2a BP Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers toelichting en regels.pdf
Tekst van het document
5.1
Bodem
5.1.1
Normstelling
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5725 en 5740. 5.1.2
Situatie plangebied en onderzoeksresultaten
Binnen het plangebied zijn meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd. Dit betreffen de volgende onderzoeken: Verkennend onderzoek 2 terreinen Hoge Akkers te Ruinerwold, Tukkers, d.d. 30-10-1995. Uit dit onderzoek blijkt dat binnen het plangebied: a. De boven- en ondergrond niet verontreinigd zijn; b. Het grondwater licht verontreinigd is met lood, kwik, arseen en fenol. Verkennend bodemonderzoek & asfaltonderzoek Hoge Akkers te Ruinerwold, Grondslag B.V., d.d. 20 februari 2018, nr. 28483. Uit dit onderzoek blijkt dat binnen het plangebied a. De bovengrond ter plaatse van perceel 2332 licht verontreinigd is met Zink, Kwik, Lood en PAK en indicatief wordt ondergebracht in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. Deze grond is beperkt toepasbaar op locaties elders en dient voorafgaand aan de toepassing te worden onderzocht middels een partijkeuring; b. In het overig deel van het plangebied zijn bij dit onderzoek geen verontreiniging aangetoond in de grond. c. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Verkennend milieukundig (water)bodemonderzoek Haakswold 11 e.o. te Ruinerwold, Lievense Milieu BV, d.d. 8 april 2020, nr. SOL011435.RAP002. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 1. Hierna worden de onderzoekresultaten besproken.
Onderzoeksresultaten Uit het onderzoek blijkt het volgende: ter hoogte van de bebouwing aan de Haakswold 11 is op één plek asbestverdacht plaatmateriaal gedeeltelijk aan maaiveld en gedeeltelijk in de grond aangetroffen; ter hoogte van de dammen zijn bij asbestinspectiegat D1 brokken baksteen en beton en sporen aardewerk aangetroffen in de bovenste meter (0,0 - 1,0 m -mv). Ter hoogte van het puinpad is de bovengrond tot 0,3 à 0,5 m -mv bij de asbestinspectiegaten P4, P5 en P6 (zeer) licht baksteenhoudend. Verder zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de mogelijke
31
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
aanwezigheid van bodemverontreiniging; bij de sloten in het weiland is een dunne zandlaag van 5 tot 27 cm met laagjes slib aangetroffen. Bij de sloot bij de bebouwing aan het Haakswold 11 is geen slibbijmenging waargenomen; in de bovengrond ter hoogte van het weiland en ter hoogte van de bebouwing aan de Haakswold 11 zijn in slechts twee mengmonsters gehalten aan PAK of zink boven de achtergrondwaarde gemeten. Verder zijn in zowel boven- als ondergrond voor geen van de onderzochte parameters gehalten boven de achtergrondwaarde gemeten; ter hoogte van het puinpad en de gedempte sloot zijn in de grond geen gehalten boven de achtergrondwaarde gemeten. Ter hoogte van het puinpad is geen asbest boven de detectiegrens aangetroffen (fijne fractie); ter hoogte van de dammen is in de ondergrond een licht verhoogd gehalte aan cadmium aangetoond; in de bovengrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Ter hoogte van de meest verdachte dam is geen asbest boven de detectiegrens aangetroffen (fijne fractie) indicatief getoetst aan de normen uit de Regeling bodemkwaliteit is voor alle geanalyseerde (meng)monsters van de boven- en ondergrond sprake van altijd toepasbare grond; in de bovengrond zijn plaatselijk gehalten aan PFOS en PFOA boven de detectiegrens maar beneden de achtergrondwaarden gemeten.
In de ondergrond en in de waterbodem blijven de gehalten aan PFAS allen beneden de detectiegrens; ter hoogte van de sloot bij Haakswold 11 is sprake van een asbestspot met gehalten ruim boven de interventiewaarde in de bovengrond (oppervlakte van circa 4 m2; bodemvolume van circa 2 m3). Er is sprake van een historisch geval van ernstige bodemverontreiniging; in het grondwater verspreid over de gehele locatie zijn over het algemeen licht verhoogde concentraties barium, koper, zink, xylenen en/of naftaleen gemeten. In het grondwater uit twee peilbuizen zijn matig verhoogde concentraties barium of koper aanwezig (naar alle waarschijnlijkheid van nature verhoogde achtergrondwaarden). Lievense beveelt aan voorafgaand aan een eventuele grondsanering van het asbest ter hoogte van de asbest-inspectiegaten A101 t/m A103 een BUS-melding Immobiel te doen. Deze BUS-melding wordt bij het bevoegd gezag ingediend (provincie Drenthe) en na instemming kan de grondsanering worden uitgevoerd. De sanering dient te worden uitgevoerd door een BRL7001 gecertificeerde aannemer en onder milieukundige begeleiding van een BRL6001 gecertificeerde milieukundig begeleider. De (asbest)sanering heeft betrekking op de locatie Haakswold 11 welke geen onderdeel uitmaakt van dit bestemmingsplan. Voor het overige staat de bodemkwaliteit de ontwikkeling niet in de weg. 5.1.3
Conclusie
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor voorliggende ontwikkeling.
