CConstaterende datDe Wolden
Koppel je AI →
Document · PDF

2. TAM-IMRO-plan “Ruinerwold, deelplan Buddingewold”

Besluitvormende vergadering: “D’r op an” 28 mei 2026, gemeente De WoldenBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO-plan 'Ruinerwold, deelplan Buddingewold'18.017 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Versie december 2025

21

Ruinerwold, deelplan Buddingewold

B+O Architectuur en Stedenbouw

4.1.4. Cultureel erfgoed De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen. Het projectgebied ligt aan de zuidzijde van de kern Ruinerwold.

De ruimtelijke en functionele structuur van de omgeving wordt bepaald door de van oorsprong agrarische bebouwingsstructuur langs de Dijkhuizen aan de noordzijde, agrarische cultuurgronden aan de oostzijde, de ijsbaan en eventemententerrein aan de zuidzijde en scholengemeenschap en sportverenigingen aan de westzijde. De Dijkhuizen ten noorden, de aftakking van de Dijkhuizen in zuidelijke richting en de bestaande slotenstructuur zijn belangrijke ruimtelijke structuurdragers in de omgeving. Het projectgebied zelf bestaat uit agrarische cultuurgronden met daar omheen enkele solitaire bomen en sloten. In de directe omgeving van het projectgebied ligt een aantal rijksmonumenten en cultuurhistorisch waardevolle panden. In het projectgebied zelf zijn geen waardevolle elementen of structuren en beschermde cultuurhistorische waarden aangegeven. Zoals is opgenomen in paragraaf 4.1.1 en 4.1.2 is het stedenbouwkundig plan volledig gebaseerd op de cultuurhistorische agrarische kenmerken van de plek. Er is daarmee sprake van een ontwikkeling passend bij de cultuurhistorische waarden in het gebied. Er is geen sprake van de aantasting van cultuurhistorische waarden.

4.1.5. Archeologie Archeologische bescherming zorgt ervoor dat archeologische waarden van gronden worden behouden en beschermd. In de regels horende bij dit Omgevingsplan wordt de bescherming en het gebruik verder geregeld. Voor het grondgebied van onze gemeente is de archeologische beleidskaart van belang. In deze paragraaf dient beschreven te worden in welke mate sprake is van een archeologische verwachting en of er archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het projectgebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudens waardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Op basis van het vigerende omgevingsplan/beheersverordening is door Laagland Archeologie een archeologisch onderzoek uitgevoerd om aan te tonen dat eventueel aanwezige archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad door de geplande bouwactiviteiten. Het projectgebied is momenteel in gebruik als grasland. Het terrein bevat voor zover bekend geen kelders of andere ondergrondse kunstwerken en er zijn geen historisch waardevolle bouwwerken in het projectgebied aanwezig. Er zullen meerdere woningen in het projectgebied worden gebouwd. In dit stadium is de exacte invulling van de plannen nog niet bekend. De milieutechnische condities, huidige en eventuele nieuwe waterpeil en of en zo ja wie de toekomstige gebruiker(s) wordt/worden zijn in dit stadium evenmin bekend. De ingrepen vinden plaats binnen het projectgebied. De diepte van de geplande verstoring reikt vermoedelijk overwegend niet dieper dan ongeveer 100 cm –mv. Rioleringsbuizen kunnen dieper aangelegd worden.

Versie december 2025

22

Ruinerwold, deelplan Buddingewold

B+O Architectuur en Stedenbouw

Op basis van de inventarisatie kan het volgende geconcludeerd worden. Het projectgebied ligt in het Drentse Zandgebied. Op de paleogeografische kaart is te zien dat het projectgebied en haar omgeving tussen 5500 voor Chr. en 3850 voor Chr. bedekt raakt met veen. Tussen 800 en 1500 na Chr. verdwijnt het veen in de noordwestzijde van het projectgebied. Tussen 1500 en 1850 na Chr. is al het veen in en rondom het projectgebied verdwenen. Op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart ligt het projectgebied in een dekzandvlakte, al dan niet vervlakt door veen en/of een overstromingsdal. Op het AHN, zie bijlage 4 is te zien dat de bebouwing ten noorden van het projectgebied hoger ligt dan het projectgebied en haar directe omgeving. Verder is te zien dat het projectgebied iets lager ligt dan haar directe omgeving en dat er een verhoging is in het zuidwestelijke deel van het projectgebied en een verlaging in het oostelijke deel. Bodemkundig ligt het gebied in een zone met veldpodzolgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand. In de omgeving van het projectgebied zijn geen archeologische resten bekend. In historische tijden (vanaf circa 1832) werd het terrein omschreven als weiland met in de zuidwestelijke hoek nog een perceeltje ‘hakbosch’. Tegen de zuidzijde van het projectgebied lag een woning met tuin.

Rond 1935 is de woning tegen de zuidzijde van het projectgebied verdwenen en is een woning gebouwd ten noorden van het projectgebied. Rond 1975 wordt tegen de westzijde van het projectgebied een sportveld aangelegd en rond 2006 wordt ten zuiden van het projectgebied een (openlucht) ijsbaan aangelegd. Aangezien de specifieke bodemopbouw in het projectgebied niet bekend is, is verkennend onderzoek in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode. Het veldonderzoek bestond uit het zetten van zes verkennende boringen. Verkennend booronderzoek is een snelle en kostenefficiënte onderzoeksmethode om de archeologische potentie van een projectgebied in kaart te brengen. In de meeste boringen is sprake van een tot in de C-horizont verstoord bodemprofiel. De E- en B-horizont zijn nergens waargenomen. In één boring is nog een deel van een BC-horizont aanwezig (boring 6) en in een andere boring (boring 1) is de top van de C-horizont vermoedelijke nog grotendeels intact. In de overige boringen reikt de verstoring tot in de C-horizont. Op grond van de aangetroffen bodemopbouw kan de archeologische verwachting voor alle perioden worden bijgesteld naar ‘laag’. Conclusie Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het projectgebied archeologische sporen bevat. Eventuele resten van (diepere) grondsporen zijn niet uit te sluiten.

