Wold Aa. In de omgeving liggen A-oppervlaktewaterlichaam [WWA-08-04 BB] die WDODelta beheert. Het peilgebied bevat één peilvak (WA118) en heeft een maximumpeil van NAP +2.1m. De hoogte van het maaiveld ligt gemiddeld op ongeveer NAP +2,6m, zie figuur 5.9. De bodem (deklaag) bestaat voornamelijk uit Podzolgronden. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt op 28 cm onder het maaiveld.
49
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
Figuur 5.9: Kaartbeeld bestaande maaiveld rond het plangebied (bron: WDODelta) Bij extreme neerslag wordt beperkt wateroverlast in of bij het plangebied verwacht, zie figuur 5.10.
Figuur 5.10: Kaartbeeld wateroverlast rond het plangebied met een hevige bui van 70 mm/2 uur (bron: WDODelta) Uitgangspunten toekomstige situatie Watersysteem Aan de noordzijde van het plangebied ligt een A-watergang, zie figuur 5.11. Het omliggende
50
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
beperkingengebied van deze watergang wordt niet geraakt.
Figuur 5.11: Uitsnede legger (bron: WDODelta) Voor de beoogde nieuwbouw wordt watercompensatie toegepast, aangezien voor het totale verharde oppervlak binnen het plangebied berging nodig is ter compensatie van de versnelde afvoer van hemelwater. Na realisatie van het plan is er een totaal verhard oppervlak van ongeveer 5.641 m² aanwezig binnen het plangebied. Dit houdt in dat een waterberging van 5.641 m² * 0.08 m = 451,28 m3 noodzakelijk is. Door het verbreden van de watergang aan de zuidzijde van het plangebied wordt deze waterberging gerealiseerd. Aangezien hiervoor een vergunning vereist is, zal deze worden aangevraagd. Daarnaast worden er afspraken gemaakt tussen de gemeente en het waterschap over het onderhoud van het watersysteem. De aanleghoogte van de gebouwen worden minimaal 80 cm ten opzichte van de GHG. Op deze wijze wordt grondwateroverlast voorkomen. Door het ophogen komt het terrein meer op gelijke hoogte te liggen met de omliggende wijken (zie figuur 5.9). Om wateroverlast (hemelwater) en schade in woningen te voorkomen wordt de drempelhoogte 30 cm boven het straatpeil. Waterkwaliteit Het hemelwater dient zo schoon mogelijk te blijven. Het is daarom belangrijk om de waterkwaliteit te bewaken. Daarom wordt het gebruik van uitloogbare materialen (zoals koper, lood of zink) bij de bouw van de nieuwe woningen zoveel mogelijk vermeden.
Riolering Er wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd, rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd.
51
zodat
schoon hemelwater niet
naar de
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
Hittestress Op basis van de Klimaateffectatlas is ter plaatse van het plangebied sprake van een beperkt stedelijk hitte-eilandeffect. In het kader van klimaatadaptatie en het bevorderen van een gezonde leefomgeving wordt het plangebied groen en klimaatbestendig ingericht. Door het toevoegen van voldoende groenvoorzieningen, waaronder schaduwgevende beplanting, wordt hittestress effectief tegengegaan. 5.14.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling vormt geen belemmering voor het aspect water. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk.
5.15
Duurzaamheid
5.15.1 Wettelijk kader De Omgevingswet biedt geen specifiek toetsingskader voor duurzaamheid. Wel is duurzaamheid een belangrijk thema waar gemeenten bij het opstellen van hun omgevingsplan rekening mee moeten houden. Duurzaamheid is een breed begrip dat verschillende aspecten omvat, zoals de energietransitie, mobiliteit en hergebruik van materialen. Voor klimaatadaptatie gelden de nationale afspraken, met als doel dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is. Nieuwe ontwikkelingen kunnen bijdragen aan dit doel. In de Toekomstvisie 2022–2040 van de gemeente De Wolden, getiteld 'Samen aan zet!', neemt duurzaamheid een centrale plaats in. De visie is opgebouwd rond drie hoofdambities: een vitale samenleving, een duurzame leefomgeving en het landschap als drager. Deze ambities zijn uitgewerkt in zes thema’s, waaronder 'energie en klimaat' en 'milieu en circulariteit'. 5.15.2 Toetsing In het kader van de verduurzaming wordt ingezet op het minimaliseren van warmteverlies, conform de eisen uit het Bouwbesluit voor nieuwbouw. Bovendien worden de woningen volledig gasloos, wat bijdraagt aan een de transitie naar een duurzame energievoorziening. 5.15.3 Conclusie Er zijn geen belemmeringen wat betreft het thema duurzaamheid.