5.2
Archeologie en Cultuurhistorie
5.2.1
Archeologie
5.2.1.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
32
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
5.2.1.2 Situatie plangebied De gemeenteraad van gemeente De Wolden heeft in 2012 een archeologische beleidskaart vastgesteld welke is gekoppeld aan de beheersverordening Buitengebied. Voor een gedeelte van het plangebied geldt een 'lage verwachting'. Voor deze gronden geldt op grond van de regel in de beheersverordening geen onderzoeksplicht. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. In voorliggend bestemmingsplan om gelet op het voorgaande geen dubbelbestemming opgenomen ter bescherming van archeologische waarden in de grond. 5.2.2
Cultuurhistorie
5.2.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.2.2.2 Situatie plangebied In voorliggend geval zijn voor cultuurhistorie het inspiratiedocument van Dorpsbelangen Ruinerwold/Berghuizen en de cultuurhistorische waardenkaart van De Wolden van belang. Inspiratiedocument dorpsbelangen voor dubbellint Zoals in paragraaf 2.1 reeds beschreven is er ter plaatse van het plangebied sprake van een waardevol open slagenlandschap met een duidelijk herkenbare lineaire structuur van de oorspronkelijke bebouwing. Dorpsbelangen Ruinerwold/Berghuizen heeft in haar Inspiratiedocument voor het dubbellint de cultuurhistorische waarde en kwaliteiten van het dubbellint en bijbehorend landschap beschreven. In het document wordt ook aangeven hoe men met het gebied wil omgaan.
Toen het Rijk het zogenaamde dubbellint (Dokter Larijweg, Boerpad, Haakswold, Dijkhuizen, Wolddijk en Oosteinde) wilde aanwijzen tot beschermd dorpsgezicht onderkenden alle betrokkenen dat het om een bijzonder gebied gaat, dat zo goed mogelijk in stand gehouden moet worden, maar opgelegde maatregelen ‘van bovenaf’ ging de bewoners en in navolging ook de gemeente en de provincie te ver. Het motto was: “Laat Ruinerwold met rust, we kunnen het zelf wel.” De aanwijzing werd hiermee afgeblazen. Wel is er zoals hierboven aangegeven sprake van een zeer bijzonder landschap. In het gebied rond Ruinerwold spreekt met men o.a. van een authentiek slagenlandschap. Dit gebied bestond in de Middeleeuwen nog uit veen. Het was onbewoonbaar. Monniken uit het klooster in Ruinen hebben Ruinerwold vanaf midden 12e eeuw ontgonnen. Door de ontginning ontstonden zeer lange, smalle kavels naast elkaar met steeds aan de kopse kant een boerderij. Het grondgebruik bestaat vooral uit grasland. Melkveehouderij bepaalt het beeld. Vanuit een toegankelijk lijnvormig element, een weg of een oeverwal bijvoorbeeld (de ontginningsas), werden lange, smalle en evenwijdige percelen loodrecht hierop aangelegd. Loodrecht vanuit een ontginningsas ontstonden zo lange percelen met agrarische bebouwing op de kop van de kavels. Sloten scheidden de percelen van elkaar.
De kavelsloten en de elzensingels binnen de ontginningsgeschiedenis zijn nog goed te herkennen. Tegenwoordig spreekt men meer van de landschapstypen, wegdorpenlandschap en veenontginningslandschap. De agrarische functie is tegenwoordig in het gebied niet langer overheersend. Het merendeel van de boerderijen heeft een transformatie ondergaan van agrarisch bedrijf naar een woonfunctie al dan niet gekoppeld aan nieuwe bedrijvigheid, horeca of detailhandel. Deze functiewijziging van agrarische nederzetting tot multifunctioneel dorp heeft het oorspronkelijke beeld en de structuur van Ruinerwold echter nauwelijks aangetast. De gemeenteraad van De Wolden heeft de bebouwing van het dubbellint als gebied aangewezen waar het welstandbeleid nog op van toepassing is. De kernen vallen daar niet onder. Dorpsbelangen Ruinerwold/Berghuizen wil de eigenaren/gebruikers van de in de kernen gesitueerde boerderijen
33
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
betrekken bij het streven naar het behoud en/of versterken van de kwaliteit van deze bebouwing en de daarbij behorende erven. Het gaat hier om de boerderijen binnen de bebouwde kommen langs Haakswold, Boerpad, Dijkhuizen, Wolddijk, Dokter Larijweg en Oosteinde. Het inspiratiedocument bevat geen strakke regels, maar geeft enerzijds inzicht in al hetgeen het gebied zo bijzonder maakt en anderzijds geeft het handreikingen om wijzigingen op een verantwoorde manier te kunnen laten plaatsvinden, zodat “de ziel” van de bebouwing en het landschap behouden blijft of wordt versterkt. Cultuurhistorische beleidskaart Verder heeft gemeente De Wolden een Cultuurhistorische beleidskaart. Deze is in 2014 door de gemeenteraad vastgesteld. Op deze kaart zijn de gronden aangewezen als beleidszone 1 en als cultuurhistorisch ensemble. Hieronder zijn de beleidsadviezen voor dit gebied weergeven en is de locatie indicaties of de beleidskaart aangeduid. Beleidszone 1: De cultuurhistorische waarde van dit gebied is zeer hoog. Bij nieuwe ontwikkelingen spelen cultuurhistorische waarden dan ook een essentiële rol. Het zorgvuldig inpassen van nieuwe ontwikkelingen in de bestaande situatie wordt daarom aanbevolen. Iedere verandering zou moeten bijdragen aan het versterken van de bestaande cultuurhistorische waarden of deze tenminste niet aantasten.