De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding tot vervolgonderzoek. Om deze reden wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren en het projectgebied vrij te geven. Daarnaast hoeft in het omgevingsplan geen aanduiding omtrent archeologie te worden opgenomen. Een en ander brengt met zich mee dat het aspect Archeologie geen belemmeringen geeft voor de uitvoerbaarheid dit plan.

4.1.6. Conclusie Gelet op voorgaande kan worden geconcludeerd dat voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening houdt met de omgevingskwaliteit, beeldkwaliteit, cultuurhistorie en archeologisch waarden en dat nationale belangen niet in het geding zijn.

4.2.

Gezondheid

Binnen de Omgevingswet heeft het beschermen en bevorderen van de gezondheid een plek gekregen. Artikel 2.1 van de Omgevingswet geeft aan dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Hierdoor zal bij elke ruimtelijke keuze worden beoordeeld wat dit doet met de gezondheid van de mens. Afdeling 2.2 van het Bkl gaat over de omgevingswaarden beschermen van de gezondheid en het milieu. Milieueisen worden gesteld om de kwaliteit van het milieu te beschermen. Met het beschermen van de kwaliteit van milieu wordt tevens de gezonde leefomgeving beschermd. De gemeente kan naast gezondheidsbescherming ook het belang gezondheidsbevordering meewegen. De fysieke leefomgeving kan positieve gezondheidseffecten hebben als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. Gemeente De Wolden in september 2021 de Nota Volksgezondheid vastgesteld. In de Nota Volksgezondheid 2022-2025 staan de speerpunten van de gemeente beschreven op het gebied van de volksgezondheid. De gemeente gaat sterker inzetten op Positieve Gezondheid, gezond opgroeien,

Versie december 2025

23

Ruinerwold, deelplan Buddingewold

B+O Architectuur en Stedenbouw

gezond ouder worden en op een gezondere leefomgeving. Daar valt winst op te behalen. Het doel is gezondheidswinst voor alle inwoners van De Wolden, zodat iedereen in de gemeente gezond kan leven.

4.2.1. Conclusie De omgeving waarin mensen wonen, werken en leven heeft invloed op hun gezondheid. Dit geldt voor zowel de sociale omgeving als de fysieke omgeving. Voor de ruimtelijke omgevingsaspecten wordt telkens de afweging gemaakt of er sprake is van een gezonde leefomgeving. Tevens is woongenot is een belangrijke factor als het gaat om de gezondheid en het welbevinden. Met het oog op de fysieke leefomgeving is de beoogde ontwikkeling gesitueerd in een landelijke omgeving en gedeeltelijk gelegen binnen 50 meter van gronden met een agrarische bestemming. Om risico’s voor de gezondheid van omwonenden zoveel mogelijk te beperken en om te voorkomen dat de omliggende agrarische bedrijven beperkt worden in hun bedrijfsvoering, moet er op grond van rechterlijke uitspraken afstand aangehouden worden tussen percelen met gevoelige functies (zoals wonen) en agrarische percelen waarop mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Voor onderhavige situatie is het – vanwege de beperkte oppervlakte van het perceel - niet mogelijk een zone van 50 meter in het projectgebied vrij te houden van woningen en/of tuinen. Er zijn daarom concrete afspraken vastgelegd met de eigenaar van de aangrenzende agrarische gronden.

Deze afspraken omvatten dat er een aanduiding ‘‘overige zone – spuitzone’ wordt opgenomen in het onderhavige omgevingsplan voor de strook van 50 meter breed direct grenzend aan het plangebied de percelen kadastraal bekend als gemeente Ruinerwold, sectie M, nummers 1479, 1478, 566 en 567. Daarmee is uitgesloten dat de agrarische bedrijfsactiviteiten een risico vormen voor de gezondheid in het projectgebied. Met het oog op de sociale binding vormt het Collectief Particulier Opdrachtgeversschap een unieke basis voor de 11 toekomstige huishoudens. Anders dan bij een traditionele ontwikkelaar vindt besluitvorming voor het merendeel plaats in gezamenlijkheid met alle huishoudens. Daarnaast wordt in het hart van het plan ruimte gereserveerd voor een gemeenschappelijk en groen woonerf, naast dat alle woningen worden voorzien van privetuinen. De sociale omgeving draagt in die zin bij aan een gezonde leefomgeving. Geconcludeerd wordt dat het aspect gezondheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.

4.3.

Geluid

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels waaraan de direct werkende regels in het omgevingsplan moeten voldoen. Deze regels zijn nodig voor het bereiken van de gewenste geluidkwaliteit. Bij het opstellen van het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geluiduitstraling door individuele activiteiten, activiteiten op een industrieterrein, geluiduitstraling door gemeentewegen, waterschapswegen, provinciale wegen, snelwegen en spoorwegen. Hiermee wordt gestreefd naar een aanvaardbaar geluidniveau op geluidgevoelige gebouwen.

4.3.1. Wegverkeerslawaai 4.3.1.1. Onderzoek Onderhavige onderzoekslocatie ligt binnen de invloedsfeer van het wegverkeer over de Dijkhuizen. Wat betreft het wegverkeerslawaai ten gevolge van de hoofdweg Dijkhuizen, aan de voorzijde van Dijkhuizen 72, zal naar verwachting aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden worden voldaan. Ook gezien de afstand tot het achtererf van circa 90 meter. Voor de toegangsweg naar de onderwijsen sportfaciliteiten is het zeer aannemelijk dat deze uitsluitend gebruikt wordt door verkeer van en naar de aanliggende onderwijs- en sportfaciliteiten. Derhalve zal het verkeersaanbod over deze weg laag zijn en voornamelijk in de dagperiode en deels in de avondperiode plaatsvinden. 4.3.1.2. Conclusie Gezien de afstand van circa 10 tot 12 meter tussen de rand van de weg en het perceel, en uitgaande van tenminste 5 meter voortuin, hoeft geen extra afstand in acht te worden genomen om aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden te voldoen.

Versie december 2025

24

Ruinerwold, deelplan Buddingewold

B+O Architectuur en Stedenbouw

4.3.2. Industrielawaai 4.3.2.1. Onderzoek Dorpshuis (functie ‘Maatschappelijk’) Naar aanleiding van een bestemmingswijziging van het naastgelegen perceel aan de Dijkhuizen 66 naar gedeeltelijk wonen, is door in het verleden door het Noordelijk Akoestisch Adviesburo uit Assen een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hierin zijn de muziekgeluidaspecten van het dorpshuis beoordeeld. De resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd in rapport “Geluidsoverdracht dorpshuis Buddingehof aan de Dijkhuizen 66 in Ruinerwold, bepaling maximaal mogelijk muziekgeluidsniveau” met kenmerk 6234/NAA/ad/ft/2 d.d. 8 januari 2020. In de memo “Geluid bovenwoning Dijkhuizen 66a te Ruinerwold, gemeente De Wolden” met kenmerk Z2020-00001536 d.d. 4 maart 2020 is dit akoestisch onderzoek beoordeeld. Met betrekking tot onderhavige situatie en woningbouw op het achtererf van Dijkhuizen 72 kan worden geconcludeerd dat de bestaande woningen op kortere afstand vanaf het dorpshuis zijn gelegen dan de beoogde nieuwe woningen op het perceel van Dijkhuizen 72. Hiermee zijn de rechten van het dorpshuis voldoende gewaarborgd en zullen de nieuwe woningen geen extra belemmeringen geven. Sporthal met tennis- en sportpark (functie ‘Sport’) Voor de sporthal met tennis- en sportpark, met verlichting, geldt de bestemming Sport.

Voor sporthallen, tennisbanen en veldsportcomplexen (beide met verlichting) geldt volgens de VNGpublicatie voor geluid in gemengd gebied een richtafstand van 30 meter. Voor een sporthal zoals in onderhavige situatie is dit een overschatting. Ook omdat de aan de sporthal gerelateerde activiteiten deels al zijn opgenomen in de activiteiten van het dorpshuis. Derhalve is aansluiting gezocht bij de richtafstand voor sportscholen en gymnastiekzalen. Hiervoor geldt volgens de VNG-publicatie voor geluid in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter. Het projectgebied ligt op 25 meter van de sporthal en is daarmee buiten de invloedssfeer van de sporthal gelegen. Voor het tennis- en sportpark wordt een richtafstand van 30 meter aangehouden. Dichtstbijzijnde woonactiviteiten liggen op 70 meter van het tennispark en is daarmee buiten de invloedssfeer gelegen. Daarnaast ligt het projectgebied op 22 meter van het sportpark. Geconcludeerd wordt dat bestaande woningen op kortere afstand van het sportpark zijn gelegen, op ca. 10 meter. Hiermee zijn de rechten van het dorpshuis voldoende gewaarborgd en zullen de nieuwe woningen geen extra belemmeringen geven. Onderwijsgebouw met kinderdagverblijf en basisschool (functie ‘Maatschappelijk’) Voor het onderwijsgebouw met kinderdagverblijf en basisschool is de functie Maatschappelijk.

Voor kinderopvang en scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs geldt volgens de VNGpublicatie voor geluid in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter. Het projectgebied ligt op 20 meter van de maatschappelijke activiteiten en is daarmee buiten de invloedssfeer gelegen. IJsbaan (functie ‘Sport’) Voor de ijsbaan, met verlichting, heeft de functie Sport. Voor openlucht ijsbanen geldt volgens de VNG-publicatie voor geluid in gemengd gebied een richtafstand van 200 meter. Voor een ijsbaan zoals in onderhavige situatie lijkt dit een overschatting. Derhalve is aansluiting gezocht bij de richtafstand voor tennisbanen en veldsportcomplexen (beide met verlichting). Hiervoor geldt volgens de VNGpublicatie voor geluid in gemengd gebied een richtafstand van 30 meter. De dichtstbijzijnde woonactiviteiten ligt op 55 meter van de ijsbaan en ligt daarmee buiten de invloedsfeer. Evenemententerrein De ijsbaan doet tevens dienst als evenementenlocatie. Volgens de ‘Beleidsregels evenementen gemeente De Wolden’ zijn maximaal 24 dagen per jaar evenementen toegestaan. Voor grote muziekevenementen, zoals concerten en muziekfestivals, geldt een geluidgrenswaarde van 85 dB(C).

Er is een aanvullende berekening uitgevoerd met een uitwerking van een representatief evenement op deze locatie welke meer in detail wordt uitgewerkt en waarbij rekening wordt gehouden met een gunstige opstelling en richtingsafhankelijkheid van de geluidbronnen, de speakers. Als basis voor de aanvullende berekeningen is het akoestisch onderzoek (Bijlage 1). Voor een representatief evenement is uitgegaan van een ‘middelgroot evenement’ zoals het jaarlijkse Zomerfeest Ruinerwold, een evenement met versterkte (live) muziek met een geluidvermogenniveau

Versie december 2025

25

Ruinerwold, deelplan Buddingewold

B+O Architectuur en Stedenbouw

tot en met 125 dB(A). Van een ‘groot festival’ waarbij met een geluidvermogenniveau van 126 dB(A) en hoger wordt uitgegaan is op deze locatie geen sprake. In de berekening is uitgegaan van een worstcase situatie, waarbij het podium zo dicht mogelijk bij de nieuw te bouwen woningen is opgesteld. De speakers zijn hierbij van de nieuw te bouwen woningen afgericht, dus richting het zuidoosten, zie onderstaande afbeelding. Voor de berekening van de geluidbelasting, het LAeq en het LCeq, is uitgegaan van een geluidvermogenniveau van 125 dB(A) en 140 dB(C). Bij muziekgeluid met een laagfrequent beeld (veel basgeluid) kan het voorkomen dat veel meer overlast wordt ervaren dan met hetzelfde dB(A) niveau met minder bas. Dit kan worden gereguleerd door aan de grenswaarden een dB(C) norm toe te voegen. Dit zal er voor zorgen dat het totaal toegestane niveau ongewijzigd blijft maar dat het laagfrequente geluid, de bastonen, wordt gereduceerd. Voor deze situatie is dus uitgegaan van 15 dB verschil. Uit de resulaten blijkt dat de hoogtse geluidbelasting optreedt bij de woning die het dichts bij het podium wordt gebouwd. De geluidbelasting bedraagt 70 dB(A) en 85 dB(C). Met een geluidbelasting van 70 dB(A) en 85 dB(C) wordt voldaan aan de richtwaarden uit de publicatie van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg “Evenementen met een luidruchtig karakter” (augustus 1996).

In deze publicatie wordt uitgegaan van een acceptabel geluidniveau van 70 dB(A). Zie hiervoor ook het akoestisch onderzoek (Bijlage 1). Ook wordt voldaan aan de grenswaarde van 85 dB(C) uit de ‘Beleidsregels evenementen gemeente De Wolden’. Hierbij wordt opgemerkt dat is uitgegaan van een worstcase situatie, waarbij het podium zo dicht mogelijk bij de nieuw te bouwen woningen is opgesteld. Indien de afstand tussen het podium met de speakers en de nieuw te bouwen groter is, zal de geluidbelasting ook lager zijn op de betreffende woning. In dat geval mag het geluidvermogenniveau ook hoger zijn. 4.3.2.2. Conclusie Met betrekking tot het wegverkeerslawaai en industrielawaai zijn er geen belemmeringen te verwachten voor woningbouw op onderhavige onderzoekslocatie.

4.4.

Lucht

De gemeente regelt in het omgevingsplan welke activiteiten waar mogen plaatsvinden. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

4.4.1. Onderzoek Projecten die ‘niet in betekenende mate’ leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. De grens van ‘niet in betekenende mate’ ligt volgens de gelijknamige AMvB bij 3% van de grenswaarde van een stof. Hiervan is volgens de ministeriële regeling van ‘niet in betekenende mate’ sprake bij de realisatie van minder dan 1500 woningen op één ontsluitingsweg of minder dan 3000 woningen op twee ontsluitingswegen. Dit plan betreft een wijziging van de activiteit agrarisch naar wonen. Deze ontwikkeling is daarom een ontwikkeling die kleiner is dan 1500 woningen met één ontsluitingsweg. De ontwikkeling zal dan ook ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Naast de toetsing of het bouwplan een bijdrage levert aan de luchtkwaliteit dient beoordeeld te worden of het initiatief voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is onderzocht door middel van de Atlas van de Leefomgeving. De representatieve waarden in het projectgebied zijn in onderstaande tabel afgezet tegen de daarvoor geldende wettelijke grenswaarden:

Versie december 2025

26

Ruinerwold, deelplan Buddingewold

B+O Architectuur en Stedenbouw

Meetwaarden 2020

Wettelijke grenswaarde

NOx

8.84 µg/m3

40 µg/m3

PM10

13.64 µg/m3

40 µg/m3

PM2,5

6.98 µg/m3

25 µg/m3

Tabel 1: Meetwaarden en wettelijke grenswaarden luchtkwaliteit (bron: Atlas van de Leefomgeving)

4.4.2. Conclusie Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met Wet Milieubeheer beschreven categorieën, kan worden aangenomen dat het project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. De grens van 1% zal dan ook niet worden overschreden. Daarnaast zijn de gemeten waarden aanzienlijk lager dan de daarvoor geldende wettelijke grenswaarden. Daarmee blijft ruim onder de wettelijke grenswaarden gebleven zoals opgenomen in de Wet luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

4.5.

Geur

De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het projectgebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het deelprojectgebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelprojectgebied optreedt. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het projectgebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het projectgebied aanvaardbaar te laten zijn.

4.5.1. Conclusie Het projectgebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een geurbron. Daarnaast brengt voorgenomen ontwikkeling geen externe geurhinder met zich mee. Een en ander brengt met zich mee dat het aspect geur geen belemmeringen en uitgangspunten geeft voor de uitvoering van het plan.

4.6.

Bodem

Op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl moeten er in het omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem waaraan moet worden voldaan, om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. Een omgevingsplan kan deze bouwactiviteit toestaan als op een locatie deze grenswaarden worden overschreden, als daarbij wordt voorgeschreven dat sanerende of andere beschermende maatregelen getroffen worden. Daarnaast moet in het omgevingsplan op zijn minst een meldingsplicht worden ingesteld voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Ook moeten er regels in het omgevingsplan worden opgenomen die het in stand houden van de saneringsen andere beschermende maatregelen borgen. Naast regels over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw, moeten er op grond van de instructieregels regels aan het plan worden verbonden over het op of in de grond brengen van grond en baggerspecie. Zo kan er in het omgevingsplan een zogenoemd bodembeheergebied worden aangewezen en moet in het omgevingsplan de landbodem worden ingedeeld in bodemfunctieklassen.

4.6.1. Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op een bestaand agrarisch perceel. Voor zover bekend hebben geen bodem-verontreinigende activiteiten plaatsgevonden op het betreffende perceel. Het is dus aannemelijk dat de bodem geschikt is voor de realisatie van woonhuizen. Ter toetsing van deze aanname is door EcoReest B.V. een verkennend en aanvullend bodemonderzoek verricht. Het gehele

Versie december 2025

27

Ruinerwold, deelplan Buddingewold

B+O Architectuur en Stedenbouw

rapport is als bijlage van dit plan bijgevoegd. Hier volgen enkel de conclusies met betrekking tot voorgenomen initiatief. Verkennend bodemonderzoek Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de boven- en ondergrond en in het grondwater overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. De onderzoekshypothese, zijnde een onverdachte locatie, is hiermee derhalve verworpen. Het gemeten verhoogde loodgehalte in het mengmonster van de bovengrond aan de zuidzijde van het terrein ligt boven de risicowaarde voor lood in bodem voor moestuinen en plaatsen waar kinderen spelen. Verhoogde risico’s voor de volksgezondheid en/of het milieu zijn op basis van de overige resultaten van het onderzoek niet te verwachten. Deze resultaten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de toekomstige woonfunctie van het terrein. Aanvullend bodemonderzoek Ter plaatse van het zuidelijk deel van de locatie zijn in de bovengrond van de individuele meetpunten van het oorspronkelijke mengmonster van het verkennend onderzoek geen verhoogde gehalten aan lood gemeten boven de achtergrondwaarde en/of detectiegrens.