5.16
Gebruik gewasbeschermingsmiddelen
5.16.1 Wettelijk kader Op agrarische percelen kan sprake zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeelt of gewasbeschermingsmiddelen en biociden veilig zijn voor mens, dier en milieu voordat ze worden toegelaten. Dat betekent echter niet dat nadelige gezondheidseffecten voor omwonenden volledig kunnen worden uitgesloten. Er zijn nog veel onduidelijkheden over de mogelijke relatie tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en de kans op gezondheidsschade. Op grond van het Bkl gelden weliswaar geen specifieke instructieregels, maar bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in elk geval rekening worden gehouden met het belang van de volksgezondheid. In dat kader dienen ook de mogelijke gezondheidsgevolgen door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te worden beoordeeld. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies (zoals woningen) en agrarische gronden waar
52
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Uit diezelfde jurisprudentie volgt dat het mogelijk is om deze afstand te verkleinen indien daaraan een deugdelijke, locatiespecifieke motivering ten grondslag ligt. Bij deze locatiespecifieke beoordeling dient niet alleen te worden gekeken naar het bestaande, feitelijke gebruik van de agrarische gronden. Uitgangspunt vormen de maximale mogelijkheden (rekening houdend met eventuele omschakeling naar andere teeltvormen en intensivering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen). 5.16.2 Toetsing Het plangebied grenst aan agrarische gronden met de daarbij behorende bestemmingen. Ter beperking van mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen wordt binnen het plangebied, op de locatie van agrarische percelen met bijzondere waarden, een spuitvrije zone aangeduid. Met de aanduiding is het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen niet toegestaan, waarmee feitelijk sprake is van een spuitvrije zone van 50 meter. Door het opnemen van deze spuitvrije zone worden de aangrenzende woningen voldoende beschermd tegen de negatieve effecten van gewasbeschermingsmiddelen. De regeling is verder toegelicht in paragraaf 6.5. 5.16.3 Conclusie Door het opnemen van de aanduiding 'spuitvrije zone' worden de woningen voldoende beschermd tegen de mogelijke negatieve effecten van gewasbeschermingsmiddelen.
Daarmee vormt het aspect 'gebruik van gewasbeschermingsmiddelen' geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.17
Gezondheid
5.17.1 Wettelijk kader Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. 5.17.2 Toetsing Voor de voorgenomen ontwikkeling wordt een quickscan gezonde leefomgeving uitgevoerd. De resultaten van deze quickscan worden in de volgende versie van voorliggende motivering opgenomen. 5.17.3 Conclusie De conclusie wordt in de volgende versie van voorliggende motivering opgenomen.
53
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
54
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische vormgeving
Toepassingsbereik
Met deze wijziging van het omgevingsplan worden de bestaande juridisch-planologische mogelijkheden en de regels uit het Omgevingsplan gemeente De Wolden vervangen door deze wijziging van het omgevingsplan. Deze wijziging voldoet aan de Omgevingswet, de instructies vanuit het Rijk en van de provincie Drenthe. In het toepassingsbereik, zoals opgenomen in artikel 2 van de planregels, is opgenomen welke regels van het Omgevingsplan De Wolden worden vervangen met dit wijzigingsbesluit om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. De bruidsschat (inclusief vangnetregeling) en de gemeentelijke verordeningen die deel uitmaken van het tijdelijke omgevingsplan worden niet gewijzigd. Vergunningplichten voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk zijn niet opgenomen in dit omgevingsplan, deze zijn al geregeld in de bruidsschat. Wel heeft afstemming plaatsgevonden met de bruidsschat en waar nodig zijn bruidsschatregels opgenomen, die op deze wijziging van toepassing zijn. Deze regels waren alleen van toepassing op het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Om ze ook van toepassing te laten zijn op deze wijziging moeten ze worden opgenomen, de bruidsschat (dus het tijdelijke deel van het omgevingsplan voor dit deel) zelf wordt hiermee dus niet gewijzigd.
Het is geen verplichting om deze regels uit de bruidsschat ook voor deze wijziging en locatie te laten gelden, de regeling is echter ook voor deze wijziging van het omgevingsplan opgenomen om uniformiteit in de regeling te behouden voor de gemeente. Dit geldt voor: aanvraagvereisten voor de omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid (artikel 22.284 van de bruidsschat), geen verplichting. Ook heeft afstemming met de bruidsschat plaatsgevonden wat betreft de vergunningplicht voor het bouwen van een erf- of perceelafscheiding. In het voormalige bestemmingsplan geldt een vergunningplicht voor erf- of perceelafscheidingen die niet hoger zijn dan 2 m en achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw wordt gebouwd. In de bruidsschat kunnen erf- of perceelafscheidingen achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd wanneer zij niet hoger zijn dan 2 meter en een functionele relatie hebben met het hoofdgebouw. Omdat deze regeling uit de bruidsschat in dit geval voorgaat op de regels uit het TAM-omgevingsplan (zie Artikel 2 Toepassingsbereik), is de vergunningplicht uit het bestemmingsplan niet overgenomen.