Cultuurhistorisch ensemble: Dit zijn waardevolle gebieden in de gemeente. Cultuurhistorie biedt hier voor zowel gemeente als private partijen bij uitstek kansen voor toeristisch-recreatieve ontwikkelingen.
34
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
Afbeelding 5.1 Uitsnede Cultuurhistorische beleidskaart De Wolden (Bron: Gemeente De Wolden) In de omgeving van het plangebied aan het Haakswold en Blijdestein bevinden zich daarnaast rijksmonumenten, provinciale monumenten en karakteristieke panden. Bij de uitbreiding van bedrijventerrein Hoge Akkers is een belangenafweging gemaakt tussen de economische belangen en de landschappelijke en cultuurhistorische waarde van de locatie in de omliggende omgeving. Hierbij is ervoor gekozen een uitbreiding mogelijk te maken die zorgvuldig landschappelijke wordt ingepast en waarbij zichtlijnen zoveel mogelijk behouden blijven. De uitbreiding sluit aan op de ontwikkeling van bedrijfslocatie Haakswold 11 ten noorden. Gezamenlijk vormen de bedrijvenlocaties de nieuwe westelijke rand van de kern Ruinerwold. De randen van het nieuwe gedeelte van het bedrijventerrein worden afgehecht met een robuuste groenstrook met bomen en struiken. Ook aan de noordzijde van het bestaande bedrijventerrein worden een brede groenstrook aangebracht, zodat het bedrijventerrein gezien vanaf het Haakswold grotendeels aan het zicht wordt ontrokken. Ook binnen het plangebied worden langs de wegen groenstroken met bomen aangeleverd waarmee een groene uitstraling wordt gecreëerd. De groenstroken met bomen lopen door in het plan van bedrijvenlocatie Haakswold 11.
Bij de verkaveling van het nieuwe bedrijventerrein is verder rekening gehouden met de oorspronkelijke landschapsinrichting van het slagenlandschap.
35
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
5.2.3
Conclusie
Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Met de uitbreiding wordt gebouwd in een cultuurhistorisch waardevol gebied. Een deel van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden gaan hiermee verloren. Wel wordt zo veel mogelijk rekening te houden met cultuurhistorische waarden, door de landschappelijke inpassing en landschapsrichting te integreren in het ontwerp en rekening te houden met zichtlijnen. Ook wordt er een beeldkwaliteitsplan opgesteld.
5.3
Water
5.3.1
Vigerend beleid
5.3.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.3.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.
De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.3.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Drenthe wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.3.1.4 Waterschap Drents Overijsselse Delta Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft het waterbeheerplan 2016-2021 opgesteld.
Hierin aangegeven hoe uitvoering wordt gegeven de wettelijke waterschaptaken als zorgen: Een goede bescherming tegen hoog water; Een goed functionerend regionaal watersysteem; Het zuiveren van afvalwater.
36
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
5.3.2
Waterparagraaf
5.3.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.3.2.2 Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied Het bestemmingsplan is voorgelegd aan het waterschap voor de watertoets. Hieruit blijkt dat voor het plangebied een normale procedure doorlopen dient te worden en dat overleg met het waterschap dient plaats te vinden over de te hanteren uitgangspunten. Op basis van het overleg met het waterschap is hieronder beschreven hoe in het plan wordt omgegaan met deze uitgangspunten.
Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de westzijde van Ruinerwold en betreft een uitbreiding op het bestaande bedrijventerrein Hoge Akkers. Het plan ligt in het stroomgebied van de Wold Aa. Rond het plangebied liggen A-watergangen (watergangen en schouwsloten) van het waterschap. Het peilgebied heeft een streefpeil van NAP+ 0,40 (winterpeil) en NAP +0,70 (zomerpeil). De hoogte van het maaiveld ligt gemiddeld op ongeveer NAP +0,90 tot 1,90 meter. De bodem (deklaag) van het plan bestaat voornamelijk uit zand (zeer fijn), met een teelaarde laag variërend tussen de 20 tot 50 cm. Het gebied heeft relatief hoge grondwaterstanden (0,5 tot 1 m -MV). Uit de hydromorfe profielkenmerken blijkt dat de grondwaterstand tijdens neerslagrijke periode sterk kan stijgen.