Op basis van deze resultaten is ter plaatse van het zuidelijk deel van de locatie geen sprake van verhoogde gehalten aan lood in de bovengrond, en is het in eerste instantie gemeten verhoogde loodgehalte vermoedelijk te relateren aan een inhomogeniteit (deeltje) in het oorspronkelijke analysemonster. Verhoogde risico’s voor de volksgezondheid en/of het milieu zijn op basis van deze resultaten niet te verwachten. Deze resultaten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de toekomstige woonfuctie van het terrein.

4.6.2. Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat het aspect bodem geen belemmeringen en uitgangspunten geeft voor de uitvoering van het plan.

4.7.

Omgevingsveiligheid

Het waarborgen van de veiligheid is één van de thema’s die op grond van artikel 2.1 (lid 3) van de Omgevingswet deel uitmaken van de fysieke leefomgeving. In paragraaf 5.1.2 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen met de minimale vereisten voor de uitwerking van dit thema in de motivering van de wijziging en regels van het omgevingsplan. In de artikelen 5.3 tot en met 5.35 van de instructieregels wordt vervolgens ingegaan op de uitwerking die voor externe veiligheid rond risicobronnen als het basisnet, hogedruk aardgasleidingen, vuurwerkopslagen, ontplofbare stoffen en Seveso-activiteiten in het omgevingsplan moet worden opgenomen. Hiervoor geldt dat op grond van de instructieregel de norm voor het plaatsgebonden risico in acht moet worden genomen en geldt daarnaast een motiveringsplicht voor het mogelijk maken van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen (en locaties) binnen het aandachtsgebieden of risicozones rond dergelijke bronnen.

4.7.1. Onderzoek Aan hand van de Atlas van de Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Uit de Atlas van de Leefomgeving blijkt dat in de omgeving van het projectgebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen over het water, het spoor of door buisleidingen plaatsvindt met een externe werking. Tevens zijn er in nabijheid van het projectgebied geen inrichtingen aanwezig die wonen op de locatie belemmerd. Op ca. 500 meter ten zuiden van het projectgebied bevindt zich een windturbine bij een agrarisch bedrijf. Gelet op de ruimte afstand is het projectgebied ruim buiten de invloedsfeer van de windturbine gelegen.

Versie december 2025

28

Ruinerwold, deelplan Buddingewold

B+O Architectuur en Stedenbouw

4.7.2. Conclusie Het perceel ligt niet binnen een veiligheidszone en ook niet binnen een invloedsgebied van een risicobron. Daarnaast brengt voorgenomen ontwikkeling geen externe veiligheidsfactoren met zich mee. Een en ander brengt met zich mee dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen en uitgangspunten geeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.8.

Verkeer, Vervoer en toegankelijkheid

Op basis van de Omgevingswet dient de aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid te worden onderbouwd. In dit hoofdstuk moet ook in worden gegaan op de toegankelijkheid van de openbare ruimte voor personen. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’, publicatie 381 (december 2018)’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde gehanteerd. Bij het gebruik van kencijfers moet rekening worden gehouden met onder meer de bereikbaarheidskenmerken van de locatie.

4.8.1. Onderzoek Het plangebied is gelet op de omgevingsadressendichtheid (CBS Statline) gelegen in een gebied met de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’ in een deel van gemeente De Wolden dat behoort tot het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’. Berekening verkeersgeneratie In voorliggend geval gaat het om een woningbouwlocatie met maximaal 11 woningen, bestaande uit een mix van vrijstaande, 2-onder-1-kap en rijwoningen. Hiervoor geldt de volgende verkeersgeneratie per weekdagetmaal: Vrijstaande woningen:

4 x 8,6 personenauto’s

2-onder-1-kap woningen:

4 x 8,2 personenauto’s

rijwoningen:

3 x 7,8 personenauto’s

In totaal resulteert voorgaande in 90,6 vervoersbewegingen per etmaal. Gelet op de omliggende functies en spreiding van verkeersbewegingen over de dag heeft de bestaande infrastructuur voldoende capaciteit om de toename in verkeersbewegingen op te vangen. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een goede en verkeersveilige ontsluiting van het plangebied in meerdere richtingen. Berekening parkeerbehoefte Voor het beoogde programma geldt de volgende berekende parkeerbehoefte: Vrijstaande woningen:

4 x 2,2 parkeerplaatsen

2-onder-1-kap woningen:

4 x 2,0 parkeerplaatsen

Rijwoningen:

3 x 1,8 parkeerplaatsen

In totaal resulteert voorgaande in een parkeerbehoefte van 22,2 parkeerplaatsen. De vrijstaande woningen en 2-onder-1-kap woningen worden allen voorzien van 2 parkeerplaatsen op eigen erf. Daarnaast zijn deze woningtypen voorzien van een garage. Op basis van de normen van de CROW kunnen deze worden meegerekend als 1,8 parkeerplaats. Op eigen terrein kunnen daarmee 14,4 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Er resteert daarom een parkeerbehoefte van 8

Versie december 2025

29

Ruinerwold, deelplan Buddingewold

B+O Architectuur en Stedenbouw

parkeerplaatsen, welke niet op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd. In de openbare ruimte wordt daarom een parkeerkoffer van 8 parkeerplaatsen aangelegd in het groen.

4.8.2. Conclusie De aspecten Verkeer, Vervoer en Toegankelijkheid geven geen belemmeringen en uitgangspunten geeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.9.

Natuur

De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen dan ook bij het uitoefenen van hun taken zorgdragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden; onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op aangewezen beschermde soorten in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming in het kader van de Omgevingswet zich op het thema faunabeheer. De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Bal opgenomen.

In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het Omgevingsplan. De provincie kan haar beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels doorleggen aan gemeenten. De gemeenten moeten dan bij het opstellen van het omgevingsplan deze instructieregels in acht nemen. Vooralsnog heeft de Provincie Drenthe geen instructieregels gesteld op dit onderwerp die bij de totstandkoming van dit plan moeten worden betrokken.

4.9.1. Onderzoek 4.9.1.1 Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000gebieden. Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening gehouden dient te worden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Om te beoordelen of het plan in relatie tot gebiedsbescherming uitvoerbaar is dienen onder andere de wettelijke consequenties op het gebied van gebiedsbescherming, specifiek Natura2000, in beeld gebracht te worden.

Vanwege de regionale invloedsfeer van de emissie van NOx, is een beoordeling naar het effect van de emissie van NOx, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, noodzakelijk. Ten behoeve van deze beoordeling is de gewenste situatie gemodelleerd op basis van het stedenbouwkundig plan. De depositie op de omliggende Natura 2000-gebieden wordt berekend en getoetst of het plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de

Versie december 2025

30

Ruinerwold, deelplan Buddingewold

B+O Architectuur en Stedenbouw

instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. De volledige rapportage betreffende het stikstofdepositie-onderzoek wordt als bijlage onderdeel van dit plan, hieronder zal enkel de conclusie worden opgenomen. Resultaten ontwikkelfase De activiteiten in de ontwikkelfase leiden gezamenlijk tot een NOx-emissie van 55,6 kg/jaar en een NH3-emissie van 0,5 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de ontwikkelfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Wet natuurbeschermingvergunning aangevraagd te worden. Resultaten gebruiksfase De activiteit in de gebruiksfase leidt tot een NOx-emissie van 2,2 kg/jaar en een NH3-emissie van 0,2 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de gebruiksfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. Conclusie Als gevolg van de gebruiks- en ontwikkelfase vindt er geen toename van depositie plaats in Natura 2000- gebied. Er zijn geen rekenresultaten die leiden tot een significant negatief effect op deze natuurgebieden.

De voorgenomen activiteiten in de gebruiks- en ontwikkelfase leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. 4.9.1.2 Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied maar benutten het wel als foerageergebied. De aanwezige sloot vormt geen functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.

4.9.2. Conclusie Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibieën gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaatsen van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein ongeschikt gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Deze afname leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming.

Versie december 2025

31

Ruinerwold, deelplan Buddingewold

B+O Architectuur en Stedenbouw

4.10. Water Water is een essentieel onderdeel van onze leefomgeving. Belangrijke opgaven zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. De belangrijkste consequentie van de Omgevingswet voor het (stedelijk) waterbeheer is dat de beleidsvrijheid van gemeenten en waterschappen verder toeneemt. Als gevolg van deregulering zal een deel van de nationale regelgeving via de zogenaamde Bruidsschat Omgevingswet naar gemeenten en waterschappen gaan. Het gaat daarbij onder andere om de regels voor lozingen in de riolering, op of in de bodem en op het oppervlaktewater en het aansluiten op de riolering. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden deze regels van rechtswege onderdeel van het gemeentelijk omgevingsplan (lozingen bodem en riolering en aansluiten riolering) en de waterschapsverordening (lozingen oppervlaktewater). De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Samen met het omgevingsplan bevat de waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. Er staan regels in voor verschillende soorten activiteiten. De waterschapsverordening is te raadplegen via het DSO.

Het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft vanaf inwerkingtreding van de Omgevingswet twee verordeningen: de Waterschapsverordening (combinatie van de huidige Keur en Algemene regels, maar zonder bepalingen over onderhoudsplichten) en de Onderhoudsverordening (ontleend aan de Keur). In de waterschapsverordening zijn regels opgenomen over beperkingengebied activiteiten, wateronttrekkingsactiviteiten, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuivering technisch werk. De provincie en het waterschap hebben deze uitgangspunten verder doorvertaald in regionaal beleid en uitvoeringsplannen. De regels die zijn vastgelegd in een verordening van de waterschappen worden 'de Keur' genoemd. De Waterwet kent één watervergunning, de voormalige Keurvergunning is hierin opgenomen. De Waterwet gaat grotendeels op in de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet wordt het beleid van de waterschappen omgezet naar de waterschapsverordening.

4.10.1. Onderzoek Het plangebied is gelegen in het beheersgebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta. Het waterschap is verantwoordelijk voor het watersysteem en het zuiveren van het aangeboden stedelijk afvalwater. Relevant beleid Het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het waterbeheerplan 2016 - 2021. Specifiek voor het stedelijke gebied heeft het waterschap het beleid geformuleerd in ‘Water Raakt!’. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Bestaande waterhuishouding Het plan ligt in het (deel)stroomgebied Wold Aa. Rond het plangebied A watergang (WWA-10-BB en WWa-10-BBB) die WDODelta beheert. Het peilgebied bevat één peilvak(ken) (WA102) en heeft een maximumpeil van NAP +1,15-0,78 m. Dit peil is de instelhoogte bij een peilscheidend kunstwerk. Lokaal kunnen er verschillen optreden in het peil, afhankelijk van de afstand tot de instelhoogte. •

De hoogte van het maaiveld ligt gemiddeld op ongeveer NAP +1,70-1,78m Maaiveldhoogte.

•

De bodem (deklaag) bestaat voornamelijk uit podzolgronden.

•

De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt op 20-40 en 40-60 cm onder het maaiveld. De grondwaterstand is tijdens het verrichte bodemonderzoek vastgesteld op 1,03 en 1,15 me-mv. Door de aanwezigheid van slecht doorlatende (klei) lagen kunnen schijngrondwaterstanden tot dicht onder het maaiveld voorkomen.

•

Bij extreme neerslag geen wordt wateroverlast in of bij het plangebied verwacht (zie Klimaatatlas WDODelta).

Watersysteem

Versie december 2025

32

Ruinerwold, deelplan Buddingewold

B+O Architectuur en Stedenbouw

Binnen het plangebied ligt (een beschermingszone van) een A-watergang en/of B-watergang van WDODelta. Het is noodzakelijk dat de functie van deze watergang(en) altijd is gegarandeerd, rekening houdend met de beschermingszone van deze watergangen zoals in de Keur beschreven en gevisualiseerd in de Legger. Voor deze watergang geldt de binnen de Keur opgenomen gebods- en verbodsbepalingen. Om het plan te verbinden met de bestaande straat zal ten behoeve van de inrit een duiker worden aangelegd in een A-watergang. Deze is vergunning plichtig en zal in voorbereiding op de aanvraag omgevingsvergunning aan WDODelta worden voorgelegd voor een technische controle. A-watergangen (>25 L/s afvoer gedurende gemiddeld 1 tot 2 dagen per jaar) zijn watergangen waar het waterschap verantwoordelijk is voor de inrichting en het beheer en onderhoud ervan. Voor het waterschap is het daarom van belang dat rekening wordt gehouden met de obstakelvrije beschermingszone van de watergang deze is 5 meter vanaf de insteek. Voor de bestaande sloot geldt dat deze momenteel wordt onderhouden vanaf de bestaande weg Dijkhuizen, ofwel vanaf de westzijde van de sloot. In afstemming met het waterschap is besproken dat in de toekomstige situatie het onderhoud vanaf de Dijkhuizen zal blijven worden uitgevoerd.

Er is daarom geen noodzaak om aan de woningzijde een beschermzone van 5 meter vanaf de insteek vrij te houden van obstakels. De zone tot aan de sluit kan daarom worden opgenomen in de uitgeefbare kavels van de woonhuizen. Overbelasting watersysteem Bij kortstondige buien van geringe of enige intensiteit mag hemelwater dat niet lokaal kan worden verwerkt, worden afgevoerd, zonder dat dit leidt tot wateroverlast benedenstrooms van het plangebied. Bij extreme kortstondige buien, verblijft water voor korte tijd op het maaiveld, zonder dat dit tot overlast leidt. Het waterschap toetst het watersysteem op basis van een hoeveelheid neerslag die eens in de 100 jaar wordt overschreden. Hierbij houdt men rekening met een bui van 111 mm in 48 uur. De toegestane afvoer in deze neerslagsituatie is 1,6 L/s/ha. Het is belangrijk dat bij deze buien geen regenwater in woningen komen en belangrijke ontsluitingswegen blijven vrij van water. STOWA statistieken op basis van deze uitgangspunten leiden tot een bergingsopgave van 80 mm. Het waterschap hanteert voor waterberging onderstaande uitgangspunten: •

Open water heeft een toegestane stijging tot aan de debietbegrenzer (watergangen, vijvers, etc.). De berging beslaat het deel tussen gehanteerd max. waterpeil en insteek/ overstorthoogte:

•

Een groot deel van het open water draagt bij aan berging van bestaand gebied.

•

Water in bergingsvoorzieningen, zoals wadi’s: Hierbij rekent men de bergings-/ infiltratiecapaciteiten in de bodem (inclusief grondverbetering) niet mee. De hoogte van de berging is berekend vanaf de bodem wadi tot aan slokop/noodoverlaat.

•

Aanvullend hierop: een berging onder de grond - in de vorm van kratten of Rockflow - telt wel mee met de berging, mits deze niet gevuld zijn door infiltratie door hoge grondwaterstanden (GHG moet niet hoger zijn dan onder de onderkant van de kratten of Rockflow).

•

Berging in de bestaande gemengde riolering valt hier niet onder.

•

Let op: dat het oppervlak van de bovengrondse berging (bijvoorbeeld wadi of bergingsvijver) zelf ook meetelt bij het ‘afstromend oppervlak’ voor bepalen mm berging.

In de huidige situatie is het plangebied een weiland. In de omgeving van het plangebied wordt het hemelwater volledig afgevoerd via het rioleringsstelsel van de gemeente. Voor nieuwe ontwikkelingen geldt zoals aangegeven echter dat hemelwater binnen het perceel moet worden geinfiltreerd. Voor grote plannen en uitbreidingslocaties (> 500m2) geldt als regel, dat voor het realiseren van verhard oppervlak een berging, ter compensatie voor de versnelde afvoer, van het afstromende hemelwater benodigd is. Compensatie volgt de volgende trap: vasthouden-bergen-afvoeren. In het plan wordt een verhard oppervlak van circa 1.800 m2 gerealiseerd. Dit houdt in dat een waterbergend oppervlak van 1.800 m2 * 0.08m = 144 m3 [kuub] dient te worden aangelegd. In het plangebied worden daarom een tweetal ingrepen gedaan om in de benodigde waterberging te kunnen voorzien. Aan de zuidzijde van het plangebied wordt de sloot, die overigens geen onderdeel is van de A-watergangen, plaatselijk verbreed en voorzien van een natuurlijke oever. Naast dat dit

Versie december 2025

33

Ruinerwold, deelplan Buddingewold

B+O Architectuur en Stedenbouw

voorziet in een waterbergende capaciteit van ca. 148 m3, levert de natuurlijke oever toegevoegde waarde op voor de biodiversiteit in het plangebied. Door de verbreding onderdeel te maken van de bestaande slotenstructuur wordt voorkomen dat een geïsoleerde watergang ontstaat. Daarnaast wordt onder de parkeerplaatsen een waterbergende fundering aangelegd met een bergingscapaciteit van ca. 10 m3. Van belang is dat dit systeem wordt toegepast op 1,03 en 1,15 me-mv, om te voorkomen dat het systeem zich door hoge grondwaterstanden vult door infiltratie. De totale bergingscapaciteit in het plan komt daarmee op ca. 158 m3. Voor de aanleghoogte van gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een aanleghoogte van de vloer geadviseerd van minimaal 80 cm ten opzichte van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte wordt volstaan met een geringere ontwateringsdiepte (verschil grondwaterstand en maaiveld). Om wateroverlast en schade in woningen wordt geadviseerd een drempelhoogte van 30 cm boven het straatpeil te hanteren. Waterkwaliteit Voor de borging van waterkwaliteit zijn maatregelen geldend. Voor bepaalde stoffen zijn Europese normen vastgesteld, bijvoorbeeld voor gevaarlijke stoffen zoals lood, cadmium, oplosmiddelen en bestrijdingsmiddelen.

Het waterschap meet deze stoffen en zorgt ervoor dat ze binnen de normen blijven. Schoon hemelwater wordt afgevoerd naar oppervlaktewater (dakoppervlakken). Voor overige afvoer en verwerking van hemelwater (vanaf verharding) is het gewenst om dit via een bodempassage te lozen op het oppervlaktewater. Hiervoor zullen in de aanleg van het wegprofiel de nodige maatregelen worden getroffen, waarbij hemelwater via molsgoten bovengronds met vertraagde afvoer worden begeleidt. Conform het bouwstoffenbesluit zullen er geen uitlogende bouwmaterialen worden gebruikt en zorgt duurzaam gebruik van de openbare ruimte voor een goede kwaliteit van het afstromende hemelwater. Daarnaast wordt een stukje oeverbeschoeiing aangebracht. Om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen zal hiervoor verduurzaamd hout worden toegepast. Riolering Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te beschermen door onder andere een doelmatige werking van de rioolwaterzuivering na te streven en de vuillast vanuit riolering naar oppervlaktewater te beperken. Hiervoor is een goede afstemming over aanvoer naar de rioolwaterzuivering en een juiste werking van de riolering noodzakelijk. afvoer vanuit riolering. Dit willen we bereiken door aandacht te hebben voor de volgende onderwerpen. Er wordt rekening gehouden met gescheiden waterstromen.

Het afvalwater wordt, in overleg met de gemeente De Wolden, middels een nieuw gemaal aangesloten op het bestaande riool.

4.10.2. Conclusie Het Waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets en het voeren van vooroverleg. Zij geeft aan dat de waterhuishoudkundige belangen niet in het geding zijn. Wel merkt men op dat voor enkele (mogelijke) werkzaamheden met consequenties voor de waterhuishouding een vergunning nodig kan zijn. Dit zal worden meegenomen in het vervolgtraject.

4.11. Trillingen Op grond van artikel 5.83 van het Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen. In Nederland bestaat echter geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Om aan te kunnen tonen of er voor een beoogd plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk om mogelijke

Versie december 2025

34

Ruinerwold, deelplan Buddingewold

B+O Architectuur en Stedenbouw

trillingshinder inzichtelijk te maken. Er is een aantal richtlijnen en beleidsregels die hiervoor worden gebruikt, namelijk: •

SBR-richtlijn;

•

Beleidsregel trillingshinder spoor;

•

Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen;

•

Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening.

De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Dat binnen een zone van 100 meter tot het spoor rekening gehouden moet worden met trillingen betekent niet dat er binnen deze zone altijd maatregelen nodig zijn.

4.11.1. Onderzoek Het projectgebied ligt niet binnen zone van 100 meter van een spoorlijn of industriegebied.

4.11.2. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.12. Milieue ectrapportage De Omgevingswet kent een algemene omschrijving van de plan-m.e.r.-plichtige plannen. Een Omgevingsplan is benoemd als in ieder geval plan-m.e.r.-plichtig (Afdeling 16.4 van de Omgevingswet). Dit is verplicht als een Omgevingsplan kaderstellend is voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten of als een Passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van de Wet natuurbescherming. Hierop geldt een uitzondering wanneer het Omgevingsplan voor een klein gebied geldt of wanneer het een kleine wijziging betreft. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Drempelwaarden Besluit m.e.r. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht.

Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: •

een oppervlakte van 100 hectare of meer;

•

een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of;

•

een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

In voorliggend geval is sprake van de realisatie van 8 rug-aan-rugwoningen en 2 halfvrijstaande woningen. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit plan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij

ff

Versie december 2025

35

Ruinerwold, deelplan Buddingewold

B+O Architectuur en Stedenbouw

onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.

4.12.1. Conclusie Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in Hoofdstuk 4 opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.

4.13. Slagschaduw Op grond van artikel 5.89c van het Bkl wordt bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening gehouden met de slagschaduw door windturbines in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen. Als met het wijzigen van het omgevingsplan het in werking hebben van een windturbine wordt toegelaten of in de omgeving van een windturbine de vestiging van een slagschaduwgevoelig gebouw wordt toegestaan, dan moet worden geborgd dat daarbij tevens wordt voldaan aan artikel 5.98f van het Bkl. Uit dit artikel blijkt dat in het omgevingsplan wordt opgenomen dat in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een afstand van minder dan twaalf maal de rotordiameter van de windturbine is gelegen ten hoogste gemiddeld zeventien dagen per jaar gedurende niet meer dan twintig minuten per dag slagschaduw door de windturbine kan optreden.

4.13.1. Conclusie Onderhavig project wordt niet beïnvloed door en veroorzaakt geen slagschaduw. Het aspect slagschaduw vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.14. Dienstenrichtlijn Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient het omgevingsplan te voldoen aan artikel 14, aanhef en onder 5. van Richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (PbEU 2006, L 376). De Dienstenrichtlijn heeft betrekking op dienstverleners, wat verwijst naar natuurlijke personen of rechtspersonen die diensten aanbieden in de uitoefening van een economische activiteit. Het kan gaan om diverse soorten diensten, zoals zakelijke dienstverlening, toerisme, bouw, detailhandel, enzovoort. Artikel 14 van de Dienstenrichtlijn bevat specifieke bepalingen met betrekking tot regels in omgevingsplannen. Onder artikel 14, aanhef en onder 5, wordt gesteld dat omgevingsplannen geen specifieke regels hoeven op te nemen die gericht zijn op dienstverleners

4.14.1. Conclusie Onderhavig project heeft geen betrekking op diensten. Het aspect Dienstenrichtlijn vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16934893/1