6.2
Begrippen
De begripsbepalingen uit de bijlage van de Omgevingswet zijn van rechtswege van toepassing op het wijzigingsbesluit en hoeven dus niet bij de begrippen te worden opgenomen. De begripsbepalingen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling zijn niet van rechtswege van toepassing op het TAM-omgevingsplan. Daarom is in de begrippen hierop aangesloten door deze van toepassing te verklaren. In de begripsbepalingen zijn daarom geen begrippen meer opgenomen voor gebouw, hoofdgebouw, bijbehorend bouwwerk, hoofdgebouw en erf. Deze begrippen komen terug in het Bbl. Hetzelfde geldt voor het begrip bouwwerken en bouwen, deze zijn opgenomen in de begripsbepalingen bij de Omgevingswet. Er zijn aanvullende begrippen opgenomen die nodig zijn om de regels van dit TAM-omgevingsplan uit te leggen en die niet zijn opgenomen in de Omgevingswet of de AMvB's.
55
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
6.3
Algemeen verbod
In het algemene verbod is opgenomen dat alle functies en activiteiten die niet zijn genoemd en in strijd zijn met het TAM-omgevingsplan, verboden zijn. Er is echter een uitzondering voor binnenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning kan worden verleend, en voor bestaande functies en activiteiten. Dit betekent dat als een activiteit niet in het plan staat, deze in principe niet mag worden uitgevoerd, tenzij het een binnenplanse activiteit is die vergunningplichtig is, of als het een bestaande situatie betreft. Het begrip bestaand is opgenomen in de begripsbepalingen, waarbij het gaat om legale situaties ten tijde van het in werking treden van dit TAM-omgevingsplan.
6.4
Functies en activiteiten
Een omgevingsplan moet technisch voldoen aan de Omgevingswet Standaarden STOP/TPOD. De wetgever heeft tot 1 januari 2026 gemeenten de mogelijkheid geboden om een omgevingsplan onder de Omgevingswet op te stellen op basis van de RO standaarden 2012 en te publiceren via www.ruimtelijkeplannen.nl en de overbruggingsfunctie van het Informatiehuis Ruimte naar het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Het omgevingsplan conform TAM maakt juridisch deel uit van het omgevingsplan, maar wordt technisch in de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl geplaatst. Bij het opstellen van een TAM-omgevingsplan, waarbij gebruik wordt gemaakt van de RO standaarden 2012, kan nog gebruik worden gemaakt van bestemmingen. Dit voorliggend TAM-omgevingsplan bevat bestemmingen. De bestemmingen bevatten gebruiksregels en bouwregels. Voor de inhoud van de juridische regeling wordt deels aangesloten op de systematiek en regels uit het bestemmingsplan voor wat betreft de bestemming 'Agrarisch met waarden' en 'Waarde - Archeologie', en deels op het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Middelveen V, Zuidwolde. De bestemmingen bevatten gebruiksregels, bouwregels en aanlegregels (vergunningplichten voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden).
Agrarisch met waarden De bestemming 'Agrarisch met waarden' (Artikel 5) is opgenomen, omdat de aanduiding 'overige zone spuitzone' moet worden opgenomen in verband met het verbod op het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van de agrarische gronden. Het overnemen van deze regeling in het TAM-omgevingsplan, in plaats van in het toepassingsbereik bepalen dat de bestemming 'Agrarisch met waarden' uit de beheersverordening Buitengebied De Wolden 2023 van toepassing blijft, vergroot de juridische leesbaarheid van het plan. De bestemming is grotendeels conserverend overgenomen uit de regels van de beheersverordening Buitengebied de Wolden 2023. Wel is de regeling aangevuld met het verbod op het gebruik van gronden ten behoeve van de sierteelt, fruitteelt, boomteelt of overige opgaande meerjarige teeltvormen en is de regeling afgestemd op het plangebied. Groen De bestemming 'Groen' (Artikel 6) zorgt voor een groene en bebouwingsvrije zone tussen het omliggende agrarisch gebied. Het plangebied wordt landschappelijk ingepast in de bestaande omgeving. in paragraaf 2.2.2 wordt hierop ingegaan. Het uitgangspunt voor de landschappelijke inpassing is het behoud en uitbreiding van groenstructuren en watergangen. In het plangebied worden de karakteristieke hakhoutbosjes opnieuw als overgang naar de weidegronden aangeplant.
Zo ontstaat er een samenhangende inpassing bij het dorp, waarbij de kenmerken van het historische landschap worden gerespecteerd. Op deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen voor nutsvoorzieningen.
