CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 10, bijlage 1 verordening VFL DRV (inclusief bijlagen)

Gemeenteraad 6 april 2021, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Verordening fysieke leefomgeving De Ronde Venen, raadsvoorstel 10/2132.022 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Artikel 9.5

Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking per de dag na die van bekendmaking.

Artikel 9.6

Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Fysieke Leefomgeving De Ronde Venen.

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 55 van 107

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente De Ronde Venen van datum, De raad voornoemd, de griffier,

bijlagen bij de Verordening Fysieke Leefomgeving 1.

Archeologische beleidskaart

2.

Reglement van Orde welstandscommissie

Verordening Fysieke Leefomgeving - pagina 56 van 107

de voorzitter,

Bijlage 1: Archeologische beleidskaarten

Bijlage 2 Reglement van orde van de welstandscommissie (commissie ruimtelijke kwaliteit) 1. Benoeming en samenstelling van de commissie ruimtelijke kwaliteit 1.1 Benoemingsprocedure De voorzitter en deskundige leden van de commissie ruimtelijke kwaliteit en hun plaatsvervangers worden door het college benoemd en ontslagen. MooiSticht doet daartoe een voorstel. Alle leden van de commissie ruimtelijke kwaliteit en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens drie jaar. Bij afwezigheid van de voorzitter of de leden van de commissie, treden plaatsvervangers op in de commissievergadering. De adviseur ruimtelijke kwaliteit kan zich door een collega adviseur ruimtelijke kwaliteit of de directeur van MooiSticht laten vervangen. De voorzitter, de adviseur ruimtelijke kwaliteit, de externe deskundigen en hun plaatsvervangers zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen bindingen of relaties op basis waarvan het advies over de welstands- of monumenten aspecten wordt beïnvloed. De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid, inclusief het erfgoedbeleid. De commissie streeft naar voortdurende afstemming met het beleid inzake de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente.

1.2 Samenstelling van de commissie De commissie ruimtelijke kwaliteit bestaat uit een bestuurlijk voorzitter, de adviseur ruimtelijke kwaliteit van MooiSticht en tenminste twee externe deskundigen van buiten het bureau. Deze twee zijn net als de adviseur ruimtelijke kwaliteit deskundig op het terrein van architectuur en/of stedenbouw. Indien er tevens geadviseerd wordt in het kader van de Erfgoedwet/Monumentenwet worden er aan de commissie twee leden toegevoegd; deskundigen op het gebied van cultuurhistorie en restauratie. De adviseur ruimtelijke kwaliteit fungeert tevens als secretaris-deskundige van de commissie. De commissie ruimtelijke kwaliteit kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door extra deskundigen van het bureau van MooiSticht of daarbuiten. Dit betreft disciplines als cultuur- en bouwhistorie, stedenbouw en landschapsarchitectuur. Afhankelijk van het type plan dat moet worden beoordeeld, nemen de extra deskundigen deel aan de vergadering. De commissie ruimtelijke kwaliteit kan slechts adviezen uitbrengen indien tenminste drie leden aanwezig zijn (waaronder de adviseur ruimtelijke kwaliteit of zijn/haar vervanger). 2. Taakomschrijving 2.1 Taakomschrijving commissie ruimtelijke kwaliteit De commissie ruimtelijke kwaliteit is belast met zowel wettelijk verplichte als niet wettelijk verplichte taken.

De wettelijke taken van de commissie ruimtelijke kwaliteit worden uitgevoerd op grond van de Woningwet en de Erfgoedwet/Monumentenwet. De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota en aan het gemeentelijk erfgoedbeleid.

2.1.1 Wettelijke taken 1.

Toetsing van vergunningplichtige bouwwerken.

De commissie is bevoegd om B&W te adviseren over de welstandsaspecten van reguliere en gefaseerde aanvragen om omgevingsvergunning om te bouwen als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Regulier vergunningplichtige omgevingsaanvragen om te bouwen worden in de regel binnen twee weken na behandeling van een welstandsadvies voorzien. 2.

Jaarverslag commissie ruimtelijke kwaliteit.

De commissie ruimtelijke kwaliteit legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie tenminste uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Tenminste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de commissie ruimtelijke kwaliteit. 2.1.2 Niet wettelijk verplichte taken De commissie ruimtelijke kwaliteit krijgt – indien door de gemeente gewenst – de opdracht om naast de reguliere taken de volgende (niet wettelijk verplichte) taken uit te voeren: a. b.

c.

d. e. f.

beoordeling van aanvragen voor reclames (inzake de gemeentelijke APV); onder de regie van de gemeente, en op verzoek van de commissie, de gemeente of de aanvrager, noodzakelijk geacht overleg voeren met betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen; desgevraagd adviezen uitbrengen aan B&W over de aspecten van ruimtelijke kwaliteit van in voorbereiding zijnde structuurplannen, bestemmingsplannen, beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante beleidsstukken; desgevraagd adviseren over stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente; desgevraagd adviseren in het geval van excessen: buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident zijn; voorlichting inzake ruimtelijke kwaliteit aan de gemeenteraad, B&W en burgers.

2.2 Taakomschrijving commissieleden 2.2.1 Taken van de adviseur ruimtelijke kwaliteit De adviseur ruimtelijke kwaliteit van MooiSticht is secretaris-deskundige van de commissie. Hij/zij voert als gemandateerd lid van de commissie ruimtelijke kwaliteit de eerste gesprekken – het vooroverleg – met de gemeente, planindieners, ontwerpers en andere belanghebbenden, verzamelt relevante informatie en bereidt de behandeling van bouwplannen in de commissie ruimtelijke kwaliteit voor. De plannen waarvoor de adviseur ruimtelijke kwaliteit een mandaat heeft, worden door hem/haar van een advies voorzien (Zie verder 4.2 Gemandateerde behandeling). De adviseur ruimtelijke kwaliteit stelt de agenda voor de commissievergadering op en geeft die door aan de behandelend ambtenaar van de gemeente. Tijdens de commissievergadering introduceert de adviseur ruimtelijke kwaliteit de bouwplannen en verstrekt gegevens over het relevante welstandsbeleid voor het betreffende plan en/of gebied. Onder de verantwoordelijkheid van de adviseur ruimtelijke kwaliteit wordt de beraadslaging en conclusie over een bouwplan uitgewerkt in

een schriftelijk advies, dat in beginsel binnen één week na de commissievergadering verzonden wordt. 2.2.2 Taken van de voorzitter De voorzitter van de commissie ruimtelijke kwaliteit wordt voorgedragen uit de kring van gemeentebestuurders en oud-gemeentebestuurders van andere gemeenten. Hij/zij is verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie en de kwaliteit van de advisering. Hij/zij let erop dat de commissie adviseert binnen de kaders van het gemeentelijk beleid. Tijdens de openbare vergadering treedt de voorzitter op als gastheer/-vrouw voor alle aanwezigen. Hij/zij legt in het kort de vergaderprocedure uit en informeert wie van de aanwezigen bij een bepaald plan wil inspreken. Indien een plan in het vooroverleg is besproken, geeft de voorzitter (of de adviseur ruimtelijke kwaliteit) een korte samenvatting van hetgeen in dat stadium van het planproces besproken is. De voorzitter leidt de discussie en biedt alle commissieleden de gelegenheid om hun mening voldoende naar voren te brengen. Hij/zij zorgt ervoor dat na een inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag een voor alle aanwezigen korte en heldere samenvatting wordt gegeven. De voorzitter bewaakt verder de voortgang van de agenda. Bij het overleg met de gemeente (bestuurders en ambtenaren) en met de pers treedt de voorzitter namens de commissie naar buiten.

De voorzitter organiseert met de commissie een jaarlijkse inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden. De resultaten van de evaluatie worden opgenomen in het jaarlijks verslag van de commissie ruimtelijke kwaliteit. 2.2.3 Taken van de externe deskundigen In de commissie hebben tenminste twee externe deskundigen op het gebied van de architectuur en/ of stedenbouw zitting. Zij geven vanuit hun ervaring en inzicht in het vakgebied een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen. Extra deskundigheid op het gebied van cultuurhistorie en landschap kan in overleg met de gemeente aan de commissie worden toegevoegd (Zie ook 1.2 Samenstelling van de commissie). Op het moment dat een extern commissielid op de een of andere wijze een zakelijke binding heeft met een bepaald bouwplan laat hij/zij zich voor de betreffende commissievergadering vervangen. Bij langlopende projecten waarbij de inbreng van de commissie verwacht wordt en waarbij de extern deskundige een zakelijke binding heeft, treedt deze in overleg met de commissie en het bureau tijdelijk terug. Ook kan op verzoek van de gemeente de advisering over een dergelijk plan in overleg met de commissie plaatsvinden door een commissie uit een aangrenzend rayon. 3. Werkwijze Vergunningverlening De adviesprocedure begint met een selectie van bouwplannen bij de afdeling Ruimte.

Deze afdeling toetst een bouwplan eerst op de vereisten in het bestemmingsplan en de bouwverordening. Ten behoeve van de advisering beoordeelt de ambtenaar of het bouwplan is voorzien van de benodigde bescheiden om het te kunnen toetsen. Welke gegevens nodig zijn, is vastgelegd in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). 4. Werkwijze van de commissie ruimtelijke kwaliteit 4.1 Vooroverleg over bouwplannen De gemeente biedt de aanvrager de mogelijkheid, om een nog niet formeel aangevraagd bouwplan in een vooroverleg met de commissie ruimtelijke kwaliteit toe te lichten en te bespreken.

Vooroverleg vindt in principe in het openbaar plaats. Hiervan kan worden afgeweken na overleg tussen de gemeente, de aanvrager en de commissie ruimtelijke kwaliteit. 4.2 Gemandateerde behandeling De adviseur ruimtelijke kwaliteit behandelt in de regel om de twee weken op locatie de bouwplannen. Hij/zij heeft een mandaat van de commissie om zelfstandig bouwplannen af te handelen. Het uitgangspunt voor de mandaatverlening is dat de adviseur ruimtelijke kwaliteit alleen de plannen beoordeelt van een relatief geringe ruimtelijke betekenis, of plannen waar gelet op meerdere vergelijkbare gevallen, de mening van de commissie als bekend mag worden verondersteld. Bij twijfel legt de adviseur ruimtelijke kwaliteit het bouwplan voor aan de commissie ruimtelijke kwaliteit. De commissie zelf is eindverantwoordelijk voor het advies. 4.2.1 Mandaat ‘kleine commissie’ De gemandateerde adviseur ruimtelijke kwaliteit wordt – op verzoek van de commissie ruimtelijke kwaliteit, de gemeente of op eigen verzoek – bijgestaan door een ander commissielid. Deze ‘kleine commissie’ beschikt over hetzelfde mandaat als de adviseur ruimtelijke kwaliteit. 4.2.2 Het mandaatadvies De adviseur ruimtelijke kwaliteit brengt adviezen uit aan B&W conform artikel. 12 lid 1 Woningwet. Beoordeling vindt plaats aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de gemeentelijke welstandsnota/nota voor ruimtelijke kwaliteit.

In het geval dat de aanvraag een monument betreft of een plan in een gemeentelijk beschermd stads- op dorpsgezicht wordt bezien of het plan de bijbehorende monumentale waarden niet in het geding brengt. Een positief mandaatadvies wordt uitgebracht door een stempel ‘geen bezwaar’ op het adviesformulier en de bijbehorende plantekeningen te plaatsen. Een negatief mandaatadvies wordt schriftelijk gemotiveerd met een verwijzing naar de relevante criteria uit het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van de gemeente. 4.2.3 Openbaarheid gemandateerde behandeling De behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. De gemeente draagt zorg voor de informatie betreffende het tijdstip en plaats van de gemandateerde behandeling. 4.2.4 Toelichting opdrachtgever/ontwerper Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om de gemandateerde behandeling van hun plan bij te wonen en toe te lichten. Indien zij bij de behandeling aanwezig willen zijn, vermelden ze dit op het daarvoor bestemde formulier of rechtstreeks bij de gemeente. De gemeente zorgt voor de uitnodigingen. 4.2.5 Spreekrecht Tijdens de gemandateerde behandeling wordt de mogelijkheid tot spreekrecht geboden aan opdrachtgevers en ontwerpers. Dit geldt ook indien de plannen digitaal aan de adviseur zijn aangeboden.

4.3 Openbare commissievergadering De commissie ruimtelijke kwaliteit vergadert in de regel één keer per twee weken. De adviseur ruimtelijke kwaliteit behandelt in de tussenliggende periode de kleinere bouwplannen (zie 2.2.1 t/m 2.2.3 voor taken adviseur ruimtelijke kwaliteit, voorzitter en externe deskundigen tijdens de commissievergadering). 4.3.1 Locatie vergadering De commissie ruimtelijke kwaliteit vergadert op een vaste, nader in overleg te bepalen, locatie. 4.3.2 Bekendmaking agenda De gemeente draagt zorg voor de bekendmaking betreffende de agenda voor de commissievergadering via een verwijzing naar de agenda op de website van MooiSticht: www.mooisticht.nl De openbaarheid geldt voor de beraadslaging over bouwplannen, de beoordeling daarvan en voor de adviezen. De commissievergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in gevallen als bedoeld in art. 10, eerste lid, van de Wet Openbaarheid van Bestuur en in gevallen waarin het belang van openbaarheid niet opweegt tegen de in art. 10, tweede lid, van die wet genoemde belangen. 4.3.3 Toelichting opdrachtgever/ontwerper Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om de behandeling van hun plan bij te wonen en toe te lichten. Indien zij bij de behandeling aanwezig willen zijn, vermelden ze dit op het daarvoor bestemde formulier of rechtstreeks bij de gemeente.

De gemeente zorgt voor de uitnodigingen. 4.3.4 Spreekrecht Tijdens de openbare vergadering wordt de mogelijkheid tot spreekrecht geboden aan opdrachtgevers en ontwerpers. 4.4 Het advies De commissie ruimtelijke kwaliteit brengt heldere en goed beargumenteerde adviezen uit aan B&W conform art. 12 lid 1 Woningwet. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota. In het geval dat de aanvraag een monument betreft of een plan in een gemeentelijk beschermd stads- op dorpsgezicht wordt bezien of het plan de bijbehorende monumentale waarden niet in het geding brengt. Een advies kan de volgende uitkomsten hebben: – Akkoord De commissie ruimtelijke kwaliteit is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde criteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand / geen aantasting vormt van cultuurhistorische waarden. Desgewenst motiveert de commissie haar advies schriftelijk. – Akkoord mits

De commissie ruimtelijke kwaliteit is van oordeel dat het plan op onderdelen niet voldoet aan de toetsingscriteria uit de welstandsnota / geen aantasting vormt van cultuurhistorische waarden, tenzij wordt voldaan aan de voorwaarden zoals de commissie ruimtelijke kwaliteit die – verwijzend naar de criteria en/of waarden heeft geformuleerd. De commissie geeft nauwkeurig aan welke onderdelen van het plan gewijzigd moeten worden. De aanvrager krijgt vervolgens de gelegenheid zijn plan aan te passen, voor– zover de gemeente van oordeel is dat dit nog binnen de resterende vergunning termijn kan worden gerealiseerd. – Niet akkoord De commissie is van oordeel dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand / een aantasting vormt van bestaande cultuurhistorische waarden. Een negatief advies betekent dat een bouwplan moet worden gewijzigd alvorens er positief kan worden geadviseerd. Adviseert de commissie negatief, dan geeft ze een nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde criteria en/of waarden en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten.

– Aanhouden De commissie ruimtelijke kwaliteit kan het advies aanhouden – waarbij het team Vergunningen aangeeft of en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende vergunning termijn – wanneer meer informatie of een toelichting van de ontwerper noodzakelijk is. 4.5 Afwijken van het advies en/of -criteria B&W hebben de wettelijke mogelijkheid om af te wijken van een advies. De redenen voor afwijking moeten bij de bekendmaking van het besluit worden vermeld. B&W kunnen, eventueel op advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit, gemotiveerd (op welstandsgronden) afwijken van de welstandscriteria zelf. Dat kan bij plannen die niet voldoen aan de vastgelegde criteria maar wél aan redelijke eisen van welstand. B&W verwijzen in dat geval naar de algemene criteria in de welstandsnota. 4.5.1 Second opinion Alvorens een second opinion te vragen, bieden B&W eerst de vaste commissie ruimtelijke kwaliteit de mogelijkheid tot heroverweging van het eerder uitgebrachte advies. Indien alsnog een second opinion wordt gevraagd, wordt dit gemeld aan de commissie ruimtelijke kwaliteit. Bij een second opinion wordt de aanvraag om omgevingsvergunning om te bouwen voorgelegd aan een nadere commissie van MooiSticht dan wel aan een commissie buiten MooiSticht. Hierover neemt de gemeente contact op met de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit. 5.

Aanvulling, evaluatie en aanpassing van de welstandsnota 5.1 Jaarverslag B&W B&W leggen de gemeenteraad tenminste eenmaal per jaar een verslag voor waarin zij uiteenzetten: Op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de commissie ruimtelijke kwaliteit; In welke categorieën van gevallen: * zij tot aanschrijving op grond van art. 5.2 Wabo zijn overgegaan en daarbij de keuze hebben gelaten tussen ofwel het uitvoeren van de aanschrijving, ofwel het slopen van het bouwwerk of de standplaats binnen de door hen te bepalen termijn, en

* zij bij of na een aanschrijving op grond van artikel 5.2 Wabo zijn overgegaan tot toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 5.17 Wabo. 5.2 Jaarverslag commissie ruimtelijke kwaliteit De commissie ruimtelijke kwaliteit legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie tenminste uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de welstandscriteria. Tenminste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de commissie ruimtelijke kwaliteit (Zie ook onder punt 2.1.1).

Toelichting Verordening Fysieke Leefomgeving

1

Inhoudsopgave toelichting 1.

Algemeen a. Het waarom van de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) en de relatie met de Omgevingswet b. Afbakening van regelingen en inhoudelijke integratie c.

Enkele belangrijke aandachtspunten

d. VFL en aanpassing andere regels (waaronder uitvoeringsbesluiten van het college) 2.

Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Hoofdstuk 2

Procedures

Hoofdstuk 3

Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu

Hoofdstuk 4

Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Hoofdstuk 5

Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

Hoofdstuk 6

Erfgoed

Hoofdstuk 7

Afvalstoffen en inzameling oud papier

Hoofdstuk 8

Voormalige Bouwverordening

Hoofdstuk 9

Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Bijlagen bij de verordening Bijlagen bij de toelichting

2

1.

Algemeen a.

Het waarom van de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) en de relatie met de Omgevingswet

Op 1 januari 2022 treedt de Omgevingswet (Ow) in werking. Deze wet vervangt een groot aantal wetten van het Nederlandse omgevingsrecht. Daarnaast wordt een groot aantal uitvoeringsregelingen (AMvB’s en Ministeriële regelingen) vervangen. De Omgevingswet reguleert de fysieke leefomgeving zo veel mogelijk integraal in het omgevingsplan Nu -zonder Omgevingswet- zijn er sectorale regels voor openbare ruimte, ruimtelijke ordening, milieu, natuur en andere onderwerpen. Deze bestaan in eigen kokers naast elkaar. Dit zorgt voor onoverzichtelijkheid en moeizame afstemming. Met de Omgevingswet moet dit anders worden. Het omgevingsplan speelt hierbij een speciale rol. Een omgevingsplan is een soort bestemmingsplan, maar dan niet alleen voor ruimtelijke ordening, maar voor álle regels voor de fysieke leefomgeving. Onder de Omgevingswet omvat de fysieke leefomgeving in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur en erfgoed. Het omgevingsplan wordt de komende jaren opgesteld. Op den duur landen alle gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving in het omgevingsplan. Het gaat om regels uit bestemmingsplannen, de APV met bepalingen over openbare ruimte, erfgoedregels, regels over afval, over riolering, over ondergrondse infrastructuur, enzovoort. Sommige regels kunnen misschien ook worden geschrapt.

De VFL is een tussenstap richting het omgevingsplan Het beoordelen, integreren en ombouwen van al de gemeentelijke regels in het fysieke domein is een enorme klus. In veel gemeenten worden daarom tussenstappen gemaakt. Deze tussenstappen zijn bedoeld om regelingen te inventariseren, op te schonen en tegenstrijdigheden eruit te halen. Eén van de mogelijke tussenstappen is een Verordening Fysieke Leefomgeving, waarin alvast zo veel mogelijk gemeentelijke regels voor het fysieke domein worden samengebracht in één verordening. Een deel van het werk richting de volledige integratie in het omgevingsplan wordt daarmee al gedaan. Net als andere gemeenten kiest de gemeenteraad van De Ronde Venen voor de tussenstap van een Verordening Fysieke Leefomgeving. De VFL ondersteunt de ontwikkeling naar meer integraal beleid Naar verwachting zien het bestuur, de ambtelijke organisatie en inwoners steeds meer samenhang zien tussen de verschillende regels voor de fysieke leefomgeving, wanneer de VFL wordt gebruikt. Door de onderwerpen meer integraal te benaderen, is de verwachting daarnaast dat de volgende stap van de Omgevingswet -te komen tot een integraal omgevingsplanmakkelijker en efficiënter zal gaan. Dit leidt uiteindelijk tot een overzichtelijker en toepasbaarder geheel van gemeentelijke regels in het omgevingsplan.

In de overgangsperiode is de Verordening Fysieke Leefomgeving een toetsingskader naast de gemeentelijke bestemmingsplannen.

3

Samenvattend betekent de vaststelling van de VFL het volgende: 1. Een aantal verordeningen rondom fysiek domein worden bijeengebracht in de Verordening Fysieke Leefomgeving (deels of geheel). Deze geïntegreerde verordeningen (of onderdelen daarvan) bestaan juridisch dan niet meer. Omdat beleidsneutraal wordt omgezet, gelden dezelfde inhoudelijke regels. 2. Niet alle gemeentelijke regelingen met betrekking fysiek domein gaan mee. Zo blijven bijvoorbeeld de Verordening Vinkeveense Plassen en de Leidingenverordening er naast bestaan. Dit heeft juridische en praktische redenen. In het omgevingsplan moeten deze regelingen wel worden geïntegreerd. 3. Alle samenhangende besluitvorming (nadere regels, aanwijzingen, beleid) gaat mee als dat nodig is en verwijzingen worden aangepast. Ook dit is beleidsneutraal. 4. Voorlopig blijven ook alle bestemmingsplannen naast de Verordening Fysieke Leefomgeving (en de overige verordeningen) bestaan. 5. Vanaf 2022 tot 2029 is er een overgangsperiode om alle gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving samen te brengen naar en te integreren in één omgevingsplan. Daarmee worden stapsgewijs de bestemmingsplannen en de VFL vervangen. In de voorliggende VFL is de integratie van regels voor De Ronde Venen vormgegeven.

Hierbij is gebruik gemaakt van informatie uit het programma “Aan de slag met de Omgevingswet” en voorbeelden van een aantal andere gemeenten. Het vervolg van deze toelichting gaat dieper in op: (b)

Afbakening van regelingen en inhoudelijke integratie

(c)

Enkele belangrijke aandachtspunten

(d)

VFL en aanpassing andere regels (waaronder uitvoeringsbesluiten van het college

(H2) De Verordening zelf, aan de hand van de hoofdstukken en de artikelen. b.

Afbakening van regelingen en inhoudelijke integratie

De VFL is geen heroverweging van de regels voor het fysieke domein. Het is een tussenstap richting de volledige integratie in het omgevingsplan. Het moet daarom duidelijk zijn wat wél en wat niet is meegenomen in de VFL. Niet alle regels voor de fysieke leefomgeving zijn meegenomen; de belangrijkste en duidelijkste wel Het is niet meteen duidelijk welke verordeningen in aanmerking komen voor de VFL. De wetgever heeft het begrip “fysieke leefomgeving” (nog) niet vast omlijnd. Een voorbeeld van een twijfelgeval is de evenementenvergunning in de APV. Deze heeft elementen van regulering van fysieke leefomgeving, maar ook van openbare orde. Daarom zijn in de VFL nu alleen die bepalingen meegenomen die op grond van de Omgevingswet meegenomen moeten worden of waarvan heel duidelijk is dat deze bepalingen effect hebben op de fysieke leefomgeving. Verder kunnen praktische omstandigheden een rol spelen. Zo bleek er op het moment van aanpakken van de VFL een traject te lopen tot het onderling integreren van de Telecomverordening en de Leidingenverordening. Reden om deze vooralsnog niet mee te nemen. 4

Na het uitwerken en toepassen van juridische en praktische criteria, is gekomen tot de volgende lijst van mee te nemen verordeningen. •

APV (deels)

•

Erfgoedverordening

•

Afvalstoffenverordening

•

Verordening inzameling oud papier

•

Bouwverordening.

In een latere fase kunnen hier verordeningen aan worden toegevoegd, maar voor dit moment is dit een praktisch werkbare verzameling gemeentelijke verordeningen over de fysieke leefomgeving. De VFL integreert de regels uit verschillende verordeningen Er is geen inhoudelijk ander beleid opgenomen en geen lastenverzwaringen. De VFL maakt de regels wel (iets) eenvoudiger door: •

Integratie van begripsbepalingen en procedures

•

Minder regels door het schrappen van doublures

•

Uniformering van regels

Hierbij is zo veel mogelijk het boek 100 tips voor de gemeentelijke regelgever gevolgd. Dit is een gids om regels beknopt, goed werkend, goed leesbaar en goed toepasbaar te maken. In verband met de toepasbaarheid door de organisatie (beoordelaars, BOA’s), is ook kritisch aandacht besteed aan de ambtelijke toepasbaarheid. Om deze reden is in sommige gevallen vastgehouden aan de bestaande volgorde en plaats van regels. c.

Enkele belangrijke aandachtspunten

Bij het opstellen van de VFL is op een aantal punten een keuze of afweging gemaakt. Deze worden hieronder toegelicht. De nu voorgestelde VFL is bedoeld tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet Op deze manier kunnen we ervaring opdoen met de VFL onder de huidige wetgeving, zoals de WABO. Dit heeft wel tot gevolg dat de VFL nog een keer moet worden aangepast, wanneer de Omgevingswet in werking treedt. Zo zal de Omgevingswet het huidige begrip van de “milieuinrichting” afschaffen (uitgangspunt wordt de milieu(relevante)activiteit). Tot deze landelijke wetswijziging moet nog met het begrip inrichting worden gewerkt, daarna kan het niet meer. De regelingen uit de verordening zijn op twee uitzonderingen na beleidsneutraal overgenomen in de VFL Het bestaande systeem van regels en verplichtingen inhoudelijk zo veel mogelijk in takt gelaten. Wat wel is veranderd, is dat begripsbepalingen en procedures zijn geïntegreerd, doublures zijn geschrapt en regels op dezelfde manier zijn geformuleerd. Er zijn hierdoor een paar (kleine) wijzigingen in de procedures. Dit geldt sowieso niet voor vergunningen die onder de Wabo vallen, omdat deze procedureel voor een groot deel geregeld zijn in de Wabo zelf (artikel 3.7 Wabo).

5

In twee artikelen heeft er een inhoudelijke wijziging plaatsgevonden. Het betreft artikel 3.1.3 (Het maken of veranderen van een uitweg) en artikel 4.1.2 (Melding incidentele festiviteiten). Verderop in deze toelichting wordt ingegaan op de inhoudelijke wijzigingen van deze artikelen. De toelichtingen bij de geïntegreerde verordeningen blijven van toepassing Aanpassing van deze toelichtingen is niet nodig, omdat de inhoud van de regels niet wijzigt. Met behulp van transponeringstabellen is op te zoeken welke bepaling waar is “geland” in de Verordening Fysieke Leefomgeving. En ook omgekeerd: waar een bepaling van de Verordening Fysieke Leefomgeving zijn oorsprong heeft. De toelichtingen op de geïntegreerde verordeningen moeten worden gelezen in samenhang met de voorliggende toelichting op de Verordening Fysieke Leefomgeving. Mochten de losse (oude) toelichtingen en de voorliggende (nieuwe) toelichting onderling verschillen, dan gaat de voorliggende toelichting op de Verordening Fysieke Leefomgeving voor. Dit kan zich voordoen bij toelichting op procedures. Er zijn geen nieuwe zorgplichten geformuleerd Enkele bestaande zorgplichten zijn overgenomen: 1.

Voor ondernemers die eet- en drinkwaren verkopen, om de omgeving netjes te houden (artikel 7.3.3, afkomstig uit de Afvalstoffenverordening, Zwerfafval rondom inrichtingen).

2.

Voor degene die op de openbare weg lost, om het wegdek nadien schoon te maken (artikel 7.3.4, afkomstig uit de Afvalstoffenverordening Afval en verontreiniging op de weg)

3.

Enkele specifieke zorgplichten voor de inzamelaar van oud papier (doorgeven wijzigen gegevens, uitbetaling garantievergoeding, tegengaan zwerfafval en goede verkeersafwikkeling rond papiercontainer, art 7.4.1 afkomstig uit de Verordening inzameling oud papier)

Verder is er uit de Afvalstoffenverordening nog een zorgplicht voor het college overgekomen, voor het beschikbaar zijn van een inzamelplaats voor onder andere grof afval (milieustraat of afvalscheidingsstation, artikel 7.1.3). Dit geldt echter niet als “zorgplicht” voor de inwoner. Het systeem van algemenere en meer bijzondere zorgplichten zal onder de Omgevingswet een belangrijkere rol krijgen. Interne en externe verwijzing zijn eenduidig opgenomen Waar in de Verordening Fysieke Leefomgeving een verwijzing naar alleen een bepaald artikel staat genoemd, wordt daar bedoeld dit artikel van de Verordening Fysieke Leefomgeving zelf. Als er wordt verwezen naar een andere verordening of wet, staat dat er bij. Een voorbeeld ter illustratie. In de onderstaande bepaling wordt in lid 1 onder c verwezen naar de Wet milieubeheer en in lid 2 naar artikel 7.1.1. van de Verordening Fysieke Leefomgeving zelf. Artikel 7.1.2 Regulering van andere inzamelaars 1.

Het is anderen dan de inzameldienst(en) verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: a.

daartoe is aangewezen door burgemeester en wethouders;

b.

bij nadere regels van burgemeester en wethouders van het verbod is vrijgesteld; of

c.

verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer.

2.

Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 7.1.1, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

6

d.

VFL en aanpassing andere regels (waaronder uitvoeringsbesluiten van het college)

De VFL onttrekt een aantal regels aan andere verordeningen in één nieuwe verordening. Dit heeft gevolgen voor andere regelgeving. Om deze actueel en juridisch kloppend te houden, zijn naast de vaststelling van de VFL de volgende besluiten genomen: 1. Intrekking van verordeningen die geheel opgaan in de VFL 2. Aanpassing van Verordeningen die gedeeltelijk worden ingetrokken, en waarvan de interne verwijzingen moeten worden aangepast. 3. Aanpassing van bepalingen in verordeningen die verwezen naar bijvoorbeeld delen van de APV die opgaan in de VFL 4. Aanpassing van uitvoeringsbesluiten, zoals bijvoorbeeld gebiedsaanwijzingen en beleidsregels, die eerst hingen onder de APV, maar die komen te hangen onder de VFL. De eerste drie besluiten zijn raadsbevoegdheden. Het aanpassen van uitvoeringsbesluiten (onder 4) is aan het college van burgemeester en wethouders. De intrekking van verordeningen die geheel vervallen, is opgenomen in artikel 9.3 van de VFL (ingetrokken worden de Erfgoedverordening De Ronde Venen 2017, de Afvalstoffenverordening, de Verordening Inzameling oud papier en de Bouwverordening). Het aanpassen van verordeningen (onder 2 en 3) is opgenomen in de wijzigingsverordening VFL. Uitvoeringsbesluiten worden aangepast met een omhangbesluit (de besluiten worden onder een andere verordening “gehangen”, de formele grondslag wijzigt).

7

2.

Artikelgewijze toelichting Vooraf: In de intulé zijn de grondslagen van de bestaande te integreren verordeningen overgenomen. Hoofdstuk 1, Algemene bepalingen Dit hoofdstuk bestaat uit algemene doelstellingen van de Verordening Fysieke Leefomgeving en uit begripsbepalingen. i. doelstellingen In artikel 1.1.1. zijn de doelstellingen van de VFL geformuleerd. Deze zijn gebaseerd op verschillende voorbeelden van Verordeningen Fysieke Leefomgeving en sluiten aan op de toekomstige brede reikwijdte van de Omgevingswet (fysieke leefomgeving). Hieraan is een specifieke bestaande doelstelling uit artikel 2 van de Afvalstoffenverordening toegevoegd (doelmatige verwijdering afvalstoffen). ii. Begripsbepalingen Alle begripsbepalingen afkomstig uit de verschillende verordeningen zijn alfabetisch achter elkaar geplaatst. Eventuele overlap of tegenstrijdigheden zijn gecorrigeerd. Een enkele specifieke begripsbepaling is op de plaats gehouden die deze in de voormalige verordeningen had (tussen andersoortige bepalingen). Dit vanwege de inbedding, de herkenbaarheid en de overzichtelijkheid. Het gaat om artikel 4.2.3 (Oplaten van ballonnen) en artikel 5.1.1 (Voertuigen van autobedrijf en dergelijke). De begripsbepalingen zijn inhoudelijk niet gewijzigd.

Wel is bijvoorbeeld het bepalen van wie bevoegd gezag is (in het algemeen college van burgemeester en wethouders) opgenomen in artikel 2.2 van hoofdstuk 2 (procedures), waar het ook logischer thuishoort dan in definitiebepalingen. Tenslotte is het begrip <milieu-inrichting> consequent doorgevoerd. Hoofdstuk 2

Procedures

Dit hoofdstuk geeft de regels over de te volgen procedures. Belangrijk daarbij zijn de procedures van beschikkingen. In de VFL zijn zowel vergunningen als ontheffingen opgenomen. Gelet op het uitgangspunt van beleidsneutraliteit, is gekozen om dit nog niet te integreren (ontheffingen blijven ontheffingen, vergunningen blijven vergunningen). De algemene bepalingen over procedures zijn hier op aangepast. Zo gaat het bijvoorbeeld over voorschriften te verbinden aan vergunningen of ontheffingen. In het geheel van te integreren verordeningen is dertien keer sprake van een ontheffing. Vergunningplichten komen vaker voor. Vergunningplichten sluiten over het algemeen beter aan op het beeld van het begrip overheidstoestemming bij inwoners en ondernemers. In het algemeen wordt een ontheffing toegepast als het verschijnsel (de activiteit, de gedraging of de toestand) niet wenselijk is, maar bij uitzondering wel zou moeten kunnen. Een vergunning is de juiste figuur als het in principe wel wenselijk is, maar de overheid het wel wil reguleren (ontheffing: nee, tenzij, vergunning: ja, mits). De VNG gaat hier ook zo mee om in modelverordeningen.

8

Artikel 2.1 Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 2.1 Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht De artikelen 2.2 tot en met 2.5 en 2.8 zijn niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op een wijze die uitputtend is, of afwijkend van de Verordening Fysieke Leefomgeving.

De Verordening Fysieke Leefomgeving reguleert verschillende vergunningen die procedureel voor een deel al geregeld zijn in artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Dit betreft: -

vergunningen of ontheffingen nodig voor iets doen wat monument kan aantasten

-

slopen in beschermd stads- dorpsgezicht

-

het aanleggen van een weg

-

het maken van een uitweg

-

het hebben van een alarminstallatie

-

het kappen van een houtopstand

-

reclame maken of toestaan

-

goederen opslaan of dat toestaan.

Deze gevallen worden procedureel op de volgende punten al geregeld door de Wabo: o

Wijze van aanvraag (elektronisch en op papier, artikelen. 4.1 en 4.2 Besluit omgevingsrecht (Bor))

o

Aanvraagvereisten (zie de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor)), § 7.1. Gegevens en bescheiden over activiteiten als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de wet, artikelen 7.1 – 7.7 Mor.

o

Bevoegd gezag (artikel 2.4 Wabo)

o

Voor wie de vergunning geldt (zaaksgebondenheid, 2.25 Wabo)

o

Procedure, inclusief beslistermijn (artikel 3.1 en verder Wabo)

Andere procedurele kwesties voor deze gevallen worden door de Wabo wel overgelaten aan de betreffende gemeentelijke verordeningen. Het gaat om de volgende punten: o

Beoordeling en weigering aanvraag (artikel 2.18 Wabo)

o

Verbinden van voorschriften aan de vergunning (artikel 2.22 lid 4 Wabo)

o

Wijziging vergunning (artikel 2.31 lid 2, aanhef en onder d Wabo)

o

Intrekking vergunning (artikel 2.33 lid 2, aanhef en onder g Wabo)

De landelijke procedureregels van de Wabo (dus wijze van aanvraag, aanvraagvereisten, bevoegd gezag, voor wie de vergunning geldt, procedure en beslistermijn) moeten worden gezien als exclusief en dwingend. Het is niet mogelijk om hiervoor regels te hebben in een gemeentelijke verordening. Artikel 2.1 VFL bakent dit af en bepaalt dat in die gevallen de procedureregels van de Verordening Fysieke Leefomgeving niet gelden. Het gaat om de procedureregels van de artikelen 2.2 tot en met 2.5 en 2.8. Bij de zinsnede “op een wijze die uitputtend is, of afwijkend van de Verordening Fysieke Leefomgeving” is gedacht aan de mogelijkheid dat de Wabo eventueel wel toestaat dat op gemeentelijk niveau iets afwijkends of aanvullends wordt geregeld. Voor zover dit aan de orde 9

was in de betrokken verordeningen, is dit nu in de Verordening Fysieke Leefomgeving meegenomen. Artikel 2.2 indienen aanvraag Artikel 2.2 Indienen aanvraag 1.

Een aanvraag om vergunning, ontheffing of een melding kan altijd schriftelijk worden ingediend.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat een aanvraag of melding in plaats daarvan ook elektronisch kan worden ingediend (via website of email).

3.

Burgemeester en wethouders kunnen per soort activiteit nadere regels stellen omtrent de inhoud, de inrichting, de uitvoering, de vorm, het aantal en de wijze van indiening van een aanvraag om vergunning of ontheffing of het doen van een melding.

4.

Een aanvraag kan alleen worden ingediend door een privaatrechtelijk bevoegde partij (eigenaar, huurder met toestemming, enz.) ten aanzien van de zaak waar het om gaat (perceel, bouwwerk, voertuig, enz.). In het geval van het vellen van een houtopstand kan de aanvraag bovendien worden ingediend door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

5.

Aan de aanvrager wordt zo spoedig mogelijk een ontvangstbevestiging verzonden.

6.

Er is pas sprake van een rechtsgeldige melding wanneer de melding op de juiste wijze, volledig, naar waarheid en binnen de gestelde termijn is ingediend.

Met de aanvraagregeling van artikel 2.2 is zo veel mogelijk aangesloten op de bestaande gemeentelijke praktijk. Verder wordt op een praktische manier voorzien in zo veel mogelijk denkbare varianten van digitalisering. De aanvraagregeling van artikel 2.2 Verordening Fysieke Leefomgeving geldt alleen voor vergunningplichten van de Verordening Fysieke Leefomgeving, die niet onder artikel 2.2 Wabo vallen. Een schriftelijke aanvraag is altijd mogelijk, omdat niet iedereen even digitaal vaardig is en het relatief vaak om inwoners (niet-bedrijven) gaat. Dit sluit aan op de huidige keuzemogelijkheid voor de inwoner onder de Wabo. De digitalisering gaat wel verder. Bij het opstellen van de VFL bleken er binnen de gemeente De Ronde Venen verschillende werkwijzen te bestaan voor elektronisch aanvragen, formulieren en overige indieningsvereisten. De VFL is zo ingericht dat het college en de organisatie maatwerk kunnen leveren en werkwijzen kunnen aanpassen zonder dat de verordening hiervoor hoeft te worden gewijzigd. In lid 5 wordt geregeld dat het college verplicht bij iedere aanvraag altijd een bericht van ontvangst te zenden. Met lid 6 wordt voorkomen dat een termijn na indiening van een melding gaat lopen naar aanleiding van een (volstrekt) ontoereikende melding.

Het is onwenselijk dat na het indienen van de spreekwoordelijke achterkant van een bierviltje, een toestemming zou ontstaan. Artikel 2.3 Bevoegd gezag Artikel 2.3 Bevoegd gezag

10

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd gezag op grond van deze verordening, tenzij in deze verordening of in een andere wettelijke bepaling een ander bestuursorgaan wordt genoemd.

De regeling van artikel 2.3 Verordening Fysieke Leefomgeving geldt gelet op artikel 2.1 van de Verordening Fysieke Leefomgeving alleen voor vergunningplichten van de Verordening Fysieke Leefomgeving die niet onder artikel 2.2 Wabo vallen. De Wabo bepaalt voor deze Wabo-gevallen ook dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is, zoals artikel 2.3 VFL dat voor niet-Wabo gevallen doet. Het systeem van wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht, geldt ook op gemeentelijk niveau. Dit houdt in dat burgemeester en wethouders in het algemeen (juridisch exclusief) bevoegd zijn tot het verlenen van individuele toestemmingen (vergunning, ontheffing, melding). Hier zijn binnen het domein van de Verordening Fysieke Leefomgeving enkele uitzonderingen op. Zo is de gemeenteraad in sommige gevallen bevoegd als het gaat om erfgoed (zie de artikelen 6.6.1 en 6.6.2). De burgemeester als zelfstandig bestuursorgaan (dus niet als onderdeel van het college van burgemeester en wethouders) wordt alleen genoemd als bevoegd gezag voor een noodkap bij gevaarlijke bomen (artikel 4.3.1 en 4.3.2). De gekozen redactie (tenzij een ander bestuursorgaan word genoemd) laat ruimte voor deze uitzonderingen. Het is logisch dat de burgemeester nauwelijks als bevoegd gezag voorkomt, want het gaat bij de fysieke leefomgeving juist niet om openbare orde.

Dat de gemeenteraad er nauwelijks als bevoegd gezag aan te pas komt, volgt uit het feit dat het vooral om uitvoerende bevoegdheden gaat. Artikel 2.4 Procedure Artikel 2.4 Procedures 1.

Op procedures ingevolge de Verordening Fysieke Leefomgeving, is de gewone procedure van hoofdstuk 4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing, en niet de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure (de zienswijzenprocedure van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht). Dit tenzij door een andere wet, of bij besluit van burgemeester en wethouders anders wordt bepaald.

2.

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (vergunning van rechtswege) is niet van toepassing op procedures van de Verordening Fysieke Leefomgeving. Op de ontheffingen van de artikelen 5.1.4 , 5.1.5 en 5.1.6 van de Verordening Fysieke Leefomgeving is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wel van toepassing.

Ook de regeling in artikel 2.4 VFL geldt alleen voor vergunningplichten die niet onder artikel 2.2 Wabo vallen. In lid 1 is de hoofdregel bepaald: de gewone procedure1, tenzij anders is bepaald. In de te integreren verordeningen komt de Uitgebreide Openbare Voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4

1 Het gangbare begrip “gewone procedure” komt in de Algemene wet bestuursrecht niet voor. Het gaat om de

hoofdprocedure van hoofdstuk 4 Awb, die van toepassing is tenzij de UOV van toepassing is (artikel 3:10 Awb).

11

Awb, oftewel zienswijzenprocedure) niet voor. In de VFL is deze dus ook niet opgenomen. Dit is in lijn met de Omgevingswet, waar ook terughoudend met de uitgebreide procedure wordt omgegaan. Het blijft mogelijk om op basis van de wet (artikel 3:10 Awb) in individueel geval deze procedure toch toe te passen. De redactie van lid 1 laat hier ook ruimte voor. Er is geen wijziging aangebracht in de bestaande regelingen voor vergunningen van rechtswege. Voor de toestemmingen die vallen onder de Wabo is dit geen keus, omdat de formele wetgever dat zo heeft bepaald. Hiernaast hebben de voormalige regelingen van De Ronde Venen alleen voor de volgende gevallen een vergunning voor rechtswege: o

Kampeermiddelen, aanhangwagens en andere voertuigen (ontheffing recreatievoertuigen langer dan 3 dagen op openbare weg, was artikel 5:6 APV, wordt artikel 5.1.4 VFL)

o

Reclamevoertuigen (ontheffing reclamevoertuigen) (was artikel 5:7 APV, wordt 5.1.5 VFL)

o

Grote voertuigen (ontheffing parkeren grote voertuigen, was artikel 5:8 APV, wordt 5.1.6 VFL)

Mede gelet op het uitgangspunt van beleidsneutraliteit, is niet gekozen voor afschaffing van de vergunning van rechtswege voor deze gevallen. In de Omgevingswet zal de vergunning van rechtswege overigens geheel worden afgeschaft. Dit betekent dat als deze toestemmingen in het omgevingsplan zijn opgenomen, geen sprake meer zal zijn van een vergunning van rechtswege. Artikel 2.5 Beslistermijn Artikel 2.5 Beslistermijn 1.

Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen de termijn voor ten hoogste zes weken verlengen.

3.

Als de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure wordt toegepast en het een besluit op aanvraag betreft, gelden de maximale beslistermijnen van artikel 3:18 Algemene wet bestuursrecht.

4.

Van de leden 1 - 3 kan worden afgeweken als dat in deze verordening wordt bepaald, of als dat volgt uit een andere wettelijke bepaling.

Ook de regeling in artikel 2.5 VFL geldt alleen voor vergunningplichten die niet onder artikel 2.2 Wabo vallen. Uitgangspunt is dat binnen 8 weken een besluit genomen wordt op een aanvraag. Het bevoegd gezag kan deze termijn eenmalig met hoogstens 6 weken verlengen. Bij verlenging van de termijn wordt de aanvrager per brief hiervan op de hoogte gebracht. Dit artikel gaat uitsluitend over besluiten op aanvraag. Ambtshalve besluiten, zoals het ambtshalve aanwijzen van monumenten, vallen hier niet onder. Het gaat om waarborgen voor de aanvrager en deels ook om rechtszekerheid voor derde belanghebbenden. Met de basisregeling voor de maximale beslistermijn (8 weken + éénmalige verlenging van 6 weken) wordt aangesloten bij de regeling in de Wabo en bij de toekomstige regeling in de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet wordt nog sterker dan onder de Wabo het uitgangspunt de korte (reguliere) procedure, dus die van 8 + 6 weken. Dit is reden te meer om hiervoor ook te kiezen in de Verordening Fysieke Leefomgeving.

12

Indien wordt gekozen voor de uitgebreide procedure, horen daar uiteraard de betreffende maximale beslistermijnen bij (lid 3). In lid 4 zijn wettelijke uitzonderingen mogelijk gemaakt op de reguliere termijn. Dit is vanuit de Verordening Fysieke Leefomgeving zelf alleen van toepassing op de benodigde beslistermijn bij het aanwijzen van gemeentelijke monumenten (artikel 6.2.5; Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit). Bij het opstellen van de Verordening Fysieke Leefomgeving is intern nagegaan of deze termijn korter of langer zou moeten of kunnen. Dit bleek praktisch niet het geval, zodat de termijn uit de Erfgoedverordening is gehandhaafd. Artikel 2.6 Voorschriften en beperkingen Artikel 2.6 Voorwaarden, voorschriften en beperkingen 1.

Aan een vergunning, ontheffing of toestemming na melding kunnen voorwaarden, voorschriften en beperkingen worden verbonden.

2.

De voorwaarden, voorschriften en beperkingen strekken alleen tot bescherming van het belang of de belangen

3.

-

die verbonden zijn aan de doelen zoals genoemd in artikel 1.1.1, dan wel

-

die in verband waarmee de vergunning, ontheffing of toestemming is vereist, dan wel

-

de belangen zoals bedoeld in de weigeringsgronden zoals bedoeld in artikel 2.7

Degene aan wie een vergunning, ontheffing of toestemming is verleend en degene voor wie deze geldt, is verplicht de daaraan verbonden voorwaarden, voorschriften en beperkingen na te komen.

Onder verwijzing naar de toelichting op artikel 2.1: hier gaat het om een procedurebepaling die de Wabo-wetgever heeft overgelaten aan de gemeentelijke wetgever. Deze regeling geldt zodoende zowel voor vergunningplichten van de Verordening Fysieke Leefomgeving die wel als die niet onder artikel 2.2 Wabo vallen. Het specialiteitsbeginsel brengt met zich mee dat voorwaarden, voorschriften en beperkingen alleen kunnen worden gesteld in verband met de door de overheid in het kader van de betrokken regeling in het bijzonder te bewaken belangen. Een voorbeeld: De wettelijke mogelijkheid om in het kader van milieuzorg een geluidsbeperking op te leggen, is dus niet bedoeld om de openbare orde te behartigen of om zedelijk bederf te bestrijden. Zodoende is in artikel 2.6 een koppeling gelegd tussen de algemene en bijzondere doelen van de Verordening Fysieke Leefomgeving en de mogelijkheid van het stellen van voorschriften en beperkingen. De belangen omtrent de zorg voor de fysieke leefomgeving zijn breed geformuleerd. Hierdoor is in beginsel een breed scala van voorschriften en beperkingen mogelijk. Voorschriften en beperkingen moeten in het concrete geval altijd ook de redelijkheidstoets kunnen doorstaan. Een voorschrift dat onredelijk beperkend is, wordt door de rechter niet geaccepteerd.

Hiervoor moet het concreet te bereiken doel en betrokken belangen in redelijke verhouding staan tot de gemoeide lasten voor de vergunninghouder. Deze redelijkheidstoets geldt voor het gehele bestuursrecht, en is dan ook geen onderwerp specifiek in het kader van de Verordening Fysieke Leefomgeving.

13

Naast artikel 2.6 bevat de Verordening Fysieke Leefomgeving nog de volgende bijzondere grondslagen om voorschriften en beperkingen aan een vergunning, ontheffing of melding te verbinden. o

Artikel 4.1.4 Overige geluidhinder => burgemeester en wethouders kunnen bijzondere geluidsvoorschriften stellen bij activiteiten geluidhinder.

o

Artikel 4.1.6 Gebruik knalapparaten=> burgemeester en wethouders kunnen bijzondere geluidsvoorschriften stellen

o

Artikel 5.2.1 Ligplaats vaartuigen => burgemeester en wethouders kunnen beperkingen stellen aan soort en aantal vaartuigen.

o

Artikel 7.1.1 Aanwijzing van de inzameldienst => burgemeester en wethouders kunnen voorschriften en beperkingen stellen aan inzameldienst.

Artikel 2.7 Weigering Artikel 2.7 Weigering 1.

Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang of de belangen: a.

zoals genoemd in of blijkt uit andere delen van de Verordening Fysieke Leefomgeving:

b.

in verband met de doelen genoemd in artikel 1.1.1. van de Verordening Fysieke Leefomgeving.

2.

c.

van de openbare veiligheid;

d.

van de openbare orde;

e.

van de volksgezondheid;

f.

van de bescherming van het milieu:

Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor zo kort voor de beoogde datum van de start van de activiteit is ingediend dat een behoorlijke behandeling daardoor onmogelijk wordt of in het gedrang komt / kan komen. In principe geldt hiervoor een periode van 3 weken voor de start van de activiteit. Een en ander ter beoordeling van burgemeester en wethouders.

Onder verwijzing naar de toelichting op artikel 2.1: hier gaat het om een procedurebepaling die de Wabo-wetgever heeft overgelaten aan de gemeentelijke wetgever. Deze regeling artikel 2.7 van de Verordening Fysieke Leefomgeving geldt zodoende zowel voor vergunningplichten die wel als die niet onder artikel 2.2 Wabo vallen. Bij het artikel over weigeringsgronden is aangesloten op de algemene doelen van de Verordening Fysieke Leefomgeving en de bijzondere doelen van de betreffende bepalingen. Op enkele plaatsen in de verordening zijn specifieke weigeringsregelingen opgenomen: o

In artikel 4.3.2; Omgevingsvergunning voor het vellen van publieke houtopstanden. In lid 3 van dit artikel zijn 6 weigeringsgronden opgenomen. Deze zijn heel specifiek voor deze vergunning (kapvergunning), en hebben directe relaties met de rest van artikel 4.3.2. Zodoende is er voor gekozen om deze weigeringsgronden in dit artikel 4.3.2 te houden.

o

Hetzelfde geldt voor de weigeringsgrond bij een kerkelijk monument, artikel 6.3.2 lid 5.

o

Grotendeels hetzelfde geldt voor de weigeringsgrond van artikel 5.4.1 (verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken). In lid 4 van 14

dit artikel is bepaald dat dat onverminderd artikel 2.7 (dus de algemene regeling over weigeringsgronden) de ontheffing geweigerd kan worden in verband met de bescherming van de flora en fauna. Dit is een zo specifieke bepaling dat deze thuishoort in de bijzondere regeling, dus artikel 5.4.1. o

Hetzelfde geldt tenslotte voor de weigering van een aanvraag omgevingsvergunning voor het slopen in een beschermd stads- en dorpsgezicht, als niet aannemelijk is dat er ter plaatse een ander gebouw zal worden teruggebouwd. Zie artikel 6.6.3 lid 2.

In lid 2 is een specifieke praktische bepaling opgenomen. Deze bepaling zal juridisch niet vaak aan de orde zijn. De beslistermijn is immers bepaald op 8 (+6) weken (zie artikel 2.5). Het college is niet gehouden om eerder te besluiten op de vergunning. Vervolgens zal na deze 8 weken de vraag op komen of de aanvrager nog wel belang heeft bij een besluit. Hij had immers ruim daarvoor al willen beginnen met de activiteit. Ook is de vraag of de activiteit dan nog door zou gaan. Evengoed is het nuttig om deze bepaling op te nemen (een aanvraag mag niet te kort voor de activiteit worden gedaan), omdat er een signaalfunctie vanuit gaat naar behandelaars en aanvragers. Als het in de verordening zelf staat, wordt het concreter en voor de hand liggender om het in acht te nemen en om er (van te voren) op te wijzen. Het bespaart in voorkomend geval nodeloos werk: als duidelijk is dat de aanvraag niet meer goed is te behandelen vanwege een te korte termijn, of na de normale behandeltermijn feitelijk loos zal zijn (het uitvoeren gaat er niet meer van komen), hoeft deze aanvraag ook niet meer inhoudelijk te worden beoordeeld. Artikel 2.8 Voor wie en hoe lang gelden vergunningen en ontheffingen Artikel 2.8 Voor wie en hoe langen gelden vergunningen, ontheffingen en toestemmingen na meldingen 1.

De vergunning, ontheffing of toestemming na een melding geldt voor -

degene aan wie deze is verleend,

-

de gerechtigde ter zake van het object of de activiteit,

-

degene onder wiens verantwoordelijkheid het object valt of de activiteit wordt uitgevoerd, en voor

-

degene die de betreffende activiteit uitvoert.

Een en ander tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat een vergunning, ontheffing of toestemming persoonlijk is, dan wel op naam van een rechtspersoon of samenwerkingsverband is. 2.

De vergunning, ontheffing of toestemming geldt voor onbepaalde tijd, tenzij daarin anders is bepaald of de aard van de vergunning, ontheffing of toestemming zich daartegen verzet.

3.

De aard van de vergunning, ontheffing of toestemming verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen, ontheffingen of toestemmingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen, ontheffingen of toestemmingen overtreft.

Onder verwijzing naar de toelichting op artikel 2.1: hier gaat het om een procedurebepaling die de Wabo-wetgever al regelt voor de gemeentelijke Wabo-vergunningen van artikel 2.2. Wabo. Artikel 2.8 geldt zodoende alleen voor vergunningplichten van de Verordening Fysieke Leefomgeving, die niet onder artikel 2.2 Wabo vallen. 15

De opsomming van voor wie de vergunning, ontheffing en toestemming na melding geldt, is met opzet breed gemaakt. Het is gericht op een ieder die hier mee te maken heeft. Dus ook uitvoerder en eventuele andere betrokkenen. In aansluiting op (de rest van) het omgevingsrecht, is gekozen voor zaaksgebonden toestemmingen. Dit is duidelijk en inwonervriendelijk. Voor voorkomende gevallen is een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen. In lid 3 is een regeling opgenomen voor de geldigheidsduur van vergunningen. Hierbij is rekening gehouden met het Europeesrechtelijke mededingsrecht, dat met zich kan meebrengen dat vergunningen die een schaars recht inhouden, niet meer voor onbepaalde tijd mogen gelden omdat dat de eerlijke mededinging kan verstoren. Verder kan het zijn dat vergunningen om andere redenen voor bepaalde in plaats van voor onbepaalde tijd moeten gelden. Artikel 2.9 Intrekken en wijzigen Artikel 2.9 Intrekken en wijzigen De vergunning of ontheffing kan in elk geval worden ingetrokken of gewijzigd: a.

als ter verkrijging van de vergunning of de ontheffing onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b.

als op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

c.

als de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

d.

als van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn, één en ander ter beoordeling van het burgemeester en wethouders;

e.

als de houder dit verzoekt. Het verzoek wordt ingediend overeenkomstig artikel 2.2.

Onder verwijzing naar de toelichting op artikel 2.1: bij artikel 2.9 gaat het om een procedurebepaling die de Wabo-wetgever heeft overgelaten aan de gemeentelijke wetgever. Deze regeling 2.9 van de Verordening Fysieke Leefomgeving geldt zodoende zowel voor vergunningplichten die wel als die niet onder artikel 2.2 Wabo vallen. Deze bepaling is geënt op artikel 1:6 van de APV. In zoverre wordt ook verwezen naar de toelichting op artikel 1:6 van de APV. Grond b. ziet op nadien gewijzigde omstandigheden of bestuurlijke inzichten. Hiermee is in theorie elke onvoorziene situatie aan te pakken. Toch is dit juridisch ook niet onbegrensd. In voorkomend geval zal de rechter ook de redelijkheid van een intrekking meewegen. In de toelichting op de APV wordt in dit verband opgemerkt dat vooral het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking beperken. De grond onder d. is bedoeld om geen “slapende vergunningen” te laten voorbestaan. Vergelijk de intrekkingsmogelijkheden voor omgevingsvergunningen als er een half jaar niets mee is 16

gedaan (niet is begonnen of heeft stilgelegen). Slapende vergunningen zijn onwenselijk omdat met deze “onzichtbare rechten” zicht op aanspraken en mogelijke ontwikkelingen verloren wordt, en omdat nieuwe ontwikkelingen onverwachts in de wielen kunnen worden gereden. Het is zaak dat er zo min mogelijk “onzichtbare” aanspraken zijn. De grond onder e. is gebruikelijk (zie ook de Wabo) en sluit aan bij het fundamentele inwonerrecht om afstand van een aanspraak te kunnen doen. Indien de vergunningverplichtingen moeten blijven gelden, bijvoorbeeld in verband met juridisch verplichte naleving of aansprakelijkheid, zal het verzoek allicht kunnen worden geweigerd. Het gaat om een “kan bepaling”. Hoofdstuk 3

Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu

Dit hoofdstuk gaat over Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu. Meer in het bijzonder is het onderwerp “Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen”. Voor de concrete activiteiten wordt verwezen naar de inhoudsopgave van de VFL. Verschillende algemene bepalingen zijn overgeplaatst naar en/of verwerkt in de algemene hoofdstukken 1, 2 en 9. Voor het overige zijn de betreffende bepalingen uit dit hoofdstuk inhoudelijk ongewijzigd overgenomen uit de APV. Voor de toelichting wordt dan ook verwezen naar de transponeringstabel en de toelichting op dit deel van de APV. Artikel 3.1.2 heeft specifieke toelichting nodig Artikel 3.1.2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9929110/1