Afbeelding 5.2 Uitsnede legger oppervlaktewateren WDODelta 2020 (Bron: Waterschap WDODelta)
37
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
Toekomstige situatie Het plangebied wordt ontwikkeld voor de realisatie van ca. 24 bedrijfspercelen. Samen met de te ontwikkelen wegenstructuren betekent dit een toename van ca. 5 ha verhard oppervlak. Met deze nieuwe invulling van het gebied zal als onderdeel van de planvorming een compensatie hiervoor gevonden moeten worden. Deze compensatie wordt gezocht in een combinatie van wadi-structuren met een vijver met bergende functie. Dit geheel draagt zorgt voor een robuust en toekomstbestendig hemelwatersysteem. Waterhuishouding De volgende randvoorwaarden worden gehanteerd voor de waterhuishouding Hemelwater moet zo dicht mogelijk bij het afvoerend oppervlak worden vastgehouden en geïnfiltreerd; Om de zogenoemde slagen structuur te accentueren, wordt de infiltratie voorziening en de stromingsrichting van noord naar zuid georienteerd; De centrale waterbergingsvoorziening wordt gerealiseerd aan de oostzijde met een afvoer op A-watergang WWA-04-04_E. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: 1. 2. 3. 4.
hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.
Vooral de principes 2 en 3 bieden kansen binnen het ontwerp van het nieuwe bedrijventerrein Hoge Akkers 2. Het hemelwater vanuit de openbare ruime zal via wadi-structuren worden afgevangen en wordt vervolgens geïnfiltreerd of afgevoerd. Op deze wadi-structuren wordt ook ca. 50% van het verharde oppervlak van de bedrijfspercelen aangesloten. De resterende 50% vanaf de bedrijfspercelen wordt aangesloten op een HWA-stelsel welke afwatert naar een ruime waterberging. De wadi-structuur bergt en/of infiltreert het water plaatselijk zolang dit kan. Uiteraard is dit afhankelijk van hoe verzadigd de bodem is op het moment dat een nieuwe regenbui zich aandient. Bij een aanhoudend aanbod van regenwater zal het verzamelde water in de wadi-structuren via slokops alsnog overstorten op het HWA-stelsel. Deze gecombineerde infiltratie, berging en afvoer biedt een robuust en toekomst bestendig systeem voor het hemelwater. Bij een verzadigde bodem voeren de wadi-structuren en het HWA-stelsel hun water af op een ruime nieuwe waterberging oostelijk in het gebied. Deze waterberging heeft in het uiterste geval, op haar beurt een overstort mogelijkheid op een afvoerende watergang van het waterschap. Aan de noordzijde van het plangebied wordt naast de bovengenoemde structuren een bestaande watergang verruimt.
Deze watergang, aan de achterzijde van de percelen (Westerweiden) dient als zaksloot en biedt het plan extra lokale berging voor hemelwater. Voor een nader beschouwing van het hemelwatersysteem zie Bijlage 4 Hemelwatersysteem 1 en Bijlage 5 Hemelwatersysteem 2. Zoals aangegeven komen de verharde oppervlakken van de wegverhardingen en de percelen met bebouwing en perceelinfra op verschillende manieren tot afstroming. Voor een nadere duiding zie Bijlage 6 Afstroming hemelwater. De vuilwaterstroom wordt aangesloten op het bestaande gemaal van het naast gelegen industriegebied Hoge Akkers (VGS-stelsel). De capaciteit van stelsel en bestaand pompgemaal dienen nog nader onderzocht te worden. Bergingsopgave
38
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
Door de ontwikkeling van Hoge Akkers 2 neemt het verharde (afvoerende) oppervlak toe met ca. 5 ha. Het hemelwater zal na initiële infiltratie gedeeltelijk geborgen worden in de wadi structuren. Na verzadiging en aanhoudend aanbod zal het hemelwater grotendeels geborgen worden in de te realiseren nieuwe bergingsvijver. Op basis van de afwateringsstructuur is de locatie bepaald voor de bergingszone (wateropgave).
Afbeelding 5.3: Tabel waterbergingsopgave (bron: gemeente De Wolden) Het gehele systeem dient dusdanig ingericht te worden dat de maatgevende bui (111mm), opgegeven door het waterschap WDOdelta, in principe wordt vastgehouden. De afvoer mag niet groter worden dan de theoretische landelijk toegestane afvoer. De nieuwe berging wordt ingericht voor permanent oppervlaktewater. Door de waterberging via een gronddam (overstort niveau) af te scheden van de watergang WWA-04-04_E van WDOdelta, is het vasthouden van water tot de genoemde maatgevende bui geborgd.
Afbeelding 5.4 Doorsnede waterbergingssysteem (bron: gemeente De Wolden) Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Met de inrichting van het terrein zal geen gebruik worden gemaakt van exoten die de waterkwaliteit en kwantiteit negatief kunnen beïnvloeden.
39
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. 5.3.3
Conclusie
Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
5.4
Natuur en Ecologie
5.4.1
Algemeen
Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. 5.4.2
Gebiedsbescherming
5.4.2.1 Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt niet dichtbij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Holtingerveld ligt op circa 5,7 kilometer. Verder liggen 'De Wieden' en het 'Dwingelderveld' op respectievelijk circa 6,8 en 10 kilometer. In onderstaande afbeelding wordt dit weergegeven, het plangebied is met de rode ster aangeduid.
40
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
Afbeelding 5.3 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: AERIUS.nl) Van directe negatieve effecten (bijv. geluid/verlichting) op Natura 2000-gebieden is gelet op de onderlinge afstand geen sprake. Naast directe negatieve effecten dient tevens de mogelijke toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Er is daarom een stikstofdepositieberekening gemaakt met behulp van de AERIUS Calculator 2020. Hierbij is gekeken naar de aanleg- en gebruiksfase van de ontwikkeling van het bedrijventerrein. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 2. Hieronder worden de conclusies weergegeven. Onderzoeksresultaten stikstofonderzoek Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de aanlegfase blijkt dat in de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j (zie bijlage 1 van de rapportage). Echter blijkt dat als gevolg van de aanwezige N-emissie veroorzakende activiteit reeds sprake is van stikstofdepositie (zie bijlage 3 van de rapportage). Deze depositie vervalt, zoals eerder vermeld, permanent als gevolg van het voornemen. Wanneer de (tijdelijke) depositie als gevolg van de aanlegfase tegenover de depositie als gevolg van de aanwezige activiteit wordt gezet (intern salderen) is per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Er is daarentegen per saldo sprake van een afname van de stikstofdepositie, waardoor als gevolg van de aanlegfase geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000- gebieden. Er wordt ook verwezen naar bijlage 4 van de rapportage, waarin een verschilberekening is gemaakt met de aanlegfase en de referentiesituatie. Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de toekomstige gebruiksfase blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j (zie bijlage 2
41
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
van de rapportage). Echter blijkt dat als gevolg van de beëindigde N-emissie veroorzakende activiteit reeds sprake was van stikstofdepositie (zie bijlage 3 van de rapportage). Wanneer het vorenstaande in ogenschouw wordt genomen en het beëindigde gebruik wordt gesaldeerd met het toekomstige gebruik, is er per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarentegen per saldo sprake van een permanente afname van de stikstofdepositie, waardoor als gevolg van de het voornemen geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000- gebieden. Er wordt tevens verwezen naar bijlage 5 van de rapportage, waarin een verschilberekening is opgenomen met de referentiesituatie en de beoogde gebruiksfase. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van het voornemen per saldo geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Daarentegen is in beide fasen sprake van een permanente afname van de stikstofdepositie, hetgeen een positief effect heeft ten aanzien van de Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.
5.4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. De dichtstbijzijnde NNN gronden liggen op ruim een kilometer afstand ten zuiden van het plangebied nabij Kraloo. Gelet op de grote afstand is er geen sprake van aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Verder onderzoek naar invloeden van het plan op het NNN is niet van toepassing. 5.4.3
Soortenbescherming
Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Door Ecogroen is een natuurtoets soortenbescherming uitgevoerd binnen het plangebied. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 3 van deze toelichting. Hieronder worden de onderzoeksesultaten beknopt beschreven. Onderzoeksresultaten en adviezen In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels aangetroffen. Wel is broedbiotoop aanwezig voor enkele algemeen voorkomende vogelsoorten zoals wilde eend, gele kwikstaart en fitis. Het plangebied bevat leefgebied van zoogdieren en amfibieën met een provinciale vrijstelling zoals veldmuis, bastaardkikker en gewone pad. Binnen het plangebied zijn geen vaste groei- of verblijfplaatsen aangetroffen of te verwachten van beschermde flora, reptielen, vissen en ongewervelden. Werkzaamheden die broedbiotopen met aanwezige, nestelende of broedende vogels beschadigen of verstoren dienen te allen tijde te worden voorkomen. Dit is voor de meeste soorten mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering op te starten in de periode half december – half februari.
Wanneer buiten bovenstaande periode wordt gewerkt adviseren we om voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied te controleren op broedende vogels en nesten. Mochten broedvogels aanwezig zijn, dan dienen de werkzaamheden ter plekke te worden uitgesteld tot de jongen zijn uitgevlogen. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren en verblijfplaatsen van algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën verloren gaan. Voor deze soorten geldt in voorliggende situatie een provinciale vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van verplichte vervolgstappen voor deze soorten niet aan de orde is. De Wet natuurbescherming vormt ten aanzien van soorten geen belemmering voor wijziging van het bestemmingsplan. Uitvoering van het bestemmingsplan is mogelijk zonder dat hiervoor ontheffing vereist in het kader van de Wet natuurbescherming.
42
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
5.4.4
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
5.5
Geluid
5.5.1
Algemeen
De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: woningen; andere geluidsgevoelige gebouwen; geluidsgevoelige terreinen. Deze bescherming geldt als het gebruik van deze objecten is toegestaan volgens het bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening. Op tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan met een periode van maximaal 10 jaar is de Wet geluidhinder niet van toepassing. Onder "woning" wordt verstaan (artikel 1 Wet geluidhinder): gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van de geldende planologische status (bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening). De Wet geluidhinder kent het begrip bedrijfswoning niet. Een bedrijfswoning is gewoon een woning, waarvoor het mogelijk is een hogere waarde (als nodig) te verlenen. Dit geldt natuurlijk alleen voor bedrijfswoningen die zijn gelegen in een geluidzone. Hotels, recreatiewoningen en kantoren zijn niet geluidgevoelig in het kader van de Wet geluidhinder. In het Activiteitenbesluit zijn voorschriften opgenomen die bescherming bieden tegen geluidhinder van inrichtingen die onder het Besluit vallen. Deze bescherming wordt geboden aan gevoelige objecten (gevoelige gebouwen en gevoelige terreinen (artikel 1.1)).
In artikel 1.1 is in de definitie van gevoelige gebouwen aangegeven dat gebouwen die bij de inrichting horen (dienst- of bedrijfswoningen) geen geluidsgevoelig object zijn waarvoor de grenswaarden uit het besluit gelden. Dienst- of bedrijfswoningen die niet tot de inrichting behoren zijn gewoon woningen van derden waarvoor de grenswaarden wel gelden. Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) is rond inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur en spoorwegen een geluidzone van kracht. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de in de wet bepaalde voorkeursgrenswaarde. Wanneer niet aan deze grenswaarde kan worden voldaan, kan het bevoegd gezag, in de meeste gevallen de gemeente, hogere grenswaarden vaststellen. Hiervoor geldt een bepaald maximum, de uiterste grenswaarde genoemd. 5.5.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval worden op de kavels langs de westelijke en zuidelijke rand van het nieuwe bedrijventerrein planologische mogelijkheden gecreëerd voor bedrijfswoningen. Dit zijn geluidsgevoelige objecten. Hieronder wordt ingegaan op de aspecten industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Industrielawaai Het plangebied ligt niet in of nabij een zone van een gezoneerd bedrijventerrein. Daarom wordt niet nader op het aspect industrielawaai ingegaan. In paragraaf 5.5 (milieuzonering) wordt nader ingegaan op de in de omgeving aanwezige (individuele) bedrijvigheid. Railverkeerslawaai De dichtstbijzijnde spoorweg ligt op ruime afstand van het plangebied. Daarom wordt niet nader op het aspect railverkeerslawaai ingegaan. Wegverkeerslawaai
43
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken Stedelijk gebied 1 of 2 rijstroken 200 m 3 of 4 rijstroken 350 m 5 of meer rijstroken 350 m De hiervoor genoemde zones gelden niet voor:
Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2). Het plangebied betreft een bedrijventerrein dat wordt ontsloten via een nieuwe wegenstructuur die aansluit op Westerweiden. Deze wegen kennen een 50 km/uur regime en hebben daarmee een geluidszone van 200 meter. Deze wegen zijn echter uitsluitend bedoeld voor ontsluiting van de bedrijven en niet voor doorgaand verkeer. Daarnaast worden de bedrijfswoningen uitsluitend toegestaan aan de oostelijke en zuidelijke rand van het bedrijventerrein en is er vanwege de ligging op het bedrijventerrein al enige geluidhinder te verwachten. Gelet op het voorgaande wordt een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk geacht. 5.5.3
Conclusie
Het aspect geluid in het kader van de Wgh vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.6
Milieuzonering bedrijven
5.6.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
44
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
5.6.2
Gebiedstypen
Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Gezien de lintbebouwing met agrarische bedrijfsactiviteiten en het feit dat de woningen aan de Haakswold (ten noorden en noordoosten van de uitbreiding) zijn gelegen aan de doorgaande weg van Meppel naar Ruinerwold, is voor onderhavige beoordeling uitgegaan van het omgevingstype 'gemengd gebied'.
Dit houdt in dat ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied de richtafstanden (milieucontouren) voor gemengd gebied één afstandstap lager worden. Voor de omgeving ten zuiden van het bedrijventerrein is uitgegaan van het omgevingstype 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied'. Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m 5.1 500 m 5.2 700 m 5.3 1.000 m 6 1.500 m
5.6.3
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. Voor de uitbreiding zijn bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 toegestaan. De richtafstanden zijn in onderstaande afbeelding weergegeven. De richtafstanden in gemengd gebied zijn met oranje vlakken weergegeven en voor een rustige woonwijk en rustig buitengebied met zwarte lijnen. De omgeving van
45
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
het bedrijventerrein ter plaatse van de uitbreiding sluit het meest aan bij het omgevingstype 'gemengd gebied'. Dit betekent voor categorie 1 een richtafstand van 0 meter, voor categorie 2 een richtafstand van 10 meter en voor categorie 3.1 een richtafstand van 30 meter. Uit de afbeelding blijkt dat voor de woningen ter plaatse van de uitbreiding wordt voldaan aan de richtafstanden. Overigens wordt voor deze woningen ook voldaan aan de richtafstanden voor het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied.
Afbeelding 5.4 Richtafstanden gemengd gebied (Bron: Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe)
Uit het kaartje blijkt dat ter plaatse van de uitbreiding aan de richtafstanden wordt voldaan, er liggen geen woningen van derden binnen de milieucontouren. Door de RUD is daarnaast op basis van de milieucategorie een inschatting gemaakt voor de geluiduitstraling van het bestaande bedrijventerrein plus de uitbreiding. Voor categorie 1 is 50 dB(A)/m2 gehanteerd, 55 dB(A)/m2 voor categorie 2, 60 dB(A)/m2 voor categorie 3.1 en 65 dB(A)/m2 voor categorie 3.2. In navolgende afbeelding is een overzicht van het rekenmodel weergegeven met de berekende 40, 45, 50 en 55 dB(A) contouren. Uitsluitend de woningen die zijn gelegen binnen de invloedsfeer van de uitbreiding zijn beschouwd en beoordelingspunten voor ingevoerd. Daarnaast is voor het gehele bedrijventerrein een akoestisch hard bodemgebied (reflecterend) ingevoerd en voor het gebied daarbuiten is een akoestisch zacht (absorberend) bodemgebied gehanteerd.
46
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
Afbeelding 5.5 Geluidscontouren behorende bij categorieindeling afbeelding 5.4 (Bron: Regionale Uitvoeringsdien Drenthe)
47
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
Als toetsingskader geldt voor woningen in het omgevingstype gemengd gebied een toetsingswaarde van 50 dB(A). Voor woningen in het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied is de toetsingswaarde 45 dB(A). In navolgende tabel is de berekende geluidbelasting ten gevolge van het bestaande bedrijventerrein plus uitbreiding getoetst aan dit toetsingskader.
Afbeelding 5.6 Tabel geluidsbelasting (Bron: Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe) Uit bovenstaande tabel blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van de nabijgelegen woningen met 1 tot 3 dB toeneemt en dat ter plaatse van alle woningen aan het toetsingskader wordt voldaan. Met de gehanteerde uitgangspunten wordt voor zowel het omgevingstype gemengd gebied als het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" voldaan. Ook blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van de nabijgelegen woningen voldoet aan het gehanteerde toetsingskader voor woningen in het omgevingstype gemengd gebied en aan het toetsingskader van woningen in het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied van respectievelijk 50 en 45 dB(A). Geconcludeerd kan worden dat op basis van de gehanteerde categorie indeling er voor geluid geen belemmeringen zijn voor uitbreiding van het bedrijventerrein Hoge Akkers in Ruinerwold, het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt niet aangetast. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies (in de omgeving). In voorliggend plan worden voornamelijk bedrijfsgebouwen toegevoegd. Het betreffen mede gebouwen bestemd en geschikt voor structureel verblijf van mensen zoals werkplaatsen.
Daarnaast worden op de kavels langs de oostelijke en zuidelijke rand van het bedrijventerrein bedrijfswoningen toegestaan. Bedrijfswoningen Een bedrijfswoning die een functionele binding heeft met het bedrijf, waar de woning bij hoort, wordt niet beschermd tegen de hinder van het eigen bedrijf. Voor bedrijfswoningen geldt wel enige bescherming tegen bedrijfsactiviteiten van derden op het bedrijventerrein, er moet sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. In de basis zijn de richtafstanden uit de VNG Handreiking bedrijven en milieuzonering een goed hulpmiddel om de aanvaardbaarheid te bepalen. De richtafstanden kunnen echter niet zonder meer worden toegepast, wanneer zoals in voorliggend geval bedrijfswoningen bewust op een bedrijventerrein gesitueerd worden. Uit jurisprudentie blijkt dat bedrijfswoningen op lokale bedrijventerreinen met een maximale milieucategorie 3.1 ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Op dergelijk bedrijventerreinen bevinden zich geen grote lawaaimakers en de bedrijfsactiviteiten vallen onder het Activiteitenbesluit. De bedrijven op het bedrijventerrein moeten hieraan voldoen, waarbij ook omliggende bedrijfswoningen worden beschouwd. Geur Zoals reeds aangegeven maakt voorliggend plan bedrijfsgebouwen mogelijk die bestemd en geschikt kunnen zijn voor structureel verblijf van mensen zoals werkplaatsen. Dergelijke gebouwen zijn geurgevoelig.
Geurproducerende functies zoals veehouderijen liggen in voorliggend geval op ruim 300 meter afstand van het plangebied met uitzondering van de agrarische functie aan Haakswold 11. Voor
48
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
dit perceel wordt echter reeds een bestemmingsplanprocedure doorlopen, waarmee de locatie worden omgezet naar een bedrijfsfunctie behorend bij het bedrijventerrein. Aan de zuidkant van het plangebied worden woningen op het bedrijventerrein toegestaan. Ten zuiden van het plangebied ligt op circa 160 meter een agrarische bouwblok (Blijdestein 4). Aan de richtafstand van 100 meter uit de VNG-publicatie 'bedrijven en milieuzonering' wordt voldaan. Ten zuiden van het plangebied ligt op circa 300 meter afstand een agrarische bestemming met de aanduiding intensieve veehouderij (Kraloo 1). Hier is een pluimveehouderij gevestigd. Aan de richtafstand uit de VNG-publicatie 'bedrijven en milieuzonering' van 200 meter voor het aspect geur afkomstig van pluimveehouderijen wordt voldaan. Voor dit pluimveebedrijf heeft de gemeente onlangs een intrekkingsverzoek van de omgevingsvergunning milieu ontvangen in verband met het verplaatsen van ammoniakrechten. Daarom is een geurberekening op basis van de omgekeerde werking van de Wet geurhinder en veehouderij in dit geval achterwege gelaten. Geconcludeerd kan worden dat op basis van de gehanteerde categorie indeling en het feit dat Haakswold 11 deel uit maakt van het uitbreidingsplan, er voor geur geen belemmeringen meer zijn voor uitbreiding van het bedrijventerrein Hoge Akkers in Ruinerwold. 5.6.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de functies binnen het plangebied geen hinder ondervinden van omliggende bedrijven en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom geldt dat bestaande omliggende bedrijven niet extra beperkt worden als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
5.7
Milieueffectrapportage (MER)
5.7.1
Algemeen
In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: Een bestemmingsplan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; Een bestemmingsplan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordlingsplichtig. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden.
Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en
49
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. 5.7.2
Situatie plangebied
Voor deze ontwikkeling is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld (Bijlage 7). De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt. Op 10 mei 2022 is bij besluit van burgemeester en wethouders vastgesteld dat geen MER nodig is, zie Bijlage 8.
5.8
Luchtkwaliteit
5.8.1
Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 5.1 weergegeven. Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)
Toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie
fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie Tabel 5.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.
50
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.8.2
Situatie plangebied
In het kader van luchtkwaliteit dient op twee manieren naar een plan te worden gekeken: Externe werking van het plan op de omgeving Interne werking achtergrondwaarden op het plan Externe werking Het voornemen voorziet in de ontwikkeling van het plangebied naar bedrijventerrein. Op basis van het stedenbouwkundig plan zoals beschreven in paragraaf 3.1 is aan de hand van de CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren' (publicatie 381) in paragraaf 3.3 de verwachte verkeersgeneratie globaal in beeld gebracht. De uitbreiding brengt op basis van het beoogde programma in totaliteit een verkeersgeneratie van circa 783 verkeersbewegingen per weekdagetmaal met zich mee. Hierbij wordt opgemerkt dat het gedeelte van het huidige bedrijventerrein dat meegenomen wordt in het bestemmingsplan niet is meegerekend. Via een NIBM-tool berekening is onderzocht of de ontwikkeling wel of niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aandeel vrachtverkeer is gelet op de verhouding personenauto's (634) en vrachtwagens (149) op 11,7 % gezet.
Afbeelding 5.7 Berekening NIBM-tool (Bron: Kenniscentrum InfoMil) Uit de berekening blijkt dat voorliggend plan 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Vervolgonderzoek naar effecten op de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.
51
bestemmingsplan Ruinerwold, uitbreiding Hoge Akkers (ontwerp)
Interne werking Op de “grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland”, gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu op https://www.rivm.nl/gcn-gdn-kaarten/concentratiekaarten.nl zijn op schaal van vierkante kilometer vakken de gemiddelde achtergrondconcentraties aangegeven van diverse luchtverontreinigende stoffen. Op deze kaart is voor km2 vak waarin het projectgebied is gelegen aangegeven dat: De achtergrond concentratie Stikstofdioxide (NO2) voor projectgebied is 10,52 µg/m3. Dit is ruim onder grenswaarde NO2 40 µg/m3 van de Wet milieubeheer bijlage 2 voorschrift 2.1. De achtergrondconcentratie fijnstof PM10 voor projectgebied is 14,97 µg/m3. Dit is ruim onder grenswaarde PM10 40 µg/m3 van de Wet milieubeheer bijlage 2 voorschrift 4.1. De achtergrondconcentratie fijnstof PM2,5 voor projectgebied is 8,607 µg/m3. Voor fijn stof (PM10 en PM2,5) bevinden de concentraties zich onder de WHO-advieswaarde. Tot slot wordt geconcludeerd dat de beoogde functies niet worden aangemerkt als gevoelige bestemmingen in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. 5.8.3
Conclusie
Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
5.9
Externe veiligheid
5.9.1
Normstelling
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).