56
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
Tuin De gedeelten van de percelen waar geen gebouwen mogen worden gebouwd, hebben de bestemming 'Tuin' (Artikel 7). Meestal liggen deze gronden tussen de voorgevel van het gebouw en de openbare weg. Ook kan aan de zijkant van het gebouw deze bestemming gelegen zijn, om een bepaalde openheid te kunnen houden. Verkeer De gronden zijn binnen de bestemming 'Verkeer' (Artikel 8) bedoeld voor de ontsluiting van de nieuwe woonwijk. De bouw van gebouwen en overkappingen is niet toegestaan. Voor bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, geldt een bouwhoogte van niet meer dan 12 m. Water De gronden zijn binnen de bestemming 'Water' (Artikel 9) bedoeld voor waterberging, waterhuishouding en waterlopen en waterwegen. Zo wordt voldoende rekening gehouden met wateropvang, tijdelijke waterberging en bodeminfiltratie. Het plangebied wordt aan de zuidzijde ingericht met een duiker. Wonen De bestemming 'Wonen' (Artikel 10) maakt het wonen mogelijk binnen het bestemmingsvlak conform de gewenste woningbouwontwikkeling en met inachtneming van de uitgangspunten ten aanzien van de ruimtelijke inpassing zoals opgenomen in paragraaf 2.2.2. Tevens is het ondergeschikte gebruik voor een aan de woning gebonden beroep of bedrijf toegestaan.
De hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd en per bestemmingsvlak is het type woning vastgelegd, om te kunnen voldoen aan de programmering. Dit betreffen vrijstaande, aaneengebouwde en twee-aaneenwoningen (of: twee-onder-een-kapwoningen). De goot- en bouwhoogtes en dakhellingen zijn opgenomen op de verbeelding. In afwijking hiervan geldt dat ter plaatste van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding asymmetrische kap' de maximum goothoogte in de regels wordt geregeld. Het aantal woningen mag in het plangebied niet meer bedragen dan 20. Voor de aaneengebouwde woningen geldt dat niet meer dan vier woningen in één rij aaneen gebouwd mogen worden. Voor alle woningen is een bijbehorende bouwwerkenregeling opgenomen. Er is aangesloten op de bijbehorende bouwwerkenregeling zoals in de gemeente gebruikelijk is. Waarde - Archeologie De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' (Artikel 11) is vanwege het opnemen van de aanduiding 'overige zone - spuitzone' integraal en conserverend overgenomen uit de regels van de beheersverordening Buitengebied De Wolden 2023.
6.5
Algemene regels
Binnen de algemene regels is de anti-dubbeltelregeling opgenomen. In het Bkl is geen plicht opgenomen tot het opnemen van een anti-dubbeltelregeling. Deze hoeft dus niet te worden opgenomen in dit TAM-omgevingsplan. De keuze is om deze wel mee te nemen om ongewenste bebouwingsmogelijkheden te creëren (voor bijvoorbeeld bijbehorende bouwwerken). De aanvraagvereisten voor de aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of een werkzaamheid zijn opgenomen, de motivering daarvan is opgenomen in paragraaf 6.1. Er zijn algemene beoordelingsregels opgenomen voor de bouw van gebouwen voor nutsvoorzieningen.
57
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
Ook is de 10%-regeling vewerkt. De 10% regeling zorgt ervoor dat in algemene zin kan worden afgeweken van de in de beoordelingsregels opgenomen maten en afmetingen. Algemenere afwijkingsregels voor het bouwen en met een omgevingsvergunning afwijken van het gebruik zijn ook opgenomen en overgenomen uit de voorheen geldende regelingen. De parkeerregels zijn conserverend overgenomen uit de bestaande regelingen.
6.6
Overgangsregels
Het opnemen van overgangsrecht is niet meer verplicht onder de Omgevingswet. In verband met de rechtszekerheid van bestaande rechten is ervoor gekozen om overgangsregels op te nemen. Deze overgangsregels zijn zowel voor bouwwerken als gebruik.
58
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kerklaan, Koekange (vastgesteld)
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch uitvoerbaar is. Dit houdt in dat: 1. de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn en 2. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Financiële uitvoerbaarheid De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling betreft de bouw van maximaal 20 woningen. De gemeente is grondeigenaar en geeft de kavels uit. De gemeente is de initiatiefnemer en realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De gemeente heeft middelen beschikbaar vanuit de grondexploitatie om de ontwikkeling te realiseren. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan. Kostenverhaal Wie een woning, bedrijfspand of ander gebouw bouwt of verbouwt, moet hiervoor in veel gevallen een bijdrage betalen aan het bevoegd gezag. Deze bijdrage is onder andere voor de kosten van het opstellen van plannen, het aanleggen van openbare voorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte. Dit wordt kostenverhaal genoemd. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op ontwikkeling van een woonbuurt voor maximaal 20 (nieuwe) woningen. De beoogde ontwikkeling is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit.